De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.10.5.1:5.10.5.1 Examen Publiekrecht (1994)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.10.5.1
5.10.5.1 Examen Publiekrecht (1994)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949414:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Utrecht 23 september 1994, ECLI:NL:1994:AH4732, KG 1994, 389, zie hierover ook Vermeulen en Zoontjens 2000, p. 168-169.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1994 kwam de rechtbank Utrecht tot de conclusie dat zij zelf een meerkeuze examen publiekrecht kon beoordelen.1 In casu had de student een extra punt nodig om een examen te behalen in het kader van een private opleiding makelaardij in onroerende goederen. De student was van mening dat het correctiemodel ten aanzien van twee vragen onjuistheden bevatte, deze vragen zouden daarom moeten komen te vervallen. Door het laten vervallen van deze vragen zou de student alsnog slagen. De rechtbank stelt voorop dat de burgerlijke rechter in het algemeen zeer terughoudend moet zijn bij een inhoudelijke beoordeling van examenresultaten. Dit zou echter anders liggen als een beoordeling naar objectieve en toetsbare maatstaven onjuist is. De rechtbank zou niet kunnen ingrijpen als de beoordeling meer subjectieve elementen bevat.
De rechtbank stelt dat, omdat het gaat om vragen van zuiver juridische aard, de beoordeling van de antwoorden in vergaande mate toetsbaar is door anderen. In het bijzonder omdat het meerkeuzevragen betreft. De mogelijkheid van toetsing door de rechter zou in dit geval vergroot zijn doordat het juridische vragen betreft, vragen die bij uitstek op het vakgebied van de rechter liggen. Hier voegt de rechtbank aan toe dat de rechtbank geen beroepsinstantie mag worden voor de (her)beoordeling van juridische examens. Vervolgens gaat de rechtbank de betreffende vragen en antwoorden diepgaand analyseren en pakt daar zelfs de in de vraag aangehaalde wetgeving, wetsgeschiedenis en jurisprudentie bij. De rechtbank komt tot de conclusie dat de student een vraag anders had mogen interpreteren en dat het antwoord op de andere vraag ‘zonder twijfel’ juist is. Aan de student moet dan ook alsnog het bij het examen behorende deelcertificaat worden uitgereikt.