Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.4.3
6.4.3 De rol van de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583476:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag 30 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13907, r.o. 5.1, onderstrepingen SS.
Hof Amsterdam 21 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1592, r.o. 3.5, onderstreping SS.
Hof ’s-Hertogenbosch (vzr.) 19 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3105, r.o. 6.5, onderstreping SS.
Rb. Den Haag 14 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5420, r.o. 4.1.
Rb. Rotterdam 20 april 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:3340, r.o. 4.3, onderstreping SS.
Rb. Gelderland 23 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:4363, r.o. 4.2, onderstreping SS.
Rb. Midden-Nederland 1 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2852, r.o. 2.2, onderstreping SS. Hoewel uit deze rechtsoverweging op zichzelf niet kan worden afgeleid dat de rechtbank met de onderstreepte zinsnede doelt op de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie van de overeenkomst, besteedt de rechtbank hier in r.o. 2.3 wel degelijk aandacht aan. Hieruit valt af te leiden dat de aangehaalde rechtsoverweging (mede) ziet op hetgeen partijen ten aanzien van de kwalificatie van de overeenkomst voor ogen hadden. Aan de partijbedoeling werd eveneens uitdrukkelijk betekenis toegekend in: Rb. Amsterdam 15 november 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8880, r.o. 6 (‘Voor de kwalificatie van een overeenkomst op grond waarvan arbeid wordt verricht dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedoeling die partijen aangaande die kwalificatie bij het aangaan en voortduren van die overeenkomst hebben gehad’) en Rb. Den Haag 25 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2682, r.o. 4.2 (‘Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de vraag of deze partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd.’).
Rb. Amsterdam 2 december 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:8881, r.o. 5, onderstreping SS.
Rb. Utrecht 27 juni 2001, ECLI:NL:RBUTR:2001:ZL1172, tevens JAR 2001/155, ro. 4.7, onderstreping SS.
Rb. Utrecht 15 december 1999, ECLI:NL:RBUTR:1999:AD3116, tevens NJ 2000/494, r.o. 4.4, onderstreping SS.
Hof Den Haag 18 december 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3418, r.o. 5; Rb. Midden-Nederland 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:3995, r.o. 4.2, onderstreping SS.
Ktr. Assen 24 november 1998, ECLI:NL:KTGASS:1998:AI9862. Zie ook: Rb. Midden-Nederland 13 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3461, r.o. 4.3 (‘Daargelaten de benaming die partijen zelf aan de overeenkomst geven, dient de kantonrechter na te gaan of er in de feitelijke situatie voldaan is aan de definitie van arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:610 BW.’, onderstreping SS).
Ktr. Amsterdam 24 november 1999, ECLI:NL:KTGAMS:1999:AG5361, tevens JAR 2000/19, r.o. 11.
Rb. Alkmaar (vzr.) 4 december 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BG6060, r.o. 4.2, onderstrepingen SS.
Ktr. Hilversum 7 maart 2001, ECLI:NL:KTGHIL:2001:AG2712, tevens JAR 2001/72, r.o. 8, onderstreping SS). Zie in gelijke zin: Rb. Amsterdam 14 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3420, r.o. 10 (‘Bovendien is niet doorslaggevend op welke manier partijen hun verhouding juridisch hebben vormgegeven, maar op welke manier zij feitelijk invulling hebben gegeven aan hun rechtsverhouding.’, onderstreping SS).
Betoogd zou kunnen worden dat deze uitspraken ook onder de categorie a (Aan de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd uitdrukkelijk betekenis toegekend) hadden kunnen worden geschaard. De keuze is niettemin op categorie c gevallen, nu categorie a uitsluitend uitspraken bevat waarin de hier besproken partijbedoeling op enigerlei wijze werd meegewogen. Dit was in de voormelde uitspraak niet het geval: daarin werd slechts iets over de partijbedoeling overwogen, bovendien op een manier die voor meerderlei uitleg vatbaar is.
Waarvan 8 behandeld onder b, en 109 onder c.
Als behandeld in paragraaf 6.4.1, onder ii.
Als behandeld in paragraaf 6.4.2, onder ii.e.
Naar aanleiding van het arrest X/Gemeente Amsterdam is onderzocht op welke wijze rechters in de lagere rechtspraak omsprongen met de kwalificatie die partijen zelf beoogden. In X/Gemeente Amsterdam overwoog de Hoge Raad dat de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling geen rol mag spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. In de onderzochte rechtspraak is een onderscheid aangebracht tussen (a) rechtspraak waarin de hier bedoelde partijbedoeling uitdrukkelijk werd meegenomen in de overwegingen; (b) uitspraken waarin – in lijn met X/Gemeente Amsterdam – uitdrukkelijk werd overwogen dat de eigen kwalificatie niet ter zake doet; en (c) uitspraken waarin de aan de partijbedoeling toegekende betekenis niet (duidelijk) werd geduid. De analyse van de verzamelde rechtspraak leidt op dit onderdeel tot de volgende resultaten:
Op welke wijze werd de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie van de rechtsverhouding in de uitspraak gewaardeerd?
Aantal uitspraken
a.
Aan de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd uitdrukkelijk betekenis toegekend
125
b.
Aan de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd uitdrukkelijk geen betekenis toegekend
8
c.
De betekenis van de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd niet (duidelijk) geduid
109
a. Aan de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd uitdrukkelijk betekenis toegekend
Uit de onderzochte rechtspraak blijkt dat rechters massaal betekenis toekenden aan de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling: dit was in maar liefst 125 uitspraken het geval. In verreweg de meeste gevallen was dit zichtbaar doordat in de overwegingen werd stilgestaan bij de kwalificatie die partijen zelf voor ogen hadden, en/of de kwalificatie die zij zelf aan de overeenkomst hadden gegeven. In een 9 van de 125 uitspraken ging dit nog iets verder. Daarin werd namelijk uitdrukkelijk overwogen dat de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling onderdeel uitmaakte van het in dit verband geldende toetsingskader. De meest verstrekkende overweging op dit vlak is te vinden in een uitspraak van de rechtbank Den Haag uit 2015, waarin de rechtbank niet alleen overwoog dat de rol van de partijbedoeling rechtstreeks uit Groen/Schoevers voortvloeit, maar ook dat daaraan zelfs doorslaggevende betekenis toekomt:
‘Blijkens HR 14 november 1997, NJ 1998, 149 dient deze vraag te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij doorslaggevende betekenis toekomt aan de vraag of partijen totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd.’1
Hoewel dergelijke verstrekkende overwegingen in de overige (acht) uitspraken niet terugkwamen, kreeg de partijbedoeling in enkele andere uitspraken niettemin een prominente positie toebedeeld. Zo overwoog het hof Amsterdam:
‘Voor de beantwoording van de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen [is], is in de eerste plaats van belang of partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd’2
Het hof ’s-Hertogenbosch overwoog in dit verband zelfs uitdrukkelijk dat hetgeen partijen over hun bedoelingen op schrift hebben gesteld relevant is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst:
‘Zo (…) dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden (de kwalificatie van de overeenkomst door partijen en de partijbedoeling, al dan niet verwoord in het contract)’3
In een andere uitspraak leek het gebrek aan schriftelijke afspraken (extra) aanleiding te vormen voor het meewegen van de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling. Zo overwoog de rechtbank Den Haag:
‘Nu er geen schriftelijke overeenkomst is opgemaakt, dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval waarbij betekenis moet worden geacht aan de vraag of partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd.’4
In een aantal andere uitspraken werd weliswaar overwogen dat de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie van belang was, maar werd de betekenis daarvan vervolgens wel gerelativeerd. Zo overwoog de rechtbank Rotterdam:
‘De kwalificatie die partijen (zelf) aan hun overeenkomst hebben gegeven kan van belang zijn bij het vaststellen van de inhoud van hun overeenkomst, maar is niet zonder meer beslissend.’5
Ook de rechtbank Gelderland overwoog dat aan de partijbedoeling – hoewel van belang – geen doorslaggevende betekenis kan toekomen:
‘Voor de vraag of een rechtsverhouding, al dan niet in weerwil van een andersluidende schriftelijke overeenkomst, moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst is bepalend wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond. De kwalificatie van een overeenkomst door partijen is daarbij weliswaar van belang maar niet doorslaggevend.’6
De rechtbank Midden-Nederland stond in dit verband zelfs stil bij het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:610 BW, en overwoog vervolgens uitdrukkelijk dat de kwalificatie van de overeenkomst niet ter vrije bepaling van partijen staat. Desondanks diende wel betekenis toe te komen aan hetgeen partijen voor ogen stond bij het sluiten van de overeenkomst:
‘Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 lid 1 BW van belang is, dat dit een regel is van dwingend recht. Als zodanig is de kwalificatie van de rechtsverhouding niet een rechtsgevolg dat ter vrije bepaling aan partijen is, met dien verstande dat bij de beoordeling wel belang toekomt aan hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond.’7
In de overige in deze categorie opgenomen uitspraken werd zoals gezegd op ‘subtielere’ wijze betekenis toegekend aan de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling. Dit gebeurde bijvoorbeeld door stil te staan bij de kwalificatie die partijen zelf voor ogen hadden, en/of bij de benaming die zij aan de overeenkomst hadden gegeven, zonder dat daarbij uitdrukkelijk werd overwogen dat het meewegen van de partijbedoeling zonder meer onderdeel van de 610-toets uitmaakt.
b. Aan de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd uitdrukkelijk geen betekenis toegekend
Het aantal uitspraken waarin werd overwogen dat geen betekenis toekomt aan de kwalificatie die partijen voor ogen hadden was bijzonder laag: slechts uit 8 uitspraken viel ondubbelzinnig af te leiden dat de voormelde partijbedoeling niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Zo overwoog de rechtbank Amsterdam:
‘Het gaat daarbij om de rechten en plichten die partijen voor ogen stond en niet om de kwalificatie als zodanig die zij beoogden.’8
In andere uitspraken werd overwogen dat de benaming of titel die partijen aan hun overeenkomst hadden gegeven niet ter zake deed bij de beoordeling van de rechtsverhouding. De rechtbank Utrecht wees in dit verband op het dwingendrechtelijke karakter van artikel 7:610 BW:
‘Ook als partijen hun overeenkomst anders benoemen, maar in de praktijk voldoen aan de vereisten van een arbeidsovereenkomst, dan wordt hun overeenkomst als arbeidsovereenkomst aangemerkt. Artikel 7:610 BW is immers van dwingend recht. Van belang blijft derhalve om te onderzoeken of de feitelijke uitvoering van de begeleidingsovereenkomst voldoet aan de vereisten van artikel 7:610 BW.’9
In een andere uitspraak van de rechtbank Utrecht werd benadrukt dat het gaat om de vraag of feitelijk is voldaan aan de elementen genoemd in artikel 7:610 BW, en niet om de benaming die partijen zelf aan de overeenkomst hebben gegeven:
‘Dit betekent dat als die rechtsbetrekking feitelijk voldoet aan de definitie van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 BW, er sprake is van een arbeidsovereenkomst ongeacht hetgeen in de overeenkomst tussen partijen omtrent de juridische status daarvan is vermeld en ongeacht de benaming ‘arbeidsovereenkomst’ (…)’10
Het hof Den Haag en de rechtbank Midden-Nederland wezen – overigens in geheel identieke bewoordingen – in dit verband op het adagium ‘wezen gaat voor schijn’, waaruit voortvloeit dat de feitelijke situatie prevaleert boven de (gestelde) bedoeling van partijen:
‘Of partijen hun overeenkomst al dan niet als een arbeidsovereenkomst hebben betiteld speelt geen rol, omdat door deze uiterlijke schijn heen moet worden gekeken naar het wezen van de rechtsverhouding.’11
De kantonrechter Assen overwoog dat het feit dat partijen niet de bedoeling hebben gehad een arbeidsovereenkomst te sluiten, ‘echter niet tot gevolg’ heeft dat de overeenkomst niet als zodanig kan worden aangemerkt:
‘Bij de uitleg en benoeming van de overeenkomst gaat het er immers om wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering en aldus aan deze overeenkomst inhoud gegeven hebben.’12
Uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam valt af te leiden dat ook de ‘indirecte’ partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie niet ter zake doet bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. In deze zaak werd overwogen dat partijen zich niet aan toepasselijkheid van de wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst konden onttrekken door af te spreken dat er geen loonbelasting en premies werknemerswerknemersverzekeringen werden ingehouden:
‘Hetgeen ten aanzien van inhouding van loonbelasting en premie en ook ontslagbescherming is bepaald in de wet, is van dwingend recht. Het is niet aan partijen om hun relatie door afspraken en juridische constructies aan die wetsbepalingen te onttrekken.’13
Hoewel het hier dus niet om de (directe) bedoeling van partijen ging ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelatie, volgt uit deze overweging wel dat partijen zich volgens deze kantonrechter (ook) niet door middel van (praktische) afspraken en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen aan de wettelijke regeling inzake de arbeidsovereenkomst kunnen onttrekken. Ook de bedoelingen die – weliswaar indirect – uit deze afspraken voortvloeiden speelden in deze uitspraak dus geen rol bij de beoordeling van de rechtsverhouding.
c. De betekenis van de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie werd niet (duidelijk) geduid
In de overige 109 uitspraken werd de betekenis van de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie niet (duidelijk) geduid. Dit betekent dat deze uitspraken niet vermeldden dat de partijbedoeling wel van belang was, en evenmin (uitdrukkelijk) vermeldden dat dit niet het geval was. In een aantal uitspraken was de betekenis die aan de partijbedoeling werd toegekend voor meerderlei uitleg vatbaar. Zo overwoog de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar:
Vooropgesteld moet immers worden dat ook al zouden partijen de betrokken rechtsverhouding bestempeld hebben als een managementovereenkomst, de aard en feitelijke inhoud daarvan in een andere richting kunnen wijzen. Het wezen van de rechtsverhouding dient met andere woorden te prevaleren boven het door partijen daaraan gegeven etiket.’14
In een aantal andere uitspraken werd overwogen dat de partijbedoeling gericht op de kwalificatie van de overeenkomst geen doorslaggevende rol speelt. Zo overwoog de kantonrechter Hilversum:
‘De rechtsverhouding is in de schriftelijke overeenkomsten weliswaar uitdrukkelijk anders aangeduid, maar dat heeft geen doorslaggevende betekenis. (…) Dat partijen om hen moverende redenen hun rechtsverhouding hebben aangeduid als een overeenkomst van opdracht (en dat Van Keulen dienovereenkomstig maandelijks factureerde) betekent niet dat er geen arbeidsovereenkomst is. Het wezen gaat voor de schijn.’15
In de overweging waarin wordt uitgedrukt dat de partijbedoeling geen doorslaggevende rol speelt, zou overigens ook gelezen kunnen worden dat aan de partijbedoeling (dus) wel enige betekenis kan toekomen.16
Tussenconclusie
Resumerend geldt dat een (weliswaar krappe) meerderheid van de onderzochte uitspraken voor wat betreft de aan de partijbedoeling toegekende betekenis, niet verenigbaar is met X/Gemeente Amsterdam (125 versus 11717). Deze cijfers doen vermoeden dat X/Gemeente Amsterdam voor de praktijk niet zonder betekenis zal zijn. Dit geldt te meer wanneer die aantallen worden beschouwd in het licht van de uiteindelijke uitkomst in de onderzochte kwalificatiegeschillen. Van de 125 uitspraken waarin wel betekenis werd toegekend aan de partijbedoeling, werd in slechts 19 uitspraken geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. In de 117 uitspraken waarin geen (duidelijke) betekenis aan de partijbedoeling werd toegekend, werd 49 keer geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent dus dat (veel) vaker tot het oordeel werd gekomen dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst, wanneer geen betekenis aan de kwalificatiebedoeling toekwam. Dit verschil in uitkomst – kwalificatie als arbeidsovereenkomst in 15,2% tegenover 41,9% van de gevallen – is opvallend te noemen.
Hoewel het verleidelijk is om op basis van de voormelde bevindingen te stellen dat in de toekomst ‘dus’ eerder zal worden geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, lijkt mij dit een ietwat voorbarige conclusie. Deze conclusie valt op basis van het hier verrichte rechtspraakonderzoek in elk geval niet te trekken. Tussen de twee hier besproken variabelen – meewegen partijbedoeling en kwalificatie arbeidsrelatie – is weliswaar een zekere correlatie zichtbaar, maar daarmee kan niet zonder meer worden uitgegaan van een causaal verband. Dat in categorie a (partijbedoeling wel meegewogen) minder vaak werd geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, hoeft immers niet het rechtstreekse gevolg te zijn van het meewegen van de partijbedoeling.
Op basis van de bevindingen in dit rechtspraakonderzoek zijn er overigens ook geen andere duidelijke aanknopingspunten te vinden die dit verschil in uitkomst verklaren. Een voor de hand liggende aanname is dat kwalificatiegeschillen waarin het partijdebat zich toespitste op de partijbedoeling zich daarvoor leenden, doordat partijen daar zelf veel aandacht aan hadden besteed en daar kennelijk toe in staat waren. Ik doel hier op de ‘Groenen’: werkenden die een gelijk(waardig)e positie ten opzichte van de werkverschaffer innemen en die dus in staat zijn bewust te onderhandelen over de door hen gewenste samenwerkingsvorm, al dan niet bijgestaan door een (juridisch) adviseur. Zou deze aanname juist zijn, dan zou het voor de hand liggen dat in de uitspraken waarin betekenis toekwam aan de kwalificatiebedoeling ook was overwogen dat de werkende bewust had gehandeld of onderhandeld18, of dat anderszins was gebleken van een gelijkwaardige onderhandelingspositie19. De voormelde aanname wordt op basis van het rechtspraakonderzoek slechts ten dele bevestigd. Zo kwam in de hier besproken selectie van geanalyseerde uitspraken inderdaad relatief vaak aan bod of de werkende bewust had gehandeld of onderhandeld (62 uitspraken van de in totaal 74 uitspraken waarin bewust handelen aan bod kwam), en kwam eveneens relatief vaak aandacht toe aan de onderhandelingspositie van de werkende (17 van de in totaal 20 uitspraken waarin de onderhandelingspositie aan bod kwam). In zoverre bevestigt dit de voormelde aanname. Wel verdient het opmerking dat het hier niet steeds werkenden betrof die door de gemiddelde arbeidsrechtjurist als ‘Groenen’ zullen worden geduid. Naast werkenden in de medische sector en in het management, bevatte deze categorie eveneens werkenden als verplegers, bezorgers en monteurs (ten aanzien waarvan werd geoordeeld dat zij niet op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam waren). De aanname dat het in de uitspraken waarin betekenis aan de partijbedoeling toekwam steeds om ‘Groenen’ zou gaan, gaat in die zin dus niet geheel op.
De vraag of al dan niet aandacht toekwam aan de partijbedoeling kan eveneens te maken hebben met de beschikbaarheid van de hierover gemaakte afspraken. Met andere woorden: in gevallen waarin geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt (of waar de schriftelijke vastlegging van afspraken anderszins ontbrak), kan worden aangenomen dat het meewegen van de partijbedoeling lastig is. Voor deze aanname kan echter geen steun worden gevonden in het onderzoek. In totaal waren er 180 uitspraken waarin de afspraken tussen partijen schriftelijk waren vastgelegd, en 42 uitspraken waarin dit niet geval was. Uit de overige 20 uitspraken kon niet worden opgemaakt in hoeverre de afspraken schriftelijk waren vastgelegd. Van de 125 uitspraken waarin de kwalificatiebedoeling werd meegewogen, waren er 100 uitspraken waarin de afspraken schriftelijk waren vastgelegd (80%). Van de 117 uitspraken waarin de kwalificatie niet werd meegewogen, waren er 80 uitspraken waarin de afspraken schriftelijk waren vastgelegd (68,4%). Het aandeel schriftelijk uitgewerkte afspraken lag in de eerstgenoemde categorie weliswaar hoger, maar dit verschil is niet dusdanig groot dat hier een overtuigende verklaring in kan worden gevonden voor het (al dan niet) meewegen van de op de kwalificatie gerichte partijbedoeling.
De aanname dat de correlatie tussen het meewegen van de kwalificatiebedoeling en het ontbreken van een arbeidsovereenkomst impliceert dat voortaan eerder zal worden geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, lijkt mij als gezegd te voorbarig. Het is immers de vraag of de uitkomst in de hier bedoelde geschillen anders was geweest wanneer de partijbedoeling ten aanzien van de kwalificatie niet was meegewogen. De Haviltex-maatstaf – die sinds X/Gemeente Amsterdam uitdrukkelijk onderdeel uitmaakt van het toetsingskader – dicteert dat de overeengekomen rechten en verplichtingen dienen te worden uitgelegd in het licht van de maatschappelijke positie van partijen en de rechtskennis die mede met het oog daarop van hen mag worden verwacht. Het ligt voor de hand dat bij de waardering van de maatschappelijke positie (en met name de daarmee gepaard gaande rechtskennis) van belang zal zijn of partijen in staat waren ‘op niveau’ te onderhandelen over de invulling van hun samenwerking. Dat in de toekomst eerder tot het oordeel zal worden gekomen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, staat dus allerminst vast. Zoals in de hiernavolgende paragraaf zal worden toegelicht, blijkt uit de tot nu toe verschenen rechtspraak zelfs het tegendeel waar te zijn. Slechts in 8 van de in totaal 26 civielrechtelijke uitspraken die op het moment van afronden van dit (rechtspraak)onderzoek waren gepubliceerd, werd een arbeidsovereenkomst aangenomen.