Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.3.8
4.3.8 Toeslagen
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687149:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 13 Pw. Als er geen toeslagen zijn, dan is het voldoende om dat op te schrijven, aldus Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 36. Met name bij rechtstreeks verzekerde pensioenregelingen komt dat voor.
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 86.
CBb 4 juli 2000, PJ 2000/62, m.nt. W.P.M. Thijssen (Pensioenfonds TNO/Verzekeringskamer).
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 355 en p. 365.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 17, p. 33. Ook geldt volgens de wetgever de gelijke behandelingsnorm van artikel 58 Pw dan niet en staat het de werkgever vrij een uitkering te doen aan gepensioneerden, maar niet aan andere ex-werknemers.
Rb. Amsterdam 27 juli 2011, PJ 2011/124, m.nt. R.A.C.M. Langemeijer (Pensioenfonds ING/ING Bank c.s.); Rb. Amsterdam 21 november 2011, PJ 2012/1, m.nt. I.R.W. Witte (Pensioenfonds ING/ING Bank c.s.); Rb. Amsterdam 9 november 2012, PJ 2013/2, m.nt. H.P. Breuker (Stichting Collectieve Actie Pensioengerechtigden ING Nederland/Pensioenfonds ING c.s.); Nederlands Arbitrage Instituut 25 januari 2013, PJ 2013/41 (Pensioenfonds ING/ING Personeel c.s.). Een interessante vraag hierbij is of een dergelijk besluit door de (ex-)werkgever beheerst wordt door (de postcontractuele werking van) artikel 7:611 BW. De uitspraken lijken daar niet vanuit te gaan, aangezien deze stellen dat het besluit in beginsel discretionair is, maar door ING zelf is ingekaderd tot zwaarwegende redenen. Op basis van Euronext zou ik zeggen dat artikel 7:611 BW gewoon van toepassing is: HR 23 september 2022, JAR 2022/267, m.nt. K.A. van Haaren en I.H. Vermeeren-Keijzers, PJ 2022/104, m.nt. J.M. van Slooten, JIN 2022/175, m.nt. R. van Arkel (Euronext Amsterdam/Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.).
Ik kwam in mijn praktijk een casus tegen waar een (ex-)werkgever vier ton per jaar voor een gesepareerd beleggingsdepot moest betalen voor zo’n 4.000 gewezen deelnemers, voor een pensioenregeling die al bijna tien jaar was beëindigd.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 januari 2020, PJ 2020/37, m.nt. E. Lutjens (appellanten/Jabil Circuit Netherlands). Waar deze verplichting op zou zijn gebaseerd, motiveert het hof niet. In het eindarrest noemt het hof deze verplichting overigens niet (meer): Hof ’s-Hertogenbosch 19 januari 2021, PJ 2021/33, m.nt. E. Lutjens (appellanten/Jabil Circuit Netherlands). A-G Drijber betwijfelt of een inspannings-/financieringsverplichting inherent is aan voorwaardelijke indexatie en stelt dat de overweging van het hof voortvloeit uit de specifieke afspraken in de betreffende pensioenovereenkomst, zie de conclusie bij HR 1 juli 2022, JAR 2022/193, m.nt. I.H. Vermeeren-Keijzers en K.A. van Haaren (Jabil Circuit Netherlands/verweerders).
Slechts als voorbeeld: Hof Amsterdam 26 mei 2009, PJ 2009/130 (ex-werknemers/Vakcentrum Food Consult), gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat toeslag onvoorwaardelijk is; Hof Amsterdam (OK) 9 juli 2002, PJ 2002/97, m.nt. W. van Heest, ARO 2002/107, JOR 2002/230 (Deelnemersraad Pensioenfonds Protector/Pensioenfonds Protector), geen bestendige gedragslijn omtrent recht op toeslagen die dit recht juridisch afdwingbaar zou maken; Hof Amsterdam 31 mei 2011, PJ 2011/122, m.nt. H.P. Breuker (Pensioenfonds IBM Nederland/Grey Blue Circle c.s.), voorwaardelijk want toeslag afhankelijk van hoogte buffer; Hof Amsterdam 12 juni 2012, PJ 2012/119, m.nt. R.A.C.M. Langemeijer (Vereniging van Gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep c.s./Delta Lloyd c.s.), de woorden ‘streven naar’ in pensioenreglement duiden op voorwaardelijkheid; Hof Leeuwarden 25 september 2012, PJ 2012/204 (ex-werknemer/Friesland Foods), als toeslag niet afhankelijk is van nadere besluitvorming, duidt dit op onvoorwaardelijkheid; Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, PJ 2018/64, m.nt. B. Degelink (appellant/pensioenfonds), de woorden ‘het principe’ van indexering en de voorwaarde van raadpleging van de actuaris duiden op voorwaardelijkheid; Hof Den Haag 24 maart 2020, PJ 2020/58 (ex-werknemers/Smit Nederland), in brieven is geen onvoorwaardelijke toezegging gedaan.
J.M. van Riemsdijk, ‘Toeslagverlening’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 616-617; P.B. van den Bos, ‘Beperking van pensioenindexatie: een stroomschema’, ArbeidsRecht 2009/47. Uit de jurisprudentie als voorbeeld Hof Amsterdam 26 mei 2009, PJ 2009/130 (ex-werknemers/Vakcentrum Food Consult) en Hof Amsterdam 31 mei 2011, PJ 2011/122, m.nt. H.P. Breuker (Pensioenfonds IBM Nederland/Grey Blue Circle c.s.).
M. Heemskerk e.a., ‘Wijzigingsvraagstukken in de pensioendriehoek’, TPV 2012/42; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 88; R.H. Maatman en E.J. Henrichs, ‘Onvoorwaardelijke toeslag met een voorwaardelijk element: artikel 20 PW’, TPV 2014/130; T. Huijg en P.G. Vestering, ‘De-risking door aanpassing van de pensioenregeling’, TFR 2014/7/8, p. 292.
Kamerstukken I 2006/07, 30413, C, p. 31; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 88; J.M. van Riemsdijk, ‘Toeslagverlening’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 658-659. Niet voor niets werd in het Convenant inzake de arbeidspensioenen van de STAR van 9 december 1997 (nr. 12/96) al genoemd dat onvoorwaardelijke toeslagen zouden moeten worden verwijderd door de sociale partners om de pensioenlasten te beheersen.
Kamerstukken I 2006/07, 30413, C, p. 30-32; R.H. Maatman en E.J. Henrichs, ‘Onvoorwaardelijke toeslag met een voorwaardelijk element: artikel 20 PW’, TPV 2014/130; T. Huijg en P.G. Vestering, ‘De-risking door aanpassing van de pensioenregeling’, TFR 2014/7/8, p. 293.
Aldus al A. van Doorn, Pensioenvoorziening in de particuliere sector, Preadviezen Vereniging voor staathuishoudkunde, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff 1964, p. 15.
E. Lutjens, ‘Pensioengevolgen van een ontslag’, ArbeidsRecht 2013/2.
M. Heemskerk, ‘Gelijke behandeling en pensioen’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 531; D.J. Plate, Pensioenoplossingen bij ontslag, Zutphen: Paris 2018, p. 36. A.T.J.M. Jacobs, Pensioenrecht, de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten, Deventer: Kluwer 2017, p. 88, noemt dat dit wellicht niet mag tenzij de werkgever voor de actieven betaalt of de indexatie in het voordeel van de inactieven is (omdat die geen andere voorzieningen meer kunnen treffen). Hij onderbouwt dit, naar mijn mening onjuiste, standpunt niet. Vergelijk verder Rb. Roermond 21 november 1996, PJ 1997/9, m.nt. W.F.E. Klaassen (De Globe/Kurstjens) en Hof ’s-Hertogenbosch 3 juni 1997, PJ 1997/62, m.nt. W.F.E. Klaassen (De Globe/Kurstjens), waar het gaat over gelijke behandeling tussen verschillende soorten deelnemers onderling.
Soms resulteert dit ook weer in uitleggeschillen over in hoeverre een toeslagregeling beoogt dat onderscheid tussen werknemers en ex-werknemers te maken, zoals in Hof ’s-Hertogenbosch 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3661, PJ 2019/131, m.nt. B. Degelink (appellant/vof c.s.), r.o. 3.15.1. In Rb. Amsterdam 20 januari 2006, JAR 2006/53, m.nt. R.M. Beltzer (Belangenvereniging Pensioengerechtigden ABN AMRO c.s./ABN AMRO c.s.), is aan de orde dat meer dan twintig jaar werknemers en ex-werknemer een gelijke indexatie kregen en dit in de cao 2003-2004 werd losgelaten. De ex-werknemers worden hieraan gebonden geacht.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 109 en p. 214.
Volgens Hof ’s-Hertogenbosch 3 juni 1997, PJ 1997/62, m.nt. W.F.E. Klaassen (De Globe/Kurstjens), kan bij een toeslagregeling die is getroffen voor na een bepaalde datum actief-gepensioneerden, slechts een recht op gelijke behandeling worden ingeroepen door slaper-gepensioneerden van wie het dienstverband eveneens na die datum is geëindigd. Instemmend E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 770.
M. Heemskerk, ‘Gelijke behandeling en pensioen’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 531, wijst er terecht op dat als slapers meer indexatie zouden krijgen dan gepensioneerden, dit mogelijk indirect onderscheid naar leeftijd oplevert. Volgens E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 606, zijn slapers en gepensioneerden geen gelijke gevallen en hoeven zij niet gelijk te worden behandeld.
HR 23 september 2022, JAR 2022/267, m.nt. K.A. van Haaren en I.H. Vermeeren-Keijzers, PJ 2022/104, m.nt. J.M. van Slooten, JIN 2022/175, m.nt. R. van Arkel (Euronext Amsterdam/Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.). In hoger beroep was het omgekeerde geoordeeld: Hof Amsterdam 23 april 2019, PJ 2019/72, m.nt. J.M. van Slooten, Ondernemingsrecht 2019/139, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, JOR 2019/254, m.nt. I.H. Vermeeren-Keijzers (Euronext Amsterdam/Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.). Beide annotatoren waren op dit punt ook kritisch. Van Marwijk Kooy stelde terecht dat een ex-werknemer niet op grond van artikel 58 Pw (of artikel 7:611 BW) een toeslag moet kunnen claimen die (enkel) aan werknemers wordt gegeven.
Wet gelijke behandeling van slapers en gepensioneerden, wet van 23 augustus 1991, Stb. 445. Over de voorgeschiedenis, zie Kamerstukken II 1988/89, 16225, nr. 9, p. 3-4, met verwijzing naar adviezen van de STAR en de SER.
W.P.M. Thijssen, ‘Wijzigingen van de Pensioen- en spaarfondsenwet’, ArbeidsRecht 1994/46.
Kamerstukken II 1988/89, 16225, nr. 9, p. 13. Met andere woorden, een herverdeling van beschikbare middelen van gepensioneerden naar slapers: Kamerstukken II 1989/90, 16225, nr. 16, p. 2.
Een toeslag is volgens artikel 1 Pw een verhoging van een pensioenrecht of -aanspraak. Een pensioenregeling hoeft een dergelijk recht niet te bevatten, maar doet dat doorgaans wel in een poging om de gevolgen van inflatie te ondervangen. Het maakt niet uit of het eenmalig of periodiek is. De pensioenovereenkomst dient te bepalen wat het ambitieniveau is en of het gaat om voorwaardelijke of onvoorwaardelijke toeslagen.1 Het ambitieniveau betreft de gekozen methode om toeslagen te laten aansluiten bij de loon- of prijsontwikkeling.2 Als zodanig is koopkrachtbehoud echter geen vereiste om als toeslag te kwalificeren.3 Met de Wtp zal de definitie van toeslag worden gewijzigd, omdat met alleen opbouw in premieovereenkomsten en veelal variabele uitkeringen een toeslag in de zin van een vooraf overeengekomen verhoging minder zal voorkomen.4
Een verhoging van het pensioen is pensioen in de zin van de Pw en moet dus extern worden ondergebracht. Als de werkgever aan zijn ex-werknemers een eenmalige uitkering wil doen dan mag hij dit zelf betalen en geldt de onderbrengingsplicht niet.5 Er komen ook toeslagmechanismen voor in de praktijk die veroorzaken dat een ex-werknemer voor zijn toeslagen toch afhankelijk is van de ex-werkgever. Het gaat dan bijvoorbeeld om voorwaardelijke toeslagen waarvoor geen reserve wordt gevormd door de pensioenuitvoerder, en het aan de (ex-)werkgever is om te besluiten (vrijwillig) middelen ter beschikking te stellen om een toeslag mogelijk te maken. Deze situatie was aan de orde in een reeks van uitspraken die verscheen omtrent de toeslagverlening bij het Pensioenfonds ING.6 Ook kan in de uitvoeringsovereenkomst zijn afgesproken dat beleggingsrendement (winstdeling) alleen tijdens de looptijd van de uitvoeringsovereenkomst door de pensioenuitvoerder wordt gebruikt om de pensioenen te indexeren. Na het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst wordt het pensioen dan mogelijk niet meer geïndexeerd, omdat de pensioenuitvoerder daarvoor geen financiële middelen meer beschikbaar stelt.7 Of kan in de uitvoeringsovereenkomst zijn afgesproken dat na het eindigen van de looptijd bepaalde kosten van de pensioenuitvoerder voortaan mogen worden verrekend met de beleggingsrendementen waardoor de kans op indexatie nihil wordt. Dit soort constructies maken dat een ex-werknemer voor zijn toeslagen toch (deels) afhankelijk kan zijn van zijn ex-werkgever (zie ook paragraaf 4.3.5). Door het hof Den Bosch is overigens wel eens geoordeeld dat de (ex-)werkgever een inspanningsverplichting heeft om de kans op indexering door een verzekeraar mogelijk te maken.8
Wanneer de toeslag wordt toegekend, wordt deze onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht en krijgt deze een onvoorwaardelijk karakter. Alleen bij vooraf onvoorwaardelijk overeengekomen toeslagen is de toeslag al onderdeel van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht vanaf het moment van opbouwen, aldus de wetgever.9 Het onderscheid tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke toeslagen is van groot praktisch belang en het aantal uitleggeschillen over de kwalificatie van toeslagen aan de hand van de Haviltex- of cao-norm is dan ook legio.10 Daarnaast kan onder bijzondere omstandigheden een voorwaardelijk bedoelde toeslagambitie onvoorwaardelijk zijn geworden, bijvoorbeeld doordat een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt als gevolg van een langdurige gedragslijn en communicatie.11 De kwalificatie heeft een grote impact op de feitelijke bescherming van ex-werknemers tegen inflatie én op de wijzigingsmogelijkheden van de ex-werkgever of het pensioenfonds (waarover meer in hoofdstuk 5).
Voorwaardelijk wil zeggen dat de toeslag afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis in de zin van artikel 6:21 BW, zoals de aanwezigheid van voldoende financiële middelen.12 Wil een toeslag voorwaardelijk zijn, dan moeten de pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement en informatieverstrekking een voorwaardelijkheidsverklaring bevatten.13 Die verklaring is sinds enige jaren vormvrij,14 waarmee de wetgever deze kwestie heeft overgelaten aan de contractsvrijheid en (uiteindelijk) de rechtspraak.
Onvoorwaardelijke toeslagverlening is duur omdat, kort gezegd, alle toekomstige toeslagen moeten worden gefinancierd.15 Een toeslag kan onvoorwaardelijk zijn tijdens de periode van het deelnemerschap, maar voorwaardelijk worden bij het einde van de deelneming.16 Ook bij voorwaardelijkheid kan het ambitieniveau minder worden bij het einde van de deelneming, bijvoorbeeld van loon- naar prijsontwikkeling. De gedachte daarachter is dat werkgevers zich van oudsher over het algemeen niet geroepen voelen de pensioenen van hun ex-werknemers te indexeren,17 althans niet op dezelfde wijze als die van hun werknemers. Het lager worden van het ambitieniveau bij uitdiensttreding is voor ex-werknemers een belangrijk nadelig gevolg.18
Onderscheid maken tussen werknemers en ex-werknemers voor het ambitieniveau is wettelijk toegestaan, althans niet verboden.19 Het komt ook heel veel voor in de praktijk.20 Voor zover ex-werknemers die op enig moment met dit nadeel worden geconfronteerd over het algemeen ouder zouden zijn dan werknemers (bijvoorbeeld door pensionering) en dit indirect onderscheid naar leeftijd oplevert, zal die ongelijke behandeling doorgaans objectief gerechtvaardigd kunnen worden doordat het geen gelijke gevallen zijn.21 Ik kom daarop terug in de volgende paragraaf.
Los van leeftijd geldt er op grond van artikel 58 Pw een gelijke behandelingsnorm voor gepensioneerden ten opzichte van slapers, dus voor ex-werknemers onderling. Als een toeslag wordt gegeven op ouderdomspensioen van degene die direct voorafgaand aan het ouderdomspensioen actief deelnemer was (de actief-gepensioneerde), moet dit ook gebeuren voor het ouderdomspensioen van degene die voor pensionering slaper was (de slaper-gepensioneerde). Verder moet onder meer als er een toeslag wordt gegeven op een partnerpensioen van de partner van een overleden actief-gepensioneerde, dit ook gelden voor het partnerpensioen van de partner van een overleden slaper-gepensioneerde. En als een toeslag wordt gegeven op ingegaan ouderdomspensioen van een gepensioneerde, moet dit ook gebeuren voor de aanspraak op ouderdomspensioen van de slaper.22 Een belangrijke beperking is dat het wel moet gaan om deelname in dezelfde pensioenregeling23 en het artikel niet de gepensioneerde beschermt ten opzichte van de slaper.24 In Euronext oordeelt de Hoge Raad dat artikel 58 Pw zich richt tot de pensioenuitvoerder en niet de (ex-)werkgever en uit dit artikel niet volgt dat gewezen deelnemers en gepensioneerden op gelijke wijze behandeld moeten worden als actieven.25 Ook A-G Drijber ziet in zijn conclusie daarvoor geen grondslag en wijst erop dat actieven en inactieven eenvoudigweg geen gelijke gevallen zijn.
De norm van artikel 58 Pw stond al in de PSW en de Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW en heeft een lange voorgeschiedenis. In 1987 werd voorzien in een wettelijke regeling voor gelijke behandeling van slaper-gepensioneerden en actief-gepensioneerden bij toeslagverlening, welke in 1992 met de wet Nypels/Groenman werd uitgebreid tot slapers,26 en in 1994 met de toeslagen op partnerpensioen.27 Een voorstel om een indexeringsplicht in de PSW op te nemen kreeg destijds onvoldoende steun. Ook een gelijke behandelingsnorm voor toeslagverlening van werknemers, slapers en gepensioneerden was niet haalbaar.28
De gelijke behandelingsplicht zorgde en zorgt er in ieder geval voor dat slapers niet worden achtergesteld ten opzichte van gepensioneerden.29 Zoals besproken in paragraaf 4.3.6 kan waardeoverdracht een maatregel zijn die de ex-werknemer kan nemen als zijn opgebouwde pensioen bij de ex-werkgever een lage of geen indexatie kent. Als de ex-werknemer echter het arbeidsproces verlaat (hij wordt bijvoorbeeld zelfstandige) of de pensioenregeling van zijn nieuwe werkgever minder gunstig is, dan is dat geen optie.30Artikel 58 Pw biedt deze categorie ex-werknemers dan een zekere mate van bescherming. De gedachte is ook dat als gepensioneerden een toeslag krijgen en slapers in mindere mate, de beleggingsopbrengsten van het opgebouwde pensioen van de slapers in feite (ten onrechte) toekomen aan de gepensioneerden.31