25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/11.3:11.3 De homo juridicus
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/11.3
11.3 De homo juridicus
Documentgegevens:
prof. mr. L. Damen, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. L. Damen
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
M. Scheltema, ‘De burger in de rechtsstaat: Alice in Wonderland?’, NTB 2016/33, p. 267-270, geciteerd zonder noten; M. Scheltema, ‘Wetgeving in de responsieve rechtsstaat’, RegelMaat 2018/3, p. 121-132 (Scheltema 2018).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eind 2016 schrijft Michiel Scheltema dat de wetgever bij het maken van regels uitgaat van een bepaald soort burgers:
‘Het beeld dat daarbij domineert is dat van een rationeel handelende burger die over alle informatie beschikt die nodig is om de juiste beslissingen te nemen. Ieder wordt ook geacht de wet te kennen. Dit beeld is vergelijkbaar met het mensbeeld waarop economen vroeger hun modellen en theorieën baseerden. De homo economicus was goed geïnformeerd en maakte economische afwegingen op een rationele manier. Inmiddels is duidelijk dat dit beeld niet klopt, en dat economische modellen die daarop zijn gebaseerd, de werkelijkheid onvoldoende benaderen. De homo juridicus, het mensbeeld waarvan de wetgever uitgaat, voldoet op dezelfde manier niet meer. De burger denkt en handelt heel anders. Hij reageert niet alleen maar rationeel, en beschikt meestal over veel te weinig informatie om goed geïnformeerd te kunnen beslissen. De vormgeving van de rechtsstaat zou moeten uitgaan van bescherming tegen de overheid die de burger echt nodig heeft. Dat is ook het burgerperspectief waarop de Nationale ombudsman wijst.’
Scheltema concludeert:
‘Kortom, de rechtsstaat is [door de wetgever, LD] te veel ingericht naar een verkeerd beeld van de burger. Daardoor heeft de burger ervaringen met de rechtsstaat die tegengesteld zijn aan zijn verwachtingen, en daardoor wordt ook de overheid teleurgesteld in reacties van de burger op het overheidsoptreden.’1
Het is mooi dat de founding father van de Awb er nu ook nadruk op legt dat het van cruciaal belang is van welk burgerbeeld de wetgever uitgaat bij de vorming van het bestuursrecht, en waar vervolgens het bestuur van uitgaat bij de uitvoering van het bestuursrecht. Daarbij is ook het burgerbeeld van de bestuursrechter van groot belang.