Lexplicatie, commentaar op art. 3 IVRK:Bronnen en citaten
Lexplicatie, commentaar op art. 3 IVRK
Bronnen en citaten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In beginsel heeft artikel 3 IVRK geen directe werking
"2.1.2. Voorzover het eerste lid al een direct toepasbare norm zou inhouden, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Niet is gesteld dat dit niet is gebeurd. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat de in het eerste lid opgenomen bepaling, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.
De in het tweede en het derde lid opgenomen bepalingen doen dat naar hun aard evenmin.
De rechtbank heeft het desbetreffend betoog van appellanten dan ook terecht niet gevolgd. De grief faalt.
2.2. Hetgeen in de overige grieven naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd."
Het beroep op de artikelen 3 van het IVRK en 8 van het EVRM treft geen doel. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Het college heeft in de loop van de procedure terecht opgemerkt dat een sfeer van veiligheid binnen de gezinsopvang ook in het belang is van de kinderen die daar verblijven. Verder is de toegangsontzegging bij het bestreden besluit beperkt tot drie dagen, waarin de kinderen hun vader buiten de opvanglocatie konden blijven ontmoeten. Hierdoor is geen onevenredige inbreuk gemaakt op het gezinsleven van appellant en de kinderen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM."
Artikel 3 lid 1 IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het precieze gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering daarvan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is12. Dit is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, en het hof sluit zich daarbij aan."
"7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3458) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking voor zover dat artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in dit geval geen grond bestaat voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. Daarom is er geen strijd met artikel 3 van het IVRK."
"4.7.4 Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat onder 4.7.3 is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen."
"6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige zoon van [appellant]. De belangen van de zoon zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag. Bij die afweging speelt mee dat de zoon van [appellant] bij de moeder kan verblijven. Nog daargelaten of artikel 4 van het IVRK zich leent voor rechtstreekse toepassing, strekt deze bepaling niet zo ver dat hieruit de verplichting voor het college volgt om een urgentieverklaring aan [appellant] te verlenen."
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
"4.4 Voor zover appellant met zijn stelling dat, kort gezegd, de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegewogen, een beroep heeft willen doen op artikel 3 en/of artikel 27 van het IVRK, dan geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) dat deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt eveneens, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 2012, ECLI:NLCRVB:2012:BY3139), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
Voor zover appellant nog een beroep heeft willen doen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wordt volstaan met de opmerking dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:BW4636), deze verdragsbepaling geen bepaling is die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
3.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 01103064/1/V2 en uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201113109/1/A2) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen
de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in ationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
Aangezien uit het besluit van 20 juli 2012 niet blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind, is dit besluit niet in strijd met artikel 3 van het IVRK.
Het beroep van appellante op de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4281) kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet een ieder binden in de zin van artikel 94 van de Grondwet."
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"2.3.8. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
"4.3.Het beroep van appellante op artikel 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686), kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"4.8.Het beroep dat appellant tot slot doet op de artikelen 3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, vormen deze verdragsbepalingen geen bepalingen die naar hun aard een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (zie de uitspraken van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3025, en van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321)."
"4.3 Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"4.6.Wat namens appellant verder nog is aangevoerd, leidt evenmin tot een voor appellant gunstig oordeel. Daarbij is in aanmerking genomen dat de namens appellant ingeroepen artikelen 3 en 27 van het IVRK, voor zover hier van belang, niet zijn te beschouwen als eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet en dat in de ILO-conventies nr. 121 en nr. 128 evenmin zulke, voor het onderhavige geschil relevante bepalingen zijn aan te wijzen."
"4.6. Appellante heeft aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Het in dit verband gedane beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet, reeds omdat volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepaling geen bepaling is die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"4.2. Vreemdelingen 3 en 4 waren ten tijde van het besluit van 17 mei 2011 meerderjarig en vallen derhalve niet onder de reikwijdte van het IVRK. De rechtbank heeft niet onderkend dat wat betreft die vreemdelingen het beroep op het IVRK reeds hierom faalt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"4.6. Appellante heeft betoogd dat de verlaging van haar uitkering in strijd is met artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Dit betoog faalt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 juni 2010, LJN BM9795), vormt deze verdragsbepaling geen bepaling die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"5.7. Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (zie CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
"5.5. Hetgeen betrokkene in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad ziet niet in dat de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) tot een ruimere uitleg dwingen van artikel 8 van het EVRM, in die zin dat aan betrokkene wel bijstand moet worden verleend over de periode vóór 11 februari 2009. Voor wat betreft het beroep op genoemde artikelen van het ESH verwijst de Raad naar rechtsoverweging 4.8 en 4.9 van zijn uitspraak van 26 januari 2010, LJN BL1686, en wat het beroep op genoemde artikelen van het IVRK betreft naar zijn uitspraak 24 januari 2006, LJN AV0197."
"6.5.3. Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (zie CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De Raad is van oordeel dat artikel 18 van het IVRK evenmin een bepaling is die naar zijn inhoud eenieder kan binden."
Het beroep op artikel 3, 23, en 27 van het IVRK en artikel 13 en 17 van het ESH kan niet slagen, reeds omdat deze artikelen naar hun inhoud niet een ieder verbinden en zich derhalve niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter lenen.
"4.8. Appellant heeft betoogd dat deze verlaging hem en zijn gezin onder het door internationale verdragen gegarandeerde bestaansminimum brengt en dat het College daardoor het gezinsleven van appellant en zijn gezin onmogelijk maakt. Als grondslag voor dit betoog heeft appellant een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (herzien) (ESH (herzien)) en de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR).
4.9. Het beroep van appellant op deze verdragsbepalingen slaagt niet. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken overwogen (zie onder meer de uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680 en recentelijk de uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776) dat de door appellant in dit geding aangehaalde bepalingen van het ESH en het IVESCR niet een ieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet (Gw). Bij deze vaststelling zijn zowel de bewoordingen als de strekking van deze bepalingen in aanmerking genomen alsmede hetgeen ter zake in algemene zin in de Memorie van Toelichting bij de wetten tot goedkeuring van deze verdragen is opgemerkt. De Raad ziet in hetgeen namens appellant met betrekking tot bedoelde verdragsbepalingen is aangevoerd, waaronder de verwijzing naar artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (Het Verdrag van Maastricht), het Weens Verdragenverdrag, de Concluding observations van het Committee on Economic, Social and Cultural Rights van de Verenigde Naties van 16 juni 1998 en 24 november 2006 en de Voluntary pledges and committments on human rights van de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Verenigde Naties aan de Voorzitter van de Algemene vergadering van de Verenigde Naties van 23 februari 2007, onvoldoende basis om een afwijkend standpunt in te nemen in die zin dat die bepalingen thans wel als een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 van de Gw moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is in genoemde verdragsartikelen sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Datzelfde geldt voor het beroep van appellant op het IVRK, zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 9 oktober 2006, LJN AY9940, heeft overwogen."
"2.5.1. De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelstalige versie - "a primary consideration" - zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2005 in zaak no. 200507132/1, AB 2005, 429) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving."
"Namens gedaagde is in verweer onder meer een beroep gedaan op tal van internationale bepalingen waaronder artikel 26 van het Internationaal Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 12 juncto artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de artikelen 3, 26, 27, 28, 29, 31 en 33 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
(...).
Ten aanzien van het beroep op de bepalingen van het IVRK merkt de Raad ten slotte op dat -zo al aangenomen zou moeten worden dat aan één of meer van deze bepalingen rechtstreekse werking zou toekomen- dit beroep in dit geval, gezien het voorgaande, niet kan leiden tot aanspraak op kinderbijslag."
"2.1.2. Voorzover het eerste lid al een direct toepasbare norm zou inhouden, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Niet is gesteld dat dit niet is gebeurd. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat de in het eerste lid opgenomen bepaling, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.
De in het tweede en het derde lid opgenomen bepalingen doen dat naar hun aard evenmin.
De rechtbank heeft het desbetreffend betoog van appellanten dan ook terecht niet gevolgd. De grief faalt."
Het hof oordeelt dat aan artikel 3 IVRK rechtstreekse werking toekomt in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de rechter in dit verband te toetsen of de Staat zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk.
5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van [appellante] of haar dochter niet dusdanig uitzonderlijk is dat [appellante] een urgentieverklaring zou moeten krijgen.”
"8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3831) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de dochter. Het college heeft haar belangen uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrokken, en toegelicht waarom die er in dit geval niet toe verplichten om de urgentieverklaring te verlenen. Van de door [appellante] gestelde strijd met artikel 3 van het IVRK is daarom geen sprake."
“3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:777) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In het Besluit geslachtsnaamswijziging is voorzien in mogelijkheden voor minderjarige kinderen om hun geslachtsnaam te wijzigen. Daarbij is in artikel 3 van het Besluit bepaald onder welke voorwaarden het mogelijk is de geslachtsnaam van een minderjarige te wijzigen in die van de verzorgende ouder. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit geslachtsnaamswijziging ligt aan de regeling ten grondslag de gedachte dat de geslachtsnaam uitdrukking geeft aan de identiteit van een persoon en dat, indien het geslachtsnaamswijziging van minderjarigen betreft, het wenselijk is dat de geslachtsnaam slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan worden gewijzigd. Weigert een ouder in te stemmen met de verzochte wijziging dan wordt de geslachtsnaamswijziging alleen toegewezen wanneer het kind bij zijn instemming blijft. Omdat het hier kinderen van twaalf jaar en ouder betreft, is het verantwoord om de naamswijziging met hun instemming wel toe te staan (Stb. 2004, 100, blz. 4). Nu de belangen van minderjarige kinderen zijn verdisconteerd in het Besluit geslachtsnaamswijziging bestaat geen grond voor het oordeel dat het Besluit en het daarop gebaseerde besluit in strijd zijn met artikel 3 van het IVRK. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.”
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kleindochter van [appellant]. De belangen van de kleindochter van [appellant] zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening. Bij die afweging speelt mee dat de dochter van [appellant] ervoor gekozen heeft om haar ouders en broer bij haar in huis te nemen. Hoewel dat een te respecteren keuze is, is door die keuze de voor beide gezinnen ongewenste woonsituatie ontstaan. Het ligt binnen de mogelijkheden van de dochter van [appellant] om deze situatie te veranderen. [appellant] kan het college om die reden dan ook niet tegenwerpen dat het onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van de kleindochter van [appellant]. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
“4.7.4. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat onder 4.7.3 is overwogen is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.”
Appellante heeft tot slot een beroep gedaan op – zo begrijpt de Raad – artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en daarbij gewezen op het feit dat onvoldoende rekenschap is gegeven van het feit dat zij en haar kind beneden de armoedegrens leven. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter alleen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich bij de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van appellante. Appellante heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van haar kind door het dagelijks bestuur niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellante op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt daarom niet."
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellante. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen."
Het beroep van appellante op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2017 ECLI:NL:RVS:2017:105). Nu het nog gaat om een door het bestuursorgaan vast te stellen boete van hoogstens 50% van een nader te bepalen benadelingsbedrag over de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 waarbij het college rekening dient te houden met de financiële situatie ten tijde van dat te nemen besluit, valt niet in te zien dat door het boetebesluit de belangen van het kind veronachtzaamd worden."
"2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging (in de authentieke Engelse tekst: "a primary consideration").
(...).
2.4.2
(...).
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2) is artikel 3 van het IVRKeen ieder verbindend in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende een kind de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Op grond hiervan dienen bestuursorganen de belangen van het kind bij hun oordeelsvorming te betrekken en zich voldoende rekenschap te geven van die belangen. Aangezien het LBIO in het besluit van 18 mei 2010 de belangen van de kinderen van [wederpartij] niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, maar slechts heeft volstaan met verwijzing naar het limitatieve karakter van de in artikel 71 van de Wjz opgesomde uitzonderingsgevallen en het gegeven dat de wet niet voorziet in een hardheidsclausule, heeft de rechtbank dat besluit terecht vernietigd.
“Zoals reeds is overwogen in de meergenoemde uitspraak tussen partijen van de voorzieningenrechter van 10 juli 2008 (procedurenummer AWB 08/3637 WWB) is de bescherming die het IVRK beoogt te bieden veel breder dan het beschikbaar stellen van geld en draagt de staten die partij zijn een zorgplicht op die zich uitstrekt over verschillende terreinen. Artikel 3, tweede lid, van het IVRK bepaalt, dat de staten zich verbinden het kind te verzekeren van bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, doch rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders. De rechtbank stelt voorop dat de zorg voor een kind ligt bij de ouders. Gewezen kan worden op artikel 18, eerste lid, IVRK, waarin er nog eens nadrukkelijk op wordt gewezen, dat ouders de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind. Niet valt in te zien dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gevolgen die zijn weigerachtige houding ten opzichte van het accepteren van gangbare arbeid bewerkstelligen voor het ontvangen van een bijstandsuitkering en daarmee de omvang van de zorg voor zijn zoon. De conclusie uit het bovenstaande is, dat in een geval als het nu voorliggende, het IVRK geen inbreuk maakt op de WWB en dat verweerder op grond van dat verdrag niet gehouden is af te zien van de maatregel of de maatregel te matigen."
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4324) moet de bestuursrechter in het kader van artikel 3 van het IVRK toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de zoon."
"7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3458) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking voor zover dat artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in dit geval geen grond bestaat voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. Daarom is er geen strijd met artikel 3 van het IVRK."
"5.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening is gehouden met de belangen van de kinderen, ook al is daaraan slechts summier in het besluit aandacht besteed. Weliswaar heeft [appellante] een rapportage van medisch orthopedagogisch centrum Het Kabouterhuis overgelegd waarin staat dat hulp nodig is bij het zoeken naar andere huisvesting, maar daaruit blijkt niet dat andere huisvesting dringend noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [naam]. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. De belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen.
Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat het besluit van 20 december 2019 in strijd is met artikel 3 van het IVRK, volgt de Afdeling haar niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:361), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind dienen te worden betrokken. Wat het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend betreft, bevat het eerste lid van artikel 3, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de rechter te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Ten aanzien van de door [appellante] gestelde hechtingsproblemen van [dochter A], heeft het college uiteengezet dat zijn besluit [appellante] niet verplicht om haar dochters van IBS Ababil over te plaatsen naar een andere school. [appellante] heeft niet gekozen voor IBS Ababil wegens de hechtingsproblematiek of de deskundigheid van de school hierin. Verder heeft het college erop gewezen dat [appellante] voor het schooljaar 2018-2019, waarin [dochter A] van school is gewisseld, geen leerlingenvervoer heeft aangevraagd. Het college heeft toegelicht dat niet is gebleken dat een wijziging in de situatie heeft plaatsgevonden, waardoor er nu wel een probleem is en dat er geen stukken zijn, waaruit blijkt dat [appellante] het vervoer financieel niet kan dragen. De enkele stelling van [appellante], dat de vader van de kinderen in 2019 uit beeld is verdwenen en hij een groot deel van de kosten op zich nam is daarvoor onvoldoende. Zoals de rechtbank heeft overwogen kan, nu [appellante] haar kinderen al geruime tijd naar IBS Ababil vervoert zonder bekostiging, niet aangenomen worden dat zonder toekenning van de gevraagde bekostiging, de dochters van [appellante] van IBS Ababil af moeten. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochters van [appellante].
Slotsom
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd."
Uit de tekst van art. 3 lid 1 IVRK (“de eerste overweging vormen”, “shall be a primary consideration”, “doit être une considération primordiale”) volgt niet dat de belangen van het kind bij iedere maatregel die hem betreffen, doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. Deze uitleg is in overeenstemming met GC 14, dat gaat over art. 3 lid 1 IVRK: volgens het CRC brengt de norm tot uitdrukking dat de belangen van het kind op een ander niveau gesteld moeten worden dan alle overige belangen.10 Als de belangen van het kind conflicteren met de belangen van anderen, moeten alle belangen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en moet voor ogen worden gehouden dat – in de bewoordingen van GC 14 – “het recht van het kind [om] zijn belangen de eerste overweging te laten zijn inhoudt dat deze belangen een hoge prioriteit hebben en niet slechts een van verschillende overwegingen zijn”.
3.1.5
Art. 3 lid 1 IVRK richt zich onder meer tot rechterlijke instanties. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie."
Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien, dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat - gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie - niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag."
"3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8526) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind dienen te worden betrokken. Wat het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend betreft, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
Appellant heeft zich beroepen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
4.5.1.
De Raad is van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat appellant recht heeft op kinderbijslag. In dat kader verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020.9 Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Uit het arrest van het Hof in de zaak M.A. tegen Belgische Staat van 11 maart 202110 volgt dat het gaat om alle handelingen die kinderen direct of indirect raken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
4.5.2.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de Svb zich bij zijn besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant. Hierbij is van belang dat extra kinderbijslag, net als de gewone kinderbijslag, weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet. Niet is gebleken dat de belangen van de kinderen door de weigering van een extra bedrag aan kinderbijslag over de jaren in geding in het gedrang zijn gekomen."
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat er strijd is met artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank heeft deze beroepsgrond in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onbesproken gelaten. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Er is geen sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat het CIZ zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van appellant."
"6. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat haar vader haar niet tijdig heeft erkend niet aan haar kan worden toegerekend, omdat zij destijds minderjarig was. Deze toerekening is niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, en artikel 2, tweede lid, van het IVRK. Dat [appellante] inmiddels meerderjarig is, sluit de toepasselijkheid van deze bepalingen niet uit; kinderrechten kunnen in sommige gevallen doorwerken als de toepassing hiervan verband houdt met aspecten die betrekking hebben op de minderjarigheid. De vader was in de veronderstelling dat [appellante] door geboorte reeds het Nederlanderschap had verkregen. Hem kan dus niet worden verweten dat hij haar niet later alsnog heeft erkend. Te meer nu aan [appellante] met ingang van 13 februari 2007 een Nederlands paspoort is verstrekt.
6.1. [appellante] was ten tijde van het besluit van 13 mei 2020 meerderjarig. Zij valt daarom niet onder de reikwijdte van het IVRK. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682, onder 4.2."
Bij de beslissing van het hof staan de belangen van de kinderen voorop. Zij hebben recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de leefsituatie waarin zij verblijven en opgroeien. Zij hebben ook recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief. Dit staat in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)."
De advocaat van de moeder heeft zich verder nog beroepen op het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 3 en 9 IVRK (zie hiervoor onder 3.3). Het hof overweegt dat de artikelen 3 en 9 van het IVRK op zichzelf niet aan de weg staan aan een toepassing van de regels rond rechtsmiddeltermijnen.
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof dat, zoals in iedere jeugdbeschermingszaak, het hier gaat om potentieel ingrijpende beslissingen en verzoeken van een overheidsorgaan (hier: de raad en de GI) jegens een burger, waarvan de beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd. In die zin heeft de zaak gelijkenissen met een bestuursrechtelijke zaak. Zoals de advocaat van de moeder heeft aangevoerd is in het bestuursprocesrecht een verschuiving gaande waar het betreft de strikte handhaving van rechtsmiddeltermijnen. De hoogste bestuursrechters zijn tot het oordeel gekomen, anders dan de Hoge Raad in zijn eerder genoemde uitspraak uit 2014, dat rechtsmiddeltermijnen niet van openbare orde zijn. De bestuursrechter niet meer of in de voorafgaande bezwaar- of beroepsfase sprake is geweest van een termijnoverschrijding indien daarop niet expliciet een beroep wordt gedaan door een betrokkene (CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500). Wel wordt nog steeds ambtshalve getoetst of in de eigen instantie het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Daarbij wordt ruimhartiger omgesprongen met beroepen op verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, maar in beginsel niet als de burger wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener zoals een advocaat. Het handelen van die rechtshulpverlener komt in beginsel voor risico van de burger (CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31).
Dit alles overziend, overweegt het hof dat in deze zaak de moeder (verplicht) werd bijgestaan door haar advocaat. Dat zij het hoger beroep te laat heeft ingediend, moet dan ook voor haar rekening blijven, ook al zijn de consequenties van de bestreden beschikking voor de moeder ingrijpend. Bijzondere omstandigheden aan de zijde van de advocaat zelf waarom dit anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
3.7
Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaken niet toe."
Gerechtshof Amsterdam 10 december 2024, 200.337.808/01 en 200.337.809/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:3388
Artikel 3 IVRK bevat een gelijke toets als artikel 8 EVRM
"Schending IVRK en Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
8. [appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat in de besluitvorming onvoldoende rekenschap is gegeven van de belangen van zijn kinderen. Hij verwijst in dit kader naar artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.
8.1. De SUWR heeft in de aanvullende motivering van 22 december 2022 en op de zitting toegelicht dat het tweede lid van artikel 5.3 van de verordening is bedoeld om te voorkomen dat minderjarige kinderen na een scheiding dakloos worden wanneer ouders de woonlasten niet kunnen opbrengen. Zij heeft daarom in haar besluitvorming kunnen betrekken dat de kinderen onderdak hebben bij hun moeder, niet dakloos zijn en andere manieren bestaan om contact te hebben met hun vader. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om familieleven met zijn kinderen uit te oefenen. Dat de ontwikkeling van zijn kinderen door zijn woonomstandigheden in gevaar is heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.
Een toets aan art. 3 IVRK leidt niet tot een andere conclusie dan de toets aan art. 8 EVRM. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat het belang van het kind een eerste overweging vormt bij alle maatregelen betreffende kinderen. Dat betekent echter niet dat de belangen van het kind altijd doorslaggevend zijn. Art. 3 IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken en zwaarwegend zijn. Wat betreft de vraag hóe zwaarwegend het belang van een kind in een concreet geval is ten opzichte van andere betrokken belangen, bevat art. 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering ervan, daarentegen geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wat daar ook van zij, het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat art. 3 IVRK ook een opdracht aan de nationale rechter bevat om de belangen van het kind in voorkomend geval een eerste overweging te laten zijn en in het oordeel te betrekken. Het hof heeft dat in het voorgaande gedaan en heeft geoordeeld dat het – eveneens zwaarwegende – belang dat met de bestreden toezichtmaatregel wordt gediend in dit geval prevaleert boven het belang van de kinderen om zonder die maatregel met hun vader te kunnen telefoneren."
"5.2. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
De relatie met de Procedurerichtlijn en artikel 24 Handvest Grondrechten
"8.2 Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvest en artikel 3 van het IVRK16. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd."
Artikel 3 lid 1 IVRK speelt een belangrijke rol in de discussie. Dit artikel bepaalt dat de belangen van het kind “de eerste overweging”9 vormen bij “alle maatregelen betreffende kinderen”, ongeacht of deze worden genomen door “openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen”. Deze bepaling richt zich dus niet alleen tot de Staat, maar óók tot drinkwaterbedrijven als Dunea en PWN. Zij betwisten dat overigens ook niet. Wel heeft de Staat als verweer aangevoerd dat pas sprake is van een maatregel “betreffende kinderen” als een maatregel rechtstreeks betrekking heeft op kinderen en dat niet voldoende is dat de maatregel (slechts) gevolgen heeft voor kinderen. Het hof volgt de Staat daarin niet. Het (in artikelen 43-45 IVRK bedoelde) VN-Comité voor de Rechten van het Kind heeft in zijn General Comment nr. 1410 opgemerkt dat “concerning” in artikel 3 lid 1 IVRK ruim moet worden uitgelegd: het gaat om “all decisions and actions that directly or indirectly affect children” en dus ook om “measures that have an effect on an individual child, children as a group or children in general, even when they are not the direct targets of the measure”. Op zich is juist dat de General Comments niet bindend zijn, maar zij zijn wel gezaghebbend. Bovendien is deze uitleg ook logisch en past deze bij de doelstellingen van het IVRK en van artikel 3 lid 1IVRK in het bijzonder (zie ook citaten in 6.14 hierna). Ook het Hof van Justitie van de EU verwijst voor de uitleg van de reikwijdte van artikel 3 lid 1 IVRK naar General Comment nr. 1411.
6.13
Artikel 3 lid 1 IVRK schrijft niet voor dat het belang van het kind altijd doorslaggevend is, maar legt wel vast dat het een (zeer) zwaarwegend belang is. In de woorden van het VN-Comité in het hierboven genoemde General Comment 14: “Viewing the best interests of the child as “primary” requires a consciousness about the place that children’s interests must occupy in all actions and a willingness to give priority to those interests in alle circumstances, but especially when an action has an undeniable impact on the children concerned. (…) In weighing the various elements, one needs to bear in mind that the purpose of assessing and determining the best interests of the child is to ensure the full and effective enjoyment of the rights recognized in the Convention (…) and the holistic development of the child”."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
"5.2.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Het kind moet een band kunnen opbouwen met de pleegouders
"5.2.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer vereist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat die belangen voorop staan bij het nemen van een beslissing over het kind. Een van de belangen omvat ook dat het gezinsleven dat het kind met de pleegouders opbouwt bescherming toekomt. Op grond van artikel 8 EVRM geldt dat indien het doel van, in dit geval, het beëindigen van gezag met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het privé- en gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit)."
Rb. Den Haag 26 juli 2024, C/09/662676 / FA RK 24-1711 en C/09/669226 / FA RK 24-4928, ECLI:NL:RBDHA:2024:11816
Artikel 3 IVRK bevat geen normen welk gewicht aan de belangen van het kind moet worden toegekend
"5.3. Voor zover [appellante] betoogt dat de belangen van haar dochters in het kader van artikel 3 van het IVRK onvoldoende zijn meegewogen overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige dochter van [appellante]. Voor zover [appellante] stelt dat het college de medische beperkingen van haar jongste dochter onvoldoende heeft meegewogen, overweegt de Afdeling dat [appellante] de medische beperkingen van haar dochter niet met stukken heeft onderbouwd.
Gelet op wat de Afdeling onder 5.2.1 heeft overwogen, hoefde het college de belangen van de inmiddels meerderjarige dochter van [appellante] niet in de besluitvorming te betrekken.
"8.1. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in onder meer haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
8.2. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van [dochter 1]. Het college heeft daarin de spanningen en stress die het verblijf in de noodopvang voor haar meebrengen onderkend, maar evenwel geoordeeld dat dit niet betekent dat in dit geval een urgentieverklaring moet worden verleend. Ook de rechtbank is in het kader van de hardheidsclausule uitdrukkelijk ingegaan op het belang van [dochter 1]. De betogen slagen niet.
"6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2023:93, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
Bij de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier: Familieleven met de kleinzoon en belangenafweging
"7. In het verweerschrift en ter zitting is namens verweerder verklaard dat – anders dan in bestreden besluit II – momenteel wel uitgegaan wordt van hechte, persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinzoon. Maar volgens verweerder heeft dat niet tot gevolg dat de belangenafweging in het voordeel van eiser en de kleinzoon uitvalt. Verweerder stelt namelijk nog steeds aan eiser te kunnen tegenwerpen dat sprake is van een eerste toelating, omdat een EU-verblijfsdocument voor langdurig ingezetenen slechts drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland geeft en eiser er daarom niet op kon vertrouwen dat hij na afloop van deze termijn zijn verblijf in Nederland kon voorzetten. Dat eiser na drie maanden gebleven is en het familieleven tijdens onrechtmatig verblijf heeft geïntensiveerd weegt daarbij volgens verweerder in zijn nadeel. De primaire zorgtaken van de kleinzoon liggen daarnaast bij referente en de zoon en niet aannemelijk gemaakt is dat zij bij vertrek van eiser de dagelijkse zorg- en opvoedtaken niet kunnen waarborgen. Daarnaast stelt verweerder dat het economische belang terecht is tegengeworpen, nu verweerder naast eigen inkomen vergaren en belasting afdragen ook mag betrekken dat eiser bij toestaan van verblijf in Nederland gebruik zal maken van de openbare voorzieningen, zoals gezondheidszorg, huisvesting en infrastructuur en dat eiser gelet op zijn gevorderde leeftijd mogelijk steeds meer zorgbehoeftig zal worden. Verder handhaaft verweerder dat voor eiser geen sprake is van objectieve belemmeringen om terug te keren. Eiser heeft namelijk sterkere banden met Griekenland en Albanië dan met Nederland, nu hij daar familie heeft, daar is opgegroeid, de taal en cultuur van die landen kent en het grootste deel van zijn leven daar gewoond heeft. Tot slot zijn ook de belangen van het kind volgens verweerder in het bestreden besluit kenbaar betrokken en voldoende meegewogen in de belangenafweging.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging ten aanzien van het familieleven tussen eiser en zijn kleinzoon onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Door aan te nemen dat sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinzoon erkent verweerder dat deze banden de gebruikelijke band tussen grootvader en kleinzoon overstijgen. Verweerder heeft verder erkend dat de kleinzoon van eiser speciale behoeften heeft vanwege zijn autisme en verstandelijke beperkingen. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken van de hulpinstanties ABA huis, Groeii, Ipse de Bruggen en Youz. Uit deze stukken volgt dat de kleinzoon van eiser andere behoeften heeft dan kinderen van zijn leeftijd die niet te maken hebben met autisme of verstandelijke beperkingen.
8.1
Verweerder heeft met de toelichting in het verweerschrift en ter zitting er echter onvoldoende blijk van gegeven dat de belangen van het kleinkind – met zijn speciale behoeften – de eerste overweging hebben gevormd bij het nemen van deze beslissing en dat hij aan die belangen een aanzienlijk gewicht heeft toe laten komen. Waar verweerder in het bestreden besluit zwaar in het nadeel van eiser heeft laten meewegen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinkind, heeft verweerder niet kenbaar in zijn motivering betrokken in hoeverre dit – nu inmiddels wel hechte persoonlijke banden worden aangenomen - (zwaar) in het voordeel van eiser weegt. Verweerder heeft slechts toegelicht dat het aannemen van hechte persoonlijke banden onvoldoende is de belangenafweging de andere kant op te laten doorslaan. Daarbij heeft verweerder niet kenbaar gemotiveerd welke betekenis hij toekent aan de daadwerkelijk grote rol die eiser in de opvoeding van het kleinkind heeft (gespeeld) en de omstandigheid dat eiser – zoals verweerder niet heeft weersproken – een van de weinigen is die contact kan maken met de leefwereld van het kleinkind. Ook de tegenwerpingen dat jonge kinderen zich normaal gesproken makkelijk aanpassen in een nieuwe situatie en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het kleinkind van verweerder zich niet zou kunnen aanpassen aan een nieuwe situatie, geeft er geen blijk van dat verweerder rekening heeft gehouden met de specifieke individuele omstandigheden van het kleinkind van eiser. Tot slot is onduidelijk in hoeverre verweerder rekening heeft gehouden met de belangen van het kleinkind (en zijn speciale behoeften) waar hij overweegt dat de relatie tussen eiser en kleinkind eventueel ook voortgezet kan worden door contact te houden via telefoon en/of sociale media.
8.2
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kenbare belangen van het kind, zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK, die in dit geval speciale behoeften heeft vanwege zijn autisme en verstandelijke beperkingen, onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging bij het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Het bestreden besluit kent een motiveringsgebrek en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking."
Daarnaast overweegt de rechtbank wat dit betreft het volgende. Punt 13 van de considerans van de Dublinverordening vermeldt dat overeenkomstig het IVRK10 en het Handvest11 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel. Gelet op deze nadere uitwerking is het aan de rechter om te toetsen of verweerder de in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening genoemde factoren, voor zover hieromtrent iets is aangevoerd, in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is dient door de rechter te worden getoetst of verweerder zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich daarbij onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. Uit de bestreden beschikkingen blijkt niet van enige afweging van die belangen. Dat, zoals door verweerder betoogd, de kinderen wel in de beschikkingen zijn genoemd en de overweging in het verweerschrift dat het in het belang van de kinderen is om als uitgangspunt te nemen dat hun situatie onlosmakelijk is verbonden met die van hun ouders, is daartoe zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, daartoe onvoldoende. De rechtbank wijst daarbij in dit kader op verweerders eigen beleid inzake de behandeling van Dublinzaken waarin kinderen zijn betrokken.12 In dit beleid staat in paragraaf 4 dat in alle zaken waarin kinderen betrokken zijn het belang van het kind meer concreet en specifiek zal moeten worden getoetst als daartoe aanleiding is. Dat zal al snel het geval zijn omdat een concreet beroep op het belang van het kind of artikel 3 IVRK niet noodzakelijk is. Vervolgens zal uitdrukkelijk en gemotiveerd ingegaan moeten worden op de aspecten die worden genoemd in artikel 6, derde lid van de Dublinverordening, waaronder het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind, diens veiligheid en de standpunten van het kind, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Verder staat in het beleid vermeld dat artikel 6 van de Dublinverordening expliciet genoemd moet worden en dat een op het individuele geval toegespitste beoordeling moet worden gedaan."
De (tijdelijke) ontzegging van de toegang van een ouder tot een opvanglocatie
"4.5.1.
De Raad is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet gezegd kan worden dat aan appellant met het time out-bed gedurende drie dagen geen adequate opvang is geboden. Daarbij is van belang dat uit het bestreden besluit en de zich in het dossier bevindende rapportage van de opvanglocatie duidelijk naar voren komt dat appellant de huisregels heeft overtreden en zich ook daarna op een zodanig onbehoorlijke wijze heeft gedragen dat onrust ontstond en het gevoel van veiligheid in deze opvanglocatie in het gedrang kwam. Met de drie dagen ontzegging van de toegang tot deze opvanglocatie en het gelijktijdig aanbieden van een time out-bed op een andere locatie beoogde het college te bereiken dat appellant zijn gedrag zou veranderen en zich voortaan aan de huisregels zou houden. Dat bijna drie weken zijn verstreken tussen de incidenten op 12 en 13 april 2020 en het besluit van 2 mei 2020 maakt niet dat dit doel niet meer bereikt zou kunnen worden.
4.5.2.
Het beroep op de artikelen 3 van het IVRK en 8 van het EVRM treft geen doel. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Het college heeft in de loop van de procedure terecht opgemerkt dat een sfeer van veiligheid binnen de gezinsopvang ook in het belang is van de kinderen die daar verblijven. Verder is de toegangsontzegging bij het bestreden besluit beperkt tot drie dagen, waarin de kinderen hun vader buiten de opvanglocatie konden blijven ontmoeten. Hierdoor is geen onevenredige inbreuk gemaakt op het gezinsleven van appellant en de kinderen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM."
Toetsingscriterium terugkeer minderjarige naar ouder in het buitenland
"5.21 Voor zover de moeder nog betoogt dat artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van de minderjarigen naar Frankrijk verzetten, faalt ook dit betoog. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Dat de teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk tot gevolg zal hebben dat zij van hun moeder worden gescheiden, is in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag door het hof meegewogen en leidt, ook in het licht van het EVRM en het IVRK, niet tot een andere beslissing. Nog daargelaten dat de moeder niet specifiek heeft aangegeven waarom een teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk in strijd is met voormelde mensenrechtenverdragen, geldt dat de belangenafweging die de moeder kennelijk voor ogen heeft aan bod zal moeten komen in het kader van een bodemzaak bij de ten gronde bevoegde rechter in Frankrijk. De ten gronde bevoegde rechter zal moeten beoordelen bij wie van de ouders de minderjarigen het beste af zijn. In de onderhavige procedure, waarin het slechts gaat om een ordemaatregel, is voor zo’n belangenafweging geen plaats.
5.22
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige situatie, dat de minderjarigen bij terugkeer naar Frankrijk in een ondragelijke toestand zullen worden gebracht. Dit betekent dat ook het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen zoals beschermd door het EVRM en het IVRM."
Zwaarwegend belang; huidige systeem (afsluiten met hooguit afgifte van hoeveelheid water ver onder de WHO-normen) is in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm
6.16
Niet ter discussie staat dat water een primaire levensbehoefte is en dat met name kinderen een zwaarwegend belang bij water hebben. Hierboven is al overwogen dat het uit (o.a.) het IVESCR af te leiden (sociale/economische) grondrecht op water geen directe werking heeft. Daarnaast geldt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijk en absoluut recht op water in die zin dat altijd onbeperkt toegang tot water moet worden geboden en dat voorwaarden of beperkingen in geen geval zijn toegestaan. Dat neemt echter niet weg dat er wel bepaalde ‘minimum kernverplichtingen’ (‘minimum core obligations’15) te onderscheiden zijn die onderdeel vormen van de wezenlijke kern van het grondrecht op water en die mogelijkerwijs wel afdwingbaar zijn. NJCM c.s. verwijst naar de WHO-normen en stelt dat hieruit volgt dat op korte termijn in crisissituaties kan worden volstaan met 20-50 liter per persoon per dag, maar dat op de langere termijn minstens 70 liter per persoon per dag nodig is (zie hierboven onder 3.12: bij een hoeveelheid van ca. 50 liter per persoon per dag is het “level of health concern” nog medium; pas bij een hoeveelheid van minstens 100 liter per persoon per dag wordt gesproken van “optimal acces” en een “low level of health concern”). Verweerders hebben er terecht op gewezen dat de WHO-normen niet bindend zijn, maar dat neemt niet weg dat deze normen gezaghebbend zijn en kunnen helpen bij het bepalen van de minimaal te bieden grondrechtenbescherming. Inhoudelijk is ook niet gemotiveerd betwist dat de normen goed bruikbaar zijn als richtsnoer bij de bepaling van de hoeveelheid water waartoe kinderen ten minste toegang moeten hebben om ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. Daarbij moet worden bedacht dat kinderen extra kwetsbaar zijn: zij zijn nog in de groei en in ontwikkeling en hebben daardoor bijzondere behoefte aan voldoende water. Bovendien zijn zij vaak geheel afhankelijk van volwassenen voor de vervulling van hun primaire levensbehoeften. NJCM c.s. heeft uitgebreid toegelicht dat water niet alleen van belang is om te drinken, maar ook voor voldoende hygiëne en daarmee samenhangend voor een goede gezondheid, een goede mentale ontwikkeling en een normaal gezins- en sociaal leven. Kinderen die niet voldoende drinken drogen uit en kunnen ernstige gezondheidsklachten krijgen. Bovendien kunnen zij zich dan niet goed concentreren op school. Ook een gebrekkige hygiëne kan leiden tot gezondheidsproblemen. Het risico op schoolverzuim door ziekte of schaamte neemt hierdoor toe, terwijl ook het risico op sociale isolatie wordt vergroot: kinderen zonder toegang tot drinkwater willen of mogen niet meer buiten spelen (eenmaal vies kunnen zij zichzelf en hun kleding immers niet wassen) of durven niet meer met vriendjes af te spreken. Het VN-Kinderrechtencomité benadrukt in zijn General Comment over artikel 24 IVRK in dit verband dat “safe and clean drinking water and sanitation are essential for the full enjoyment of life and all other human rights”16. Een en ander heeft ook gevolgen op de lange termijn. Het grote en verstrekkende belang van minderjarige kinderen bij toegang tot voldoende drinkwater is niet betwist en is algemeen bekend. Het mag in elk geval bekend worden verondersteld bij de Staat en DWB.
6.17
De Afsluitregeling en de gebaseerde beleidsregels en praktijk laten niettemin bewust de mogelijkheid open dat gezinnen met kinderen wegens wanbetaling worden afgesloten van water en dat de kinderen daardoor in een situatie komen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen, en dat mogelijk zelfs voor onbepaalde tijd. Een hoeveelheid van 12 liter (namelijk 4 x 3 liter per persoon per dag voor vier dagen) ligt ver onder de WHO-normen, nog daargelaten dat (i) een afsluiting in ieder geval in theorie (veel) langer kan duren dan vier dagen en (ii) ter zitting is gebleken dat vaak alleen maar wordt geschat uit hoeveel personen een gezin bestaat. Weliswaar bestaan er gratis openbare tappunten, maar dit zijn er dermate weinig en zij liggen zo verspreid dat deze in algemene zin alleen daarom al geen serieus alternatief kunnen vormen.
6.18
Hierboven is al overwogen dat de Staat en de DWB op grond van artikel 3 lid 1IVRK verplicht zijn om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen. Deze bepaling heeft geen directe werking waar het gaat om het precieze gewicht van dat belang. Naar het oordeel van het hof vloeit echter reeds uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW voort dat de Staat en de DWB in elk geval al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om te voorkomen dat (wat betreft de Staat) minderjarige kinderen in Nederland, respectievelijk (wat betreft de DWB) de minderjarige kinderen van hun afnemers in hun distributiegebied, in de hierboven beschreven situatie belanden (geen toegang tot voldoende water conform de WHO-normen). Door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen en door bewust de mogelijkheid open te laten dat kinderen wèl in die situatie terecht komen, handelen de Staat en de DWB in strijd met die maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm17 en met artikel 3 lid 1 IVRK."
De conclusie luidt dat de Staat en de DWB onrechtmatig (want in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm in combinatie met artikel 3 lid 1 IVRK) handelen door met het huidige systeem en het huidige beleid de mogelijkheid open te laten dat kinderen in een situatie terechtkomen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen. De artikelen 3 IVRK en artikel 6:162 BW dwingen niet tot een algeheel verbod op afsluiting, maar de Staat en de DWB moeten wel al het redelijkerwijs mogelijke doen om te voorkomen dat kinderen in die situatie geraken. Uit artikel 2 IVRK, de artikelen 3, 8 en 14 EVRM en uit artikel 16 herschikte Drinkwaterrichtlijn en artikel 24 lid 2 van het Handvest volgen geen andere/verdergaande verplichtingen dan hierboven omschreven.
6.28
Ten aanzien van de Staat leidt dit tot het volgende. Voor zover vorderingen 1 tot en met 3 primair strekken tot een algeheel verbod op afsluiting respectievelijk tot een bevel om zo’n verbod tot stand te brengen, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen. Zoals hiervoor al overwogen is er geen norm die dwingt tot zo’n algeheel verbod, nog daargelaten dat toewijzing zou neerkomen op een verboden bevel tot wetgeving. Het gaat erom dat ervoor moet worden gezorgd dat minderjarige kinderen voor zover mogelijk niet terechtkomen onder het door de WHO bepaalde minimumniveau van toegang tot drinkwater. Hoe de Staat dat wil bereiken, is aan hem (verbod op afsluiting bij minderjarige kinderen, begrenzing van toegang tot drinkwater, zorgen dat bij afsluiting meer water ter beschikking komt etc.). Het hof zal vorderingen 1a en b en 3 subsidiair toewijzen als volgt:
1.
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens minderjarige kinderen in Nederland door bij de vaststelling en wijziging van de Afsluitregeling het belang van het kind geen eerste overweging te laten vormen en door onvoldoende maatregelen te nemen om te waarborgen dat bij de uitvoering van die regeling het belang van het kind een eerste overweging vormt;
2.
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens minderjarige kinderen in Nederland door te gedogen dat deze kinderen – in die situaties waarin bekend was/is dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn/kan zijn dat op het bewuste adres sprake was/is van minderjarige kinderen – wegens wanbetaling geheel zijn of (kunnen) worden afgesloten en in een situatie terecht zijn gekomen of (kunnen) komen waarin zij geen toegang hadden/hebben tot voldoende drinkwater conform de WHO-normen;
3.
een bevel aan de Staat om maatregelen te nemen om aan die onrechtmatige situatie als bedoeld onder 2) een einde te maken, dat wil zeggen maatregelen om ervoor te zorgen dat minderjarige kinderen in die gevallen waarin hun aanwezigheid bekend is of redelijkerwijs zou moeten kunnen zijn, niet meer in een situatie terechtkomen waarin zij als gevolg van wanbetaling door hun ouders geen toegang hebben tot voldoende drinkwater conform de WHO-normen.
6.29
Ten aanzien van de DWB leidt het bovenstaande ertoe dat voor zover vordering 2 primair strekt tot een algeheel verbod op afsluiting in geval van kinderen, deze vordering niet toewijsbaar is. Wel toewijsbaar is het volgende:
1. een verklaring voor recht dat de Dunea en PWN onrechtmatig hebben gehandeld en handelen jegens de minderjarige kinderen van afnemers in hun distributiegebied door bij de vaststelling en uitvoering van hun beleid het belang van het kind geen eerste overweging te laten vormen,
a. wat betreft Dunea meer in het bijzonder door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen om te achterhalen of er een of meer minderjarige kinderen wonen op het adres waarop afsluiting dreigt en
b. wat betreft PWN meer in het bijzonder door bij haar afsluitingsbeleid in het geheel geen rekening te houden met de aanwezigheid van minderjarige kinderen;
4. een verbod aan Dunea en PWN om in die gevallen waarin bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn (zie hierboven onder 6.22) dat sprake is van één of meer minderjarige kinderen, de levering van drinkwater wegens wanbetaling te beëindigen met achterlating van slechts 12 liter per persoon;
5. een bevel aan Dunea en PWN om in die gevallen waarin de levering van drinkwater is beëindigd en waarin bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn dat sprake is van één of meer minderjarige kinderen, de levering van drinkwater weer te hervatten dan wel een hoeveelheid water conform de WHO-normen te verstrekken zolang de afsluiting duurt."
Sluiting van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet
"23. Ten aanzien van de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekster wijst de voorzieningenrechter erop dat als uitgangspunt geldt dat ouders van minderjarige inwonende kinderen zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte bij ontruiming of sluiting van de woning als gevolg van handelen of nalaten van de ouders. Dat is in dit geval niet anders, omdat verzoekster, zoals hiervoor is geoordeeld, op de hoogte had kunnen zijn de in de woning aangetroffen zaken. Daar komt bij dat de sluiting van de woning mede het rechtstreeks gevolg is van het handelen van de partner van verzoekster die vader is van één van de minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat verzoekster niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij naar vervangende woonruimte heeft gezocht. Dat laat onverlet dat de burgemeester zich, in het licht van artikel 8 van het EVRM en het IVRK, bij de voorbereiding van een besluit tot sluiting van een woning rekenschap moet geven van de aanwezigheid van inwonende, minderjarige kinderen en de gevolgen van de sluiting voor die kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dat gedaan door erop te wijzen dat hij ondersteuning zal bieden indien blijkt dat verzoekster geen vervangende woonruimte kan vinden. Op de zitting is namens de burgemeester bevestigd dat in het uiterste geval noodopvang voor het gezin wordt geboden. 15
24. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden evenwichtig is."
Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de woning. Partijen hebben beiden niet de beschikking over alternatieve woonruimte, hebben beiden gezondheidsproblemen, wonen beiden al heel lang in de woning en zitten in een vergelijkbare financiële situatie.
5.5.
De man stelt dat hij een extra belang heeft bij het huurrecht van de woning, omdat zijn pas geboren dochter en misschien ook zijn nieuwe partner naar Nederland zullen komen. Het belang van zijn dochter moet daarbij op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) voorop staan, aldus de man.
5.6.
Vast staat dat de man op dit moment zijn dochter nog niet heeft erkend en dat zijn dochter met haar moeder in Pakistan woont. Het hof is van oordeel dat ook nog niet vaststaat of de man zijn dochter in Nederland kan erkennen. Uit de door de man overgelegde e-mailberichten volgt dat hij daarvoor eerst nog verschillende documenten moet aanleveren. Nu nog niet vast staat dat de man tot erkenning kan overgaan is het ook onzeker of zijn dochter de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen. Daarmee is het dus ook onzeker of zijn dochter naar Nederland zal emigreren. Of zijn partner kan en wil emigreren naar Nederland is ook niet zeker, aangezien de man op zitting heeft verklaard dat hij dit nog niet met haar heeft besproken. Van een extra belang van de man bij het huurrecht is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Ook het beroep van de man op artikel 3 IVRK kan niet slagen. Uit artikel 3 IVRK volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, waaronder ook beslissingen van rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Het voorliggende verzoek betreft echter geen maatregel betreffende de dochter van de man, maar een procedure tussen partijen over het huurrecht. Daarbij komt dat het belang van de dochter bij de beslissing over het huurrecht niet wordt geschaad, aangezien zij bij haar moeder in Pakistan woont.
5.6.
Partijen hebben dus grotendeels gelijke belangen. Bij de weging van de belangen van partijen kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de vrouw meer in de woning verblijft dan de man. De man heeft een nieuwe partner en dochter in Pakistan en verblijft daar meerdere periodes per jaar. Aangezien de man de woning minder nodig heeft door zijn verblijf in Pakistan, oordeelt het hof dat het belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt.
5.7.
Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep van de vrouw en faalt het hoger beroep van de man. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en bepalen dat het huurrecht aan de vrouw toekomt."
Ontbinding huurovereenkomst en toetsing belangen minderjarige kinderen
Algemeen toetsingskader: ambtshalve toetsing belang van het kind
"3.2.2
Het beoordelingskader voor een vordering tot ontruiming wordt gevormd door art. 6:265 BW en art. 7:231 lid 1 BW.
Ingevolge art. 7:231 lid 1 BW kan in beginsel alleen de rechter een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte ontbinden op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen. In de gevallen genoemd in art. 7:231 lid 2 BW en art. 7:210 BW – kort gezegd: sluiting van het pand op last van het bevoegd gezag en geheel onmogelijk huurgenot door een gebrek dat verhuurder niet verplicht is te verhelpen – kan de verhuurder de overeenkomst ook buitengerechtelijk ontbinden. Indien de huurder zich daar niet bij neerlegt, zal de rechter moeten beoordelen of de buitengerechtelijke ontbinding stand houdt. In beide gevallen dient de beoordeling plaats te vinden volgens de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW.
Art. 6:265 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De in de bepaling vervatte hoofdregel en de tenzij-bepaling tezamen brengen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen naast de in de tenzij-bepaling genoemde gezichtspunten alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn.13
3.2.3
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt art. 3 lid 1 IVRK mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen (zie hiervoor in 3.1.4).
3.2.4
Wat betreft de vraag wie in ontruimingsprocedures de belangen van kinderen in kaart moet brengen, geldt het volgende.
3.2.5
De verhuurder die een huurovereenkomst wenst te ontbinden, dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de huurder (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van art. 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is). In beginsel is het aan de huurder om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling, met dien verstande dat een beroep op de tenzij-bepaling als subsidiair verweer besloten kan liggen in de betwisting van de gestelde tekortkoming.14 De in art. 7:231 lid 1 BW dwingend voorgeschreven rechterlijke tussenkomst voor de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot (onder meer) woonruimte, brengt evenwel mee dat de rechter ook wanneer de huurder niet in het geding verschijnt, dient te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Deze rechterlijke beoordeling vindt, ook in verstekzaken, haar praktische begrenzing in hetgeen de rechter aan feiten en omstandigheden is gebleken.15
3.2.6
De hiervoor in 3.2.5 weergegeven regels ter zake van de stelplicht en bewijslast van partijen in een ontruimingsgeding behoeven in zoverre precisering, dat de rechter ingevolge de hem in art. 3 lid 1 IVRK gegeven opdracht zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. Wat in dit opzicht van de rechter gevergd kan worden, komt hierna, in 3.4.2-3.4.3, aan de orde."
Iedere tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding (en de daaraan gekoppelde ontruiming van het gehuurde) gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn en kan niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol worden toegekend. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden (ECLI:NL:HR:2018:1810). In een dergelijke beoordeling dient de rechter in de eerste plaats ook het belang van de eventueel in het gehuurde woonachtige minderjarige kinderen te betrekken. Dat volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)."
Grief IV richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de ontruiming niet disproportioneel is. [appellant] doet in dit verband een beroep op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. Volgens [appellant] moeten haar omstandigheden en in het bijzonder die van haar kinderen leiden tot afwijzing van de gevorderde ontruiming. De kinderen hebben school en werk in de buurt van de woning en zijn gebaat bij stabiliteit. De kinderen zijn gewend aan hun leefomgeving en hebben een vertrouwde vriendenkring opgebouwd. Ontruiming heeft een enorme impact op de kinderen en leidt ertoe dat het gezin wordt opgesplitst. Het gezin heeft het recht om herenigd samen te wonen, aldus nog steeds [appellant].
5.7.
Het hof vindt het aannemelijk dat de ontruiming uit de woning niet alleen voor [appellant], maar ook voor haar (minderjarige) kinderen (negatieve) gevolgen heeft. De belangen van deze kinderen spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dit betekent echter niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Een vordering tot ontruiming zal bijvoorbeeld niet kunnen worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gebleken. Een concrete onderbouwing daartoe ontbreekt. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de ontruiming gelet op de belangen van de kinderen achterwege zou moeten blijven. De grief faalt.
5.8.
Grief V klaagt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke ontbinding in dit geval niet onredelijk is en dat te verwachten is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden. Volgens [appellant] is juist aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de buitengerechtelijke ontbinding en ontruiming niet in overeenstemming zijn met de redelijkheid en billijkheid, omdat Woonwaard in dit geval had kunnen volstaan met minder ingrijpende middelen, zoals een gedragsaanwijzing of een laatste kans contract.
5.9.
Ook deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat Woonwaard genoegzaam heeft toegelicht waarom zij in dit geval niet kan volstaan met een minder ingrijpend middel. Zij hanteert een zero tolerance beleid met betrekking tot drugs en de afschrikwekkende werking van dat beleid zou teniet gaan als bijvoorbeeld een laatste kans contract zou worden aangeboden. Naar het oordeel van het hof levert dit een zwaarwegend belang op aan de zijde van Woonwaard."
"1.8. [gedaagden] c.s. hebben daarnaast aangevoerd dat zij minderjarige kinderen hebben die ook in de woning verblijven. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vormt het belang van de minderjarige kinderen een eerste overweging. Dit betekent echter niet dat een huurovereenkomst met huurders met minderjarige kinderen niet mag worden ontbonden. De ouders van minderjarige kinderen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. De kantonrechter ziet in de aanwezigheid van de minderjarige kinderen in de woning echter wel aanleiding om een ruimere ontruimingstermijn te bepalen. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden dus toegewezen, met dien verstande dat de huurovereenkomst tussen partijen per heden wordt ontbonden en het gehuurde vóór 1 december 2024 ontruimd moet zijn."
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat bij een huurovereenkomst, net als bij andere overeenkomsten, geldt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding (en de daaraan gekoppelde ontruiming van de woning) gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij die beoordeling moet de rechter in de eerste plaats ook het belang van de eventueel in de woning woonachtige minderjarige kinderen betrekken. Dat volgt uit artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (hier: IVRK). De belangen van de kinderen spelen een grote rol bij de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Een vordering tot ontruiming kan bijvoorbeeld niet worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor de kinderen zou leiden.
(...).
6.7
Het voorgaande brengt mee dat van Hof Wonen niet kan worden verlangd dat zij de woning blijft verhuren aan [appellant], die stelselmatig zijn verplichtingen als huurder niet nakomt. Het hof is dan ook van oordeel dat de tekortkomingen van [appellant] als huurder zo ernstig zijn dat deze gronden opleveren voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De persoonlijke omstandigheden van [appellant] (en zijn gezin), zoals de bewindvoerder die op de zitting nader heeft toegelicht, wegen niet zwaarder dan de belangen van Hof Wonen bij toewijzing van haar vorderingen. De door de bewindvoerder aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om toepassing aan de zogenoemde ‘tenzij-clausule’ van artikel 6:265 lid 1 BW te geven. Gelet op de daarbij (in verband met die clausule) uitgevoerde belangenafweging kan een beroep op artikel 8 EVRM de bewindvoerder evenmin baten."
Art. 3 lid 1 IVRK brengt mee dat bij de beoordeling door de rechter of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW), de belangen van in het gehuurde wonende kinderen als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent dat daaraan een hoge prioriteit toekomt (zie hiervoor in 3.1.4).
3.3.3
Tot de belangen van een kind behoren zijn recht op huisvesting (art. 27 lid 3 IVRK) en zijn recht om niet gescheiden te worden van zijn ouder(s), tenzij zodanige scheiding juist in zijn belang zou zijn (vgl. art. 9 lid 1 IVRK). Hoewel deze belangen zwaar wegen, behoeven zij niet de doorslag te geven; zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (zie hiervoor in 3.1.4 en 3.2.3).
3.3.4
Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de mogelijkheid van alternatieve huisvesting. Wat betreft het daaraan toe te kennen gewicht bevindt zich aan de ene kant van het spectrum het voorhanden zijn van alternatieve huisvesting voor ouders en kinderen gelijkwaardig aan of beter dan de te ontruimen woning. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich een gerede kans dat een kind als gevolg van de beoogde ontruiming dakloos wordt, of van zijn ouders gescheiden zal raken terwijl dit niet in zijn belang is. Dakloosheid van een kind wordt maatschappelijk niet aanvaardbaar geacht en het gescheiden raken van ouders en kind dient in beginsel te worden voorkomen. Een dergelijk gevolg, of de kans daarop, brengt echter niet altijd mee dat een vordering tot ontruiming moet worden afgewezen. Het voorkómen van dergelijke gevolgen ligt immers niet in de eerste plaats op de weg van de verhuurder, maar op de weg van ouders en de overheid, terwijl de verhuurder onder omstandigheden ook rekening heeft te houden met belangen van derden (zie hierna in 3.3.6). Wel kan in dit kader als omstandigheid meewegen of de verhuurder meerdere woningen verhuurt en voor verhuur ter beschikking heeft, bijvoorbeeld omdat het om een woningcorporatie gaat.
Welke onderzoeksplicht de rechter in dit verband heeft (zie vraag 3) komt hierna, bij de beantwoording van de vragen 4-8 aan de orde.
3.3.5
De mate van verwijtbaarheid van het gedrag van de huurder dat de aanleiding vormt voor een vordering tot ontbinding en ontruiming van het gehuurde, behoort tot de omstandigheden die meewegen bij de beoordeling of de daarin gelegen tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt (zie hiervoor in 3.2.2). Dat gedrag en de mate van verwijtbaarheid ervan relativeren echter niet het gewicht dat toekomt aan de belangen van de bij de huurder wonende kinderen.16
3.3.6
Tegenover de belangen van huurders en hun kinderen staan de belangen van de verhuurder bij ontbinding en ontruiming. Het aan die laatstgenoemde belangen toe te kennen gewicht hangt mede af van de aard en ernst van de tekortkoming van de huurder. In dit geval gaat het om overlast, overtredingen van de Opiumwet en illegaal wapenbezit in de woning (zie hiervoor in 2.2 en 2.3). De huurder schiet dan tekort in zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen (art. 7:213 BW) en onder omstandigheden is de verhuurder jegens zijn andere huurders en andere omwonenden – waartoe evenzeer kinderen kunnen behoren – verplicht te doen wat in zijn vermogen ligt om de overlast of het gevaar te beëindigen.17 Het belang van de omwonenden bij een leefbare en veilige omgeving, voegt dan gewicht toe aan het belang van de verhuurder bij ontruiming. Ook herhaling van een tekortschieten van de huurder of langdurig tekortschieten van de huurder kan gewicht toevoegen aan het belang van de verhuurder bij ontruiming.
3.3.7
Waar de uitkomst van de te maken belangenafweging afhangt van alle omstandigheden van het geval, vallen daarvoor geen andere richtsnoeren of handvatten te geven dan hiervoor in 3.3.2-3.3.6 vermeld. Wel verdient nog opmerking dat de rechter in de motivering van zijn uitspraak rekenschap dient af te leggen van de gemaakte afweging."
Het is in beginsel aan de huurder die zich geconfronteerd ziet met een vordering tot ontruiming om (al dan niet subsidiair) aan te voeren dat de gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst geen ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt, en de in dat kader relevante feiten en omstandigheden aan te voeren (zie hiervoor in 3.2.5). Tot die feiten en omstandigheden behoort het gegeven dat de beoogde ontruiming ook een kind of kinderen zal treffen.
De in art. 3 lid 1 IVRK aan de rechter gegeven opdracht brengt evenwel mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is (zie hiervoor in 3.2.6). De rechter zal zo nodig gebruik kunnen maken van zijn instructiebevoegdheid (art. 22 lid 1 Rv). In verstekzaken zal de rechter het daarbij moeten hebben van informatie die de verhuurder tot zijn beschikking heeft, of redelijkerwijs kan verkrijgen. Indien de verhuurder dergelijke informatie niet heeft en, ondanks een daarop gerichte inspanning, ook niet weet te verkrijgen, levert dat op zichzelf echter geen grond op voor afwijzing van de vorderingen van de verhuurder.
Indien uit de verschafte informatie blijkt dat de beoogde ontruiming ook kinderen zal treffen, zal de rechter partijen, althans de verhuurder, dienen te vragen naar de mogelijkheden van alternatieve huisvesting. Welke informatie de rechter over deze mogelijkheden van de verhuurder kan verlangen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kan in dit verband van een woningcorporatie in het algemeen meer worden verlangd dan van een particuliere verhuurder.
3.4.3
Art. 3 lid 1 IVRK behelst de opdracht aan de rechter om rekening te houden met de belangen van het kind (zie hiervoor in 3.1.5). De bepaling bevat geen aanwijzing dat de rechter bij het vervullen van die opdracht bij de beoordeling van geschillen als de onderhavige niet zou mogen afgaan op informatie die partijen, of een van hen, hem – zo nodig op verzoek – verschaffen, maar zich tevens, al dan niet na daartoe verkregen instemming van partijen, buiten de mondelinge behandeling om zou moeten wenden tot instanties die niet in de procedure betrokken zijn, zoals de gemeente, instanties die betrokken zijn bij kinderbeschermingsmaatregelen of andere hulpverleningsinstanties. Art. 3 lid 1 IVRK biedt daarvoor derhalve geen toereikende grondslag. Evenmin is daarvoor een grondslag in het nationale recht aan te wijzen. Onder meer met het oog op privacybelangen van partijen en belangen van niet in de procedure betrokken personen, is een dergelijke grondslag wel vereist. Het behoort ook niet tot de taak van de rechter om zich, al dan niet met instemming van partijen, buiten de mondelinge behandeling om tot dergelijke instanties te wenden. Wel zal de rechter gebruik kunnen maken van zijn procesrechtelijke bevoegdheden, zoals het gelasten van een deskundigenbericht.
3.4.4
Indien met betrekking tot de woning waarop de vordering tot ontruiming ziet ook een bestuursrechtelijk traject wordt gevolgd, op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet of art. 174a Gemeentewet, kan het opportuun zijn om in de ontruimingsprocedure de uitkomst daarvan af te wachten. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder het stadium waarin de bestuursrechtelijke procedure verkeert en de bij de ontruimingsvordering betrokken belangen. Daarvoor vallen geen nadere richtsnoeren te geven."
De beschikbaarheid van alternatieve huisvesting is, met het oog op de belangen van een kind dat door een beoogde ontruiming wordt getroffen, een belangrijk gezichtspunt bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot ontruiming (zie hiervoor in 3.3.4). Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de rechter die van oordeel is dat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is, met het oog op die belangen, aan de veroordeling tot ontruiming de modaliteiten verbinden die hij geraden acht. Zo zal de rechter bijvoorbeeld een lange ontruimingstermijn kunnen hanteren of zijn beslissing enige tijd kunnen aanhouden om het zoeken naar alternatieve huisvesting voor de ouders en kinderen te faciliteren. Onder omstandigheden is ook denkbaar dat de rechter aan een veroordeling tot ontruiming de voorwaarde verbindt dat is voorzien in adequate opvang voor door de ontruiming getroffen kinderen. Dit laat onverlet dat het voorzien in alternatieve huisvesting of opvang in beginsel niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort (zie hiervoor in 3.3.4). Bij zijn beslissing zal de rechter steeds ook rekening moeten houden met het belang van de verhuurder (zie hiervoor in 3.3.6) bij de ontruiming en de urgentie daarvan."
Op grond van artikel 3 IVRK is de rechter in een ontruimingsprocedure zelf gehouden de belangen van het kind in overweging te nemen. De vraag of ook de Gemeente voorafgaand aan de procedure met deze belangen rekening heeft gehouden, is dan ook verder niet relevant. Uit rechtsoverwegingen 4.8 en 4.10 van het ontruimingsvonnis blijkt dat de kantonrechter het belang van [appellante 2] heeft meegewogen. Alhoewel [appellante 1] hieromtrent verder geen feiten en omstandigheden had aangevoerd, heeft de kantonrechter in het ontruimingsvonnis vanwege het belang van [appellante 2] en de zwangerschap van [appellante 1] de ontruimingstermijn verlengd. In rechtsoverweging 4.3. van het ontruimingsvonnis heeft de kantonrechter – samengevat – overwogen dat goed huurderschap inhoudt dat niet alleen [appellante 1] geen overlast mag veroorzaken, maar ook anderen die zich in de woning bevinden dit niet mogen doen. Uit rechtsoverweging 4.5 van het ontruimingsvonnis blijkt vervolgens dat de kantonrechter heeft meegewogen dat de overlast (mede) is veroorzaakt door de vader van [appellante 2] . De kantonrechter heeft immers (onder meer) overwogen: Gemeente Opmeer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante 1] dan wel [appellante 2] [zoals de vader van [appellante 2] in het ontruimingsvonnis is aangeduid] ernstige en structurele overlast veroorzaakt. (…) Omwonenden klagen (…) over (…) het rij- en parkeergedrag van [appellante 1] en [appellante 2] (…) en de feestjes die regelmatig tot diep in de nacht worden gegeven door [appellante 1] en [appellante 2]. Het ontruimingsvonnis berust dus niet op een misslag."
Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] ernstige en structurele overlast hebben veroorzaakt. Om te beoordelen of het gedrag van [appellanten] moet leiden tot ontruiming van de woning, moet naast het belang van Intermaris ook dat van [appellanten] worden afgewogen. De vordering van Intermaris tot ontruiming kan worden toegewezen als (i) het belang van Intermaris zwaarder weegt dan dat van [appellanten] én (ii) dit belang de gevraagde voorziening – ontruiming – rechtvaardigt. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Dit wordt hierna toegelicht.
4.9.
Volgens [appellanten] is de ontruiming niet gerechtvaardigd. [appellanten] hebben actief hulpverlening gezocht en [appellant 2] staat voor zijn gedrag onder behandeling van GGZ. Verder voeren [appellanten] aan dat verhuurder Mooiland geen toestemming heeft gegeven voor de beoogde woningruil omdat zij het door de kantonrechter gewezen vonnis beschouwt als een negatieve verhuurdersverklaring. [appellanten] hebben, nadat zij de woning hebben verlaten, een aantal weken bij de ouders van [appellant 2] verbleven en huren momenteel een woning van een particuliere verhuurder. Deze huurovereenkomst eindigt op 1 maart 2024. De veroordeling tot ontruiming in eerste aanleg, het feit dat [appellanten] geen woningruil meer kunnen bewerkstelligen en de negatieve verhuurdersverklaring van Intermaris van 22 december 2022 maken dat [appellanten] vrijwel geen enkele kans maken op een nieuwe huurwoning en dus steeds van tijdelijke verblijfplaats moeten wisselen. Dit komt vooral de kinderen niet ten goede, zij hebben belang bij een stabiele en rustige woonomgeving. In dat kader doen [appellanten] een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Artikel 3 IVRK bepaalt dat de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen een eerste overweging moeten vormen. Daarnaast voeren [appellanten] aan dat de ontruiming jegens [appellante 1] niet gerechtvaardigd is omdat de ontruimingsvordering van Intermaris voornamelijk is ingegeven door het gedrag van [appellant 2] . [appellante 1] valt persoonlijk geen verwijt te maken van de ontstane overlast, aldus [appellanten]
4.10.
Tegenover de belangen van [appellanten] en hun kinderen staan de belangen van Intermaris en in het verlengde daarvan ook de belangen van de omwonenden, onder wie andere huurders van Intermaris, die klachten hebben geuit. Deze huurders hebben recht op rustig huur- en woongenot. Ook zij hebben kinderen en ook met de belangen van die kinderen moet rekening worden gehouden. Deze rechten en belangen van de omwonenden en hun kinderen zijn ernstig geschonden door het gedrag van [appellanten] Dat [appellant 2] inmiddels hulp heeft gezocht voor zijn gedrag, doet daaraan niet af, al was het alleen maar omdat niet inzichtelijk is gemaakt dat hiermee een werkelijke en blijvende gedragsverandering is bereikt.
4.11.
Het hof acht het aannemelijk dat de ontruiming uit de woning (ook) voor de minderjarige kinderen van [appellanten] (negatieve) gevolgen zal hebben. De belangen van deze kinderen spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dit betekent echter niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Een vordering tot ontruiming zal bijvoorbeeld niet kunnen worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gebleken. Het hof onderkent dat geregeld verhuizen voor de kinderen van [appellanten] onwenselijk kan zijn, maar dit levert nog geen acute noodtoestand voor hen op. Bovendien staat vooralsnog niet vast dat [appellanten] ook daadwerkelijk vaak zullen moeten verhuizen. Verder weegt mee dat Intermaris de nodige inspanningen heeft verricht om ontruiming voor het gezin te voorkomen. Zo heeft Intermaris drie maal – tevergeefs – vervangende woonruimte aangeboden aan [appellanten] , is er hulpverlening voor het gezin ingeschakeld en zijn er meerdere gesprekken gevoerd met [appellanten] in het bijzijn van de wijkagent en hulpverleners. Dit heeft echter geen einde gemaakt aan de ernstige overlast en het geweld.
4.12.
Anders dan [appellanten] stellen, is ook [appellante 1] verantwoordelijk voor de overlast. Artikel 12 van de toepasselijke Algemene Huurvoorwaarden bepaalt: Huurder voorkomt dat omwonenden overlast of hinder hebben van hemzelf, huisgenoten, huisdieren of derden die zich vanwege huurder in de woning of in de gemeenschappelijke ruimte bevinden. Aan die regel heeft [appellante 1] zich niet gehouden en daarmee heeft ook zij zich niet als een goed huurder gedragen. Uit de bewijsstukken in het dossier moet minst genomen worden afgeleid dat [appellante 1] ernstig rekening had te houden met de gedragingen van [appellant 2] waarover door de buren is geklaagd. Van enige werkelijke poging van [appellante 1] om die gedragingen te voorkomen is het hof niet gebleken. Overigens heeft een deel van de overlastklachten betrekking op eigen gedragingen van [appellante 1] . Daarnaast is gebleken dat Intermaris meermaals aan [appellante 1] heeft laten weten dat zij bereid zou zijn om alleen aan haar vervangende woonruimte aan te bieden, op voorwaarde dat de echtscheiding met [appellant 2] in gang zou zijn gezet. Zo lang [appellant 2] en [appellante 1] gehuwd zijn, blijft [appellant 2] immers medehuurder en kan hem de toegang tot de woning niet ontzegd worden. Hoewel door de hulpverlening op echtscheiding is ingezet in het kader van het huiselijk geweld, zijn [appellant 2] en [appellante 1] nog steeds samen.
4.13.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van Intermaris en met name de belangen van de omwonenden die overlast, agressie, intimidatie en geweld hebben ervaren, zwaarder moeten wegen dan het belang van [appellanten] om in de woning te blijven wonen. Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemzaak zal worden beslist dat [appellanten] zijn tekortschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en dat die tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning rechtvaardigt. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming terecht is toegewezen, ook – gelet op hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen – jegens [appellante 1] . Het hof gaat daarbij ervan uit dat Intermaris haar toezegging zal nakomen om aan [appellante 1] vervangende woonruimte aan te bieden als een echtscheidingsprocedure in gang wordt gezet."
"4.10. Wanneer het woonbelang van [X.] en haar dochter wordt afgezet tegen de tekortkoming, dan komt daaraan niet een zodanig gewicht toe dat de vorderingen van Kennemer Wonen tot ontbinding en ontruiming moeten worden afgewezen. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) moeten ook rechterlijke instanties bij maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind voorop stellen. Dat betekent echter niet dat een huurovereenkomst van huurders met inwonende kinderen niet ontbonden zou mogen worden. Het lag op de weg van [X.] als ouder om ervoor zorg te dragen dat zij de woning ook ten behoeve van een stabiele woon- en schoolsituatie voor haar dochter, niet op het spel zou zetten. Dat de ontruiming ook (negatieve) gevolgen zal hebben voor haar dochter acht het hof aannemelijk, maar dat zich voor de dochter een noodsituatie voordoet, ook wanneer zij, zoals aangevoerd, niet bij haar vader terecht kan, is niet gebleken. Bovendien zal de dochter inmiddels meerderjarig zijn, aangezien zij tijdens het wijzen van het bestreden vonnis ongeveer 16,5 jaar oud was. Daarnaast geldt dat inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds de door de kantonrechter bepaalde ontruimingsdatum, zodat [X.] tijd heeft gehad om passende maatregelen te treffen om in het onderdak van haar dochter te kunnen voorzien. De kantonrechter heeft nog overwogen dat, wanneer op het strikte beleid bij minderjarige kinderen een uitzondering gemaakt zou worden, juist huishoudens met (kleine) kinderen kwetsbaar worden voor criminele organisaties die in woningen hennepkwekerijen willen opzetten. Het hof sluit zich bij deze overweging aan en maakt die tot de zijne. Het belang van [X.] en haar dochter, waarbij [X.] er nog op heeft gewezen dat zij de woning al sinds 2012 huurt en zich altijd als een goed huurder heeft gedragen op deze eenmalige fout na, weegt niet op tegen de ernst van de tekortkoming. Kennemer Wonen heeft op haar beurt groot belang bij handhaving van haar strikte beleid om altijd op te treden in het geval van een hennepkwekerij, wegens de daarmee gepaard gaande risico’s voor omwonenden.
4.11.
De conclusie luidt dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst met de ontruiming van de woning toewijsbaar zijn. De grieven 3 en 5 tot en met 8, die voor het overige geen bespreking behoeven, slagen niet."
Niet-voortzetting van huurovereenkomst met woonwagenbewoner
"3.20.
Het hof stelt het volgende voorop. Of [appellant] een rechtstreeks beroep kan doen op artikel 3 IVRK kan in het midden blijven omdat een (mogelijk) beroep op artikel 3 IVRK niet tot gevolg heeft dat [appellant] gelijk krijgt en het vonnis zou moeten worden vernietigd. Zoals hierna nader zal worden overwogen heeft [appellant] eigenrichting gepleegd door met zijn gezin in de woonwagen te gaan wonen nadat de gemeente hem had bericht de huurovereenkomst niet met hem te willen voortzetten. Omdat niet gesteld noch gebleken is dat de kinderen van [appellant] op straat komen te staan in het geval [appellant] de woonwagen zou moeten ontruimen en [appellant] de keuze heeft gemaakt uit de woning waar hij eerder met zijn kinderen woonde te vertrekken en met zijn gezin in de woonwagen te gaan wonen nadat de gemeente hem had bericht met hem de huurovereenkomst niet te willen voortzetten, faalt een (mogelijk) beroep op art. 3 IVRK. De door de Gemeente gevorderde ontruiming van de standplaats vormt - ook bij illegale bewoning - een inmenging op het door artikel 8 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van [appellant] op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en de woning, zie onder meer [naam 4] / Frankrijk, EHRM 17 oktober 2013, nr. 27013/07, EHRC 2014/31 (vergelijk ook HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:25). Daarin is samengevat onder meer overwogen:
- dat de inbreuk nodig moet zijn en proportioneel;
- dat de beoordelingsruimte van een overheidsorgaan kleiner is wanneer het gaat om een inbreuk op rechten als bedoeld in artikel 8 EVRM, “which are rights of central importance to the individual’s identity, self-determination, physical and moral integrity, maintenance of relationships with others and a settled and secure place in the community” (onderdeel 148 onder β in de zaak [naam 4] / Frankrijk);
- dat getoetst dient te worden of het besluitvormingsproces dat tot de inbreuk heeft geleid eerlijk is en de belangen die artikel 8 beschermt in de afweging zijn gerespecteerd;
- dat relevante aangevoerde argumenten dat de inbreuk niet evenredig is, in detail moeten worden getoetst en dat de rechter de beslissing daaromtrent afdoende dient te motiveren.
Daarbij dient in het bijzonder te worden meegewogen (onderdeel 148 onder ε in de zaak [naam 4] /Frankrijk):
“If the home was lawfully established, this factor would weigh against the legitimacy of requiring the individual to move. Conversely, if the establishment of the home was unlawful, the position of the individual concerned would be less strong. If no alternative accommodation is available the interference is more serious than where such accommodation is available. The evaluation of the suitability of alternative accommodation will involve a consideration of, on the one hand, the particular needs of the person concerned and, on the other, the rights of the local community to environmental protection.”
- de kwetsbare positie van reizigers als een minderheid maakt dat hun behoeften en andere levensstijl speciaal in beschouwing moeten worden genomen bij zowel regelgeving en beleid, als bij beslissingen in individuele gevallen.
3.21.
Naar het oordeel van het hof valt de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de Gemeente uit. Het hof stelt voorop dat sprake is van (verboden) eigenrichting. [appellant] heeft zich met zijn gezin in de woonwagen gevestigd, terwijl de Gemeente hem had bericht de huurovereenkomst niet met hem niet te willen voortzetten. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente de eigenrichting heeft gedoogd, terwijl het (voortdurende) verblijf van [appellant] met zijn gezin samenhangt met de onderhavige procedure. De inbreuk op het familie- en gezinsleven van [appellant] is niet onevenredig. [appellant] heeft, zoals hiervoor is geoordeeld, geen recht op voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. [appellant] mag daar dus in beginsel niet wonen. De Gemeente respecteert de woonwagencultuur. Sprake is van een schaarste van woonwagenlocaties en standplaatsen in de gemeente [plaats] . De Gemeente heeft regels opgesteld om de schaarse standplaatsen zo eerlijk mogelijk te verdelen met in achtneming van de woonwagencultuur. De Gemeente past haar (in samenspraak met de woonwagenbewoners vastgestelde) regels van verdeling van deze schaarse woonwagenlocaties toe. Op dit moment valt [appellant] in de categorie spijtoptanten (die op dit moment na de categorieën doorstromers en uitvliegende kinderen van dezelfde en andere locaties komen), die weinig kans maken op een standplaats. De Gemeente mag niet vooruitlopen op eventuele nieuwe regels omtrent toewijzing van standplaatsen waarvan de inhoud en ingangsdatum onbekend zijn ook al zijn andere bewoners akkoord met het huren van de standplaats door [appellant]."
Niet ter discussie staat dat water een primaire levensbehoefte is en dat met name kinderen een zwaarwegend belang bij water hebben. Hierboven is al overwogen dat het uit (o.a.) het IVESCR af te leiden (sociale/economische) grondrecht op water geen directe werking heeft. Daarnaast geldt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijk en absoluut recht op water in die zin dat altijd onbeperkt toegang tot water moet worden geboden en dat voorwaarden of beperkingen in geen geval zijn toegestaan. Dat neemt echter niet weg dat er wel bepaalde ‘minimum kernverplichtingen’ (‘minimum core obligations’15) te onderscheiden zijn die onderdeel vormen van de wezenlijke kern van het grondrecht op water en die mogelijkerwijs wel afdwingbaar zijn. NJCM c.s. verwijst naar de WHO-normen en stelt dat hieruit volgt dat op korte termijn in crisissituaties kan worden volstaan met 20-50 liter per persoon per dag, maar dat op de langere termijn minstens 70 liter per persoon per dag nodig is (zie hierboven onder 3.12: bij een hoeveelheid van ca. 50 liter per persoon per dag is het “level of health concern” nog medium; pas bij een hoeveelheid van minstens 100 liter per persoon per dag wordt gesproken van “optimal acces” en een “low level of health concern”). Verweerders hebben er terecht op gewezen dat de WHO-normen niet bindend zijn, maar dat neemt niet weg dat deze normen gezaghebbend zijn en kunnen helpen bij het bepalen van de minimaal te bieden grondrechtenbescherming. Inhoudelijk is ook niet gemotiveerd betwist dat de normen goed bruikbaar zijn als richtsnoer bij de bepaling van de hoeveelheid water waartoe kinderen ten minste toegang moeten hebben om ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. Daarbij moet worden bedacht dat kinderen extra kwetsbaar zijn: zij zijn nog in de groei en in ontwikkeling en hebben daardoor bijzondere behoefte aan voldoende water. Bovendien zijn zij vaak geheel afhankelijk van volwassenen voor de vervulling van hun primaire levensbehoeften. NJCM c.s. heeft uitgebreid toegelicht dat water niet alleen van belang is om te drinken, maar ook voor voldoende hygiëne en daarmee samenhangend voor een goede gezondheid, een goede mentale ontwikkeling en een normaal gezins- en sociaal leven. Kinderen die niet voldoende drinken drogen uit en kunnen ernstige gezondheidsklachten krijgen. Bovendien kunnen zij zich dan niet goed concentreren op school. Ook een gebrekkige hygiëne kan leiden tot gezondheidsproblemen. Het risico op schoolverzuim door ziekte of schaamte neemt hierdoor toe, terwijl ook het risico op sociale isolatie wordt vergroot: kinderen zonder toegang tot drinkwater willen of mogen niet meer buiten spelen (eenmaal vies kunnen zij zichzelf en hun kleding immers niet wassen) of durven niet meer met vriendjes af te spreken. Het VN-Kinderrechtencomité benadrukt in zijn General Comment over artikel 24 IVRK in dit verband dat “safe and clean drinking water and sanitation are essential for the full enjoyment of life and all other human rights”16. Een en ander heeft ook gevolgen op de lange termijn. Het grote en verstrekkende belang van minderjarige kinderen bij toegang tot voldoende drinkwater is niet betwist en is algemeen bekend. Het mag in elk geval bekend worden verondersteld bij de Staat en DWB.
6.17
De Afsluitregeling en de gebaseerde beleidsregels en praktijk laten niettemin bewust de mogelijkheid open dat gezinnen met kinderen wegens wanbetaling worden afgesloten van water en dat de kinderen daardoor in een situatie komen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen, en dat mogelijk zelfs voor onbepaalde tijd. Een hoeveelheid van 12 liter (namelijk 4 x 3 liter per persoon per dag voor vier dagen) ligt ver onder de WHO-normen, nog daargelaten dat (i) een afsluiting in ieder geval in theorie (veel) langer kan duren dan vier dagen en (ii) ter zitting is gebleken dat vaak alleen maar wordt geschat uit hoeveel personen een gezin bestaat. Weliswaar bestaan er gratis openbare tappunten, maar dit zijn er dermate weinig en zij liggen zo verspreid dat deze in algemene zin alleen daarom al geen serieus alternatief kunnen vormen.
6.18
Hierboven is al overwogen dat de Staat en de DWB op grond van artikel 3 lid 1IVRK verplicht zijn om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen. Deze bepaling heeft geen directe werking waar het gaat om het precieze gewicht van dat belang. Naar het oordeel van het hof vloeit echter reeds uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW voort dat de Staat en de DWB in elk geval al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om te voorkomen dat (wat betreft de Staat) minderjarige kinderen in Nederland, respectievelijk (wat betreft de DWB) de minderjarige kinderen van hun afnemers in hun distributiegebied, in de hierboven beschreven situatie belanden (geen toegang tot voldoende water conform de WHO-normen). Door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen en door bewust de mogelijkheid open te laten dat kinderen wèl in die situatie terecht komen, handelen de Staat en de DWB in strijd met die maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm17 en met artikel 3 lid 1 IVRK."
"4. Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 3 van het IVRK, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellant]. Het college heeft in aanmerking genomen dat de kinderen bij hun moeder wonen, dat de kinderen [appellant] bij hem thuis konden bezoeken en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontwikkeling van zijn zoon gevaar loopt. De Afdeling begrijpt dat [appellant] een woning wil om op de door hem gewenste wijze vorm te geven aan zijn gezinsleven. De omstandigheden zijn echter niet anders dan die van vele andere woningzoekenden in Amsterdam.
"Schending IVRK en Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
8. [appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat in de besluitvorming onvoldoende rekenschap is gegeven van de belangen van zijn kinderen. Hij verwijst in dit kader naar artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.
8.1. De SUWR heeft in de aanvullende motivering van 22 december 2022 en op de zitting toegelicht dat het tweede lid van artikel 5.3 van de verordening is bedoeld om te voorkomen dat minderjarige kinderen na een scheiding dakloos worden wanneer ouders de woonlasten niet kunnen opbrengen. Zij heeft daarom in haar besluitvorming kunnen betrekken dat de kinderen onderdak hebben bij hun moeder, niet dakloos zijn en andere manieren bestaan om contact te hebben met hun vader. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om familieleven met zijn kinderen uit te oefenen. Dat de ontwikkeling van zijn kinderen door zijn woonomstandigheden in gevaar is heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.
Geen algeheel verbod op afsluiting van water, maar...
"6.27
De conclusie luidt dat de Staat en de DWB onrechtmatig (want in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm in combinatie met artikel 3 lid 1 IVRK) handelen door met het huidige systeem en het huidige beleid de mogelijkheid open te laten dat kinderen in een situatie terechtkomen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen. De artikelen 3 IVRK en artikel 6:162 BW dwingen niet tot een algeheel verbod op afsluiting, maar de Staat en de DWB moeten wel al het redelijkerwijs mogelijke doen om te voorkomen dat kinderen in die situatie geraken. Uit artikel 2 IVRK, de artikelen 3, 8 en 14 EVRM en uit artikel 16 herschikte Drinkwaterrichtlijn en artikel 24 lid 2 van het Handvest volgen geen andere/verdergaande verplichtingen dan hierboven omschreven."
Passende woonplaats voor minderjarigen bij de ouder die het gezag uitoefent
"4.4.
Uitgangspunt in die, ook bij artikel 3 IVRK passende, belangenafweging is dat minderjarige kinderen in ieder geval voorlopig in de woning blijven, samen met de ouder die het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. Niet in geschil is dat [eiseres] die ouder is. Op grond van artikel 1:12 lid 1 BW volgen minderjarigen de woonplaats van degene die het gezag over hen uitoefent. Dat betekent dat uitgangspunt is dat de kinderen, waarover [eiseres] het eenhoofdig gezag uitoefent, bij haar verblijven. Daar komt bij dat [gedaagde] op dit moment geen contact heeft met [kind 2] en het contact met [kind 3] in een voorzichtig opbouwende fase zit en vooralsnog louter uit appcontact bestaat. [eiseres] heeft voorts onbetwist gesteld dat [kind 2] allergisch is voor huisdieren, dat de familie waar zij tijdelijk verblijven, huisdieren heeft en [kind 2] daar last van heeft. Bovendien hebben de kinderen in de woning allemaal een eigen kamer en moeten zij op het tijdelijke adres een zolder met zijn drieën delen. [gedaagde] daarentegen weerspreekt onvoldoende dat hij al dan niet tijdelijk bij familie kan verblijven. De stelling dat al zijn familieleden een uitkering ontvangen en hij daardoor niet bij hen kan wonen, heeft hij niet onderbouwd. Daarnaast heeft [gedaagde] een goed inkomen waardoor aannemelijk is dat hij sneller een woning vindt dan [eiseres] die een veel lager inkomen heeft. Ook bezit [gedaagde], anders dan [eiseres], een auto, waardoor hij eventueel verder weg kan wonen. Alles wat hiervoor is benoemd, brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van [eiseres] bij het uitsluitend gebruik van de woning groter is dan dat van [gedaagde].
4.5.
Dit betekent dat [gedaagde] de woning moet verlaten. De voorzieningenrechter acht de door [eiseres] gevorderde termijn waarbinnen de man de woning moet verlaten van drie dagen na betekening van dit vonnis te kort. Die termijn wordt in redelijkheid gesteld op veertien dagen na betekening. Omdat [gedaagde] heeft aangegeven dat als hij de woning moet verlaten, hij alles – inclusief vloer – meeneemt, wordt [gedaagde] veroordeeld de woning te verlaten (en niet te ontruimen) met medeneming van, uitsluitend, zijn roerende goederen. Dat betekent dat [gedaagde] goederen die aard- en nagelvast zijn gemaakt met de woning, zoals bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, een vloer en/of behang moet achterlaten."
Eiseres zegt gedurende meerdere nachten per week te verblijven bij haar dochter in een gelijkvloerse woning met een woonkamer en één slaapkamer en dat zij steeds meerdere nachten elders moeten slapen. Dat doet zij al sinds lange tijd. De twee oudste kinderen zijn bij beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2023 wel aan eiseres toegewezen maar vanwege het gebrek aan woonruimte verblijven zij nog altijd bij hun vader in [plaats 1] . Uit de stukken en de toelichting van de begeleider van [naam] op zitting blijkt dat er grote zorg is over de jongste twee kinderen, met name over het jongste kind. Eiseres verklaart dat ze ook steeds ziek zijn. Het college heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels wordt ingezien dat de weg naar [plaats 1] afgesloten is en dat als het college alle informatie van vandaag eerder zou hebben gehad de situatie wellicht anders zou hebben gelegen, maar dat de vertegenwoordigers van het college geen mandaat hebben om een andersluidende beslissing te nemen.
8.2.
Gezien de omstandigheden zoals hierboven beschreven is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet aannemelijk is dat het college bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar niet alsnog een urgentieverklaring zal verstrekken. De situatie is weliswaar niet levensbedreigend, maar wel daarmee vergelijkbaar. Uit alle stukken blijkt dat ontwikkeling van de twee jongste kinderen (en dan met name het jongste kind) zeer zorgelijk is en door deze situatie, het ontbreken van een vaste woning, staat die nog verder onder druk. Dat is zeer onwenselijk en rechtvaardigt de toepassing van de hardheidsclausule. Een hernieuwde behandeling van het bezwaarschrift, waarbij het college nader (medisch) advies opvraagt, hetgeen veel tijd in beslag neemt, is daarom niet nodig.
8.3. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om niet alleen het bestreden besluit te vernietigen, maar tevens om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het primaire besluit van 21 november 2023 te herroepen en te bepalen dat eiseres moet worden behandeld alsof zij in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 november 2023.
9. Nu op het beroep is beslist is er geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen."
Rb. Gelderland 14 mei 2024, ARN 24/2446 (voorlopige voorziening) en 24/2412 (beroep), ECLI:NL:RBGEL:2024:2959
Detentie minderjarigen: Havanna regels
"6.21
Regel 17 van de Havanaregels bepaalt het volgende met betrekking tot de vrijheidsontneming ten aanzien van kinderen voorafgaand aan berechting:
“Detention before trial shall be avoided to the extent possible and limited to exceptional circumstances. Therefore, all efforts shall be made to apply alternative measures. When preventive detention is nevertheless used, juvenile courts and investigative bodies shall give the highest priority to the most expeditious processing of such cases to ensure the shortest possible duration of detention.”
6.22
Uit artikel 37 aanhef en onder b, tweede volzin IVRK, gelezen in het licht van artikel 3 lid 1 IVRK en van deze regel 17 van de Havanaregels, en uit artikel 5 lid 1 aanhef en onder c EVRM, gelezen in het licht van de vaste rechtspraak van het EHRM over de bij vrijheidsontneming toe te passen noodzakelijkheidstoets, volgt dat:
- de vrijheidsontneming van een minderjarige slechts mag worden gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
- de betrokken autoriteit bij haar besluit tot vrijheidsontneming de belangen van de minderjarige als eerste overweging moet afwegen tegen dat van de vervolging, en slechts in uitzonderlijke omstandigheden de belangen van de vervolging zwaarder mag laten wegen; en
- als desondanks wordt besloten tot vrijheidsontneming, de betrokken autoriteiten de hoogste prioriteit moeten geven aan de snelste afhandeling van de betrokken zaak om ervoor te zorgen dat de vrijheidsontneming zo kort mogelijk duurt."
[appellante] klaagt dat zij op 17 januari 2012 niet is gelucht en op 18 januari 2012 slechts één keer.
6.54
De politie heeft hiermee naar het oordeel van het hof onrechtmatig gehandeld. Op grond van artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv, artikel 15 lid 2 Bbrp (oud) en artikel 4.2.3 Huishoudelijk Reglement had [appellante] tijdens haar insluiting twee keer per dag tenminste een halfuur gelucht moeten worden, met in artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv de beperking “voorzooveel daartoe gelegenheid bestaat”. Deze bepalingen moeten worden uitgelegd in het licht van de artikelen 3 lid 1 en 37 aanhef en onder c, eerste volzin IVRK en, in het geval van artikel 4.2.3 Huishoudelijk Reglement, in het licht van artikel 5.1.3 van datzelfde Huishoudelijk Reglement, die voorschrijven dat daarbij rekening moest worden gehouden met de behoeften van een persoon van haar leeftijd.
6.55
De Staat beroept zich naar het oordeel van het hof tevergeefs op de beperking van artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv dat een inverzekeringgestelde slechts kan worden gelucht voor zover daartoe gelegenheid bestaat.
6.55.1
Omdat [appellante] een minderjarige van veertien jaar was, had hoe dan ook sprake moeten zijn van dwingende, niet te behelpen omstandigheden die maakten dat er geen gelegenheid was tot luchten. De Staat heeft daar niets over aangevoerd.
6.55.2
Wat 17 januari 2012 betreft heeft de Staat toegelicht dat [appellante] om 15:30 in verzekering is gesteld en daarna niet meer is gelucht. De vrijheidsontneming van [appellante] is echter niet begonnen om 15:30, maar met haar aanhouding om 09:32. Vanaf dat tijdstip was [appellante] een ingeslotene in de zin van het Bbrp en het Huishoudelijk Reglement en had zij er recht op, twee keer per dag minstens een halfuur te worden gelucht. Als de Staat met zijn beroep op het ontbreken van gelegenheid doelt op het verhoor dat die dag tussen 10:50 en 12:33 uur heeft plaatsgevonden, heeft hij niet uitgelegd waarom [appellante] niet een keer een halfuur daarvoor en een keer een halfuur daarna kon worden gelucht, in aanmerking nemend dat zij tussen 16:36 en 17:29 uur is bezocht door haar advocaat en een medewerker van de RvdK en tussen 19:12 en 19:39 uur door haar moeder.
6.56
Wat 18 januari 2012 betreft heeft de Staat aangevoerd dat [appellante] eenmaal is gelucht omdat zij daarna werd gehoord. Op die dag is [appellante] in de ochtend slechts tussen 08:40 en 08:50 uur gelucht, hetgeen minder is dan het voorgeschreven halfuur. Daarna is zij tussen 14:30 en 16:32 uur verhoord. De Staat heeft niet uitgelegd waarom zij niet daarvoor een tweede keer had kunnen worden gelucht, of daarna, voordat zij om 20:23 is bezocht door een arts. Dit klemt te meer omdat [appellante] die dag om 11:14 uur naar een observatiecel is verplaatst.
6.57
[appellante] heeft ook geklaagd dat zij in een rookhokje is gelucht en dat de betrokken bewaarder haar bij die gelegenheid sigaretten heeft aangeboden. Dat kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De Staat heeft toegelicht dat het luchten op het betrokken politiebureau plaatsvindt in een binnenplaats met een netoverkapping die zowel voor rokers als voor niet-rokers is bestemd. Dat is in overeenstemming met de eisen die artikel 3 Regeling politiecellencomplex aan een luchtruimte stelt. Naar het oordeel van het hof is het niet onrechtmatig om een en dezelfde luchtruimte voor zowel rokers als niet-rokers te bestemmen. Ook het aanbieden van sigaretten aan een minderjarige is als zodanig niet onrechtmatig, gelet op het feit dat er minderjarigen zijn die roken en daarom tijdens hun insluiting juist behoefte kunnen hebben aan sigaretten."
De relatie van artikel 3 IVRK/artikel 24 Handvest Grondrechten EU met de Dublinverordening
"5. Over de belangen van de minderjarige (pleeg)kinderen overweegt de rechtbank als volgt. Punt 13 van de considerans van de Dublinverordening vermeldt dat overeenkomstig het IVRK4 en het Handvest5 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop moet staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel. Gelet op deze nadere uitwerking is het aan de rechter om te toetsen of verweerder de in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening genoemde factoren, voor zover hierover iets is aangevoerd, in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient door de rechter te worden getoetst of verweerder zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
6. Nu de waarborgen uit het IVRK hun weerslag hebben gevonden in de Dublinverordening, kan een op goede gronden gebaseerde Dublinoverdracht op zichzelf niet zodanig ingrijpend worden geacht dat de belangen van het kind daardoor zonder meer worden geschaad.
7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de belangen van eisers 2 en 3 voldoende kenbaar betrokken bij de besluitvorming. Zo heeft verweerder kenbaar betrokken dat eiser 2 bekend is met autisme en PTSS en dat verweerder op grond van artikel 31 en 32 van de Dublinverordening de Zweedse autoriteiten bij de overdracht zal informeren over de medische behoeften, verzorging of behandeling van eiser 2, indien daarvoor toestemming wordt gegeven. Verder heeft verweerder de algemene belangen van de minderjarige kinderen ook betrokken bij de besluitvorming. Eisers hebben niet nader geconcretiseerd welke andere belangen van eisers 2 en 3 niet zijn betrokken bij de besluitvorming, zodat zij niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. De stelling van eisers dat eiser 3 gehoord had moeten worden, volgt de rechtbank niet. Zoals uit paragraaf C1/2.1. van de Vc6 volgt, wordt slechts bij minderjarigen vanaf vijftien jaar, die een zelfstandige aanvraag hebben ingediend, een aanmeldgehoor afgenomen. Dat is bij eisers niet aan de orde.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat verweerder in het geval van eisers geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven aannemen.
9. De asielaanvragen zijn terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond."
"6. In overweging 13 van de considerans van de Dublinverordening staat dat overeenkomstig het IVRK en het Handvest4 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel.
7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de belangen van de kinderen voldoende betrokken bij de besluitvorming. Op basis van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening is het in beginsel in het belang van de kinderen om bij de behandeling van hun situatie in het kader van de verantwoordelijkheidsbepaling tot uitgangspunt te nemen dat deze onlosmakelijk verbonden is met die van de ouders. Het staat vast dat als gevolg van de bestreden besluiten de kinderen niet worden gescheiden van hun ouders. Verder wordt overwogen dat uit de brief van de kinderneuroloog van 19 januari 2024 niet blijkt dat de kinderen momenteel onder behandeling staan. Daarnaast mag verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat eventuele medische behandeling voor de kinderen van eisers ook in Duitsland aanwezig is. Ook wordt in aanmerking genomen dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, met toestemming van eisers, de gezondheidsgegevens door verweerder aan Duitsland worden verstrekt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen onevenredig hard getroffen worden door de overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (onverplicht) aan zich te trekken.
"18. Zoals hierboven reeds aangegeven bepaalt artikel 3 van het IVRK dat bij alle maatregelen over kinderen, de belangen van de kinderen de primaire overweging vormen. Dit betekent dat verweerder met alle belangen van het specifieke kind rekening dient te houden en deze vervolgens dient af te wegen. Zoals meermaals in de jurisprudentie is uitgemaakt, betekent dit niet dat het belang van het kind een troefkaart is18. Wel betekent het dat aan de specifieke belangen van het kind een zwaar gewicht toekomt. Artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening en artikel 24 van het Handvest zijn op het IVRK geïnspireerd en behelzen, mede gelet ook op de gelijkenis in bewoordingen, een soortgelijke opdracht in de besluitvormingsfase.
19.1.
Naar het oordeel van de rechtbank verhouden de navolgende in de onderhavige zaak gegeven over- en/of afwegingen zich slecht tot deze opdracht:
- er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden die zo nadelig voor uw kinderen zijn dat er een andere (belangen)afweging moet worden gemaakt (p. 9 bestreden besluit);
- hun situatie verschilt niet van andere kinderen die met hun ouders samen worden overgedragen aan een andere lidstaat (p. 5 verweerschrift);
- voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen is het niet noodzakelijk dat eiseres en haar kinderen in Nederland moeten blijven (p. 9 bestreden besluit en p. 5 verweerschrift).
19.2.
Verweerder legt hiermee een toets aan die enkel naar de vraag lijkt te kijken of er zeer zwaarwegende – ter zitting heeft verweerder de noodzakelijkheidseis laten vallen - redenen zijn om de kinderen en eiseres niet over te dragen. Zoals verweerder kennelijk gewoon is om te doen nu eiseres en haar kinderen ‘niet verschillen van andere kinderen die met hun ouders worden overgedragen naar een ander Dublinland’. Naar het oordeel van de rechtbank verwordt de opdracht uit artikel 3 van het IVRK, artikel 24 van het Handvest en artikel 6 van de Dublinverordening op deze wijze van een op papier krachtige waarborg tot in de praktijk een lege huls. Verweerder dient bij het nieuw te nemen besluit zich hier rekenschap van te geven."
Een leeftijdsonderzoek door een andere Schengen Lidstaat
"Leeftijdsonderzoek in Zwitserland
12. Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris niet uit kan gaan van het in Zwitserland uitgevoerde leeftijdsonderzoek. Uit het meest recente AIDA-rapport (p. 63-64) volgt dat leeftijdsonderzoek in Zwitserland wordt gedaan op basis van forensisch onderzoek. Het baseren van de leeftijd op uitsluitend medische methodes gebaseerd op de analyse van botten en tanden, schendt volgens het Kinderrechtencomité het recht op identiteit (artikel 8 van het IVRK) en het belang van het kind (artikel 3 van het IVRK), eiser verwijst hierbij naar 5 uitspraken van Comité.4 Het is daarom aan de staatssecretaris om eerst na te gaan of het onderzoek in Zwitserland wel voldaan heeft aan de internationale standaarden en na te gaan of onderzoeksrapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. In Zwitserland een leeftijdsonderzoek uitgevoerd waaruit een minimale leeftijd van 17.6 jaar werd geconcludeerd. De Zwitserse autoriteiten hebben niet toegelicht wanneer het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en wat het onderzoek precies inhoudt. Ook is niet duidelijk welke foutmarge gehanteerd wordt. Ook is niet uitgesloten dat eiser zich (ook volgens het Zwitserse onderzoeksresultaat) in Nederland meldde op een minderjarige leeftijd. De staatssecretaris heeft niet aan zijn vergewisplicht voldaan, omdat hij alleen informatie heeft gevraagd bij de Zwitserse Dublin unit. Er is niet doorgevraagd over de wijze van vaststelling van de leeftijd en het onderzoeksrapport is niet bijgevoegd.
12. De rechtbank overweegt als volgt. In het ‘rapport schouw aanmeldgehoor AMV’ heeft eiser het volgende verklaard:
“Wat is de uitkomst van jouw asielaanvraag in Zwitserland?
Er was een probleem met mijn geboortedatum. Ze hebben mij een geboortedatum toegekend.
Waarom hebben ze dat gedaan?
Vanwege mijn leeftijd moest ik het land verlaten. Ze geloofden mijn leeftijd niet en hebben mij een andere leeftijd toegekend.”
In deze verklaringen heeft de staatssecretaris aanleiding kunnen zien om een onderzoek bij de Zwitserse autoriteiten in te stellen. Volgens de Zwitserse autoriteiten heeft er een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden, met als resultaat dat eiser minimaal 17,6 jaar oud is. Bij de bepaling van eisers leeftijd was ook een geboorteakte van eiser betrokken. Deze geboorteakte gaf als geboortedatum 1 juni 2007. Op basis van het onderzoek naar eisers leeftijd hebben de Zwitserse autoriteiten de geboortedatum aangepast naar 1 januari 2005.
14. De staatssecretaris heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door navraag te doen bij de Zwitserse autoriteiten. De staatssecretaris hoeft niet te controleren of de conclusie van de Zwitserse autoriteiten van de geboortedatum van 1 januari 2005 juist tot stand is gekomen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris uitgaan van de juistheid van de informatie van de Zwitserse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet."
Buiten schuld beleid en weigering verblijfsvergunning
"11. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat de weigering van een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid thans reeds strijd oplevert met artikel 3 van het IVRK, nu het beleid beoogt alleenstaande minderjarige vreemdelingen binnen afzienbare tijd uitsluitsel te geven over hun verblijfstatus en dat die termijn maximaal drie jaar is. Tevens heeft verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd dat waar eerder zekerheid kan worden geboden die duidelijkheid gegeven zal worden."
"7.1. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in dit geval ten onrechte de door de vreemdeling aangevoerde en door haar als bijzonder aangemerkte omstandigheden in het geheel niet betrokken en dus voor de afwijzing van de aanvraag geen individuele beoordeling gemaakt. Dit betekent niet dat de staatssecretaris geen zwaar gewicht mag toekennen aan het feit dat het hier om een polygame situatie gaat die in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris wel moet beoordelen of de vreemdeling dermate bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen naar voren heeft gebracht dat voor de staatssecretaris desondanks aanleiding bestaat de aanvraag in te willigen. Daarbij moet de staatssecretaris in dit geval ook het beroep van de vreemdeling op de artikelen 3, 6, 9, 10 en 20 van het IVRK betrekken, voor zover deze bepalingen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving toepasbaar zijn en niet al besloten liggen in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de richtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. De rechtbank heeft dit niet onderkend."
"5.8 Het beroep van de man op de artikelen 3 en 18 IVRK stuit af op het voor overwogene. Uitgangspunt is dat ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Dat uitgangspunt moet echter wijken indien, zoals in het onderhavige geval, het belang van het kind anders vergt. Dat laatste belang dient immers op grond van artikel 3 IVRK steeds een eerste overweging te zijn. Het beroep van de man op artikel 8 EVRM slaagt evenmin. Het hof is van oordeel dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Een rechterlijke beslissing inzake kinderen zonder voorafgaande mondelinge behandeling
"4.5
Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, waaronder ook beslissingen van rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De belangen van het kind kunnen vereisen dat de rechter een beslissing neemt zonder een voorafgaande mondelinge behandeling, ook als voor het betreffende verzoek geen concrete wettelijke grondslag, zoals artikel 800 lid 3 Rv, bestaat. Het hof is van oordeel dat een spoedbeslissing van de rechtbank in deze zaak noodzakelijk was om de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veilig te stellen.
Anders dan de moeder heeft gesteld, is het hof van oordeel dat – in het licht van de belangenafweging uit artikel 3 IVRK – de rechtbank niet buiten het toepassingsgebied van artikel 1:336a BW is getreden. Ook is geen sprake van verzuim van essentiële vormen. De rechtbank heeft de moeder namelijk na de bestreden beschikking in de gelegenheid gesteld om zich tegen het verzoek te verweren. De moeder heeft hiervan gebruikgemaakt, zodat het recht op hoor en wederhoor daarmee is gewaarborgd. Het hof is van oordeel dat het appèlverbod niet kan worden doorbroken. Daardoor komt het hof niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek."
IVRK kan geen recht op kinderbijslag verlenen, los van de voorwaarden van de AKW
"4.9 Allereerst verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740)."
Appellante heeft verder betoogd dat zij recht heeft op kinderbijslag op grond van het IVRK. In het kader van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:662). Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat dit verdrag echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021)."
CRvB 13 oktober 2022, 22 / 369 AKW, ECLI:NL:CRVB:2022:2211
De samenlevingstermijn van artikel 1:227 BW
"5.14.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat zij het gelet op haar ernstige gezondheidsproblemen voor [kind 1] van groot belang vindt dat [kind 1] deel kan uitmaken van een gezin met een (adoptief)vader, te meer daar de (biologische) vader heel duidelijk is in zijn standpunt dat van hem niets te verwachten valt, ook niet als de moeder onverhoopt iets zou overkomen en evenmin als zijn persoonlijke situatie zou wijzigen. Ook gelet op deze bijzondere omstandigheden waarbij verzoeker en de moeder hun relatie op de hierboven beschreven wijze hebben vormgegeven en gedurende lange periodes in gezinsverband bij elkaar hebben gewoond, is het hof van oordeel dat aan de omstandigheid dat verzoeker en de moeder voorafgaand aan de indiening van het adoptieverzoek in strikte zin niet drie jaar op hetzelfde adres hebben gewoond, voorbij moet worden gegaan. Aan het doel van het samenlevingsvereiste van artikel 1:227 lid 2 BW is, zoals hiervoor is geoordeeld, voldaan, en gelet op het feit dat ook op grond van het IVRK de belangen van het kind voorop dienen te staan bij iedere op kinderen betrekking hebbende wetstoepassing, brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat moet worden geoordeeld dat verzoeker heeft voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW, althans dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met de moeder in strikte zin op hetzelfde adres heeft samengeleefd. De grief van verzoeker op dit punt slaagt zodoende."
Uit artikel 3 IVRK vloeit geen recht op opvang voor
"1.2.
Het college heeft bij besluit van 30 oktober 2019, gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2020 (bestreden besluit), geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening opvang te verstrekken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving. Daardoor wordt zij in staat geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Verder volgt uit de artikelen 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) geen verplichting voor het college om opvang aan appellante te verstrekken.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving en in staat moet worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Uit het dossier blijkt dat appellante na haar terugkomst in Nederland zelf onderdak heeft geregeld, een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, zich heeft ingeschreven voor een huurwoning en een urgentieverklaring heeft aangevraagd. Appellante heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zij medische of psychische problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving waardoor zij niet in staat is om zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Uit de enkele omstandigheid dat appellante geen eigen woonruimte heeft gevonden, volgt evenmin dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving, maar lijkt eerder te wijzen op schaarste op de woningmarkt in de regio waar appellante wil wonen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. Verder is geen sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.
3. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden, onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar.
4.4.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
Terugvordering van een bijstandsuitkering (Participatiewet)
"14.1. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2272). Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en
uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.
Dat eiseres (tijdelijk) geen inkomsten had is geen gevolg van de besluiten in de
onderhavige zaak, maar het gevolg van een later genomen besluit van 16 mei 2024, waarbij de bijstandsuitkering van eiseres was ingetrokken. Dat valt buiten de omvang van de onderhavige procedure. Daarbij is het zo dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering, zich in het algemeen pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader kan eiseres bescherming inroepen van de regels over de beslagvrije
voet.
14.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de enkele verwijzing naar haar benarde financiële situatie niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval zich dringende redenen voordoen in de hiervoor omschreven zin. In de onderhavige zaak gaat om terugvordering van reeds uitgekeerde bijstand, zodat eiseres in de periode in geding niet onder het bestaansminimum heeft geleefd. Inmiddels ontvangt eiseres overigens (opnieuw) een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.
15. Dat de terugvordering in strijd is met artikel 3 en 6 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en in verband daarmee niet evenredig is, zoals eiseres betoogt, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter alleen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de bevoegdheid tot herziening en terugvordering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van eiseres. Het enkele gegeven dat eiseres een minderjarige kind heeft is, gelet op artikel 3 en 6 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet mag terugvorderen. Eiseres heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van haar kind door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van eiseres op schending van artikel 3 en 6 van het IVRK slaagt daarom niet."
"7. Het besluit van verweerder is niet in strijd met internationale verdragen of de Grondwet. Uit het arrest Chapman volgt dat het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert.5 Dat dit arrest ziet op stacaravans doet daar niet aan af. Verweerder heeft gesteld dat in Den Haag sprake is van grote schaarste op de woningmarkt. Daarbij komt dat de situatie waarin eiseres en haar kinderen zich bevinden niet anders is dan van andere woningzoekenden die bij anderen inwonen. Onder deze omstandigheden mocht verweerder het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres om op de door haar gewenste wijze aan haar gezinsleven vorm te geven. Artikel 27 van het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing.6 Ook is de besluitvorming niet in strijd met artikel 3 IVRK. Verweerder stelt dat hij de belangen van de kinderen onder ogen heeft gezien, maar dat deze hem er niet toe hebben gebracht om af te zien van de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank vindt dit gelet op de schaarste op de woningmarkt niet onevenredig. Verweerder heeft in dit verband mogen meewegen dat de kinderen momenteel een dak boven hun hoofd hebben. Het beroep op de artikelen 17 en 31 van het ESH slaagt ook niet. De bepalingen van het ESH zijn niet een ieder verbindend zoals bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, zodat ook deze bepalingen zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing door de rechter.7Het besluit is ook niet in strijd met artikel 22 van de Grondwet. Hierin is bepaald dat bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg van de overheid is, maar de overheid is op grond van deze bepaling niet verplicht om voor alle burgers een woning te garanderen.8
8. Verweerder is steeds voldoende ingegaan op de belangen van eiseres en haar kinderen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is geen sprake."
10. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
11. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige dochter van [appellante]. Die belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag. Bij die afweging speelt mee dat de dochter bij de moeder kon verblijven in hun eigen woning betrekkelijk dichtbij de school waar de dochter onderwijs volgt. De betogen slagen niet."
"5.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening is gehouden met de belangen van de kinderen, ook al is daaraan slechts summier in het besluit aandacht besteed. Weliswaar heeft [appellante] een rapportage van medisch orthopedagogisch centrum Het Kabouterhuis overgelegd waarin staat dat hulp nodig is bij het zoeken naar andere huisvesting, maar daaruit blijkt niet dat andere huisvesting dringend noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [naam]. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. De belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen.
10. Volgens [appellant] had de voorzieningenrechter het besluit van het college moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb, waarbij ook artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK moeten worden betrokken. De voorzieningenrechter heeft zich in de uitspraak beperkt tot een toets aan de hardheidsclausule in de HVV.
10.1 De voorzieningenrechter heeft bij de toets aan de hardheidsclausule overwogen dat de omstandigheden van [appellant] in het licht van de regelgeving niet zo schrijnend of bijzonder zijn dat het college gehouden was alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Daarbij werd meegewogen dat [appellant] en zijn dochters niet dakloos waren en dat zij beschikken over een zelfstandige woonruimte. Ook wees de voorzieningenrechter erop dat er in Amsterdam gezinnen met minderjarige kinderen zijn die in minstens even schrijnende huisvestingssituaties verkeren als [appellant] en zijn dochters.
10.2 Een toets aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb houdt in dat wordt bezien of een besluit gevolgen heeft die in verhouding tot het daarmee te dienen doel onevenredig nadelig zijn voor een belanghebbende. Uit het bestreden besluit en de behandeling van de zaak ter zitting blijkt dat het college in zijn afweging de belangen van [appellant] en zijn minderjarige dochters, waaronder hun recht op privé leven en familie- en gezinsleven heeft betrokken, maar dat doorslaggevend is geacht dat zij op dit moment een dak boven hun hoofd hebben en beschikken over een zelfstandige woning. Deze afweging is in de context van de schaarste op de woningmarkt niet onevenredig, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld.
10.3 Gelet op het bovenstaande, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] mocht afwijzen.
Het bieden van (nood)opvang door de staat of gemeente
"3.11
[appellant] heeft op zichzelf wel gelijk dat in het geval dat de ouder(s) van een kind hun verantwoordelijkheid voor de bescherming en zorg voor dat kind niet (meer) blijkt of blijken te kunnen nemen, een verwijt aan het adres van de ouder(s) geen grond is om aan het kind de noodzakelijke bescherming en zorg te onthouden. De gevolgen van het handelen van de ouders mogen immers niet aan het kind worden toe- of aangerekend. Maar [appellant] ziet hierbij over het hoofd dat niet in geschil is dat zijn moeder haar verantwoordelijkheid als ouder wél kan nemen. Zijn moeder is zelfredzaam en ook zelf in staat om onderdak in Nederland te organiseren. Dat is haar overigens ook gelukt toen zij onvoorbereid met hem naar Nederland kwam en opvang voor de duur van ongeveer negen maanden heeft weten te regelen bij aanvankelijk een vrouw en daarna een man in een seniorenwoning. Het regelen van opvang kan ook nu van haar worden gevergd. Zij wordt daartoe ook in staat gesteld met een bijstandsuitkering, een kindgebonden budget, kinder- en zorgtoeslag, hulp en ondersteuning van [organisatie] en van het Ouder- en Kindteam [plaats 1] . [appellant] belangen worden dus gewaarborgd door zijn moeder. Onder deze omstandigheden prevaleert dan de primaire verantwoordelijkheid van zijn moeder voor hem, zoals ook in artikel 3 IVRK is vastgelegd en is zijn recht op verblijf bij zijn moeder niet in het geding.
3.12
De vraag is dan hoe ver de verplichtingen van de Staat en de Gemeente in dit geval gaan. [appellant] vindt dat de overheid hem (en zijn moeder) opvang of betaalbaar onderdak moet bieden zolang hij in een situatie van 'need' verkeert, zo houdt grief 3 in. Dat is volgens [appellant] , anders dan de voorzieningenrechter overweegt, tijdelijk en slechts zolang zijn noodsituatie voortduurt. [appellant] heeft zich in dat verband ook beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328).
3.13
Naar het voorlopig oordeel van het hof brengt laatstgenoemd arrest in een geval als dit, dat zich erdoor kenmerkt dat een kind en zijn moeder zonder ingrijpen van overheidswege op straat zouden komen te staan, mee dat op de overheid dan de verplichting rust om in enige vorm van (kort durende) noodopvang te voorzien. Dit om te voorkomen dat een acute noodsituatie ontstaat, en om de moeder enige tijd te geven alsnog in onderdak te voorzien. Dat heeft de gemeente in het geval van [appellant] en zijn moeder op 13 juli 2020 ook gedaan. Een verdere analogie in deze zaak met de zaak die in dat arrest aan de orde was, gaat echter niet op. Het ging daar om verplichtingen van de Staat tot opvang van kinderen van een uitgeprocedeerde asielzoeker die opvang hadden genoten gedurende de asielprocedure. [appellant] en zijn moeder hebben die status in het geheel niet. De moeder van [appellant] is een zelfredzame vrouw die net als [appellant] zelf het recht heeft om in Nederland te verblijven en geacht wordt zich op eigen kracht te kunnen handhaven.
3.14
Het hof is voorshands van oordeel dat de Gemeente ruimschoots aan haar verplichting invulling heeft gegeven door [appellant] en zijn moeder inmiddels ruim twee jaar noodopvang te bieden. Bij de vraag of de Staat en de Gemeente onrechtmatig jegens [appellant] handelen bij hun weigering tot (verdere) opvang speelt ook het volgende een rol.
3.15
Het is nog maar zeer de vraag of er thans (nog) een noodsituatie is. De moeder heeft immers lange tijd (zie ook 2.3) geen tot amper initiatieven ontplooid om woonruimte te zoeken en heeft ook tenminste een keer een bezichtiging van een mogelijke woning geweigerd. Pas sinds een paar maanden is zij actief geworden. Dit gedrag past niet bij het bestaan van een noodsituatie, terwijl de Gemeente haar en [appellant] overigens wel al die tijd noodopvang is blijven bieden.
3.16
Het verwijt aan de Gemeente, dat [appellant] in grief 4 heeft geformuleerd, dat de Gemeente discrimineert omdat zij alleen aan [plaats 1] gezinnen noodopvang verleent, snijdt bij een dergelijke ruimhartige opvang van hen als niet- [plaats 1] geen hout. Dat de noodopvang nu tot een einde moet komen, berust op de keuze van het bestuur van de Gemeente om de schaarse middelen in te zetten ten behoeve van dakloze gezinnen zónder zelfredzame ouder(s) die in een acute noodsituatie zijn. In dit verband komt aan het bestuur beleids- en beoordelingsruimte toe. Dat een schaarste aan middelen beïnvloedt wat de overheid wel of niet doet, is legitiem. Dat de rechten van [appellant] en zijn moeder onvoldoende worden gerespecteerd, valt niet in te zien. Dit geldt ook indien conform artikel 3 IVRK in het bijzonder op de belangen van [appellant] wordt gelet, als een overweging van de eerste orde. In dit verband is wezenlijk dat de moeder in staat moet worden geacht om haar primaire verantwoordelijkheid als ouder te nemen en om de plichten die zij als moeder heeft na te leven."
Artikel 3 lid 1 IVRK, dat rechtstreekse werking heeft, schrijft voor dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij alle maatregelen betreffende kinderen.
4.8.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] , als ouder, zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van haar weigering van een passende woning, ook tegenover haar kind. Ook de verantwoordelijkheid voor het welzijn van haar kind ligt, in de eerste plaats, bij [gedaagde] zelf.
Dat het welzijn van het kind de verantwoordelijkheid is van de ouder(s) doet echter niet toe of af aan de verantwoordelijkheid van de rechter om conform artikel 3 IVRK het belang van het kind als een zwaarwegend belang mee te wegen. Er zijn echter hulpverlenende instanties die ingeschakeld (kunnen) worden. Om die reden moet niet te snel worden aangenomen dat de betrokkenheid van een kind aan toewijzing van een ontruiming in de weg staat. Dit zal bijvoorbeeld wel het geval kunnen zijn wanneer de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden.
4.9.
De voorzieningenrechter zal zich dus – zeker in dit geval, omdat het om een baby van slechts 8 maanden oud gaat – voldoende rekenschap moeten geven van het zwaarwegende belang van het kind bij onderdak en voldoende zeker moeten weten dat er geen acute noodsituatie zal ontstaan doordat een baby dakloos wordt.
4.10.
Het COA heeft in dit verband desgevraagd niet concreet kunnen aangeven welke maatregelen er genomen zijn of worden – al dan niet in samenspraak met de Raad voor de kinderbescherming, de gemeente, of andere instanties – om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie komt te verkeren. De juistheid van de stelling van het COA dat de baby bij de vader terecht kan blijkt nergens uit. Niet alleen woont de vader met zijn eigen (andere) gezin, bovendien is de baby scheiden van de moeder vooralsnog geen reële optie. Het COA heeft desgevraagd slechts verklaard dat de situatie nu wordt gemonitord door verschillende organisaties, maar dat is onvoldoende concreet.
4.11.
Daarom kan de voorzieningenrechter, op basis van de nu beschikbare stukken, niet met voldoende zekerheid vaststellen dat en door wie de nodige opvang en hulp voor de baby daadwerkelijk zal worden geboden (en dat dus geen noodsituatie voor de baby zal ontstaan) als de ontruiming wordt toegewezen.
Nadere informatie
4.12.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het COA in de gelegenheid stellen om zich nader uit te laten over door wie en welke voorzieningen zijn of zullen worden getroffen om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie belandt bij ontruiming. In dat kader moet het COA nadere informatie verschaffen, bijvoorbeeld door concrete informatie op te vragen bij de betrokken gemeente en/of maatschappelijke organisaties.
4.13.
Daarna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken bij antwoordakte op de akte van het COA te reageren."
Zoals in het tussenvonnis van 25 april 2023 is overwogen, moeten ingevolge artikel 3 IVRK de belangen van de minderjarige dochter van [gedaagde] een eerste overweging vormen. Onderzocht moet worden welke toereikende voorzieningen zijn getroffen ter voorkoming dat de minderjarige dochter van [gedaagde] dakloos wordt. Hierover wordt het volgende overwogen. De ouders zelf zijn verantwoordelijk voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) en in het geval van gedwongen ontruiming is het op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor hun kinderen zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien ouders daarbij hulp behoeven, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als niettemin een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat de kinderen letterlijk op straat komen te staan, kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Dat van een dergelijke noodsituatie sprake is, is echter niet gebleken. [gedaagde] heeft in haar laatste akte te kennen gegeven dat het na ontruiming wellicht mogelijk is dat zij samen met haar dochter zou kunnen intrekken bij de vader van haar dochter. Ondanks dat dit geen ideale situatie zal zijn, wordt daarmee voorkomen dat zij op straat komen te staan. Op grond van het voorgaande vormt artikel 3 IVRK dan ook geen beletsel om de vordering tot ontbinding en ontruiming toe te wijzen."
Regel 17 van de Havanaregels bepaalt het volgende met betrekking tot de vrijheidsontneming ten aanzien van kinderen voorafgaand aan berechting:
“Detention before trial shall be avoided to the extent possible and limited to exceptional circumstances. Therefore, all efforts shall be made to apply alternative measures. When preventive detention is nevertheless used, juvenile courts and investigative bodies shall give the highest priority to the most expeditious processing of such cases to ensure the shortest possible duration of detention.”
6.22
Uit artikel 37 aanhef en onder b, tweede volzin IVRK, gelezen in het licht van artikel 3 lid 1 IVRK en van deze regel 17 van de Havanaregels, en uit artikel 5 lid 1 aanhef en onder c EVRM, gelezen in het licht van de vaste rechtspraak van het EHRM over de bij vrijheidsontneming toe te passen noodzakelijkheidstoets, volgt dat:
- de vrijheidsontneming van een minderjarige slechts mag worden gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
- de betrokken autoriteit bij haar besluit tot vrijheidsontneming de belangen van de minderjarige als eerste overweging moet afwegen tegen dat van de vervolging, en slechts in uitzonderlijke omstandigheden de belangen van de vervolging zwaarder mag laten wegen; en
- als desondanks wordt besloten tot vrijheidsontneming, de betrokken autoriteiten de hoogste prioriteit moeten geven aan de snelste afhandeling van de betrokken zaak om ervoor te zorgen dat de vrijheidsontneming zo kort mogelijk duurt.
6.23
Toegepast op een getrapt stelsel van vrijheidsontnemende dwangmiddelen zoals het hiervoor beschreven Nederlandse strafvorderlijke stelsel van aanhouding, ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling, en meer specifiek met betrekking tot de overgang van het ophouden voor onderzoek naar de inverzekeringstelling, betekent dit dat OM en politie na een bevel tot het ophouden van een minderjarige voor onderzoek in het belang van die minderjarige eerst de hoogste prioriteit moeten geven aan het volledig benutten van de periode van dat ophouden, en dat inverzekeringstelling pas kan worden overwogen als dat ophouden voor onderzoek onvoldoende soelaas biedt. Dit geldt zeker wanneer, zoals in dit geval, de minderjarige een meisje van nog maar 14 jaar is.
6.24
Hier heeft de Staat niet toegelicht dat en waarom de mogelijkheden van het ophouden van [appellante] voor onderzoek maximaal waren benut en vervolgens waren uitgeput toen de hulpofficier van justitie beval dat [appellante] in verzekering moest worden gesteld. Tussen partijen staat vast dat [appellante] op 17 januari 2012 om 09:32 uur is aangehouden en dat een hulpofficier van justitie die dag om 09:53 uur haar ophouding voor onderzoek heeft bevolen. De termijn van maximaal zes uur voor dat ophouden is op dat moment ingegaan13 en eindigde daarom om 15:53 uur. In die periode is [appellante] tussen 10:50 en 12:33 uur als verdachte gehoord. De Staat heeft niet toegelicht waarom [appellante] na het bevel tot ophouden voor onderzoek van 09:53 pas om 10:50 is gehoord en waarom zij, als dat eerste verhoor niet voldoende was, tussen 12:33 en 15:53 niet een tweede keer had kunnen worden gehoord.
6.25
Daar komt het volgende bij. In zijn of haar bevel tot inverzekeringstelling van die dag heeft de hulpofficier van justitie ter onderbouwing van dat bevel alleen verwezen naar de tegen [appellante] gerezen verdenkingen en naar het daarmee samenhangende onderzoeksbelang, waaronder (i) “de noodzaak van een (nader/verder) verhoor verdachte” en (ii) “confrontatie van verdachte met getuigen en/of hun verklaringen”. [appellante] merkt terecht op dat de hulpofficier daarbij op geen enkele wijze heeft verwezen naar haar leeftijd en belangen en naar de door hem of haar in dat verband te maken afweging.
6.26
De op 14 juni 2018 door het OM verstrekte motivering is evenmin sluitend. Het OM zet in zijn brief van die datum onder het kopje “Beoordeling van uw verzoek om schadevergoeding” uiteen dat uit zijn daaraan voorafgaande uiteenzetting van de feiten “voldoende [blijkt, hof] dat de officier van justitie gemotiveerd een keuze heeft gemaakt om [[appellante], hof] in verzekering te stellen”. Bij die uiteenzetting heeft het OM alleen beschreven dat:
- [appellante] op grond van een bepaalde verdenking als verdachte is aangemerkt;
- [appellante] vervolgens is aangehouden, gelet op de ernst van het feit en op het feit dat zij op dat moment een belangrijk aanknopingspunt was voor het onderzoek;
- de officier van justitie zich door de weinig coöperatieve opstelling van [appellante] moest gaan beraden over de vraag of zij [appellante] al dan niet in verzekering zou gaan stellen; en
- de officier van justitie daartoe heeft besloten, gelet op het stroeve verloop van het eerste verhoor en de noodzaak om haar aanvullende vragen te stellen”.
Vervolgens heeft het OM in die brief beschreven dat de officier van justitie heeft overwogen of [appellante] de inverzekeringstelling thuis of op het politiebureau moest doorbrengen, en waarom zij voor dat laatste heeft gekozen. Daarmee heeft het OM niet toegelicht waarom de verhoormogelijkheden van het ophouden voor onderzoek maximaal waren benut en uitgeput.
6.27
Samenvattend is het volgende beeld ontstaan. Doel van de inverzekeringstelling was het nader verhoren van [appellante]. Tijdens de toepassing van het daaraan voorafgaande dwangmiddel van het ophouden voor onderzoek, voor een periode van maximaal 6 uur, is [appellante] maar gedurende iets langer dan 1½ uur gehoord. Tijdens de daarop volgende inverzekeringstelling, die bijna 52 uur heeft geduurd, is [appellante] maar gedurende twee keer ongeveer 2 uur gehoord. Hoewel tijdens een verhoor, zeker van een veertienjarig meisje, rustmomenten moeten worden ingebouwd, en wellicht reflectiemomenten voor de verhoorders, dringt de gedachte zich op dat bij een betere planning en bij meeweging van de belangen van dat nog zo jonge meisje, het verhoor binnen de termijn van het dwangmiddel van het ophouden voor onderzoek had kunnen worden afgerond (dan wel de inverzekeringstelling veel eerder had kunnen, en moeten, worden beëindigd). In ieder geval is er geen enkele aanwijzing dat de Staat bij de aanhouding en het ophouden voor onderzoek op enige wijze heeft stilgestaan bij het zeer grote belang van het destijds veertienjarige meisje om vervolgens niet in verzekering te worden gesteld. Dat belang is duidelijk niet een ‘eerste overweging’ van de Staat geweest als bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK.
6.28
Op grond van het voorgaande is het bevel tot inverzekeringstelling in strijd met artikel 37 aanhef en onder b IVRK en artikel 5 lid 1 EVRM en dus van meet af aan onrechtmatig ten aanzien van [appellante] gegeven. Het hof kan reeds op grond van dit oordeel de gevorderde verklaring voor recht uitspreken. Daarnaast heeft de Staat onvoldoende betwist dat de mogelijkheid aannemelijk is dat [appellante] als gevolg van haar inverzekeringstelling en van de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden, schade heeft geleden. [appellante] heeft namelijk gedetailleerd beschreven dat zij als gevolg van haar insluiting onder andere lijdt aan PTSS en daarom is gehinderd in haar opleiding en ontwikkeling. De Staat betwist met betrekking tot iedere individuele door [appellante] beklaagde insluitingsomstandigheid dat deze tot enige schade kan hebben geleid, maar gaat daarmee voorbij aan het effect van insluiting op een minderjarige van veertien jaar en aan het cumulatieve effect van de door [appellante] beklaagde omstandigheden. De Staat voert ook aan dat [appellante] voorafgaand aan haar aanhouding en insluiting al last had van bepaalde fysieke en psychische klachten als gevolg van een traumatische jeugd met een problematische vader. Ook als dat waar is, maakt dat niet dat het niet aannemelijk is dat zij mogelijk als gevolg van haar inverzekeringstelling en van de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden, schade heeft geleden. De insluiting kan namelijk enerzijds nieuwe klachten hebben veroorzaakt en anderzijds de eventueel reeds bestaande klachten hebben verergerd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] daarmee ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade die zij heeft geleden hoger is dan de € 2.500,- die zij al van de Staat heeft gekregen ten titel van schadevergoeding. Omdat het schadedebat nog niet volledig is uitgekristalliseerd, zal het hof de zaak wat de schadevergoeding betreft verwijzen naar de schadestaatprocedure. Omdat [appellante] wat de immateriële schade betreft al de rechtsgang van artikel 89 Sv (oud) heeft benut, zal het hof die vergoeding beperken tot de materiële schade.
6.29
Omdat [appellante] in haar stukken en tijdens de mondelinge behandeling ook de nadruk heeft gelegd op de duur van de inverzekeringstelling en de omstandigheden van haar insluiting en verhoor, zal het hof ten overvloede ook daarover oordelen."
Bescherming geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van minderjarigen
"5.7
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking. Dat is in zoverre zo dat het artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en dus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap. Daartoe wordt overwogen dat juist ten behoeve van het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs veel gewicht toekomt aan artikel 6, vierde en zesde lid, van de Wot. De minister heeft toegelicht dat het vrijgeven van wat aan de vertrouwensinspecteur in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon over een geval van seksueel misbruik, een lagere meldingsbereidheid bij hen teweeg zal brengen. Gelet hierop is het voor het goed functioneren van de vertrouwensinspecteur van essentieel belang dat communicatie naar aanleiding van zulke meldingen in uiterste vertrouwelijkheid plaatsvindt. De minister heeft toegelicht dat ouders en hun kinderen die onderwijs volgen, hierbij zijn gebaat, omdat op deze manier gevallen van seksueel misbruik juist eerder aan het licht komen of worden voorkomen, dan wanneer er geen bijzonder geheimhoudingsregime zou gelden voor de vertrouwensinspecteur. Daarmee is, anders dan [appellant] en anderen betogen, het doel van artikel 6, vierde en zesde lid, van de Wot gediend. Om dezelfde redenen heeft de minister, door een beroep te doen op de weigeringsgrond uit artikel 41, eerste lid, aanhef en onder h, van de Uitvoeringswet, het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs door bescherming tegen seksueel misbruik gediend.
De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de minister zich in de besluitvorming veel rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap en van kinderen in het algemeen. Daarbij heeft hij het belang van hun veiligheid in het onderwijs zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] en anderen bij inzage in alle verwerkingen van persoonsgegevens waarom is verzocht. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet."
Het belang van het kind gaat vóór op het belang van een behandeling
"5.10 De eerste twee vragen die voorliggen zijn (1) of de behandeling die [de minderjarige] thans ondergaat te beschouwen is als een behandeling die valt onder artikel 1:265h BW in verbinding met artikel 7:446 BW en (2) of de situatie van [de minderjarige] te beschouwen is als voldoende ernstig om vervangende toestemming te verlenen. Het hof beantwoordt die beide vragen bevestigend. Met betrekking tot de tweede vraag is voor het hof uit de stukken en uit hetgeen naar voren is gebracht op de mondelinge behandeling, voldoende gebleken dat [de minderjarige] lijdt aan bovenmatige stress. Deze stress staat zijn ontwikkeling ernstig in de weg. Dat laatste blijkt uit het feit dat [de minderjarige] na bezoekmomenten onhandelbaar is, zich ernstig overstrekt en gilt en schreeuwt en moeilijk te corrigeren is, waardoor een veilige hechting van [de minderjarige] gevaar loopt. Als dit gedrag van [de minderjarige] niet behandeld wordt kan dit een ernstig gevaar opleveren voor zijn ontwikkeling en gezondheid. Hiermee is de noodzakelijkheid van een behandeling gegeven. Uit artikel 3 van het IVRK valt af te leiden dat het belang van [de minderjarige] met zich brengt dat het wegnemen van deze ontwikkelingsbedreiging dient te prevaleren bij het beantwoorden van de vraag hoe een behandeling eruit zal moeten zien.
Het hof volgt de advocaat van de moeder niet in de stelling dat er sprake moet zijn van een ernstig levensgevaar. Krachtens artikel 1:265h BW dient er sprake te zijn van ernstig gevaar. Het door stress en de daaraan gerelateerde klachten scheef opgroeien van [de minderjarige] , vindt het hof een voldoende ernstig gevaar. Daarmee faalt grief 2."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, 200.297.641/01 en 200.297.662/01, ECLI:NL:GHARL:2022:3174
Haags Kinderontvoeringsverdrag en artikel 3 IVRK
"5.21
Voor zover de moeder nog betoogt dat artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van de minderjarigen naar Frankrijk verzetten, faalt ook dit betoog. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Dat de teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk tot gevolg zal hebben dat zij van hun moeder worden gescheiden, is in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag door het hof meegewogen en leidt, ook in het licht van het EVRM en het IVRK, niet tot een andere beslissing. Nog daargelaten dat de moeder niet specifiek heeft aangegeven waarom een teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk in strijd is met voormelde mensenrechtenverdragen, geldt dat de belangenafweging die de moeder kennelijk voor ogen heeft aan bod zal moeten komen in het kader van een bodemzaak bij de ten gronde bevoegde rechter in Frankrijk. De ten gronde bevoegde rechter zal moeten beoordelen bij wie van de ouders de minderjarigen het beste af zijn. In de onderhavige procedure, waarin het slechts gaat om een ordemaatregel, is voor zo’n belangenafweging geen plaats.
5.22
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige situatie, dat de minderjarigen bij terugkeer naar Frankrijk in een ondragelijke toestand zullen worden gebracht. Dit betekent dat ook het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen zoals beschermd door het EVRM en het IVRM." (bedoeld zal zijn IVRK, ET)
De vader verweert zich hiertegen, stellende dat de in artikel 12 lid 1 HKOV genoemde termijn van één jaar een harde termijn is die geen ruimte biedt voor een belangenafweging zoals de moeder voorstaat. Indien het teruggeleidingsverzoek is ingediend binnen de genoemde termijn van één jaar wordt een onmiddellijke teruggeleiding in het belang van het kind geacht, tenzij sprake is van een weigeringsgrond. Het beroep van de moeder op artikel 3 IVRK kan dan ook niet baten. Het oordeel van de rechtbank is op dit punt volgens de vader dan ook juist.
5.8
Het hof verwerpt het betoog van de moeder en legt dat als volgt uit. Volgens artikel 12 lid 1 HKOV geldt, voor zover van belang, dat wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht in de zin van artikel 3 HKOV en minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging en het tijdstip van indiening van het teruggeleidingsverzoek, de rechter de onmiddellijke terugkeer van het kind gelast. Uit het Toelichtend Rapport Pérez-Vera bij het HKOV (blz. 458-459, nrs. 106-108) blijkt dat de genoemde termijn van één jaar bedoeld is om zoveel mogelijk discussie te voorkomen over de vraag of de worteling van het kind zich al dan niet verzet tegen een terugkeer naar het land van zijn gewone verblijfplaats. De verdragsopstellers hebben in artikel 12 lid 1 HKOV gekozen voor ‘an objective rule resulted in a time-limit being fixed’ (blz. 458, nr. 107). Anders gezegd, wordt een teruggeleiding van het kind in zijn belang geacht, wanneer binnen één jaar na zijn ontvoering om teruggeleiding is verzocht. Aan deze termijn van één jaar ligt de gedachte ten grondslag dat binnen die periode nog geen sprake zal zijn van een zodanige worteling in de staat van zijn werkelijk verblijf, dat de verzochte teruggeleiding om die reden moet worden afgewezen. Dit betekent dan ook dat, wanneer het teruggeleidingsverzoek wordt ingediend binnen de in artikel 12 lid 1 HKOV genoemde termijn van één jaar, de rechter gehouden is de teruggeleiding te bevelen (‘obliged to order its return’), behoudens de weigeringsgronden van artikel 13 HKOV (blz. 459, nr. 108)."
"9. Ingevolge artikel 3 HKOV wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd beschouwd wanneer dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
10. Het hof overweegt omtrent de vraag met betrekking tot het gezagsrecht op de datum dat de moeder met de minderjarige Italië heeft verlaten als volgt. In geschil is in het bijzonder de vraag of de moeder op 2 januari 2018 op de een of andere wijze was beperkt in haar gezag in die zin dat zij was beperkt in het recht om over de verblijfplaats van de minderjarige te beslissen vanwege de beslissing van de Italiaanse rechter van 10 augustus 2016. Het hof stelt voorop dat het de rechter van de aangezochte staat is die uiteindelijk over het verzoek tot teruggeleiding heeft te beslissen. Bij die beslissing dient hij niet alleen rekening te houden met door de verzoeker overgelegde verklaringen of beslissingen, maar met alles wat in twee feitelijke instanties naar voren is gebracht. Het gaat hier om beslissingen en verklaringen die uitsluitend dienen als hulpmiddel voor de rechter van de aangezochte staat om vast te stellen hoe het recht van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in het specifieke geval moet worden toegepast.
11. In de beschikking van 10 augustus 2016 is sprake van het opdragen van “custody” met betrekking tot de minderjarige gezamenlijk aan ASL RM2 Welfare Office en Mental Health Unit. Tussen partijen is niet in geschil dat deze ‘custody’ een kinderbeschermingsmaatregel is, vergelijkbaar met een ondertoezichtstelling in Nederland. Wel is in geschil of deze maatregel dusdanig in het gezag ingrijpt dat de ouder ter zake van wie deze maatregel geldt – in ieder geval de moeder - vanaf dat moment niet meer zonder toestemming van genoemde instanties een wijziging mag brengen in de verblijfplaats van de minderjarige. Het had naar het oordeel van het hof op de weg van de voogd gelegen om zijn stelling, dat deze laatste vraag naar Italiaans recht bevestigend moet worden beantwoord, genoegzaam te onderbouwen. Dit is naar het oordeel van het hof niet gebeurd. Doordat de voogd geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de zitting via een digitale verbinding bij te wonen, zijn de vragen van het hof op dit punt onbeantwoord gebleven. Het enige stuk dat een antwoord op deze vraag lijkt te geven is de brief van ‘the Head of Italy’s Central Authority’ van 22 februari 2018 (productie B bij het verweerschrift in hoger beroep). In die brief wordt gerept van: “Ms. [appellante] ’s unilateral decision to remove her daughter is to be considered as an offence also because she was not entitled with her parental responsibility at the time of [minderjarige 1] ’s transfer to the Netherlands and therefore was not allowed to move her habitual residence abroad”. Onduidelijk blijft echter of daarbij wordt gedoeld op een beperking in het gezag (limiting parental responsibility) op grond van genoemde beslissing uit 2016, dan wel op een handelen in strijd met de (eveneens in genoemde beslissing vervatte) rechterlijke beslissing: “It hereby confirms the child’s current placement”, with her mother, in the house of … (volgen naam en adres).’ Uit het aangehaalde en overgelegde wetsartikel uit het Italiaanse Burgerlijk Wetboek - artikel 330 – waarop de maatregelen in de beslissing van 2016 zijn gebaseerd wordt evenmin duidelijk of toepassing van de maatregel van “limiting parental responsibility” meebrengt dat de bevoegdheid van de gezagdragende ouders om over de verblijfplaats van hun kinderen te beslissen wordt beperkt. Dit artikel kent immers, naar het hof begrijpt, naast de mogelijkheid tot de beperking van de ouderlijke verantwoordelijkheid – vergelijkbaar met een ondertoezichtstelling in het Nederlands recht – de mogelijkheid een maatregel te nemen “that the child be removed from the family residence”. Een dergelijke maatregel is echter niet genomen, het verblijf bij de moeder (op de plek waar de moeder had verkozen met de minderjarige te verblijven en waar zij al enige tijd samen verbleven) is daarentegen juist bevestigd. Eerst in de uitspraak van 19 januari 2018, dus na het vertrek van de moeder en de minderjarige naar Nederland, wordt een beslissing genomen tot opschorting van de ouderlijke verantwoordelijkheid van beide ouders en wordt aan de Social Services opgedragen om de minderjarige na terugkeer naar Italië in een geschikte accommodatie te plaatsen. Het hof leidt hieruit af dat die beslissing – opschorting van de ouderlijke verantwoordelijkheid – nodig was om te kunnen besluiten over de verblijfplaats van de minderjarige. Nu deze beslissing is genomen ná het vertrek van de moeder en de minderjarige kan deze echter niet leiden tot het oordeel dat op het moment van vertrek van de moeder met de minderjarige, zij beperkt was in de bevoegdheid om over de verblijfplaats van de minderjarige te beslissen en leidt dit evenmin tot de conclusie dat daardoor sprake is van ongeoorloofde vasthouding, want die laatste zou moeten voortvloeien uit een gezagsrecht in de zin van artikel 3 HKOV dat reeds bestond op het moment van vertrek van de moeder met de minderjarige. Een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding door de moeder van de minderjarige is, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet aannemelijk geworden.
12. De tweede vraag is die naar de positie van de vader. Het hof stelt vast dat de advocaat van de voogd zich in eerste aanleg uitsluitend heeft gesteld voor de voogd en namens deze het verzoekschrift heeft ingediend. Weliswaar wordt in het inleidend verzoek gesteld dat het verzoek “het verzoek van de vader behelst” maar het inleidend verzoek is niet door de vader ingediend. In de bestreden beschikking is de vader dan ook niet aangemerkt als verzoekende partij. Ook het verweerschrift in hoger beroep is uitdrukkelijk (alleen) namens de voogd ingediend. Het formulier, uitgaande van de Centrale Autoriteit in Italië en dat is gericht aan de Nederlandse Centrale Autoriteit, is opgemaakt op instigatie van de voogd en niet van de vader. Het hof komt tot de slotsom dat niet een verzoek van de vader voorligt, zodat de vraag, of sprake is geweest van een inbreuk op het gezagsrecht van de vader, verder onbesproken kan blijven.
13. Het hof komt tot de slotsom niet is komen vast te staan dat in deze sprake is van een ongeoorloofde overbrenging.
Het hof komt daarom niet toe aan bespreking van de gestelde weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub b HKOV en artikel 20 EVRM, noch aan het beroep op artikel 3 IVRK."
"3.6.6 Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve dat de erkenning in Nederland van het in een buitenlandse geboorteakte neergelegde rechtsfeit van een door de geboorte van een kind tot stand gekomen familierechtelijke betrekking afstuit op kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, indien dat kind is geboren uit een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van art. 10:32 BW niet in Nederland wordt erkend.
(...).
3.8.2 Art. 3 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen (“the best interests of the child shall be a primary consideration”). Dit fundamentele beginsel is geen grond voor een andere beantwoording van de eerste prejudiciële vraag.
In de eerste plaats is daartoe van belang dat de onderhavige zaak een procedure op de voet van art. 17 RWN betreft, en dat de erkenning in Nederland van het in de Marokkaanse geboorteakte neergelegde rechtsfeit dat door [kind 1] geboorte uit het huwelijk van [verzoeker] met de moeder een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen [verzoeker] en [kind 1] , uitsluitend van belang is in verband met de vraag of [kind 1] ingevolge art. 3 lid 1 RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Op grond van art. 3 Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 10, en 1998, 149) is het aan Nederland om in zijn wetgeving te bepalen aan wie het Nederlanderschap toekomt.
In de tweede plaats verdient opmerking dat indien een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij een familierechtelijke betrekking is vastgesteld of gewijzigd, in Nederland niet wordt erkend wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, dit op zichzelf niet tot gevolg heeft dat inbreuk wordt gemaakt op de volgens het buitenlandse recht rechtsgeldig tot stand gekomen familierechtelijke betrekking. Evenmin leidt die niet-erkenning ertoe dat de buitenlandse nationaliteit van het kind verloren gaat.
3.8.3 Het antwoord op de tweede deelvraag van de tweede prejudiciële vraag luidt derhalve dat art. 3 IVRK geen grond is voor een andere beantwoording van de eerste prejudiciële vraag."
De juridische werkelijkheid moet voor een minderjarige overeenkomen met de feitelijke werkelijkheid
"Incidenteel appel
5.9
[partner moeder] stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator, om te onderzoeken of het in het belang van de minderjarige is om de erkenning door de vader te vernietigen, heeft afgewezen. Of [partner moeder] de biologische vader is of niet doet niet ter zake. Het gaat erom dat de vader niet de biologische vader van de minderjarige is. De rechtbank had op grond van artikel 3 IVRK een beslissing moeten nemen in het belang van de minderjarige. In zijn belang is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de biologische, of in ieder geval dat hij erkend wordt door iemand met wie hij een hecht gezin vormt. [partner moeder] verzoekt het hof dan ook om de erkenning van de minderjarige door de vader te vernietigen op grond van artikel 1:205 BW en subsidiair om een bijzondere curator te benoemen. De verwekker kan dit verzoek doen op basis van de jurisprudentie. [partner moeder] verzoekt het hof om daarbij de zogenaamde ‘minder strikte maatstaf’ te hanteren. De vader heeft de minderjarige een dag na diens geboorte erkend, waardoor [partner moeder] als verwekker dit niet meer kon doen. De moeder had in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming tot erkenning aan de vader kunnen komen, zodat deze erkenning vernietigd dient te worden. Mocht het hof van oordeel zijn dat de strikte maatstaf gehanteerd dient te worden, dan stelt [partner moeder] zich op het standpunt dat de moeder misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt, doordat zij toestemming heeft gegeven aan de niet-verwekker, enkel met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. De moeder wilde namelijk niets met [partner moeder] te maken hebben en heeft hem ook niet verteld zwanger te zijn. De moeder en [partner moeder] hebben een gemoedsrusttest gedaan, waaruit volgt dat hij de biologische vader is. Daarnaast hebben zij via DDC een DNA-test gedaan en daaruit volgt eveneens dat hij de biologische vader is. In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank is dit rapport tijdig voor de zitting in eerste aanleg ingediend bij de rechtbank."
Vast staat dat op 20 augustus 2018 uit verwantschaps-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Ook niet ter discussie staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn: te weten binnen een jaar nadat de man ontdekte dat hij niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Volgens de wetsgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man zijn verzoek te laat heeft ingediend en dat ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de wettelijke vervaltermijn. Dat de man in Nigeria in de tussentijd (wel) een procedure is gestart over het gezag ten aanzien van [de minderjarige] is hiervoor onvoldoende. De stellingen van de man dat een strikte handhaving van de in wet gestelde termijn in strijd is met artikel 8 EVRM en/of artikel 3 IVRK en dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [de minderjarige] is, heeft hij onvoldoende onderbouwd en geven het hof dan ook geen reden om anders te beslissen over de ontvankelijkheid van de man. Integendeel, uit hetgeen de bijzondere curator, de advocaat van de vrouw en [de minderjarige] (per brief) naar voren hebben gebracht blijkt dat [de minderjarige] juist geen verandering wil in de door de man gedane erkenning. De huidige situatie, waarbij is gebleken dat de man niet zijn biologische vader is en het contact tussen de man en [de minderjarige] is verbroken, is al lastig genoeg voor hem. [de minderjarige] wil graag rust en zich richten op school en sport, en op een later moment zelf beslissen of hij een verzoek wil indienen.
5.5
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning moet worden afgewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2022, 200.295.160/01 en 200.307.663/01, ECLI:NL:GHARL:2022:4099
Nietigheid erkenning minderjarige
"5.4
Vast staat dat op 20 augustus 2018 uit verwantschaps-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Ook niet ter discussie staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn: te weten binnen een jaar nadat de man ontdekte dat hij niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Volgens de wetsgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man zijn verzoek te laat heeft ingediend en dat ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de wettelijke vervaltermijn. Dat de man in Nigeria in de tussentijd (wel) een procedure is gestart over het gezag ten aanzien van [de minderjarige] is hiervoor onvoldoende. De stellingen van de man dat een strikte handhaving van de in wet gestelde termijn in strijd is met artikel 8 EVRM en/of artikel 3 IVRK en dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [de minderjarige] is, heeft hij onvoldoende onderbouwd en geven het hof dan ook geen reden om anders te beslissen over de ontvankelijkheid van de man. Integendeel, uit hetgeen de bijzondere curator, de advocaat van de vrouw en [de minderjarige] (per brief) naar voren hebben gebracht blijkt dat [de minderjarige] juist geen verandering wil in de door de man gedane erkenning. De huidige situatie, waarbij is gebleken dat de man niet zijn biologische vader is en het contact tussen de man en [de minderjarige] is verbroken, is al lastig genoeg voor hem. [de minderjarige] wil graag rust en zich richten op school en sport, en op een later moment zelf beslissen of hij een verzoek wil indienen.
5.5
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning moet worden afgewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2022, 200.295.160/01 en 200.307.663/01, ECLI:NL:GHARL:2022:4099
Eénhoofdig gezag van vader
"5.8
Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen wordt beëindigd en de vader alleen met het gezag wordt belast. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit onderdeel dan ook bekrachtigen.
Voor zover de moeder zich beroept op het bepaalde in artikel 8 EVRM, verwerpt het hof dat beroep. Een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen. Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op artikel 3 IVRK.
5.9
Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat de moeder bij de kinderen betrokken moet blijven. Het beëindigen van het gezamenlijk gezag betekent niet dat zij geen moeder meer is en geen serieuze rol meer kan spelen in het leven van de kinderen. Het hof gaat ervan uit dat de vader dit inziet en de weg naar de moeder zo veel mogelijk open zal houden. Verder gaat het hof ervan uit dat de vader de moeder met regelmaat zal blijven informeren over de kinderen en, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft toegezegd, aan de school van de kinderen toestemming zal geven om informatie over de kinderen aan de moeder te verstrekken. Het is van groot belang dat de moeder zich een goed beeld kan blijven vormen van hoe het met de kinderen gaat en wat hen bezig houdt."
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Hetgeen door de moeder is aangevoerd met betrekking tot artikel 8 EVRM, artikelen 3, 5, 7 en 18 IVRK en internationale jurisprudentie maakt dit oordeel niet anders. Op grond van artikel 8 EVRM heeft de moeder belang bij behoud van haar gezag omdat het gezag, en dus het recht om over de verblijfplaats en de verdere opvoeding en verzorging van [kind 1] te beslissen, een fundamenteel onderdeel is van haar familie- en gezinsleven met [kind 1] . In deze situatie is er echter een gegronde reden voor de inbreuk daarop, omdat de gezagsbeëindiging nodig is voor de opvoeding en verzorging van [kind 1] en ter bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. De maatregel is daarnaast proportioneel. In het verleden is hulpverlening opgestart maar deze is onvoldoende benut door de moeder. Vanuit het oogpunt van [kind 1] kan die tijd niet meer worden over gedaan. De gezagsbeëindiging, en daarmee de inbreuk op het familie- en gezinsleven, is daarom gerechtvaardigd.
5.12
De beëindiging van het gezag van de moeder betekent niet dat de band tussen haar en [kind 1] wordt verbroken. Zij blijft de moeder van [kind 1] en zal een rol van betekenis in haar leven moeten houden."
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het gezag van de vader wordt beëindigd. Het hof vindt dat de rechtbank hierover een juiste beslissing heeft genomen, en ook dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg daarom over omdat het hof er na eigen onderzoek ook zo over denkt. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. [de minderjarige] is een zeer kwetsbaar jongetje. Hij is te vroeg geboren en is slechthorend. Daardoor is het voor een ouder of verzorger zwaarder om voor [de minderjarige] te zorgen en hem op te voeden dan voor een kind zonder deze beperking. De vader erkent dat hij vanwege zijn eigen psychiatrische problematiek niet in staat is om aan deze verzwaarde opvoedvraag en extra zorgbehoefte van [de minderjarige] te voldoen. Nu niet, en in de toekomst ook niet. Vast staat dus dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn. Gebleken is dat de oma dit wel kan. De vader accepteert dat [de minderjarige] bij zijn oma zal opgroeien. Voor zover de vader stelt dat hij wel degelijk in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen omdat hij juist de beslissing heeft genomen om oma de zorg te laten dragen over [de minderjarige] , geeft dat geen aanleiding voor een andere beslissing. Het hof maakt zich zorgen over de psychiatrische kwetsbaarheid van de vader in relatie tot de te nemen belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De vader is (onder meer) gediagnostiseerd met schizofrenie, en heeft de afgelopen jaren diverse psychosen doorgemaakt. De aandoening is niet te genezen. Als de vader alleen met het gezag over [de minderjarige] belast is, dan zal dit het risico met zich brengen dat de vader wordt overvraagd en er een groter beroep op hem zal worden gedaan dan hij aankan vanwege zijn psychiatrische kwetsbaarheid. Dit geldt nog meer omdat [de minderjarige] door zijn handicap extra zorg nodig heeft en er daardoor regelmatig belangrijke beslissingen genomen moeten worden. Het is van belang dat er voortvarend gehandeld kan worden. In de ziekteperiodes van de vader, en de periodes waarin hij onbereikbaar is, komt dit in gevaar. De psychische instabiliteit die de overvraging van de vader kan veroorzaken bij de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] kan schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. De verwijzing van de vader naar de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 10 januari 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:102) kan hem niet baten, omdat er bij de vader meer speelt dan (alleen) periodes van onbereikbaarheid. Het voorgaande maakt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om het gezag van de vader te laten voortduren. De gezagsbeëindiging is dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigen en het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag afwijzen."
De moeder betoogt voorts, op zichzelf met juistheid, dat de wet niet voorziet in wijziging van gezamenlijk gezag dat is ontstaan op de voet van art. 1:253c BW. Het hof neemt tot uitgangspunt dat bij gebrek aan een andere voorziening een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de wijzigingsmogelijkheid van artikel 1:253n BW ook dient te gelden ingeval het gezamenlijk gezag is opgedragen op grond van artikel 1:253c BW. Een andersluidende opvatting zou er toe leiden dat gezamenlijk gezag dat op grond van artikel 1:253c BW is ontstaan nimmer op verzoek van één van de ouders kan worden beëindigd, ook niet als dat in het belang van het betrokken kind noodzakelijk is. Een dergelijke opvatting staat op gespannen voet met artikel 3 IVRK en is in strijd met het wettelijk systeem, dat ervan uitgaat dat beëindiging van gezamenlijk gezag in andere gevallen dan het thans aan de orde zijnde geval mogelijk is. Die opvatting kan daarom niet worden aanvaard. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het gezamenlijk gezag dat partijen op grond van artikel 1:253c BW hebben verkregen, op grond van artikel 1:253n BW in verbinding met artikel 1:251a BW kan worden beëindigd. Ook dit verweer faalt."
Beëindiging gezamenlijk gezag uitvoerbaar bij voorraad
"5.16.
Dit alles voert het hof tot de conclusie dat het ontbreken van de mogelijkheid een beschikking houdende beëindiging van de gezamenlijke voogdij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, en daarmee de dag na haar verzending in werking te laten treden, het gevolg is van een kennelijke omissie van de wetgever. De totstandkoming van artikel 1:282a BW in zijn huidige vorm staat daardoor op gespannen voet met art. 4 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK), waarbij Nederland ook bij de invoering van art. 1:282a BW al partij was. Volgens die bepaling heeft de Staat de verplichting alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen te nemen om de in het verdrag beschermde rechten van het kind te verzekeren. Artikel 3 IVRK brengt voorts mee dat bij alle te nemen beslissingen het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn. Het hof is dan ook van oordeel dat indien het belang van het kind dat vergt, ook een beschikking houdende de beëindiging van gezamenlijke voogdij, in weerwil van de tekst van artikel 1:282a BW, uitvoerbaar bij voorraad moet kunnen worden verklaard en dat dat tot gevolg dient te hebben dat zij daags na haar verstrekking of verzending in werking treedt."
Niet in geschil is dat maatregelen als ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing een inmenging vormen in het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde recht op gezinsleven. Zo’n inmenging in dit recht is toelaatbaar als zij voldoet aan de vereisten van lid 2 van dat artikel. Vaststaat dat de genoemde jeugdbeschermingsmaatregelen een wettelijke basis hebben en een legitiem doel dienen, namelijk de bescherming van een kind. Of de maatregel ook noodzakelijk is in een democratische samenleving hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. De redenen voor de inmenging moeten “relevant and sufficient” zijn6 en de inmenging moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel. In principe moet voorrang worden gegeven aan de ondersteuning van de opvoedcapaciteiten van de ouders (en dus aan hulp in het vrijwillige kader). Uithuisplaatsing is slechts aan de orde als er geen andere manier is om het kind te beschermen7. Daarbij geldt steeds dat de belangen van het kind “of paramount importance” zijn. Dit laatste volgt ook uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK)."
"Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen onderzoek en beoordeling, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
De vader is van mening dat hij inmiddels weer in staat is de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen omdat hij ook in staat is om zelfstandig voor de oudere zus van [minderjarige] , [zus] , te zorgen. [minderjarige] heeft echter, vanwege de traumatische gebeurtenissen die hij in het verleden in de gezinssituatie met de vader heeft meegemaakt, meer dan andere kinderen - zoals zijn zus [zus] - behoefte aan rust, structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. In 2016 is er in de thuissituatie van de vader intensieve ambulante begeleiding van [instantie 1] ingezet om te onderzoeken of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk was. Gebleken is toen dat de vader onvoldoende leerbaar is wat betreft de opvoedvaardigheden die passen bij de behoeften van [minderjarige] . De vraag die dan gesteld moet worden is of met het verstrijken van de tijd de vader wel voldoende opvoedvaardigheden heeft om tot thuisplaatsing over te kunnen gaan. De GI heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat uit de door [instantie 2] begeleide bezoeken is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is om zelfstandig invulling te geven aan de bezoeken met [minderjarige] . Deze bezoeken zijn mede ook in verband met een Veilig Thuis melding en zorgelijke signalen in 2020 teruggebracht naar een frequentie van 1 keer per 3 weken, anderhalf uur begeleid. Het hof begrijpt hieruit dat er op dit moment nog geen voldoende stabiele situatie is bij de vader en juist die stabiele situatie is van groot belang van [minderjarige] met zijn gedrags- en traumaproblematiek. De pleegouders zijn, met behulp van ambulante ondersteuning van [instantie 1] , wel in staat [minderjarige] de duidelijkheid en structuur te bieden die hij nodig heeft. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een voortduring van de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is en die noodzaak bestaat ook nu nog steeds. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode te verlengen.
Ten aanzien van het beroep van de vader op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk was en is in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd."
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. Voordat [minderjarige] uit huis werd geplaatst, waren er al lange tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Het hof heeft deze zorgen uitvoerig beschreven in zijn beschikking van 17 januari 2023.
Thans ligt aan het hof de vraag voor of de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , die het noodzakelijk maakte dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing werden verlengd. Er werden door de hulpverlening en pleegmoeder kenmerken gezien die wijzen op ernstige (gedrags)problematiek, waarvoor (EMDR) behandeling nodig is. Het was van groot belang dat er zicht kwam op [minderjarige] en dat de behandeling van [minderjarige] bij Levvel doorgang kon vinden. De moeder erkende deze zorgen niet, had veel weerstand tegen de hulpverlening en stemde niet in met de verblijfplaats van [minderjarige] in het pleeggezin. De moeder heeft evenmin inzicht willen geven in haar thuissituatie waardoor er nog steeds onvoldoende zicht was op de opvoedsituatie bij de moeder en op haar persoonlijke problematiek. In deze situatie is ook nu nog geen verandering gekomen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en dat de gronden daarvoor op 24 november 2023, toen het ouderlijk gezag van de moeder werd beëindigd, nog steeds aanwezig waren. De moeder heeft zich nog beroepen op het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof verwerpt het beroep. Gelet op het bovenstaande is een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op de eerbiediging van family life gerechtvaardigd, want noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] . Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 18 en 25 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, 200.333.319/01 en 200.333.319/02, ECLI:NL:GHAMS:2024:479
"De beoordeling
5.6
Hoewel de termijn waarvoor de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, niettemin een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof dient nu te beoordelen of de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van het geven van de beschikking en ook nog tot 11 april 2024 aanwezig waren, en of die verlenging ook noodzakelijk was. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dat het geval is. Verlenging was noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.7
Het hof heeft zich bij beschikking van 26 september 2023 uitgesproken over de noodzaak van de (verlenging van de) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De rechtbank heeft de desbetreffende overwegingen herhaald in de bestreden beschikking. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar. Het hof moet constateren dat hetgeen is overwogen nog onverkort gelding heeft. Blijkens de inhoud van het beroepschrift en hetgeen ter zitting is hoger beroep door en namens de moeder is toegelicht, weegt voor haar zwaar haar vrijheid om zich met haar kinderen (in het buitenland) te vestigen zoals haar dat goeddunkt. Datzelfde geldt voor haar pedagogische visie ten aanzien van de kinderen. De interventies door de (jeugdbeschermings)autoriteiten in Denemarken, Portugal en Nederland waren en zijn volgens haar nog steeds onterecht en onnodig. De moeder lijkt tot op heden nog steeds onvoldoende te kunnen reflecteren op de gevolgen van haar beslissingen voor de kinderen. Haar wens tot systeemtherapie voor haar en de kinderen in dit stadium gaat hieraan voorbij. Met betrekking tot de noodzaak van stabiele en bestendige schoolgang verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.9 van de beschikking van 18 oktober 2023. Naast het gebrek aan reflectie, is het nog steeds niet mogelijk gebleken om afspraken te maken met de moeder. Tot op heden is nog steeds geen samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot stand gekomen. Het hof vindt het zorgelijk dat bepaalde afspraken voor de kinderen, waaronder logopedie en een tandartsafspraak, slechts gemaakt konden worden in de periode waarin het gezag van de moeder was geschorst. Verder heeft het ontbreken van de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot gevolg dat de kinderen de moeder al een lange tijd niet hebben gezien. Het gebrek aan samenwerking heeft hiermee ook zijn weerslag op de kinderen. Ter zitting is door zowel grootmoeder moederszijde als de GI aangegeven dat de kinderen de moeder missen en dat zij haar graag willen zien. De kinderen begrijpen niet waarom de moeder bepaalde voorwaarden blijft stellen voor het plaatsvinden van de omgang en dat zij deze belangrijker lijkt te vinden dan het zien van de kinderen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in het te beoordelen tijdvak (19 oktober 2023 tot 11 april 2024) nog steeds sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat een vrijwillig kader niet volstond om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.8
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het van groot belang is dat de kinderen in hun huidige, stabiele opvoedomgeving blijven, zodat zij zich op positieve wijze kunnen blijven ontwikkelen. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken de noodzakelijke structuur en stabiliteit aan de kinderen te bieden. Dat zij een liefdevolle moeder is, wil het hof aannemen (en zoals hiervoor overwogen is ook duidelijk dat de kinderen haar missen). Maar er is meer nodig om de kinderen een opvoedomgeving te bieden die voor hen voldoende stabiel en veilig is en waarin zij voldoende aan hun eigen ontwikkeling toekomen. De kinderen ervaren thans de benodigde rust nu zij in een stabiele en voorspelbare situatie verblijven bij de grootmoeder moederszijde. De daarvoor noodzakelijke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook terecht verlengd door de rechtbank. Minder verstrekkende maatregelen zouden de kinderen in het te beoordelen tijdvak onvoldoende bescherming hebben geboden.
5.9
Met betrekking tot de uithuisplaatsing geldt verder nog dat de moeder sinds 13 februari 2024 gedetineerd is. De door de moeder met het hoger beroep beoogde terugplaatsing van de kinderen was voor de periode van 13 februari tot 11 april 2024 reeds om die reden irreëel. Plaatsing van de kinderen bij grootmoeder moederszijde was noodzakelijk.
5.10
Hetgeen de moeder nog heeft aangevoerd met verwijzing naar de artikelen 8 EVRM en 3,5,9 en 18 IVRK stuit af op het vooroverwogene."
De relatie tussen een uithuisplaatsing en een wrakingsverzoek
"De kinderrechter ziet, ondanks de schorsende werking van een wrakingsverzoek, aanleiding om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één maand en iedere verdere beslissing aan te houden. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
De maatregelen expireren op 29 september 2023. De datum waarop het door de heer [gemachtigde] gedane wrakingsverzoek wordt behandeld is op dit moment nog niet bekend. De mogelijkheid bestaat dat de maatregelen expireren voordat op het wrakingsverzoek is beslist en de verdere behandeling van het verzoek van de GI heeft plaatsgevonden. Het belang van [minderjarige] vraagt echter om voortzetting van beide maatregelen. Er is namelijk nog steeds sprake van ernstige ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] die niet met vrijwillige hulpverlening kunnen worden afgewend. De moeder heeft [minderjarige] in [maand en jaar] uit de instelling waar zij tot dan toe verbleef, opgehaald en is, met [minderjarige] en haar stiefvader, zonder bestemming uit Nederland vertrokken. De GI is niet op de hoogte van de huidige verblijfplaats van [minderjarige] en heeft grote zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling.
Daarnaast is het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat zij bij en jeugdhulpaanbieder geplaatst blijft, waar zij begeleid en zo nodig behandeld kan worden door deskundigen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de beslissing op het wrakingsverzoek niet kan worden afgewacht en beroept zich daarbij ook op artikel 3 van het IVRK, wat bepaalt dat het belang van het kind voorop staat bij iedere beslissing."
Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden toestemming heeft verleend aan de gecertificeerde instelling om de minderjarige buiten Nederland te plaatsen. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Bij de beslissing om wel of geen toestemming te verlenen aan de gecertificeerde instelling dient het belang van de minderjarige voorop te worden gesteld (artikel 3 IVRK). De minderjarige is ruim 3,5 jaar oud en verblijft sinds hij elf maanden oud is bij de pleegouders. Hij is veilig gehecht in het pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. Het perspectief van de minderjarige ligt niet meer bij de moeder. Als de minderjarige niet met het pleeggezin mag meeverhuizen heeft dat tot gevolg dat hij in een nieuw pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Daartegenover staat dat de moeder weinig fysiek contact kan hebben met de minderjarige als hij met het pleeggezin meeverhuist naar het schip. Een nieuw pleeggezin geeft de moeder meer mogelijkheden tot fysiek contact met de minderjarige. Het hof laat echter het belang van de minderjarige om in het pleeggezin te blijven zwaarder wegen dan het belang van de moeder en de minderjarige bij het voortzetten van de (fysieke) omgang met de minderjarige. Het hof onderstreept het zwaarwegende belang van het contact tussen de moeder en de minderjarige, maar neemt ook in aanmerking dat de minderjarige een belast verleden heeft en nu veilig is gehecht in het pleeggezin waar hij al ruim 2,5 jaar verblijft. Overplaatsing naar een nieuw pleeggezin zal door de verbreking van de hechtingsrelatie met de pleegouders en de verstoring van zijn stabiele en veilige opvoedingssituatie voor de minderjarige een trauma opleveren dat zijn huidige ontwikkeling en hechting ernstig negatief kan beïnvloeden. Evenals de rechtbank neemt het hof verder in aanmerking dat de pleegouders rekening hebben gehouden met het belang van het contact tussen de moeder en de minderjarige door zowel een fysieke contactregeling als een (video)belregeling op te stellen. Het hof wijst de gecertificeerde instelling en de pleegouders erop dat ter zitting is besproken dat de huidige omgangsregeling in stand zal blijven zolang het schip in Antwerpen of Rotterdam ligt.
5.8
Gelet op het belang van het (fysieke) contact tussen de moeder en de minderjarige zal het hof de toestemming verlenen vanaf het moment dat het schip vertrekt, naar verwachting half maart 2022, tot de zomer van 2024. Ter zitting heeft de pleegmoeder aangegeven dat zij minimaal twee jaar op het schip willen blijven en dat zij van plan zijn in de zomervakantie van 2024 terug te keren naar Nederland. Indien de pleegouders langer op het schip willen blijven, zal de gecertificeerde instelling dit te zijner tijd aan de kinderrechter dienen voor te leggen.
5.9
Nu het hof de gecertificeerde instelling toestemming zal verlenen om de minderjarige buiten Nederland te plaatsen, acht het hof het in het belang van de minderjarige dat aan de gecertificeerde instelling vervangende toestemming wordt verleend voor de aanvraag van een reisdocument van de minderjarige.
5.10
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen met dien verstande dat de toestemming voor het plaatsen van de minderjarige buiten Nederland wordt verleend tot de zomer van 2024."
Gerechtshof Den Haag 15 september 2021, 200.295.500/01 en 200.295.500/02, ECLI:NL:GHDHA:2021:1727
Asielverzoek door lesbische ouders met kind
"12.2 The Committee takes note of the author’s claim that the national authorities failed to conduct a proper assessment of the best interests of the child in the examination of his application for asylum or residence permit, in violation of his rights under articles 3 and 22 of the Convention. In particular, the author alleged the absence of an individual assessment of his safety as a child of lesbian parents and the failure to consider his views during the proceedings, the absence of both of which is undisputed by the State party. The Committee recalls that the assessment of the existence of a risk of serious violations of the Convention in the receiving State should be conducted in an age-sensitive and gender-sensitive manner,28 that the best interests of the child should be a primary consideration in decisions concerning the return of a child and that such decisions should ensure that, upon return, the child will be safe, provided with proper care and ensured the full and effective enjoyment of the rights recognized in the Convention and his or her holistic development. The best interests of the child should be ensured explicitly through individual procedures as an integral part of any administrative or judicial decision concerning the return of a child,30 and the legal rationale for all judicial and administrative judgments and decisions should also be based on that principle.31 The Committee recalls that the assessment of a child’s best interests must include respect for the child’s right to express his or her views freely and that due weight must be given to said views in all matters affecting the child.32 The Committee also recalls that it is generally for the authorities of States parties to the Convention to review and evaluate the facts and evidence in order to determine whether a risk of a serious violation of the Convention exists upon return, unless it is found that such an evaluation was clearly arbitrary or amounted to a denial of justice."
CRC 12 maart 2021, CRC/C/86/D/51/2018 (A.B. - Finland)
17. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het intrekken van haar recht op bijstand in strijd is met de artikelen 3 en 27 van het IVRK. In artikel 3, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen. In artikel 27 van het IVRK is bepaald dat ten aanzien van ieder kind het recht wordt erkend op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
18. Artikel 3 van het IVRK heeft slechts rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Hoe dat er in een concreet geval uitziet, zegt dit artikel niet. Zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving is die bepaling door de rechter niet direct toepasbaar. Wel moet de bestuursrechter in dit verband (terughoudend) beoordelen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.5 Hoewel het intrekken van de bijstandsuitkering van verzoekster geen beslissing betreft aangaande kinderen, maar ziet op gezinsbijstand, kunnen de kinderen door die intrekking wel worden geraakt. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd echter geen grond voor de stelling dat Stroomopwaarts onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van haar kinderen, of dat Stroomopwaarts niet binnen de grenzen van het recht is gebleven. Stroomopwaarts is bevoegd om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan een belanghebbende verleende bijstand. De toezichthouders hebben verzoekster op de consequenties van haar weigering om mee te werken aan het huisbezoek gewezen. Daarmee heeft Stroomopwaarts voldoende met de belangen van verzoekster en die van haar kinderen rekening gehouden.
19. Het beroep op artikel 27 slaagt ook niet. Artikel 27 van het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij daartoe niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitleg in nationale wet- en regelgeving behoeven (ECLI:NL:CRVB:2017:4021). Uit het tweede lid van dat artikel volgt bovendien dat niet de Staat (Stroomopwaarts), maar verzoekster als ouder als eerste verantwoordelijk is voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van de financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
20. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopige oordeel dat Stroomopwaarts het recht van verzoekster op bijstand vanwege een schending van de medewerkingsverplichting mocht intrekken. Stroomopwaarts kon door de weigering om mee te werken aan het huisbezoek de woonsituatie van verzoekster (en daarmee ook het recht op bijstand) niet vaststellen."
Appellant heeft zich beroepen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad is van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat appellant recht heeft op kinderbijslag. In dat kader verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020.7 Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Uit het arrest van het Hof in de zaak M.A. tegen Belgische Staat van 11 maart 20218 volgt dat het gaat om alle handelingen die kinderen direct of indirect raken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
2.9.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de Svb zich bij zijn besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant. Hierbij is van belang dat de kinderbijslag weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet. Gesteld noch gebleken is dat de belangen van de kinderen door de weigering van kinderbijslag over de twee maanden in geding in het gedrang zijn gekomen."
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat een belangenafweging in het kader van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou moeten leiden tot toekenning van de gewenste compensatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.1.
Het college heeft bij het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de zoon van appellante. Hij ontving een aanvullende beurs en had de mogelijkheid om, in aanvulling hierop, een lening bij de DUO af te sluiten. Bovendien is niet gebleken dat hij ernstig in zijn ontwikkeling is bedreigd door de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante en dat daarom aan appellante in aanvulling op haar inkomen en dat van haar zoon bijstand zou moeten worden verstrekt.
4.11.
Uit 4.1 tot en met 4.10.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
"8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
8.3. Het college heeft in het besluit van 15 maart 2022 gewezen op het zeer kleine aantal beschikbare woningen in Amsterdam en het grote aantal verzoeken om een urgentieverklaring. [appellante] heeft een woning en uit wat hiervoor in overwegingen 6.1 is overwogen, volgt dat haar woonsituatie niet levensontwrichtend is. In het advies van de GGD van 7 juni 2021, dat in het advies van 25 februari 2022 is gehandhaafd, staat onder meer dat [appellante] als alleenstaande ouder voor haar - toen nog enige - kind zorgt en dat zij geacht wordt in staat te zijn zelfstandig en zelfredzaam te zijn. Daarbij komt dat [appellante] naar eigen zeggen wordt ondersteund door kennissen om haar woning in en uit te komen. Op de zitting heeft zij beaamd dat zij ook nu nog af en toe wordt geholpen door een vriendin.
8.4. Onder deze omstandigheden mocht het college naar het oordeel van de Afdeling het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van [appellante] om op de door haar gewenste wijze, zonder hulp van derden, aan haar gezinsleven vorm te geven. Ook heeft het college de belangen van de kinderen onder ogen gezien, maar die hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen. Daarbij merkt de Afdeling op dat als de omstandigheden van [appellante] en haar kinderen, zoals ook op zitting besproken, zijn veranderd zij kan overwegen om een nieuwe aanvraag met een recente medische onderbouwing in te dienen.
Centraal in deze zaak staat het besluit van 2 augustus 2021. Daarin heeft het COA de woningweigering van [geïntimeerden] c.s. onterecht verklaard en hun opvang in het azc inclusief de verstrekkingen beëindigd. Nu de bestuursrechter bij uitspraak van 15 april 2022 het beroep van [geïntimeerden] c.s. tegen dat besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet het hof in beginsel zijn arrest op dat oordeel afstemmen.3 Het hof acht geen omstandigheden aanwezig voor een uitzondering op dit uitgangspunt. Voor zover [geïntimeerden] c.s. bedoelen dat de bestuursrechter klaarblijkelijk een misslag heeft begaan, verwerpt het hof dat standpunt. De beroepstermijn bedraagt immers vier weken (art. 69 lid 1 Vreemdelingenwet – hierna: Vw) en het beroepschrift is pas na die termijn ingediend. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het met de bestuursrechter eens is dat het beëindigen van de opvang van vreemdelingen met een verblijfsvergunning regulier (art. 14 Vw) een wettelijke basis heeft in artikel 3 lid 2 Wet COA in verbinding met artikel 3, derde lid, aanhef en onder c juncto artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005). Ook twijfelt het hof er niet aan dat het besluit van het COA betrekking heeft op het hele gezin (en niet alleen op de vader).
3.3
Het voorgaande betekent dat het hof dient uit te gaan van de rechtsgeldigheid en de rechtmatigheid van het besluit van het COA van 2 augustus 2021. Daarmee is het besluit zowel wat betreft de inhoud als de wijze van totstandkoming onaantastbaar in dit geding. De kwestie of het COA de huisvestingsprocedure van [geïntimeerden] c.s. met de koppeling aan de gemeente De Ronde Venen onzorgvuldig heeft gevoerd door de belangen van de kinderen niet mee te wegen (bij de toepassing van de plaatsingscriteria of anderszins) ligt daarom niet voor bij het hof, noch de vraag of het COA in redelijkheid kon komen tot de onterecht verklaring van de woningweigering en beëindiging van de opvang inclusief verstrekkingen. Dat wordt niet anders doordat de bestuursrechter zich in de uitspraak van 15 april 2022 over inhoudelijke vragen niet heeft uitgelaten. Het gaat er in dat opzicht om of het besluit van het COA op zinvolle wijze bij de bestuursrechter aan de orde gesteld had kunnen worden (als het beroep tijdig was ingesteld), en dat is het geval – ook wat betreft het beroep van [geïntimeerden] c.s. op artikel 3, eerste lid van het IVRK. Naar het COA onbetwist heeft aangevoerd, kunnen [geïntimeerden] c.s. in voorkomend geval ook nog een besluit van het COA uitlokken door een aanvraag tot hervatting van de verstrekkingen te doen, tegen welk besluit dan bij de bestuursrechter, al dan niet met een verzoek om een voorlopige voorziening, kan worden opgekomen. Dat de rechtsbescherming bij de bestuursrechter zou tekortschieten is door [geïntimeerden] c.s. bovendien niet aangevoerd. Het hof komt gelet hierop niet toe aan de behandeling van de grief van het COA dat er met de belangen van de kinderen wel voldoende rekening is gehouden in de huisvestingsprocedure die tot het besluit heeft geleid."
Vast staat dat [gedaagde] de huur niet (volledig) heeft betaald en dat er op het moment van dagvaarding sprake is van een huurachterstand van meer dan vier maanden. Dit is een ernstige tekortkoming die in beginsel een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Tijdens de gehouden mondelinge behandeling is besproken dat [gedaagde] ook een minderjarig kind heeft waarmee rekening moet worden gehouden. Op grond van artikel 3 IVRK moeten de belangen van kinderen een eerste overweging vormen. Dat betekent echter niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook op de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn, maar van een dergelijke noodsituatie is vooralsnog niet gebleken."
De Relatie met Richtlijn 2003/86 (de ‘Gezinsherenigingsrichtlijn’)
“11.3.
(…).
De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat de staatssecretaris, mede gelet op artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het IVRK, een uitzondering maakt in het voordeel van minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het eigen gezin van die vreemdeling, door op hen wel het nareisbeleid toe te passen. Als de staatssecretaris beschikt over zowel een nareisaanvraag van de minderjarige kinderen als een reguliere aanvraag van de andere ouder van die kinderen, kan hij deze aanvragen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang beoordelen.”
38 Volgens dat artikel 3, lid 1, moet bij alle maatregelen betreffende kinderen rekening worden gehouden met de belangen van het kind. Bijgevolg heeft deze bepaling in het algemeen betrekking op alle beslissingen en alle handelingen die kinderen direct of indirect raken, zoals het Comité voor de rechten van het kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt [zie dienaangaande, Algemeen Commentaar nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind om zijn belangen de eerste overweging te laten vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 19].
39 Aangaande in de tweede plaats de context van artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 zij ten eerste opgemerkt dat wanneer de Uniewetgever wenst dat alleen ten aanzien van de onderdaan van een derde land tegen wie een terugkeerbesluit is vastgesteld rekening wordt gehouden met de in dit artikel 5 opgesomde elementen, dit uitdrukkelijk is bepaald.
40 Zo blijkt, anders dan uit artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115, uit artikel 5, onder c), van deze richtlijn uitdrukkelijk dat de lidstaten alleen rekening moeten houden met de gezondheidstoestand van de „betrokken onderdaan van een derde land”, dit wil zeggen uitsluitend met de gezondheidstoestand van diegene tegen wie het terugkeerbesluit is gericht.
41 Ten tweede blijkt uit artikel 5, onder b), van deze richtlijn dat de lidstaten, wanneer zij van plan zijn een terugkeerbesluit te nemen, ook rekening moeten houden met het familie- en gezinsleven. Artikel 7 van het Handvest, dat onder meer het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven betreft en waarop een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied verblijft en – zoals M. A. – de vader van een minderjarig kind is, zich kan beroepen, moet worden gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest, waarin de verplichting is opgenomen om rekening te houden met de belangen van zijn minderjarige kind [zie in die zin arrest van 26 maart 2019, SM (Onder Algerijnse kafala geplaatst kind), C‑129/18, EU:C:2019:248, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Ten derde voeren andere bepalingen van richtlijn 2008/115, zoals artikel 7, lid 2, en artikel 14, lid 1, de verplichting uit om rekening te houden met het belang van het kind, ook wanneer het betrokken besluit niet tegen dat kind is gericht.
43 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten terdege rekening moeten houden met het belang van het kind vóór zij een met een inreisverbod gepaard gaand terugkeerbesluit vaststellen, ook al is dit besluit niet gericht tegen een minderjarige, maar tegen de vader van deze minderjarige.”
HvJ EU 11 maart 2021, C‑112/20 (M.A.)
De relatie tussen de artikelen 2 en 3 IVRK
“2.9
In artikel 2 IVRK is bepaald dat de aangesloten lidstaten de in het verdrag beschreven rechten eerbiedigen en waarborgen voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid, zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. De lidstaten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.
In artikel 3 IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. De staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor, of de bescherming van, kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.
2.10
Voor zover familie [verzoekers] een beroep doet op schending van de belangen van de kinderen op grond van artikel 2 en 3 IVRK, overweegt het hof als volgt. Het uitgangspunt bij deze bepalingen is dat rechterlijke instanties bij hun beslissingen nadrukkelijk rekening houden met de belangen van kinderen en aan die belangen voorrang geven boven andere belangen tenzij die andere belangen zwaarwegender van aard zijn. Uit de stukken en hetgeen besproken is ter mondelinge behandeling blijkt dat familie [verzoekers] zeer betrokken was bij de kinderen. In de afgelopen jaren hebben zij zich ingezet voor de kinderen en hulp en steun geboden aan de kinderen. Daarbij zijn ze, onweersproken, over eigen grenzen gegaan en was er geen balans meer tussen draagkracht en draaglast. Op verzoek van henzelf zijn de kinderen daarom uit huis geplaatst. [B] heeft aangegeven op dit moment niet meer te kunnen instaan voor de veiligheid van de kinderen indien zij geplaatst zouden blijven, dan wel weer geplaatst zouden worden, bij familie [verzoekers] , zodat de voogd in het belang van de kinderen een andere plek voor hen heeft gezocht. Gelet op het vorenstaande en op de kindeigen problematiek zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in afzonderlijke gezinshuizen geplaatst. Het hof is van oordeel dat hiermee door de voogd juist is gekeken naar de belangen van de kinderen om hen een stabiele en veilige omgeving te bieden, waarin zij de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben. Daarmee is naar het hof voldaan aan de gestelde criteria van de artikelen 2 en 3 IVRK. Het hof wijst ook om die reden het verzoek van familie [verzoekers] om de kinderen bij hen terug te plaatsen af.”
Het minderjarige kind heeft het recht zich te laten vergezellen door zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger
"13.5 The Committee also notes the author’s allegations that he was not allowed to be accompanied by his legal representative, who would have defended his interests as a possible unaccompanied child migrant, during the age determination process that led to the issuance of a decree of majority. The Committee emphasizes that States parties should allow all young persons claiming to be minors to be represented by a legal representative of their choice or appoint a qualified legal representative and an interpreter where necessary, as soon as possible on their arrival and free of charge. The Committee is of the view that the provision of a representative for such persons during the age determination process is an essential guarantee of respect for their best interests and their right to be heard. 22 Failure to do so constitutes a violation of articles 3 and 12 of the Convention, as the age determination process is the starting point for the application of the Convention. The absence of timely representation can result in a substantial injustice.
13.6 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age determination procedure undergone by the author, who claimed to be a child and provided evidence to support this claim, was not accompanied by the safeguards needed to protect his rights under the Convention. Given the circumstances of the present case, in particular the fact that he was not accompanied by a representative during this procedure and the fact that the State party rejected as evidence the documents provided by the author, including his passport, without clearing up any doubts with the consular authorities of Côte d’Ivoire, the Committee is of the view that the best interests of the child were not a primary consideration in the age determination procedure undergone by the author, contrary to articles 3 and 12 of the Convention."
HRC 5 november 2019, CRC/C/82/D/17/2017 (M.T. - Spanje)
"12.8 The Committee also notes the author’s allegations that he was not appointed a guardian or representative to defend his interests as a possible unaccompanied child migrant before or during the age determination process. The Committee recalls that States parties should appoint a qualified legal representative, with the necessary linguistic skills, for all young persons claiming to be minors, as soon as possible on arrival and free of charge. The Committee is of the view that to provide a representative for such persons during the age determination process is to give them the benefit of the doubt and is an essential guarantee of respect for their best interests and their right to be heard.33 Failure to do so implies a violation of articles 3 and 12 of the Convention, as the age determination process is the starting point for the application of the Convention. The failure to provide timely representation can result in a substantial injustice."
HRC 10 juli 2019, CRC/C/81/D/16/2017 (A.L. - Spanje)
Kinderbijslag
"4.6.3. Ook het beroep op het IVRK slaagt niet. Evenals de rechtbank, verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van
23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740).
4.6.4. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het IVRK echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021 en van 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662).
4.6.5. Niet kan worden gezegd dat de Svb zich bij de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. Hierbij acht de Raad van belang dat kinderbijslag weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet zoals een uitkering ingevolge de Participatiewet. In geval de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd, dient een beroep te worden gedaan op de in het Nederlandse stelsel beschikbare noodvoorzieningen. Mede gegeven het feit dat appellant gedurende de gehele periode gezinsbijstand heeft ontvangen, is niet gebleken dat de belangen van de kinderen door de weigering van kinderbijslag in de periode tussen het tweede kwartaal van 2015 en het tweede kwartaal van 2017 in het gedrang zijn gekomen."
Vervangende toestemming voor deelname minderjarige aan Rijks Vaccinatie Programma (RVP)
"5.11 De moeder voert aan dat het verlenen van vervangende toestemming voor deelname van de kinderen aan het RVP in strijd is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 EVRM en het recht van ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 5 IVRK en 14 IVRK. De moeder is van mening dat de kinderrechter onvoldoende heeft stilgestaan bij de belangenafweging en ten onrechte artikel 3 lid 1 IVRK heeft laten prevaleren.
5.12 Het hof stelt voorop dat artikel 9 EVRM de mogelijkheid biedt in noodzakelijke, bij de wet voorziene gevallen, beperkingen aan te brengen op de vrijheid van godsdienst. Hieraan is in dit geval voldaan. Wat de belangenafweging betreft stelt het hof vast dat tegenover het belang van de moeder bij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het recht van de ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid het belang van de vader staat. Hij wil juist wel dat de kinderen worden ingeënt ter voorkoming van onnodige risico’s voor de gezondheid van de kinderen. Ook zijn recht om de kinderen op te voeden volgens zijn overtuigingen dient gerespecteerd te worden. Het belang van de moeder kan niet zwaarder wegen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belang van de kinderen om niet besmet te worden met een van de ernstige in het RVP opgenomen infectieziektes in dit geval, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, het zwaarst moet wegen. Dat betekent dat het verzoek van de vader wordt toegewezen."
“5.1 [de minderjarige] beseft dat zij als minderjarige in beginsel procesonbekwaam is, maar meent dat zij in deze zaak wel ontvangen zou moeten worden in haar hoger beroep. Een minderjarige kan zelfstandig in appel tegen een (afwijzende) beslissing ex artikel 1:250 BW. Het is dan passend om de minderjarige ook die zelfstandige positie te geven als het gaat om beslissingen als gevolg van die benoeming ex artikel 1:250 BW. De huidige bijzondere curator rekent het instellen van dit hoger beroep niet tot haar taak. Daarnaast is sprake van een informele rechtsingang. [de minderjarige] heeft met haar brief voor de zitting in eerste aanleg van 15 april 2019 een aantal onderwerpen onder de aandacht van de kinderrechter gebracht die vallen onder het bereik van artikel 1:377g BW. De rechter heeft hierop ook beslissingen genomen. Op grond van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de verzoeker het recht om hoger beroep in te stellen. Daarbij geldt dat inmiddels door de Hoge Raad geaccepteerd is dat artikel 1:377g BW ook in appel van toepassing is. Weliswaar heeft de Hoge Raad daarbij overwogen dat het appel door een ander dan de minderjarige moet zijn ingesteld, maar dat zou in deze situatie ook mogelijk moeten zijn. Zou dat niet mogelijk zijn, dan zou sprake zijn van een ongelijke situatie die juridisch niet te verklaren is en die in strijd komt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 3, 9, 12, 18, 20 en 25 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).
Mocht [de minderjarige] desondanks als procesonbekwaam worden aangemerkt, dan dient alsnog een bijzondere curator te worden benoemd om haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en deze procedure omtrent het herstel van het gezag en de omgang namens haar te voeren. [de minderjarige] ’s toenmalige bijzondere curator zag daar namelijk geen taak voor zich weggelegd.”
Voor recht op omgang met het kind is biologisch ouderschap onvoldoende
"5.6
Voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven is het biologisch ouderschap alleen niet voldoende. Er moet sprake zijn van bijkomende feiten en omstandigheden die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader. Het hof is van oordeel dat de biologische vader voldoende heeft onderbouwd dat hiervan sprake is. De biologische vader heeft in december 2015, dus twee maanden na de geboorte van [de minderjarige] , reeds een verzoekschrift tot erkenning ingediend. Nadat DNA-onderzoek in september 2016 had uitgewezen dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , heeft de biologische vader in oktober 2016 een omgangsverzoek ingediend. De biologische vader spant zich inmiddels al bijna vijf jaar lang in om contact met [de minderjarige] te krijgen. Zijn wens tot omgang is aantoonbaar en serieus. Hieruit volgt dat de beslissing over de vraag of er een contactregeling moet komen tussen de biologische vader en [de minderjarige] een inmenging op zijn recht op private life als bedoeld in artikel 8 EVRM vormt. Dit maakt dat de biologische vader recht heeft op een inhoudelijke belangenafweging bij de beoordeling van zijn verzoek tot omgang met [de minderjarige] en dat hij in voldoende mate bij de besluitvorming moet worden betrokken (artikel 6 EVRM). Daarbij moeten ook de belangen van [de minderjarige] en zijn juridische ouders worden meegewogen (zoals het recht op bescherming van hun sociale werkelijkheid en gezinsleven) waarbij op grond van artikel 3 IVRK het belang van [de minderjarige] voorop staat."
“4.6. Appellant heeft verder aangevoerd dat Y recht heeft op een toereikende levensstandaard, zoals is neergelegd in de artikelen 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), in verbinding met de artikelen 2 en 3 van het IVRK. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de weigering om voor een hoger bedrag bijzondere bijstand te verlenen onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van Y. Appellant heeft niet concreet gemaakt waarom en in welk opzicht de door hem genoemde verdragsbepalingen zijn geschonden. Daarbij komt dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, omdat die bepaling onvoldoende concreet is. Vergelijk de uitspraak van 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2842.”
De beroepsgrond van appellanten dat bij de beoordeling of sprake is van zeer dringende redenen om hen bijstand te verlenen, het inkomen van hun grootouders geen rol mag spelen slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank dat het college bij de (her)beoordeling van het recht op bijstand de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB: 2016:1098 terecht in aanmerking heeft genomen, is juist. Uit deze uitspraak volgt dat bij minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen, moet worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze verdragsbepalingen moeten worden bezien in samenhang met de overige bepalingen van het IVRK. Daarbij is van belang dat ingevolge artikel 27, tweede lid, van het IVRK de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, ligt bij de ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind. In dit geval was de grootmoeder ten tijde van belang als voogdes verantwoordelijk voor appellanten. De grootouders zorgden samen feitelijk voor appellanten. Het college diende daarom de financiële mogelijkheden van de grootouders, waaronder het inkomen van de grootvader uit het pgb, bij de beoordeling te betrekken. De omstandigheid dat het inkomen van pleegouders niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of pleegouders recht hebben op een pleegzorgvergoeding op grond van de van toepassing zijnde jeugdzorg-wetgeving maakt dat niet anders. Verder brengt de enkele omstandigheid dat de zorg die de grootouders verlenen vergelijkbaar is met zorg die pleegouders verlenen niet mee dat een zeer dringende reden bestond om appellanten bijstand te verlenen."
"18.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen, bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
De gaswinning uit het Groningenveld heeft ingrijpende gevolgen voor de mensen die in het aardbevingsgebied leven en daarmee ook voor de kinderen in dat gebied. Of dat ook betekent dat het instemmingsbesluit moet worden beschouwd als een maatregel betreffende kinderen in de zin van artikel 3, eerste lid, van het IVRK laat de Afdeling in het midden. Ook als daarvan wordt uitgegaan, kan namelijk niet worden geoordeeld dat de afweging van de minister te beperkt is geweest in het licht van artikel 3. De minister heeft de belangen van kinderen in het aardbevingsgebied in zijn afweging betrokken op dezelfde wijze als de belangen van andere mensen in dat gebied, namelijk door de kans op overlijden als gevolg van de gaswinning aan de hand van een concrete norm op aanvaardbaarheid te beoordelen en daarnaast via de beslissing van het kabinet om op zo kort mogelijke termijn tot een volledige beëindiging van de gaswinning te komen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich, door voor die wijze van afweging te kiezen, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat ook veel kinderen in het aardbevingsgebied ingrijpende gevolgen van de gaswinning ondervinden.
Zoals hiervoor, onder 14.2 en 17 is overwogen, betekent de keuze van de minister voor deze wijze van afweging wel dat de minister gehouden is om te motiveren op welke wijze de beëindiging van de gaswinning op zo kort mogelijke termijn plaats zal vinden en brengt de toepasselijkheid van de in de artikelen 2 en 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM opgenomen grondrechten daarbij mee dat aan die motivering hoge eisen gesteld moeten worden. Artikel 3 van het IVRK brengt in zoverre echter geen andere of hogere eisen met zich voor die motivering dan de eisen die reeds volgen uit de toepasselijkheid van voornoemde grondrechten."
ABRvS 3 juli 2019, 201810054/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:2217
Geslachtsnaamwijziging
"3. Artikel 6 van het Besluit luidde ten tijde van de besluiten van de minister: "Een verzoek tot geslachtsnaamswijziging (…), kan worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden." De minister maakte bij de beoordeling van een aanvraag om een geslachtsnaamswijziging op grond van artikel 6 van het Besluit gebruik van een vaste gedragslijn die hij heeft neergelegd in de Bijsluiter. De Bijsluiter duidt ‘ernstige schade van geestelijke en/of lichamelijke gezondheid’ aan met het begrip ‘psychische hinder’. Degene die om een geslachtsnaamswijziging verzoekt, hoeft deze psychische hinder niet met een schriftelijke verklaring van een onafhankelijke deskundige aan te tonen als de ouder aan wie de verzoeker de geslachtsnaam ontleent onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf tegen onder anderen een familielid in de eerste of tweede graad van verzoeker, als het gaat om een misdrijf zoals omschreven in titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft deze vaste gedragslijn in de Bijsluiter terecht niet onredelijk of in strijd met de wet geacht. De minister beschikt op grond van artikel 6 van het Besluit over beoordelingsruimte om vast te stellen of het achterwege blijven van een geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate schaadt. De minister heeft hierbij kennelijk aansluiting gezocht bij artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 1, van het Besluit. Artikel 3 van het Besluit voorziet in regels voor het wijzigen van de geslachtsnaam van een minderjarige in de geslachtsnaam van een persoon wiens naam hij niet heeft op de grond dat deze persoon gedurende een bepaalde periode hem heeft verzorgd en opgevoed. Het hiervoor vermelde artikelonderdeel bepaalt dat de minister het verzoek om een geslachtsnaamswijziging afwijst indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van een minderjarige jonger dan 12 jaar, tenzij de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. Ter invulling van zijn bevoegdheid op grond van artikel 6 van het Besluit heeft de minister in de Bijsluiter aangesloten bij de dezelfde categorie misdrijven. Hoewel de minister de kring van personen ten aanzien van wie het gepleegde misdrijf is begaan weliswaar heeft uitgebreid naar onder anderen familieleden in de eerste en tweede graad, heeft hij die kring beperkt tot degenen die dicht bij de verzoeker van de geslachtsnaamswijziging staan. Uit de beperking tot een specifieke categorie misdrijven en de beperking van de kring tegen wie het misdrijf is gepleegd, volgt dat de minister een terughoudende houding aanneemt bij het wijzigen van de geslachtsnaam op grond van artikel 6 van het Besluit. De minister sluit met deze werkwijze aan bij de nota van toelichting bij het Besluit, waarin staat dat de minister bij minderjarigen jonger dan 12 jaar terughoudend met een geslachtsnaamswijziging moet omgaan en daaraan goede redenen ten grondslag moet leggen (Stb. 2004, 100). Er is geen strijd met artikel 3 van het IVRK, op grond waarvan bij maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen, omdat de minister zich gelet op het voorgaande voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
De bijzondere curator beroept zich namens [de minderjarige1] op de bescherming van het privé- en familieleven en het recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3, 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
[de minderjarige1] is inmiddels elf jaar oud. Zij identificeert zich al haar hele leven met haar geslachtsnaam, ‘ [verzoekster] ’. De bijzondere curator verwacht dat het grote gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] als haar geslachtsnaam wordt gewijzigd in die van haar vader, ‘ [verweerder] ’. Haar vader heeft jarenlang niet naar haar omgekeken en zij voelt zich door hem in de steek gelaten. Een wijziging van haar geslachtsnaam waar zij niet om heeft gevraagd, waar zij geen actief aandeel in heeft gehad en die zij niet wenst roept bij haar dan ook hevige emoties op.
5.7
Het hof acht in beginsel geen gronden aanwezig om de vader geen vervangende toestemming voor erkenning te verlenen. De bestreden beschikking zou in zoverre dan ook in stand kunnen blijven. Echter, in de gevolgen van de erkenning door de vader op de geslachtsnaam van [de minderjarige1] ziet het hof aanleiding om een nuancering aan te brengen in het oordeel van de rechtbank. Het hof licht dit als volgt toe."
“5.3 Hoewel het woord ‘kan’ in de eerste zin van artikel 1:207 BW anders doet vermoeden, volgt uit de rechtspraak dat er bij gerechtelijke vaststelling van (in dit geval) het vaderschap geen afweging dient plaats te vinden van de belangen van het kind (bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap) tegenover de belangen van de verwekker bij het uitblijven van die vaststelling. De belangen van het kind dienen voorop te staan bij het nemen van een beslissing als de onderhavige. Dit volgt ook uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Naar het oordeel van het hof is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet in het belang van [de minderjarige].”
Hoewel het woord ‘kan’ in de eerste zin van artikel 1:207 BW anders doet vermoeden, volgt uit de rechtspraak dat er bij gerechtelijke vaststelling van (in dit geval) het vaderschap geen afweging dient plaats te vinden van de belangen van het kind (bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap) tegenover de belangen van de verwekker bij het uitblijven van die vaststelling. De belangen van het kind dienen voorop te staan bij het nemen van een beslissing als de onderhavige. Dit volgt ook uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Naar het oordeel van het hof is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet in het belang van [de minderjarige].”
Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] om de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen. De gezagsbeëindiging vormt weliswaar een inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen [de minderjarige] en zijn ouders, maar is in het belang van de gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige] gerechtvaardigd. Het belang van [de minderjarige] kan niet op een minder ingrijpende manier - in het vrijwillig kader, zoals de ouders graag willen - worden beschermd. Het recht van [de minderjarige] op een ongestoorde hechting vloeit voort uit artikel 3 en artikel 20 van het IVRK. Het is belangrijk dat de hechting van [de minderjarige] in het pleeggezin niet in gevaar wordt gebracht. Het risico daarop acht het hof groot wanneer de verantwoordelijkheid voor de gecompliceerde opvoeding en verzorging van [de minderjarige] bij de ouders blijft die daarvoor onvoldoende zijn toegerust. Het hof zal het verzoek van de ouders in hoger beroep derhalve afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.”
Tussen partijen is in geschil of verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te voorzien. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit wel het geval. Verzoekster moet in staat worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Zij heeft immers de Nederlandse nationaliteit en beschikt over een uitkering op grond van de Participatiewet, waarmee zij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Verzoekster heeft voorts ook in hoger beroep vooralsnog geen onderbouwing gegeven voor haar standpunt dat zij psychische problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving waardoor zij niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Dat zij, zoals ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken, zich in diverse regio’s voor een woning heeft ingeschreven en er desondanks nog niet in is geslaagd om een woning te vinden, duidt eerder op schaarste op de woningmarkt. Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651).
4.5.
Verzoekster heeft een beroep gedaan op diverse verdragsbepalingen. Gelet op wat de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3446) over het bepaalde in artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK zal dit beroep in de bodemprocedure naar verwachting niet slagen. De voorzieningenrechter wijst er voorts op dat de situatie in het arrest van 21 september 2012 van de Hoge Raad geheel anders was dan hier aan de orde: in dat arrest ging het om een niet rechtmatig in Nederland verblijvend gezin zonder financiële middelen.
4.6.
Gelet op 4.4 tot en met 4.5 zal de aangevallen uitspraak waarschijnlijk in stand blijven. Daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, laat staan op grond van de verwijzing naar de lopende cassatieprocedure tegen de genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag."
Artikel 3 IVRK garandeert geen recht op woonruimte
"4.7.
Vervolgens rijst de vraag of het college door de weigering om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang te verstrekken artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK heeft geschonden.
4.7.1.
De Raad stelt voorop dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 januari 2001 (Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 27238/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. De enkele omstandigheid dat appellanten in de periode in geding geen woonruimte hebben gevonden, maakt dus niet dat het college op grond van deze bepaling gehouden is appellanten opvang te verstrekken."
"4.1. Het college kan in gevallen waarin toepassing van de Hvv naar zijn oordeel tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, afwijken van de Hvv. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in de situatie van [appellant] in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om onder toepassing van de hardheidsclausule het verzoek om inschrijftijdverlening in te willigen. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat de situatie van [appellant] weliswaar geen makkelijke is, maar dat zijn situatie niet wezenlijk verschilt van vele andere gescheiden ouders met jonge kinderen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat de kinderen van [appellant] bij hun moeder wonen en aan haar zijn toegewezen, dat [appellant] onderdak heeft en dat niet is gebleken dat hij niet aan zelfstandige woonruimte kan komen op het moment dat zijn thuissituatie onhoudbaar wordt. Voorts is geen sprake van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK. Niet gebleken is dat het college zich van de belangen van de kinderen van [appellant] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de minderjarige kinderen bij de moeder verblijven en dat invulling van de omgangsregeling tussen [appellant] en zijn kinderen mogelijk is, waardoor contact met [appellant] mogelijk blijft, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4150. Anders dan [appellant] aanvoert, heeft zowel het college als de rechtbank de persoonlijke situatie van [appellant] beoordeeld.”
“9. De opsteller van het advies van Leijten & Van Hoek heeft de woning van de tante bezocht en heeft daar met [appellante] en de tante gesproken. In het advies is geconcludeerd dat de woning van de tante adequaat is voor bewoning door twee volwassenen en drie kinderen. [appellante] bestrijdt deze conclusie op zichzelf niet. Verder blijkt uit het advies dat onder ogen is gezien dat de tante heeft gezegd dat [appellante] slechts tijdelijk bij haar kon wonen. Desondanks is in het advies geconcludeerd dat op dat moment geen sprake was van een woonnoodsituatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich mede op grond van dit advies in het besluit van 18 juni 2020 op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van een woonnoodsituatie die zodanig ernstig is dat het onverantwoord is om deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan. De verklaring van de huisarts en de brief van de tante geven geen aanleiding voor een ander oordeel. In de verklaring van de huisarts staat dat [appellante] overspannenheidsklachten heeft door alle gebeurtenissen die zij had meegemaakt en dat het voor haar en natuurlijk ook voor haar dochter van groot belang is dat er snel een stabiele woonsituatie is. Het is, zoals het college ook heeft gesteld, begrijpelijk dat [appellante] bij het vinden van een nieuwe woning stress en onrust ervaart. Dit maakt echter niet dat het onverantwoord moest worden geacht om de inwoning bij de tante langer dan vier maanden te laten duren. In de brief van de tante maakt zij duidelijk dat zij gezien haar omstandigheden geen mogelijkheid zag om Romy voor langere tijd bij haar te laten wonen. Ook deze brief maakte echter ten tijde van het besluit van 18 juni 2020 niet duidelijk dat de inwoning bij de tante niet ten minste vier maanden kon duren. Dat [appellante] inmiddels niet meer bij haar tante kan verblijven en dat de situatie dus anders is dan het college destijds verwachtte, maakt het besluit van het college van destijds niet onjuist.
10. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan [appellante] stelt, het college bij de besluitvorming heeft betrokken dat de tante duidelijk had gemaakt dat de inwoning van [appellante] slechts tijdelijk kon zijn. De rechtbank is [appellante] terecht niet gevolgd in het betoog dat het besluit van het college in strijd is met artikel 3 van het IVRK omdat de belangen van haar dochtertje niet zouden zijn meegewogen.
11. Gelet op het woord "kunnen" in artikel 10b, derde lid, van de Huisvestingsverordening beschikt het college over beleidsruimte bij het verlenen van noodurgentieverklaringen. Dat betekent dat het college niet verplicht is om een noodurgentieverklaring te verlenen indien zich een in die bepaling omschreven situatie voordoet. Het college kan nog een nadere afweging maken en besluiten om de noodurgentieverklaring niet te verlenen. Het college heeft deze beleidsruimte ingevuld met de in artikel 20 van het Reglement neergelegde beleidsregels. Daarin staat onder meer wanneer het beëindigen van samenwoning aanleiding kan zijn voor het verlenen van een noodurgentieverklaring. Indien iemand voorafgaand aan het samenwonen onzelfstandig woonde, is dat pas het geval indien de samenwoning ten minste twee jaar heeft geduurd. Heeft de samenwoning korter geduurd, dan wordt iemand geacht weer onzelfstandig te kunnen gaan wonen. Er is geen grond voor het oordeel dat de Huisvestingsverordening het college geen ruimte bood voor het stellen van deze eis of dat deze eis onredelijk is. Ook is het toepassen van deze eis in dit geval niet onredelijk. [appellante] wordt niet gevolgd in de stelling dat een onzelfstandige woonsituatie onmogelijk is omdat zij nu een dochtertje heeft.
12. Verder mocht het college zich op het standpunt stellen dat [appellante] ook zelf verantwoordelijk is voor de situatie dat zij geen woning meer heeft. Binnen heel korte tijd nadat [appellante] te horen kreeg dat haar toenmalige partner gedetineerd was in Frankrijk, heeft zij de huur van de woning opgezegd en is zij uit de woning vertrokken. Met het overleggen van twee brieven van een vriendin en een nichtje, waarin staat dat het voor hen geen optie was om de woning samen met [appellante] te huren, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij alles heeft gedaan wat van haar kon worden gevergd om in de woning te kunnen blijven wonen.
13. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het college de in artikel 24 van de Huisvestingsverordening neergelegde hardheidsclausule had moeten toepassen. Dat door de weigering van de noodurgentieverklaring de onzekerheid van [appellante] over haar woonsituatie niet wordt verminderd, betekent niet dat sprake is van bijzondere hardheid. Verder was van de door [appellante] genoemde dakloosheid in elk geval ten tijde van het besluit van 18 juni 2020 geen sprake.
14. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college mocht weigeren om [appellante] een noodurgentieverklaring te verlenen.”
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk.
5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van [appellante] of haar dochter niet dusdanig uitzonderlijk is dat [appellante] een urgentieverklaring zou moeten krijgen."
"4.6.3. Ook het beroep op het IVRK slaagt niet. Evenals de rechtbank, verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van
23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740).
4.6.4. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het IVRK echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021 en van 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662."
“4.3.Uit 4.2 volgt dat het college, anders dan appellanten aanvoeren, bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Het beroep van appellanten op artikel 3 en 6 van het Internationaal Verdraginzake de rechten van het kind noopt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zoals vaker overwogen (zie de uitspraak van 24 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4204) staan die verdragsrechtelijke bepalingen, nog daargelaten de verbindendheid daarvan, niet eraan in de weg dat het college gegevens opvraagt en, bij het ontbreken van die gegevens, een aanvraag buiten behandeling stelt.”
In het kader van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:662). Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kleindochter van [appellant]. De belangen van de kleindochter van [appellant] zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening. Bij die afweging speelt mee dat de dochter van [appellant] ervoor gekozen heeft om haar ouders en broer bij haar in huis te nemen. Hoewel dat een te respecteren keuze is, is door die keuze de voor beide gezinnen ongewenste woonsituatie ontstaan. Het ligt binnen de mogelijkheden van de dochter van [appellant] om deze situatie te veranderen. [appellant] kan het college om die reden dan ook niet tegenwerpen dat het onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van de kleindochter van [appellant]. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het IVRK overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kin
d dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
"9. Uit jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 13 april 201511., blijkt dat op grond van artikel 3 van het IVRK bij alle maatregelen over kinderen de belangen van dat kind moeten worden betrokken. Door de bestuursrechter dient in dit verband - terughoudend - te worden getoetst, of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochters van eiser. Daarbij heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tussen 2013 en 2018 contact had met [naam] of zijn twee andere dochters of dat hij heeft geprobeerd om dat contact zo spoedig mogelijk te herstellen. Eisers beroep op artikel 24 van het Handvest leidt niet tot een ander oordeel nu dit artikel overeenkomstig artikel 3 van het IVRK dient te worden geïnterpreteerd. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het weigeren van de gevraagde verblijfsvergunning aan eiser niet in strijd is met het hogere belang van zijn dochters."
"9.4 The Committee also notes the author’s claim based on article 3 of the Convention, referring to the fact that returning the author to Pakistan would be against the best interests of the child, placing him at risk of separation from his mother, and that Danish authorities did not take the author’s particular circumstances into account during relevant procedures. However, the Committee takes note of the State party’s arguments that due consideration was given to the author’s best interests throughout all relevant procedures, considering his particular circumstances (including his age, school attendance, language skills and family situation) as an integral part of those procedures and that the author has failed to identify any concrete irregularity in the decision-making process or risk factors for which the Danish authorities have failed to properly consider.
9.5 The Committee recalls that the assessment of the existence of a risk of serious violations of the Convention in the receiving State should be conducted in an age- and gender-sensitive manner, that the best interests of the child should be a primary consideration in decisions concerning the return of a child, and that such decisions should ensure that the child, upon return, will be safe and provided with proper care and enjoyment of rights. 9 The best interests of the child should be ensured explicitly through individual procedures as an integral part of any administrative or judicial decision concerning the return of a child.
9.6 The Committee also recalls that it is generally for the organs of the States parties to the Convention to review and evaluate facts and evidence in order to determine whether a risk of a serious violation of the Convention exists upon return, unless it is found that such evaluation was clearly arbitrary or amounted to a denial of justice.
9.7 In the present case, the Committee notes that the Danish Refugee Appeals Board and the Immigration Appeals Board have assessed the authors’ new ground for requesting asylum, namely, the alleged threats made by the author’s paternal relatives in Pakistan, together with the author’s particular circumstances, but rejected this ground, considering it unreliable and elaborative. These organs concluded that the author would not face a risk of being separated from his mother if returned to Pakistan and that it was in the author’s best interest to remain with his mother."
CRC 8 november 2019, CRC/C/82/D/36/2017 (A.S. - Denemarken)
"5.2. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat uitbreiding van de omgangsregeling thans niet in het belang is van [de minderjarige] . [de minderjarige] volgt sinds kort (speciaal) basisonderwijs en is sinds een jaar van de sondevoeding af. [de minderjarige] lijkt dan ook kleine stapjes vooruit te maken. Dat laat echter onverlet dat zij een kind is dat veel extra zorg behoeft, gelet op haar verstoorde prikkelverwerking en ernstige eetproblemen. Zoals hiervoor is weergegeven, is [de minderjarige] na de omgangsmomenten zeer vermoeid en vertoont zij nog meer weerstand tegen eten dan zij gewoonlijk, als gevolg van haar eetproblematiek, al doet. Daarbij heeft zij nadien dagenlang nachtmerries. Het hof ziet onvoldoende reden te twijfelen aan de waarnemingen van de jeugdzorgwerker, de pleegzorgwerker en de pleegouders (die in onderling verband en samenhang worden beschouwd) op dit punt. Het verzoek van de moeder om de omgangsregeling uit te breiden zal dan ook worden afgewezen. Voldoende aannemelijk is dat [de minderjarige] uitbreiding van de omgang niet aankan.
Hetgeen de moeder heeft aangevoerd ten aanzien van de artikelen 8 EVRM en 3 en 9, lid 3 IVRK stuiten af op hetgeen hiervoor is overwogen."
Uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen bij beslissingen als de onderhavige."
Het beroep op de artikelen uit de internationale verdragen baat de ouders niet, reeds nu het hiervoor besprokene daarop in de concrete omstandigheden van dit geval een gerechtvaardigde inbreuk vormt. Artikel 3 lid 1 van het IVRK dat het belang van het kind centraal stelt, vormt bovendien juist een grond voor het hof om te beslissen zoals het thans doet. Het betreft hier, gezien de overgelegde stukken en gehoord de hierop in hoger beroep gegeven mondelinge toelichting, de voor [minderjarige 1] geëigende wettelijke bescherming (zie ook hierboven).”
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2019, 200.248.049_01 en 200.244.498_01, ECLI:NL:GHSHE:2019:350
"4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter enkel of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus
bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de verrekeningsbevoegdheid onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind
van appellant. Anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is het enkele gegeven dat het kind van appellant bij hem inwoont, gelet op artikel 3 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet over drie maanden had mogen verrekenen. Daartoe is
van belang dat het college de vaste lasten van appellant heeft doorbetaald en appellant in augustus tot en met oktober 2015 naast de bijstand middelen heeft ontvangen. Appellant heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de
belangen van zijn kind desondanks door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellant op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook niet."
"4.5 Appellante heeft voorts aangevoerd dat, nu ten tijde van het besluit van 13 februari 2017 in haar bijstand ook haar jongste en toen nog minderjarige kind in haar bijstand was begrepen, de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 3 van het internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter aan de hand daarvan of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de kostendelersnorm onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het jongste kind van appellante. Hierbij wordt gewezen op het onder 1.5 vermelde beleid van het college, op grond waarvan het college de aan appellante verleende bijstand met toepassing van de kostendelersnorm heeft verhoogd. Tevens moet daarbij in aanmerking worden genomen dat appellante niet concreet heeft gemaakt waarom en in welk opzicht onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de belangen van haar jongste kind."
Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter enkel of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de verrekeningsbevoegdheid onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van appellant. Anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is het enkele gegeven dat het kind van appellant bij hem inwoont, gelet op artikel 3 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet over drie maanden had mogen verrekenen. Daartoe is van belang dat het college de vaste lasten van appellant heeft doorbetaald en appellant in augustus tot en met oktober 2015 naast de bijstand middelen heeft ontvangen. Appellant heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van zijn kind desondanks door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellant op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook niet.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt."
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt."
"8. De vader klaagt in zijn tweede grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de moeder het geschil omtrent de zorgregeling via de weg van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) had moeten aanbrengen, dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de door hem aangehaalde jurisprudentie en doctrine, op artikel 1:247 lid 3 BW en op de artikelen 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).
9. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat de vader bij de voorzieningenrechter een beroep heeft gedaan op de door hem thans genoemde verdrags- en wetsartikelen. De (voorzieningen)rechter is vrij in het vonnis de motivering op te nemen die hij wenst en die de beslissing kan dragen. Zowel de vordering van de vader in eerste aanleg, te weten de veroordeling van de moeder mee te werken aan de overeengekomen zorgregeling, als de reconventionele vordering van de moeder, strekkende tot ontzegging van het contact, is materieel te beschouwen als een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW, waarbij de verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW wordt betrokken. Het hof leidt uit de overwegingen in het bestreden vonnis af dat de voorzieningenrechter deze geschillen op de voet van voornoemd artikel heeft beoordeeld. De voorzieningrechter heeft bij de beoordeling van de geschillen het belang van de minderjarige vooropgesteld, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3 en 9 IVRK. Het hof acht de beslissing van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. De tweede grief van de vader faalt daarom."
"2.4.1. De Afdeling verstaat dit betoog aldus dat de staatssecretaris volgens de vreemdeling niet heeft voldaan aan artikel 3 van het IVRK. Voor zover dit artikel al een direct toepasbare norm inhoudt, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Anders dan de vreemdeling betoogt, geeft het besluit van 13 december 2007 er geen blijk van dat de staatssecretaris bezien in het licht van die verdragsbepaling onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de vreemdeling. De beroepsgrond faalt derhalve.
2.5. Het inleidende beroep van de vreemdeling is ongegrond."
"5.6 Er is geen basis voor een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader en de vader erkent dat het toekomstperspectief van [de minderjarige] niet bij hem ligt. Daarmee kan het doel van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing, te weten het toewerken naar een terugplaatsing van de minderjarige bij (één van) de ouders, niet meer bereikt worden. Anders dan de vader betoogt, acht het hof daarnaast aannemelijk dat, nu [de minderjarige] over een aantal maanden de twaalfjarige leeftijd bereikt en zij dan jaarlijks zal worden opgeroepen voor een kindgesprek in het kader van de jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, dit voor haar voor veel onrust zal zorgen. Het is van groot belang dat voor [de minderjarige] duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen jaren verschillende pogingen ondernomen om een geschikte perspectief biedende plaats voor [de minderjarige] te vinden, waarbij zij uiteindelijk zou kunnen wonen in een gezinshuis. De gecertificeerde instelling is daar nog niet in geslaagd, mede omdat [de minderjarige] gelet op haar ernstige (hechtings)problematiek specifieke behoeften heeft. Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat voor haar duidelijk is dat de gecertificeerde instelling haar baken wordt voor de komende jaren en dat zij onder begeleiding daarvan verder zal opgroeien. Dit – mede door artikel 3 IVRK gewaarborgde – belang van [de minderjarige] weegt zwaarder dan het belang van de vader om voorlopig belast te blijven met het gezag over [de minderjarige] . Het hof betreurt dat er nog geen perspectief biedende plek beschikbaar is voor [de minderjarige] , maar zulks neemt niet weg dat zij er belang bij heeft om thans te weten dat zij niet zal opgroeien bij haar vader en moeder."
Ten aanzien van het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.”
Het hof overweegt vervolgens dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van haar verzorging en opvoeding ten tijde van de bestreden beschikking, en dat nu nog steeds is. Gelet op de ernstige zorgen die er waren rondom [minderjarige] heeft de rechtbank de bestreden beschikking op de goede gronden verleend. Voorts staat vast dat de moeder op dit moment in de vrouwenopvang verblijft en niet voor [minderjarige] kan zorgen, hetgeen door de moeder wordt bevestigd. Ten aanzien van het beroep van de moeder op artikel 23 IVRPH, artikel 3 en 10 IVRK en artikel 8 EVRM overweegt het hof dat voldoende vast is komen te staan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] en dat voornoemde bepalingen zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
Het hof overweegt ten overvloede dat de vader heeft aangegeven een grotere rol in het leven van [minderjarige] te willen spelen. Hoewel dit niet voorligt, geeft het hof de GI en de vader mee hierover in nader overleg te treden.
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen."
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt. Artikel 34 IVRK bepaalt ook uitdrukkelijk dat de bij het Verdrag aangesloten staten verplicht zijn het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik."
Ambulante hulpverlening versus (verlenging van) uithuisplaatsing
"3.11.6.
Tegelijkertijd bestaat nog grote onduidelijkheid over de (thuis)situatie van de moeder. De GI heeft nog geen zicht kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden, de draagkracht en draaglast van de moeder. De moeder heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij bij het GGZ is getest en dat daaruit enkel is gebleken dat zij kampt met geheugenproblemen, maar de moeder heeft nagelaten deze informatie voldoende concreet - en voorzien van een schriftelijke rapportage - te onderbouwen. Dat lag wel op haar weg. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of de onderzoeksresultaten op schrift zijn gesteld, en de advocaat van de moeder was niet op de hoogte dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Anders dan de GI heeft verklaard, zijn volgens de moeder de resultaten van het onderzoek tijdens een MDO mondeling met de gezinsvoogd gedeeld. De GI heeft verklaard niet bekend te zijn met de onderzoeksresultaten en deze wel nodig te hebben om te beoordelen welke hulp en ondersteuning de moeder en de kinderen nodig hebben. De GI kan - vanwege privacy-redenen - deze onderzoeksresultaten niet zelf bij het GGZ opvragen. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om alles in het werk te stellen om de onderzoeksresultaten op schrift te krijgen en deze over te leggen aan de GI en het hof. Dat de moeder dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.
Verder bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de (woon)omstandigheden van de moeder. De moeder heeft na de relatiebreuk met haar partner een periode in [instantie 2] gewoond. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij sinds mei 2021 weer zelfstandig woont, maar dat zij nog steeds iedere week begeleiding krijgt van [instantie 2] voor sociale zaken en financiële zaken. Ook heeft de moeder gesteld dat wanneer de kinderen thuis zouden worden geplaatst zij door middel van urgentie op korte termijn zou kunnen beschikken over een andere grotere woning. Verder heeft de moeder verklaard dat zij weer samen is met haar partner, maar dat zij (nog) niet samenwonen.
Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet, dan wel onvoldoende is gebleken dat de moeder op dit moment de kinderen de veilige, stabiele en rustige opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig hebben tijdens hun onderzoeken, behandelingen en herstel. Omdat het gezinshuis de kinderen deze opvoedingssituatie wel kan bieden moet de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis worden voortgezet en is een thuisplaatsing van de kinderen niet aan de orde.
3.11.7.
Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de moeder van oordeel, dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en kan niet worden volstaan met ambulante hulpverlening. De verlenging van de uithuisplaatsing levert daarom geen schending van artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK op."
"15. Het hof neemt in dit kader voorts in aanmerking dat een bevel tot teruggeleiding onder de hiervoor geschetste omstandigheden - te weten teruggeleiding van een zeer jong en kwetsbaar kind waarbij de kans groot is dat zij gescheiden zal worden van haar primaire hechtingsfiguur, te weten de moeder - in strijd zou zijn met de belangen van de minderjarige. Die belangen dienen op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) - dat in juridische zin van gelijke orde is als het HKOV - de eerste overweging te vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen. Ook op die grond acht het hof een bevel tot teruggeleiding onaanvaardbaar.
16. Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een weigeringsgrond in de zin van artikel 13 lid 1 sub b HKOV, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Hetgeen voor het overige over en weer naar voren is gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft derhalve geen bespreking meer."
Andere belangen kunnen zwaarder wegen dan het belang van het kind
"5.6. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen (artikel 3 IVRK)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2021, 200.279.218, ECLI:NL:GHARL:2021:320
Alleen minderjarige kinderen vallen binnen de reikwijdte van het IVRK
"4.6. De beroepsgrond dat toepassing van de kostendelersnorm in strijd komt met de artikelen 3 en 27 van het IVRK en artikel 3 van het EVRM, slaagt ook niet. Voor [X] kan appellante geen beroep doen op schending van de artikelen 3 en 27 van het IVRK, omdat haar dochter ten tijde van de besluitvorming meerderjarig was. Zij valt gelet op artikel 1 van het IVRK niet onder de reikwijdte van het IVRK. Nu appellante geen enkel inzicht in de financiële situatie van haar en haar partner en van [X] heeft gegeven en haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, is reeds daarom niet vast te stellen of, voor wat betreft het belang van haar kleinkind, de artikelen 3 en 27 van het IVRK zijn geschonden, nog daargelaten dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die in het onderhavige geval vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende nauwkeurig zijn omschreven om in dit geschil als objectief recht te worden toegepast. Ook voor het beroep op artikel 3 van het EVRM geldt dat appellante haar beroep op schending van dat artikel onvoldoende heeft onderbouwd."
"6.2. In artikel 3 IVRK eerste lid is kortgezegd bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Deze ruim geformuleerde norm biedt zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving geen basis voor het geven van het door de man bestreden, ambtshalve gegeven oordeel. De Nederlandse rechter heeft ook niet op andere gronden de mogelijkheid om het ouderlijk gezag in situaties als deze ambtshalve te schorsen.
Evenmin is naar intern Nederlands recht schorsing van het gezag op vordering of verzoek van de mede gezaghebbende ouder mogelijk. De grief van de vrouw, die is gericht tegen de om die reden uitgesproken niet-ontvankelijkheid ten aanzien van haar schorsingsverzoek, kan daarom geen
Kind heeft recht op duidelijkheid over opvoedingssituatie
"5.11
Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [kind C] , [kind D] en [kind E] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de thans dertienjarige [kind C] , elfjarige [kind D] en zesjarige [kind E] inmiddels enkele jaren bij hun pleegouder verblijven. Blijkens het raadsrapport hebben ze alle drie baat (gehad) bij hulpverlening vanuit de Bascule. Het gaat goed met hen en zij reageren goed op de regels en structuur binnen hun pleeggezin, laten zich troosten en begeleiden door hun pleegouder en hun schoolgang is goed. De pleegouders hebben goed contact met de GI, aldus het rapport. Blijkens het verslag uitvoerdersoverleg van 29 november 2018 zijn er wel nog zorgen over de agressie van [kind D] naar [kind C] toe en over de vraag of de pleegvader en [Y] hun eigen emoties met betrekking tot de moeder opzij kunnen zetten in het belang van [kind D] door niet negatief over haar te praten. Het hof overweegt dat voormelde zorg onverlet laat dat het toekomstperspectief van [kind C] , [kind D] en [kind E] niet meer bij de moeder ligt, zoals ter zitting ook door haar is onderkend. De kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dragen naar hun aard een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich dan ook tegen het laten voortduren van die kinderbeschermingsmaatregelen. Dat ten aanzien van [Y] geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht maakt dat niet anders, nu, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, zijn relatie tot de kinderen een andere is. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben ook op grond van de artikelen 3 en 20 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief, dat gezien de huidige situatie bij hun pleegouders ligt, en op een ongestoorde hechting aan en ontwikkeling bij hun pleegouders. Naar het oordeel van het hof weegt hun belang bij stabiliteit in hun huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof overweegt daarnaast dat beëindiging van gezag van de moeder zal zorgen voor rust en duidelijkheid en aldus hopelijk zal bijdragen aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft dit punt de serieuze aandacht van de GI."
De artikelen 3 en 28 van het IVRK, voor zover hier van belang en bezien in onderlinge samenhang, verlangen dat de overheid de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aanmoedigt met inbegrip van beroepsonderwijs, deze vormen voor ieder kind beschikbaar stelt en toegankelijk maakt, en passende maatregelen neemt zoals de invoering van gratis onderwijs en het bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk. De staten moeten het respect voor de ontwikkeling van het kind waarborgen en bij alle maatregelen betreffende kinderen moeten de belangen van het desbetreffende kind worden betrokken. Het belang van het kind heeft echter geen absolute voorrang boven andere belangen en voor wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het artikel geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wetgeving door de rechter direct toepasbaar is. De rechter moet toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
4.3.2.
De belangen van appellant, voor zover deze kunnen worden ontleend aan artikel 3 van het IVRK, zijn bij de totstandkoming van de weigering om de reisvoorziening toe te kennen en tijdens de procedure hierover onderkend en, ook binnen de kaders van artikel 28 van het IVRK, voldoende meegewogen. In dit verband wordt erop gewezen dat – los van de vraag of artikel 28 van het IVRK in algemene zin een eenieder verbindende bepaling is waarop bij de rechter een direct beroep kan worden gedaan – deze bepaling niet onvoorwaardelijk en nauwkeurig voorschrijft dat – naast de (gratis) toegang tot het gekozen onderwijs – ook een voorziening moet worden getroffen voor de kosten die gemoeid zijn met het bereiken van de plaats waar dat onderwijs wordt verzorgd. De situatie van appellant is ook niet zo bijzonder dat de minister in het voorliggende geval van dat uitgangspunt had moeten afwijken, reeds omdat niet is gebleken dat appellant niet had kunnen kiezen voor een andere opleiding in de nabijheid van zijn woonadres.
4.4.
Wat is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.3.2 betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de minister de aanvraag van appellant mocht afwijzen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust."
Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK slaagt evenmin, gezien hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof is van oordeel dat de gezagsbeëindiging in dit geval noodzakelijk is in het belang van [kind A] en tevens proportioneel is. De belangen van [kind A] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om op dit moment geen verandering aan te brengen in de bestaande gezagsverhouding. De kinderen hebben belang bij de rust die het eenhoofdig gezag met zich brengt. Het eenhoofdig gezag van de vrouw dient dan ook te worden gehandhaafd. Gezien het voorgaande is een inbreuk op het bij artikel 8 EVRM beschermde recht op ‘family life’ gerechtvaardigd. Nu deze inbreuk voorts niet disproportioneel is, kan het beroep van de man op dit artikel niet slagen. Om die reden moet ook aan het beroep op artikel 3 en 9 IVRK en artikel 24 derde lid EU-Handvest voorbij worden gegaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
Rijksvaccinatieprogramma: vervangende toestemming
"5.11
De moeder voert aan dat het verlenen van vervangende toestemming voor deelname van de kinderen aan het RVP in strijd is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 EVRM en het recht van ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 5 IVRK en 14 IVRK. De moeder is van mening dat de kinderrechter onvoldoende heeft stilgestaan bij de belangenafweging en ten onrechte artikel 3 lid 1 IVRK heeft laten prevaleren.
5.12
Het hof stelt voorop dat artikel 9 EVRM de mogelijkheid biedt in noodzakelijke, bij de wet voorziene gevallen, beperkingen aan te brengen op de vrijheid van godsdienst. Hieraan is in dit geval voldaan. Wat de belangenafweging betreft stelt het hof vast dat tegenover het belang van de moeder bij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het recht van de ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid het belang van de vader staat. Hij wil juist wel dat de kinderen worden ingeënt ter voorkoming van onnodige risico’s voor de gezondheid van de kinderen. Ook zijn recht om de kinderen op te voeden volgens zijn overtuigingen dient gerespecteerd te worden. Het belang van de moeder kan niet zwaarder wegen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belang van de kinderen om niet besmet te worden met een van de ernstige in het RVP opgenomen infectieziektes in dit geval, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, het zwaarst moet wegen. Dat betekent dat het verzoek van de vader wordt toegewezen."
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben
gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt. Artikel 34 IVRK bepaalt ook uitdrukkelijk dat de bij het Verdrag aangesloten staten verplicht zijn het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik.
12. Uit het vorenstaande volgt dat de gronden voor een machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige thans nog aanwezig zijn, zodat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen en het meer of anders verzochte zal afwijzen."
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
1.
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
2.
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.2.
Gesteld noch gebleken is dat de moeder het gezag misbruikt. Aan het hof ligt daarom alleen nog de vraag voor, of voldaan is aan de hiervoor onder a vermelde beëindigingsgrond.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het volgende.
Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verstreken. De kinderen zijn al op jonge leeftijd uithuisgeplaatst en zij wonen inmiddels ruim twee jaar in het huidige perspectief biedende pleeggezin. Vanwege zijn handicap en aangeboren ontwikkelingsachterstand had [minderjarige 1] een vertraagde start. Nadat hij is geopereerd en in een pleeggezin is geplaatst, heeft hij zich op alle gebieden positief ontwikkeld. Over [minderjarige 1] bestaan nog wel medische zorgen. [minderjarige 1] is een kwetsbaar kind en het is in zijn belang dat hij voldoende gestimuleerd wordt en de voor hem noodzakelijke therapieën en behandelingen krijgt.
Beide kinderen zijn inmiddels veilig gehecht aan de pleegouders en voor hen is stabiliteit, veiligheid en duidelijkheid over hun opvoedperspectief van belang. De huidige opvoedingssituatie bij de pleegouders komt tegemoet aan de behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van deze kinderen te dragen. Zij is er onvoldoende in geslaagd om voor de kinderen een stabiele opvoedingsomgeving te scheppen. De moeder heeft naar het oordeel van het hof voldoende tijd en gelegenheid gehad om door middel van samenwerking met de GI dit doel te realiseren. De GI heeft met de moeder over een langere periode duidelijke afspraken gemaakt over de bezoeken tussen haar en de kinderen. De moeder heeft ter zitting van het hof beaamd dat zij er maar een enkele keer in is geslaagd om deze afspraken na te komen. De redenen die de moeder hiervoor opgeeft acht het hof onvoldoende plausibel. Daarnaast heeft de moeder geen inzicht gegeven in haar opvoedvaardigheden. Resultaten van een af te nemen persoonlijkheidsonderzoek zijn nog steeds niet beschikbaar. Sterker nog, op geen enkele manier is met concrete gegevens onderbouwd dat zij een dergelijk onderzoek heeft ondergaan en zo ja, bij wie. Verder heeft het lange tijd geschort aan de bereikbaarheid van de moeder voor de GI. Ook haar woonsituatie is tot recent onduidelijk geweest.
Nu naar het oordeel van het hof het opvoedperspectief van de kinderen gelet op het voorgaande niet meer bij de moeder ligt, dient de maatregel van ondertoezichtstelling, die gericht is op thuisplaatsing, geen doel meer.
Het hof is verder van oordeel dat de uitkomsten van een deskundigenonderzoek zoals door de moeder verzocht geen wijziging kunnen brengen in het oordeel dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken en dat terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet meer aan de orde is, ook niet als nog vastgesteld zou worden dat de moeder inmiddels over voldoende opvoedvaardigheden zou beschikken. Een deskundigenonderzoek kan derhalve in deze zaak niet tot een andere beslissing leiden. Daarom zal het hof het verzoek van de moeder daartoe afwijzen.
Van strijd met artikel 3 IVRK is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof heeft juist aan het belang van de kinderen beslissende betekenis toegekend. Ook de inbreuk op artikel 8 EVRM wordt gerechtvaardigd en is noodzakelijk door de rechten en de belangen van de kinderen.
De grieven van de moeder falen.
3.9.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen."
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing op de juiste gronden is verlengd. Met de raad en de GI is het hof van oordeel dat het voor [de minderjarige] op dit moment het meest in zijn belang is dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. De huidige situatie waarin hij veel zelfbepalend gedrag laat zien omdat hij daartoe de ruimte krijgt van de volwassenen om hem heen, is niet in zijn belang. [de minderjarige] dient in de gelegenheid te worden gesteld om toe te komen aan voor hem belangrijke ontwikkelingstaken. Hiervoor dient hij in een thuissituatie te verkeren waarin hij rust, regelmaat en structuur geboden krijgt en waarin de volwassenen om hem heen de beslissingen voor hem nemen. Gebleken is dat de moeder [de minderjarige] de opvoeding zou kunnen bieden die hij nodig heeft. Echter, de omstandigheid dat [de minderjarige] reeds (het grootste deel van) zijn hele leven bij de grootouders verblijft, maakt dat dit voor [de minderjarige] een veilige en bekende thuishaven vormt. Daarbij geldt dat de grootouders eveneens beschikken over de benodigde opvoedvaardigheden. Met de raad en de GI is het hof dan ook van oordeel dat het het meest in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht om zijn verblijf bij de grootouders te bestendigen, te meer nu dit conform zijn eigen wens is, waaraan gelet op zijn leeftijd belang wordt gehecht. Bij dit oordeel heeft het hof kennis genomen van de visie van Spirit van 27 februari 2020, die twijfelt aan plaatsing bij de grootouders en een NIFP onderzoek adviseert. In het licht van de ontwikkelingen die zich daarna hebben voorgedaan en alle hiervoor genoemde omstandigheden, acht het hof dit advies niet van doorslaggevende betekenis.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.8
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
Kinderen hebben recht op duidelijkheid over hun opvoedingssituatie
"5.11
Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [kind C] , [kind D] en [kind E] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de thans dertienjarige [kind C] , elfjarige [kind D] en zesjarige [kind E] inmiddels enkele jaren bij hun pleegouder verblijven. Blijkens het raadsrapport hebben ze alle drie baat (gehad) bij hulpverlening vanuit de Bascule. Het gaat goed met hen en zij reageren goed op de regels en structuur binnen hun pleeggezin, laten zich troosten en begeleiden door hun pleegouder en hun schoolgang is goed. De pleegouders hebben goed contact met de GI, aldus het rapport. Blijkens het verslag uitvoerdersoverleg van 29 november 2018 zijn er wel nog zorgen over de agressie van [kind D] naar [kind C] toe en over de vraag of de pleegvader en [Y] hun eigen emoties met betrekking tot de moeder opzij kunnen zetten in het belang van [kind D] door niet negatief over haar te praten. Het hof overweegt dat voormelde zorg onverlet laat dat het toekomstperspectief van [kind C] , [kind D] en [kind E] niet meer bij de moeder ligt, zoals ter zitting ook door haar is onderkend. De kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dragen naar hun aard een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich dan ook tegen het laten voortduren van die kinderbeschermingsmaatregelen. Dat ten aanzien van [Y] geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht maakt dat niet anders, nu, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, zijn relatie tot de kinderen een andere is. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben ook op grond van de artikelen 3 en 20 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief, dat gezien de huidige situatie bij hun pleegouders ligt, en op een ongestoorde hechting aan en ontwikkeling bij hun pleegouders. Naar het oordeel van het hof weegt hun belang bij stabiliteit in hun huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof overweegt daarnaast dat beëindiging van gezag van de moeder zal zorgen voor rust en duidelijkheid en aldus hopelijk zal bijdragen aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft dit punt de serieuze aandacht van de GI."
Ondertoezichtstelling (en uitstapjes met kinderen)
“De eerste prejudiciële vraag
2.7.1
De eerste prejudiciële vraag (die is opgesplitst in deelvragen) stelt aan de orde (i) of – in het geval een minderjarige uit huis is geplaatst op de voet van art. 1:265b BW – de pleegouders toestemming dienen te verkrijgen van de ouders met gezag dan wel de gecertificeerde instelling voor een uitstapje of vakantie met de minderjarige en (ii) of – indien een geschil ontstaat over een voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige – een dergelijk geschil op grond van art. 1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd.
2.7.2
De onderhavige procedure betreft een minderjarige die onder toezicht is gesteld, uit huis is geplaatst en in een pleeggezin verblijft. De beantwoording van de vragen gaat daarom van die situatie uit. Zij geldt eveneens voor andere vormen van uithuisplaatsing zoals plaatsing bij gezinshuisouders of in een residentiële instelling, tenzij de bepalingen van de Jeugdwet zich daartegen verzetten.
2.7.3
Ten aanzien van de hiervoor in 2.7.1 onder (i) en (ii) weergegeven kwesties heeft het belang van de minderjarige steeds als uitgangspunt te gelden (art. 3 lid 1 IVRK) en wordt het volgende overwogen.
Ouderlijk gezag
2.8.1
Het gezag van de ouder met gezag omvat de plicht en het recht zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 lid 1 BW). Art. 1:247 lid 2 BW bepaalt onder meer dat onder verzorging en opvoeding mede worden verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.
2.8.2
De ouders met gezag bezitten bevoegdheden die zij voor de vervulling van de plicht en het recht tot verzorging en opvoeding nodig hebben. Deze bevoegdheden worden begrensd door onder meer de verschillende maatregelen van kinderbescherming (zie hierna in 2.9.1-2.10.3).
Ondertoezichtstelling
2.9.1
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen (art. 1:255 lid 1 BW).
2.9.2
Art. 1:262 lid 1 BW bepaalt dat de gecertificeerde instelling toezicht houdt op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in art. 1:255 lid 5 (inmiddels vernummerd tot lid 4) BW, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te laten dragen. Ingevolge art. 1:262 lid 3 BW bevordert de gecertificeerde instelling de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.
2.9.3
De hiervoor in 2.9.2 genoemde bepalingen brengen tot uitdrukking dat ondertoezichtstelling erop is gericht aan ouders hulp te bieden bij het verzorgen en opvoeden van de minderjarige en dat voorkomen moet worden dat ouders de ondertoezichtstelling ervaren als het overnemen daarvan door instanties en het buitenspel zetten van hen als ouders.3
2.9.4
De gecertificeerde instelling kan in de in de wet beschreven gevallen ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:263 lid 1 BW). De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige dienen een dergelijke schriftelijke aanwijzing op te volgen (art. 1:263 lid 2 BW). Ook kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen of te wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (art. 1:265g lid 1 BW).
2.9.5
Wanneer de minderjarige onder toezicht wordt gesteld, behouden de ouders het gezag en daarmee de plicht en het recht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige.4 Ondertoezichtstelling kan weliswaar meebrengen dat het gezag van de ouders van de minderjarige door middel van een schriftelijke aanwijzing feitelijk wordt beperkt, maar dit betekent niet dat het gezag in zoverre bij de gecertificeerde instelling komt te berusten.5
2.9.6
Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt, op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst (art. 1:262b BW).
Uithuisplaatsing
2.10.1
Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (art. 1:265b lid 1 BW).
2.10.2
Bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing – en ook nadat deze machtiging is verleend – kan de kinderrechter op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit doen met betrekking tot: (a) de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling, (b) het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, of (c) het doen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige (art. 1:265e lid 1 BW).
Indien de kinderrechter het noodzakelijk oordeelt dat het gezag ten aanzien van een van deze onderwerpen wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling, verliezen de ouders het ouderlijk gezag ten aanzien van de onderwerpen waarvoor de beschikking wordt afgegeven. De gecertificeerde instelling verkrijgt het gezag ten aanzien van die onderwerpen en treedt dus in zoverre op als wettelijk vertegenwoordiger.6
2.10.3
Als een minderjarige uit huis is geplaatst, bepaalt de gecertificeerde instelling – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – de verblijfplaats van de minderjarige.7 Dit kan bijvoorbeeld een specifiek pleeggezin zijn. De gecertificeerde instelling moet ook in geval van uithuisplaatsing aandacht besteden aan het verbeteren van de mogelijkheden van de ouders om de minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden, opdat de uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk is.8
Positie pleegouders
2.11
Pleegouder is een persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in art. 5.2 lid 1 Jeugdwet heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder (art. 1.1 Jeugdwet). Pleegouders hebben de zeggenschap over de dagelijkse gang van zaken, maar belangrijke beslissingen – zoals het geven van toestemming voor een medische behandeling, de inschrijving op een school en het aanvragen van een paspoort – worden door de met het gezag beklede ouders genomen.9
Indien het gezag ten aanzien van een bepaald onderwerp is overgeheveld naar de gecertificeerde instelling (zie hiervoor in 2.10.2), kan het gezag ten aanzien van dit onderwerp alleen door de gecertificeerde instelling worden uitgeoefend. Het kan niet door de pleegouders worden uitgeoefend.
Antwoord op de eerste prejudiciële vraag
2.12.1
De wettelijke regeling van het ouderlijk gezag komt erop neer dat dit gezag, ook in geval van kinderbeschermingsmaatregelen zoals ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, berust bij de met gezag belaste ouders van de minderjarige en slechts kan worden beperkt en door de gecertificeerde instelling kan worden uitgeoefend ten aanzien van de drie hiervoor in 2.10.2 genoemde onderwerpen. In geval van een gedwongen uithuisplaatsing bepaalt de gecertificeerde instelling – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – waar de minderjarige zijn verblijfplaats heeft.
2.12.2
Bij uithuisplaatsing in een pleeggezin behoort tot de taken van de pleegouders als hiervoor in 2.11 omschreven in beginsel ook het nemen van beslissingen over uitstapjes en vakanties met de minderjarige. Hiervoor behoeven de pleegouders dus geen toestemming van de met het gezag belaste ouders.
2.12.3
Wel oefent de gecertificeerde instelling gedurende de uithuisplaatsing toezicht uit en dient zij aandacht te besteden aan het verbeteren van de mogelijkheden van de ouders met gezag om de minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden opdat uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat kader dient de gecertificeerde instelling ook ervoor te zorgen dat een omgangsregeling tussen de ouders met gezag en de minderjarige wordt nageleefd. Om deze taken te kunnen uitoefenen, dient de gecertificeerde instelling te kunnen ingrijpen indien de uitvoering van een omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag wordt geraakt door een door de pleegouders voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige.
2.12.4
In het licht van het voorgaande dienen de pleegouders een voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige binnen of buiten Nederland aan de gecertificeerde instelling te melden indien de uitvoering van de omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag daardoor wordt geraakt, opdat de gecertificeerde instelling hiervoor toestemming kan verlenen of weigeren, met als uitgangspunt het belang van de minderjarige. Voorgenomen uitstapjes en vakanties met de minderjarige binnen of buiten Nederland die de omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag niet raken, behoeven de pleegouders niet aan de gecertificeerde instelling te melden en daarvoor behoeven zij geen toestemming te verkrijgen, tenzij de gecertificeerde instelling de pleegouders heeft laten weten dat – gezien haar toezichthoudende taak – ook daarvoor haar toestemming vooraf moet worden verkregen.
Het voorgaande doet niet af aan de regels ter preventie van internationale kinderontvoering die gelden voor het reizen naar het buitenland met een minderjarige.
2.12.5
Geschillen over de hiervoor in 2.12.4 bedoelde kwesties betreffen de uitvoering van de ondertoezichtstelling en kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd op grond van art. 1:262b BW.”
Teruggeleiding van minderjarige kinderen naar de verblijfplaats van de ouder in het buitenland
"26. Het hof is van oordeel dat het beroep van de moeder op bovenstaande verdragsartikelen niet kan slagen. Het hof motiveert dat als volgt. Degene die zich beroept op een weigeringsgrond draagt de stelplicht en de bewijslast terzake de voor de weigeringsgrond relevante feiten en omstandigheden (HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6532). Bovendien geldt dat de weigeringsgronden door de rechter restrictief moeten worden uitgelegd (HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1500). Gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van de vader, heeft de moeder haar stelling dat in geval van teruggeleiding er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht, onvoldoende onderbouwd. Voor het hof is niet vast komen te staan dat de terugkeer van de minderjarigen een ernstig risico op een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel een ondragelijke toestand oplevert zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 onder b HKOV. Ook doet zich niet de situatie voor dat de minderjarigen bij een terugkeer naar Spanje gescheiden zullen worden van de moeder. Andere omstandigheden die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder b HKOV een terugkeer in de weg zouden kunnen staan, zijn door de moeder niet gesteld en evenmin anderszins gebleken. Het beroep van de moeder op de overige verdragsbepalingen (artikel 20 HKOV, artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM) kan haar evenmin baten, nu zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die maken dat deze verdragsbepalingen een teruggeleiding van de minderjarigen naar Spanje in de weg staan. Hetzelfde geldt voor het beroep van de moeder op artikel 11 lid 4 Brussel II-bis. Bij dit alles neemt het hof in overweging dat door de vader schriftelijk en mondeling ter zitting is bevestigd dat hij voor de benodigde voorzieningen zal zorgdragen wanneer de moeder en de minderjarigen naar Spanje zullen terugkeren.
De teruggeleiding
27. De vader heeft verzocht de terugkeer van de minderjarigen te gelasten naar [woonplaats vader] , Spanje. Nu de moeder geen verweer heeft gevoerd tegen [woonplaats vader] als teruggeleidingslocatie en in hoger beroep niet is gebleken van omstandigheden die maken dat een teruggeleiding naar [woonplaats vader] niet in het belang is van de minderjarigen, zal het hof de terugkeer van de minderjarigen naar [woonplaats vader] , Spanje, gelasten."
De rechtbank stelt vast dat op grond van vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:230) de verdragsbepalingen uit het IVESCR eiseres geen rechtstreekse bescherming bieden, omdat het niet eenieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet bevat. Ditzelfde geldt voor het IVRK, zoals blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321. Niet is gebleken dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3 van het IVRK. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de eerste verantwoordelijkheid voor de zorg van een kind bij de ouder(s) ligt. Het beroep van eiseres op deze verdragsbepalingen treft dus geen doel."
“4.9.2. Appellant heeft de beroepsgrond dat sprake is van onvoldoende middelen van bestaan om in het levensonderhoud van hem en zijn kinderen te voorzien niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, ondanks daartoe tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld. Appellant heeft slechts een overzicht van zijn schulden overgelegd. Een overzicht van het besteedbaar inkomen ontbreekt. Appellant staat onder beschermingsbewind. Hij stelt dat zijn gezin moet rondkomen van leefgeld van € 60,- per week. Hij heeft deze stelling echter niet met stukken onderbouwd. Verder heeft hij nagelaten in overleg te treden met de bewindvoerder over de hoogte van het leefgeld. Onduidelijk is daarom of een verhoging van de bijstand door afstemming ten goede zou komen aan de kinderen van appellant of aan de schuldeisers. Evenmin is duidelijk in hoeverre appellant in aanmerking komt voor een alo-kop op grond van de Toeslagenwet. Appellant stelt dat hij hiervoor niet in aanmerking komt, gelet op de verblijfsstatus van [A], maar uit gegevens van het college die zijn verkregen naar aanleiding van een heronderzoek blijkt dat appellant wel een kindgebonden budget op grond van de Wet op het kindgebonden budget ontvangt en de verblijfsstatus van [A] daaraan kennelijk niet in de weg staat. Gelet op deze onduidelijkheid heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW dient te worden afgeweken van de kostendelersnorm. Nu appellant geen enkel inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven, is reeds daarom niet vast te stellen of de artikelen 3 en 27 van het IVRK en 3 van het EVRM zijn geschonden, nog daargelaten dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij daartoe niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitleg in nationale wet- en regelgeving behoeven. De hier besproken beroepsgrond slaagt dan ook niet.”
"5.8.De beroepsgrond dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het IVRK slaagt evenmin.
5.8.1.Artikel 3 van het IVRK heeft slechts rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:105.
5.8.2.Gelet op de door het college verstrekte bijzondere bijstand ter compensatie van de gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm en de bijzondere bijstand ter overbrugging van de periode waarin de Belastingdienst nog geen ALO-kop voor appellant had vastgesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant."
"4.3. Wat betreft het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wijst de Raad erop dat hier gezinsbijstand is aangevraagd. Voor het overige verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 januari 2006 (LJN AV0197) waarin de Raad met het oog op de aanvaardbaarheid van toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen een onderscheid heeft gemaakt tussen gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, en gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 hier te lande verblijven. De Raad heeft de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op deze laatste categorie van kinderen ook tegen de achtergrond van het IVRK in beginsel een evenredig middel geacht ter verwezenlijking van de doelstelling van de koppelingswetgeving. Ter zitting van de Raad kon de gemachtigde van appellanten geen uitsluitsel geven over de vraag of aan de minderjarige kinderen ten tijde in geding een financiële toelage is verleend op basis van de door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) uitgevoerde Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). In dit verband heeft de gemachtigde gesteld dat er perioden zijn dat appellanten rechtmatig en perioden waarin zij onrechtmatig in Nederland verbleven. Voor zover zij rechtmatig in Nederland verbleven hadden de kinderen in beginsel aanspraak kunnen maken op een uitkering ingevolge de Rvb. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 20 juli 2010 (LJN BN3318) waarin hij oordeelt dat deze Rvb een passende en toereikende voorziening vormt in de zin van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB en dat de Rvb in beginsel aan (gedeeltelijke) bijstandsverlening aan de kinderen van appellanten in de weg staat. Voorts heeft de Raad in die uitspraak geoordeeld dat de verplichting van de Staat om in de omstandigheden van appellant recht te doen aan de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK op het bestuursorgaan rust dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat betekent dat het COA dient te beoordelen of een eventuele aan de kinderen van appellanten op grond van de Rvb verleende financiële toelage, bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK, toereikend is."
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat een belangenafweging in het kader van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou moeten leiden tot toekenning van de gewenste compensatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.1.
Het college heeft bij het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de zoon van appellante. Hij ontving een aanvullende beurs en had de mogelijkheid om, in aanvulling hierop, een lening bij de DUO af te sluiten. Bovendien is niet gebleken dat hij ernstig in zijn ontwikkeling is bedreigd door de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante en dat daarom aan appellante in aanvulling op haar inkomen en dat van haar zoon bijstand zou moeten worden verstrekt.
4.11.
Uit 4.1 tot en met 4.10.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
"Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke mate van waarschijnlijk-heid dat de Raad laatstgenoemde bepaling in de hier aan de orde zijnde bodemzaken ten aanzien van verzoekers buiten toepassing zal moeten laten. Hij baseert zich daarbij op de tekst van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK en op de op deze artikelen verschenen commentaren van het Comité voor de rechten van het kind. De in de Engelse verdragstekst voorkomende woorden "without discrimination of any kind, irrespective of the child's or his or her parents or legal guardian's (…) status" in artikel 2, eerste lid, van het IVRK, bezien in samenhang met de andere zojuist genoemde bepalingen, wijzen er op dat het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen."
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0734), moet het begrip ‘zeer dringende redenen’ in artikel 16, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK worden uitgelegd. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders, die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële voor hun minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen. Indien deze situatie zich voordoet, komt het minderjarige kind een individueel recht toe op algemene bijstand, waarbij, wat betreft de hoogte van de bijstand, aansluiting dient te worden gezocht bij de norm voor een alleenstaande van achttien, negentien of twintig jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verder dient het college gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele omstandigheden van betrokkene, waaronder zijn woonsituatie, en mede gelet op artikel 27, derde lid, van het IVRK te bezien welk bedrag aan bijstand is aangewezen. Deze rechtspraak heeft onder de PW haar betekenis behouden."
"Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke mate van waarschijnlijk-heid dat de Raad laatstgenoemde bepaling in de hier aan de orde zijnde bodemzaken ten aanzien van verzoekers buiten toepassing zal moeten laten. Hij baseert zich daarbij op de tekst van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK en op de op deze artikelen verschenen commentaren van het Comité voor de rechten van het kind. De in de Engelse verdragstekst voorkomende woorden "without discrimination of any kind, irrespective of the child's or his or her parents or legal guardian's (…) status" in artikel 2, eerste lid, van het IVRK, bezien in samenhang met de andere zojuist genoemde bepalingen, wijzen er op dat het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen."
"Met betrekking tot de kinderen overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die, zoals de kinderen van appellante, jonger is dan 18 jaar. Artikel 11, eerste lid, van de Abw maakt hierop een uitzondering voor Nederlanders en vreemdelingen, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw. Op grond daarvan is gedaagde bevoegd bijstand te verlenen aan een persoon die jonger is dan 18 jaar, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Aangezien het hier gaat om minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit dient de beantwoording van de vraag of sprake was van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 170, hierna: het IVRK). De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 29 maart 2005, LJN AT3468.
Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat voorzien was in een onderhoudsbijdrage van de vader ten behoeve van de kinderen. Verder is niet gebleken dat appellante over middelen beschikte om de kosten van voeding en kleding van de kinderen en andere essentiële, voor hen noodzakelijke kosten te betalen. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen zelf over in aanmerking te nemen middelen beschikten dan wel redelijkerwijs hadden kunnen beschikken.
Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de kinderen sprake was van zeer dringende redenen, zodat in dit geval de uitzonderingsbevoegdheid van artikel 11, eerste lid, van de Abw om bijstand aan de kinderen te verlenen wel aanwezig was. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 18 juni 2002 wegens strijd met de wet vernietigen voorzover daarbij bijstand is geweigerd aan de kinderen en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad."
"De beantwoording van de vraag of sprake was van zeer dringende redenen dient in dit geval te worden bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK, aangezien het hier gaat om een minderjarig kind van Nederlandse nationaliteit.
Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat ten tijde van de aanvraag om bijstand door de rechtbank nog niet was voorzien in een onderhoudsbijdrage van de vader ten behoeve van appellant. De met ingang van 30 januari 2002 door de rechtbank aan de vader opgelegde onderhoudsbijdrage was in ieder geval niet voldoende om de primaire kosten van voeding en kleding van appellant te kunnen betalen. Die bijdrage is bovendien niet inbaar gebleken. Omdat de financiële toelage waarop de moeder van appellant op grond van de Rvb vanaf juni 2000 recht had 20% lager was dan de bijstandsuitkering voor een rechthebbende alleenstaande ouder in vergelijkbare omstandigheden, was ook zij ten tijde hier van belang onvoldoende in staat de kosten van voeding en kleding van appellant of andere essentiële, voor hem noodzakelijke kosten te (blijven) betalen. Gesteld noch gebleken is dat appellant zelf eigen middelen had. Hij was niet verzekerd tegen ziektekosten."
Uitleg dringende redenen als bedoeld in artikel 16 WWB
"4.3.Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16,eerste lid, van de WWB zich voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
4.4.Omdat appellante een minderjarig kind is met de Nederlandse nationaliteit, dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Vergelijk de uitspraken van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468, en 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2780.
4.5.Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 20 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3318), is van zeer dringende redenen sprake indien de ouders van het kind niet de middelen hebben om in de meest elementaire levensbehoeften van het kind te voorzien. Gelet op voormelde bepalingen van het IVRK gaat het hierbij met name om voeding, kleding en huisvesting."
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft een persoon die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand. Het college was daarom in beginsel niet bevoegd de aanvraag om bijstand van appellante toe te kennen.
4.2.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
4.3.
Omdat appellante een minderjarig kind is van Nederlandse nationaliteit, dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB2005:AT3468)."
"4.8. Aangezien het hier gaat om minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. In dit verband word verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005, LJN AT3468.
4.9. Hetgeen door appellanten is aangevoerd vormt geen zeer dringende reden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB zoals dat begrip in het licht van de van belang zijnde bepalingen van het IVRK moet worden uitgelegd. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij over onvoldoende middelen beschikten om te voorzien in de kosten van voeding en kleding en andere voor de kinderen essentiële noodzakelijke kosten te (blijven) betalen en overigens ook niet gebleken is dat de kinderen van essentiële voorzieningen verstoken waren."
"4.5. Met betrekking tot de vervolgens te beoordelen vraag of in het geval van appellant sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, overweegt de Raad het volgende. In de onder 4.4 vermelde uitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat hij in zijn rechtspraak betreffende de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) reeds enkele malen heeft beslist dat het in artikel 11, eerste lid, van de Abw voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd (zie de uitspraken van 29 maart 2005, LJN AT3468, 14 juni 2005, LJN AT8038 en 5 juli 2005, LJN AT9963) en dat hij geen aanleiding ziet om daarover anders te oordelen onder de werking van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor hun minderjarige kind(eren) noodzakelijke kosten te betalen."
De export van uitkeringen: Onderscheid tussen landen waarmee een Verdrag is gesloten en landen waarmee geen verdrag is gesloten
"5.8. Namens appellante is ten slotte een beroep gedaan op artikel 3 van het IVRK. Ten aanzien van dit beroep merkt de Raad op dat, afgezien van de vraag of het beroep op deze bepaling ertoe kan leiden dan aan appellante kinderbijslag moet worden toegekend, de verschillende behandeling met betrekking tot kinderen woonachtig in een land waarmee wel of niet een verdrag is gesloten ten aanzien de exporteerbaarheid van kinderbijslag, is terug te voeren op het oogmerk van de wetgever uitkeringen naar het buitenland (of ten behoeve van kinderen in het buitenland) beter te handhaven. Het belang van het kind doet daar niet aan af."
De Raad volgt appellant hierin niet. Gelet op de tekst van en de toelichting bij artikel 19a van de WOOS valt niet in te zien hoe de activiteiten van appellant op het[naam centrum] zijn aan te merken als het volgen van onderwijs. Appellant ontvangt daar op basis van een verstrekte AWBZ-indicatie zorg. Ook uit de bij de aanvraag gevoegde informatie van MEE en het KDC De Kring valt niet op te maken dat de activiteiten van appellant op het
[naam centrum] zijn aan te merken als het volgen van onderwijs.
4.7.
Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant buiten de personenkring van artikel 19a van de WOOS valt, omdat appellant geen onderwijs volgt. Daargelaten de vraag of deze bepalingen rechtstreekse werking hebben, wordt dit niet anders als het begrip onderwijs wordt uitgelegd in het licht van artikel 3 van het IVRK en de andere bepalingen van het IVRK en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarop appellant in hoger beroep heeft gewezen. Deze beroepsgrond faalt derhalve."
De relatie tussen artikel 3, tweede lid en artikel 18 IVRK
"Artikel 3, tweede lid, van het IVRK bepaalt, dat de staten zich verbinden het kind te verzekeren van bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, doch rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders. De rechtbank stelt voorop dat de zorg voor een kind ligt bij de ouders. Gewezen kan worden op artikel 18, eerste lid, IVRK, waarin er nog eens nadrukkelijk op wordt gewezen, dat ouders de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind. Niet valt in te zien dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gevolgen die zijn weigerachtige houding ten opzichte van het accepteren van gangbare arbeid bewerkstelligen voor het ontvangen van een bijstandsuitkering en daarmee de omvang van de zorg voor zijn zoon. De conclusie uit het bovenstaande is, dat in een geval als het nu voorliggende, het IVRK geen inbreuk maakt op de WWB en dat verweerder op grond van dat verdrag niet gehouden is af te zien van de maatregel of de maatregel te matigen."
"5. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [kind] niet in Nederland is geboren en geen gelegaliseerde geboorteakte kan overleggen. Het hof kan in dit geval op grond van artikel 1:25c van het Burgerlijk Wetboek de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen indien [kind] Nederlandse is. Het hof overweegt dat [kind] op grond van artikel 3 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap Nederlandse is nu met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat verzoekster de moeder is van [kind] en vaststaat dat verzoekster ten tijde van de bevalling Nederlandse was. Voorts is het hof van oordeel dat verzoekster in hoger beroep voldoende gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt onder welke omstandigheden en op welk tijdstip [kind] is geboren. Het hof neemt hierbij in overweging dat het voor verzoekster niet mogelijk is meer gegevens over te leggen dan zij in hoger beroep heeft gedaan. Het hof is met de moeder en de ambtenaar van oordeel dat artikel 3 IVRK met zich meebrengt dat de belangen van [kind] in onderhavige procedure voorop dienen te staan. Het hof zal op grond van het voorgaande het verzoek van verzoekster toewijzen en de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen overeenkomstig hetgeen in het dictum van deze beschikking is neergelegd. Voorts zal het hof de ambtenaar gelasten de geboorteakte aan de hand van na te noemen gegevens op te maken en in te schrijven in het geboorteregister van de gemeente ’s-Gravenhage. Het hof zal het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen nu de onderhavige procedure zich niet leent voor een uitvoerbaar bij voorraad verklaring."
“12.9 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age determination process undergone by the author, who claimed to be a child and who later provided evidence to support this claim, was not accompanied by the safeguards needed to protect his rights under the Convention. In the circumstances of the present case, in particular the examination used to determine the author’s age, the absence of a representative to assist him during this process and the almost automatic dismissal of the probative value of the birth certificate provided by the author, without the State party having even formally assessed the data and, in the event of uncertainty, having that data confirmed by the Algerian consular authorities, the Committee is of the view that the best interests of the child were not a primary consideration in the age determination process undergone by the author, in breach of articles 3 and 12 of the Convention.”
HRC 10 juli 2019, CRC/C/81/D/16/2017 (A.L. - Spanje)
"10.16 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age assessment procedure undergone by the author, who claimed to be a child, lacked the safeguards necessary to protect his rights under the Convention. In the circumstances of the present case, this is a result of the failure to take into consideration the original copy of the author’s official birth certificate issued by a sovereign country, his being declared an adult when he refused to undergo age assessment tests and the failure to appoint a guardian to assist him during the age assessment procedure. Therefore, the Committee considers that the best interests of the child were not a primary consideration in the age assessment procedure undergone by the author, which constitutes a violation of articles 3 and 12 of the Convention."
HRC 10 maart 2020, CRC/C/83/D/21/2017 (A.D. - Spanje)
Geen vernietiging erkenning in het belang van het kind
"5.4
De belangen van [kind] dienen hierbij de eerste overweging te vormen (artikel 3 IVRK).
De belangen van [kind] zijn gelegen in het behoud van haar identiteit en alle gevolgen die aan het vaderschap verbonden zijn. Als de erkenning wordt vernietigd, wordt deze geacht nimmer gevolg te hebben gehad. De beslissing heeft dan terugwerkende kracht. [kind] wordt dan geacht nimmer de man als vader te hebben gehad. De gevolgen die aan het vaderschap van de man verbonden zijn, zijn dan achteraf bezien niet ingetreden. Zo zal haar naam veranderen van [geslachtsnaam vader] in [geslachtsnaam moeder] en zal het ouderlijk gezag van de man komen te vervallen, omdat het gezag aan het ouderschap is gekoppeld en de man dan nooit de vader is geweest.
[kind] voelt een warme hechtingsband met de man en zij wil ondanks alles dat hij haar vader blijft. De raad heeft op de zitting verklaard dat alleen al door het starten van deze procedure door de man veel schade is berokkend aan [kind] . Bovendien bevindt [kind] zich met haar 15 jaar midden in haar identiteitsontwikkeling. Vernietiging van het juridisch vaderschap van de man die zij haar hele leven als haar vader heeft gezien heeft zodanig verstrekkende gevolgen voor haar identiteit dat dit, zeker op dit moment in haar leven, niet in het belang van [kind] wordt geacht. Op grond van artikel 1:205 lid 4 BW kan zij, indien [kind] dat later zelf nog zou wensen, tot drie jaar nadat zij meerderjarig is geworden zelf een verzoek indienen tot vernietiging van de erkenning.
Het belang van de vader bij vernietiging van de erkenning is, zoals de vader zelf verklaard heeft op de zitting, dat alle banden tussen hem en [kind] worden doorgehaald, nu de verhoudingen met de moeder ernstig verstoord zijn en omdat [kind] zelf geen contact meer met hem wil.
De belangen van de moeder zijn gelijk aan de belangen van [kind] .
De geschetste belangen van [kind] bij het behoud van het vaderschap van de man zijn naar het oordeel van het hof zo groot dat het belang van de man bij vernietiging van de erkenning daar niet tegenop weegt."
Het gaat in deze zaak om een kinderbeschermingsmaatregel te weten de beëindiging van het gezag van de vader over de drie jongste kinderen. Gezagsbeëindiging is een zeer ingrijpende maatregel.
Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), houdt in dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
Hoewel de gang van zaken omtrent de complementering van de processtukken van de eerste aanleg in de visie van het hof geen schoonheidsprijs verdient en zelfs laakbaar genoemd kan
worden, zal het hof gelet op het feit dat het hier om een gezagsbeëindigende maatregel gaat waarbij de belangen van het kind de eerste overweging vormen, de vader alsnog in de
gelegenheid stellen om de hierna door het hof te noemen stukken over te leggen.
3.9.3.
Het hof zal dan ook het verzoek van de vader tot aanhouding toewijzen en de vader alsnog toelaten tot het overleggen van het complete procesdossier in eerste aanleg.
Teneinde misverstanden te voorkomen bepaalt het hof dat door de vader dienen te worden overgelegd:
- alle stukken genoemd onder 1.1. van de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018, inclusief bijlagen;
- het proces-verbaal van het behandelde ter zitting van de rechtbank op 19 april 2018.
Het hof gaat ervan uit dat aan het inleidend verzoekschrift een raadsrapport ten grondslag ligt. Zekerheidshalve wijst het hof er nog op dat naast de rapportage van de raad die ten grondslag ligt aan het verzoek tot beëindiging van het gezag dat de raad in eerste aanleg heeft ingediend, tevens de aanvullende rapportage van de raad zoals blijkt uit de brief van de raad aan de rechtbank van 15 september 2017 en de brief van de raad aan de rechtbank van 27 februari 2018 overgelegd dienen te worden."
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling in stand dient te blijven. De communicatie tussen de ouders is tot op heden onvoldoende om tot de door de man verzochte uitbreiding over te gaan. De slechte communicatie tussen de ouders heeft zijn directe weerslag op [de minderjarige] . Zij ervaart veel spanningen en stress rondom de omgang met de man. Zo vertelt zij aan de vrouw niet(s) over de tijd die zij bij hem doorbrengt. Dit duidt op een loyaliteitsconflict en is voor [de minderjarige] een manier om om te gaan met de zeer verschillende werelden van de ouders. Door de spanningen die [de minderjarige] ervaart, is zij thans niet in staat om vaker of meer tijd bij de man door te brengen, laat staan dat zij bij hem kan overnachten. Dit laatste roept bovendien al jaren veel weerstand bij haar op. Van haar kan dan ook niet worden verwacht daartoe te worden gedwongen. Het hof deelt de vrees van de raad dat dwang hoogstwaarschijnlijk tot nog meer weerstand zal leiden, vermoedelijk resulterend in een totale afkeer van omgang met de man. Hoe invoelbaar de wens van de man tot uitbreiding van het contact met [de minderjarige] ook moge zijn, zijn verzoek tot uitbreiding van de omgang komt hoofdzakelijk voort uit zijn eigen belang. De man ziet dientengevolge tot op heden het belang van [de minderjarige] over het hoofd, terwijl hij naar aanleiding van de bestreden beschikking en het advies van de bijzondere curator zou werken aan het leren zich te verplaatsen in [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man tot op heden geen hulpverlening hierbij heeft geaccepteerd. Ook heeft de man zich tot op heden onvoldoende ingezet voor verbetering van de communicatie tussen hem en de vrouw, zoals eveneens door de bijzondere curator is geadviseerd. In het belang van [de minderjarige] dienen de ouders te werken aan hun onderlinge communicatie door middel van hulpverlening, bijvoorbeeld van [de orthopedagoog] . Het is de verwachting van het hof dat de omgang met de man hierdoor prettiger en beter zal gaan verlopen voor [de minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegezegd na afloop van dit hoger beroep contact op te nemen met (een hulpverlener als) [de orthopedagoog] teneinde gezamenlijk met de vrouw te werken aan de onderlinge communicatie. Ter zitting in hoger beroep is afgesproken dat de man hiertoe het initiatief neemt.
5.7
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
“5.6 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling in stand dient te blijven. De communicatie tussen de ouders is tot op heden onvoldoende om tot de door de man verzochte uitbreiding over te gaan. De slechte communicatie tussen de ouders heeft zijn directe weerslag op [de minderjarige] . Zij ervaart veel spanningen en stress rondom de omgang met de man. Zo vertelt zij aan de vrouw niet(s) over de tijd die zij bij hem doorbrengt. Dit duidt op een loyaliteitsconflict en is voor [de minderjarige] een manier om om te gaan met de zeer verschillende werelden van de ouders. Door de spanningen die [de minderjarige] ervaart, is zij thans niet in staat om vaker of meer tijd bij de man door te brengen, laat staan dat zij bij hem kan overnachten. Dit laatste roept bovendien al jaren veel weerstand bij haar op. Van haar kan dan ook niet worden verwacht daartoe te worden gedwongen. Het hof deelt de vrees van de raad dat dwang hoogstwaarschijnlijk tot nog meer weerstand zal leiden, vermoedelijk resulterend in een totale afkeer van omgang met de man. Hoe invoelbaar de wens van de man tot uitbreiding van het contact met [de minderjarige] ook moge zijn, zijn verzoek tot uitbreiding van de omgang komt hoofdzakelijk voort uit zijn eigen belang. De man ziet dientengevolge tot op heden het belang van [de minderjarige] over het hoofd, terwijl hij naar aanleiding van de bestreden beschikking en het advies van de bijzondere curator zou werken aan het leren zich te verplaatsen in [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man tot op heden geen hulpverlening hierbij heeft geaccepteerd. Ook heeft de man zich tot op heden onvoldoende ingezet voor verbetering van de communicatie tussen hem en de vrouw, zoals eveneens door de bijzondere curator is geadviseerd. In het belang van [de minderjarige] dienen de ouders te werken aan hun onderlinge communicatie door middel van hulpverlening, bijvoorbeeld van [de orthopedagoog] . Het is de verwachting van het hof dat de omgang met de man hierdoor prettiger en beter zal gaan verlopen voor [de minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegezegd na afloop van dit hoger beroep contact op te nemen met (een hulpverlener als) [de orthopedagoog] teneinde gezamenlijk met de vrouw te werken aan de onderlinge communicatie. Ter zitting in hoger beroep is afgesproken dat de man hiertoe het initiatief neemt.
5.7 Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake.”
"6.1 Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is de voorzieningenrechter overgegaan tot schorsing van de man in het ouderlijk gezag. In zijn vierde grief heeft de man zich tegen deze beslissing gekeerd. Deze grief slaagt om de volgende reden.
6.2
In artikel 3 IVRK eerste lid is kortgezegd bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Deze ruim geformuleerde norm biedt zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving geen basis voor het geven van het door de man bestreden, ambtshalve gegeven oordeel. De Nederlandse rechter heeft ook niet op andere gronden de mogelijkheid om het ouderlijk gezag in situaties als deze ambtshalve te schorsen. Evenmin is naar intern Nederlands recht schorsing van het gezag op vordering of verzoek van de mede gezaghebbende ouder mogelijk. De grief van de vrouw, die is gericht tegen de om die reden uitgesproken niet-ontvankelijkheid ten aanzien van haar schorsingsverzoek, kan daarom geen doel treffen."
Ontbinding huurovereenkomst door de rechter ten laste van de huurder
"5. De zeven grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter volgens [appellante] in het kader van de benodigde belangenafweging tussen de belangen van Woonstad bij ontbinding van de huurovereenkomst en de belangen van [appellante] bij voortzetting daarvan de belangen van [appellante] ten onrechte te licht heeft gewogen. [appellante] beroept zich daarbij op art. 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en art. 3 van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van het kind (IVRK).
6. Bij de beoordeling van de grieven is uitgangspunt dat Woonstad op grond van het (onherroepelijk geworden) besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning op grond van art. 7:231, tweede lid, BW bevoegd was om de huurovereenkomst te ontbinden. Daarover bestaat ook tussen partijen geen discussie.
7. Woonstad vordert primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden is.
Anders dan bij de beoordeling van de subsidiaire vordering strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst door de rechter op grond van art. 6:265, eerste lid, BW is voor een ontbinding van de huurovereenkomst op grond van art. 7:231, tweede lid, BW niet vereist dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst. Het enkele feit dat in de woning in strijd is gehandeld met art. 2 of 3 van de Opiumwet en de woning daarom op grond van art. 13b van die wet door de burgemeester is gesloten, geeft de verhuurder de bevoegdheid de huurovereenkomst te ontbinden. Voor de beoordeling van de primaire vordering behoeft dan ook alleen de vraag te worden beantwoord of Woonstad terecht van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dat betekent dat niet de “tenzij-clausule” van art. 6:265, eerste lid, BW moet worden toegepast, maar de toets van art. 6:248, tweede lid, BW: is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Woonstad gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding.
8. Bij de beantwoording van die vraag is van groot belang dat [appellante] als gevolg van de ontbinding de woning moet ontruimen. Ontruiming van een woning vormt immers een inmenging in het recht op respect voor de woning van een bewoner, welk recht beschermd wordt door artikel 8 EVRM, zoals [appellante] terecht aanvoert. Een inbreuk op dat woonrecht moet een proportionele maatregel vormen. Het hof moet dus beoordelen of Woonstad met de ontbinding van de overeenkomst (met tot gevolg ontruiming van de woning) een proportionele maatregel nam en of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat zij gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding."
Ontruiming waarbij ook minderjarige kinderen zijn betrokken
"3.6. [appellante] heeft ook betoogd dat de belangenafweging in het voordeel van Ymere (het hof leest: [appellante] ) dient uit te vallen omdat zij en haar vier kinderen recht en belang bij de woning hebben.
Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) (Trb. 1990/170), vereist dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen in die zin dat deze belangen zwaarwegend en fundamenteel zijn. Het is weliswaar aannemelijk dat de ontruiming uit de woning (ook) voor de minderjarige kinderen van [appellante] (negatieve) gevolgen zal hebben, maar het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van [appellante] als ouder van haar (minderjarige) kinderen om de nodige voorzieningen te treffen teneinde eventuele nadelige gevolgen voor hen zoveel mogelijk te beperken. Nu niet is gesteld of gebleken dat [appellante] moeite heeft gedaan deze voorzieningen te treffen laat staan dat de ontruiming tot een acute noodtoestand voor haar kinderen zal leiden, kan in het midden blijven of Ymere maatregelen in dit verband had moeten treffen. Overigens wijst het hof er (nogmaals) op dat Ymere aan [appellante] vele malen de kans heeft gegeven om de huurachterstand in te lopen en dat de ontruimingsdatum recent nog weer is uitgesteld, namelijk van 14 maart 2016 naar 13 april 2016."
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [X] c.s. een grief gericht. In de kern komt de toelichting op de grief erop neer dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht heeft geslagen op de (psychische) gezondheidstoestand waarin [Y] verkeerde. Voorts blijkt, aldus [X] c.s., uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en het arrest van het Europees hof voor de rechten van de Mens van 4 november 2014, 29217/12 (Tarakhel), kort gezegd, dat (zelfs uitgeprocedeerde) asielzoekersgezinnen met kinderen niet mogen terechtkomen op straat. Dat moet dan zeker ook gelden voor statushouders zoals zij, aldus [X] c.s. Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 3, 16, 27 en 37 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).
3.4.
Het hof begrijpt uit de verklaring van hun advocaat bij pleidooi in hoger beroep dat hij het zinloos acht in beroep te gaan tegen de uitspraak van de kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank Den Haag en dat hij de in verband daarmee (bij appeldagvaarding) ingestelde primaire en subsidiaire vorderingen intrekt. De vordering van [X] c.s. in hoger beroep is dus uitsluitend erop gericht dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering tot ontruiming alsnog zal afwijzen.
3.5.
Als voldoende aannemelijk zou zijn dat de herhaalde weigering van de woning door [X] c.s. niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , zou het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is immers wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders als [X] c.s. dat zij met hun minderjarige kinderen de woonruimte in een AZC dienen te verlaten als zij een hun aangeboden woning hebben geweigerd op grond van niet steekhoudende redenen (zoals de in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 weergegeven redenen van [X] c.s. moeten worden aangemerkt). Daarbij is van belang dat [X] c.s. gedurende een periode van ongeveer een jaar herhaaldelijk zijn voorgelicht over de geldende regels en hun herhaaldelijk is voorgehouden wat de consequenties van een weigering zijn en dat hun, in afwijking van het beleid van COA, met het oog op het belang van de minderjarige kinderen in het gezin zelfs nog een laatste kans is gegeven om de woning alsnog te aanvaarden. Door weigering van de aangeboden woning onder deze omstandigheden zouden [X] c.s. op grond van de geldende regelgeving de woonruimte in het AZC zonder recht of titel bewonen. De door [X] c.s. genoemde arresten zouden hen in deze situatie niet kunnen baten. In deze arresten gaat het niet om vergunninghouders aan wie een kans is geboden op eigen zelfstandige woonruimte (en, na inschrijving in de basisregistratie personen, op financiële middelen om in hun levensonderhoud te voorzien), maar daarvan hebben afgezien zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden bestaat. Genoemde arresten staan om die reden evenmin in de weg aan de mogelijkheid dat het bevoegde gezag, als gevolg van de ontruiming, een (kinderbeschermings-)maatregel zou nemen die ertoe zou leiden dat de kinderen gescheiden van de ouders worden opgevangen wanneer het belang van de minderjarige kinderen dat noodzakelijk zou maken. Het beroep op bepalingen van het EVRM, het IVRK en het ESH, zoals [X] c.s. hebben gedaan, zou in dat geval niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door die verdragsbepalingen gegeven bescherming is immers niet absoluut en wel degelijk aan zekere beperkingen onderhevig."
Ongeoorloofde overbrenging en vasthouding van een minderjarige
“21. Ten aanzien van het beroep van de vader op artikel 3 IVRK overweegt het hof als volgt. In zaken als de onderhavige, waarbij sprake is van ongeoorloofde overbrenging en vasthouding, wordt het in het belang van de minderjarige geacht dat hij of zij enerzijds de banden met diens familie, derhalve beide ouders, kan behouden en dat anderzijds verzekerd wordt dat diens ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan dat de vader de voornoemde ‘orders’ van de Supreme Court of India , om [de minderjarige] beschikbaar te maken voor Skype contacten met de moeder, niet of nauwelijks nakomt. Zou [de minderjarige] naar Nederland gaan, dan zou zij contact hebben met haar moeder en halfzusje, hetgeen haar nu wordt ontzegd. Hoewel niet in geschil is dat tegen de vader een arrestatiebevel is uitgevaardigd, hetgeen hem belemmert om in Nederland contact te hebben met [de minderjarige] , heeft de moeder toegezegd dat zij de vader wel Skype toegang met [de minderjarige] zal geven. Bij teruggeleiding zal de minderjarige dus in staat zijn om enerzijds de banden met de vader te behouden en anderzijds de banden met haar moeder en haar halfzusje te herstellen.
22. Voor zover de vader stelt dat een bevel tot teruggeleiding van een Nederlandse rechter niet in het belang van de minderjarige is, omdat deze beslissing in India niet uitvoerbaar is, faalt ook dit betoog. Gebleken is immers uit diverse aangehaalde uitspraken dat de Indiase rechter kennis neemt van de Nederlandse uitspraken en deze meeneemt in zijn overwegingen. Blijkens de uitspraak van de High Court van 13 april 2018 vindt hierbij het principe van “Comity of Courts” toepassing wat, kort gezegd, inhoudt dat de Indiase rechter acht zal moeten slaan op de beslissingen die door een niet- Indiase rechter tussen partijen zijn gegeven.
23. Nu er geen sprake is van de door de vader aangevoerde weigeringsgronden en het hof ook anderszins niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige zoals dit door het EVRM en het IVRK wordt beschermd, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de teruggeleiding van de minderjarige heeft gelast zodat onmiddellijke teruggeleiding dient te volgen. Aangezien deze maatregel een ordemaatregel betreft en aldus snelheid vereist is, zal het hof deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het verzoek van de moeder tot het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm zal worden afgewezen, nu de Nederlandse rechter niet bevoegd is de Indiase autoriteiten dit op te leggen.”
"* Wat staat in de wet en hoe toetst de rechter de wet?
5.3 -
In artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) staat dat de rechter bij het nemen van een beslissing over een kind als eerste moet kijken naar het belang van het kind.
- In artikel 1:265h BW staat dat de GI de kinderrechter kan verzoeken vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien deze behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.
- In artikel 1:253a BW staat dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt dan een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij deze beslissing alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in acht te nemen.
5.4
Het hof heeft hierboven in de laatste twee artikelen de delen schuin geschreven waarin een verschil zit in hoe de rechter moet toetsen.
5.5
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de GI in deze specifieke situatie en in het belang van de kinderen niet moet worden getoetst aan de hand van het (noodzakelijkheids) criterium in artikel 1:265h BW, maar aan de hand van het (in het belang van het kind wenselijk) criterium in artikel 1:253a BW.
In deze zaak is sprake van een ondertoezichtstelling, die (mede) is uitgesproken vanwege een jarenlang verstoord communicatiepatroon tussen de ouders.
Wanneer voor het verzoek van de GI over de vaccinatie enkel aan de hand van het (noodzakelijkheids)criterium van artikel 1:265h BW getoetst zou worden, zou dit tot het - naar het oordeel van het hof: onwenselijke - gevolg leiden dat in gevallen als de onderhavige, waarin sprake is van een ondertoezichtstelling vanwege een complexe echtscheiding en (opnieuw) een geschil tussen de ouders, de ouders gedwongen worden tot het (opnieuw) voeren van een gerechtelijke procedure. Hierdoor zou de strijd tussen de ouders (kunnen) voortduren.
Die situatie is in deze procedure aan de orde. De vader heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij heeft overwogen om zelf een verzoek in te dienen tot het verlenen van vervangende toestemming voor het vaccineren van de kinderen, maar dat hij voorzag dat dit extra strijd zou opleveren tussen de moeder en hem, en dat daarom - na overleg tussen de vader en de GI - de GI het verzoek heeft ingediend. Wanneer de GI dit verzoek niet zou hebben ingediend, zou de vader dit zelf hebben gedaan, aldus de vader.
Al het bovenstaande en als eerste kijkend naar het belang van de kinderen, maakt dat het hof vindt dat de rechter het verzoek van de GI over de vaccinatie moet beoordelen aan de hand van het criterium of de vaccinatie in het belang van de kinderen wenselijk is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2019, 200.263.557/01 en 200.263.557/02, ECLI:NL:GHARL:2019:9402
De relatie met artikel 20 IVRK
"3.8.2.
Het hof wijst daarnaast op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), inhoudende dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen , alsmede op artikel 20 IVRK, voor zo ver in deze zaak van belang samengevat inhoudende dat voor het kind dat niet thuis kan wonen er een vorm van zorg dient te zijn die plaatsing in een pleeggezin kan omvatten; bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal. Het hof zal (ook) nagaan of de betrokken instanties bij weging van de voorgestane beëindiging van het gezag van de ouders, in voldoende mate rekening hebben gehouden met deze verdragsregels."
De relatie tussen artikel 3 IVRK en de EU Gezinsherenigingsrichtlijn
"11.2. De gunstiger voorwaarden van hoofdstuk V van de richtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000 en nader uitgewerkt in de Vc 2000. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen het toepassingsbereik van hoofdstuk V uit te breiden tot subsidiair beschermden (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, onder 13). De Afdeling ziet geen grond te oordelen dat deze implementatie onjuist is.
De gunstiger voorwaarden van hoofdstuk V zijn niet alleen van toepassing als een vluchteling of subsidiair beschermde een nareisaanvraag indient voor de in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn vermelde gezinsleden, maar ook als hij een reguliere aanvraag om gezinshereniging indient voor die gezinsleden (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:982, onder 8 tot en met 9.1).
11.3. De richtlijn staat er niet aan in de weg dat de staatssecretaris het nareisbeleid maar één keer toepast, in die zin dat hij het nareisbeleid niet nog een keer toepast als een vreemdeling, op wie hij het nareisbeleid heeft toegepast door hem een mvv te verlenen omdat die vreemdeling als jongvolwassene behoort tot het ouderlijk gezin, vervolgens zelf als referent optreedt om gezinsleden van een ander gezin, namelijk het eigen gezin van die vreemdeling, te laten nareizen. Het betreft immers begunstigend beleid op basis waarvan de staatssecretaris na verlening van een mvv ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent.
Een vreemdeling op wie de staatssecretaris het nareisbeleid niet nog een keer toepast, kan een reguliere aanvraag indienen. Die aanvraag kan weliswaar niet leiden tot gezinshereniging op basis van een afgeleide asielvergunning maar wel tot gezinshereniging op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De richtlijn staat hieraan niet in de weg omdat deze niet voorschrijft welke verblijfsstatus de staatssecretaris aan gezinsleden van die vreemdeling moet toekennen.
De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat de staatssecretaris, mede gelet op artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het IVRK, een uitzondering maakt in het voordeel van minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het eigen gezin van die vreemdeling, door op hen wel het nareisbeleid toe te passen. Als de staatssecretaris beschikt over zowel een nareisaanvraag van de minderjarige kinderen als een reguliere aanvraag van de andere ouder van die kinderen, kan hij deze aanvragen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang beoordelen."
"2.2. Op 11 augustus 2017 heeft de politie in een e-mailbericht negatief geadviseerd over de aanvraag van [appellante]. Bij e-mailbericht van 11 november 2017 is de politie, na overleg met de wijkagent, bij dit negatieve advies gebleven. Uit de in het procesdossier aanwezige e-mailwisseling blijkt dat de wijkagent op de hoogte was van de actuele situatie van [appellante]. Een afzonderlijk, nieuw onderzoek was daarom niet nodig. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuur van het advies van de politie mocht uitgaan en dat de aanvraag niet aan de vereisten van artikel 5.4 van Bijlage I van de Verordening voldoet.De in hoger beroep door het bestuur overgelegde nadere stukken hebben betrekking op de eerdere toekenning van een urgentieverklaring. Het zijn onder meer aanvraagstukken en het toekenningsbesluit van 8 maart 2013. Die stukken bieden evenmin als de overige overgelegde stukken grond voor het oordeel dat het bestuur in de thans voorliggende zaak wegens de voortdurende situatie met de buurman gehouden was een urgentieverklaring toe te kennen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de eerder toegekende urgentieverklaring bij besluit van 16 juli 2013 op verzoek van [appellante] zelf is ingetrokken.(...).Omdat met het besluit van 9 januari 2018 geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is het Handvest, gelet op artikel 51, eerste lid, niet van toepassing. Van strijd met de artikelen 8
van het EVRM en 3 van het IVRK is voorts geen sprake. Niet gebleken is dat het bestuur, dat zich twee maal door de politie heeft laten adviseren over de feitelijke situatie, zich van de belangen van de kinderen van [appellante] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361."
"2.4. [appellante] voert, onder verwijzing naar artikel 3 van het IVRK, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de belangen van haar zoon daarbij onvoldoende zijn betrokken omdat het college geen medisch advies heeft ingewonnen voor het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule.
2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
2.6. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet op grond van de hardheidsclausule van artikel 27 van de verordening een urgentieverklaring hoefde af te geven. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de verordening in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat de zoon, of ieder gezinslid, een eigen kamer nodig heeft. Het college heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de medische situatie van de zoon voor te leggen aan een keuringsarts. Het college heeft de belangen van de zoon voldoende meegewogen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op een mogelijk andere indeling van het appartement, zodat de zoon een eigen kamer kan krijgen.
Omdat met het besluit van 9 januari 2018 geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is het Handvest, gelet op artikel 51, eerste lid, niet van toepassing. Van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK is voorts geen sprake. Niet gebleken is dat het bestuur, dat zich twee maal door de politie heeft laten adviseren over de feitelijke situatie, zich van de belangen van de kinderen van [appellante] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361."
IVRK geeft geen mogelijkheid om de wettelijke bepaalde gezagsbeëindiging niet toe te passen
"5.8. De moeder heeft nog aangevoerd dat het een ‘hamerstuk’ lijkt te zijn dat het ouderlijk gezag wordt beëindigd na een uithuisplaatsing van twee jaren. Zij meent dat dit een onjuist uitgangspunt is, onder verwijzing naar artikel 8 EVRM, de artikelen 3, 7, 9 en 18 IVRK en jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en andere rechters. Wat er zij van dit betoog van de moeder, uit de tekst van de wet blijkt dat de rechter enige ruimte heeft om, ook als aan de gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan, die maatregel desalniettemin achterwege te laten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof echter geen aanleiding om het verzoek van de raad af te wijzen. Het hof acht gezien het vorenstaande de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk ter bescherming van het belang van de kinderen en tevens proportioneel. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen."
De herhaalde weigering van een woning door een statushouder (asielzoeker)
"3.2.
De voorzieningenrechter heeft [X] c.s. bij het bestreden vonnis veroordeeld de woonruimte uiterlijk 15 april 2019 te ontruimen en hen belast met de kosten van het geding. Daartoe is, voor zover van belang, het volgende overwogen. Gelet op de onder de feiten weergegeven omstandigheden is duidelijk dat [X] c.s. al vóór de woningbezichtiging en de gestelde angstaanvallen van [Y] op verschillende momenten de woning hebben geweigerd en daarvoor steeds verschillende redenen hebben aangegeven, die niets met een psychische toestand van [Y] van doen hadden. Er was ook geen sprake van psychische problemen vóór de woningbezichtiging.
Onder die omstandigheden heeft COA in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen dat de aan het gezin aangeboden zelfstandige woonruimte in [plaats ] als passend moet worden aangemerkt. De stelling van [X] c.s. dat COA onvoldoende rekening houdt met de rechten van de kinderen, zoals verdragsrechtelijk beschermd in de artikelen 8 EVRM en 16IVRK slaagt niet. Uit het chronologisch overzicht van de feiten blijkt dat COA in deze zaak een uitzondering heeft gemaakt op zijn eigen beleid en [X] c.s. nog een tweede kans heeft gegeven om de woning te accepteren, met het oog op de minderjarige kinderen. [X] c.s. hebben andermaal ervoor gekozen de woning toch niet te accepteren en zij hebben daarmee zelf geen recht gedaan aan de belangen van de minderjarige kinderen. Een zelfstandige woning als woon- en verblijfplaats is immers voor de kinderen beter dan een verblijf op een kamer in een AZC. Goed denkbaar zou zijn geweest dat de woning wel door de familie zou zijn geaccepteerd en dat de moeder – al dan niet tijdelijk – ergens anders zou gaan verblijven. Zij stelt immers zelf dat familie van haar in [plaats ] en [plaats ] woont. De vader zou dan met zijn kinderen (van wie één meerderjarig is) in [plaats ] onderdak hebben gehad. [X] c.s. hebben zich zelf nu in deze positie gebracht. Indien het daadwerkelijk tot een ontruiming zal komen, zal, net als bij iedere andere ontruiming, een maatregel door het bevoegde gezag dienen te worden genomen om de minderjarige kinderen bescherming te bieden. Door de beslissing de woning in [plaats ] te weigeren, is de verantwoordelijkheid om in hun huisvesting en levensonderhoud te voorzien bij [X] c.s. komen te liggen. Gelet op de druk op de opvang van asielzoekers, bestaat voor COA geen ruimte om gezinnen, die zonder recht of titel in de opvang verblijven, daar te handhaven. COA heeft voldoende onderbouwd dat een sterke behoefte bestaat om opvangplaatsen van asielzoekers en daarmee gelijkgestelde categorieën op korte termijn vrij te krijgen. Aan [X] c.s. zal een termijn worden gegeven om ander onderdak te organiseren, al dan niet via de reguliere wijze van hulpverlening. De woning in [plaats ] is inmiddels niet meer beschikbaar, maar het is niet denkbeeldig dat een van de betrokken gemeenten een woning kan aanbieden, zoals dat in december 2018 ook het geval was. [X] c.s. hebben immers nog steeds een status en ontnemen in dat geval ook een woning aan het woningbestand, net zoals zij dat in december 2018 zouden hebben gedaan. COA heeft echter geen verplichting meer om zich in te spannen woonruimte te zoeken, aldus nog steeds de voorzieningenrechter.
3.3.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [X] c.s. een grief gericht. In de kern komt de toelichting op de grief erop neer dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht heeft geslagen op de (psychische) gezondheidstoestand waarin [Y] verkeerde. Voorts blijkt, aldus [X] c.s., uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en het arrest van het Europees hof voor de rechten van de Mens van 4 november 2014, 29217/12 (Tarakhel), kort gezegd, dat (zelfs uitgeprocedeerde) asielzoekersgezinnen met kinderen niet mogen terechtkomen op straat. Dat moet dan zeker ook gelden voor statushouders zoals zij, aldus [X] c.s. Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 3, 16, 27 en 37 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).
(...).
3.5.
Als voldoende aannemelijk zou zijn dat de herhaalde weigering van de woning door [X] c.s. niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , zou het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is immers wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders als [X] c.s. dat zij met hun minderjarige kinderen de woonruimte in een AZC dienen te verlaten als zij een hun aangeboden woning hebben geweigerd op grond van niet steekhoudende redenen (zoals de in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 weergegeven redenen van [X] c.s. moeten worden aangemerkt). Daarbij is van belang dat [X] c.s. gedurende een periode van ongeveer een jaar herhaaldelijk zijn voorgelicht over de geldende regels en hun herhaaldelijk is voorgehouden wat de consequenties van een weigering zijn en dat hun, in afwijking van het beleid van COA, met het oog op het belang van de minderjarige kinderen in het gezin zelfs nog een laatste kans is gegeven om de woning alsnog te aanvaarden. Door weigering van de aangeboden woning onder deze omstandigheden zouden [X] c.s. op grond van de geldende regelgeving de woonruimte in het AZC zonder recht of titel bewonen. De door [X] c.s. genoemde arresten zouden hen in deze situatie niet kunnen baten. In deze arresten gaat het niet om vergunninghouders aan wie een kans is geboden op eigen zelfstandige woonruimte (en, na inschrijving in de basisregistratie personen, op financiële middelen om in hun levensonderhoud te voorzien), maar daarvan hebben afgezien zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden bestaat. Genoemde arresten staan om die reden evenmin in de weg aan de mogelijkheid dat het bevoegde gezag, als gevolg van de ontruiming, een (kinderbeschermings-)maatregel zou nemen die ertoe zou leiden dat de kinderen gescheiden van de ouders worden opgevangen wanneer het belang van de minderjarige kinderen dat noodzakelijk zou maken. Het beroep op bepalingen van het EVRM, het IVRK en het ESH, zoals [X] c.s. hebben gedaan, zou in dat geval niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door die verdragsbepalingen gegeven bescherming is immers niet absoluut en wel degelijk aan zekere beperkingen onderhevig."
Gerechtshof Amsterdam 12 april 2019, 200.257.380/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:1342
Vereiste inspanning van vreemdelingen nadat zij zijn teruggestuurd naar een ander EU-land
"6. De vreemdelingen betogen in beroep dat het terugsturen naar Griekenland in strijd is met artikel 3 van het IVRK. Daarin kunnen zij niet worden gevolgd. De besluiten, mede gelet op het onder 4.3. t/m 4.6. overwogene, geven er namelijk geen blijk van dat de staatssecretaris onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van de minderjarige kinderen. De vreemdelingen hebben dit ook niet gestaafd.
7. De vreemdelingen beroepen zich daarnaast op de bepalingen in hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling overweegt dat het in de eerste plaats aan hen is om hun daaruit voortvloeiende rechten in Griekenland te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdelingen en de op de zaak betrekking hebbende stukken is, zoals de staatssecretaris terecht stelt, niet gebleken dat de vreemdelingen daartoe voldoende inspanningen hebben verricht."
Het college van B en W dient de belangen van een kind onder ogen te zien
"6.3.
(...).
Voorts is geen sprake van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK. Niet gebleken is dat het college zich van de belangen van de kinderen van [appellant] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de minderjarige kinderen bij de moeder verblijven en dat een omgangsregeling tussen [appellant] en zijn kinderen mogelijk is, waardoor contact met [appellant] mogelijk blijft."
Het beroep op de artikelen 8 EVRM, 3 en 9IVRK en 9 IVBPR stuit af op het vooroverwogene, nu de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind A] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling."
Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat niet valt in te zien dat het door belanghebbende aangevoerde onderscheid in strijd komt met de artikelen 16 en 17 ESH en/of de artikelen 2, 3, 32 en 36 IVRK, zo in een geval als het onderhavige daarop al rechtstreeks een beroep kan worden gedaan."
Namens [appellante] is aangevoerd dat artikel 3 IVRK voorschrijft dat bij rechterlijke beslissingen altijd de belangen van in het spel zijnde kinderen dienen te prevaleren. Dit berust echter op een verkeerde lezing en vertaling van artikel 3 IVRK, nu in dat artikel wordt aangegeven dat de belangen van kinderen een belangrijke overweging dienen te vormen; over prevaleren wordt in dit verdragsartikel niet gerept.
Voorts overweegt het hof dat ook andere belangen een rol spelen. De wettelijke schuldsaneringsregeling heeft een tweeledig doel. Allereerst is het bedoeld om een schuldenaar een uitzicht te bieden op een schuldenvrije toekomst (de ‘schone lei’), wat ook van invloed kan zijn op de belangen van de kinderen, maar anderszins is de regeling bedoeld om gedurende (in beginsel) drie jaar zoveel mogelijk baten voor de gezamenlijke schuldeisers te genereren, zich aan andere verplichtingen te houden en toezicht te laten houden dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Indien een saniet niet voldoet aan de opgelegde verplichtingen, wordt de regeling beëindigd zonder verlening van de schone lei, opdat de vorderingen van de schuldeisers weer kunnen worden ingeroepen. Dan dienen de belangen van de schuldeisers te prevaleren boven die van de betrokken kinderen, zoals ook in deze zaak. Het hof verwerpt het verweer."
Seksueel misbruik en de niet-openbaarheid van gegevens
“8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking. Dat is in zoverre zo dat het artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en dus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap. Daartoe wordt overwogen dat juist aan het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs veel gewicht toekomt in artikel 6, vierde lid, van de Wot. De minister heeft toegelicht dat vrijgave van wat aan de vertrouwensinspecteur in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon over een geval van seksueel misbruik, een lagere meldingsbereidheid bij hen teweeg zal brengen. Gelet hierop is het voor het goed functioneren van de vertrouwensinspecteur van essentieel belang dat communicatie naar aanleiding van zulke meldingen in uiterste vertrouwelijkheid plaatsvindt. De minister heeft toegelicht dat ouders en hun kinderen die onderwijs volgen, hierbij zijn gebaat, omdat op deze manier gevallen van seksueel misbruik juist eerder aan het licht komen of worden voorkomen, dan wanneer er geen bijzonder geheimhoudingsregime zou gelden voor de vertrouwensinspecteur. Daarmee is, anders dan [appellant] en anderen betogen, het doel van artikel 6, vierde lid, van de Wot gediend. Om dezelfde redenen heeft de minister, door een beroep te doen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs door bescherming tegen seksueel misbruik gediend. Daarbij komt dat inwilliging van een Wob-verzoek betekent dat de verzochte informatie voor eenieder openbaar is. Openbaarmaking voor eenieder van de informatie die nu niet is verstrekt, kan mogelijk in de toekomst gevolgen met zich brengen die de belangen van kinderen juist schaden.
De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de minister zich in de besluitvorming veel rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap en van kinderen in het algemeen. Daarbij heeft hij het belang van hun veiligheid in het onderwijs zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] en anderen bij openbaarmaking van de verzochte informatie. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet."
De kern van het betoog van het Hof is: het recht op water is niet absoluut, de Staat en de waterbedrijven houden een vordering op het betalen van de waterrekening én mogen onder stringente omstandigheden overgaan tot afsluiting als ultimum remedium, mits minderjarige kinderen niet in een situatie terecht komen waarin zij niet voldoende toegang hebben tot drinkwater, (conform WHO-normen) en een uiterste inspanning wordt geleverd om dat te voorkomen.
16.
Hoe de Staat en de waterbedrijven het systeem precies vorm gaan geven, daar doet het Hof geen uitspraak over:
‘Het is niet aan het Hof om voor te schrijven voor welk systeem moet worden gekozen’ (ECLI:NL:GHDHA:2024:363, r.o. 6.22).
Het systeem zal wel moeten voldoen aan de randvoorwaarden die het Hof in de uitspraak uiteen heeft gezet: het belang van het kind moet worden meegewogen als een eerste overweging, daartoe moeten de belangen van kinderen zorgvuldig in kaart worden gebracht, de minimum hoeveelheid water waartoe de kinderen altijd toegang moeten hebben is vastgesteld op basis van de WHO-normen en de waterbedrijven hebben een actieve plicht om in kaart te brengen of op af te sluiten adressen minderjarige kinderen wonen.
17.
Het ‘recht op water’-arrest laat zien dat in het bestuursrecht en overheidsaansprakelijkheidsrecht het recht van kinderen om hun belangen te laten meewegen, zichtbaar en tastbaar moet worden gemaakt. Bovendien verstevigt het arrest potentieel het beroep op artikel 3, eerste lid IVRK in bijvoorbeeld zaken rond huisvesting (zie ook: Kinderombudsman & Nationale Ombudsman, Als de overheid niet thuis geeft, Den Haag 2023, en De Kinderombudsman, Handreiking: Het beste besluit voor het kind bij huisvestingsproblemen, 14 december 2020)."
Lexplicatie, commentaar op art. 3 IVRK
Bronnen en citaten
mr. E. Thomas, actueel t/m 21-12-2025
21-12-2025
02-09-1990 tot: -
mr. E. Thomas
Lexplicatie, commentaar op art. 3 IVRK
JCDI:ADS8761:1
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
Verdrag inzake de rechten van het kind artikel 3
Jurisprudentie
In beginsel heeft artikel 3 IVRK geen directe werking
"2.1.2. Voorzover het eerste lid al een direct toepasbare norm zou inhouden, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Niet is gesteld dat dit niet is gebeurd. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat de in het eerste lid opgenomen bepaling, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.
De in het tweede en het derde lid opgenomen bepalingen doen dat naar hun aard evenmin.
De rechtbank heeft het desbetreffend betoog van appellanten dan ook terecht niet gevolgd. De grief faalt.
2.2. Hetgeen in de overige grieven naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd."
ABRvS 23 september 2024, 200404485/1, ECLI:NL:RVS:2004:AR3385, AB 2004/434 m.nt. I. Sewandono
"4.5.2.
Het beroep op de artikelen 3 van het IVRK en 8 van het EVRM treft geen doel. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Het college heeft in de loop van de procedure terecht opgemerkt dat een sfeer van veiligheid binnen de gezinsopvang ook in het belang is van de kinderen die daar verblijven. Verder is de toegangsontzegging bij het bestreden besluit beperkt tot drie dagen, waarin de kinderen hun vader buiten de opvanglocatie konden blijven ontmoeten. Hierdoor is geen onevenredige inbreuk gemaakt op het gezinsleven van appellant en de kinderen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM."
CRvB 8 augustus 2024, 21/4493 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2024:1603, RSV 2024/179 en USZ 2024/271.
"6.14.
Artikel 3 lid 1 IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het precieze gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering daarvan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is12. Dit is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, en het hof sluit zich daarbij aan."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
"7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3458) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking voor zover dat artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in dit geval geen grond bestaat voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. Daarom is er geen strijd met artikel 3 van het IVRK."
ABRvS 19 juli 2023, 202006908/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:2794
"4.7.4 Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat onder 4.7.3 is overwogen, is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen."
CRvB 26 mei 2021, 20/2646 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2021:1339, ABkort 2021/389, USZ 2021/242 en JWWB 2021/173
"6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige zoon van [appellant]. De belangen van de zoon zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag. Bij die afweging speelt mee dat de zoon van [appellant] bij de moeder kan verblijven. Nog daargelaten of artikel 4 van het IVRK zich leent voor rechtstreekse toepassing, strekt deze bepaling niet zo ver dat hieruit de verplichting voor het college volgt om een urgentieverklaring aan [appellant] te verlenen."
ABRvS 17 februari 2021, 202002731/1/A3, ECLI:NL:RVS:2021:328
"5.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
ABRvS 1 april 2020, 201904775/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:922
"4.4 Voor zover appellant met zijn stelling dat, kort gezegd, de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegewogen, een beroep heeft willen doen op artikel 3 en/of artikel 27 van het IVRK, dan geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) dat deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 25 augustus 2015, 14/2115 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2855
"4.3.
(...).
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt eveneens, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 2012, ECLI:NLCRVB:2012:BY3139), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 9 september 2014,13-4274 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:2950
"4.9.2.
Voor zover appellant nog een beroep heeft willen doen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wordt volstaan met de opmerking dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:BW4636), deze verdragsbepaling geen bepaling is die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 18 maart 2014, 14-99 WWB-VV, ECLI:NL:CRVB:2014:1020
"Artikel 3 van het IVRK
3.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 01103064/1/V2 en uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201113109/1/A2) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen
de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in ationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
Aangezien uit het besluit van 20 juli 2012 niet blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen zich, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind, is dit besluit niet in strijd met artikel 3 van het IVRK.
Het betoog van [appellante] hierover faalt."
ABRvS 12 maart 2014, 201303599/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:838
"4.12.3.
Het beroep van appellante op de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4281) kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet een ieder binden in de zin van artikel 94 van de Grondwet."
CRvB 14 januari 2014, 12-1360 WIJ, ECLI:NL:CRVB:2014:16
"4.3
(...).
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 13 november 2012, 11/6987 WWB + 11/6988 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3139
"2.3.8. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
ABRvS 7 februari 2012, 201103064/1/V2, ECLI:NL:RVS:2012:BV3716
"4.3.Het beroep van appellante op artikel 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686), kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 25 april 2017, 16/4974 PW, ECLI:NL:CRVB:2017:1604
"4.8.Het beroep dat appellant tot slot doet op de artikelen 3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, slaagt niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, vormen deze verdragsbepalingen geen bepalingen die naar hun aard een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (zie de uitspraken van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3025, en van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321)."
CRvB 9 augustus 2016, 15/2116 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:3016
"4.4.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraken van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686, en van 29 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9795), kunnen de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 28 juli 2015, 14/2984 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2492
"4.3 Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 14 oktober 2014, 13-3363 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:3322
"4.6.Wat namens appellant verder nog is aangevoerd, leidt evenmin tot een voor appellant gunstig oordeel. Daarbij is in aanmerking genomen dat de namens appellant ingeroepen artikelen 3 en 27 van het IVRK, voor zover hier van belang, niet zijn te beschouwen als eenieder verbindende bepalingen van verdragsrecht als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet en dat in de ILO-conventies nr. 121 en nr. 128 evenmin zulke, voor het onderhavige geschil relevante bepalingen zijn aan te wijzen."
CRvB 11 maart 2016, 14/5530 ANW, ECLI:NL:CRVB:2016:1070
"4.6. Appellante heeft aangevoerd dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien. Het in dit verband gedane beroep op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet, reeds omdat volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepaling geen bepaling is die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 9 juli 2013, 12-4969 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:911
"4.2. Vreemdelingen 3 en 4 waren ten tijde van het besluit van 17 mei 2011 meerderjarig en vallen derhalve niet onder de reikwijdte van het IVRK. De rechtbank heeft niet onderkend dat wat betreft die vreemdelingen het beroep op het IVRK reeds hierom faalt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
ABRvS 27 maart 2013, 201112714/1/V3, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682
"4.3.
(...).
Het beroep van appellanten op artikel 3 van het IVRK faalt, nu, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686), deze verdragsbepaling geen bepaling vormt die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 13 november 2012, 11/6987 WWB + 11/6988 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3139
"4.6. Appellante heeft betoogd dat de verlaging van haar uitkering in strijd is met artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Dit betoog faalt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 29 juni 2010, LJN BM9795), vormt deze verdragsbepaling geen bepaling die naar zijn inhoud een ieder kan verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 30 oktober 2012, 11-2036 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY2132
"5.7. Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (zie CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet."
CRvB 13 april 2012, 09/3105 ANW + 09/3106 ANW + 09/3107 ANW, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4281
"5.5. Hetgeen betrokkene in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad ziet niet in dat de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) tot een ruimere uitleg dwingen van artikel 8 van het EVRM, in die zin dat aan betrokkene wel bijstand moet worden verleend over de periode vóór 11 februari 2009. Voor wat betreft het beroep op genoemde artikelen van het ESH verwijst de Raad naar rechtsoverweging 4.8 en 4.9 van zijn uitspraak van 26 januari 2010, LJN BL1686, en wat het beroep op genoemde artikelen van het IVRK betreft naar zijn uitspraak 24 januari 2006, LJN AV0197."
CRvB 26 april 2011, 10/4761 WWB + 10/5292 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3795
"6.5.3. Ten aanzien van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (zie CRvB 26 januari 2010, LJN BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De Raad is van oordeel dat artikel 18 van het IVRK evenmin een bepaling is die naar zijn inhoud eenieder kan binden."
CRvB 22 november 2010, 09/2200 WWB + 09/2203 WWB + 09/6680 WWB + 09/6681 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO3025
"2.1.1
(...).
Het beroep op artikel 3, 23, en 27 van het IVRK en artikel 13 en 17 van het ESH kan niet slagen, reeds omdat deze artikelen naar hun inhoud niet een ieder verbinden en zich derhalve niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter lenen.
De grief faalt."
ABRvS 8 oktober 2010, 200909108/1/V1, ECLI:NL:RVS:2010:BO0685
"4.8. Appellant heeft betoogd dat deze verlaging hem en zijn gezin onder het door internationale verdragen gegarandeerde bestaansminimum brengt en dat het College daardoor het gezinsleven van appellant en zijn gezin onmogelijk maakt. Als grondslag voor dit betoog heeft appellant een beroep gedaan op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de artikelen 3 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), de artikelen 13, 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (herzien) (ESH (herzien)) en de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR).
4.9. Het beroep van appellant op deze verdragsbepalingen slaagt niet. De Raad heeft reeds in eerdere uitspraken overwogen (zie onder meer de uitspraak van 18 juni 2004, LJN AP4680 en recentelijk de uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776) dat de door appellant in dit geding aangehaalde bepalingen van het ESH en het IVESCR niet een ieder kunnen verbinden in de zin van artikel 94 van de Grondwet (Gw). Bij deze vaststelling zijn zowel de bewoordingen als de strekking van deze bepalingen in aanmerking genomen alsmede hetgeen ter zake in algemene zin in de Memorie van Toelichting bij de wetten tot goedkeuring van deze verdragen is opgemerkt. De Raad ziet in hetgeen namens appellant met betrekking tot bedoelde verdragsbepalingen is aangevoerd, waaronder de verwijzing naar artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992 (Het Verdrag van Maastricht), het Weens Verdragenverdrag, de Concluding observations van het Committee on Economic, Social and Cultural Rights van de Verenigde Naties van 16 juni 1998 en 24 november 2006 en de Voluntary pledges and committments on human rights van de permanente vertegenwoordiger van Nederland bij de Verenigde Naties aan de Voorzitter van de Algemene vergadering van de Verenigde Naties van 23 februari 2007, onvoldoende basis om een afwijkend standpunt in te nemen in die zin dat die bepalingen thans wel als een ieder verbindende verdragsbepalingen in de zin van artikel 94 van de Gw moeten worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad is in genoemde verdragsartikelen sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op bijstand valt te ontlenen. Datzelfde geldt voor het beroep van appellant op het IVRK, zoals de Raad eerder in zijn uitspraak van 9 oktober 2006, LJN AY9940, heeft overwogen."
CRvB 26 januari 2010, 08-669 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686
"2.5.1. De Afdeling verstaat de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelstalige versie - "a primary consideration" - zo dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2005 in zaak no. 200507132/1, AB 2005, 429) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving."
ABRvS 12 april 2007, 200606485/1, ECLI:NL:RVS:2007:BA3394
"Namens gedaagde is in verweer onder meer een beroep gedaan op tal van internationale bepalingen waaronder artikel 26 van het Internationaal Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 12 juncto artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de artikelen 3, 26, 27, 28, 29, 31 en 33 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
(...).
Ten aanzien van het beroep op de bepalingen van het IVRK merkt de Raad ten slotte op dat -zo al aangenomen zou moeten worden dat aan één of meer van deze bepalingen rechtstreekse werking zou toekomen- dit beroep in dit geval, gezien het voorgaande, niet kan leiden tot aanspraak op kinderbijslag."
CRvB 8 april 2005, 01/4580 AKW, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4112
"2.1.2. Voorzover het eerste lid al een direct toepasbare norm zou inhouden, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Niet is gesteld dat dit niet is gebeurd. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat de in het eerste lid opgenomen bepaling, gelet op haar formulering, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is.
De in het tweede en het derde lid opgenomen bepalingen doen dat naar hun aard evenmin.
De rechtbank heeft het desbetreffend betoog van appellanten dan ook terecht niet gevolgd. De grief faalt."
ABRvS 23 september 2004, 200404485/1, ECLI:NL:RVS:2004:AR3385
Tenzij...
"3.12
Het hof oordeelt dat aan artikel 3 IVRK rechtstreekse werking toekomt in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de rechter in dit verband te toetsen of de Staat zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
Gerechtshof Den Haag 9 juli 2024, 200.319.941/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1099
“5.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk.
5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van [appellante] of haar dochter niet dusdanig uitzonderlijk is dat [appellante] een urgentieverklaring zou moeten krijgen.”
ABRvS 1 april 2020, 201904775/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:922, AB 2021/93 met annotatie van T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik
"8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3831) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich voldoende rekenschap gegeven van de belangen van de dochter. Het college heeft haar belangen uitdrukkelijk bij zijn beoordeling betrokken, en toegelicht waarom die er in dit geval niet toe verplichten om de urgentieverklaring te verlenen. Van de door [appellante] gestelde strijd met artikel 3 van het IVRK is daarom geen sprake."
ABRvS 28 oktober 2020, 202004769/1/A3 en 202004769/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:2508
“3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:777) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In het Besluit geslachtsnaamswijziging is voorzien in mogelijkheden voor minderjarige kinderen om hun geslachtsnaam te wijzigen. Daarbij is in artikel 3 van het Besluit bepaald onder welke voorwaarden het mogelijk is de geslachtsnaam van een minderjarige te wijzigen in die van de verzorgende ouder. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit geslachtsnaamswijziging ligt aan de regeling ten grondslag de gedachte dat de geslachtsnaam uitdrukking geeft aan de identiteit van een persoon en dat, indien het geslachtsnaamswijziging van minderjarigen betreft, het wenselijk is dat de geslachtsnaam slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan worden gewijzigd. Weigert een ouder in te stemmen met de verzochte wijziging dan wordt de geslachtsnaamswijziging alleen toegewezen wanneer het kind bij zijn instemming blijft. Omdat het hier kinderen van twaalf jaar en ouder betreft, is het verantwoord om de naamswijziging met hun instemming wel toe te staan (Stb. 2004, 100, blz. 4). Nu de belangen van minderjarige kinderen zijn verdisconteerd in het Besluit geslachtsnaamswijziging bestaat geen grond voor het oordeel dat het Besluit en het daarop gebaseerde besluit in strijd zijn met artikel 3 van het IVRK. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.”
ABRvS 21 oktober 2020, 202000682/1/A, ECLI:NL:RVS:2020:2481
"5.2
(...).
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kleindochter van [appellant]. De belangen van de kleindochter van [appellant] zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening. Bij die afweging speelt mee dat de dochter van [appellant] ervoor gekozen heeft om haar ouders en broer bij haar in huis te nemen. Hoewel dat een te respecteren keuze is, is door die keuze de voor beide gezinnen ongewenste woonsituatie ontstaan. Het ligt binnen de mogelijkheden van de dochter van [appellant] om deze situatie te veranderen. [appellant] kan het college om die reden dan ook niet tegenwerpen dat het onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van de kleindochter van [appellant]. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
ABRvS 8 juli 2020, 201907093/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1584
“4.7.4. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Gelet op wat onder 4.7.3 is overwogen is er geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.”
CRvB 13 november 2019, 19/1099 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2019:3446
"4.5.
Appellante heeft tot slot een beroep gedaan op – zo begrijpt de Raad – artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en daarbij gewezen op het feit dat onvoldoende rekenschap is gegeven van het feit dat zij en haar kind beneden de armoedegrens leven. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter alleen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich bij de toepassing van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van appellante. Appellante heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van haar kind door het dagelijks bestuur niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellante op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt daarom niet."
CRvB 15 oktober 2019, 18/4153 PW, ECLI:NL:CRVB:2019:3327
"5.5.
Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze rechterlijke toets heeft een terughoudend karakter. Er is geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellante. De belangen van de kinderen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht anders te beslissen."
CRvB 29 mei 2019, 18/6268 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2019:1809
"4.20.
Het beroep van appellante op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2017 ECLI:NL:RVS:2017:105). Nu het nog gaat om een door het bestuursorgaan vast te stellen boete van hoogstens 50% van een nader te bepalen benadelingsbedrag over de periode van 14 mei 2014 tot en met 31 mei 2014 waarbij het college rekening dient te houden met de financiële situatie ten tijde van dat te nemen besluit, valt niet in te zien dat door het boetebesluit de belangen van het kind veronachtzaamd worden."
CRvB 5 decenber 2017, 15-6763 WWB, ECLI:NL:CRVB:2017:4218
"2.4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging (in de authentieke Engelse tekst: "a primary consideration").
(...).
2.4.2
(...).
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2) is artikel 3 van het IVRKeen ieder verbindend in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende een kind de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Op grond hiervan dienen bestuursorganen de belangen van het kind bij hun oordeelsvorming te betrekken en zich voldoende rekenschap te geven van die belangen. Aangezien het LBIO in het besluit van 18 mei 2010 de belangen van de kinderen van [wederpartij] niet in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, maar slechts heeft volstaan met verwijzing naar het limitatieve karakter van de in artikel 71 van de Wjz opgesomde uitzonderingsgevallen en het gegeven dat de wet niet voorziet in een hardheidsclausule, heeft de rechtbank dat besluit terecht vernietigd.
Het betoog faalt."
ABRvS 15 augustus 2012, 201109886/1/A2, ECLI:NL:RVS:2012:BX4660
“Zoals reeds is overwogen in de meergenoemde uitspraak tussen partijen van de voorzieningenrechter van 10 juli 2008 (procedurenummer AWB 08/3637 WWB) is de bescherming die het IVRK beoogt te bieden veel breder dan het beschikbaar stellen van geld en draagt de staten die partij zijn een zorgplicht op die zich uitstrekt over verschillende terreinen. Artikel 3, tweede lid, van het IVRK bepaalt, dat de staten zich verbinden het kind te verzekeren van bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, doch rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders. De rechtbank stelt voorop dat de zorg voor een kind ligt bij de ouders. Gewezen kan worden op artikel 18, eerste lid, IVRK, waarin er nog eens nadrukkelijk op wordt gewezen, dat ouders de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind. Niet valt in te zien dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gevolgen die zijn weigerachtige houding ten opzichte van het accepteren van gangbare arbeid bewerkstelligen voor het ontvangen van een bijstandsuitkering en daarmee de omvang van de zorg voor zijn zoon. De conclusie uit het bovenstaande is, dat in een geval als het nu voorliggende, het IVRK geen inbreuk maakt op de WWB en dat verweerder op grond van dat verdrag niet gehouden is af te zien van de maatregel of de maatregel te matigen."
CRvB 21 september 2011, 09-773 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2905
Toetsingscriterium artikel 3 IVRK
ABRvS
"7.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4324) moet de bestuursrechter in het kader van artikel 3 van het IVRK toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de zoon."
ABRvS 27 december 2023, 202106554/1/A3, ECLI:NL:RVS:2023:4857
"7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3458) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking voor zover dat artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er in dit geval geen grond bestaat voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. Daarom is er geen strijd met artikel 3 van het IVRK."
ABRvS 19 juli 2023, 202006908/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:2794
"5.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening is gehouden met de belangen van de kinderen, ook al is daaraan slechts summier in het besluit aandacht besteed. Weliswaar heeft [appellante] een rapportage van medisch orthopedagogisch centrum Het Kabouterhuis overgelegd waarin staat dat hulp nodig is bij het zoeken naar andere huisvesting, maar daaruit blijkt niet dat andere huisvesting dringend noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [naam]. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. De belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen.
De betogen slagen niet."
ABRvS 25 januari 2023, 202107172/1/A3, ECLI:NL:RVS:2023:286
"6.1.
Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat het besluit van 20 december 2019 in strijd is met artikel 3 van het IVRK, volgt de Afdeling haar niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:361), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind dienen te worden betrokken. Wat het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend betreft, bevat het eerste lid van artikel 3, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de rechter te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Ten aanzien van de door [appellante] gestelde hechtingsproblemen van [dochter A], heeft het college uiteengezet dat zijn besluit [appellante] niet verplicht om haar dochters van IBS Ababil over te plaatsen naar een andere school. [appellante] heeft niet gekozen voor IBS Ababil wegens de hechtingsproblematiek of de deskundigheid van de school hierin. Verder heeft het college erop gewezen dat [appellante] voor het schooljaar 2018-2019, waarin [dochter A] van school is gewisseld, geen leerlingenvervoer heeft aangevraagd. Het college heeft toegelicht dat niet is gebleken dat een wijziging in de situatie heeft plaatsgevonden, waardoor er nu wel een probleem is en dat er geen stukken zijn, waaruit blijkt dat [appellante] het vervoer financieel niet kan dragen. De enkele stelling van [appellante], dat de vader van de kinderen in 2019 uit beeld is verdwenen en hij een groot deel van de kosten op zich nam is daarvoor onvoldoende. Zoals de rechtbank heeft overwogen kan, nu [appellante] haar kinderen al geruime tijd naar IBS Ababil vervoert zonder bekostiging, niet aangenomen worden dat zonder toekenning van de gevraagde bekostiging, de dochters van [appellante] van IBS Ababil af moeten. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochters van [appellante].
Slotsom
7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd."
ABRvS 9 november 2022, 202105355/1/A2, ECLI:NL:RVS:2022:3238
Hoge Raad
"3.1.4
Uit de tekst van art. 3 lid 1 IVRK (“de eerste overweging vormen”, “shall be a primary consideration”, “doit être une considération primordiale”) volgt niet dat de belangen van het kind bij iedere maatregel die hem betreffen, doorslaggevend zijn. Wel volgt daaruit dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt in verhouding tot andere bij die maatregelen betrokken belangen. Deze uitleg is in overeenstemming met GC 14, dat gaat over art. 3 lid 1 IVRK: volgens het CRC brengt de norm tot uitdrukking dat de belangen van het kind op een ander niveau gesteld moeten worden dan alle overige belangen.10 Als de belangen van het kind conflicteren met de belangen van anderen, moeten alle belangen zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen en moet voor ogen worden gehouden dat – in de bewoordingen van GC 14 – “het recht van het kind [om] zijn belangen de eerste overweging te laten zijn inhoudt dat deze belangen een hoge prioriteit hebben en niet slechts een van verschillende overwegingen zijn”.
3.1.5
Art. 3 lid 1 IVRK richt zich onder meer tot rechterlijke instanties. Dat betekent dat de rechter in geschillen die onder de reikwijdte van die bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te kennen aan de belangen van het kind in kwestie."
HR 28 november 2025, 24/04220, ECLI:NL:HR:2025:1799
Gerechtshoven
"5.1
Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien, dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat - gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie - niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 oktober 2024, 200.338.179, ECLI:NL:GHARL:2024:6569
Terughoudende toetsing
"3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8526) heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen de belangen van het betrokken kind dienen te worden betrokken. Wat het gewicht dat aan het belang van het kind in een concreet geval moet worden toegekend betreft, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter."
ABRvS 1 februari 2023, 202104709/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:402
CRvB
"Artikel 3 IVRK niet geschonden
4.5.
Appellant heeft zich beroepen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
4.5.1.
De Raad is van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat appellant recht heeft op kinderbijslag. In dat kader verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020.9 Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Uit het arrest van het Hof in de zaak M.A. tegen Belgische Staat van 11 maart 202110 volgt dat het gaat om alle handelingen die kinderen direct of indirect raken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
4.5.2.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de Svb zich bij zijn besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant. Hierbij is van belang dat extra kinderbijslag, net als de gewone kinderbijslag, weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet. Niet is gebleken dat de belangen van de kinderen door de weigering van een extra bedrag aan kinderbijslag over de jaren in geding in het gedrang zijn gekomen."
CRvB 15 augustus 2023, 22/1444 AKW, ECLI:NL:CRVB:2023:1581
"6.4.
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat er strijd is met artikel 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank heeft deze beroepsgrond in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onbesproken gelaten. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Er is geen sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat het CIZ zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van appellant."
CRvB 1 augustus 2023, 22 / 1326 WLZ, ECLI:NL:CRVB:2023:1517
Minderjarigheid versus meerderjarigheid
"6. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omstandigheid dat haar vader haar niet tijdig heeft erkend niet aan haar kan worden toegerekend, omdat zij destijds minderjarig was. Deze toerekening is niet in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, en artikel 2, tweede lid, van het IVRK. Dat [appellante] inmiddels meerderjarig is, sluit de toepasselijkheid van deze bepalingen niet uit; kinderrechten kunnen in sommige gevallen doorwerken als de toepassing hiervan verband houdt met aspecten die betrekking hebben op de minderjarigheid. De vader was in de veronderstelling dat [appellante] door geboorte reeds het Nederlanderschap had verkregen. Hem kan dus niet worden verweten dat hij haar niet later alsnog heeft erkend. Te meer nu aan [appellante] met ingang van 13 februari 2007 een Nederlands paspoort is verstrekt.
6.1. [appellante] was ten tijde van het besluit van 13 mei 2020 meerderjarig. Zij valt daarom niet onder de reikwijdte van het IVRK. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682, onder 4.2."
ABRvS 24 juli 2024, 202105931/1/A3, ECLI:NL:RVS:2024:2988
Recht op duidelijkheid over het opvoedperspectief
"5.2.
Bij de beslissing van het hof staan de belangen van de kinderen voorop. Zij hebben recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de leefsituatie waarin zij verblijven en opgroeien. Zij hebben ook recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief. Dit staat in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 januari 2025, 200.343.125, ECLI:NL:GHARL:2025:654
Rechtsmiddelentermijnen
"3.6
De advocaat van de moeder heeft zich verder nog beroepen op het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 3 en 9 IVRK (zie hiervoor onder 3.3). Het hof overweegt dat de artikelen 3 en 9 van het IVRK op zichzelf niet aan de weg staan aan een toepassing van de regels rond rechtsmiddeltermijnen.
Met betrekking tot het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt het hof dat, zoals in iedere jeugdbeschermingszaak, het hier gaat om potentieel ingrijpende beslissingen en verzoeken van een overheidsorgaan (hier: de raad en de GI) jegens een burger, waarvan de beoordeling aan de rechter wordt voorgelegd. In die zin heeft de zaak gelijkenissen met een bestuursrechtelijke zaak. Zoals de advocaat van de moeder heeft aangevoerd is in het bestuursprocesrecht een verschuiving gaande waar het betreft de strikte handhaving van rechtsmiddeltermijnen. De hoogste bestuursrechters zijn tot het oordeel gekomen, anders dan de Hoge Raad in zijn eerder genoemde uitspraak uit 2014, dat rechtsmiddeltermijnen niet van openbare orde zijn. De bestuursrechter niet meer of in de voorafgaande bezwaar- of beroepsfase sprake is geweest van een termijnoverschrijding indien daarop niet expliciet een beroep wordt gedaan door een betrokkene (CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500). Wel wordt nog steeds ambtshalve getoetst of in de eigen instantie het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Daarbij wordt ruimhartiger omgesprongen met beroepen op verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, maar in beginsel niet als de burger wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener zoals een advocaat. Het handelen van die rechtshulpverlener komt in beginsel voor risico van de burger (CBB 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31).
Dit alles overziend, overweegt het hof dat in deze zaak de moeder (verplicht) werd bijgestaan door haar advocaat. Dat zij het hoger beroep te laat heeft ingediend, moet dan ook voor haar rekening blijven, ook al zijn de consequenties van de bestreden beschikking voor de moeder ingrijpend. Bijzondere omstandigheden aan de zijde van de advocaat zelf waarom dit anders zou moeten zijn, zijn gesteld noch gebleken. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Het hof zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
3.7
Gelet op het voorgaande komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaken niet toe."
Gerechtshof Amsterdam 10 december 2024, 200.337.808/01 en 200.337.809/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:3388
Artikel 3 IVRK bevat een gelijke toets als artikel 8 EVRM
"Schending IVRK en Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
8. [appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat in de besluitvorming onvoldoende rekenschap is gegeven van de belangen van zijn kinderen. Hij verwijst in dit kader naar artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.
8.1. De SUWR heeft in de aanvullende motivering van 22 december 2022 en op de zitting toegelicht dat het tweede lid van artikel 5.3 van de verordening is bedoeld om te voorkomen dat minderjarige kinderen na een scheiding dakloos worden wanneer ouders de woonlasten niet kunnen opbrengen. Zij heeft daarom in haar besluitvorming kunnen betrekken dat de kinderen onderdak hebben bij hun moeder, niet dakloos zijn en andere manieren bestaan om contact te hebben met hun vader. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om familieleven met zijn kinderen uit te oefenen. Dat de ontwikkeling van zijn kinderen door zijn woonomstandigheden in gevaar is heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.
8.2. Het betoog slaagt niet."
ABRvS 17 juli 2024, 202305138/1/A2, ECLI:NL:RVS:2024:2895
"6.22
Een toets aan art. 3 IVRK leidt niet tot een andere conclusie dan de toets aan art. 8 EVRM. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat het belang van het kind een eerste overweging vormt bij alle maatregelen betreffende kinderen. Dat betekent echter niet dat de belangen van het kind altijd doorslaggevend zijn. Art. 3 IVRK heeft rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken en zwaarwegend zijn. Wat betreft de vraag hóe zwaarwegend het belang van een kind in een concreet geval is ten opzichte van andere betrokken belangen, bevat art. 3 lid 1 IVRK, gelet op de formulering ervan, daarentegen geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wat daar ook van zij, het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat art. 3 IVRK ook een opdracht aan de nationale rechter bevat om de belangen van het kind in voorkomend geval een eerste overweging te laten zijn en in het oordeel te betrekken. Het hof heeft dat in het voorgaande gedaan en heeft geoordeeld dat het – eveneens zwaarwegende – belang dat met de bestreden toezichtmaatregel wordt gediend in dit geval prevaleert boven het belang van de kinderen om zonder die maatregel met hun vader te kunnen telefoneren."
Gerechtshof Den Haag 21 november 2023, 200.331.523/01, ECLI:NL:GHDHA:2023:2199
"5.2. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2022, 200.303.211, ECLI:NL:GHARL:2022:4145
De relatie met de Procedurerichtlijn en artikel 24 Handvest Grondrechten
"8.2 Op grond van artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, laten de lidstaten zich bij de uitvoering van de Procedurerichtlijn leiden door het belang van het kind als eerste overweging. Artikel 25, zesde lid, van de Procedurerichtlijn, is niet expliciet in Nederlandse wet- of regelgeving geïmplementeerd, maar is een richtlijnspecifieke evenknie van artikel 24 van het Handvest en artikel 3 van het IVRK16. Uit overweging 33 van de Preambule van de Procedurerichtlijn volgt ook dat het belang van het kind bij de toepassing van deze richtlijn een eerste overweging van de lidstaten moet te zijn, overeenkomstig het Handvest en het IVRK. Uit artikel 24, tweede lid, van het Handvest, volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Hetzelfde volgt uit artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Artikel 24 van het Handvest is gebaseerd op artikel 3 van het IVRK en moet overeenkomstig worden geïnterpreteerd."
Rb. Den Haag 6 december 2024, NL24.38598 en NL24.38599, ECLI:NL:RBDHA:2024:21019
Wat houdt 'het belang van het kind' in?
"6.12
Artikel 3 lid 1 IVRK speelt een belangrijke rol in de discussie. Dit artikel bepaalt dat de belangen van het kind “de eerste overweging”9 vormen bij “alle maatregelen betreffende kinderen”, ongeacht of deze worden genomen door “openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen”. Deze bepaling richt zich dus niet alleen tot de Staat, maar óók tot drinkwaterbedrijven als Dunea en PWN. Zij betwisten dat overigens ook niet. Wel heeft de Staat als verweer aangevoerd dat pas sprake is van een maatregel “betreffende kinderen” als een maatregel rechtstreeks betrekking heeft op kinderen en dat niet voldoende is dat de maatregel (slechts) gevolgen heeft voor kinderen. Het hof volgt de Staat daarin niet. Het (in artikelen 43-45 IVRK bedoelde) VN-Comité voor de Rechten van het Kind heeft in zijn General Comment nr. 1410 opgemerkt dat “concerning” in artikel 3 lid 1 IVRK ruim moet worden uitgelegd: het gaat om “all decisions and actions that directly or indirectly affect children” en dus ook om “measures that have an effect on an individual child, children as a group or children in general, even when they are not the direct targets of the measure”. Op zich is juist dat de General Comments niet bindend zijn, maar zij zijn wel gezaghebbend. Bovendien is deze uitleg ook logisch en past deze bij de doelstellingen van het IVRK en van artikel 3 lid 1IVRK in het bijzonder (zie ook citaten in 6.14 hierna). Ook het Hof van Justitie van de EU verwijst voor de uitleg van de reikwijdte van artikel 3 lid 1 IVRK naar General Comment nr. 1411.
6.13
Artikel 3 lid 1 IVRK schrijft niet voor dat het belang van het kind altijd doorslaggevend is, maar legt wel vast dat het een (zeer) zwaarwegend belang is. In de woorden van het VN-Comité in het hierboven genoemde General Comment 14: “Viewing the best interests of the child as “primary” requires a consciousness about the place that children’s interests must occupy in all actions and a willingness to give priority to those interests in alle circumstances, but especially when an action has an undeniable impact on the children concerned. (…) In weighing the various elements, one needs to bear in mind that the purpose of assessing and determining the best interests of the child is to ensure the full and effective enjoyment of the rights recognized in the Convention (…) and the holistic development of the child”."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
"5.2.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2022, 200.306.752/01 en 200.306.754/01 en 200.306.764/01, ECLI:NL:GHARL:2022:8619. Zie in gelijke zin Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 200.306.764/01, ECLI:NL:GHARL:2022:8619 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2022, 200.309.751, ECLI:NL:GHARL:2022:11085.
Het kind moet een band kunnen opbouwen met de pleegouders
"5.2.
Beëindiging van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer vereist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Ten aanzien van het belang van het kind volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat die belangen voorop staan bij het nemen van een beslissing over het kind. Een van de belangen omvat ook dat het gezinsleven dat het kind met de pleegouders opbouwt bescherming toekomt. Op grond van artikel 8 EVRM geldt dat indien het doel van, in dit geval, het beëindigen van gezag met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het privé- en gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit)."
Rb. Den Haag 26 juli 2024, C/09/662676 / FA RK 24-1711 en C/09/669226 / FA RK 24-4928, ECLI:NL:RBDHA:2024:11816
Artikel 3 IVRK bevat geen normen welk gewicht aan de belangen van het kind moet worden toegekend
"5.3. Voor zover [appellante] betoogt dat de belangen van haar dochters in het kader van artikel 3 van het IVRK onvoldoende zijn meegewogen overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3 van het IVRK heeft rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige dochter van [appellante]. Voor zover [appellante] stelt dat het college de medische beperkingen van haar jongste dochter onvoldoende heeft meegewogen, overweegt de Afdeling dat [appellante] de medische beperkingen van haar dochter niet met stukken heeft onderbouwd.
Gelet op wat de Afdeling onder 5.2.1 heeft overwogen, hoefde het college de belangen van de inmiddels meerderjarige dochter van [appellante] niet in de besluitvorming te betrekken.
Het betoog slaagt niet."
ABRvS 15 november 2023, 202300646/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:4259.
"8.1. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in onder meer haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
8.2. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van [dochter 1]. Het college heeft daarin de spanningen en stress die het verblijf in de noodopvang voor haar meebrengen onderkend, maar evenwel geoordeeld dat dit niet betekent dat in dit geval een urgentieverklaring moet worden verleend. Ook de rechtbank is in het kader van de hardheidsclausule uitdrukkelijk ingegaan op het belang van [dochter 1]. De betogen slagen niet.
8.3. Het betoog slaagt niet."
ABRvS 22 november 2023, 202206242/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:4285
"6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2023:93, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
ABRvS 22 november 2023, 202200278/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:4335
Bij de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier: Familieleven met de kleinzoon en belangenafweging
"7. In het verweerschrift en ter zitting is namens verweerder verklaard dat – anders dan in bestreden besluit II – momenteel wel uitgegaan wordt van hechte, persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinzoon. Maar volgens verweerder heeft dat niet tot gevolg dat de belangenafweging in het voordeel van eiser en de kleinzoon uitvalt. Verweerder stelt namelijk nog steeds aan eiser te kunnen tegenwerpen dat sprake is van een eerste toelating, omdat een EU-verblijfsdocument voor langdurig ingezetenen slechts drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland geeft en eiser er daarom niet op kon vertrouwen dat hij na afloop van deze termijn zijn verblijf in Nederland kon voorzetten. Dat eiser na drie maanden gebleven is en het familieleven tijdens onrechtmatig verblijf heeft geïntensiveerd weegt daarbij volgens verweerder in zijn nadeel. De primaire zorgtaken van de kleinzoon liggen daarnaast bij referente en de zoon en niet aannemelijk gemaakt is dat zij bij vertrek van eiser de dagelijkse zorg- en opvoedtaken niet kunnen waarborgen. Daarnaast stelt verweerder dat het economische belang terecht is tegengeworpen, nu verweerder naast eigen inkomen vergaren en belasting afdragen ook mag betrekken dat eiser bij toestaan van verblijf in Nederland gebruik zal maken van de openbare voorzieningen, zoals gezondheidszorg, huisvesting en infrastructuur en dat eiser gelet op zijn gevorderde leeftijd mogelijk steeds meer zorgbehoeftig zal worden. Verder handhaaft verweerder dat voor eiser geen sprake is van objectieve belemmeringen om terug te keren. Eiser heeft namelijk sterkere banden met Griekenland en Albanië dan met Nederland, nu hij daar familie heeft, daar is opgegroeid, de taal en cultuur van die landen kent en het grootste deel van zijn leven daar gewoond heeft. Tot slot zijn ook de belangen van het kind volgens verweerder in het bestreden besluit kenbaar betrokken en voldoende meegewogen in de belangenafweging.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangenafweging ten aanzien van het familieleven tussen eiser en zijn kleinzoon onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Door aan te nemen dat sprake is van hechte, persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinzoon erkent verweerder dat deze banden de gebruikelijke band tussen grootvader en kleinzoon overstijgen. Verweerder heeft verder erkend dat de kleinzoon van eiser speciale behoeften heeft vanwege zijn autisme en verstandelijke beperkingen. Dit blijkt ook uit de overgelegde stukken van de hulpinstanties ABA huis, Groeii, Ipse de Bruggen en Youz. Uit deze stukken volgt dat de kleinzoon van eiser andere behoeften heeft dan kinderen van zijn leeftijd die niet te maken hebben met autisme of verstandelijke beperkingen.
8.1
Verweerder heeft met de toelichting in het verweerschrift en ter zitting er echter onvoldoende blijk van gegeven dat de belangen van het kleinkind – met zijn speciale behoeften – de eerste overweging hebben gevormd bij het nemen van deze beslissing en dat hij aan die belangen een aanzienlijk gewicht heeft toe laten komen. Waar verweerder in het bestreden besluit zwaar in het nadeel van eiser heeft laten meewegen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en zijn kleinkind, heeft verweerder niet kenbaar in zijn motivering betrokken in hoeverre dit – nu inmiddels wel hechte persoonlijke banden worden aangenomen - (zwaar) in het voordeel van eiser weegt. Verweerder heeft slechts toegelicht dat het aannemen van hechte persoonlijke banden onvoldoende is de belangenafweging de andere kant op te laten doorslaan. Daarbij heeft verweerder niet kenbaar gemotiveerd welke betekenis hij toekent aan de daadwerkelijk grote rol die eiser in de opvoeding van het kleinkind heeft (gespeeld) en de omstandigheid dat eiser – zoals verweerder niet heeft weersproken – een van de weinigen is die contact kan maken met de leefwereld van het kleinkind. Ook de tegenwerpingen dat jonge kinderen zich normaal gesproken makkelijk aanpassen in een nieuwe situatie en dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat het kleinkind van verweerder zich niet zou kunnen aanpassen aan een nieuwe situatie, geeft er geen blijk van dat verweerder rekening heeft gehouden met de specifieke individuele omstandigheden van het kleinkind van eiser. Tot slot is onduidelijk in hoeverre verweerder rekening heeft gehouden met de belangen van het kleinkind (en zijn speciale behoeften) waar hij overweegt dat de relatie tussen eiser en kleinkind eventueel ook voortgezet kan worden door contact te houden via telefoon en/of sociale media.
8.2
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kenbare belangen van het kind, zoals bedoeld in artikel 3 van het IVRK, die in dit geval speciale behoeften heeft vanwege zijn autisme en verstandelijke beperkingen, onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging bij het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Het bestreden besluit kent een motiveringsgebrek en komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De overige beroepsgronden behoeven geen nadere bespreking."
Rb. Den Haag 23 juli 2024, NL24.603, NL24.604, ECLI:NL:RBDHA:2024:11556
Artikel 6 Dublin Verordening
"7.6.
Daarnaast overweegt de rechtbank wat dit betreft het volgende. Punt 13 van de considerans van de Dublinverordening vermeldt dat overeenkomstig het IVRK10 en het Handvest11 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel. Gelet op deze nadere uitwerking is het aan de rechter om te toetsen of verweerder de in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening genoemde factoren, voor zover hieromtrent iets is aangevoerd, in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is dient door de rechter te worden getoetst of verweerder zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich daarbij onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. Uit de bestreden beschikkingen blijkt niet van enige afweging van die belangen. Dat, zoals door verweerder betoogd, de kinderen wel in de beschikkingen zijn genoemd en de overweging in het verweerschrift dat het in het belang van de kinderen is om als uitgangspunt te nemen dat hun situatie onlosmakelijk is verbonden met die van hun ouders, is daartoe zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, daartoe onvoldoende. De rechtbank wijst daarbij in dit kader op verweerders eigen beleid inzake de behandeling van Dublinzaken waarin kinderen zijn betrokken.12 In dit beleid staat in paragraaf 4 dat in alle zaken waarin kinderen betrokken zijn het belang van het kind meer concreet en specifiek zal moeten worden getoetst als daartoe aanleiding is. Dat zal al snel het geval zijn omdat een concreet beroep op het belang van het kind of artikel 3 IVRK niet noodzakelijk is. Vervolgens zal uitdrukkelijk en gemotiveerd ingegaan moeten worden op de aspecten die worden genoemd in artikel 6, derde lid van de Dublinverordening, waaronder het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind, diens veiligheid en de standpunten van het kind, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Verder staat in het beleid vermeld dat artikel 6 van de Dublinverordening expliciet genoemd moet worden en dat een op het individuele geval toegespitste beoordeling moet worden gedaan."
Rb. Den Haag 30 juli 2024, NL24.23662 en NL24.23664, ECLI:NL:RBDHA:2024:11858
De (tijdelijke) ontzegging van de toegang van een ouder tot een opvanglocatie
"4.5.1.
De Raad is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden niet gezegd kan worden dat aan appellant met het time out-bed gedurende drie dagen geen adequate opvang is geboden. Daarbij is van belang dat uit het bestreden besluit en de zich in het dossier bevindende rapportage van de opvanglocatie duidelijk naar voren komt dat appellant de huisregels heeft overtreden en zich ook daarna op een zodanig onbehoorlijke wijze heeft gedragen dat onrust ontstond en het gevoel van veiligheid in deze opvanglocatie in het gedrang kwam. Met de drie dagen ontzegging van de toegang tot deze opvanglocatie en het gelijktijdig aanbieden van een time out-bed op een andere locatie beoogde het college te bereiken dat appellant zijn gedrag zou veranderen en zich voortaan aan de huisregels zou houden. Dat bijna drie weken zijn verstreken tussen de incidenten op 12 en 13 april 2020 en het besluit van 2 mei 2020 maakt niet dat dit doel niet meer bereikt zou kunnen worden.
4.5.2.
Het beroep op de artikelen 3 van het IVRK en 8 van het EVRM treft geen doel. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen als bedoeld in artikel 3 van het IVRK. Het college heeft in de loop van de procedure terecht opgemerkt dat een sfeer van veiligheid binnen de gezinsopvang ook in het belang is van de kinderen die daar verblijven. Verder is de toegangsontzegging bij het bestreden besluit beperkt tot drie dagen, waarin de kinderen hun vader buiten de opvanglocatie konden blijven ontmoeten. Hierdoor is geen onevenredige inbreuk gemaakt op het gezinsleven van appellant en de kinderen als bedoeld in artikel 8 van het EVRM."
CRvB 8 augustus 2024, 21/4493 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2024:1603
Toetsingscriterium terugkeer minderjarige naar ouder in het buitenland
"5.21 Voor zover de moeder nog betoogt dat artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van de minderjarigen naar Frankrijk verzetten, faalt ook dit betoog. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Dat de teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk tot gevolg zal hebben dat zij van hun moeder worden gescheiden, is in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag door het hof meegewogen en leidt, ook in het licht van het EVRM en het IVRK, niet tot een andere beslissing. Nog daargelaten dat de moeder niet specifiek heeft aangegeven waarom een teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk in strijd is met voormelde mensenrechtenverdragen, geldt dat de belangenafweging die de moeder kennelijk voor ogen heeft aan bod zal moeten komen in het kader van een bodemzaak bij de ten gronde bevoegde rechter in Frankrijk. De ten gronde bevoegde rechter zal moeten beoordelen bij wie van de ouders de minderjarigen het beste af zijn. In de onderhavige procedure, waarin het slechts gaat om een ordemaatregel, is voor zo’n belangenafweging geen plaats.
5.22
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige situatie, dat de minderjarigen bij terugkeer naar Frankrijk in een ondragelijke toestand zullen worden gebracht. Dit betekent dat ook het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen zoals beschermd door het EVRM en het IVRM."
Gerechtshof Den Haag 25 januari 2024, 200.336.003/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:103
Toegang tot water op grond van de WHO normen
Zwaarwegend belang; huidige systeem (afsluiten met hooguit afgifte van hoeveelheid water ver onder de WHO-normen) is in strijd met maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm
6.16
Niet ter discussie staat dat water een primaire levensbehoefte is en dat met name kinderen een zwaarwegend belang bij water hebben. Hierboven is al overwogen dat het uit (o.a.) het IVESCR af te leiden (sociale/economische) grondrecht op water geen directe werking heeft. Daarnaast geldt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijk en absoluut recht op water in die zin dat altijd onbeperkt toegang tot water moet worden geboden en dat voorwaarden of beperkingen in geen geval zijn toegestaan. Dat neemt echter niet weg dat er wel bepaalde ‘minimum kernverplichtingen’ (‘minimum core obligations’15) te onderscheiden zijn die onderdeel vormen van de wezenlijke kern van het grondrecht op water en die mogelijkerwijs wel afdwingbaar zijn. NJCM c.s. verwijst naar de WHO-normen en stelt dat hieruit volgt dat op korte termijn in crisissituaties kan worden volstaan met 20-50 liter per persoon per dag, maar dat op de langere termijn minstens 70 liter per persoon per dag nodig is (zie hierboven onder 3.12: bij een hoeveelheid van ca. 50 liter per persoon per dag is het “level of health concern” nog medium; pas bij een hoeveelheid van minstens 100 liter per persoon per dag wordt gesproken van “optimal acces” en een “low level of health concern”). Verweerders hebben er terecht op gewezen dat de WHO-normen niet bindend zijn, maar dat neemt niet weg dat deze normen gezaghebbend zijn en kunnen helpen bij het bepalen van de minimaal te bieden grondrechtenbescherming. Inhoudelijk is ook niet gemotiveerd betwist dat de normen goed bruikbaar zijn als richtsnoer bij de bepaling van de hoeveelheid water waartoe kinderen ten minste toegang moeten hebben om ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. Daarbij moet worden bedacht dat kinderen extra kwetsbaar zijn: zij zijn nog in de groei en in ontwikkeling en hebben daardoor bijzondere behoefte aan voldoende water. Bovendien zijn zij vaak geheel afhankelijk van volwassenen voor de vervulling van hun primaire levensbehoeften. NJCM c.s. heeft uitgebreid toegelicht dat water niet alleen van belang is om te drinken, maar ook voor voldoende hygiëne en daarmee samenhangend voor een goede gezondheid, een goede mentale ontwikkeling en een normaal gezins- en sociaal leven. Kinderen die niet voldoende drinken drogen uit en kunnen ernstige gezondheidsklachten krijgen. Bovendien kunnen zij zich dan niet goed concentreren op school. Ook een gebrekkige hygiëne kan leiden tot gezondheidsproblemen. Het risico op schoolverzuim door ziekte of schaamte neemt hierdoor toe, terwijl ook het risico op sociale isolatie wordt vergroot: kinderen zonder toegang tot drinkwater willen of mogen niet meer buiten spelen (eenmaal vies kunnen zij zichzelf en hun kleding immers niet wassen) of durven niet meer met vriendjes af te spreken. Het VN-Kinderrechtencomité benadrukt in zijn General Comment over artikel 24 IVRK in dit verband dat “safe and clean drinking water and sanitation are essential for the full enjoyment of life and all other human rights”16. Een en ander heeft ook gevolgen op de lange termijn. Het grote en verstrekkende belang van minderjarige kinderen bij toegang tot voldoende drinkwater is niet betwist en is algemeen bekend. Het mag in elk geval bekend worden verondersteld bij de Staat en DWB.
6.17
De Afsluitregeling en de gebaseerde beleidsregels en praktijk laten niettemin bewust de mogelijkheid open dat gezinnen met kinderen wegens wanbetaling worden afgesloten van water en dat de kinderen daardoor in een situatie komen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen, en dat mogelijk zelfs voor onbepaalde tijd. Een hoeveelheid van 12 liter (namelijk 4 x 3 liter per persoon per dag voor vier dagen) ligt ver onder de WHO-normen, nog daargelaten dat (i) een afsluiting in ieder geval in theorie (veel) langer kan duren dan vier dagen en (ii) ter zitting is gebleken dat vaak alleen maar wordt geschat uit hoeveel personen een gezin bestaat. Weliswaar bestaan er gratis openbare tappunten, maar dit zijn er dermate weinig en zij liggen zo verspreid dat deze in algemene zin alleen daarom al geen serieus alternatief kunnen vormen.
6.18
Hierboven is al overwogen dat de Staat en de DWB op grond van artikel 3 lid 1IVRK verplicht zijn om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen. Deze bepaling heeft geen directe werking waar het gaat om het precieze gewicht van dat belang. Naar het oordeel van het hof vloeit echter reeds uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW voort dat de Staat en de DWB in elk geval al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om te voorkomen dat (wat betreft de Staat) minderjarige kinderen in Nederland, respectievelijk (wat betreft de DWB) de minderjarige kinderen van hun afnemers in hun distributiegebied, in de hierboven beschreven situatie belanden (geen toegang tot voldoende water conform de WHO-normen). Door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen en door bewust de mogelijkheid open te laten dat kinderen wèl in die situatie terecht komen, handelen de Staat en de DWB in strijd met die maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm17 en met artikel 3 lid 1 IVRK."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363, AB 2024/209 m.nt. K.F.M. Klep
Onrechtmatige daad afsluiting drinkwater
"Waar leidt het bovenstaande toe?
6.27
De conclusie luidt dat de Staat en de DWB onrechtmatig (want in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm in combinatie met artikel 3 lid 1 IVRK) handelen door met het huidige systeem en het huidige beleid de mogelijkheid open te laten dat kinderen in een situatie terechtkomen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen. De artikelen 3 IVRK en artikel 6:162 BW dwingen niet tot een algeheel verbod op afsluiting, maar de Staat en de DWB moeten wel al het redelijkerwijs mogelijke doen om te voorkomen dat kinderen in die situatie geraken. Uit artikel 2 IVRK, de artikelen 3, 8 en 14 EVRM en uit artikel 16 herschikte Drinkwaterrichtlijn en artikel 24 lid 2 van het Handvest volgen geen andere/verdergaande verplichtingen dan hierboven omschreven.
6.28
Ten aanzien van de Staat leidt dit tot het volgende. Voor zover vorderingen 1 tot en met 3 primair strekken tot een algeheel verbod op afsluiting respectievelijk tot een bevel om zo’n verbod tot stand te brengen, kunnen deze vorderingen niet worden toegewezen. Zoals hiervoor al overwogen is er geen norm die dwingt tot zo’n algeheel verbod, nog daargelaten dat toewijzing zou neerkomen op een verboden bevel tot wetgeving. Het gaat erom dat ervoor moet worden gezorgd dat minderjarige kinderen voor zover mogelijk niet terechtkomen onder het door de WHO bepaalde minimumniveau van toegang tot drinkwater. Hoe de Staat dat wil bereiken, is aan hem (verbod op afsluiting bij minderjarige kinderen, begrenzing van toegang tot drinkwater, zorgen dat bij afsluiting meer water ter beschikking komt etc.). Het hof zal vorderingen 1a en b en 3 subsidiair toewijzen als volgt:
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens minderjarige kinderen in Nederland door bij de vaststelling en wijziging van de Afsluitregeling het belang van het kind geen eerste overweging te laten vormen en door onvoldoende maatregelen te nemen om te waarborgen dat bij de uitvoering van die regeling het belang van het kind een eerste overweging vormt;
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en handelt jegens minderjarige kinderen in Nederland door te gedogen dat deze kinderen – in die situaties waarin bekend was/is dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn/kan zijn dat op het bewuste adres sprake was/is van minderjarige kinderen – wegens wanbetaling geheel zijn of (kunnen) worden afgesloten en in een situatie terecht zijn gekomen of (kunnen) komen waarin zij geen toegang hadden/hebben tot voldoende drinkwater conform de WHO-normen;
een bevel aan de Staat om maatregelen te nemen om aan die onrechtmatige situatie als bedoeld onder 2) een einde te maken, dat wil zeggen maatregelen om ervoor te zorgen dat minderjarige kinderen in die gevallen waarin hun aanwezigheid bekend is of redelijkerwijs zou moeten kunnen zijn, niet meer in een situatie terechtkomen waarin zij als gevolg van wanbetaling door hun ouders geen toegang hebben tot voldoende drinkwater conform de WHO-normen.
6.29
Ten aanzien van de DWB leidt het bovenstaande ertoe dat voor zover vordering 2 primair strekt tot een algeheel verbod op afsluiting in geval van kinderen, deze vordering niet toewijsbaar is. Wel toewijsbaar is het volgende:
1. een verklaring voor recht dat de Dunea en PWN onrechtmatig hebben gehandeld en handelen jegens de minderjarige kinderen van afnemers in hun distributiegebied door bij de vaststelling en uitvoering van hun beleid het belang van het kind geen eerste overweging te laten vormen,
a. wat betreft Dunea meer in het bijzonder door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen om te achterhalen of er een of meer minderjarige kinderen wonen op het adres waarop afsluiting dreigt en
b. wat betreft PWN meer in het bijzonder door bij haar afsluitingsbeleid in het geheel geen rekening te houden met de aanwezigheid van minderjarige kinderen;
4. een verbod aan Dunea en PWN om in die gevallen waarin bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn (zie hierboven onder 6.22) dat sprake is van één of meer minderjarige kinderen, de levering van drinkwater wegens wanbetaling te beëindigen met achterlating van slechts 12 liter per persoon;
5. een bevel aan Dunea en PWN om in die gevallen waarin de levering van drinkwater is beëindigd en waarin bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn dat sprake is van één of meer minderjarige kinderen, de levering van drinkwater weer te hervatten dan wel een hoeveelheid water conform de WHO-normen te verstrekken zolang de afsluiting duurt."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
Sluiting van een woning op grond van artikel 13b Opiumwet
"23. Ten aanzien van de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekster wijst de voorzieningenrechter erop dat als uitgangspunt geldt dat ouders van minderjarige inwonende kinderen zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte bij ontruiming of sluiting van de woning als gevolg van handelen of nalaten van de ouders. Dat is in dit geval niet anders, omdat verzoekster, zoals hiervoor is geoordeeld, op de hoogte had kunnen zijn de in de woning aangetroffen zaken. Daar komt bij dat de sluiting van de woning mede het rechtstreeks gevolg is van het handelen van de partner van verzoekster die vader is van één van de minderjarige kinderen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat verzoekster niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij naar vervangende woonruimte heeft gezocht. Dat laat onverlet dat de burgemeester zich, in het licht van artikel 8 van het EVRM en het IVRK, bij de voorbereiding van een besluit tot sluiting van een woning rekenschap moet geven van de aanwezigheid van inwonende, minderjarige kinderen en de gevolgen van de sluiting voor die kinderen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester dat gedaan door erop te wijzen dat hij ondersteuning zal bieden indien blijkt dat verzoekster geen vervangende woonruimte kan vinden. Op de zitting is namens de burgemeester bevestigd dat in het uiterste geval noodopvang voor het gezin wordt geboden. 15
24. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden evenwichtig is."
Rb. Oost-Brabant 26 november 2024, 24/3757 en 24/3579, ECLI:NL:RBOBR:2024:5693
Huurrecht woning
"5.4.
Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het huurrecht van de woning. Partijen hebben beiden niet de beschikking over alternatieve woonruimte, hebben beiden gezondheidsproblemen, wonen beiden al heel lang in de woning en zitten in een vergelijkbare financiële situatie.
5.5.
De man stelt dat hij een extra belang heeft bij het huurrecht van de woning, omdat zijn pas geboren dochter en misschien ook zijn nieuwe partner naar Nederland zullen komen. Het belang van zijn dochter moet daarbij op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) voorop staan, aldus de man.
5.6.
Vast staat dat de man op dit moment zijn dochter nog niet heeft erkend en dat zijn dochter met haar moeder in Pakistan woont. Het hof is van oordeel dat ook nog niet vaststaat of de man zijn dochter in Nederland kan erkennen. Uit de door de man overgelegde e-mailberichten volgt dat hij daarvoor eerst nog verschillende documenten moet aanleveren. Nu nog niet vast staat dat de man tot erkenning kan overgaan is het ook onzeker of zijn dochter de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen. Daarmee is het dus ook onzeker of zijn dochter naar Nederland zal emigreren. Of zijn partner kan en wil emigreren naar Nederland is ook niet zeker, aangezien de man op zitting heeft verklaard dat hij dit nog niet met haar heeft besproken. Van een extra belang van de man bij het huurrecht is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake. Ook het beroep van de man op artikel 3 IVRK kan niet slagen. Uit artikel 3 IVRK volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, waaronder ook beslissingen van rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Het voorliggende verzoek betreft echter geen maatregel betreffende de dochter van de man, maar een procedure tussen partijen over het huurrecht. Daarbij komt dat het belang van de dochter bij de beslissing over het huurrecht niet wordt geschaad, aangezien zij bij haar moeder in Pakistan woont.
5.6.
Partijen hebben dus grotendeels gelijke belangen. Bij de weging van de belangen van partijen kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat de vrouw meer in de woning verblijft dan de man. De man heeft een nieuwe partner en dochter in Pakistan en verblijft daar meerdere periodes per jaar. Aangezien de man de woning minder nodig heeft door zijn verblijf in Pakistan, oordeelt het hof dat het belang van de vrouw bij het huurrecht van de woning zwaarder weegt.
5.7.
Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep van de vrouw en faalt het hoger beroep van de man. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en bepalen dat het huurrecht aan de vrouw toekomt."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, 200.342.195, ECLI:NL:GHARL:2024:7255
Ontbinding huurovereenkomst en toetsing belangen minderjarige kinderen
Algemeen toetsingskader: ambtshalve toetsing belang van het kind
"3.2.2
Het beoordelingskader voor een vordering tot ontruiming wordt gevormd door art. 6:265 BW en art. 7:231 lid 1 BW.
Ingevolge art. 7:231 lid 1 BW kan in beginsel alleen de rechter een huurovereenkomst met betrekking tot woonruimte ontbinden op de grond dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen. In de gevallen genoemd in art. 7:231 lid 2 BW en art. 7:210 BW – kort gezegd: sluiting van het pand op last van het bevoegd gezag en geheel onmogelijk huurgenot door een gebrek dat verhuurder niet verplicht is te verhelpen – kan de verhuurder de overeenkomst ook buitengerechtelijk ontbinden. Indien de huurder zich daar niet bij neerlegt, zal de rechter moeten beoordelen of de buitengerechtelijke ontbinding stand houdt. In beide gevallen dient de beoordeling plaats te vinden volgens de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW.
Art. 6:265 lid 1 BW bepaalt ten aanzien van wederkerige overeenkomsten dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De in de bepaling vervatte hoofdregel en de tenzij-bepaling tezamen brengen de materiële rechtsregel tot uitdrukking dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen naast de in de tenzij-bepaling genoemde gezichtspunten alle overige omstandigheden van het geval van belang zijn.13
3.2.3
In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de te ontruimen woning wonen. Als dat zo is, brengt art. 3 lid 1 IVRK mee dat de belangen van deze kinderen in kaart moeten worden gebracht en bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen (zie hiervoor in 3.1.4).
3.2.4
Wat betreft de vraag wie in ontruimingsprocedures de belangen van kinderen in kaart moet brengen, geldt het volgende.
3.2.5
De verhuurder die een huurovereenkomst wenst te ontbinden, dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de huurder (en in voorkomend geval dat voldaan is aan de eis van art. 6:265 lid 2 BW dat de schuldenaar in verzuim is). In beginsel is het aan de huurder om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen die zien op toepassing van de tenzij-bepaling, met dien verstande dat een beroep op de tenzij-bepaling als subsidiair verweer besloten kan liggen in de betwisting van de gestelde tekortkoming.14 De in art. 7:231 lid 1 BW dwingend voorgeschreven rechterlijke tussenkomst voor de ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot (onder meer) woonruimte, brengt evenwel mee dat de rechter ook wanneer de huurder niet in het geding verschijnt, dient te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden. Deze rechterlijke beoordeling vindt, ook in verstekzaken, haar praktische begrenzing in hetgeen de rechter aan feiten en omstandigheden is gebleken.15
3.2.6
De hiervoor in 3.2.5 weergegeven regels ter zake van de stelplicht en bewijslast van partijen in een ontruimingsgeding behoeven in zoverre precisering, dat de rechter ingevolge de hem in art. 3 lid 1 IVRK gegeven opdracht zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. Wat in dit opzicht van de rechter gevergd kan worden, komt hierna, in 3.4.2-3.4.3, aan de orde."
HR 28 november 2025, 24/04220, ECLI:NL:HR:2025:1799
"Grieven III en IV: Ontbinding gerechtvaardigd?
6.4
Iedere tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding (en de daaraan gekoppelde ontruiming van het gehuurde) gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn en kan niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol worden toegekend. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden (ECLI:NL:HR:2018:1810). In een dergelijke beoordeling dient de rechter in de eerste plaats ook het belang van de eventueel in het gehuurde woonachtige minderjarige kinderen te betrekken. Dat volgt uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)."
Gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, 200.312.854/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:33
"5.6.
Grief IV richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de ontruiming niet disproportioneel is. [appellant] doet in dit verband een beroep op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK. Volgens [appellant] moeten haar omstandigheden en in het bijzonder die van haar kinderen leiden tot afwijzing van de gevorderde ontruiming. De kinderen hebben school en werk in de buurt van de woning en zijn gebaat bij stabiliteit. De kinderen zijn gewend aan hun leefomgeving en hebben een vertrouwde vriendenkring opgebouwd. Ontruiming heeft een enorme impact op de kinderen en leidt ertoe dat het gezin wordt opgesplitst. Het gezin heeft het recht om herenigd samen te wonen, aldus nog steeds [appellant].
5.7.
Het hof vindt het aannemelijk dat de ontruiming uit de woning niet alleen voor [appellant], maar ook voor haar (minderjarige) kinderen (negatieve) gevolgen heeft. De belangen van deze kinderen spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dit betekent echter niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Een vordering tot ontruiming zal bijvoorbeeld niet kunnen worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gebleken. Een concrete onderbouwing daartoe ontbreekt. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de ontruiming gelet op de belangen van de kinderen achterwege zou moeten blijven. De grief faalt.
5.8.
Grief V klaagt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke ontbinding in dit geval niet onredelijk is en dat te verwachten is dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden. Volgens [appellant] is juist aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de buitengerechtelijke ontbinding en ontruiming niet in overeenstemming zijn met de redelijkheid en billijkheid, omdat Woonwaard in dit geval had kunnen volstaan met minder ingrijpende middelen, zoals een gedragsaanwijzing of een laatste kans contract.
5.9.
Ook deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat Woonwaard genoegzaam heeft toegelicht waarom zij in dit geval niet kan volstaan met een minder ingrijpend middel. Zij hanteert een zero tolerance beleid met betrekking tot drugs en de afschrikwekkende werking van dat beleid zou teniet gaan als bijvoorbeeld een laatste kans contract zou worden aangeboden. Naar het oordeel van het hof levert dit een zwaarwegend belang op aan de zijde van Woonwaard."
Gerechtshof Amsterdam 21 mei 2024, 200.325.098/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:1377
"1.8. [gedaagden] c.s. hebben daarnaast aangevoerd dat zij minderjarige kinderen hebben die ook in de woning verblijven. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vormt het belang van de minderjarige kinderen een eerste overweging. Dit betekent echter niet dat een huurovereenkomst met huurders met minderjarige kinderen niet mag worden ontbonden. De ouders van minderjarige kinderen zijn in principe zelf verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. De kantonrechter ziet in de aanwezigheid van de minderjarige kinderen in de woning echter wel aanleiding om een ruimere ontruimingstermijn te bepalen. De gevorderde ontbinding en ontruiming worden dus toegewezen, met dien verstande dat de huurovereenkomst tussen partijen per heden wordt ontbonden en het gehuurde vóór 1 december 2024 ontruimd moet zijn."
Rb. Den Haag 23 augustus 2024, 10984194 \ RL EXPL 24-5444, ECLI:NL:RBDHA:2024:13490
"6.1
Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat bij een huurovereenkomst, net als bij andere overeenkomsten, geldt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW). Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding (en de daaraan gekoppelde ontruiming van de woning) gerechtvaardigd is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810). Bij die beoordeling moet de rechter in de eerste plaats ook het belang van de eventueel in de woning woonachtige minderjarige kinderen betrekken. Dat volgt uit artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (hier: IVRK). De belangen van de kinderen spelen een grote rol bij de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Een vordering tot ontruiming kan bijvoorbeeld niet worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor de kinderen zou leiden.
(...).
6.7
Het voorgaande brengt mee dat van Hof Wonen niet kan worden verlangd dat zij de woning blijft verhuren aan [appellant], die stelselmatig zijn verplichtingen als huurder niet nakomt. Het hof is dan ook van oordeel dat de tekortkomingen van [appellant] als huurder zo ernstig zijn dat deze gronden opleveren voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De persoonlijke omstandigheden van [appellant] (en zijn gezin), zoals de bewindvoerder die op de zitting nader heeft toegelicht, wegen niet zwaarder dan de belangen van Hof Wonen bij toewijzing van haar vorderingen. De door de bewindvoerder aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om toepassing aan de zogenoemde ‘tenzij-clausule’ van artikel 6:265 lid 1 BW te geven. Gelet op de daarbij (in verband met die clausule) uitgevoerde belangenafweging kan een beroep op artikel 8 EVRM de bewindvoerder evenmin baten."
Gerechtshof Den Haag 29 oktober 2024, 200.329.722/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:2142
Specifieke toetsing belang van het kind
"3.3.2
Art. 3 lid 1 IVRK brengt mee dat bij de beoordeling door de rechter of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 BW), de belangen van in het gehuurde wonende kinderen als ‘eerste overweging’ in aanmerking moeten worden genomen. Dat betekent dat daaraan een hoge prioriteit toekomt (zie hiervoor in 3.1.4).
3.3.3
Tot de belangen van een kind behoren zijn recht op huisvesting (art. 27 lid 3 IVRK) en zijn recht om niet gescheiden te worden van zijn ouder(s), tenzij zodanige scheiding juist in zijn belang zou zijn (vgl. art. 9 lid 1 IVRK). Hoewel deze belangen zwaar wegen, behoeven zij niet de doorslag te geven; zij moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (zie hiervoor in 3.1.4 en 3.2.3).
3.3.4
Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort de mogelijkheid van alternatieve huisvesting. Wat betreft het daaraan toe te kennen gewicht bevindt zich aan de ene kant van het spectrum het voorhanden zijn van alternatieve huisvesting voor ouders en kinderen gelijkwaardig aan of beter dan de te ontruimen woning. Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich een gerede kans dat een kind als gevolg van de beoogde ontruiming dakloos wordt, of van zijn ouders gescheiden zal raken terwijl dit niet in zijn belang is. Dakloosheid van een kind wordt maatschappelijk niet aanvaardbaar geacht en het gescheiden raken van ouders en kind dient in beginsel te worden voorkomen. Een dergelijk gevolg, of de kans daarop, brengt echter niet altijd mee dat een vordering tot ontruiming moet worden afgewezen. Het voorkómen van dergelijke gevolgen ligt immers niet in de eerste plaats op de weg van de verhuurder, maar op de weg van ouders en de overheid, terwijl de verhuurder onder omstandigheden ook rekening heeft te houden met belangen van derden (zie hierna in 3.3.6). Wel kan in dit kader als omstandigheid meewegen of de verhuurder meerdere woningen verhuurt en voor verhuur ter beschikking heeft, bijvoorbeeld omdat het om een woningcorporatie gaat.
Welke onderzoeksplicht de rechter in dit verband heeft (zie vraag 3) komt hierna, bij de beantwoording van de vragen 4-8 aan de orde.
3.3.5
De mate van verwijtbaarheid van het gedrag van de huurder dat de aanleiding vormt voor een vordering tot ontbinding en ontruiming van het gehuurde, behoort tot de omstandigheden die meewegen bij de beoordeling of de daarin gelegen tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt (zie hiervoor in 3.2.2). Dat gedrag en de mate van verwijtbaarheid ervan relativeren echter niet het gewicht dat toekomt aan de belangen van de bij de huurder wonende kinderen.16
3.3.6
Tegenover de belangen van huurders en hun kinderen staan de belangen van de verhuurder bij ontbinding en ontruiming. Het aan die laatstgenoemde belangen toe te kennen gewicht hangt mede af van de aard en ernst van de tekortkoming van de huurder. In dit geval gaat het om overlast, overtredingen van de Opiumwet en illegaal wapenbezit in de woning (zie hiervoor in 2.2 en 2.3). De huurder schiet dan tekort in zijn verplichting zich als een goed huurder te gedragen (art. 7:213 BW) en onder omstandigheden is de verhuurder jegens zijn andere huurders en andere omwonenden – waartoe evenzeer kinderen kunnen behoren – verplicht te doen wat in zijn vermogen ligt om de overlast of het gevaar te beëindigen.17 Het belang van de omwonenden bij een leefbare en veilige omgeving, voegt dan gewicht toe aan het belang van de verhuurder bij ontruiming. Ook herhaling van een tekortschieten van de huurder of langdurig tekortschieten van de huurder kan gewicht toevoegen aan het belang van de verhuurder bij ontruiming.
3.3.7
Waar de uitkomst van de te maken belangenafweging afhangt van alle omstandigheden van het geval, vallen daarvoor geen andere richtsnoeren of handvatten te geven dan hiervoor in 3.3.2-3.3.6 vermeld. Wel verdient nog opmerking dat de rechter in de motivering van zijn uitspraak rekenschap dient af te leggen van de gemaakte afweging."
HR 28 november 2025, 24/04220, ECLI:NL:HR:2025:1799
Onderzoeksplicht rechter
"3.4.2
Het is in beginsel aan de huurder die zich geconfronteerd ziet met een vordering tot ontruiming om (al dan niet subsidiair) aan te voeren dat de gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst geen ontbinding van die overeenkomst rechtvaardigt, en de in dat kader relevante feiten en omstandigheden aan te voeren (zie hiervoor in 3.2.5). Tot die feiten en omstandigheden behoort het gegeven dat de beoogde ontruiming ook een kind of kinderen zal treffen.
De in art. 3 lid 1 IVRK aan de rechter gegeven opdracht brengt evenwel mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is (zie hiervoor in 3.2.6). De rechter zal zo nodig gebruik kunnen maken van zijn instructiebevoegdheid (art. 22 lid 1 Rv). In verstekzaken zal de rechter het daarbij moeten hebben van informatie die de verhuurder tot zijn beschikking heeft, of redelijkerwijs kan verkrijgen. Indien de verhuurder dergelijke informatie niet heeft en, ondanks een daarop gerichte inspanning, ook niet weet te verkrijgen, levert dat op zichzelf echter geen grond op voor afwijzing van de vorderingen van de verhuurder.
Indien uit de verschafte informatie blijkt dat de beoogde ontruiming ook kinderen zal treffen, zal de rechter partijen, althans de verhuurder, dienen te vragen naar de mogelijkheden van alternatieve huisvesting. Welke informatie de rechter over deze mogelijkheden van de verhuurder kan verlangen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kan in dit verband van een woningcorporatie in het algemeen meer worden verlangd dan van een particuliere verhuurder.
3.4.3
Art. 3 lid 1 IVRK behelst de opdracht aan de rechter om rekening te houden met de belangen van het kind (zie hiervoor in 3.1.5). De bepaling bevat geen aanwijzing dat de rechter bij het vervullen van die opdracht bij de beoordeling van geschillen als de onderhavige niet zou mogen afgaan op informatie die partijen, of een van hen, hem – zo nodig op verzoek – verschaffen, maar zich tevens, al dan niet na daartoe verkregen instemming van partijen, buiten de mondelinge behandeling om zou moeten wenden tot instanties die niet in de procedure betrokken zijn, zoals de gemeente, instanties die betrokken zijn bij kinderbeschermingsmaatregelen of andere hulpverleningsinstanties. Art. 3 lid 1 IVRK biedt daarvoor derhalve geen toereikende grondslag. Evenmin is daarvoor een grondslag in het nationale recht aan te wijzen. Onder meer met het oog op privacybelangen van partijen en belangen van niet in de procedure betrokken personen, is een dergelijke grondslag wel vereist. Het behoort ook niet tot de taak van de rechter om zich, al dan niet met instemming van partijen, buiten de mondelinge behandeling om tot dergelijke instanties te wenden. Wel zal de rechter gebruik kunnen maken van zijn procesrechtelijke bevoegdheden, zoals het gelasten van een deskundigenbericht.
3.4.4
Indien met betrekking tot de woning waarop de vordering tot ontruiming ziet ook een bestuursrechtelijk traject wordt gevolgd, op grond van art. 13b lid 1 Opiumwet of art. 174a Gemeentewet, kan het opportuun zijn om in de ontruimingsprocedure de uitkomst daarvan af te wachten. Of dat het geval is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder het stadium waarin de bestuursrechtelijke procedure verkeert en de bij de ontruimingsvordering betrokken belangen. Daarvoor vallen geen nadere richtsnoeren te geven."
HR 28 november 2025, 24/04220, ECLI:NL:HR:2025:1799
Beslissingsmodaliteiten
"3.5.2
De beschikbaarheid van alternatieve huisvesting is, met het oog op de belangen van een kind dat door een beoogde ontruiming wordt getroffen, een belangrijk gezichtspunt bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een vordering tot ontruiming (zie hiervoor in 3.3.4). Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan de rechter die van oordeel is dat de vordering tot ontruiming toewijsbaar is, met het oog op die belangen, aan de veroordeling tot ontruiming de modaliteiten verbinden die hij geraden acht. Zo zal de rechter bijvoorbeeld een lange ontruimingstermijn kunnen hanteren of zijn beslissing enige tijd kunnen aanhouden om het zoeken naar alternatieve huisvesting voor de ouders en kinderen te faciliteren. Onder omstandigheden is ook denkbaar dat de rechter aan een veroordeling tot ontruiming de voorwaarde verbindt dat is voorzien in adequate opvang voor door de ontruiming getroffen kinderen. Dit laat onverlet dat het voorzien in alternatieve huisvesting of opvang in beginsel niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort (zie hiervoor in 3.3.4). Bij zijn beslissing zal de rechter steeds ook rekening moeten houden met het belang van de verhuurder (zie hiervoor in 3.3.6) bij de ontruiming en de urgentie daarvan."
HR 28 november 2025, 24/04220, ECLI:NL:HR:2025:1799
Ontruimingsprocedure
"3.11.
Op grond van artikel 3 IVRK is de rechter in een ontruimingsprocedure zelf gehouden de belangen van het kind in overweging te nemen. De vraag of ook de Gemeente voorafgaand aan de procedure met deze belangen rekening heeft gehouden, is dan ook verder niet relevant. Uit rechtsoverwegingen 4.8 en 4.10 van het ontruimingsvonnis blijkt dat de kantonrechter het belang van [appellante 2] heeft meegewogen. Alhoewel [appellante 1] hieromtrent verder geen feiten en omstandigheden had aangevoerd, heeft de kantonrechter in het ontruimingsvonnis vanwege het belang van [appellante 2] en de zwangerschap van [appellante 1] de ontruimingstermijn verlengd. In rechtsoverweging 4.3. van het ontruimingsvonnis heeft de kantonrechter – samengevat – overwogen dat goed huurderschap inhoudt dat niet alleen [appellante 1] geen overlast mag veroorzaken, maar ook anderen die zich in de woning bevinden dit niet mogen doen. Uit rechtsoverweging 4.5 van het ontruimingsvonnis blijkt vervolgens dat de kantonrechter heeft meegewogen dat de overlast (mede) is veroorzaakt door de vader van [appellante 2] . De kantonrechter heeft immers (onder meer) overwogen: Gemeente Opmeer heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [appellante 1] dan wel [appellante 2] [zoals de vader van [appellante 2] in het ontruimingsvonnis is aangeduid] ernstige en structurele overlast veroorzaakt. (…) Omwonenden klagen (…) over (…) het rij- en parkeergedrag van [appellante 1] en [appellante 2] (…) en de feestjes die regelmatig tot diep in de nacht worden gegeven door [appellante 1] en [appellante 2]. Het ontruimingsvonnis berust dus niet op een misslag."
Gerechtshof Amsterdam 6 februari 2024, 200.329.122/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:549
"Ontruiming gerechtvaardigd
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] ernstige en structurele overlast hebben veroorzaakt. Om te beoordelen of het gedrag van [appellanten] moet leiden tot ontruiming van de woning, moet naast het belang van Intermaris ook dat van [appellanten] worden afgewogen. De vordering van Intermaris tot ontruiming kan worden toegewezen als (i) het belang van Intermaris zwaarder weegt dan dat van [appellanten] én (ii) dit belang de gevraagde voorziening – ontruiming – rechtvaardigt. Het hof is van oordeel dat dit het geval is. Dit wordt hierna toegelicht.
4.9.
Volgens [appellanten] is de ontruiming niet gerechtvaardigd. [appellanten] hebben actief hulpverlening gezocht en [appellant 2] staat voor zijn gedrag onder behandeling van GGZ. Verder voeren [appellanten] aan dat verhuurder Mooiland geen toestemming heeft gegeven voor de beoogde woningruil omdat zij het door de kantonrechter gewezen vonnis beschouwt als een negatieve verhuurdersverklaring. [appellanten] hebben, nadat zij de woning hebben verlaten, een aantal weken bij de ouders van [appellant 2] verbleven en huren momenteel een woning van een particuliere verhuurder. Deze huurovereenkomst eindigt op 1 maart 2024. De veroordeling tot ontruiming in eerste aanleg, het feit dat [appellanten] geen woningruil meer kunnen bewerkstelligen en de negatieve verhuurdersverklaring van Intermaris van 22 december 2022 maken dat [appellanten] vrijwel geen enkele kans maken op een nieuwe huurwoning en dus steeds van tijdelijke verblijfplaats moeten wisselen. Dit komt vooral de kinderen niet ten goede, zij hebben belang bij een stabiele en rustige woonomgeving. In dat kader doen [appellanten] een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Artikel 3 IVRK bepaalt dat de belangen van het kind bij alle maatregelen betreffende kinderen een eerste overweging moeten vormen. Daarnaast voeren [appellanten] aan dat de ontruiming jegens [appellante 1] niet gerechtvaardigd is omdat de ontruimingsvordering van Intermaris voornamelijk is ingegeven door het gedrag van [appellant 2] . [appellante 1] valt persoonlijk geen verwijt te maken van de ontstane overlast, aldus [appellanten]
4.10.
Tegenover de belangen van [appellanten] en hun kinderen staan de belangen van Intermaris en in het verlengde daarvan ook de belangen van de omwonenden, onder wie andere huurders van Intermaris, die klachten hebben geuit. Deze huurders hebben recht op rustig huur- en woongenot. Ook zij hebben kinderen en ook met de belangen van die kinderen moet rekening worden gehouden. Deze rechten en belangen van de omwonenden en hun kinderen zijn ernstig geschonden door het gedrag van [appellanten] Dat [appellant 2] inmiddels hulp heeft gezocht voor zijn gedrag, doet daaraan niet af, al was het alleen maar omdat niet inzichtelijk is gemaakt dat hiermee een werkelijke en blijvende gedragsverandering is bereikt.
4.11.
Het hof acht het aannemelijk dat de ontruiming uit de woning (ook) voor de minderjarige kinderen van [appellanten] (negatieve) gevolgen zal hebben. De belangen van deze kinderen spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dit betekent echter niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Een vordering tot ontruiming zal bijvoorbeeld niet kunnen worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gebleken. Het hof onderkent dat geregeld verhuizen voor de kinderen van [appellanten] onwenselijk kan zijn, maar dit levert nog geen acute noodtoestand voor hen op. Bovendien staat vooralsnog niet vast dat [appellanten] ook daadwerkelijk vaak zullen moeten verhuizen. Verder weegt mee dat Intermaris de nodige inspanningen heeft verricht om ontruiming voor het gezin te voorkomen. Zo heeft Intermaris drie maal – tevergeefs – vervangende woonruimte aangeboden aan [appellanten] , is er hulpverlening voor het gezin ingeschakeld en zijn er meerdere gesprekken gevoerd met [appellanten] in het bijzijn van de wijkagent en hulpverleners. Dit heeft echter geen einde gemaakt aan de ernstige overlast en het geweld.
4.12.
Anders dan [appellanten] stellen, is ook [appellante 1] verantwoordelijk voor de overlast. Artikel 12 van de toepasselijke Algemene Huurvoorwaarden bepaalt: Huurder voorkomt dat omwonenden overlast of hinder hebben van hemzelf, huisgenoten, huisdieren of derden die zich vanwege huurder in de woning of in de gemeenschappelijke ruimte bevinden. Aan die regel heeft [appellante 1] zich niet gehouden en daarmee heeft ook zij zich niet als een goed huurder gedragen. Uit de bewijsstukken in het dossier moet minst genomen worden afgeleid dat [appellante 1] ernstig rekening had te houden met de gedragingen van [appellant 2] waarover door de buren is geklaagd. Van enige werkelijke poging van [appellante 1] om die gedragingen te voorkomen is het hof niet gebleken. Overigens heeft een deel van de overlastklachten betrekking op eigen gedragingen van [appellante 1] . Daarnaast is gebleken dat Intermaris meermaals aan [appellante 1] heeft laten weten dat zij bereid zou zijn om alleen aan haar vervangende woonruimte aan te bieden, op voorwaarde dat de echtscheiding met [appellant 2] in gang zou zijn gezet. Zo lang [appellant 2] en [appellante 1] gehuwd zijn, blijft [appellant 2] immers medehuurder en kan hem de toegang tot de woning niet ontzegd worden. Hoewel door de hulpverlening op echtscheiding is ingezet in het kader van het huiselijk geweld, zijn [appellant 2] en [appellante 1] nog steeds samen.
4.13.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van Intermaris en met name de belangen van de omwonenden die overlast, agressie, intimidatie en geweld hebben ervaren, zwaarder moeten wegen dan het belang van [appellanten] om in de woning te blijven wonen. Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat in een bodemzaak zal worden beslist dat [appellanten] zijn tekortschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en dat die tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning rechtvaardigt. Dit betekent dat de gevorderde ontruiming terecht is toegewezen, ook – gelet op hetgeen hiervoor in 4.12 is overwogen – jegens [appellante 1] . Het hof gaat daarbij ervan uit dat Intermaris haar toezegging zal nakomen om aan [appellante 1] vervangende woonruimte aan te bieden als een echtscheidingsprocedure in gang wordt gezet."
Gerechtshof Amsterdam 12 maart 2024, 200.323.715/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:576
"4.10. Wanneer het woonbelang van [X.] en haar dochter wordt afgezet tegen de tekortkoming, dan komt daaraan niet een zodanig gewicht toe dat de vorderingen van Kennemer Wonen tot ontbinding en ontruiming moeten worden afgewezen. Op grond van artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) moeten ook rechterlijke instanties bij maatregelen betreffende kinderen, de belangen van het kind voorop stellen. Dat betekent echter niet dat een huurovereenkomst van huurders met inwonende kinderen niet ontbonden zou mogen worden. Het lag op de weg van [X.] als ouder om ervoor zorg te dragen dat zij de woning ook ten behoeve van een stabiele woon- en schoolsituatie voor haar dochter, niet op het spel zou zetten. Dat de ontruiming ook (negatieve) gevolgen zal hebben voor haar dochter acht het hof aannemelijk, maar dat zich voor de dochter een noodsituatie voordoet, ook wanneer zij, zoals aangevoerd, niet bij haar vader terecht kan, is niet gebleken. Bovendien zal de dochter inmiddels meerderjarig zijn, aangezien zij tijdens het wijzen van het bestreden vonnis ongeveer 16,5 jaar oud was. Daarnaast geldt dat inmiddels meer dan een jaar is verstreken sinds de door de kantonrechter bepaalde ontruimingsdatum, zodat [X.] tijd heeft gehad om passende maatregelen te treffen om in het onderdak van haar dochter te kunnen voorzien. De kantonrechter heeft nog overwogen dat, wanneer op het strikte beleid bij minderjarige kinderen een uitzondering gemaakt zou worden, juist huishoudens met (kleine) kinderen kwetsbaar worden voor criminele organisaties die in woningen hennepkwekerijen willen opzetten. Het hof sluit zich bij deze overweging aan en maakt die tot de zijne. Het belang van [X.] en haar dochter, waarbij [X.] er nog op heeft gewezen dat zij de woning al sinds 2012 huurt en zich altijd als een goed huurder heeft gedragen op deze eenmalige fout na, weegt niet op tegen de ernst van de tekortkoming. Kennemer Wonen heeft op haar beurt groot belang bij handhaving van haar strikte beleid om altijd op te treden in het geval van een hennepkwekerij, wegens de daarmee gepaard gaande risico’s voor omwonenden.
4.11.
De conclusie luidt dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst met de ontruiming van de woning toewijsbaar zijn. De grieven 3 en 5 tot en met 8, die voor het overige geen bespreking behoeven, slagen niet."
Gerechtshof Amsterdam 13 februari 2024, 200.313.114/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:1088
Niet-voortzetting van huurovereenkomst met woonwagenbewoner
"3.20.
Het hof stelt het volgende voorop. Of [appellant] een rechtstreeks beroep kan doen op artikel 3 IVRK kan in het midden blijven omdat een (mogelijk) beroep op artikel 3 IVRK niet tot gevolg heeft dat [appellant] gelijk krijgt en het vonnis zou moeten worden vernietigd. Zoals hierna nader zal worden overwogen heeft [appellant] eigenrichting gepleegd door met zijn gezin in de woonwagen te gaan wonen nadat de gemeente hem had bericht de huurovereenkomst niet met hem te willen voortzetten. Omdat niet gesteld noch gebleken is dat de kinderen van [appellant] op straat komen te staan in het geval [appellant] de woonwagen zou moeten ontruimen en [appellant] de keuze heeft gemaakt uit de woning waar hij eerder met zijn kinderen woonde te vertrekken en met zijn gezin in de woonwagen te gaan wonen nadat de gemeente hem had bericht met hem de huurovereenkomst niet te willen voortzetten, faalt een (mogelijk) beroep op art. 3 IVRK. De door de Gemeente gevorderde ontruiming van de standplaats vormt - ook bij illegale bewoning - een inmenging op het door artikel 8 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van [appellant] op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en de woning, zie onder meer [naam 4] / Frankrijk, EHRM 17 oktober 2013, nr. 27013/07, EHRC 2014/31 (vergelijk ook HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:25). Daarin is samengevat onder meer overwogen:
- dat de inbreuk nodig moet zijn en proportioneel;
- dat de beoordelingsruimte van een overheidsorgaan kleiner is wanneer het gaat om een inbreuk op rechten als bedoeld in artikel 8 EVRM, “which are rights of central importance to the individual’s identity, self-determination, physical and moral integrity, maintenance of relationships with others and a settled and secure place in the community” (onderdeel 148 onder β in de zaak [naam 4] / Frankrijk);
- dat getoetst dient te worden of het besluitvormingsproces dat tot de inbreuk heeft geleid eerlijk is en de belangen die artikel 8 beschermt in de afweging zijn gerespecteerd;
- dat relevante aangevoerde argumenten dat de inbreuk niet evenredig is, in detail moeten worden getoetst en dat de rechter de beslissing daaromtrent afdoende dient te motiveren.
Daarbij dient in het bijzonder te worden meegewogen (onderdeel 148 onder ε in de zaak [naam 4] /Frankrijk):
“If the home was lawfully established, this factor would weigh against the legitimacy of requiring the individual to move. Conversely, if the establishment of the home was unlawful, the position of the individual concerned would be less strong. If no alternative accommodation is available the interference is more serious than where such accommodation is available. The evaluation of the suitability of alternative accommodation will involve a consideration of, on the one hand, the particular needs of the person concerned and, on the other, the rights of the local community to environmental protection.”
- de kwetsbare positie van reizigers als een minderheid maakt dat hun behoeften en andere levensstijl speciaal in beschouwing moeten worden genomen bij zowel regelgeving en beleid, als bij beslissingen in individuele gevallen.
3.21.
Naar het oordeel van het hof valt de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de Gemeente uit. Het hof stelt voorop dat sprake is van (verboden) eigenrichting. [appellant] heeft zich met zijn gezin in de woonwagen gevestigd, terwijl de Gemeente hem had bericht de huurovereenkomst niet met hem niet te willen voortzetten. Gesteld noch gebleken is dat de Gemeente de eigenrichting heeft gedoogd, terwijl het (voortdurende) verblijf van [appellant] met zijn gezin samenhangt met de onderhavige procedure. De inbreuk op het familie- en gezinsleven van [appellant] is niet onevenredig. [appellant] heeft, zoals hiervoor is geoordeeld, geen recht op voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. [appellant] mag daar dus in beginsel niet wonen. De Gemeente respecteert de woonwagencultuur. Sprake is van een schaarste van woonwagenlocaties en standplaatsen in de gemeente [plaats] . De Gemeente heeft regels opgesteld om de schaarse standplaatsen zo eerlijk mogelijk te verdelen met in achtneming van de woonwagencultuur. De Gemeente past haar (in samenspraak met de woonwagenbewoners vastgestelde) regels van verdeling van deze schaarse woonwagenlocaties toe. Op dit moment valt [appellant] in de categorie spijtoptanten (die op dit moment na de categorieën doorstromers en uitvliegende kinderen van dezelfde en andere locaties komen), die weinig kans maken op een standplaats. De Gemeente mag niet vooruitlopen op eventuele nieuwe regels omtrent toewijzing van standplaatsen waarvan de inhoud en ingangsdatum onbekend zijn ook al zijn andere bewoners akkoord met het huren van de standplaats door [appellant]."
Gerechtshof Amsterdam 29 oktober 2024, 200.319.262/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:2997
Woonurgentie
"6.16
Niet ter discussie staat dat water een primaire levensbehoefte is en dat met name kinderen een zwaarwegend belang bij water hebben. Hierboven is al overwogen dat het uit (o.a.) het IVESCR af te leiden (sociale/economische) grondrecht op water geen directe werking heeft. Daarnaast geldt dat geen sprake is van een onvoorwaardelijk en absoluut recht op water in die zin dat altijd onbeperkt toegang tot water moet worden geboden en dat voorwaarden of beperkingen in geen geval zijn toegestaan. Dat neemt echter niet weg dat er wel bepaalde ‘minimum kernverplichtingen’ (‘minimum core obligations’15) te onderscheiden zijn die onderdeel vormen van de wezenlijke kern van het grondrecht op water en die mogelijkerwijs wel afdwingbaar zijn. NJCM c.s. verwijst naar de WHO-normen en stelt dat hieruit volgt dat op korte termijn in crisissituaties kan worden volstaan met 20-50 liter per persoon per dag, maar dat op de langere termijn minstens 70 liter per persoon per dag nodig is (zie hierboven onder 3.12: bij een hoeveelheid van ca. 50 liter per persoon per dag is het “level of health concern” nog medium; pas bij een hoeveelheid van minstens 100 liter per persoon per dag wordt gesproken van “optimal acces” en een “low level of health concern”). Verweerders hebben er terecht op gewezen dat de WHO-normen niet bindend zijn, maar dat neemt niet weg dat deze normen gezaghebbend zijn en kunnen helpen bij het bepalen van de minimaal te bieden grondrechtenbescherming. Inhoudelijk is ook niet gemotiveerd betwist dat de normen goed bruikbaar zijn als richtsnoer bij de bepaling van de hoeveelheid water waartoe kinderen ten minste toegang moeten hebben om ernstige gezondheidsproblemen te voorkomen. Daarbij moet worden bedacht dat kinderen extra kwetsbaar zijn: zij zijn nog in de groei en in ontwikkeling en hebben daardoor bijzondere behoefte aan voldoende water. Bovendien zijn zij vaak geheel afhankelijk van volwassenen voor de vervulling van hun primaire levensbehoeften. NJCM c.s. heeft uitgebreid toegelicht dat water niet alleen van belang is om te drinken, maar ook voor voldoende hygiëne en daarmee samenhangend voor een goede gezondheid, een goede mentale ontwikkeling en een normaal gezins- en sociaal leven. Kinderen die niet voldoende drinken drogen uit en kunnen ernstige gezondheidsklachten krijgen. Bovendien kunnen zij zich dan niet goed concentreren op school. Ook een gebrekkige hygiëne kan leiden tot gezondheidsproblemen. Het risico op schoolverzuim door ziekte of schaamte neemt hierdoor toe, terwijl ook het risico op sociale isolatie wordt vergroot: kinderen zonder toegang tot drinkwater willen of mogen niet meer buiten spelen (eenmaal vies kunnen zij zichzelf en hun kleding immers niet wassen) of durven niet meer met vriendjes af te spreken. Het VN-Kinderrechtencomité benadrukt in zijn General Comment over artikel 24 IVRK in dit verband dat “safe and clean drinking water and sanitation are essential for the full enjoyment of life and all other human rights”16. Een en ander heeft ook gevolgen op de lange termijn. Het grote en verstrekkende belang van minderjarige kinderen bij toegang tot voldoende drinkwater is niet betwist en is algemeen bekend. Het mag in elk geval bekend worden verondersteld bij de Staat en DWB.
6.17
De Afsluitregeling en de gebaseerde beleidsregels en praktijk laten niettemin bewust de mogelijkheid open dat gezinnen met kinderen wegens wanbetaling worden afgesloten van water en dat de kinderen daardoor in een situatie komen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen, en dat mogelijk zelfs voor onbepaalde tijd. Een hoeveelheid van 12 liter (namelijk 4 x 3 liter per persoon per dag voor vier dagen) ligt ver onder de WHO-normen, nog daargelaten dat (i) een afsluiting in ieder geval in theorie (veel) langer kan duren dan vier dagen en (ii) ter zitting is gebleken dat vaak alleen maar wordt geschat uit hoeveel personen een gezin bestaat. Weliswaar bestaan er gratis openbare tappunten, maar dit zijn er dermate weinig en zij liggen zo verspreid dat deze in algemene zin alleen daarom al geen serieus alternatief kunnen vormen.
6.18
Hierboven is al overwogen dat de Staat en de DWB op grond van artikel 3 lid 1IVRK verplicht zijn om het belang van het kind een eerste overweging te laten vormen. Deze bepaling heeft geen directe werking waar het gaat om het precieze gewicht van dat belang. Naar het oordeel van het hof vloeit echter reeds uit de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW voort dat de Staat en de DWB in elk geval al het redelijkerwijs mogelijke moeten doen om te voorkomen dat (wat betreft de Staat) minderjarige kinderen in Nederland, respectievelijk (wat betreft de DWB) de minderjarige kinderen van hun afnemers in hun distributiegebied, in de hierboven beschreven situatie belanden (geen toegang tot voldoende water conform de WHO-normen). Door niet al het redelijkerwijs mogelijke te doen en door bewust de mogelijkheid open te laten dat kinderen wèl in die situatie terecht komen, handelen de Staat en de DWB in strijd met die maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm17 en met artikel 3 lid 1 IVRK."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
"4. Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 3 van het IVRK, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellant]. Het college heeft in aanmerking genomen dat de kinderen bij hun moeder wonen, dat de kinderen [appellant] bij hem thuis konden bezoeken en dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontwikkeling van zijn zoon gevaar loopt. De Afdeling begrijpt dat [appellant] een woning wil om op de door hem gewenste wijze vorm te geven aan zijn gezinsleven. De omstandigheden zijn echter niet anders dan die van vele andere woningzoekenden in Amsterdam.
5. De gronden slagen niet."
ABRvS 19 juni 2024, 202303637/1/A2, ECLI:NL:RVS:2024:2495
Mogelijke dakloosheid na echtscheiding
"Schending IVRK en Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)
8. [appellant] heeft ten slotte aangevoerd dat in de besluitvorming onvoldoende rekenschap is gegeven van de belangen van zijn kinderen. Hij verwijst in dit kader naar artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.
8.1. De SUWR heeft in de aanvullende motivering van 22 december 2022 en op de zitting toegelicht dat het tweede lid van artikel 5.3 van de verordening is bedoeld om te voorkomen dat minderjarige kinderen na een scheiding dakloos worden wanneer ouders de woonlasten niet kunnen opbrengen. Zij heeft daarom in haar besluitvorming kunnen betrekken dat de kinderen onderdak hebben bij hun moeder, niet dakloos zijn en andere manieren bestaan om contact te hebben met hun vader. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om familieleven met zijn kinderen uit te oefenen. Dat de ontwikkeling van zijn kinderen door zijn woonomstandigheden in gevaar is heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt.
8.2. Het betoog slaagt niet"
ABRvS 17 juli 2024, 202305138/1/A2, ECLI:NL:RVS:2024:2895
Geen algeheel verbod op afsluiting van water, maar...
"6.27
De conclusie luidt dat de Staat en de DWB onrechtmatig (want in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm in combinatie met artikel 3 lid 1 IVRK) handelen door met het huidige systeem en het huidige beleid de mogelijkheid open te laten dat kinderen in een situatie terechtkomen waarin zij geen toegang hebben tot voldoende water conform de WHO-normen. De artikelen 3 IVRK en artikel 6:162 BW dwingen niet tot een algeheel verbod op afsluiting, maar de Staat en de DWB moeten wel al het redelijkerwijs mogelijke doen om te voorkomen dat kinderen in die situatie geraken. Uit artikel 2 IVRK, de artikelen 3, 8 en 14 EVRM en uit artikel 16 herschikte Drinkwaterrichtlijn en artikel 24 lid 2 van het Handvest volgen geen andere/verdergaande verplichtingen dan hierboven omschreven."
Gerechtshof Den Haag 19 maart 2024, 200.313.143/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:363
Passende woonplaats voor minderjarigen bij de ouder die het gezag uitoefent
"4.4.
Uitgangspunt in die, ook bij artikel 3 IVRK passende, belangenafweging is dat minderjarige kinderen in ieder geval voorlopig in de woning blijven, samen met de ouder die het grootste deel van de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. Niet in geschil is dat [eiseres] die ouder is. Op grond van artikel 1:12 lid 1 BW volgen minderjarigen de woonplaats van degene die het gezag over hen uitoefent. Dat betekent dat uitgangspunt is dat de kinderen, waarover [eiseres] het eenhoofdig gezag uitoefent, bij haar verblijven. Daar komt bij dat [gedaagde] op dit moment geen contact heeft met [kind 2] en het contact met [kind 3] in een voorzichtig opbouwende fase zit en vooralsnog louter uit appcontact bestaat. [eiseres] heeft voorts onbetwist gesteld dat [kind 2] allergisch is voor huisdieren, dat de familie waar zij tijdelijk verblijven, huisdieren heeft en [kind 2] daar last van heeft. Bovendien hebben de kinderen in de woning allemaal een eigen kamer en moeten zij op het tijdelijke adres een zolder met zijn drieën delen. [gedaagde] daarentegen weerspreekt onvoldoende dat hij al dan niet tijdelijk bij familie kan verblijven. De stelling dat al zijn familieleden een uitkering ontvangen en hij daardoor niet bij hen kan wonen, heeft hij niet onderbouwd. Daarnaast heeft [gedaagde] een goed inkomen waardoor aannemelijk is dat hij sneller een woning vindt dan [eiseres] die een veel lager inkomen heeft. Ook bezit [gedaagde], anders dan [eiseres], een auto, waardoor hij eventueel verder weg kan wonen. Alles wat hiervoor is benoemd, brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het belang van [eiseres] bij het uitsluitend gebruik van de woning groter is dan dat van [gedaagde].
4.5.
Dit betekent dat [gedaagde] de woning moet verlaten. De voorzieningenrechter acht de door [eiseres] gevorderde termijn waarbinnen de man de woning moet verlaten van drie dagen na betekening van dit vonnis te kort. Die termijn wordt in redelijkheid gesteld op veertien dagen na betekening. Omdat [gedaagde] heeft aangegeven dat als hij de woning moet verlaten, hij alles – inclusief vloer – meeneemt, wordt [gedaagde] veroordeeld de woning te verlaten (en niet te ontruimen) met medeneming van, uitsluitend, zijn roerende goederen. Dat betekent dat [gedaagde] goederen die aard- en nagelvast zijn gemaakt met de woning, zoals bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, een vloer en/of behang moet achterlaten."
Rb. Rotterdam 25 januari 2024, C/10/671029 / KG ZA 23-1141, ECLI:NL:RBROT:2024:410
8.1.
Eiseres zegt gedurende meerdere nachten per week te verblijven bij haar dochter in een gelijkvloerse woning met een woonkamer en één slaapkamer en dat zij steeds meerdere nachten elders moeten slapen. Dat doet zij al sinds lange tijd. De twee oudste kinderen zijn bij beschikking van de rechtbank van 10 augustus 2023 wel aan eiseres toegewezen maar vanwege het gebrek aan woonruimte verblijven zij nog altijd bij hun vader in [plaats 1] . Uit de stukken en de toelichting van de begeleider van [naam] op zitting blijkt dat er grote zorg is over de jongste twee kinderen, met name over het jongste kind. Eiseres verklaart dat ze ook steeds ziek zijn. Het college heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels wordt ingezien dat de weg naar [plaats 1] afgesloten is en dat als het college alle informatie van vandaag eerder zou hebben gehad de situatie wellicht anders zou hebben gelegen, maar dat de vertegenwoordigers van het college geen mandaat hebben om een andersluidende beslissing te nemen.
8.2.
Gezien de omstandigheden zoals hierboven beschreven is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet aannemelijk is dat het college bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar niet alsnog een urgentieverklaring zal verstrekken. De situatie is weliswaar niet levensbedreigend, maar wel daarmee vergelijkbaar. Uit alle stukken blijkt dat ontwikkeling van de twee jongste kinderen (en dan met name het jongste kind) zeer zorgelijk is en door deze situatie, het ontbreken van een vaste woning, staat die nog verder onder druk. Dat is zeer onwenselijk en rechtvaardigt de toepassing van de hardheidsclausule. Een hernieuwde behandeling van het bezwaarschrift, waarbij het college nader (medisch) advies opvraagt, hetgeen veel tijd in beslag neemt, is daarom niet nodig.
8.3. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om niet alleen het bestreden besluit te vernietigen, maar tevens om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het primaire besluit van 21 november 2023 te herroepen en te bepalen dat eiseres moet worden behandeld alsof zij in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 november 2023.
9. Nu op het beroep is beslist is er geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen."
Rb. Gelderland 14 mei 2024, ARN 24/2446 (voorlopige voorziening) en 24/2412 (beroep), ECLI:NL:RBGEL:2024:2959
Detentie minderjarigen: Havanna regels
"6.21
Regel 17 van de Havanaregels bepaalt het volgende met betrekking tot de vrijheidsontneming ten aanzien van kinderen voorafgaand aan berechting:
“Detention before trial shall be avoided to the extent possible and limited to exceptional circumstances. Therefore, all efforts shall be made to apply alternative measures. When preventive detention is nevertheless used, juvenile courts and investigative bodies shall give the highest priority to the most expeditious processing of such cases to ensure the shortest possible duration of detention.”
6.22
Uit artikel 37 aanhef en onder b, tweede volzin IVRK, gelezen in het licht van artikel 3 lid 1 IVRK en van deze regel 17 van de Havanaregels, en uit artikel 5 lid 1 aanhef en onder c EVRM, gelezen in het licht van de vaste rechtspraak van het EHRM over de bij vrijheidsontneming toe te passen noodzakelijkheidstoets, volgt dat:
- de vrijheidsontneming van een minderjarige slechts mag worden gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
- de betrokken autoriteit bij haar besluit tot vrijheidsontneming de belangen van de minderjarige als eerste overweging moet afwegen tegen dat van de vervolging, en slechts in uitzonderlijke omstandigheden de belangen van de vervolging zwaarder mag laten wegen; en
- als desondanks wordt besloten tot vrijheidsontneming, de betrokken autoriteiten de hoogste prioriteit moeten geven aan de snelste afhandeling van de betrokken zaak om ervoor te zorgen dat de vrijheidsontneming zo kort mogelijk duurt."
Gerechtshof Den Haag 9 juli 2024, 200.319.941/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1099
Niet twee keer per dag luchten
"6.53
[appellante] klaagt dat zij op 17 januari 2012 niet is gelucht en op 18 januari 2012 slechts één keer.
6.54
De politie heeft hiermee naar het oordeel van het hof onrechtmatig gehandeld. Op grond van artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv, artikel 15 lid 2 Bbrp (oud) en artikel 4.2.3 Huishoudelijk Reglement had [appellante] tijdens haar insluiting twee keer per dag tenminste een halfuur gelucht moeten worden, met in artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv de beperking “voorzooveel daartoe gelegenheid bestaat”. Deze bepalingen moeten worden uitgelegd in het licht van de artikelen 3 lid 1 en 37 aanhef en onder c, eerste volzin IVRK en, in het geval van artikel 4.2.3 Huishoudelijk Reglement, in het licht van artikel 5.1.3 van datzelfde Huishoudelijk Reglement, die voorschrijven dat daarbij rekening moest worden gehouden met de behoeften van een persoon van haar leeftijd.
6.55
De Staat beroept zich naar het oordeel van het hof tevergeefs op de beperking van artikel 3 UV art. 62 en 76 Sv dat een inverzekeringgestelde slechts kan worden gelucht voor zover daartoe gelegenheid bestaat.
6.55.1
Omdat [appellante] een minderjarige van veertien jaar was, had hoe dan ook sprake moeten zijn van dwingende, niet te behelpen omstandigheden die maakten dat er geen gelegenheid was tot luchten. De Staat heeft daar niets over aangevoerd.
6.55.2
Wat 17 januari 2012 betreft heeft de Staat toegelicht dat [appellante] om 15:30 in verzekering is gesteld en daarna niet meer is gelucht. De vrijheidsontneming van [appellante] is echter niet begonnen om 15:30, maar met haar aanhouding om 09:32. Vanaf dat tijdstip was [appellante] een ingeslotene in de zin van het Bbrp en het Huishoudelijk Reglement en had zij er recht op, twee keer per dag minstens een halfuur te worden gelucht. Als de Staat met zijn beroep op het ontbreken van gelegenheid doelt op het verhoor dat die dag tussen 10:50 en 12:33 uur heeft plaatsgevonden, heeft hij niet uitgelegd waarom [appellante] niet een keer een halfuur daarvoor en een keer een halfuur daarna kon worden gelucht, in aanmerking nemend dat zij tussen 16:36 en 17:29 uur is bezocht door haar advocaat en een medewerker van de RvdK en tussen 19:12 en 19:39 uur door haar moeder.
6.56
Wat 18 januari 2012 betreft heeft de Staat aangevoerd dat [appellante] eenmaal is gelucht omdat zij daarna werd gehoord. Op die dag is [appellante] in de ochtend slechts tussen 08:40 en 08:50 uur gelucht, hetgeen minder is dan het voorgeschreven halfuur. Daarna is zij tussen 14:30 en 16:32 uur verhoord. De Staat heeft niet uitgelegd waarom zij niet daarvoor een tweede keer had kunnen worden gelucht, of daarna, voordat zij om 20:23 is bezocht door een arts. Dit klemt te meer omdat [appellante] die dag om 11:14 uur naar een observatiecel is verplaatst.
6.57
[appellante] heeft ook geklaagd dat zij in een rookhokje is gelucht en dat de betrokken bewaarder haar bij die gelegenheid sigaretten heeft aangeboden. Dat kan niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De Staat heeft toegelicht dat het luchten op het betrokken politiebureau plaatsvindt in een binnenplaats met een netoverkapping die zowel voor rokers als voor niet-rokers is bestemd. Dat is in overeenstemming met de eisen die artikel 3 Regeling politiecellencomplex aan een luchtruimte stelt. Naar het oordeel van het hof is het niet onrechtmatig om een en dezelfde luchtruimte voor zowel rokers als niet-rokers te bestemmen. Ook het aanbieden van sigaretten aan een minderjarige is als zodanig niet onrechtmatig, gelet op het feit dat er minderjarigen zijn die roken en daarom tijdens hun insluiting juist behoefte kunnen hebben aan sigaretten."
Gerechtshof Den Haag 9 juli 2024, 200.319.941/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1099
De relatie van artikel 3 IVRK/artikel 24 Handvest Grondrechten EU met de Dublinverordening
"5. Over de belangen van de minderjarige (pleeg)kinderen overweegt de rechtbank als volgt. Punt 13 van de considerans van de Dublinverordening vermeldt dat overeenkomstig het IVRK4 en het Handvest5 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop moet staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel. Gelet op deze nadere uitwerking is het aan de rechter om te toetsen of verweerder de in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening genoemde factoren, voor zover hierover iets is aangevoerd, in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient door de rechter te worden getoetst of verweerder zich bij zijn belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de gestelde belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
6. Nu de waarborgen uit het IVRK hun weerslag hebben gevonden in de Dublinverordening, kan een op goede gronden gebaseerde Dublinoverdracht op zichzelf niet zodanig ingrijpend worden geacht dat de belangen van het kind daardoor zonder meer worden geschaad.
7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de belangen van eisers 2 en 3 voldoende kenbaar betrokken bij de besluitvorming. Zo heeft verweerder kenbaar betrokken dat eiser 2 bekend is met autisme en PTSS en dat verweerder op grond van artikel 31 en 32 van de Dublinverordening de Zweedse autoriteiten bij de overdracht zal informeren over de medische behoeften, verzorging of behandeling van eiser 2, indien daarvoor toestemming wordt gegeven. Verder heeft verweerder de algemene belangen van de minderjarige kinderen ook betrokken bij de besluitvorming. Eisers hebben niet nader geconcretiseerd welke andere belangen van eisers 2 en 3 niet zijn betrokken bij de besluitvorming, zodat zij niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. De stelling van eisers dat eiser 3 gehoord had moeten worden, volgt de rechtbank niet. Zoals uit paragraaf C1/2.1. van de Vc6 volgt, wordt slechts bij minderjarigen vanaf vijftien jaar, die een zelfstandige aanvraag hebben ingediend, een aanmeldgehoor afgenomen. Dat is bij eisers niet aan de orde.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat verweerder in het geval van eisers geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven aannemen.
9. De asielaanvragen zijn terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond."
Rb. Den Haag 1 februari 2024, NL23.37155 NL23.37157, ECLI:NL:RBDHA:2024:1353
"6. In overweging 13 van de considerans van de Dublinverordening staat dat overeenkomstig het IVRK en het Handvest4 voor de lidstaten bij de toepassing van de Dublinverordening het belang van het kind voorop dient te staan. Artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest hebben in het bijzonder uitdrukking gevonden in artikel 6 van de Dublinverordening. De in artikel 6, eerste lid, geformuleerde norm is daarbij nader uitgewerkt in het derde lid van dat artikel.
7. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de belangen van de kinderen voldoende betrokken bij de besluitvorming. Op basis van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening is het in beginsel in het belang van de kinderen om bij de behandeling van hun situatie in het kader van de verantwoordelijkheidsbepaling tot uitgangspunt te nemen dat deze onlosmakelijk verbonden is met die van de ouders. Het staat vast dat als gevolg van de bestreden besluiten de kinderen niet worden gescheiden van hun ouders. Verder wordt overwogen dat uit de brief van de kinderneuroloog van 19 januari 2024 niet blijkt dat de kinderen momenteel onder behandeling staan. Daarnaast mag verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat eventuele medische behandeling voor de kinderen van eisers ook in Duitsland aanwezig is. Ook wordt in aanmerking genomen dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, met toestemming van eisers, de gezondheidsgegevens door verweerder aan Duitsland worden verstrekt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de kinderen onevenredig hard getroffen worden door de overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft in deze omstandigheden dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (onverplicht) aan zich te trekken.
8. De beroepen zijn ongegrond."
Rb. Den Haag 24 februari 2024, NL24.875 en NL24.877, ECLI:NL:RBDHA:2024:966
"18. Zoals hierboven reeds aangegeven bepaalt artikel 3 van het IVRK dat bij alle maatregelen over kinderen, de belangen van de kinderen de primaire overweging vormen. Dit betekent dat verweerder met alle belangen van het specifieke kind rekening dient te houden en deze vervolgens dient af te wegen. Zoals meermaals in de jurisprudentie is uitgemaakt, betekent dit niet dat het belang van het kind een troefkaart is18. Wel betekent het dat aan de specifieke belangen van het kind een zwaar gewicht toekomt. Artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening en artikel 24 van het Handvest zijn op het IVRK geïnspireerd en behelzen, mede gelet ook op de gelijkenis in bewoordingen, een soortgelijke opdracht in de besluitvormingsfase.
19.1.
Naar het oordeel van de rechtbank verhouden de navolgende in de onderhavige zaak gegeven over- en/of afwegingen zich slecht tot deze opdracht:
- er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden die zo nadelig voor uw kinderen zijn dat er een andere (belangen)afweging moet worden gemaakt (p. 9 bestreden besluit);
- hun situatie verschilt niet van andere kinderen die met hun ouders samen worden overgedragen aan een andere lidstaat (p. 5 verweerschrift);
- voor het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen is het niet noodzakelijk dat eiseres en haar kinderen in Nederland moeten blijven (p. 9 bestreden besluit en p. 5 verweerschrift).
19.2.
Verweerder legt hiermee een toets aan die enkel naar de vraag lijkt te kijken of er zeer zwaarwegende – ter zitting heeft verweerder de noodzakelijkheidseis laten vallen - redenen zijn om de kinderen en eiseres niet over te dragen. Zoals verweerder kennelijk gewoon is om te doen nu eiseres en haar kinderen ‘niet verschillen van andere kinderen die met hun ouders worden overgedragen naar een ander Dublinland’. Naar het oordeel van de rechtbank verwordt de opdracht uit artikel 3 van het IVRK, artikel 24 van het Handvest en artikel 6 van de Dublinverordening op deze wijze van een op papier krachtige waarborg tot in de praktijk een lege huls. Verweerder dient bij het nieuw te nemen besluit zich hier rekenschap van te geven."
Rb. Den Haag 13 mei 2024, NL 24.13368 en NL 24.13369, ECLI:NL:RBDHA:2024:7398
Een leeftijdsonderzoek door een andere Schengen Lidstaat
"Leeftijdsonderzoek in Zwitserland
12. Verder voert eiser aan dat de staatssecretaris niet uit kan gaan van het in Zwitserland uitgevoerde leeftijdsonderzoek. Uit het meest recente AIDA-rapport (p. 63-64) volgt dat leeftijdsonderzoek in Zwitserland wordt gedaan op basis van forensisch onderzoek. Het baseren van de leeftijd op uitsluitend medische methodes gebaseerd op de analyse van botten en tanden, schendt volgens het Kinderrechtencomité het recht op identiteit (artikel 8 van het IVRK) en het belang van het kind (artikel 3 van het IVRK), eiser verwijst hierbij naar 5 uitspraken van Comité.4 Het is daarom aan de staatssecretaris om eerst na te gaan of het onderzoek in Zwitserland wel voldaan heeft aan de internationale standaarden en na te gaan of onderzoeksrapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. In Zwitserland een leeftijdsonderzoek uitgevoerd waaruit een minimale leeftijd van 17.6 jaar werd geconcludeerd. De Zwitserse autoriteiten hebben niet toegelicht wanneer het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en wat het onderzoek precies inhoudt. Ook is niet duidelijk welke foutmarge gehanteerd wordt. Ook is niet uitgesloten dat eiser zich (ook volgens het Zwitserse onderzoeksresultaat) in Nederland meldde op een minderjarige leeftijd. De staatssecretaris heeft niet aan zijn vergewisplicht voldaan, omdat hij alleen informatie heeft gevraagd bij de Zwitserse Dublin unit. Er is niet doorgevraagd over de wijze van vaststelling van de leeftijd en het onderzoeksrapport is niet bijgevoegd.
12. De rechtbank overweegt als volgt. In het ‘rapport schouw aanmeldgehoor AMV’ heeft eiser het volgende verklaard:
“Wat is de uitkomst van jouw asielaanvraag in Zwitserland?
Er was een probleem met mijn geboortedatum. Ze hebben mij een geboortedatum toegekend.
Waarom hebben ze dat gedaan?
Vanwege mijn leeftijd moest ik het land verlaten. Ze geloofden mijn leeftijd niet en hebben mij een andere leeftijd toegekend.”
In deze verklaringen heeft de staatssecretaris aanleiding kunnen zien om een onderzoek bij de Zwitserse autoriteiten in te stellen. Volgens de Zwitserse autoriteiten heeft er een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden, met als resultaat dat eiser minimaal 17,6 jaar oud is. Bij de bepaling van eisers leeftijd was ook een geboorteakte van eiser betrokken. Deze geboorteakte gaf als geboortedatum 1 juni 2007. Op basis van het onderzoek naar eisers leeftijd hebben de Zwitserse autoriteiten de geboortedatum aangepast naar 1 januari 2005.
14. De staatssecretaris heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht door navraag te doen bij de Zwitserse autoriteiten. De staatssecretaris hoeft niet te controleren of de conclusie van de Zwitserse autoriteiten van de geboortedatum van 1 januari 2005 juist tot stand is gekomen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris uitgaan van de juistheid van de informatie van de Zwitserse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet."
Rb. Den Haag 10 mei 2024, NL 24.14901, ECLI:NL:RBDHA:2024:7877
Buiten schuld beleid en weigering verblijfsvergunning
"11. De rechtbank volgt niet de stelling van eiser dat de weigering van een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid thans reeds strijd oplevert met artikel 3 van het IVRK, nu het beleid beoogt alleenstaande minderjarige vreemdelingen binnen afzienbare tijd uitsluitsel te geven over hun verblijfstatus en dat die termijn maximaal drie jaar is. Tevens heeft verweerder ter zitting desgevraagd bevestigd dat waar eerder zekerheid kan worden geboden die duidelijkheid gegeven zal worden."
Rb. Den Haag 8 mei 2024, NL23.37055, ECLI:NL:RBDHA:2024:7063
Aanvullende werking IVRK
"7.1. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris in dit geval ten onrechte de door de vreemdeling aangevoerde en door haar als bijzonder aangemerkte omstandigheden in het geheel niet betrokken en dus voor de afwijzing van de aanvraag geen individuele beoordeling gemaakt. Dit betekent niet dat de staatssecretaris geen zwaar gewicht mag toekennen aan het feit dat het hier om een polygame situatie gaat die in Nederland in strijd met de openbare orde wordt geacht. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris wel moet beoordelen of de vreemdeling dermate bijzondere omstandigheden en/of zwaarwegende belangen naar voren heeft gebracht dat voor de staatssecretaris desondanks aanleiding bestaat de aanvraag in te willigen. Daarbij moet de staatssecretaris in dit geval ook het beroep van de vreemdeling op de artikelen 3, 6, 9, 10 en 20 van het IVRK betrekken, voor zover deze bepalingen normen bevatten die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving toepasbaar zijn en niet al besloten liggen in de artikelen 5, vijfde lid, en 17 van de richtlijn en de artikelen 7 en 24 van het EU Handvest. De rechtbank heeft dit niet onderkend."
ABRvS 31 januari 2020, 201805432/1/V1, ECLI:NL:RVS:2020:329
"5.8 Het beroep van de man op de artikelen 3 en 18 IVRK stuit af op het voor overwogene. Uitgangspunt is dat ouders de verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en ontwikkeling van het kind. Dat uitgangspunt moet echter wijken indien, zoals in het onderhavige geval, het belang van het kind anders vergt. Dat laatste belang dient immers op grond van artikel 3 IVRK steeds een eerste overweging te zijn. Het beroep van de man op artikel 8 EVRM slaagt evenmin. Het hof is van oordeel dat de beëindiging van het gezamenlijk gezag in dit geval noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] en tevens proportioneel. De belangen van [de minderjarige] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Gerechtshof Amsterdam 4 februari 2020, 200.246.712/01, ECLI:NL:GHAMS:2020:302
Uitgangspunt toetsing artikel 3 IVRK
"5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2022, 200.303.211, ECLI:NL:GHARL:2022:4145
Een rechterlijke beslissing inzake kinderen zonder voorafgaande mondelinge behandeling
"4.5
Het hof overweegt als volgt. Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) volgt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, waaronder ook beslissingen van rechterlijke instanties, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De belangen van het kind kunnen vereisen dat de rechter een beslissing neemt zonder een voorafgaande mondelinge behandeling, ook als voor het betreffende verzoek geen concrete wettelijke grondslag, zoals artikel 800 lid 3 Rv, bestaat. Het hof is van oordeel dat een spoedbeslissing van de rechtbank in deze zaak noodzakelijk was om de belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] veilig te stellen.
Anders dan de moeder heeft gesteld, is het hof van oordeel dat – in het licht van de belangenafweging uit artikel 3 IVRK – de rechtbank niet buiten het toepassingsgebied van artikel 1:336a BW is getreden. Ook is geen sprake van verzuim van essentiële vormen. De rechtbank heeft de moeder namelijk na de bestreden beschikking in de gelegenheid gesteld om zich tegen het verzoek te verweren. De moeder heeft hiervan gebruikgemaakt, zodat het recht op hoor en wederhoor daarmee is gewaarborgd. Het hof is van oordeel dat het appèlverbod niet kan worden doorbroken. Daardoor komt het hof niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek."
Gerechtshof Den Haag 5 december 2023, 200.329.671, ECLI:NL:GHARL:2023:10342
IVRK kan geen recht op kinderbijslag verlenen, los van de voorwaarden van de AKW
"4.9 Allereerst verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740)."
CRvB 17 november 2022, 21 / 1874 AKW, ECLI:NL:CRVB:2022:2438
"IVRK en arrest Wencel
4.8.
Appellante heeft verder betoogd dat zij recht heeft op kinderbijslag op grond van het IVRK. In het kader van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:662). Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat dit verdrag echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021)."
CRvB 13 oktober 2022, 22 / 369 AKW, ECLI:NL:CRVB:2022:2211
De samenlevingstermijn van artikel 1:227 BW
"5.14.
De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat zij het gelet op haar ernstige gezondheidsproblemen voor [kind 1] van groot belang vindt dat [kind 1] deel kan uitmaken van een gezin met een (adoptief)vader, te meer daar de (biologische) vader heel duidelijk is in zijn standpunt dat van hem niets te verwachten valt, ook niet als de moeder onverhoopt iets zou overkomen en evenmin als zijn persoonlijke situatie zou wijzigen. Ook gelet op deze bijzondere omstandigheden waarbij verzoeker en de moeder hun relatie op de hierboven beschreven wijze hebben vormgegeven en gedurende lange periodes in gezinsverband bij elkaar hebben gewoond, is het hof van oordeel dat aan de omstandigheid dat verzoeker en de moeder voorafgaand aan de indiening van het adoptieverzoek in strikte zin niet drie jaar op hetzelfde adres hebben gewoond, voorbij moet worden gegaan. Aan het doel van het samenlevingsvereiste van artikel 1:227 lid 2 BW is, zoals hiervoor is geoordeeld, voldaan, en gelet op het feit dat ook op grond van het IVRK de belangen van het kind voorop dienen te staan bij iedere op kinderen betrekking hebbende wetstoepassing, brengt een redelijke wetsuitleg met zich mee dat moet worden geoordeeld dat verzoeker heeft voldaan aan het vereiste van artikel 1:227 lid 2 BW, althans dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tenminste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met de moeder in strikte zin op hetzelfde adres heeft samengeleefd. De grief van verzoeker op dit punt slaagt zodoende."
Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, 200.329.216/01, ECLI:NL:GHAMS:2023:3419
Uit artikel 3 IVRK vloeit geen recht op opvang voor
"1.2.
Het college heeft bij besluit van 30 oktober 2019, gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2020 (bestreden besluit), geweigerd aan appellante een maatwerkvoorziening opvang te verstrekken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving. Daardoor wordt zij in staat geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Verder volgt uit de artikelen 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en 3 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) geen verplichting voor het college om opvang aan appellante te verstrekken.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante in staat is zich te handhaven in de samenleving en in staat moet worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Uit het dossier blijkt dat appellante na haar terugkomst in Nederland zelf onderdak heeft geregeld, een bijstandsuitkering heeft aangevraagd, zich heeft ingeschreven voor een huurwoning en een urgentieverklaring heeft aangevraagd. Appellante heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zij medische of psychische problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving waardoor zij niet in staat is om zelf in onderdak voor haar en haar kinderen te kunnen voorzien. Uit de enkele omstandigheid dat appellante geen eigen woonruimte heeft gevonden, volgt evenmin dat zij niet in staat is zich te handhaven in de samenleving, maar lijkt eerder te wijzen op schaarste op de woningmarkt in de regio waar appellante wil wonen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden. Verder is geen sprake van schending van artikel 3 van het IVRK. Er bestaat namelijk geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen.
3. Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellante heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank over de beroepsgronden, onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar.
4.4.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
CRvB 11 mei 2022, 20/3922 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2022:1198
Terugvordering van een bijstandsuitkering (Participatiewet)
"14.1. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2272). Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en
uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.
Dat eiseres (tijdelijk) geen inkomsten had is geen gevolg van de besluiten in de
onderhavige zaak, maar het gevolg van een later genomen besluit van 16 mei 2024, waarbij de bijstandsuitkering van eiseres was ingetrokken. Dat valt buiten de omvang van de onderhavige procedure. Daarbij is het zo dat de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering, zich in het algemeen pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader kan eiseres bescherming inroepen van de regels over de beslagvrije
voet.
14.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de enkele verwijzing naar haar benarde financiële situatie niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval zich dringende redenen voordoen in de hiervoor omschreven zin. In de onderhavige zaak gaat om terugvordering van reeds uitgekeerde bijstand, zodat eiseres in de periode in geding niet onder het bestaansminimum heeft geleefd. Inmiddels ontvangt eiseres overigens (opnieuw) een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder.
15. Dat de terugvordering in strijd is met artikel 3 en 6 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en in verband daarmee niet evenredig is, zoals eiseres betoogt, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter alleen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de bevoegdheid tot herziening en terugvordering onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van eiseres. Het enkele gegeven dat eiseres een minderjarige kind heeft is, gelet op artikel 3 en 6 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet mag terugvorderen. Eiseres heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van haar kind door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van eiseres op schending van artikel 3 en 6 van het IVRK slaagt daarom niet."
Rb. Rotterdam 23 juli 2024, AWB - 24 _ 211, ECLI:NL:RBROT:2024:7029
Urgentieverklaring
"7. Het besluit van verweerder is niet in strijd met internationale verdragen of de Grondwet. Uit het arrest Chapman volgt dat het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert.5 Dat dit arrest ziet op stacaravans doet daar niet aan af. Verweerder heeft gesteld dat in Den Haag sprake is van grote schaarste op de woningmarkt. Daarbij komt dat de situatie waarin eiseres en haar kinderen zich bevinden niet anders is dan van andere woningzoekenden die bij anderen inwonen. Onder deze omstandigheden mocht verweerder het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van eiseres om op de door haar gewenste wijze aan haar gezinsleven vorm te geven. Artikel 27 van het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing.6 Ook is de besluitvorming niet in strijd met artikel 3 IVRK. Verweerder stelt dat hij de belangen van de kinderen onder ogen heeft gezien, maar dat deze hem er niet toe hebben gebracht om af te zien van de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank vindt dit gelet op de schaarste op de woningmarkt niet onevenredig. Verweerder heeft in dit verband mogen meewegen dat de kinderen momenteel een dak boven hun hoofd hebben. Het beroep op de artikelen 17 en 31 van het ESH slaagt ook niet. De bepalingen van het ESH zijn niet een ieder verbindend zoals bedoeld in artikel 94 van de Grondwet, zodat ook deze bepalingen zich niet lenen voor rechtstreekse toepassing door de rechter.7Het besluit is ook niet in strijd met artikel 22 van de Grondwet. Hierin is bepaald dat bevordering van voldoende woongelegenheid voorwerp van zorg van de overheid is, maar de overheid is op grond van deze bepaling niet verplicht om voor alle burgers een woning te garanderen.8
8. Verweerder is steeds voldoende ingegaan op de belangen van eiseres en haar kinderen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is geen sprake."
Rb. Den Haag 12 januari 2024, 23/2252, ECLI:NL:RBDHA:2024:237
"Artikel 3 van het IVRK
10. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
11. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de minderjarige dochter van [appellante]. Die belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag. Bij die afweging speelt mee dat de dochter bij de moeder kon verblijven in hun eigen woning betrekkelijk dichtbij de school waar de dochter onderwijs volgt. De betogen slagen niet."
ABRvS 11 januari 2023, 202105793/1/A3, ECLI:NL:RVS:2023:93
"5.2.4. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening is gehouden met de belangen van de kinderen, ook al is daaraan slechts summier in het besluit aandacht besteed. Weliswaar heeft [appellante] een rapportage van medisch orthopedagogisch centrum Het Kabouterhuis overgelegd waarin staat dat hulp nodig is bij het zoeken naar andere huisvesting, maar daaruit blijkt niet dat andere huisvesting dringend noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [naam]. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante]. De belangen zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen.
De betogen slagen niet."
ABRvS 25 januari 2023, 202107172/1/A3, ECLI:NL:RVS:2023:286
"De evenredigheid van het besluit
10. Volgens [appellant] had de voorzieningenrechter het besluit van het college moeten toetsen aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb, waarbij ook artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK moeten worden betrokken. De voorzieningenrechter heeft zich in de uitspraak beperkt tot een toets aan de hardheidsclausule in de HVV.
10.1 De voorzieningenrechter heeft bij de toets aan de hardheidsclausule overwogen dat de omstandigheden van [appellant] in het licht van de regelgeving niet zo schrijnend of bijzonder zijn dat het college gehouden was alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. Daarbij werd meegewogen dat [appellant] en zijn dochters niet dakloos waren en dat zij beschikken over een zelfstandige woonruimte. Ook wees de voorzieningenrechter erop dat er in Amsterdam gezinnen met minderjarige kinderen zijn die in minstens even schrijnende huisvestingssituaties verkeren als [appellant] en zijn dochters.
10.2 Een toets aan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Awb houdt in dat wordt bezien of een besluit gevolgen heeft die in verhouding tot het daarmee te dienen doel onevenredig nadelig zijn voor een belanghebbende. Uit het bestreden besluit en de behandeling van de zaak ter zitting blijkt dat het college in zijn afweging de belangen van [appellant] en zijn minderjarige dochters, waaronder hun recht op privé leven en familie- en gezinsleven heeft betrokken, maar dat doorslaggevend is geacht dat zij op dit moment een dak boven hun hoofd hebben en beschikken over een zelfstandige woning. Deze afweging is in de context van de schaarste op de woningmarkt niet onevenredig, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld.
10.3 Gelet op het bovenstaande, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] mocht afwijzen.
10.4 Het betoog slaagt niet."
ABRvS 8 maart 2023, 202201649/1/A3, ECLI:NL:RVS:2023:921
Het bieden van (nood)opvang door de staat of gemeente
"3.11
[appellant] heeft op zichzelf wel gelijk dat in het geval dat de ouder(s) van een kind hun verantwoordelijkheid voor de bescherming en zorg voor dat kind niet (meer) blijkt of blijken te kunnen nemen, een verwijt aan het adres van de ouder(s) geen grond is om aan het kind de noodzakelijke bescherming en zorg te onthouden. De gevolgen van het handelen van de ouders mogen immers niet aan het kind worden toe- of aangerekend. Maar [appellant] ziet hierbij over het hoofd dat niet in geschil is dat zijn moeder haar verantwoordelijkheid als ouder wél kan nemen. Zijn moeder is zelfredzaam en ook zelf in staat om onderdak in Nederland te organiseren. Dat is haar overigens ook gelukt toen zij onvoorbereid met hem naar Nederland kwam en opvang voor de duur van ongeveer negen maanden heeft weten te regelen bij aanvankelijk een vrouw en daarna een man in een seniorenwoning. Het regelen van opvang kan ook nu van haar worden gevergd. Zij wordt daartoe ook in staat gesteld met een bijstandsuitkering, een kindgebonden budget, kinder- en zorgtoeslag, hulp en ondersteuning van [organisatie] en van het Ouder- en Kindteam [plaats 1] . [appellant] belangen worden dus gewaarborgd door zijn moeder. Onder deze omstandigheden prevaleert dan de primaire verantwoordelijkheid van zijn moeder voor hem, zoals ook in artikel 3 IVRK is vastgelegd en is zijn recht op verblijf bij zijn moeder niet in het geding.
3.12
De vraag is dan hoe ver de verplichtingen van de Staat en de Gemeente in dit geval gaan. [appellant] vindt dat de overheid hem (en zijn moeder) opvang of betaalbaar onderdak moet bieden zolang hij in een situatie van 'need' verkeert, zo houdt grief 3 in. Dat is volgens [appellant] , anders dan de voorzieningenrechter overweegt, tijdelijk en slechts zolang zijn noodsituatie voortduurt. [appellant] heeft zich in dat verband ook beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328).
3.13
Naar het voorlopig oordeel van het hof brengt laatstgenoemd arrest in een geval als dit, dat zich erdoor kenmerkt dat een kind en zijn moeder zonder ingrijpen van overheidswege op straat zouden komen te staan, mee dat op de overheid dan de verplichting rust om in enige vorm van (kort durende) noodopvang te voorzien. Dit om te voorkomen dat een acute noodsituatie ontstaat, en om de moeder enige tijd te geven alsnog in onderdak te voorzien. Dat heeft de gemeente in het geval van [appellant] en zijn moeder op 13 juli 2020 ook gedaan. Een verdere analogie in deze zaak met de zaak die in dat arrest aan de orde was, gaat echter niet op. Het ging daar om verplichtingen van de Staat tot opvang van kinderen van een uitgeprocedeerde asielzoeker die opvang hadden genoten gedurende de asielprocedure. [appellant] en zijn moeder hebben die status in het geheel niet. De moeder van [appellant] is een zelfredzame vrouw die net als [appellant] zelf het recht heeft om in Nederland te verblijven en geacht wordt zich op eigen kracht te kunnen handhaven.
3.14
Het hof is voorshands van oordeel dat de Gemeente ruimschoots aan haar verplichting invulling heeft gegeven door [appellant] en zijn moeder inmiddels ruim twee jaar noodopvang te bieden. Bij de vraag of de Staat en de Gemeente onrechtmatig jegens [appellant] handelen bij hun weigering tot (verdere) opvang speelt ook het volgende een rol.
3.15
Het is nog maar zeer de vraag of er thans (nog) een noodsituatie is. De moeder heeft immers lange tijd (zie ook 2.3) geen tot amper initiatieven ontplooid om woonruimte te zoeken en heeft ook tenminste een keer een bezichtiging van een mogelijke woning geweigerd. Pas sinds een paar maanden is zij actief geworden. Dit gedrag past niet bij het bestaan van een noodsituatie, terwijl de Gemeente haar en [appellant] overigens wel al die tijd noodopvang is blijven bieden.
3.16
Het verwijt aan de Gemeente, dat [appellant] in grief 4 heeft geformuleerd, dat de Gemeente discrimineert omdat zij alleen aan [plaats 1] gezinnen noodopvang verleent, snijdt bij een dergelijke ruimhartige opvang van hen als niet- [plaats 1] geen hout. Dat de noodopvang nu tot een einde moet komen, berust op de keuze van het bestuur van de Gemeente om de schaarse middelen in te zetten ten behoeve van dakloze gezinnen zónder zelfredzame ouder(s) die in een acute noodsituatie zijn. In dit verband komt aan het bestuur beleids- en beoordelingsruimte toe. Dat een schaarste aan middelen beïnvloedt wat de overheid wel of niet doet, is legitiem. Dat de rechten van [appellant] en zijn moeder onvoldoende worden gerespecteerd, valt niet in te zien. Dit geldt ook indien conform artikel 3 IVRK in het bijzonder op de belangen van [appellant] wordt gelet, als een overweging van de eerste orde. In dit verband is wezenlijk dat de moeder in staat moet worden geacht om haar primaire verantwoordelijkheid als ouder te nemen en om de plichten die zij als moeder heeft na te leven."
Gerechtshof Amsterdam 29 november 2022, 200.317.186/01, ECLI:NL:GHAMS:2022:3377
Artikel 3 lid 1 IVRK, dat rechtstreekse werking heeft, schrijft voor dat de belangen van het kind een eerste overweging moeten zijn bij alle maatregelen betreffende kinderen.
4.8.
Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] , als ouder, zelf verantwoordelijk is voor de gevolgen van haar weigering van een passende woning, ook tegenover haar kind. Ook de verantwoordelijkheid voor het welzijn van haar kind ligt, in de eerste plaats, bij [gedaagde] zelf.
Dat het welzijn van het kind de verantwoordelijkheid is van de ouder(s) doet echter niet toe of af aan de verantwoordelijkheid van de rechter om conform artikel 3 IVRK het belang van het kind als een zwaarwegend belang mee te wegen. Er zijn echter hulpverlenende instanties die ingeschakeld (kunnen) worden. Om die reden moet niet te snel worden aangenomen dat de betrokkenheid van een kind aan toewijzing van een ontruiming in de weg staat. Dit zal bijvoorbeeld wel het geval kunnen zijn wanneer de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden.
4.9.
De voorzieningenrechter zal zich dus – zeker in dit geval, omdat het om een baby van slechts 8 maanden oud gaat – voldoende rekenschap moeten geven van het zwaarwegende belang van het kind bij onderdak en voldoende zeker moeten weten dat er geen acute noodsituatie zal ontstaan doordat een baby dakloos wordt.
4.10.
Het COA heeft in dit verband desgevraagd niet concreet kunnen aangeven welke maatregelen er genomen zijn of worden – al dan niet in samenspraak met de Raad voor de kinderbescherming, de gemeente, of andere instanties – om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie komt te verkeren. De juistheid van de stelling van het COA dat de baby bij de vader terecht kan blijkt nergens uit. Niet alleen woont de vader met zijn eigen (andere) gezin, bovendien is de baby scheiden van de moeder vooralsnog geen reële optie. Het COA heeft desgevraagd slechts verklaard dat de situatie nu wordt gemonitord door verschillende organisaties, maar dat is onvoldoende concreet.
4.11.
Daarom kan de voorzieningenrechter, op basis van de nu beschikbare stukken, niet met voldoende zekerheid vaststellen dat en door wie de nodige opvang en hulp voor de baby daadwerkelijk zal worden geboden (en dat dus geen noodsituatie voor de baby zal ontstaan) als de ontruiming wordt toegewezen.
Nadere informatie
4.12.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het COA in de gelegenheid stellen om zich nader uit te laten over door wie en welke voorzieningen zijn of zullen worden getroffen om te voorkomen dat de baby in een noodsituatie belandt bij ontruiming. In dat kader moet het COA nadere informatie verschaffen, bijvoorbeeld door concrete informatie op te vragen bij de betrokken gemeente en/of maatschappelijke organisaties.
4.13.
Daarna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld om binnen twee weken bij antwoordakte op de akte van het COA te reageren."
Rb. 5 februari 2024, C/16/567355 / KL ZA 23-335, ECLI:NL:RBMNE:2024:543
"2.4.
Zoals in het tussenvonnis van 25 april 2023 is overwogen, moeten ingevolge artikel 3 IVRK de belangen van de minderjarige dochter van [gedaagde] een eerste overweging vormen. Onderzocht moet worden welke toereikende voorzieningen zijn getroffen ter voorkoming dat de minderjarige dochter van [gedaagde] dakloos wordt. Hierover wordt het volgende overwogen. De ouders zelf zijn verantwoordelijk voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) en in het geval van gedwongen ontruiming is het op de eerste plaats de verantwoordelijkheid van ouders zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor hun kinderen zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien ouders daarbij hulp behoeven, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als niettemin een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat de kinderen letterlijk op straat komen te staan, kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn. Dat van een dergelijke noodsituatie sprake is, is echter niet gebleken. [gedaagde] heeft in haar laatste akte te kennen gegeven dat het na ontruiming wellicht mogelijk is dat zij samen met haar dochter zou kunnen intrekken bij de vader van haar dochter. Ondanks dat dit geen ideale situatie zal zijn, wordt daarmee voorkomen dat zij op straat komen te staan. Op grond van het voorgaande vormt artikel 3 IVRK dan ook geen beletsel om de vordering tot ontbinding en ontruiming toe te wijzen."
Rb. Amsterdam 6 februari 2024, 9955278 \ CV EXPL 22-8366, ECLI:NL:RBAMS:2024:598
'Havanna' regels voor opsluiting
"6.21
Regel 17 van de Havanaregels bepaalt het volgende met betrekking tot de vrijheidsontneming ten aanzien van kinderen voorafgaand aan berechting:
“Detention before trial shall be avoided to the extent possible and limited to exceptional circumstances. Therefore, all efforts shall be made to apply alternative measures. When preventive detention is nevertheless used, juvenile courts and investigative bodies shall give the highest priority to the most expeditious processing of such cases to ensure the shortest possible duration of detention.”
6.22
Uit artikel 37 aanhef en onder b, tweede volzin IVRK, gelezen in het licht van artikel 3 lid 1 IVRK en van deze regel 17 van de Havanaregels, en uit artikel 5 lid 1 aanhef en onder c EVRM, gelezen in het licht van de vaste rechtspraak van het EHRM over de bij vrijheidsontneming toe te passen noodzakelijkheidstoets, volgt dat:
- de vrijheidsontneming van een minderjarige slechts mag worden gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur;
- de betrokken autoriteit bij haar besluit tot vrijheidsontneming de belangen van de minderjarige als eerste overweging moet afwegen tegen dat van de vervolging, en slechts in uitzonderlijke omstandigheden de belangen van de vervolging zwaarder mag laten wegen; en
- als desondanks wordt besloten tot vrijheidsontneming, de betrokken autoriteiten de hoogste prioriteit moeten geven aan de snelste afhandeling van de betrokken zaak om ervoor te zorgen dat de vrijheidsontneming zo kort mogelijk duurt.
6.23
Toegepast op een getrapt stelsel van vrijheidsontnemende dwangmiddelen zoals het hiervoor beschreven Nederlandse strafvorderlijke stelsel van aanhouding, ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling, en meer specifiek met betrekking tot de overgang van het ophouden voor onderzoek naar de inverzekeringstelling, betekent dit dat OM en politie na een bevel tot het ophouden van een minderjarige voor onderzoek in het belang van die minderjarige eerst de hoogste prioriteit moeten geven aan het volledig benutten van de periode van dat ophouden, en dat inverzekeringstelling pas kan worden overwogen als dat ophouden voor onderzoek onvoldoende soelaas biedt. Dit geldt zeker wanneer, zoals in dit geval, de minderjarige een meisje van nog maar 14 jaar is.
6.24
Hier heeft de Staat niet toegelicht dat en waarom de mogelijkheden van het ophouden van [appellante] voor onderzoek maximaal waren benut en vervolgens waren uitgeput toen de hulpofficier van justitie beval dat [appellante] in verzekering moest worden gesteld. Tussen partijen staat vast dat [appellante] op 17 januari 2012 om 09:32 uur is aangehouden en dat een hulpofficier van justitie die dag om 09:53 uur haar ophouding voor onderzoek heeft bevolen. De termijn van maximaal zes uur voor dat ophouden is op dat moment ingegaan13 en eindigde daarom om 15:53 uur. In die periode is [appellante] tussen 10:50 en 12:33 uur als verdachte gehoord. De Staat heeft niet toegelicht waarom [appellante] na het bevel tot ophouden voor onderzoek van 09:53 pas om 10:50 is gehoord en waarom zij, als dat eerste verhoor niet voldoende was, tussen 12:33 en 15:53 niet een tweede keer had kunnen worden gehoord.
6.25
Daar komt het volgende bij. In zijn of haar bevel tot inverzekeringstelling van die dag heeft de hulpofficier van justitie ter onderbouwing van dat bevel alleen verwezen naar de tegen [appellante] gerezen verdenkingen en naar het daarmee samenhangende onderzoeksbelang, waaronder (i) “de noodzaak van een (nader/verder) verhoor verdachte” en (ii) “confrontatie van verdachte met getuigen en/of hun verklaringen”. [appellante] merkt terecht op dat de hulpofficier daarbij op geen enkele wijze heeft verwezen naar haar leeftijd en belangen en naar de door hem of haar in dat verband te maken afweging.
6.26
De op 14 juni 2018 door het OM verstrekte motivering is evenmin sluitend. Het OM zet in zijn brief van die datum onder het kopje “Beoordeling van uw verzoek om schadevergoeding” uiteen dat uit zijn daaraan voorafgaande uiteenzetting van de feiten “voldoende [blijkt, hof] dat de officier van justitie gemotiveerd een keuze heeft gemaakt om [[appellante], hof] in verzekering te stellen”. Bij die uiteenzetting heeft het OM alleen beschreven dat:
- [appellante] op grond van een bepaalde verdenking als verdachte is aangemerkt;
- [appellante] vervolgens is aangehouden, gelet op de ernst van het feit en op het feit dat zij op dat moment een belangrijk aanknopingspunt was voor het onderzoek;
- de officier van justitie zich door de weinig coöperatieve opstelling van [appellante] moest gaan beraden over de vraag of zij [appellante] al dan niet in verzekering zou gaan stellen; en
- de officier van justitie daartoe heeft besloten, gelet op het stroeve verloop van het eerste verhoor en de noodzaak om haar aanvullende vragen te stellen”.
Vervolgens heeft het OM in die brief beschreven dat de officier van justitie heeft overwogen of [appellante] de inverzekeringstelling thuis of op het politiebureau moest doorbrengen, en waarom zij voor dat laatste heeft gekozen. Daarmee heeft het OM niet toegelicht waarom de verhoormogelijkheden van het ophouden voor onderzoek maximaal waren benut en uitgeput.
6.27
Samenvattend is het volgende beeld ontstaan. Doel van de inverzekeringstelling was het nader verhoren van [appellante]. Tijdens de toepassing van het daaraan voorafgaande dwangmiddel van het ophouden voor onderzoek, voor een periode van maximaal 6 uur, is [appellante] maar gedurende iets langer dan 1½ uur gehoord. Tijdens de daarop volgende inverzekeringstelling, die bijna 52 uur heeft geduurd, is [appellante] maar gedurende twee keer ongeveer 2 uur gehoord. Hoewel tijdens een verhoor, zeker van een veertienjarig meisje, rustmomenten moeten worden ingebouwd, en wellicht reflectiemomenten voor de verhoorders, dringt de gedachte zich op dat bij een betere planning en bij meeweging van de belangen van dat nog zo jonge meisje, het verhoor binnen de termijn van het dwangmiddel van het ophouden voor onderzoek had kunnen worden afgerond (dan wel de inverzekeringstelling veel eerder had kunnen, en moeten, worden beëindigd). In ieder geval is er geen enkele aanwijzing dat de Staat bij de aanhouding en het ophouden voor onderzoek op enige wijze heeft stilgestaan bij het zeer grote belang van het destijds veertienjarige meisje om vervolgens niet in verzekering te worden gesteld. Dat belang is duidelijk niet een ‘eerste overweging’ van de Staat geweest als bedoeld in artikel 3 lid 1 IVRK.
6.28
Op grond van het voorgaande is het bevel tot inverzekeringstelling in strijd met artikel 37 aanhef en onder b IVRK en artikel 5 lid 1 EVRM en dus van meet af aan onrechtmatig ten aanzien van [appellante] gegeven. Het hof kan reeds op grond van dit oordeel de gevorderde verklaring voor recht uitspreken. Daarnaast heeft de Staat onvoldoende betwist dat de mogelijkheid aannemelijk is dat [appellante] als gevolg van haar inverzekeringstelling en van de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden, schade heeft geleden. [appellante] heeft namelijk gedetailleerd beschreven dat zij als gevolg van haar insluiting onder andere lijdt aan PTSS en daarom is gehinderd in haar opleiding en ontwikkeling. De Staat betwist met betrekking tot iedere individuele door [appellante] beklaagde insluitingsomstandigheid dat deze tot enige schade kan hebben geleid, maar gaat daarmee voorbij aan het effect van insluiting op een minderjarige van veertien jaar en aan het cumulatieve effect van de door [appellante] beklaagde omstandigheden. De Staat voert ook aan dat [appellante] voorafgaand aan haar aanhouding en insluiting al last had van bepaalde fysieke en psychische klachten als gevolg van een traumatische jeugd met een problematische vader. Ook als dat waar is, maakt dat niet dat het niet aannemelijk is dat zij mogelijk als gevolg van haar inverzekeringstelling en van de omstandigheden waarin deze heeft plaatsgevonden, schade heeft geleden. De insluiting kan namelijk enerzijds nieuwe klachten hebben veroorzaakt en anderzijds de eventueel reeds bestaande klachten hebben verergerd. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] daarmee ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de schade die zij heeft geleden hoger is dan de € 2.500,- die zij al van de Staat heeft gekregen ten titel van schadevergoeding. Omdat het schadedebat nog niet volledig is uitgekristalliseerd, zal het hof de zaak wat de schadevergoeding betreft verwijzen naar de schadestaatprocedure. Omdat [appellante] wat de immateriële schade betreft al de rechtsgang van artikel 89 Sv (oud) heeft benut, zal het hof die vergoeding beperken tot de materiële schade.
6.29
Omdat [appellante] in haar stukken en tijdens de mondelinge behandeling ook de nadruk heeft gelegd op de duur van de inverzekeringstelling en de omstandigheden van haar insluiting en verhoor, zal het hof ten overvloede ook daarover oordelen."
Gerechtshof Den Haag 9 juli 2024, 200.319.941/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1099
Bescherming geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van minderjarigen
"5.7
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
Gerechtshof Amsterdam 9 februari 2021, 200.273.628/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:360
Weigering openbaarmaking persoonsgegevens
"8.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking. Dat is in zoverre zo dat het artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en dus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap. Daartoe wordt overwogen dat juist ten behoeve van het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs veel gewicht toekomt aan artikel 6, vierde en zesde lid, van de Wot. De minister heeft toegelicht dat het vrijgeven van wat aan de vertrouwensinspecteur in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon over een geval van seksueel misbruik, een lagere meldingsbereidheid bij hen teweeg zal brengen. Gelet hierop is het voor het goed functioneren van de vertrouwensinspecteur van essentieel belang dat communicatie naar aanleiding van zulke meldingen in uiterste vertrouwelijkheid plaatsvindt. De minister heeft toegelicht dat ouders en hun kinderen die onderwijs volgen, hierbij zijn gebaat, omdat op deze manier gevallen van seksueel misbruik juist eerder aan het licht komen of worden voorkomen, dan wanneer er geen bijzonder geheimhoudingsregime zou gelden voor de vertrouwensinspecteur. Daarmee is, anders dan [appellant] en anderen betogen, het doel van artikel 6, vierde en zesde lid, van de Wot gediend. Om dezelfde redenen heeft de minister, door een beroep te doen op de weigeringsgrond uit artikel 41, eerste lid, aanhef en onder h, van de Uitvoeringswet, het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs door bescherming tegen seksueel misbruik gediend.
De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de minister zich in de besluitvorming veel rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap en van kinderen in het algemeen. Daarbij heeft hij het belang van hun veiligheid in het onderwijs zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] en anderen bij inzage in alle verwerkingen van persoonsgegevens waarom is verzocht. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet."
ABRvS 21 juli 2021, 201907404/1/A3, ECLI:NL:RVS:2021:1613
Het belang van het kind gaat vóór op het belang van een behandeling
"5.10 De eerste twee vragen die voorliggen zijn (1) of de behandeling die [de minderjarige] thans ondergaat te beschouwen is als een behandeling die valt onder artikel 1:265h BW in verbinding met artikel 7:446 BW en (2) of de situatie van [de minderjarige] te beschouwen is als voldoende ernstig om vervangende toestemming te verlenen. Het hof beantwoordt die beide vragen bevestigend. Met betrekking tot de tweede vraag is voor het hof uit de stukken en uit hetgeen naar voren is gebracht op de mondelinge behandeling, voldoende gebleken dat [de minderjarige] lijdt aan bovenmatige stress. Deze stress staat zijn ontwikkeling ernstig in de weg. Dat laatste blijkt uit het feit dat [de minderjarige] na bezoekmomenten onhandelbaar is, zich ernstig overstrekt en gilt en schreeuwt en moeilijk te corrigeren is, waardoor een veilige hechting van [de minderjarige] gevaar loopt. Als dit gedrag van [de minderjarige] niet behandeld wordt kan dit een ernstig gevaar opleveren voor zijn ontwikkeling en gezondheid. Hiermee is de noodzakelijkheid van een behandeling gegeven. Uit artikel 3 van het IVRK valt af te leiden dat het belang van [de minderjarige] met zich brengt dat het wegnemen van deze ontwikkelingsbedreiging dient te prevaleren bij het beantwoorden van de vraag hoe een behandeling eruit zal moeten zien.
Het hof volgt de advocaat van de moeder niet in de stelling dat er sprake moet zijn van een ernstig levensgevaar. Krachtens artikel 1:265h BW dient er sprake te zijn van ernstig gevaar. Het door stress en de daaraan gerelateerde klachten scheef opgroeien van [de minderjarige] , vindt het hof een voldoende ernstig gevaar. Daarmee faalt grief 2."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, 200.297.641/01 en 200.297.662/01, ECLI:NL:GHARL:2022:3174
Haags Kinderontvoeringsverdrag en artikel 3 IVRK
"5.21
Voor zover de moeder nog betoogt dat artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK zich tegen de toewijzing van het verzoek tot terugkeer van de minderjarigen naar Frankrijk verzetten, faalt ook dit betoog. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Dat de teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk tot gevolg zal hebben dat zij van hun moeder worden gescheiden, is in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag door het hof meegewogen en leidt, ook in het licht van het EVRM en het IVRK, niet tot een andere beslissing. Nog daargelaten dat de moeder niet specifiek heeft aangegeven waarom een teruggeleiding van de minderjarigen naar Frankrijk in strijd is met voormelde mensenrechtenverdragen, geldt dat de belangenafweging die de moeder kennelijk voor ogen heeft aan bod zal moeten komen in het kader van een bodemzaak bij de ten gronde bevoegde rechter in Frankrijk. De ten gronde bevoegde rechter zal moeten beoordelen bij wie van de ouders de minderjarigen het beste af zijn. In de onderhavige procedure, waarin het slechts gaat om een ordemaatregel, is voor zo’n belangenafweging geen plaats.
5.22
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake van een zodanige situatie, dat de minderjarigen bij terugkeer naar Frankrijk in een ondragelijke toestand zullen worden gebracht. Dit betekent dat ook het beroep van de moeder op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag faalt. Het hof is ook anderszins niet gebleken dat door toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarigen zoals beschermd door het EVRM en het IVRM." (bedoeld zal zijn IVRK, ET)
Gerechtshof Den Haag 25 januari 2024, 200.336.003/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:103
"5.7
De vader verweert zich hiertegen, stellende dat de in artikel 12 lid 1 HKOV genoemde termijn van één jaar een harde termijn is die geen ruimte biedt voor een belangenafweging zoals de moeder voorstaat. Indien het teruggeleidingsverzoek is ingediend binnen de genoemde termijn van één jaar wordt een onmiddellijke teruggeleiding in het belang van het kind geacht, tenzij sprake is van een weigeringsgrond. Het beroep van de moeder op artikel 3 IVRK kan dan ook niet baten. Het oordeel van de rechtbank is op dit punt volgens de vader dan ook juist.
5.8
Het hof verwerpt het betoog van de moeder en legt dat als volgt uit. Volgens artikel 12 lid 1 HKOV geldt, voor zover van belang, dat wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht in de zin van artikel 3 HKOV en minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging en het tijdstip van indiening van het teruggeleidingsverzoek, de rechter de onmiddellijke terugkeer van het kind gelast. Uit het Toelichtend Rapport Pérez-Vera bij het HKOV (blz. 458-459, nrs. 106-108) blijkt dat de genoemde termijn van één jaar bedoeld is om zoveel mogelijk discussie te voorkomen over de vraag of de worteling van het kind zich al dan niet verzet tegen een terugkeer naar het land van zijn gewone verblijfplaats. De verdragsopstellers hebben in artikel 12 lid 1 HKOV gekozen voor ‘an objective rule resulted in a time-limit being fixed’ (blz. 458, nr. 107). Anders gezegd, wordt een teruggeleiding van het kind in zijn belang geacht, wanneer binnen één jaar na zijn ontvoering om teruggeleiding is verzocht. Aan deze termijn van één jaar ligt de gedachte ten grondslag dat binnen die periode nog geen sprake zal zijn van een zodanige worteling in de staat van zijn werkelijk verblijf, dat de verzochte teruggeleiding om die reden moet worden afgewezen. Dit betekent dan ook dat, wanneer het teruggeleidingsverzoek wordt ingediend binnen de in artikel 12 lid 1 HKOV genoemde termijn van één jaar, de rechter gehouden is de teruggeleiding te bevelen (‘obliged to order its return’), behoudens de weigeringsgronden van artikel 13 HKOV (blz. 459, nr. 108)."
Gerechtshof Den Haag 26 oktober 2020, 200.282.900-01, ECLI:NL:GHDHA:2020:2063
"9. Ingevolge artikel 3 HKOV wordt het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind als ongeoorloofd beschouwd wanneer dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.
10. Het hof overweegt omtrent de vraag met betrekking tot het gezagsrecht op de datum dat de moeder met de minderjarige Italië heeft verlaten als volgt. In geschil is in het bijzonder de vraag of de moeder op 2 januari 2018 op de een of andere wijze was beperkt in haar gezag in die zin dat zij was beperkt in het recht om over de verblijfplaats van de minderjarige te beslissen vanwege de beslissing van de Italiaanse rechter van 10 augustus 2016. Het hof stelt voorop dat het de rechter van de aangezochte staat is die uiteindelijk over het verzoek tot teruggeleiding heeft te beslissen. Bij die beslissing dient hij niet alleen rekening te houden met door de verzoeker overgelegde verklaringen of beslissingen, maar met alles wat in twee feitelijke instanties naar voren is gebracht. Het gaat hier om beslissingen en verklaringen die uitsluitend dienen als hulpmiddel voor de rechter van de aangezochte staat om vast te stellen hoe het recht van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in het specifieke geval moet worden toegepast.
11. In de beschikking van 10 augustus 2016 is sprake van het opdragen van “custody” met betrekking tot de minderjarige gezamenlijk aan ASL RM2 Welfare Office en Mental Health Unit. Tussen partijen is niet in geschil dat deze ‘custody’ een kinderbeschermingsmaatregel is, vergelijkbaar met een ondertoezichtstelling in Nederland. Wel is in geschil of deze maatregel dusdanig in het gezag ingrijpt dat de ouder ter zake van wie deze maatregel geldt – in ieder geval de moeder - vanaf dat moment niet meer zonder toestemming van genoemde instanties een wijziging mag brengen in de verblijfplaats van de minderjarige. Het had naar het oordeel van het hof op de weg van de voogd gelegen om zijn stelling, dat deze laatste vraag naar Italiaans recht bevestigend moet worden beantwoord, genoegzaam te onderbouwen. Dit is naar het oordeel van het hof niet gebeurd. Doordat de voogd geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid de zitting via een digitale verbinding bij te wonen, zijn de vragen van het hof op dit punt onbeantwoord gebleven. Het enige stuk dat een antwoord op deze vraag lijkt te geven is de brief van ‘the Head of Italy’s Central Authority’ van 22 februari 2018 (productie B bij het verweerschrift in hoger beroep). In die brief wordt gerept van: “Ms. [appellante] ’s unilateral decision to remove her daughter is to be considered as an offence also because she was not entitled with her parental responsibility at the time of [minderjarige 1] ’s transfer to the Netherlands and therefore was not allowed to move her habitual residence abroad”. Onduidelijk blijft echter of daarbij wordt gedoeld op een beperking in het gezag (limiting parental responsibility) op grond van genoemde beslissing uit 2016, dan wel op een handelen in strijd met de (eveneens in genoemde beslissing vervatte) rechterlijke beslissing: “It hereby confirms the child’s current placement”, with her mother, in the house of … (volgen naam en adres).’ Uit het aangehaalde en overgelegde wetsartikel uit het Italiaanse Burgerlijk Wetboek - artikel 330 – waarop de maatregelen in de beslissing van 2016 zijn gebaseerd wordt evenmin duidelijk of toepassing van de maatregel van “limiting parental responsibility” meebrengt dat de bevoegdheid van de gezagdragende ouders om over de verblijfplaats van hun kinderen te beslissen wordt beperkt. Dit artikel kent immers, naar het hof begrijpt, naast de mogelijkheid tot de beperking van de ouderlijke verantwoordelijkheid – vergelijkbaar met een ondertoezichtstelling in het Nederlands recht – de mogelijkheid een maatregel te nemen “that the child be removed from the family residence”. Een dergelijke maatregel is echter niet genomen, het verblijf bij de moeder (op de plek waar de moeder had verkozen met de minderjarige te verblijven en waar zij al enige tijd samen verbleven) is daarentegen juist bevestigd. Eerst in de uitspraak van 19 januari 2018, dus na het vertrek van de moeder en de minderjarige naar Nederland, wordt een beslissing genomen tot opschorting van de ouderlijke verantwoordelijkheid van beide ouders en wordt aan de Social Services opgedragen om de minderjarige na terugkeer naar Italië in een geschikte accommodatie te plaatsen. Het hof leidt hieruit af dat die beslissing – opschorting van de ouderlijke verantwoordelijkheid – nodig was om te kunnen besluiten over de verblijfplaats van de minderjarige. Nu deze beslissing is genomen ná het vertrek van de moeder en de minderjarige kan deze echter niet leiden tot het oordeel dat op het moment van vertrek van de moeder met de minderjarige, zij beperkt was in de bevoegdheid om over de verblijfplaats van de minderjarige te beslissen en leidt dit evenmin tot de conclusie dat daardoor sprake is van ongeoorloofde vasthouding, want die laatste zou moeten voortvloeien uit een gezagsrecht in de zin van artikel 3 HKOV dat reeds bestond op het moment van vertrek van de moeder met de minderjarige. Een ongeoorloofde overbrenging of vasthouding door de moeder van de minderjarige is, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet aannemelijk geworden.
12. De tweede vraag is die naar de positie van de vader. Het hof stelt vast dat de advocaat van de voogd zich in eerste aanleg uitsluitend heeft gesteld voor de voogd en namens deze het verzoekschrift heeft ingediend. Weliswaar wordt in het inleidend verzoek gesteld dat het verzoek “het verzoek van de vader behelst” maar het inleidend verzoek is niet door de vader ingediend. In de bestreden beschikking is de vader dan ook niet aangemerkt als verzoekende partij. Ook het verweerschrift in hoger beroep is uitdrukkelijk (alleen) namens de voogd ingediend. Het formulier, uitgaande van de Centrale Autoriteit in Italië en dat is gericht aan de Nederlandse Centrale Autoriteit, is opgemaakt op instigatie van de voogd en niet van de vader. Het hof komt tot de slotsom dat niet een verzoek van de vader voorligt, zodat de vraag, of sprake is geweest van een inbreuk op het gezagsrecht van de vader, verder onbesproken kan blijven.
13. Het hof komt tot de slotsom niet is komen vast te staan dat in deze sprake is van een ongeoorloofde overbrenging.
Het hof komt daarom niet toe aan bespreking van de gestelde weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub b HKOV en artikel 20 EVRM, noch aan het beroep op artikel 3 IVRK."
Gerechtshof Den Haag 13 februari 2019, 200.252.658/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:3989
De niet-erkenning van buitenlandse rechtsfeiten
"3.6.6 Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt derhalve dat de erkenning in Nederland van het in een buitenlandse geboorteakte neergelegde rechtsfeit van een door de geboorte van een kind tot stand gekomen familierechtelijke betrekking afstuit op kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 leden 1 en 2 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, indien dat kind is geboren uit een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van art. 10:32 BW niet in Nederland wordt erkend.
(...).
3.8.2 Art. 3 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen (“the best interests of the child shall be a primary consideration”). Dit fundamentele beginsel is geen grond voor een andere beantwoording van de eerste prejudiciële vraag.
In de eerste plaats is daartoe van belang dat de onderhavige zaak een procedure op de voet van art. 17 RWN betreft, en dat de erkenning in Nederland van het in de Marokkaanse geboorteakte neergelegde rechtsfeit dat door [kind 1] geboorte uit het huwelijk van [verzoeker] met de moeder een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen [verzoeker] en [kind 1] , uitsluitend van belang is in verband met de vraag of [kind 1] ingevolge art. 3 lid 1 RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Op grond van art. 3 Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 10, en 1998, 149) is het aan Nederland om in zijn wetgeving te bepalen aan wie het Nederlanderschap toekomt.
In de tweede plaats verdient opmerking dat indien een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij een familierechtelijke betrekking is vastgesteld of gewijzigd, in Nederland niet wordt erkend wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, dit op zichzelf niet tot gevolg heeft dat inbreuk wordt gemaakt op de volgens het buitenlandse recht rechtsgeldig tot stand gekomen familierechtelijke betrekking. Evenmin leidt die niet-erkenning ertoe dat de buitenlandse nationaliteit van het kind verloren gaat.
3.8.3 Het antwoord op de tweede deelvraag van de tweede prejudiciële vraag luidt derhalve dat art. 3 IVRK geen grond is voor een andere beantwoording van de eerste prejudiciële vraag."
HR 19 mei 2017, 16/05572, ECLI:NL:HR:2017:942, NJ 2017/435 met annotatie van L. Strikwerda en RVdW 2017/587
De juridische werkelijkheid moet voor een minderjarige overeenkomen met de feitelijke werkelijkheid
"Incidenteel appel
5.9
[partner moeder] stelt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator, om te onderzoeken of het in het belang van de minderjarige is om de erkenning door de vader te vernietigen, heeft afgewezen. Of [partner moeder] de biologische vader is of niet doet niet ter zake. Het gaat erom dat de vader niet de biologische vader van de minderjarige is. De rechtbank had op grond van artikel 3 IVRK een beslissing moeten nemen in het belang van de minderjarige. In zijn belang is dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming komt met de biologische, of in ieder geval dat hij erkend wordt door iemand met wie hij een hecht gezin vormt. [partner moeder] verzoekt het hof dan ook om de erkenning van de minderjarige door de vader te vernietigen op grond van artikel 1:205 BW en subsidiair om een bijzondere curator te benoemen. De verwekker kan dit verzoek doen op basis van de jurisprudentie. [partner moeder] verzoekt het hof om daarbij de zogenaamde ‘minder strikte maatstaf’ te hanteren. De vader heeft de minderjarige een dag na diens geboorte erkend, waardoor [partner moeder] als verwekker dit niet meer kon doen. De moeder had in redelijkheid niet tot het verlenen van toestemming tot erkenning aan de vader kunnen komen, zodat deze erkenning vernietigd dient te worden. Mocht het hof van oordeel zijn dat de strikte maatstaf gehanteerd dient te worden, dan stelt [partner moeder] zich op het standpunt dat de moeder misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt, doordat zij toestemming heeft gegeven aan de niet-verwekker, enkel met het oogmerk de belangen van de verwekker te schaden. De moeder wilde namelijk niets met [partner moeder] te maken hebben en heeft hem ook niet verteld zwanger te zijn. De moeder en [partner moeder] hebben een gemoedsrusttest gedaan, waaruit volgt dat hij de biologische vader is. Daarnaast hebben zij via DDC een DNA-test gedaan en daaruit volgt eveneens dat hij de biologische vader is. In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank is dit rapport tijdig voor de zitting in eerste aanleg ingediend bij de rechtbank."
Gerechtshof Den Haag 22 juni 2022, 200.292.443/01, ECLI:NL:GHDHA:2022:1287
De erkenning van een minderjarige
"5.4
Vast staat dat op 20 augustus 2018 uit verwantschaps-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Ook niet ter discussie staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn: te weten binnen een jaar nadat de man ontdekte dat hij niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Volgens de wetsgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man zijn verzoek te laat heeft ingediend en dat ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de wettelijke vervaltermijn. Dat de man in Nigeria in de tussentijd (wel) een procedure is gestart over het gezag ten aanzien van [de minderjarige] is hiervoor onvoldoende. De stellingen van de man dat een strikte handhaving van de in wet gestelde termijn in strijd is met artikel 8 EVRM en/of artikel 3 IVRK en dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [de minderjarige] is, heeft hij onvoldoende onderbouwd en geven het hof dan ook geen reden om anders te beslissen over de ontvankelijkheid van de man. Integendeel, uit hetgeen de bijzondere curator, de advocaat van de vrouw en [de minderjarige] (per brief) naar voren hebben gebracht blijkt dat [de minderjarige] juist geen verandering wil in de door de man gedane erkenning. De huidige situatie, waarbij is gebleken dat de man niet zijn biologische vader is en het contact tussen de man en [de minderjarige] is verbroken, is al lastig genoeg voor hem. [de minderjarige] wil graag rust en zich richten op school en sport, en op een later moment zelf beslissen of hij een verzoek wil indienen.
5.5
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning moet worden afgewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2022, 200.295.160/01 en 200.307.663/01, ECLI:NL:GHARL:2022:4099
Nietigheid erkenning minderjarige
"5.4
Vast staat dat op 20 augustus 2018 uit verwantschaps-onderzoek is gebleken dat de man niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Ook niet ter discussie staat dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning niet is ingediend binnen de daartoe in de wet gestelde termijn: te weten binnen een jaar nadat de man ontdekte dat hij niet de biologische vader is van [de minderjarige] . Volgens de wetsgeschiedenis dient deze termijn om de rechtszekerheid zo min mogelijk in het gedrang te laten komen. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man zijn verzoek te laat heeft ingediend en dat ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van de wettelijke vervaltermijn. Dat de man in Nigeria in de tussentijd (wel) een procedure is gestart over het gezag ten aanzien van [de minderjarige] is hiervoor onvoldoende. De stellingen van de man dat een strikte handhaving van de in wet gestelde termijn in strijd is met artikel 8 EVRM en/of artikel 3 IVRK en dat de vernietiging van de erkenning in het belang van [de minderjarige] is, heeft hij onvoldoende onderbouwd en geven het hof dan ook geen reden om anders te beslissen over de ontvankelijkheid van de man. Integendeel, uit hetgeen de bijzondere curator, de advocaat van de vrouw en [de minderjarige] (per brief) naar voren hebben gebracht blijkt dat [de minderjarige] juist geen verandering wil in de door de man gedane erkenning. De huidige situatie, waarbij is gebleken dat de man niet zijn biologische vader is en het contact tussen de man en [de minderjarige] is verbroken, is al lastig genoeg voor hem. [de minderjarige] wil graag rust en zich richten op school en sport, en op een later moment zelf beslissen of hij een verzoek wil indienen.
5.5
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning moet worden afgewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 mei 2022, 200.295.160/01 en 200.307.663/01, ECLI:NL:GHARL:2022:4099
Eénhoofdig gezag van vader
"5.8
Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen wordt beëindigd en de vader alleen met het gezag wordt belast. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit onderdeel dan ook bekrachtigen.
Voor zover de moeder zich beroept op het bepaalde in artikel 8 EVRM, verwerpt het hof dat beroep. Een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen. Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op artikel 3 IVRK.
5.9
Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat de moeder bij de kinderen betrokken moet blijven. Het beëindigen van het gezamenlijk gezag betekent niet dat zij geen moeder meer is en geen serieuze rol meer kan spelen in het leven van de kinderen. Het hof gaat ervan uit dat de vader dit inziet en de weg naar de moeder zo veel mogelijk open zal houden. Verder gaat het hof ervan uit dat de vader de moeder met regelmaat zal blijven informeren over de kinderen en, zoals hij ter zitting in hoger beroep heeft toegezegd, aan de school van de kinderen toestemming zal geven om informatie over de kinderen aan de moeder te verstrekken. Het is van groot belang dat de moeder zich een goed beeld kan blijven vormen van hoe het met de kinderen gaat en wat hen bezig houdt."
Gerechtshof Amsterdam 12 april 2022, 200.295.799/01, ECLI:NL:GHAMS:2022:1100
Gezagsbeëindiging
"Slotsom ten aanzien van de gezagsbeëindiging
5.11
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.
Hetgeen door de moeder is aangevoerd met betrekking tot artikel 8 EVRM, artikelen 3, 5, 7 en 18 IVRK en internationale jurisprudentie maakt dit oordeel niet anders. Op grond van artikel 8 EVRM heeft de moeder belang bij behoud van haar gezag omdat het gezag, en dus het recht om over de verblijfplaats en de verdere opvoeding en verzorging van [kind 1] te beslissen, een fundamenteel onderdeel is van haar familie- en gezinsleven met [kind 1] . In deze situatie is er echter een gegronde reden voor de inbreuk daarop, omdat de gezagsbeëindiging nodig is voor de opvoeding en verzorging van [kind 1] en ter bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling. De maatregel is daarnaast proportioneel. In het verleden is hulpverlening opgestart maar deze is onvoldoende benut door de moeder. Vanuit het oogpunt van [kind 1] kan die tijd niet meer worden over gedaan. De gezagsbeëindiging, en daarmee de inbreuk op het familie- en gezinsleven, is daarom gerechtvaardigd.
5.12
De beëindiging van het gezag van de moeder betekent niet dat de band tussen haar en [kind 1] wordt verbroken. Zij blijft de moeder van [kind 1] en zal een rol van betekenis in haar leven moeten houden."
Gerechtshof Amsterdam 21 juni 2022, 200.303.000/01, ECLI:NL:GHAMS:2022:1813
"5.3
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een gezagsbeëindiging en dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het gezag van de vader wordt beëindigd. Het hof vindt dat de rechtbank hierover een juiste beslissing heeft genomen, en ook dat de rechtbank die beslissing goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg daarom over omdat het hof er na eigen onderzoek ook zo over denkt. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. [de minderjarige] is een zeer kwetsbaar jongetje. Hij is te vroeg geboren en is slechthorend. Daardoor is het voor een ouder of verzorger zwaarder om voor [de minderjarige] te zorgen en hem op te voeden dan voor een kind zonder deze beperking. De vader erkent dat hij vanwege zijn eigen psychiatrische problematiek niet in staat is om aan deze verzwaarde opvoedvraag en extra zorgbehoefte van [de minderjarige] te voldoen. Nu niet, en in de toekomst ook niet. Vast staat dus dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid en opvoeding van [de minderjarige] te dragen binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn. Gebleken is dat de oma dit wel kan. De vader accepteert dat [de minderjarige] bij zijn oma zal opgroeien. Voor zover de vader stelt dat hij wel degelijk in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen omdat hij juist de beslissing heeft genomen om oma de zorg te laten dragen over [de minderjarige] , geeft dat geen aanleiding voor een andere beslissing. Het hof maakt zich zorgen over de psychiatrische kwetsbaarheid van de vader in relatie tot de te nemen belangrijke beslissingen over [de minderjarige] . De vader is (onder meer) gediagnostiseerd met schizofrenie, en heeft de afgelopen jaren diverse psychosen doorgemaakt. De aandoening is niet te genezen. Als de vader alleen met het gezag over [de minderjarige] belast is, dan zal dit het risico met zich brengen dat de vader wordt overvraagd en er een groter beroep op hem zal worden gedaan dan hij aankan vanwege zijn psychiatrische kwetsbaarheid. Dit geldt nog meer omdat [de minderjarige] door zijn handicap extra zorg nodig heeft en er daardoor regelmatig belangrijke beslissingen genomen moeten worden. Het is van belang dat er voortvarend gehandeld kan worden. In de ziekteperiodes van de vader, en de periodes waarin hij onbereikbaar is, komt dit in gevaar. De psychische instabiliteit die de overvraging van de vader kan veroorzaken bij de uitoefening van het ouderlijk gezag over [de minderjarige] kan schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. De verwijzing van de vader naar de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 10 januari 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:102) kan hem niet baten, omdat er bij de vader meer speelt dan (alleen) periodes van onbereikbaarheid. Het voorgaande maakt dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om het gezag van de vader te laten voortduren. De gezagsbeëindiging is dan ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof zal de beslissing van de rechtbank op dit punt bekrachtigen en het verzoek van de vader ten aanzien van het gezag afwijzen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2024, 200.333.540/01, ECLI:NL:GHARL:2024:2053
Wijziging gezamenlijk gezag
"5.7
De moeder betoogt voorts, op zichzelf met juistheid, dat de wet niet voorziet in wijziging van gezamenlijk gezag dat is ontstaan op de voet van art. 1:253c BW. Het hof neemt tot uitgangspunt dat bij gebrek aan een andere voorziening een redelijke wetsuitleg meebrengt dat de wijzigingsmogelijkheid van artikel 1:253n BW ook dient te gelden ingeval het gezamenlijk gezag is opgedragen op grond van artikel 1:253c BW. Een andersluidende opvatting zou er toe leiden dat gezamenlijk gezag dat op grond van artikel 1:253c BW is ontstaan nimmer op verzoek van één van de ouders kan worden beëindigd, ook niet als dat in het belang van het betrokken kind noodzakelijk is. Een dergelijke opvatting staat op gespannen voet met artikel 3 IVRK en is in strijd met het wettelijk systeem, dat ervan uitgaat dat beëindiging van gezamenlijk gezag in andere gevallen dan het thans aan de orde zijnde geval mogelijk is. Die opvatting kan daarom niet worden aanvaard. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het gezamenlijk gezag dat partijen op grond van artikel 1:253c BW hebben verkregen, op grond van artikel 1:253n BW in verbinding met artikel 1:251a BW kan worden beëindigd. Ook dit verweer faalt."
Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2024, 200.329.029/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:99
Beëindiging gezamenlijk gezag uitvoerbaar bij voorraad
"5.16.
Dit alles voert het hof tot de conclusie dat het ontbreken van de mogelijkheid een beschikking houdende beëindiging van de gezamenlijke voogdij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, en daarmee de dag na haar verzending in werking te laten treden, het gevolg is van een kennelijke omissie van de wetgever. De totstandkoming van artikel 1:282a BW in zijn huidige vorm staat daardoor op gespannen voet met art. 4 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK), waarbij Nederland ook bij de invoering van art. 1:282a BW al partij was. Volgens die bepaling heeft de Staat de verplichting alle passende wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen te nemen om de in het verdrag beschermde rechten van het kind te verzekeren. Artikel 3 IVRK brengt voorts mee dat bij alle te nemen beslissingen het belang van het kind een eerste overweging dient te zijn. Het hof is dan ook van oordeel dat indien het belang van het kind dat vergt, ook een beschikking houdende de beëindiging van gezamenlijke voogdij, in weerwil van de tekst van artikel 1:282a BW, uitvoerbaar bij voorraad moet kunnen worden verklaard en dat dat tot gevolg dient te hebben dat zij daags na haar verstrekking of verzending in werking treedt."
Gerechtshof Amsterdam 14 maart 2023, 200.315.976/01, ECLI:NL:GHAMS:2023:615
Toetsingskader uithuisplaatsing (Hof Den Haag)
"6.10.
Niet in geschil is dat maatregelen als ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing een inmenging vormen in het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) beschermde recht op gezinsleven. Zo’n inmenging in dit recht is toelaatbaar als zij voldoet aan de vereisten van lid 2 van dat artikel. Vaststaat dat de genoemde jeugdbeschermingsmaatregelen een wettelijke basis hebben en een legitiem doel dienen, namelijk de bescherming van een kind. Of de maatregel ook noodzakelijk is in een democratische samenleving hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. De redenen voor de inmenging moeten “relevant and sufficient” zijn6 en de inmenging moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel. In principe moet voorrang worden gegeven aan de ondersteuning van de opvoedcapaciteiten van de ouders (en dus aan hulp in het vrijwillige kader). Uithuisplaatsing is slechts aan de orde als er geen andere manier is om het kind te beschermen7. Daarbij geldt steeds dat de belangen van het kind “of paramount importance” zijn. Dit laatste volgt ook uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK)."
Hof Den Haag 17 september 2024, 200.322.315/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:1617
(Verlenging van de) machtiging uithuisplaatsing
"Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen onderzoek en beoordeling, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing wordt voldaan. Het hof voegt daaraan het volgende toe.
De vader is van mening dat hij inmiddels weer in staat is de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen omdat hij ook in staat is om zelfstandig voor de oudere zus van [minderjarige] , [zus] , te zorgen. [minderjarige] heeft echter, vanwege de traumatische gebeurtenissen die hij in het verleden in de gezinssituatie met de vader heeft meegemaakt, meer dan andere kinderen - zoals zijn zus [zus] - behoefte aan rust, structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. In 2016 is er in de thuissituatie van de vader intensieve ambulante begeleiding van [instantie 1] ingezet om te onderzoeken of een terugplaatsing van [minderjarige] mogelijk was. Gebleken is toen dat de vader onvoldoende leerbaar is wat betreft de opvoedvaardigheden die passen bij de behoeften van [minderjarige] . De vraag die dan gesteld moet worden is of met het verstrijken van de tijd de vader wel voldoende opvoedvaardigheden heeft om tot thuisplaatsing over te kunnen gaan. De GI heeft in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat uit de door [instantie 2] begeleide bezoeken is gebleken dat de vader onvoldoende in staat is om zelfstandig invulling te geven aan de bezoeken met [minderjarige] . Deze bezoeken zijn mede ook in verband met een Veilig Thuis melding en zorgelijke signalen in 2020 teruggebracht naar een frequentie van 1 keer per 3 weken, anderhalf uur begeleid. Het hof begrijpt hieruit dat er op dit moment nog geen voldoende stabiele situatie is bij de vader en juist die stabiele situatie is van groot belang van [minderjarige] met zijn gedrags- en traumaproblematiek. De pleegouders zijn, met behulp van ambulante ondersteuning van [instantie 1] , wel in staat [minderjarige] de duidelijkheid en structuur te bieden die hij nodig heeft. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat een voortduring van de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is en die noodzaak bestaat ook nu nog steeds. Het hof ziet daarbij geen aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode te verlengen.
Ten aanzien van het beroep van de vader op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing noodzakelijk was en is in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.8.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd."
Gerechtshof Den Bosch 2 juni 2022, 200.307.892_01, ECLI:NL:GHSHE:2022:1758
"5.7
Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. [minderjarige] heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. Voordat [minderjarige] uit huis werd geplaatst, waren er al lange tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Het hof heeft deze zorgen uitvoerig beschreven in zijn beschikking van 17 januari 2023.
Thans ligt aan het hof de vraag voor of de gronden voor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikking. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , die het noodzakelijk maakte dat de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing werden verlengd. Er werden door de hulpverlening en pleegmoeder kenmerken gezien die wijzen op ernstige (gedrags)problematiek, waarvoor (EMDR) behandeling nodig is. Het was van groot belang dat er zicht kwam op [minderjarige] en dat de behandeling van [minderjarige] bij Levvel doorgang kon vinden. De moeder erkende deze zorgen niet, had veel weerstand tegen de hulpverlening en stemde niet in met de verblijfplaats van [minderjarige] in het pleeggezin. De moeder heeft evenmin inzicht willen geven in haar thuissituatie waardoor er nog steeds onvoldoende zicht was op de opvoedsituatie bij de moeder en op haar persoonlijke problematiek. In deze situatie is ook nu nog geen verandering gekomen.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd en dat de gronden daarvoor op 24 november 2023, toen het ouderlijk gezag van de moeder werd beëindigd, nog steeds aanwezig waren. De moeder heeft zich nog beroepen op het bepaalde in artikel 8 EVRM. Het hof verwerpt het beroep. Gelet op het bovenstaande is een inbreuk op het bij dat artikel beschermde recht op de eerbiediging van family life gerechtvaardigd, want noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] . Om dezelfde reden faalt het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 18 en 25 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 maart 2024, 200.333.319/01 en 200.333.319/02, ECLI:NL:GHAMS:2024:479
"De beoordeling
5.6
Hoewel de termijn waarvoor de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, niettemin een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof dient nu te beoordelen of de gronden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van het geven van de beschikking en ook nog tot 11 april 2024 aanwezig waren, en of die verlenging ook noodzakelijk was. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dat het geval is. Verlenging was noodzakelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing terecht verlengd. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5.7
Het hof heeft zich bij beschikking van 26 september 2023 uitgesproken over de noodzaak van de (verlenging van de) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De rechtbank heeft de desbetreffende overwegingen herhaald in de bestreden beschikking. Kortheidshalve verwijst het hof daarnaar. Het hof moet constateren dat hetgeen is overwogen nog onverkort gelding heeft. Blijkens de inhoud van het beroepschrift en hetgeen ter zitting is hoger beroep door en namens de moeder is toegelicht, weegt voor haar zwaar haar vrijheid om zich met haar kinderen (in het buitenland) te vestigen zoals haar dat goeddunkt. Datzelfde geldt voor haar pedagogische visie ten aanzien van de kinderen. De interventies door de (jeugdbeschermings)autoriteiten in Denemarken, Portugal en Nederland waren en zijn volgens haar nog steeds onterecht en onnodig. De moeder lijkt tot op heden nog steeds onvoldoende te kunnen reflecteren op de gevolgen van haar beslissingen voor de kinderen. Haar wens tot systeemtherapie voor haar en de kinderen in dit stadium gaat hieraan voorbij. Met betrekking tot de noodzaak van stabiele en bestendige schoolgang verwijst het hof naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.9 van de beschikking van 18 oktober 2023. Naast het gebrek aan reflectie, is het nog steeds niet mogelijk gebleken om afspraken te maken met de moeder. Tot op heden is nog steeds geen samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot stand gekomen. Het hof vindt het zorgelijk dat bepaalde afspraken voor de kinderen, waaronder logopedie en een tandartsafspraak, slechts gemaakt konden worden in de periode waarin het gezag van de moeder was geschorst. Verder heeft het ontbreken van de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI tot gevolg dat de kinderen de moeder al een lange tijd niet hebben gezien. Het gebrek aan samenwerking heeft hiermee ook zijn weerslag op de kinderen. Ter zitting is door zowel grootmoeder moederszijde als de GI aangegeven dat de kinderen de moeder missen en dat zij haar graag willen zien. De kinderen begrijpen niet waarom de moeder bepaalde voorwaarden blijft stellen voor het plaatsvinden van de omgang en dat zij deze belangrijker lijkt te vinden dan het zien van de kinderen.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat in het te beoordelen tijdvak (19 oktober 2023 tot 11 april 2024) nog steeds sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat een vrijwillig kader niet volstond om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.8
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het van groot belang is dat de kinderen in hun huidige, stabiele opvoedomgeving blijven, zodat zij zich op positieve wijze kunnen blijven ontwikkelen. De moeder is tot op heden niet in staat gebleken de noodzakelijke structuur en stabiliteit aan de kinderen te bieden. Dat zij een liefdevolle moeder is, wil het hof aannemen (en zoals hiervoor overwogen is ook duidelijk dat de kinderen haar missen). Maar er is meer nodig om de kinderen een opvoedomgeving te bieden die voor hen voldoende stabiel en veilig is en waarin zij voldoende aan hun eigen ontwikkeling toekomen. De kinderen ervaren thans de benodigde rust nu zij in een stabiele en voorspelbare situatie verblijven bij de grootmoeder moederszijde. De daarvoor noodzakelijke ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn dan ook terecht verlengd door de rechtbank. Minder verstrekkende maatregelen zouden de kinderen in het te beoordelen tijdvak onvoldoende bescherming hebben geboden.
5.9
Met betrekking tot de uithuisplaatsing geldt verder nog dat de moeder sinds 13 februari 2024 gedetineerd is. De door de moeder met het hoger beroep beoogde terugplaatsing van de kinderen was voor de periode van 13 februari tot 11 april 2024 reeds om die reden irreëel. Plaatsing van de kinderen bij grootmoeder moederszijde was noodzakelijk.
5.10
Hetgeen de moeder nog heeft aangevoerd met verwijzing naar de artikelen 8 EVRM en 3,5,9 en 18 IVRK stuit af op het vooroverwogene."
Gerechtshof Amsterdam 14 mei 2024, 200.336.850/01, ECLI:NL:GHAMS:2024:1310
De relatie tussen een uithuisplaatsing en een wrakingsverzoek
"De kinderrechter ziet, ondanks de schorsende werking van een wrakingsverzoek, aanleiding om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één maand en iedere verdere beslissing aan te houden. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
De maatregelen expireren op 29 september 2023. De datum waarop het door de heer [gemachtigde] gedane wrakingsverzoek wordt behandeld is op dit moment nog niet bekend. De mogelijkheid bestaat dat de maatregelen expireren voordat op het wrakingsverzoek is beslist en de verdere behandeling van het verzoek van de GI heeft plaatsgevonden. Het belang van [minderjarige] vraagt echter om voortzetting van beide maatregelen. Er is namelijk nog steeds sprake van ernstige ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige] die niet met vrijwillige hulpverlening kunnen worden afgewend. De moeder heeft [minderjarige] in [maand en jaar] uit de instelling waar zij tot dan toe verbleef, opgehaald en is, met [minderjarige] en haar stiefvader, zonder bestemming uit Nederland vertrokken. De GI is niet op de hoogte van de huidige verblijfplaats van [minderjarige] en heeft grote zorgen over haar veiligheid en ontwikkeling.
Daarnaast is het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat zij bij en jeugdhulpaanbieder geplaatst blijft, waar zij begeleid en zo nodig behandeld kan worden door deskundigen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat de beslissing op het wrakingsverzoek niet kan worden afgewacht en beroept zich daarbij ook op artikel 3 van het IVRK, wat bepaalt dat het belang van het kind voorop staat bij iedere beslissing."
Rb. Oost-Brabant 19 september 2023, C/01/395069 / JE RK 23-988, ECLI:NL:RBOBR:2023:5103
Plaatsing van een minderjarige buiten Nederland
"5.7
Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden toestemming heeft verleend aan de gecertificeerde instelling om de minderjarige buiten Nederland te plaatsen. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Bij de beslissing om wel of geen toestemming te verlenen aan de gecertificeerde instelling dient het belang van de minderjarige voorop te worden gesteld (artikel 3 IVRK). De minderjarige is ruim 3,5 jaar oud en verblijft sinds hij elf maanden oud is bij de pleegouders. Hij is veilig gehecht in het pleeggezin en ontwikkelt zich daar goed. Het perspectief van de minderjarige ligt niet meer bij de moeder. Als de minderjarige niet met het pleeggezin mag meeverhuizen heeft dat tot gevolg dat hij in een nieuw pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Daartegenover staat dat de moeder weinig fysiek contact kan hebben met de minderjarige als hij met het pleeggezin meeverhuist naar het schip. Een nieuw pleeggezin geeft de moeder meer mogelijkheden tot fysiek contact met de minderjarige. Het hof laat echter het belang van de minderjarige om in het pleeggezin te blijven zwaarder wegen dan het belang van de moeder en de minderjarige bij het voortzetten van de (fysieke) omgang met de minderjarige. Het hof onderstreept het zwaarwegende belang van het contact tussen de moeder en de minderjarige, maar neemt ook in aanmerking dat de minderjarige een belast verleden heeft en nu veilig is gehecht in het pleeggezin waar hij al ruim 2,5 jaar verblijft. Overplaatsing naar een nieuw pleeggezin zal door de verbreking van de hechtingsrelatie met de pleegouders en de verstoring van zijn stabiele en veilige opvoedingssituatie voor de minderjarige een trauma opleveren dat zijn huidige ontwikkeling en hechting ernstig negatief kan beïnvloeden. Evenals de rechtbank neemt het hof verder in aanmerking dat de pleegouders rekening hebben gehouden met het belang van het contact tussen de moeder en de minderjarige door zowel een fysieke contactregeling als een (video)belregeling op te stellen. Het hof wijst de gecertificeerde instelling en de pleegouders erop dat ter zitting is besproken dat de huidige omgangsregeling in stand zal blijven zolang het schip in Antwerpen of Rotterdam ligt.
5.8
Gelet op het belang van het (fysieke) contact tussen de moeder en de minderjarige zal het hof de toestemming verlenen vanaf het moment dat het schip vertrekt, naar verwachting half maart 2022, tot de zomer van 2024. Ter zitting heeft de pleegmoeder aangegeven dat zij minimaal twee jaar op het schip willen blijven en dat zij van plan zijn in de zomervakantie van 2024 terug te keren naar Nederland. Indien de pleegouders langer op het schip willen blijven, zal de gecertificeerde instelling dit te zijner tijd aan de kinderrechter dienen voor te leggen.
5.9
Nu het hof de gecertificeerde instelling toestemming zal verlenen om de minderjarige buiten Nederland te plaatsen, acht het hof het in het belang van de minderjarige dat aan de gecertificeerde instelling vervangende toestemming wordt verleend voor de aanvraag van een reisdocument van de minderjarige.
5.10
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen met dien verstande dat de toestemming voor het plaatsen van de minderjarige buiten Nederland wordt verleend tot de zomer van 2024."
Gerechtshof Den Haag 15 september 2021, 200.295.500/01 en 200.295.500/02, ECLI:NL:GHDHA:2021:1727
Asielverzoek door lesbische ouders met kind
"12.2 The Committee takes note of the author’s claim that the national authorities failed to conduct a proper assessment of the best interests of the child in the examination of his application for asylum or residence permit, in violation of his rights under articles 3 and 22 of the Convention. In particular, the author alleged the absence of an individual assessment of his safety as a child of lesbian parents and the failure to consider his views during the proceedings, the absence of both of which is undisputed by the State party. The Committee recalls that the assessment of the existence of a risk of serious violations of the Convention in the receiving State should be conducted in an age-sensitive and gender-sensitive manner,28 that the best interests of the child should be a primary consideration in decisions concerning the return of a child and that such decisions should ensure that, upon return, the child will be safe, provided with proper care and ensured the full and effective enjoyment of the rights recognized in the Convention and his or her holistic development. The best interests of the child should be ensured explicitly through individual procedures as an integral part of any administrative or judicial decision concerning the return of a child,30 and the legal rationale for all judicial and administrative judgments and decisions should also be based on that principle.31 The Committee recalls that the assessment of a child’s best interests must include respect for the child’s right to express his or her views freely and that due weight must be given to said views in all matters affecting the child.32 The Committee also recalls that it is generally for the authorities of States parties to the Convention to review and evaluate the facts and evidence in order to determine whether a risk of a serious violation of the Convention exists upon return, unless it is found that such an evaluation was clearly arbitrary or amounted to a denial of justice."
CRC 12 maart 2021, CRC/C/86/D/51/2018 (A.B. - Finland)
Intrekking van het recht op bijstand
"Schending artikelen 3 en 27 IVRK?
17. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat het intrekken van haar recht op bijstand in strijd is met de artikelen 3 en 27 van het IVRK. In artikel 3, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging vormen. In artikel 27 van het IVRK is bepaald dat ten aanzien van ieder kind het recht wordt erkend op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
18. Artikel 3 van het IVRK heeft slechts rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen met betrekking tot kinderen de belangen van die kinderen moeten worden betrokken. Hoe dat er in een concreet geval uitziet, zegt dit artikel niet. Zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving is die bepaling door de rechter niet direct toepasbaar. Wel moet de bestuursrechter in dit verband (terughoudend) beoordelen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en of het bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.5 Hoewel het intrekken van de bijstandsuitkering van verzoekster geen beslissing betreft aangaande kinderen, maar ziet op gezinsbijstand, kunnen de kinderen door die intrekking wel worden geraakt. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd echter geen grond voor de stelling dat Stroomopwaarts onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van haar kinderen, of dat Stroomopwaarts niet binnen de grenzen van het recht is gebleven. Stroomopwaarts is bevoegd om onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan een belanghebbende verleende bijstand. De toezichthouders hebben verzoekster op de consequenties van haar weigering om mee te werken aan het huisbezoek gewezen. Daarmee heeft Stroomopwaarts voldoende met de belangen van verzoekster en die van haar kinderen rekening gehouden.
19. Het beroep op artikel 27 slaagt ook niet. Artikel 27 van het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij daartoe niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitleg in nationale wet- en regelgeving behoeven (ECLI:NL:CRVB:2017:4021). Uit het tweede lid van dat artikel volgt bovendien dat niet de Staat (Stroomopwaarts), maar verzoekster als ouder als eerste verantwoordelijk is voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van de financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
20. De voorzieningenrechter komt dan ook tot het voorlopige oordeel dat Stroomopwaarts het recht van verzoekster op bijstand vanwege een schending van de medewerkingsverplichting mocht intrekken. Stroomopwaarts kon door de weigering om mee te werken aan het huisbezoek de woonsituatie van verzoekster (en daarmee ook het recht op bijstand) niet vaststellen."
Rb. Rotterdam 5 juli 2024, ROT 24/5660, ECLI:NL:RBROT:2024:6290
Weigering kinderbijslag
"Artikel 3 IVRK niet geschonden
2.8.
Appellant heeft zich beroepen op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). De Raad is van oordeel dat uit deze bepaling niet volgt dat appellant recht heeft op kinderbijslag. In dat kader verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020.7 Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Uit het arrest van het Hof in de zaak M.A. tegen Belgische Staat van 11 maart 20218 volgt dat het gaat om alle handelingen die kinderen direct of indirect raken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
2.9.
Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat de Svb zich bij zijn besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant. Hierbij is van belang dat de kinderbijslag weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet. Gesteld noch gebleken is dat de belangen van de kinderen door de weigering van kinderbijslag over de twee maanden in geding in het gedrang zijn gekomen."
CRvB 31 maart 2023, 17 / 563 AKW, ECLI:NL:CRVB:2023:609
"Artikel 3 van het IVRK
4.10.
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat een belangenafweging in het kader van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou moeten leiden tot toekenning van de gewenste compensatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.1.
Het college heeft bij het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de zoon van appellante. Hij ontving een aanvullende beurs en had de mogelijkheid om, in aanvulling hierop, een lening bij de DUO af te sluiten. Bovendien is niet gebleken dat hij ernstig in zijn ontwikkeling is bedreigd door de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante en dat daarom aan appellante in aanvulling op haar inkomen en dat van haar zoon bijstand zou moeten worden verstrekt.
4.11.
Uit 4.1 tot en met 4.10.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
CRvB 12 mei 2022, 20/1631 PW, ECLI:NL:CRVB:2022:1004
Woonsituatie
"8.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van bijvoorbeeld 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
8.3. Het college heeft in het besluit van 15 maart 2022 gewezen op het zeer kleine aantal beschikbare woningen in Amsterdam en het grote aantal verzoeken om een urgentieverklaring. [appellante] heeft een woning en uit wat hiervoor in overwegingen 6.1 is overwogen, volgt dat haar woonsituatie niet levensontwrichtend is. In het advies van de GGD van 7 juni 2021, dat in het advies van 25 februari 2022 is gehandhaafd, staat onder meer dat [appellante] als alleenstaande ouder voor haar - toen nog enige - kind zorgt en dat zij geacht wordt in staat te zijn zelfstandig en zelfredzaam te zijn. Daarbij komt dat [appellante] naar eigen zeggen wordt ondersteund door kennissen om haar woning in en uit te komen. Op de zitting heeft zij beaamd dat zij ook nu nog af en toe wordt geholpen door een vriendin.
8.4. Onder deze omstandigheden mocht het college naar het oordeel van de Afdeling het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder laten wegen dan het belang van [appellante] om op de door haar gewenste wijze, zonder hulp van derden, aan haar gezinsleven vorm te geven. Ook heeft het college de belangen van de kinderen onder ogen gezien, maar die hebben het college er niet toe hoeven brengen om de aanvraag in te willigen. Daarbij merkt de Afdeling op dat als de omstandigheden van [appellante] en haar kinderen, zoals ook op zitting besproken, zijn veranderd zij kan overwegen om een nieuwe aanvraag met een recente medische onderbouwing in te dienen.
8.5. De gronden slagen niet."
ABRvS 8 november 2023, 202300236/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:4128
Woningweigering door het COA
"Afstemming op bestuursrechter
3.2
Centraal in deze zaak staat het besluit van 2 augustus 2021. Daarin heeft het COA de woningweigering van [geïntimeerden] c.s. onterecht verklaard en hun opvang in het azc inclusief de verstrekkingen beëindigd. Nu de bestuursrechter bij uitspraak van 15 april 2022 het beroep van [geïntimeerden] c.s. tegen dat besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, moet het hof in beginsel zijn arrest op dat oordeel afstemmen.3 Het hof acht geen omstandigheden aanwezig voor een uitzondering op dit uitgangspunt. Voor zover [geïntimeerden] c.s. bedoelen dat de bestuursrechter klaarblijkelijk een misslag heeft begaan, verwerpt het hof dat standpunt. De beroepstermijn bedraagt immers vier weken (art. 69 lid 1 Vreemdelingenwet – hierna: Vw) en het beroepschrift is pas na die termijn ingediend. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het met de bestuursrechter eens is dat het beëindigen van de opvang van vreemdelingen met een verblijfsvergunning regulier (art. 14 Vw) een wettelijke basis heeft in artikel 3 lid 2 Wet COA in verbinding met artikel 3, derde lid, aanhef en onder c juncto artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: Rva 2005). Ook twijfelt het hof er niet aan dat het besluit van het COA betrekking heeft op het hele gezin (en niet alleen op de vader).
3.3
Het voorgaande betekent dat het hof dient uit te gaan van de rechtsgeldigheid en de rechtmatigheid van het besluit van het COA van 2 augustus 2021. Daarmee is het besluit zowel wat betreft de inhoud als de wijze van totstandkoming onaantastbaar in dit geding. De kwestie of het COA de huisvestingsprocedure van [geïntimeerden] c.s. met de koppeling aan de gemeente De Ronde Venen onzorgvuldig heeft gevoerd door de belangen van de kinderen niet mee te wegen (bij de toepassing van de plaatsingscriteria of anderszins) ligt daarom niet voor bij het hof, noch de vraag of het COA in redelijkheid kon komen tot de onterecht verklaring van de woningweigering en beëindiging van de opvang inclusief verstrekkingen. Dat wordt niet anders doordat de bestuursrechter zich in de uitspraak van 15 april 2022 over inhoudelijke vragen niet heeft uitgelaten. Het gaat er in dat opzicht om of het besluit van het COA op zinvolle wijze bij de bestuursrechter aan de orde gesteld had kunnen worden (als het beroep tijdig was ingesteld), en dat is het geval – ook wat betreft het beroep van [geïntimeerden] c.s. op artikel 3, eerste lid van het IVRK. Naar het COA onbetwist heeft aangevoerd, kunnen [geïntimeerden] c.s. in voorkomend geval ook nog een besluit van het COA uitlokken door een aanvraag tot hervatting van de verstrekkingen te doen, tegen welk besluit dan bij de bestuursrechter, al dan niet met een verzoek om een voorlopige voorziening, kan worden opgekomen. Dat de rechtsbescherming bij de bestuursrechter zou tekortschieten is door [geïntimeerden] c.s. bovendien niet aangevoerd. Het hof komt gelet hierop niet toe aan de behandeling van de grief van het COA dat er met de belangen van de kinderen wel voldoende rekening is gehouden in de huisvestingsprocedure die tot het besluit heeft geleid."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2022, 200.301.333, ECLI:NL:GHARL:2022:4238
Ontbinding huurovereenkomst
"4.5.
Vast staat dat [gedaagde] de huur niet (volledig) heeft betaald en dat er op het moment van dagvaarding sprake is van een huurachterstand van meer dan vier maanden. Dit is een ernstige tekortkoming die in beginsel een ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Tijdens de gehouden mondelinge behandeling is besproken dat [gedaagde] ook een minderjarig kind heeft waarmee rekening moet worden gehouden. Op grond van artikel 3 IVRK moeten de belangen van kinderen een eerste overweging vormen. Dat betekent echter niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook op de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn, maar van een dergelijke noodsituatie is vooralsnog niet gebleken."
Rb. Zeeland-West-Brabant 6 maart 2024, 10773411 \ CV EXPL 23-4387, ECLI:NL:RBZWB:2024:1491
De Relatie met Richtlijn 2003/86 (de ‘Gezinsherenigingsrichtlijn’)
“11.3.
(…).
De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat de staatssecretaris, mede gelet op artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het IVRK, een uitzondering maakt in het voordeel van minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het eigen gezin van die vreemdeling, door op hen wel het nareisbeleid toe te passen. Als de staatssecretaris beschikt over zowel een nareisaanvraag van de minderjarige kinderen als een reguliere aanvraag van de andere ouder van die kinderen, kan hij deze aanvragen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang beoordelen.”
ABRvS 31 oktober 2019, 201902631/1/V1, ECLI:NL:RVS:2019:3682
De relatie met Richtlijn 2008/115 en artikel 24 Handvest Grondrechten
“37 Deze vaststelling wordt bevestigd door artikel 3, lid 1, van het internationale Verdrag inzake de rechten van het kind, waarnaar de toelichtingen bij artikel 24 van het Handvest uitdrukkelijk verwijzen.
38 Volgens dat artikel 3, lid 1, moet bij alle maatregelen betreffende kinderen rekening worden gehouden met de belangen van het kind. Bijgevolg heeft deze bepaling in het algemeen betrekking op alle beslissingen en alle handelingen die kinderen direct of indirect raken, zoals het Comité voor de rechten van het kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt [zie dienaangaande, Algemeen Commentaar nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind om zijn belangen de eerste overweging te laten vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 19].
39 Aangaande in de tweede plaats de context van artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 zij ten eerste opgemerkt dat wanneer de Uniewetgever wenst dat alleen ten aanzien van de onderdaan van een derde land tegen wie een terugkeerbesluit is vastgesteld rekening wordt gehouden met de in dit artikel 5 opgesomde elementen, dit uitdrukkelijk is bepaald.
40 Zo blijkt, anders dan uit artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115, uit artikel 5, onder c), van deze richtlijn uitdrukkelijk dat de lidstaten alleen rekening moeten houden met de gezondheidstoestand van de „betrokken onderdaan van een derde land”, dit wil zeggen uitsluitend met de gezondheidstoestand van diegene tegen wie het terugkeerbesluit is gericht.
41 Ten tweede blijkt uit artikel 5, onder b), van deze richtlijn dat de lidstaten, wanneer zij van plan zijn een terugkeerbesluit te nemen, ook rekening moeten houden met het familie- en gezinsleven. Artikel 7 van het Handvest, dat onder meer het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven betreft en waarop een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied verblijft en – zoals M. A. – de vader van een minderjarig kind is, zich kan beroepen, moet worden gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest, waarin de verplichting is opgenomen om rekening te houden met de belangen van zijn minderjarige kind [zie in die zin arrest van 26 maart 2019, SM (Onder Algerijnse kafala geplaatst kind), C‑129/18, EU:C:2019:248, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Ten derde voeren andere bepalingen van richtlijn 2008/115, zoals artikel 7, lid 2, en artikel 14, lid 1, de verplichting uit om rekening te houden met het belang van het kind, ook wanneer het betrokken besluit niet tegen dat kind is gericht.
43 Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 24 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten terdege rekening moeten houden met het belang van het kind vóór zij een met een inreisverbod gepaard gaand terugkeerbesluit vaststellen, ook al is dit besluit niet gericht tegen een minderjarige, maar tegen de vader van deze minderjarige.”
HvJ EU 11 maart 2021, C‑112/20 (M.A.)
De relatie tussen de artikelen 2 en 3 IVRK
“2.9
In artikel 2 IVRK is bepaald dat de aangesloten lidstaten de in het verdrag beschreven rechten eerbiedigen en waarborgen voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid, zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, welstand, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn of haar ouder of wettige voogd. De lidstaten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de omstandigheden of de activiteiten van, de meningen geuit door of de overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.
In artikel 3 IVRK is bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. De staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor, of de bescherming van, kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.
2.10
Voor zover familie [verzoekers] een beroep doet op schending van de belangen van de kinderen op grond van artikel 2 en 3 IVRK, overweegt het hof als volgt. Het uitgangspunt bij deze bepalingen is dat rechterlijke instanties bij hun beslissingen nadrukkelijk rekening houden met de belangen van kinderen en aan die belangen voorrang geven boven andere belangen tenzij die andere belangen zwaarwegender van aard zijn. Uit de stukken en hetgeen besproken is ter mondelinge behandeling blijkt dat familie [verzoekers] zeer betrokken was bij de kinderen. In de afgelopen jaren hebben zij zich ingezet voor de kinderen en hulp en steun geboden aan de kinderen. Daarbij zijn ze, onweersproken, over eigen grenzen gegaan en was er geen balans meer tussen draagkracht en draaglast. Op verzoek van henzelf zijn de kinderen daarom uit huis geplaatst. [B] heeft aangegeven op dit moment niet meer te kunnen instaan voor de veiligheid van de kinderen indien zij geplaatst zouden blijven, dan wel weer geplaatst zouden worden, bij familie [verzoekers] , zodat de voogd in het belang van de kinderen een andere plek voor hen heeft gezocht. Gelet op het vorenstaande en op de kindeigen problematiek zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in afzonderlijke gezinshuizen geplaatst. Het hof is van oordeel dat hiermee door de voogd juist is gekeken naar de belangen van de kinderen om hen een stabiele en veilige omgeving te bieden, waarin zij de zorg kunnen krijgen die zij nodig hebben. Daarmee is naar het hof voldaan aan de gestelde criteria van de artikelen 2 en 3 IVRK. Het hof wijst ook om die reden het verzoek van familie [verzoekers] om de kinderen bij hen terug te plaatsen af.”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2021, 200.288.953, ECLI:NL:GHARL:2021:5961
Het minderjarige kind heeft het recht zich te laten vergezellen door zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger
"13.5 The Committee also notes the author’s allegations that he was not allowed to be accompanied by his legal representative, who would have defended his interests as a possible unaccompanied child migrant, during the age determination process that led to the issuance of a decree of majority. The Committee emphasizes that States parties should allow all young persons claiming to be minors to be represented by a legal representative of their choice or appoint a qualified legal representative and an interpreter where necessary, as soon as possible on their arrival and free of charge. The Committee is of the view that the provision of a representative for such persons during the age determination process is an essential guarantee of respect for their best interests and their right to be heard. 22 Failure to do so constitutes a violation of articles 3 and 12 of the Convention, as the age determination process is the starting point for the application of the Convention. The absence of timely representation can result in a substantial injustice.
13.6 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age determination procedure undergone by the author, who claimed to be a child and provided evidence to support this claim, was not accompanied by the safeguards needed to protect his rights under the Convention. Given the circumstances of the present case, in particular the fact that he was not accompanied by a representative during this procedure and the fact that the State party rejected as evidence the documents provided by the author, including his passport, without clearing up any doubts with the consular authorities of Côte d’Ivoire, the Committee is of the view that the best interests of the child were not a primary consideration in the age determination procedure undergone by the author, contrary to articles 3 and 12 of the Convention."
HRC 5 november 2019, CRC/C/82/D/17/2017 (M.T. - Spanje)
"12.8 The Committee also notes the author’s allegations that he was not appointed a guardian or representative to defend his interests as a possible unaccompanied child migrant before or during the age determination process. The Committee recalls that States parties should appoint a qualified legal representative, with the necessary linguistic skills, for all young persons claiming to be minors, as soon as possible on arrival and free of charge. The Committee is of the view that to provide a representative for such persons during the age determination process is to give them the benefit of the doubt and is an essential guarantee of respect for their best interests and their right to be heard.33 Failure to do so implies a violation of articles 3 and 12 of the Convention, as the age determination process is the starting point for the application of the Convention. The failure to provide timely representation can result in a substantial injustice."
HRC 10 juli 2019, CRC/C/81/D/16/2017 (A.L. - Spanje)
Kinderbijslag
"4.6.3. Ook het beroep op het IVRK slaagt niet. Evenals de rechtbank, verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van
23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740).
4.6.4. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het IVRK echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021 en van 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662).
4.6.5. Niet kan worden gezegd dat de Svb zich bij de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen. Hierbij acht de Raad van belang dat kinderbijslag weliswaar een belangrijke bron van inkomsten is om ouders in de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen te ondersteunen, maar niet het karakter draagt van een laatste financieel vangnet zoals een uitkering ingevolge de Participatiewet. In geval de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd, dient een beroep te worden gedaan op de in het Nederlandse stelsel beschikbare noodvoorzieningen. Mede gegeven het feit dat appellant gedurende de gehele periode gezinsbijstand heeft ontvangen, is niet gebleken dat de belangen van de kinderen door de weigering van kinderbijslag in de periode tussen het tweede kwartaal van 2015 en het tweede kwartaal van 2017 in het gedrang zijn gekomen."
CRvB 16 september 2020, 18/3044 AKW, ECLI:NL:CRVB:2020:2191
Vervangende toestemming voor deelname minderjarige aan Rijks Vaccinatie Programma (RVP)
"5.11 De moeder voert aan dat het verlenen van vervangende toestemming voor deelname van de kinderen aan het RVP in strijd is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 EVRM en het recht van ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 5 IVRK en 14 IVRK. De moeder is van mening dat de kinderrechter onvoldoende heeft stilgestaan bij de belangenafweging en ten onrechte artikel 3 lid 1 IVRK heeft laten prevaleren.
5.12 Het hof stelt voorop dat artikel 9 EVRM de mogelijkheid biedt in noodzakelijke, bij de wet voorziene gevallen, beperkingen aan te brengen op de vrijheid van godsdienst. Hieraan is in dit geval voldaan. Wat de belangenafweging betreft stelt het hof vast dat tegenover het belang van de moeder bij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het recht van de ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid het belang van de vader staat. Hij wil juist wel dat de kinderen worden ingeënt ter voorkoming van onnodige risico’s voor de gezondheid van de kinderen. Ook zijn recht om de kinderen op te voeden volgens zijn overtuigingen dient gerespecteerd te worden. Het belang van de moeder kan niet zwaarder wegen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belang van de kinderen om niet besmet te worden met een van de ernstige in het RVP opgenomen infectieziektes in dit geval, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, het zwaarst moet wegen. Dat betekent dat het verzoek van de vader wordt toegewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2021, 200.281.516, ECLI:NL:GHARL:2021:1728
Zelfstandige procesbevoegdheid minderjarige?
“5.1 [de minderjarige] beseft dat zij als minderjarige in beginsel procesonbekwaam is, maar meent dat zij in deze zaak wel ontvangen zou moeten worden in haar hoger beroep. Een minderjarige kan zelfstandig in appel tegen een (afwijzende) beslissing ex artikel 1:250 BW. Het is dan passend om de minderjarige ook die zelfstandige positie te geven als het gaat om beslissingen als gevolg van die benoeming ex artikel 1:250 BW. De huidige bijzondere curator rekent het instellen van dit hoger beroep niet tot haar taak. Daarnaast is sprake van een informele rechtsingang. [de minderjarige] heeft met haar brief voor de zitting in eerste aanleg van 15 april 2019 een aantal onderwerpen onder de aandacht van de kinderrechter gebracht die vallen onder het bereik van artikel 1:377g BW. De rechter heeft hierop ook beslissingen genomen. Op grond van artikel 806 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de verzoeker het recht om hoger beroep in te stellen. Daarbij geldt dat inmiddels door de Hoge Raad geaccepteerd is dat artikel 1:377g BW ook in appel van toepassing is. Weliswaar heeft de Hoge Raad daarbij overwogen dat het appel door een ander dan de minderjarige moet zijn ingesteld, maar dat zou in deze situatie ook mogelijk moeten zijn. Zou dat niet mogelijk zijn, dan zou sprake zijn van een ongelijke situatie die juridisch niet te verklaren is en die in strijd komt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 3, 9, 12, 18, 20 en 25 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK).
Mocht [de minderjarige] desondanks als procesonbekwaam worden aangemerkt, dan dient alsnog een bijzondere curator te worden benoemd om haar in en buiten rechte te vertegenwoordigen en deze procedure omtrent het herstel van het gezag en de omgang namens haar te voeren. [de minderjarige] ’s toenmalige bijzondere curator zag daar namelijk geen taak voor zich weggelegd.”
Gerechtshof Amsterdam 9 maart 2021, 200.277.881/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:697
Voor recht op omgang met het kind is biologisch ouderschap onvoldoende
"5.6
Voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven is het biologisch ouderschap alleen niet voldoende. Er moet sprake zijn van bijkomende feiten en omstandigheden die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader. Het hof is van oordeel dat de biologische vader voldoende heeft onderbouwd dat hiervan sprake is. De biologische vader heeft in december 2015, dus twee maanden na de geboorte van [de minderjarige] , reeds een verzoekschrift tot erkenning ingediend. Nadat DNA-onderzoek in september 2016 had uitgewezen dat hij de biologische vader is van [de minderjarige] , heeft de biologische vader in oktober 2016 een omgangsverzoek ingediend. De biologische vader spant zich inmiddels al bijna vijf jaar lang in om contact met [de minderjarige] te krijgen. Zijn wens tot omgang is aantoonbaar en serieus. Hieruit volgt dat de beslissing over de vraag of er een contactregeling moet komen tussen de biologische vader en [de minderjarige] een inmenging op zijn recht op private life als bedoeld in artikel 8 EVRM vormt. Dit maakt dat de biologische vader recht heeft op een inhoudelijke belangenafweging bij de beoordeling van zijn verzoek tot omgang met [de minderjarige] en dat hij in voldoende mate bij de besluitvorming moet worden betrokken (artikel 6 EVRM). Daarbij moeten ook de belangen van [de minderjarige] en zijn juridische ouders worden meegewogen (zoals het recht op bescherming van hun sociale werkelijkheid en gezinsleven) waarbij op grond van artikel 3 IVRK het belang van [de minderjarige] voorop staat."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2021, 200.293.365, ECLI:NL:GHARL:2021:10825
Bijzondere bijstand
“4.6. Appellant heeft verder aangevoerd dat Y recht heeft op een toereikende levensstandaard, zoals is neergelegd in de artikelen 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), in verbinding met de artikelen 2 en 3 van het IVRK. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de weigering om voor een hoger bedrag bijzondere bijstand te verlenen onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van Y. Appellant heeft niet concreet gemaakt waarom en in welk opzicht de door hem genoemde verdragsbepalingen zijn geschonden. Daarbij komt dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, omdat die bepaling onvoldoende concreet is. Vergelijk de uitspraak van 4 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2842.”
CRvB 8 september 2020, 18/6223 PW, ECLI:NL:CRVB:2020:2114
Dringende redenen voor bijstand?
"4.4.
De beroepsgrond van appellanten dat bij de beoordeling of sprake is van zeer dringende redenen om hen bijstand te verlenen, het inkomen van hun grootouders geen rol mag spelen slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank dat het college bij de (her)beoordeling van het recht op bijstand de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB: 2016:1098 terecht in aanmerking heeft genomen, is juist. Uit deze uitspraak volgt dat bij minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen, moet worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze verdragsbepalingen moeten worden bezien in samenhang met de overige bepalingen van het IVRK. Daarbij is van belang dat ingevolge artikel 27, tweede lid, van het IVRK de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind, ligt bij de ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind. In dit geval was de grootmoeder ten tijde van belang als voogdes verantwoordelijk voor appellanten. De grootouders zorgden samen feitelijk voor appellanten. Het college diende daarom de financiële mogelijkheden van de grootouders, waaronder het inkomen van de grootvader uit het pgb, bij de beoordeling te betrekken. De omstandigheid dat het inkomen van pleegouders niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of pleegouders recht hebben op een pleegzorgvergoeding op grond van de van toepassing zijnde jeugdzorg-wetgeving maakt dat niet anders. Verder brengt de enkele omstandigheid dat de zorg die de grootouders verlenen vergelijkbaar is met zorg die pleegouders verlenen niet mee dat een zeer dringende reden bestond om appellanten bijstand te verlenen."
CRvB 31 mei 2022, 19/3196 PW, ECLI:NL:CRVB:2022:1189, ABkort 2022/271
Gaswinning
"18.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen, bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682), heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.
De gaswinning uit het Groningenveld heeft ingrijpende gevolgen voor de mensen die in het aardbevingsgebied leven en daarmee ook voor de kinderen in dat gebied. Of dat ook betekent dat het instemmingsbesluit moet worden beschouwd als een maatregel betreffende kinderen in de zin van artikel 3, eerste lid, van het IVRK laat de Afdeling in het midden. Ook als daarvan wordt uitgegaan, kan namelijk niet worden geoordeeld dat de afweging van de minister te beperkt is geweest in het licht van artikel 3. De minister heeft de belangen van kinderen in het aardbevingsgebied in zijn afweging betrokken op dezelfde wijze als de belangen van andere mensen in dat gebied, namelijk door de kans op overlijden als gevolg van de gaswinning aan de hand van een concrete norm op aanvaardbaarheid te beoordelen en daarnaast via de beslissing van het kabinet om op zo kort mogelijke termijn tot een volledige beëindiging van de gaswinning te komen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich, door voor die wijze van afweging te kiezen, onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het feit dat ook veel kinderen in het aardbevingsgebied ingrijpende gevolgen van de gaswinning ondervinden.
Zoals hiervoor, onder 14.2 en 17 is overwogen, betekent de keuze van de minister voor deze wijze van afweging wel dat de minister gehouden is om te motiveren op welke wijze de beëindiging van de gaswinning op zo kort mogelijke termijn plaats zal vinden en brengt de toepasselijkheid van de in de artikelen 2 en 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM opgenomen grondrechten daarbij mee dat aan die motivering hoge eisen gesteld moeten worden. Artikel 3 van het IVRK brengt in zoverre echter geen andere of hogere eisen met zich voor die motivering dan de eisen die reeds volgen uit de toepasselijkheid van voornoemde grondrechten."
ABRvS 3 juli 2019, 201810054/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:2217
Geslachtsnaamwijziging
"3. Artikel 6 van het Besluit luidde ten tijde van de besluiten van de minister: "Een verzoek tot geslachtsnaamswijziging (…), kan worden ingewilligd, indien de verzoeker aantoont dat het achterwege blijven van de geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate zou schaden." De minister maakte bij de beoordeling van een aanvraag om een geslachtsnaamswijziging op grond van artikel 6 van het Besluit gebruik van een vaste gedragslijn die hij heeft neergelegd in de Bijsluiter. De Bijsluiter duidt ‘ernstige schade van geestelijke en/of lichamelijke gezondheid’ aan met het begrip ‘psychische hinder’. Degene die om een geslachtsnaamswijziging verzoekt, hoeft deze psychische hinder niet met een schriftelijke verklaring van een onafhankelijke deskundige aan te tonen als de ouder aan wie de verzoeker de geslachtsnaam ontleent onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf tegen onder anderen een familielid in de eerste of tweede graad van verzoeker, als het gaat om een misdrijf zoals omschreven in titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft deze vaste gedragslijn in de Bijsluiter terecht niet onredelijk of in strijd met de wet geacht. De minister beschikt op grond van artikel 6 van het Besluit over beoordelingsruimte om vast te stellen of het achterwege blijven van een geslachtsnaamswijziging de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de betrokkene in ernstige mate schaadt. De minister heeft hierbij kennelijk aansluiting gezocht bij artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, onder 1, van het Besluit. Artikel 3 van het Besluit voorziet in regels voor het wijzigen van de geslachtsnaam van een minderjarige in de geslachtsnaam van een persoon wiens naam hij niet heeft op de grond dat deze persoon gedurende een bepaalde periode hem heeft verzorgd en opgevoed. Het hiervoor vermelde artikelonderdeel bepaalt dat de minister het verzoek om een geslachtsnaamswijziging afwijst indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van een minderjarige jonger dan 12 jaar, tenzij de ouder aan wie de minderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging wordt verzocht, ontleent, onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. Ter invulling van zijn bevoegdheid op grond van artikel 6 van het Besluit heeft de minister in de Bijsluiter aangesloten bij de dezelfde categorie misdrijven. Hoewel de minister de kring van personen ten aanzien van wie het gepleegde misdrijf is begaan weliswaar heeft uitgebreid naar onder anderen familieleden in de eerste en tweede graad, heeft hij die kring beperkt tot degenen die dicht bij de verzoeker van de geslachtsnaamswijziging staan. Uit de beperking tot een specifieke categorie misdrijven en de beperking van de kring tegen wie het misdrijf is gepleegd, volgt dat de minister een terughoudende houding aanneemt bij het wijzigen van de geslachtsnaam op grond van artikel 6 van het Besluit. De minister sluit met deze werkwijze aan bij de nota van toelichting bij het Besluit, waarin staat dat de minister bij minderjarigen jonger dan 12 jaar terughoudend met een geslachtsnaamswijziging moet omgaan en daaraan goede redenen ten grondslag moet leggen (Stb. 2004, 100). Er is geen strijd met artikel 3 van het IVRK, op grond waarvan bij maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging moeten vormen, omdat de minister zich gelet op het voorgaande voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
ABRvS 25 november 2020, 201906271/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:2815
"5.6
De bijzondere curator beroept zich namens [de minderjarige1] op de bescherming van het privé- en familieleven en het recht op naam, welke rechten zijn gewaarborgd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 3, 7 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
[de minderjarige1] is inmiddels elf jaar oud. Zij identificeert zich al haar hele leven met haar geslachtsnaam, ‘ [verzoekster] ’. De bijzondere curator verwacht dat het grote gevolgen zal hebben voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] als haar geslachtsnaam wordt gewijzigd in die van haar vader, ‘ [verweerder] ’. Haar vader heeft jarenlang niet naar haar omgekeken en zij voelt zich door hem in de steek gelaten. Een wijziging van haar geslachtsnaam waar zij niet om heeft gevraagd, waar zij geen actief aandeel in heeft gehad en die zij niet wenst roept bij haar dan ook hevige emoties op.
5.7
Het hof acht in beginsel geen gronden aanwezig om de vader geen vervangende toestemming voor erkenning te verlenen. De bestreden beschikking zou in zoverre dan ook in stand kunnen blijven. Echter, in de gevolgen van de erkenning door de vader op de geslachtsnaam van [de minderjarige1] ziet het hof aanleiding om een nuancering aan te brengen in het oordeel van de rechtbank. Het hof licht dit als volgt toe."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 maart 2023, 200.311.499/01, ECLI:NL:GHARL:2023:2800
Gerechtelijke vaststelling vaderschap
“5.3 Hoewel het woord ‘kan’ in de eerste zin van artikel 1:207 BW anders doet vermoeden, volgt uit de rechtspraak dat er bij gerechtelijke vaststelling van (in dit geval) het vaderschap geen afweging dient plaats te vinden van de belangen van het kind (bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap) tegenover de belangen van de verwekker bij het uitblijven van die vaststelling. De belangen van het kind dienen voorop te staan bij het nemen van een beslissing als de onderhavige. Dit volgt ook uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Naar het oordeel van het hof is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet in het belang van [de minderjarige].”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2021, 200.280.009/01, ECLI:NL:GHARL:2021:622
“5.3
Hoewel het woord ‘kan’ in de eerste zin van artikel 1:207 BW anders doet vermoeden, volgt uit de rechtspraak dat er bij gerechtelijke vaststelling van (in dit geval) het vaderschap geen afweging dient plaats te vinden van de belangen van het kind (bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap) tegenover de belangen van de verwekker bij het uitblijven van die vaststelling. De belangen van het kind dienen voorop te staan bij het nemen van een beslissing als de onderhavige. Dit volgt ook uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Naar het oordeel van het hof is de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet in het belang van [de minderjarige].”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 februari 2021, 200.280.009/01, ECLI:NL:GHARL:2021:622
Gezagsbeëindiging/hechting met pleegouders
“5.8
Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] om de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen. De gezagsbeëindiging vormt weliswaar een inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven en/of privéleven tussen [de minderjarige] en zijn ouders, maar is in het belang van de gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige] gerechtvaardigd. Het belang van [de minderjarige] kan niet op een minder ingrijpende manier - in het vrijwillig kader, zoals de ouders graag willen - worden beschermd. Het recht van [de minderjarige] op een ongestoorde hechting vloeit voort uit artikel 3 en artikel 20 van het IVRK. Het is belangrijk dat de hechting van [de minderjarige] in het pleeggezin niet in gevaar wordt gebracht. Het risico daarop acht het hof groot wanneer de verantwoordelijkheid voor de gecompliceerde opvoeding en verzorging van [de minderjarige] bij de ouders blijft die daarvoor onvoldoende zijn toegerust. Het hof zal het verzoek van de ouders in hoger beroep derhalve afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.”
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 november 2021, 200.293.514, ECLI:NL:GHARL:2021:10436
Huisvesting algemeen
"4.4.
Tussen partijen is in geschil of verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te voorzien. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit wel het geval. Verzoekster moet in staat worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Zij heeft immers de Nederlandse nationaliteit en beschikt over een uitkering op grond van de Participatiewet, waarmee zij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Verzoekster heeft voorts ook in hoger beroep vooralsnog geen onderbouwing gegeven voor haar standpunt dat zij psychische problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving waardoor zij niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Dat zij, zoals ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken, zich in diverse regio’s voor een woning heeft ingeschreven en er desondanks nog niet in is geslaagd om een woning te vinden, duidt eerder op schaarste op de woningmarkt. Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen is de Wmo 2015 niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651).
4.5.
Verzoekster heeft een beroep gedaan op diverse verdragsbepalingen. Gelet op wat de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3446) over het bepaalde in artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK zal dit beroep in de bodemprocedure naar verwachting niet slagen. De voorzieningenrechter wijst er voorts op dat de situatie in het arrest van 21 september 2012 van de Hoge Raad geheel anders was dan hier aan de orde: in dat arrest ging het om een niet rechtmatig in Nederland verblijvend gezin zonder financiële middelen.
4.6.
Gelet op 4.4 tot en met 4.5 zal de aangevallen uitspraak waarschijnlijk in stand blijven. Daarom is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, laat staan op grond van de verwijzing naar de lopende cassatieprocedure tegen de genoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag."
CRvB 28 augustus 2020, 20/2665 WMO15-VV, ECLI:NL:CRVB:2020:2087
Artikel 3 IVRK garandeert geen recht op woonruimte
"4.7.
Vervolgens rijst de vraag of het college door de weigering om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang te verstrekken artikel 8 van het EVRM en artikel 3 van het IVRK heeft geschonden.
4.7.1.
De Raad stelt voorop dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 18 januari 2001 (Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 27238/95, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895) volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert. De enkele omstandigheid dat appellanten in de periode in geding geen woonruimte hebben gevonden, maakt dus niet dat het college op grond van deze bepaling gehouden is appellanten opvang te verstrekken."
CRvB 13 november 2019, 19/1099 WMO15, ECLI:NL:CRVB:2019:3446
Gemeentelijke huisvestingsverordening/urgentieverklaringen
"4.1. Het college kan in gevallen waarin toepassing van de Hvv naar zijn oordeel tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, afwijken van de Hvv. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in de situatie van [appellant] in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om onder toepassing van de hardheidsclausule het verzoek om inschrijftijdverlening in te willigen. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat de situatie van [appellant] weliswaar geen makkelijke is, maar dat zijn situatie niet wezenlijk verschilt van vele andere gescheiden ouders met jonge kinderen. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat de kinderen van [appellant] bij hun moeder wonen en aan haar zijn toegewezen, dat [appellant] onderdak heeft en dat niet is gebleken dat hij niet aan zelfstandige woonruimte kan komen op het moment dat zijn thuissituatie onhoudbaar wordt. Voorts is geen sprake van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK. Niet gebleken is dat het college zich van de belangen van de kinderen van [appellant] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de minderjarige kinderen bij de moeder verblijven en dat invulling van de omgangsregeling tussen [appellant] en zijn kinderen mogelijk is, waardoor contact met [appellant] mogelijk blijft, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4150. Anders dan [appellant] aanvoert, heeft zowel het college als de rechtbank de persoonlijke situatie van [appellant] beoordeeld.”
ABRvS 9 september 2020, 201908891/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:2177
“9. De opsteller van het advies van Leijten & Van Hoek heeft de woning van de tante bezocht en heeft daar met [appellante] en de tante gesproken. In het advies is geconcludeerd dat de woning van de tante adequaat is voor bewoning door twee volwassenen en drie kinderen. [appellante] bestrijdt deze conclusie op zichzelf niet. Verder blijkt uit het advies dat onder ogen is gezien dat de tante heeft gezegd dat [appellante] slechts tijdelijk bij haar kon wonen. Desondanks is in het advies geconcludeerd dat op dat moment geen sprake was van een woonnoodsituatie. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich mede op grond van dit advies in het besluit van 18 juni 2020 op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van een woonnoodsituatie die zodanig ernstig is dat het onverantwoord is om deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan. De verklaring van de huisarts en de brief van de tante geven geen aanleiding voor een ander oordeel. In de verklaring van de huisarts staat dat [appellante] overspannenheidsklachten heeft door alle gebeurtenissen die zij had meegemaakt en dat het voor haar en natuurlijk ook voor haar dochter van groot belang is dat er snel een stabiele woonsituatie is. Het is, zoals het college ook heeft gesteld, begrijpelijk dat [appellante] bij het vinden van een nieuwe woning stress en onrust ervaart. Dit maakt echter niet dat het onverantwoord moest worden geacht om de inwoning bij de tante langer dan vier maanden te laten duren. In de brief van de tante maakt zij duidelijk dat zij gezien haar omstandigheden geen mogelijkheid zag om Romy voor langere tijd bij haar te laten wonen. Ook deze brief maakte echter ten tijde van het besluit van 18 juni 2020 niet duidelijk dat de inwoning bij de tante niet ten minste vier maanden kon duren. Dat [appellante] inmiddels niet meer bij haar tante kan verblijven en dat de situatie dus anders is dan het college destijds verwachtte, maakt het besluit van het college van destijds niet onjuist.
10. Uit het voorgaande volgt dat, anders dan [appellante] stelt, het college bij de besluitvorming heeft betrokken dat de tante duidelijk had gemaakt dat de inwoning van [appellante] slechts tijdelijk kon zijn. De rechtbank is [appellante] terecht niet gevolgd in het betoog dat het besluit van het college in strijd is met artikel 3 van het IVRK omdat de belangen van haar dochtertje niet zouden zijn meegewogen.
11. Gelet op het woord "kunnen" in artikel 10b, derde lid, van de Huisvestingsverordening beschikt het college over beleidsruimte bij het verlenen van noodurgentieverklaringen. Dat betekent dat het college niet verplicht is om een noodurgentieverklaring te verlenen indien zich een in die bepaling omschreven situatie voordoet. Het college kan nog een nadere afweging maken en besluiten om de noodurgentieverklaring niet te verlenen. Het college heeft deze beleidsruimte ingevuld met de in artikel 20 van het Reglement neergelegde beleidsregels. Daarin staat onder meer wanneer het beëindigen van samenwoning aanleiding kan zijn voor het verlenen van een noodurgentieverklaring. Indien iemand voorafgaand aan het samenwonen onzelfstandig woonde, is dat pas het geval indien de samenwoning ten minste twee jaar heeft geduurd. Heeft de samenwoning korter geduurd, dan wordt iemand geacht weer onzelfstandig te kunnen gaan wonen. Er is geen grond voor het oordeel dat de Huisvestingsverordening het college geen ruimte bood voor het stellen van deze eis of dat deze eis onredelijk is. Ook is het toepassen van deze eis in dit geval niet onredelijk. [appellante] wordt niet gevolgd in de stelling dat een onzelfstandige woonsituatie onmogelijk is omdat zij nu een dochtertje heeft.
12. Verder mocht het college zich op het standpunt stellen dat [appellante] ook zelf verantwoordelijk is voor de situatie dat zij geen woning meer heeft. Binnen heel korte tijd nadat [appellante] te horen kreeg dat haar toenmalige partner gedetineerd was in Frankrijk, heeft zij de huur van de woning opgezegd en is zij uit de woning vertrokken. Met het overleggen van twee brieven van een vriendin en een nichtje, waarin staat dat het voor hen geen optie was om de woning samen met [appellante] te huren, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij alles heeft gedaan wat van haar kon worden gevergd om in de woning te kunnen blijven wonen.
13. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat het college de in artikel 24 van de Huisvestingsverordening neergelegde hardheidsclausule had moeten toepassen. Dat door de weigering van de noodurgentieverklaring de onzekerheid van [appellante] over haar woonsituatie niet wordt verminderd, betekent niet dat sprake is van bijzondere hardheid. Verder was van de door [appellante] genoemde dakloosheid in elk geval ten tijde van het besluit van 18 juni 2020 geen sprake.
14. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college mocht weigeren om [appellante] een noodurgentieverklaring te verlenen.”
ABRvS 9 september 2020, 202004349/1/A3 en 202004349/2/A3, ECLI:NL:RVS:2020:2132
"5.3.
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochter van [appellante]. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het in de brief van de maatschappelijk werkster geen reden ziet om een ander standpunt in te nemen. Hoewel het college begrijpt dat het voor de dochter van [appellante] belangrijk is om een stabiele situatie te hebben, volgt uit de brief niet dat sprake is van een noodsituatie. Er staat immers niet meer in dan dat een woning in Haarlem wenselijk zou zijn. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk.
5.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van [appellante] of haar dochter niet dusdanig uitzonderlijk is dat [appellante] een urgentieverklaring zou moeten krijgen."
ABRvS 1 april 2020, 201904775/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:922
Kinderbijslag
"4.6.3. Ook het beroep op het IVRK slaagt niet. Evenals de rechtbank, verwijst de Raad naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad en de Raad waarin is overwogen dat, hoewel het kind ook een eigen belang heeft bij de kinderbijslag, het eigen belang van het kind niet kan resulteren in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:774 en het arrest van de Hoge Raad van
23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740). Voor een zelfstandige aanspraak van kinderen op kinderbijslag bestaat geen wettelijke grondslag. De artikelen 2, 3, 26 en 27 van het IVRK brengen niet mee dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7740).
4.6.4. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het IVRK echter geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021 en van 12 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:662."
CRvB 16 september 2020, 18/3044 AKW, ECLI:NL:CRVB:2020:2191
Toepassing artikel 4:5 Awb
“4.3.Uit 4.2 volgt dat het college, anders dan appellanten aanvoeren, bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Het beroep van appellanten op artikel 3 en 6 van het Internationaal Verdraginzake de rechten van het kind noopt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zoals vaker overwogen (zie de uitspraak van 24 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4204) staan die verdragsrechtelijke bepalingen, nog daargelaten de verbindendheid daarvan, niet eraan in de weg dat het college gegevens opvraagt en, bij het ontbreken van die gegevens, een aanvraag buiten behandeling stelt.”
CRvB 6 maart 2018, 16/5892 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:725
Artikel 3 waarborgt de belangen van het kind/beperkt toetsingskader nationale rechter
"Beroep op het IVRK
4.9.
In het kader van het beroep op de artikelen 3 en 27 van het IVRK, verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraak van 12 maart 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:662). Daarin is – voor zover relevant – overwogen dat onder meer de artikelen 3 en 27 van het IVRK niet meebrengen dat aan ouders die niet voldoen aan de voorwaarden voor kinderbijslag volgens de nationale wetgeving, de aanspraak op kinderbijslag niet zou mogen worden onthouden. Wel kan uit het IVRK worden afgeleid dat de staten het respect voor de ontwikkeling van het kind moeten waarborgen en dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. De bestuursrechter dient in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven."
CRvB 22 oktober 2020, 19/4197 AKW, ECLI:NL:CRVB:2020:2607
"5.2
(...).
Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kleindochter van [appellant]. De belangen van de kleindochter van [appellant] zijn onder ogen gezien, maar hebben het college er niet toe gebracht om af te zien van afwijzing van de aanvraag op grond van de algemene weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder b van de Huisvestingsverordening. Bij die afweging speelt mee dat de dochter van [appellant] ervoor gekozen heeft om haar ouders en broer bij haar in huis te nemen. Hoewel dat een te respecteren keuze is, is door die keuze de voor beide gezinnen ongewenste woonsituatie ontstaan. Het ligt binnen de mogelijkheden van de dochter van [appellant] om deze situatie te veranderen. [appellant] kan het college om die reden dan ook niet tegenwerpen dat het onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de belangen van de kleindochter van [appellant]. De Afdeling acht het standpunt van het college niet onredelijk."
ABRvS 8 juli 2020, 201907093/1/A3, ECLI:NL:RVS:2020:1584
"3.9.2.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het IVRK overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kin
d dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Gerechtshof Den Bosch 16 april 2020, 200.272.113_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:1344
"9. Uit jurisprudentie van de Afdeling, waaronder de uitspraak van 13 april 201511., blijkt dat op grond van artikel 3 van het IVRK bij alle maatregelen over kinderen de belangen van dat kind moeten worden betrokken. Door de bestuursrechter dient in dit verband - terughoudend - te worden getoetst, of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de dochters van eiser. Daarbij heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tussen 2013 en 2018 contact had met [naam] of zijn twee andere dochters of dat hij heeft geprobeerd om dat contact zo spoedig mogelijk te herstellen. Eisers beroep op artikel 24 van het Handvest leidt niet tot een ander oordeel nu dit artikel overeenkomstig artikel 3 van het IVRK dient te worden geïnterpreteerd. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het weigeren van de gevraagde verblijfsvergunning aan eiser niet in strijd is met het hogere belang van zijn dochters."
Rb. Den Haag 9 april 2020, AWB 20/107, ECLI:NL:RBDHA:2020:3179
"9.4 The Committee also notes the author’s claim based on article 3 of the Convention, referring to the fact that returning the author to Pakistan would be against the best interests of the child, placing him at risk of separation from his mother, and that Danish authorities did not take the author’s particular circumstances into account during relevant procedures. However, the Committee takes note of the State party’s arguments that due consideration was given to the author’s best interests throughout all relevant procedures, considering his particular circumstances (including his age, school attendance, language skills and family situation) as an integral part of those procedures and that the author has failed to identify any concrete irregularity in the decision-making process or risk factors for which the Danish authorities have failed to properly consider.
9.5 The Committee recalls that the assessment of the existence of a risk of serious violations of the Convention in the receiving State should be conducted in an age- and gender-sensitive manner, that the best interests of the child should be a primary consideration in decisions concerning the return of a child, and that such decisions should ensure that the child, upon return, will be safe and provided with proper care and enjoyment of rights. 9 The best interests of the child should be ensured explicitly through individual procedures as an integral part of any administrative or judicial decision concerning the return of a child.
9.6 The Committee also recalls that it is generally for the organs of the States parties to the Convention to review and evaluate facts and evidence in order to determine whether a risk of a serious violation of the Convention exists upon return, unless it is found that such evaluation was clearly arbitrary or amounted to a denial of justice.
9.7 In the present case, the Committee notes that the Danish Refugee Appeals Board and the Immigration Appeals Board have assessed the authors’ new ground for requesting asylum, namely, the alleged threats made by the author’s paternal relatives in Pakistan, together with the author’s particular circumstances, but rejected this ground, considering it unreliable and elaborative. These organs concluded that the author would not face a risk of being separated from his mother if returned to Pakistan and that it was in the author’s best interest to remain with his mother."
CRC 8 november 2019, CRC/C/82/D/36/2017 (A.S. - Denemarken)
"5.2. Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 augustus 2019, 200.255.214/01, ECLI:NL:GHARL:2019:7054
"5.6
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat uitbreiding van de omgangsregeling thans niet in het belang is van [de minderjarige] . [de minderjarige] volgt sinds kort (speciaal) basisonderwijs en is sinds een jaar van de sondevoeding af. [de minderjarige] lijkt dan ook kleine stapjes vooruit te maken. Dat laat echter onverlet dat zij een kind is dat veel extra zorg behoeft, gelet op haar verstoorde prikkelverwerking en ernstige eetproblemen. Zoals hiervoor is weergegeven, is [de minderjarige] na de omgangsmomenten zeer vermoeid en vertoont zij nog meer weerstand tegen eten dan zij gewoonlijk, als gevolg van haar eetproblematiek, al doet. Daarbij heeft zij nadien dagenlang nachtmerries. Het hof ziet onvoldoende reden te twijfelen aan de waarnemingen van de jeugdzorgwerker, de pleegzorgwerker en de pleegouders (die in onderling verband en samenhang worden beschouwd) op dit punt. Het verzoek van de moeder om de omgangsregeling uit te breiden zal dan ook worden afgewezen. Voldoende aannemelijk is dat [de minderjarige] uitbreiding van de omgang niet aankan.
Hetgeen de moeder heeft aangevoerd ten aanzien van de artikelen 8 EVRM en 3 en 9, lid 3 IVRK stuiten af op hetgeen hiervoor is overwogen."
Gerechtshof Amsterdam 23 april 2019, 200.239.896/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:1418
“5.2
Uit artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat het belang van het kind de eerste overweging dient te vormen bij beslissingen als de onderhavige."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 april 2019, 200.245.053, ECLI:NL:GHARL:2019:3055
“3.9
(…).
Het beroep op de artikelen uit de internationale verdragen baat de ouders niet, reeds nu het hiervoor besprokene daarop in de concrete omstandigheden van dit geval een gerechtvaardigde inbreuk vormt. Artikel 3 lid 1 van het IVRK dat het belang van het kind centraal stelt, vormt bovendien juist een grond voor het hof om te beslissen zoals het thans doet. Het betreft hier, gezien de overgelegde stukken en gehoord de hierop in hoger beroep gegeven mondelinge toelichting, de voor [minderjarige 1] geëigende wettelijke bescherming (zie ook hierboven).”
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2019, 200.248.049_01 en 200.244.498_01, ECLI:NL:GHSHE:2019:350
"4.2. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter enkel of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus
bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de verrekeningsbevoegdheid onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind
van appellant. Anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is het enkele gegeven dat het kind van appellant bij hem inwoont, gelet op artikel 3 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet over drie maanden had mogen verrekenen. Daartoe is
van belang dat het college de vaste lasten van appellant heeft doorbetaald en appellant in augustus tot en met oktober 2015 naast de bijstand middelen heeft ontvangen. Appellant heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de
belangen van zijn kind desondanks door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellant op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook niet."
CRvB 18 december 2018, 17/154 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:4126
"4.5 Appellante heeft voorts aangevoerd dat, nu ten tijde van het besluit van 13 februari 2017 in haar bijstand ook haar jongste en toen nog minderjarige kind in haar bijstand was begrepen, de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 3 van het internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter aan de hand daarvan of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval is er geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de kostendelersnorm onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het jongste kind van appellante. Hierbij wordt gewezen op het onder 1.5 vermelde beleid van het college, op grond waarvan het college de aan appellante verleende bijstand met toepassing van de kostendelersnorm heeft verhoogd. Tevens moet daarbij in aanmerking worden genomen dat appellante niet concreet heeft gemaakt waarom en in welk opzicht onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de belangen van haar jongste kind."
CRvB 4 september 2018, 17/7895 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:2842
"4.2.
Zoals volgt uit de uitspraak van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4021, is de rechtstreekse werking van artikel 3 van het IVRK beperkt en toetst de bestuursrechter enkel of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. In dit geval bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich bij de toepassing van de verrekeningsbevoegdheid onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind van appellant. Anders dan appellant ter zitting van de Raad heeft betoogd, is het enkele gegeven dat het kind van appellant bij hem inwoont, gelet op artikel 3 van het IVRK, onvoldoende om aan te nemen dat het college de bijstand niet over drie maanden had mogen verrekenen. Daartoe is van belang dat het college de vaste lasten van appellant heeft doorbetaald en appellant in augustus tot en met oktober 2015 naast de bijstand middelen heeft ontvangen. Appellant heeft niet met verwijzing naar concrete feiten en omstandigheden gemotiveerd dat en in hoeverre de belangen van zijn kind desondanks door het college niet in acht zijn genomen. Het beroep van appellant op schending van artikel 3 van het IVRK slaagt dan ook niet.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt."
CRvB 18 december 2018, 17/154 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:4126
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt."
Hof Den Haag 6 april 2016, 200.186.026/01, ECLI:NL:GHDHA:2016:2540
"8. De vader klaagt in zijn tweede grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat de moeder het geschil omtrent de zorgregeling via de weg van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) had moeten aanbrengen, dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de door hem aangehaalde jurisprudentie en doctrine, op artikel 1:247 lid 3 BW en op de artikelen 3 en 9 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).
9. Uit de overgelegde stukken is het hof niet gebleken dat de vader bij de voorzieningenrechter een beroep heeft gedaan op de door hem thans genoemde verdrags- en wetsartikelen. De (voorzieningen)rechter is vrij in het vonnis de motivering op te nemen die hij wenst en die de beslissing kan dragen. Zowel de vordering van de vader in eerste aanleg, te weten de veroordeling van de moeder mee te werken aan de overeengekomen zorgregeling, als de reconventionele vordering van de moeder, strekkende tot ontzegging van het contact, is materieel te beschouwen als een geschil als bedoeld in artikel 1:253a BW, waarbij de verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW wordt betrokken. Het hof leidt uit de overwegingen in het bestreden vonnis af dat de voorzieningenrechter deze geschillen op de voet van voornoemd artikel heeft beoordeeld. De voorzieningrechter heeft bij de beoordeling van de geschillen het belang van de minderjarige vooropgesteld, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3 en 9 IVRK. Het hof acht de beslissing van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. De tweede grief van de vader faalt daarom."
Gerechtshof Den Haag 25 september 2012, 200.099.201, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2342
"2.4.1. De Afdeling verstaat dit betoog aldus dat de staatssecretaris volgens de vreemdeling niet heeft voldaan aan artikel 3 van het IVRK. Voor zover dit artikel al een direct toepasbare norm inhoudt, zou deze tot niet meer strekken dan dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Anders dan de vreemdeling betoogt, geeft het besluit van 13 december 2007 er geen blijk van dat de staatssecretaris bezien in het licht van die verdragsbepaling onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de vreemdeling. De beroepsgrond faalt derhalve.
2.5. Het inleidende beroep van de vreemdeling is ongegrond."
ABRvS 7 mei 2009, 200805089/1/V2, ECLI:NL:RVS:2009:BI4038
Uithuisplaatsing
"5.6 Er is geen basis voor een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader en de vader erkent dat het toekomstperspectief van [de minderjarige] niet bij hem ligt. Daarmee kan het doel van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing, te weten het toewerken naar een terugplaatsing van de minderjarige bij (één van) de ouders, niet meer bereikt worden. Anders dan de vader betoogt, acht het hof daarnaast aannemelijk dat, nu [de minderjarige] over een aantal maanden de twaalfjarige leeftijd bereikt en zij dan jaarlijks zal worden opgeroepen voor een kindgesprek in het kader van de jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, dit voor haar voor veel onrust zal zorgen. Het is van groot belang dat voor [de minderjarige] duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief. De gecertificeerde instelling heeft de afgelopen jaren verschillende pogingen ondernomen om een geschikte perspectief biedende plaats voor [de minderjarige] te vinden, waarbij zij uiteindelijk zou kunnen wonen in een gezinshuis. De gecertificeerde instelling is daar nog niet in geslaagd, mede omdat [de minderjarige] gelet op haar ernstige (hechtings)problematiek specifieke behoeften heeft. Het hof is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat voor haar duidelijk is dat de gecertificeerde instelling haar baken wordt voor de komende jaren en dat zij onder begeleiding daarvan verder zal opgroeien. Dit – mede door artikel 3 IVRK gewaarborgde – belang van [de minderjarige] weegt zwaarder dan het belang van de vader om voorlopig belast te blijven met het gezag over [de minderjarige] . Het hof betreurt dat er nog geen perspectief biedende plek beschikbaar is voor [de minderjarige] , maar zulks neemt niet weg dat zij er belang bij heeft om thans te weten dat zij niet zal opgroeien bij haar vader en moeder."
Gerechtshof Den Haag 25 september 2019, 200.263.066/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:2777
"3.8.5.
Ten aanzien van het beroep van de moeder op de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK en artikel 8 EVRM, oordeelt het hof dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, zoals gebleken uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling, voldoende is komen vast te staan dat de (spoed)uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van [minderjarige] , en dat het IVRK en het EVRM zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
3.9.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.”
Gerechtshof Den Bosch 24 september 2020, 200.280.013_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:2929
"3.10.8.
Het hof overweegt vervolgens dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk was in het belang van haar verzorging en opvoeding ten tijde van de bestreden beschikking, en dat nu nog steeds is. Gelet op de ernstige zorgen die er waren rondom [minderjarige] heeft de rechtbank de bestreden beschikking op de goede gronden verleend. Voorts staat vast dat de moeder op dit moment in de vrouwenopvang verblijft en niet voor [minderjarige] kan zorgen, hetgeen door de moeder wordt bevestigd. Ten aanzien van het beroep van de moeder op artikel 23 IVRPH, artikel 3 en 10 IVRK en artikel 8 EVRM overweegt het hof dat voldoende vast is komen te staan dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] en dat voornoemde bepalingen zich onder de gegeven omstandigheden niet tegen een dergelijke maatregel verzetten.
Het hof overweegt ten overvloede dat de vader heeft aangegeven een grotere rol in het leven van [minderjarige] te willen spelen. Hoewel dit niet voorligt, geeft het hof de GI en de vader mee hierover in nader overleg te treden.
3.11.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen."
Gerechtshof Den Bosch 17 december 2020, 200.282.432_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:3932
Gesloten uithuisplaatsing
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt. Artikel 34 IVRK bepaalt ook uitdrukkelijk dat de bij het Verdrag aangesloten staten verplicht zijn het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik."
Gerechtshof Den Haag 6 april 2016, 200.186.026/01, ECLI:NL:GHDHA:2016:2540
Ambulante hulpverlening versus (verlenging van) uithuisplaatsing
"3.11.6.
Tegelijkertijd bestaat nog grote onduidelijkheid over de (thuis)situatie van de moeder. De GI heeft nog geen zicht kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden, de draagkracht en draaglast van de moeder. De moeder heeft op de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat zij bij het GGZ is getest en dat daaruit enkel is gebleken dat zij kampt met geheugenproblemen, maar de moeder heeft nagelaten deze informatie voldoende concreet - en voorzien van een schriftelijke rapportage - te onderbouwen. Dat lag wel op haar weg. De moeder heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij niet weet of de onderzoeksresultaten op schrift zijn gesteld, en de advocaat van de moeder was niet op de hoogte dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Anders dan de GI heeft verklaard, zijn volgens de moeder de resultaten van het onderzoek tijdens een MDO mondeling met de gezinsvoogd gedeeld. De GI heeft verklaard niet bekend te zijn met de onderzoeksresultaten en deze wel nodig te hebben om te beoordelen welke hulp en ondersteuning de moeder en de kinderen nodig hebben. De GI kan - vanwege privacy-redenen - deze onderzoeksresultaten niet zelf bij het GGZ opvragen. Het had daarom op de weg van de moeder gelegen om alles in het werk te stellen om de onderzoeksresultaten op schrift te krijgen en deze over te leggen aan de GI en het hof. Dat de moeder dit heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico.
Verder bestaat er nog steeds onduidelijkheid over de (woon)omstandigheden van de moeder. De moeder heeft na de relatiebreuk met haar partner een periode in [instantie 2] gewoond. Op de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat zij sinds mei 2021 weer zelfstandig woont, maar dat zij nog steeds iedere week begeleiding krijgt van [instantie 2] voor sociale zaken en financiële zaken. Ook heeft de moeder gesteld dat wanneer de kinderen thuis zouden worden geplaatst zij door middel van urgentie op korte termijn zou kunnen beschikken over een andere grotere woning. Verder heeft de moeder verklaard dat zij weer samen is met haar partner, maar dat zij (nog) niet samenwonen.
Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat niet, dan wel onvoldoende is gebleken dat de moeder op dit moment de kinderen de veilige, stabiele en rustige opvoedingssituatie kan bieden die zij nodig hebben tijdens hun onderzoeken, behandelingen en herstel. Omdat het gezinshuis de kinderen deze opvoedingssituatie wel kan bieden moet de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis worden voortgezet en is een thuisplaatsing van de kinderen niet aan de orde.
3.11.7.
Gelet op genoemde feiten en omstandigheden is het hof, anders dan de moeder van oordeel, dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen en kan niet worden volstaan met ambulante hulpverlening. De verlenging van de uithuisplaatsing levert daarom geen schending van artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 5, 9, 16 en 18 IVRK op."
Gerechtshof Den Bosch 7 oktober 2021, 200.298.349_01, ECLI:NL:GHSHE:2021:3057
Belangen van het kind en kinderontvoering
"15. Het hof neemt in dit kader voorts in aanmerking dat een bevel tot teruggeleiding onder de hiervoor geschetste omstandigheden - te weten teruggeleiding van een zeer jong en kwetsbaar kind waarbij de kans groot is dat zij gescheiden zal worden van haar primaire hechtingsfiguur, te weten de moeder - in strijd zou zijn met de belangen van de minderjarige. Die belangen dienen op grond van artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) - dat in juridische zin van gelijke orde is als het HKOV - de eerste overweging te vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen. Ook op die grond acht het hof een bevel tot teruggeleiding onaanvaardbaar.
16. Gelet op het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van een weigeringsgrond in de zin van artikel 13 lid 1 sub b HKOV, zodat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. Hetgeen voor het overige over en weer naar voren is gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft derhalve geen bespreking meer."
Gerechtshof Den Haag 27 november 2018, 200.248.523/01, ECLI:NL:GHDHA:2018:3229
Andere belangen kunnen zwaarder wegen dan het belang van het kind
"5.6. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen (artikel 3 IVRK)."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14 januari 2021, 200.279.218, ECLI:NL:GHARL:2021:320
Alleen minderjarige kinderen vallen binnen de reikwijdte van het IVRK
"4.6. De beroepsgrond dat toepassing van de kostendelersnorm in strijd komt met de artikelen 3 en 27 van het IVRK en artikel 3 van het EVRM, slaagt ook niet. Voor [X] kan appellante geen beroep doen op schending van de artikelen 3 en 27 van het IVRK, omdat haar dochter ten tijde van de besluitvorming meerderjarig was. Zij valt gelet op artikel 1 van het IVRK niet onder de reikwijdte van het IVRK. Nu appellante geen enkel inzicht in de financiële situatie van haar en haar partner en van [X] heeft gegeven en haar standpunt niet nader heeft onderbouwd, is reeds daarom niet vast te stellen of, voor wat betreft het belang van haar kleinkind, de artikelen 3 en 27 van het IVRK zijn geschonden, nog daargelaten dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die in het onderhavige geval vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende nauwkeurig zijn omschreven om in dit geschil als objectief recht te worden toegepast. Ook voor het beroep op artikel 3 van het EVRM geldt dat appellante haar beroep op schending van dat artikel onvoldoende heeft onderbouwd."
CRvB 17 juli 2018, 17-7146 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:2165
"6.2. In artikel 3 IVRK eerste lid is kortgezegd bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Deze ruim geformuleerde norm biedt zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving geen basis voor het geven van het door de man bestreden, ambtshalve gegeven oordeel. De Nederlandse rechter heeft ook niet op andere gronden de mogelijkheid om het ouderlijk gezag in situaties als deze ambtshalve te schorsen.
Evenmin is naar intern Nederlands recht schorsing van het gezag op vordering of verzoek van de mede gezaghebbende ouder mogelijk. De grief van de vrouw, die is gericht tegen de om die reden uitgesproken niet-ontvankelijkheid ten aanzien van haar schorsingsverzoek, kan daarom geen
doel treffen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015, 200.177.842/01, ECLI:NL:GHARL:2015:9118
Kind heeft recht op duidelijkheid over opvoedingssituatie
"5.11
Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [kind C] , [kind D] en [kind E] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de thans dertienjarige [kind C] , elfjarige [kind D] en zesjarige [kind E] inmiddels enkele jaren bij hun pleegouder verblijven. Blijkens het raadsrapport hebben ze alle drie baat (gehad) bij hulpverlening vanuit de Bascule. Het gaat goed met hen en zij reageren goed op de regels en structuur binnen hun pleeggezin, laten zich troosten en begeleiden door hun pleegouder en hun schoolgang is goed. De pleegouders hebben goed contact met de GI, aldus het rapport. Blijkens het verslag uitvoerdersoverleg van 29 november 2018 zijn er wel nog zorgen over de agressie van [kind D] naar [kind C] toe en over de vraag of de pleegvader en [Y] hun eigen emoties met betrekking tot de moeder opzij kunnen zetten in het belang van [kind D] door niet negatief over haar te praten. Het hof overweegt dat voormelde zorg onverlet laat dat het toekomstperspectief van [kind C] , [kind D] en [kind E] niet meer bij de moeder ligt, zoals ter zitting ook door haar is onderkend. De kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dragen naar hun aard een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich dan ook tegen het laten voortduren van die kinderbeschermingsmaatregelen. Dat ten aanzien van [Y] geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht maakt dat niet anders, nu, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, zijn relatie tot de kinderen een andere is. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben ook op grond van de artikelen 3 en 20 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief, dat gezien de huidige situatie bij hun pleegouders ligt, en op een ongestoorde hechting aan en ontwikkeling bij hun pleegouders. Naar het oordeel van het hof weegt hun belang bij stabiliteit in hun huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof overweegt daarnaast dat beëindiging van gezag van de moeder zal zorgen voor rust en duidelijkheid en aldus hopelijk zal bijdragen aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft dit punt de serieuze aandacht van de GI."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2019, 200.250.478/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:2260
Onderwijs
"De artikelen 3 en 28 van het IVRK
4.3.1.
De artikelen 3 en 28 van het IVRK, voor zover hier van belang en bezien in onderlinge samenhang, verlangen dat de overheid de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aanmoedigt met inbegrip van beroepsonderwijs, deze vormen voor ieder kind beschikbaar stelt en toegankelijk maakt, en passende maatregelen neemt zoals de invoering van gratis onderwijs en het bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk. De staten moeten het respect voor de ontwikkeling van het kind waarborgen en bij alle maatregelen betreffende kinderen moeten de belangen van het desbetreffende kind worden betrokken. Het belang van het kind heeft echter geen absolute voorrang boven andere belangen en voor wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het artikel geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wetgeving door de rechter direct toepasbaar is. De rechter moet toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
4.3.2.
De belangen van appellant, voor zover deze kunnen worden ontleend aan artikel 3 van het IVRK, zijn bij de totstandkoming van de weigering om de reisvoorziening toe te kennen en tijdens de procedure hierover onderkend en, ook binnen de kaders van artikel 28 van het IVRK, voldoende meegewogen. In dit verband wordt erop gewezen dat – los van de vraag of artikel 28 van het IVRK in algemene zin een eenieder verbindende bepaling is waarop bij de rechter een direct beroep kan worden gedaan – deze bepaling niet onvoorwaardelijk en nauwkeurig voorschrijft dat – naast de (gratis) toegang tot het gekozen onderwijs – ook een voorziening moet worden getroffen voor de kosten die gemoeid zijn met het bereiken van de plaats waar dat onderwijs wordt verzorgd. De situatie van appellant is ook niet zo bijzonder dat de minister in het voorliggende geval van dat uitgangspunt had moeten afwijken, reeds omdat niet is gebleken dat appellant niet had kunnen kiezen voor een andere opleiding in de nabijheid van zijn woonadres.
4.4.
Wat is overwogen onder 4.1.1 tot en met 4.3.2 betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de minister de aanvraag van appellant mocht afwijzen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust."
CRvB 21 juli 2021, 18/5597 WSF, ECLI:NL:CRVB:2021:1848
Ontneming gezag
"5.9
Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK slaagt evenmin, gezien hetgeen hiervoor is overwogen. Het hof is van oordeel dat de gezagsbeëindiging in dit geval noodzakelijk is in het belang van [kind A] en tevens proportioneel is. De belangen van [kind A] rechtvaardigen een inbreuk op het recht op ‘family life’ en er is voldaan aan de vereisten die de wet daaraan stelt."
Gerechtshof Amsterdam 27 augustus 2019, 200.251.033/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:3199
Eenhoofdig gezag
“5.8
(…).
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om op dit moment geen verandering aan te brengen in de bestaande gezagsverhouding. De kinderen hebben belang bij de rust die het eenhoofdig gezag met zich brengt. Het eenhoofdig gezag van de vrouw dient dan ook te worden gehandhaafd. Gezien het voorgaande is een inbreuk op het bij artikel 8 EVRM beschermde recht op ‘family life’ gerechtvaardigd. Nu deze inbreuk voorts niet disproportioneel is, kan het beroep van de man op dit artikel niet slagen. Om die reden moet ook aan het beroep op artikel 3 en 9 IVRK en artikel 24 derde lid EU-Handvest voorbij worden gegaan. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 18 augustus 2020, 200.271.479/01, 200.271.479/02 en 200.271.479/03, ECLI:NL:GHAMS:2020:2353
Rijksvaccinatieprogramma: vervangende toestemming
"5.11
De moeder voert aan dat het verlenen van vervangende toestemming voor deelname van de kinderen aan het RVP in strijd is met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals vastgelegd in artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 EVRM en het recht van ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid, zoals vastgelegd in de artikelen 5 IVRK en 14 IVRK. De moeder is van mening dat de kinderrechter onvoldoende heeft stilgestaan bij de belangenafweging en ten onrechte artikel 3 lid 1 IVRK heeft laten prevaleren.
5.12
Het hof stelt voorop dat artikel 9 EVRM de mogelijkheid biedt in noodzakelijke, bij de wet voorziene gevallen, beperkingen aan te brengen op de vrijheid van godsdienst. Hieraan is in dit geval voldaan. Wat de belangenafweging betreft stelt het hof vast dat tegenover het belang van de moeder bij de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en het recht van de ouders om hun minderjarige kinderen op te voeden volgens hun eigen overtuigingen en keuzevrijheid het belang van de vader staat. Hij wil juist wel dat de kinderen worden ingeënt ter voorkoming van onnodige risico’s voor de gezondheid van de kinderen. Ook zijn recht om de kinderen op te voeden volgens zijn overtuigingen dient gerespecteerd te worden. Het belang van de moeder kan niet zwaarder wegen. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belang van de kinderen om niet besmet te worden met een van de ernstige in het RVP opgenomen infectieziektes in dit geval, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, het zwaarst moet wegen. Dat betekent dat het verzoek van de vader wordt toegewezen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 februari 2021, 200.281.516, ECLI:NL:GHARL:2021:1728
Gesloten uithuisplaatsing
"11. Het hof is, naar aanleiding van het beroep van de minderjarige op artikel 3, eerste lid, IVRK, van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of een gesloten uithuisplaatsing in haar situatie noodzakelijk is, niet gezegd kan worden dat haar belangen niet de eerste overweging hebben
gevormd, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het IVRK. Die belangen staan juist voorop. Volgens het hof wordt de vrijheidsbeneming van de minderjarige gerechtvaardigd door haar belang, omdat de maatregel de noodzakelijke bescherming van haar beoogt. Artikel 34 IVRK bepaalt ook uitdrukkelijk dat de bij het Verdrag aangesloten staten verplicht zijn het kind te beschermen tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik.
12. Uit het vorenstaande volgt dat de gronden voor een machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige thans nog aanwezig zijn, zodat het hof de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen en het meer of anders verzochte zal afwijzen."
Hof Den Haag 6 april 2016, 200.186.026/01, ECLI:NL:GHDHA:2016:2540
Andere vormen van uithuisplaatsingen
"3.8.1.
Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.8.2.
Gesteld noch gebleken is dat de moeder het gezag misbruikt. Aan het hof ligt daarom alleen nog de vraag voor, of voldaan is aan de hiervoor onder a vermelde beëindigingsgrond.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van het volgende.
Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verstreken. De kinderen zijn al op jonge leeftijd uithuisgeplaatst en zij wonen inmiddels ruim twee jaar in het huidige perspectief biedende pleeggezin. Vanwege zijn handicap en aangeboren ontwikkelingsachterstand had [minderjarige 1] een vertraagde start. Nadat hij is geopereerd en in een pleeggezin is geplaatst, heeft hij zich op alle gebieden positief ontwikkeld. Over [minderjarige 1] bestaan nog wel medische zorgen. [minderjarige 1] is een kwetsbaar kind en het is in zijn belang dat hij voldoende gestimuleerd wordt en de voor hem noodzakelijke therapieën en behandelingen krijgt.
Beide kinderen zijn inmiddels veilig gehecht aan de pleegouders en voor hen is stabiliteit, veiligheid en duidelijkheid over hun opvoedperspectief van belang. De huidige opvoedingssituatie bij de pleegouders komt tegemoet aan de behoeftes van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Het hof is van oordeel dat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van deze kinderen te dragen. Zij is er onvoldoende in geslaagd om voor de kinderen een stabiele opvoedingsomgeving te scheppen. De moeder heeft naar het oordeel van het hof voldoende tijd en gelegenheid gehad om door middel van samenwerking met de GI dit doel te realiseren. De GI heeft met de moeder over een langere periode duidelijke afspraken gemaakt over de bezoeken tussen haar en de kinderen. De moeder heeft ter zitting van het hof beaamd dat zij er maar een enkele keer in is geslaagd om deze afspraken na te komen. De redenen die de moeder hiervoor opgeeft acht het hof onvoldoende plausibel. Daarnaast heeft de moeder geen inzicht gegeven in haar opvoedvaardigheden. Resultaten van een af te nemen persoonlijkheidsonderzoek zijn nog steeds niet beschikbaar. Sterker nog, op geen enkele manier is met concrete gegevens onderbouwd dat zij een dergelijk onderzoek heeft ondergaan en zo ja, bij wie. Verder heeft het lange tijd geschort aan de bereikbaarheid van de moeder voor de GI. Ook haar woonsituatie is tot recent onduidelijk geweest.
Nu naar het oordeel van het hof het opvoedperspectief van de kinderen gelet op het voorgaande niet meer bij de moeder ligt, dient de maatregel van ondertoezichtstelling, die gericht is op thuisplaatsing, geen doel meer.
Het hof is verder van oordeel dat de uitkomsten van een deskundigenonderzoek zoals door de moeder verzocht geen wijziging kunnen brengen in het oordeel dat de aanvaardbare termijn voor de kinderen is verstreken en dat terugplaatsing van de kinderen bij de moeder niet meer aan de orde is, ook niet als nog vastgesteld zou worden dat de moeder inmiddels over voldoende opvoedvaardigheden zou beschikken. Een deskundigenonderzoek kan derhalve in deze zaak niet tot een andere beslissing leiden. Daarom zal het hof het verzoek van de moeder daartoe afwijzen.
Van strijd met artikel 3 IVRK is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof heeft juist aan het belang van de kinderen beslissende betekenis toegekend. Ook de inbreuk op artikel 8 EVRM wordt gerechtvaardigd en is noodzakelijk door de rechten en de belangen van de kinderen.
De grieven van de moeder falen.
3.9.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het meer of anders verzochte afwijzen."
Gerechtshof Den Bosch 9 mei 2019, 200.253.465_01, ECLI:NL:GHSHE:2019:1729
"5.7
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing op de juiste gronden is verlengd. Met de raad en de GI is het hof van oordeel dat het voor [de minderjarige] op dit moment het meest in zijn belang is dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief. De huidige situatie waarin hij veel zelfbepalend gedrag laat zien omdat hij daartoe de ruimte krijgt van de volwassenen om hem heen, is niet in zijn belang. [de minderjarige] dient in de gelegenheid te worden gesteld om toe te komen aan voor hem belangrijke ontwikkelingstaken. Hiervoor dient hij in een thuissituatie te verkeren waarin hij rust, regelmaat en structuur geboden krijgt en waarin de volwassenen om hem heen de beslissingen voor hem nemen. Gebleken is dat de moeder [de minderjarige] de opvoeding zou kunnen bieden die hij nodig heeft. Echter, de omstandigheid dat [de minderjarige] reeds (het grootste deel van) zijn hele leven bij de grootouders verblijft, maakt dat dit voor [de minderjarige] een veilige en bekende thuishaven vormt. Daarbij geldt dat de grootouders eveneens beschikken over de benodigde opvoedvaardigheden. Met de raad en de GI is het hof dan ook van oordeel dat het het meest in het belang van [de minderjarige] kan worden geacht om zijn verblijf bij de grootouders te bestendigen, te meer nu dit conform zijn eigen wens is, waaraan gelet op zijn leeftijd belang wordt gehecht. Bij dit oordeel heeft het hof kennis genomen van de visie van Spirit van 27 februari 2020, die twijfelt aan plaatsing bij de grootouders en een NIFP onderzoek adviseert. In het licht van de ontwikkelingen die zich daarna hebben voorgedaan en alle hiervoor genoemde omstandigheden, acht het hof dit advies niet van doorslaggevende betekenis.
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.8
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de moeder op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
Gerechtshof Amsterdam 1 september 2020, 200.278.602/01, ECLI:NL:GHAMS:2020:2681
Kinderen hebben recht op duidelijkheid over hun opvoedingssituatie
"5.11
Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet in staat is om binnen een voor [kind C] , [kind D] en [kind E] aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de thans dertienjarige [kind C] , elfjarige [kind D] en zesjarige [kind E] inmiddels enkele jaren bij hun pleegouder verblijven. Blijkens het raadsrapport hebben ze alle drie baat (gehad) bij hulpverlening vanuit de Bascule. Het gaat goed met hen en zij reageren goed op de regels en structuur binnen hun pleeggezin, laten zich troosten en begeleiden door hun pleegouder en hun schoolgang is goed. De pleegouders hebben goed contact met de GI, aldus het rapport. Blijkens het verslag uitvoerdersoverleg van 29 november 2018 zijn er wel nog zorgen over de agressie van [kind D] naar [kind C] toe en over de vraag of de pleegvader en [Y] hun eigen emoties met betrekking tot de moeder opzij kunnen zetten in het belang van [kind D] door niet negatief over haar te praten. Het hof overweegt dat voormelde zorg onverlet laat dat het toekomstperspectief van [kind C] , [kind D] en [kind E] niet meer bij de moeder ligt, zoals ter zitting ook door haar is onderkend. De kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing dragen naar hun aard een tijdelijk karakter. De huidige stand van zaken verzet zich dan ook tegen het laten voortduren van die kinderbeschermingsmaatregelen. Dat ten aanzien van [Y] geen gezagsbeëindigende maatregel is verzocht maakt dat niet anders, nu, gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.7 heeft overwogen, zijn relatie tot de kinderen een andere is. [kind C] , [kind D] en [kind E] hebben ook op grond van de artikelen 3 en 20 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) recht op duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief, dat gezien de huidige situatie bij hun pleegouders ligt, en op een ongestoorde hechting aan en ontwikkeling bij hun pleegouders. Naar het oordeel van het hof weegt hun belang bij stabiliteit in hun huidige opvoedingssituatie, bij duidelijkheid over hun toekomstperspectief en bij voortzetting van een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder om met het gezag belast te blijven. Het hof overweegt daarnaast dat beëindiging van gezag van de moeder zal zorgen voor rust en duidelijkheid en aldus hopelijk zal bijdragen aan verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders. Blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft dit punt de serieuze aandacht van de GI."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2019, 200.250.478/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:2260
Ondertoezichtstelling (en uitstapjes met kinderen)
“De eerste prejudiciële vraag
2.7.1
De eerste prejudiciële vraag (die is opgesplitst in deelvragen) stelt aan de orde (i) of – in het geval een minderjarige uit huis is geplaatst op de voet van art. 1:265b BW – de pleegouders toestemming dienen te verkrijgen van de ouders met gezag dan wel de gecertificeerde instelling voor een uitstapje of vakantie met de minderjarige en (ii) of – indien een geschil ontstaat over een voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige – een dergelijk geschil op grond van art. 1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd.
2.7.2
De onderhavige procedure betreft een minderjarige die onder toezicht is gesteld, uit huis is geplaatst en in een pleeggezin verblijft. De beantwoording van de vragen gaat daarom van die situatie uit. Zij geldt eveneens voor andere vormen van uithuisplaatsing zoals plaatsing bij gezinshuisouders of in een residentiële instelling, tenzij de bepalingen van de Jeugdwet zich daartegen verzetten.
2.7.3
Ten aanzien van de hiervoor in 2.7.1 onder (i) en (ii) weergegeven kwesties heeft het belang van de minderjarige steeds als uitgangspunt te gelden (art. 3 lid 1 IVRK) en wordt het volgende overwogen.
Ouderlijk gezag
2.8.1
Het gezag van de ouder met gezag omvat de plicht en het recht zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 lid 1 BW). Art. 1:247 lid 2 BW bepaalt onder meer dat onder verzorging en opvoeding mede worden verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.
2.8.2
De ouders met gezag bezitten bevoegdheden die zij voor de vervulling van de plicht en het recht tot verzorging en opvoeding nodig hebben. Deze bevoegdheden worden begrensd door onder meer de verschillende maatregelen van kinderbescherming (zie hierna in 2.9.1-2.10.3).
Ondertoezichtstelling
2.9.1
De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: (a) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en (b) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen (art. 1:255 lid 1 BW).
2.9.2
Art. 1:262 lid 1 BW bepaalt dat de gecertificeerde instelling toezicht houdt op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige, bedoeld in art. 1:255 lid 5 (inmiddels vernummerd tot lid 4) BW, binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen. De inspanningen van de gecertificeerde instelling zijn erop gericht de ouders of ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te laten dragen. Ingevolge art. 1:262 lid 3 BW bevordert de gecertificeerde instelling de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige.
2.9.3
De hiervoor in 2.9.2 genoemde bepalingen brengen tot uitdrukking dat ondertoezichtstelling erop is gericht aan ouders hulp te bieden bij het verzorgen en opvoeden van de minderjarige en dat voorkomen moet worden dat ouders de ondertoezichtstelling ervaren als het overnemen daarvan door instanties en het buitenspel zetten van hen als ouders.3
2.9.4
De gecertificeerde instelling kan in de in de wet beschreven gevallen ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige (art. 1:263 lid 1 BW). De met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige dienen een dergelijke schriftelijke aanwijzing op te volgen (art. 1:263 lid 2 BW). Ook kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen of te wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is (art. 1:265g lid 1 BW).
2.9.5
Wanneer de minderjarige onder toezicht wordt gesteld, behouden de ouders het gezag en daarmee de plicht en het recht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige.4 Ondertoezichtstelling kan weliswaar meebrengen dat het gezag van de ouders van de minderjarige door middel van een schriftelijke aanwijzing feitelijk wordt beperkt, maar dit betekent niet dat het gezag in zoverre bij de gecertificeerde instelling komt te berusten.5
2.9.6
Geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt, op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de minderjarige van twaalf jaar of ouder, de gecertificeerde instelling, degene die de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, of de zorgaanbieder of de aanbieder van de jeugdhulp als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet, waar de minderjarige is geplaatst (art. 1:262b BW).
Uithuisplaatsing
2.10.1
Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen (art. 1:265b lid 1 BW).
2.10.2
Bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing – en ook nadat deze machtiging is verleend – kan de kinderrechter op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter kan dit doen met betrekking tot: (a) de aanmelding van de minderjarige bij een onderwijsinstelling, (b) het geven van toestemming voor een medische behandeling van de minderjarige jonger dan twaalf jaar of van de minderjarige van twaalf jaar of ouder die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, of (c) het doen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning ten behoeve van de minderjarige (art. 1:265e lid 1 BW).
Indien de kinderrechter het noodzakelijk oordeelt dat het gezag ten aanzien van een van deze onderwerpen wordt uitgeoefend door de gecertificeerde instelling, verliezen de ouders het ouderlijk gezag ten aanzien van de onderwerpen waarvoor de beschikking wordt afgegeven. De gecertificeerde instelling verkrijgt het gezag ten aanzien van die onderwerpen en treedt dus in zoverre op als wettelijk vertegenwoordiger.6
2.10.3
Als een minderjarige uit huis is geplaatst, bepaalt de gecertificeerde instelling – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – de verblijfplaats van de minderjarige.7 Dit kan bijvoorbeeld een specifiek pleeggezin zijn. De gecertificeerde instelling moet ook in geval van uithuisplaatsing aandacht besteden aan het verbeteren van de mogelijkheden van de ouders om de minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden, opdat de uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk is.8
Positie pleegouders
2.11
Pleegouder is een persoon die een jeugdige die niet zijn kind of stiefkind is, als behorende tot zijn gezin verzorgt en daartoe een pleegcontract als bedoeld in art. 5.2 lid 1 Jeugdwet heeft gesloten met een pleegzorgaanbieder (art. 1.1 Jeugdwet). Pleegouders hebben de zeggenschap over de dagelijkse gang van zaken, maar belangrijke beslissingen – zoals het geven van toestemming voor een medische behandeling, de inschrijving op een school en het aanvragen van een paspoort – worden door de met het gezag beklede ouders genomen.9
Indien het gezag ten aanzien van een bepaald onderwerp is overgeheveld naar de gecertificeerde instelling (zie hiervoor in 2.10.2), kan het gezag ten aanzien van dit onderwerp alleen door de gecertificeerde instelling worden uitgeoefend. Het kan niet door de pleegouders worden uitgeoefend.
Antwoord op de eerste prejudiciële vraag
2.12.1
De wettelijke regeling van het ouderlijk gezag komt erop neer dat dit gezag, ook in geval van kinderbeschermingsmaatregelen zoals ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, berust bij de met gezag belaste ouders van de minderjarige en slechts kan worden beperkt en door de gecertificeerde instelling kan worden uitgeoefend ten aanzien van de drie hiervoor in 2.10.2 genoemde onderwerpen. In geval van een gedwongen uithuisplaatsing bepaalt de gecertificeerde instelling – binnen de grenzen van de rechterlijke machtiging – waar de minderjarige zijn verblijfplaats heeft.
2.12.2
Bij uithuisplaatsing in een pleeggezin behoort tot de taken van de pleegouders als hiervoor in 2.11 omschreven in beginsel ook het nemen van beslissingen over uitstapjes en vakanties met de minderjarige. Hiervoor behoeven de pleegouders dus geen toestemming van de met het gezag belaste ouders.
2.12.3
Wel oefent de gecertificeerde instelling gedurende de uithuisplaatsing toezicht uit en dient zij aandacht te besteden aan het verbeteren van de mogelijkheden van de ouders met gezag om de minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden opdat uithuisplaatsing niet langer duurt dan noodzakelijk. In dat kader dient de gecertificeerde instelling ook ervoor te zorgen dat een omgangsregeling tussen de ouders met gezag en de minderjarige wordt nageleefd. Om deze taken te kunnen uitoefenen, dient de gecertificeerde instelling te kunnen ingrijpen indien de uitvoering van een omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag wordt geraakt door een door de pleegouders voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige.
2.12.4
In het licht van het voorgaande dienen de pleegouders een voorgenomen uitstapje of vakantie met de minderjarige binnen of buiten Nederland aan de gecertificeerde instelling te melden indien de uitvoering van de omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag daardoor wordt geraakt, opdat de gecertificeerde instelling hiervoor toestemming kan verlenen of weigeren, met als uitgangspunt het belang van de minderjarige. Voorgenomen uitstapjes en vakanties met de minderjarige binnen of buiten Nederland die de omgangsregeling van de minderjarige met de ouders met gezag niet raken, behoeven de pleegouders niet aan de gecertificeerde instelling te melden en daarvoor behoeven zij geen toestemming te verkrijgen, tenzij de gecertificeerde instelling de pleegouders heeft laten weten dat – gezien haar toezichthoudende taak – ook daarvoor haar toestemming vooraf moet worden verkregen.
Het voorgaande doet niet af aan de regels ter preventie van internationale kinderontvoering die gelden voor het reizen naar het buitenland met een minderjarige.
2.12.5
Geschillen over de hiervoor in 2.12.4 bedoelde kwesties betreffen de uitvoering van de ondertoezichtstelling en kunnen aan de kinderrechter worden voorgelegd op grond van art. 1:262b BW.”
HR 21 mei 2021, 20/03359, ECLI:NL:HR:2021:748
Teruggeleiding van minderjarige kinderen naar de verblijfplaats van de ouder in het buitenland
"26. Het hof is van oordeel dat het beroep van de moeder op bovenstaande verdragsartikelen niet kan slagen. Het hof motiveert dat als volgt. Degene die zich beroept op een weigeringsgrond draagt de stelplicht en de bewijslast terzake de voor de weigeringsgrond relevante feiten en omstandigheden (HR 14 juli 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6532). Bovendien geldt dat de weigeringsgronden door de rechter restrictief moeten worden uitgelegd (HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1500). Gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van de vader, heeft de moeder haar stelling dat in geval van teruggeleiding er een ernstig risico bestaat dat de minderjarigen worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand worden gebracht, onvoldoende onderbouwd. Voor het hof is niet vast komen te staan dat de terugkeer van de minderjarigen een ernstig risico op een lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel een ondragelijke toestand oplevert zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 onder b HKOV. Ook doet zich niet de situatie voor dat de minderjarigen bij een terugkeer naar Spanje gescheiden zullen worden van de moeder. Andere omstandigheden die in het kader van de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder b HKOV een terugkeer in de weg zouden kunnen staan, zijn door de moeder niet gesteld en evenmin anderszins gebleken. Het beroep van de moeder op de overige verdragsbepalingen (artikel 20 HKOV, artikel 3 IVRK en artikel 8 EVRM) kan haar evenmin baten, nu zij onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die maken dat deze verdragsbepalingen een teruggeleiding van de minderjarigen naar Spanje in de weg staan. Hetzelfde geldt voor het beroep van de moeder op artikel 11 lid 4 Brussel II-bis. Bij dit alles neemt het hof in overweging dat door de vader schriftelijk en mondeling ter zitting is bevestigd dat hij voor de benodigde voorzieningen zal zorgdragen wanneer de moeder en de minderjarigen naar Spanje zullen terugkeren.
De teruggeleiding
27. De vader heeft verzocht de terugkeer van de minderjarigen te gelasten naar [woonplaats vader] , Spanje. Nu de moeder geen verweer heeft gevoerd tegen [woonplaats vader] als teruggeleidingslocatie en in hoger beroep niet is gebleken van omstandigheden die maken dat een teruggeleiding naar [woonplaats vader] niet in het belang is van de minderjarigen, zal het hof de terugkeer van de minderjarigen naar [woonplaats vader] , Spanje, gelasten."
Gerechtshof Den Haag 3 april 2019, 200.254.667/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:758
Kinderen zijn de verantwoordelijkheid van hun ouders
"6. Eiseres heeft, ten slotte, aangevoerd dat door de terugvordering het recht van eiseres en haar minderjarig kind op een behoorlijke levensstandaard wordt geschonden. Er is strijd met bepalingen in het Internationaal verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De rechtbank stelt vast dat op grond van vaste rechtspraak, zoals de uitspraak van de CRvB van 23 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:230) de verdragsbepalingen uit het IVESCR eiseres geen rechtstreekse bescherming bieden, omdat het niet eenieder verbindende bepalingen in de zin van artikel 94 van de Grondwet bevat. Ditzelfde geldt voor het IVRK, zoals blijkt uit de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2321. Niet is gebleken dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 3 van het IVRK. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de eerste verantwoordelijkheid voor de zorg van een kind bij de ouder(s) ligt. Het beroep van eiseres op deze verdragsbepalingen treft dus geen doel."
Rb. Zeeland-West-Brabant 2 december 2019, BRE 18_8302, ECLI:NL:RBZWB:2019:5433
Kostendelersnorm Participatiewet
“4.9.2. Appellant heeft de beroepsgrond dat sprake is van onvoldoende middelen van bestaan om in het levensonderhoud van hem en zijn kinderen te voorzien niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd, ondanks daartoe tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening uitdrukkelijk in de gelegenheid te zijn gesteld. Appellant heeft slechts een overzicht van zijn schulden overgelegd. Een overzicht van het besteedbaar inkomen ontbreekt. Appellant staat onder beschermingsbewind. Hij stelt dat zijn gezin moet rondkomen van leefgeld van € 60,- per week. Hij heeft deze stelling echter niet met stukken onderbouwd. Verder heeft hij nagelaten in overleg te treden met de bewindvoerder over de hoogte van het leefgeld. Onduidelijk is daarom of een verhoging van de bijstand door afstemming ten goede zou komen aan de kinderen van appellant of aan de schuldeisers. Evenmin is duidelijk in hoeverre appellant in aanmerking komt voor een alo-kop op grond van de Toeslagenwet. Appellant stelt dat hij hiervoor niet in aanmerking komt, gelet op de verblijfsstatus van [A], maar uit gegevens van het college die zijn verkregen naar aanleiding van een heronderzoek blijkt dat appellant wel een kindgebonden budget op grond van de Wet op het kindgebonden budget ontvangt en de verblijfsstatus van [A] daaraan kennelijk niet in de weg staat. Gelet op deze onduidelijkheid heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW dient te worden afgeweken van de kostendelersnorm. Nu appellant geen enkel inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven, is reeds daarom niet vast te stellen of de artikelen 3 en 27 van het IVRK en 3 van het EVRM zijn geschonden, nog daargelaten dat artikel 27 van het IVRK geen normen bevat die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij daartoe niet voldoende concreet zijn en derhalve nadere uitleg in nationale wet- en regelgeving behoeven. De hier besproken beroepsgrond slaagt dan ook niet.”
CRvB 13 februari 2018, 16/6787 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:408
"5.8.De beroepsgrond dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het IVRK slaagt evenmin.
5.8.1.Artikel 3 van het IVRK heeft slechts rechtstreekse werking voor zover het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:105.
5.8.2.Gelet op de door het college verstrekte bijzondere bijstand ter compensatie van de gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm en de bijzondere bijstand ter overbrugging van de periode waarin de Belastingdienst nog geen ALO-kop voor appellant had vastgesteld, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van appellant."
CRvB 7 november 2017, 16/6108 PW, ECLI:NL:CRVB:2017:4021
Gezinsbijstand
"4.3. Wat betreft het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) wijst de Raad erop dat hier gezinsbijstand is aangevraagd. Voor het overige verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 januari 2006 (LJN AV0197) waarin de Raad met het oog op de aanvaardbaarheid van toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op kinderen een onderscheid heeft gemaakt tussen gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) rechtmatig in Nederland verblijven doch niet tot Nederland zijn toegelaten, en gevallen waarin de kinderen (en hun ouders) niet rechtmatig in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 hier te lande verblijven. De Raad heeft de toepassing van artikel 16, tweede lid, van de WWB op deze laatste categorie van kinderen ook tegen de achtergrond van het IVRK in beginsel een evenredig middel geacht ter verwezenlijking van de doelstelling van de koppelingswetgeving. Ter zitting van de Raad kon de gemachtigde van appellanten geen uitsluitsel geven over de vraag of aan de minderjarige kinderen ten tijde in geding een financiële toelage is verleend op basis van de door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) uitgevoerde Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb). In dit verband heeft de gemachtigde gesteld dat er perioden zijn dat appellanten rechtmatig en perioden waarin zij onrechtmatig in Nederland verbleven. Voor zover zij rechtmatig in Nederland verbleven hadden de kinderen in beginsel aanspraak kunnen maken op een uitkering ingevolge de Rvb. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 20 juli 2010 (LJN BN3318) waarin hij oordeelt dat deze Rvb een passende en toereikende voorziening vormt in de zin van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB en dat de Rvb in beginsel aan (gedeeltelijke) bijstandsverlening aan de kinderen van appellanten in de weg staat. Voorts heeft de Raad in die uitspraak geoordeeld dat de verplichting van de Staat om in de omstandigheden van appellant recht te doen aan de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK op het bestuursorgaan rust dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Dat betekent dat het COA dient te beoordelen of een eventuele aan de kinderen van appellanten op grond van de Rvb verleende financiële toelage, bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK, toereikend is."
CRvB 2 november 2010, 09-6535 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2987
Bijzondere bijstand
"Artikel 3 van het IVRK
4.10.
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat een belangenafweging in het kader van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind zou moeten leiden tot toekenning van de gewenste compensatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.10.1.
Het college heeft bij het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van de zoon van appellante. Hij ontving een aanvullende beurs en had de mogelijkheid om, in aanvulling hierop, een lening bij de DUO af te sluiten. Bovendien is niet gebleken dat hij ernstig in zijn ontwikkeling is bedreigd door de afwijzing van de aanvraag om bijstand van appellante en dat daarom aan appellante in aanvulling op haar inkomen en dat van haar zoon bijstand zou moeten worden verstrekt.
4.11.
Uit 4.1 tot en met 4.10.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding."
CRvB 12 mei 2022, 20/1631 PW, ECLI:NL:CRVB:2022:1004
Koppelingsbeginsel
"Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke mate van waarschijnlijk-heid dat de Raad laatstgenoemde bepaling in de hier aan de orde zijnde bodemzaken ten aanzien van verzoekers buiten toepassing zal moeten laten. Hij baseert zich daarbij op de tekst van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK en op de op deze artikelen verschenen commentaren van het Comité voor de rechten van het kind. De in de Engelse verdragstekst voorkomende woorden "without discrimination of any kind, irrespective of the child's or his or her parents or legal guardian's (…) status" in artikel 2, eerste lid, van het IVRK, bezien in samenhang met de andere zojuist genoemde bepalingen, wijzen er op dat het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen."
CRvB 8 augustus 2005, 05-3801 WWBVV + 05-3803 WWBVV, ECLI:NL:CRVB:2005:AU0687
Uitleg dringende reden voor de bijstand
"4.2.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0734), moet het begrip ‘zeer dringende redenen’ in artikel 16, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK worden uitgelegd. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders, die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële voor hun minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen. Indien deze situatie zich voordoet, komt het minderjarige kind een individueel recht toe op algemene bijstand, waarbij, wat betreft de hoogte van de bijstand, aansluiting dient te worden gezocht bij de norm voor een alleenstaande van achttien, negentien of twintig jaar als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verder dient het college gelet op het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde afstemmingsvereiste, aan de hand van de individuele omstandigheden van betrokkene, waaronder zijn woonsituatie, en mede gelet op artikel 27, derde lid, van het IVRK te bezien welk bedrag aan bijstand is aangewezen. Deze rechtspraak heeft onder de PW haar betekenis behouden."
CRvB 9 oktober 2018, 16-1092 PW, ECLI:NL:CRVB:2018:3080
"Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er een redelijke mate van waarschijnlijk-heid dat de Raad laatstgenoemde bepaling in de hier aan de orde zijnde bodemzaken ten aanzien van verzoekers buiten toepassing zal moeten laten. Hij baseert zich daarbij op de tekst van de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK en op de op deze artikelen verschenen commentaren van het Comité voor de rechten van het kind. De in de Engelse verdragstekst voorkomende woorden "without discrimination of any kind, irrespective of the child's or his or her parents or legal guardian's (…) status" in artikel 2, eerste lid, van het IVRK, bezien in samenhang met de andere zojuist genoemde bepalingen, wijzen er op dat het koppelingsbeginsel geen voldoende rechtvaardiging kan vormen voor het geheel uitsluiten van de mogelijkheid om uitsluitend ten behoeve van de minderjarige kinderen bijstand te verlenen in een situatie dat hun om deze bijstand vragende niet-rechthebbende ouders zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor de minderjarige kinderen noodzakelijke kosten te betalen."
CRvB 8 augustus 2005, 05-3801 WWBVV + 05-3803 WWBVV, ECLI:NL:CRVB:2005:AU0687
"Met betrekking tot de kinderen overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder e, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die, zoals de kinderen van appellante, jonger is dan 18 jaar. Artikel 11, eerste lid, van de Abw maakt hierop een uitzondering voor Nederlanders en vreemdelingen, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw. Op grond daarvan is gedaagde bevoegd bijstand te verlenen aan een persoon die jonger is dan 18 jaar, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Aangezien het hier gaat om minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit dient de beantwoording van de vraag of sprake was van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 170, hierna: het IVRK). De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 29 maart 2005, LJN AT3468.
Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat niet is gebleken dat voorzien was in een onderhoudsbijdrage van de vader ten behoeve van de kinderen. Verder is niet gebleken dat appellante over middelen beschikte om de kosten van voeding en kleding van de kinderen en andere essentiële, voor hen noodzakelijke kosten te betalen. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen zelf over in aanmerking te nemen middelen beschikten dan wel redelijkerwijs hadden kunnen beschikken.
Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat ten aanzien van de kinderen sprake was van zeer dringende redenen, zodat in dit geval de uitzonderingsbevoegdheid van artikel 11, eerste lid, van de Abw om bijstand aan de kinderen te verlenen wel aanwezig was. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 18 juni 2002 wegens strijd met de wet vernietigen voorzover daarbij bijstand is geweigerd aan de kinderen en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad."
CRvB 5 juli 2005, 03/4242 NABW, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9963
"De beantwoording van de vraag of sprake was van zeer dringende redenen dient in dit geval te worden bezien in het licht van de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK, aangezien het hier gaat om een minderjarig kind van Nederlandse nationaliteit.
Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat ten tijde van de aanvraag om bijstand door de rechtbank nog niet was voorzien in een onderhoudsbijdrage van de vader ten behoeve van appellant. De met ingang van 30 januari 2002 door de rechtbank aan de vader opgelegde onderhoudsbijdrage was in ieder geval niet voldoende om de primaire kosten van voeding en kleding van appellant te kunnen betalen. Die bijdrage is bovendien niet inbaar gebleken. Omdat de financiële toelage waarop de moeder van appellant op grond van de Rvb vanaf juni 2000 recht had 20% lager was dan de bijstandsuitkering voor een rechthebbende alleenstaande ouder in vergelijkbare omstandigheden, was ook zij ten tijde hier van belang onvoldoende in staat de kosten van voeding en kleding van appellant of andere essentiële, voor hem noodzakelijke kosten te (blijven) betalen. Gesteld noch gebleken is dat appellant zelf eigen middelen had. Hij was niet verzekerd tegen ziektekosten."
CRvB 29 maart 2005, 03/1458 NABW, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468
Uitleg dringende redenen als bedoeld in artikel 16 WWB
"4.3.Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16,eerste lid, van de WWB zich voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
4.4.Omdat appellante een minderjarig kind is met de Nederlandse nationaliteit, dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Vergelijk de uitspraken van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468, en 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2780.
4.5.Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 20 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3318), is van zeer dringende redenen sprake indien de ouders van het kind niet de middelen hebben om in de meest elementaire levensbehoeften van het kind te voorzien. Gelet op voormelde bepalingen van het IVRK gaat het hierbij met name om voeding, kleding en huisvesting."
CRvB 27 november 2016, 15/6492 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:5033
"4.1.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft een persoon die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand. Het college was daarom in beginsel niet bevoegd de aanvraag om bijstand van appellante toe te kennen.
4.2.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
4.3.
Omdat appellante een minderjarig kind is van Nederlandse nationaliteit, dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB2005:AT3468)."
CRvB 19 augustus 2014, 13-631 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:2780
"4.8. Aangezien het hier gaat om minderjarige kinderen van Nederlandse nationaliteit dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in dit geval te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het IVRK. In dit verband word verwezen naar de uitspraak van de Raad van 29 maart 2005, LJN AT3468.
4.9. Hetgeen door appellanten is aangevoerd vormt geen zeer dringende reden in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB zoals dat begrip in het licht van de van belang zijnde bepalingen van het IVRK moet worden uitgelegd. Hierbij wordt van belang geacht dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij over onvoldoende middelen beschikten om te voorzien in de kosten van voeding en kleding en andere voor de kinderen essentiële noodzakelijke kosten te (blijven) betalen en overigens ook niet gebleken is dat de kinderen van essentiële voorzieningen verstoken waren."
CRvB 12 mei 2012, 10-6155 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4636
"4.5. Met betrekking tot de vervolgens te beoordelen vraag of in het geval van appellant sprake was van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, overweegt de Raad het volgende. In de onder 4.4 vermelde uitspraak heeft de Raad onder meer overwogen dat hij in zijn rechtspraak betreffende de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw) reeds enkele malen heeft beslist dat het in artikel 11, eerste lid, van de Abw voorkomende begrip zeer dringende redenen ten aanzien van minderjarige kinderen conform het bepaalde in de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 27, derde lid, van het IVRK moet worden uitgelegd (zie de uitspraken van 29 maart 2005, LJN AT3468, 14 juni 2005, LJN AT8038 en 5 juli 2005, LJN AT9963) en dat hij geen aanleiding ziet om daarover anders te oordelen onder de werking van artikel 16, eerste lid, van de WWB. Hierin ligt besloten dat van zeer dringende redenen sprake is indien de ouders die zelf geen recht op bijstand hebben, zelf niet in staat zijn de kosten van voeding, kleding en andere essentiële, voor hun minderjarige kind(eren) noodzakelijke kosten te betalen."
CRvB 6 oktober 2009, 08/4290 WWB + 08/4292 WWB, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0734
De export van uitkeringen: Onderscheid tussen landen waarmee een Verdrag is gesloten en landen waarmee geen verdrag is gesloten
"5.8. Namens appellante is ten slotte een beroep gedaan op artikel 3 van het IVRK. Ten aanzien van dit beroep merkt de Raad op dat, afgezien van de vraag of het beroep op deze bepaling ertoe kan leiden dan aan appellante kinderbijslag moet worden toegekend, de verschillende behandeling met betrekking tot kinderen woonachtig in een land waarmee wel of niet een verdrag is gesloten ten aanzien de exporteerbaarheid van kinderbijslag, is terug te voeren op het oogmerk van de wetgever uitkeringen naar het buitenland (of ten behoeve van kinderen in het buitenland) beter te handhaven. Het belang van het kind doet daar niet aan af."
CRvB 5 augustus 2011, 09-5289 AKW, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4785
'Onderwijs' in de zin van artikel 3 IVRK
"4.6.
De Raad volgt appellant hierin niet. Gelet op de tekst van en de toelichting bij artikel 19a van de WOOS valt niet in te zien hoe de activiteiten van appellant op het[naam centrum] zijn aan te merken als het volgen van onderwijs. Appellant ontvangt daar op basis van een verstrekte AWBZ-indicatie zorg. Ook uit de bij de aanvraag gevoegde informatie van MEE en het KDC De Kring valt niet op te maken dat de activiteiten van appellant op het
[naam centrum] zijn aan te merken als het volgen van onderwijs.
4.7.
Uit hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant buiten de personenkring van artikel 19a van de WOOS valt, omdat appellant geen onderwijs volgt. Daargelaten de vraag of deze bepalingen rechtstreekse werking hebben, wordt dit niet anders als het begrip onderwijs wordt uitgelegd in het licht van artikel 3 van het IVRK en de andere bepalingen van het IVRK en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarop appellant in hoger beroep heeft gewezen. Deze beroepsgrond faalt derhalve."
CRvB 23 juli 2014, 13-2406 OCWSUB, ECLI:NL:CRVB:2014:2489
De relatie tussen artikel 3, tweede lid en artikel 18 IVRK
"Artikel 3, tweede lid, van het IVRK bepaalt, dat de staten zich verbinden het kind te verzekeren van bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, doch rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders. De rechtbank stelt voorop dat de zorg voor een kind ligt bij de ouders. Gewezen kan worden op artikel 18, eerste lid, IVRK, waarin er nog eens nadrukkelijk op wordt gewezen, dat ouders de eerste verantwoordelijkheid hebben voor de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind. Niet valt in te zien dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gevolgen die zijn weigerachtige houding ten opzichte van het accepteren van gangbare arbeid bewerkstelligen voor het ontvangen van een bijstandsuitkering en daarmee de omvang van de zorg voor zijn zoon. De conclusie uit het bovenstaande is, dat in een geval als het nu voorliggende, het IVRK geen inbreuk maakt op de WWB en dat verweerder op grond van dat verdrag niet gehouden is af te zien van de maatregel of de maatregel te matigen."
CRvB 21 september 2011, 09-773 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2905
Opstellen geboorteakte in het belang van het kind
"5. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [kind] niet in Nederland is geboren en geen gelegaliseerde geboorteakte kan overleggen. Het hof kan in dit geval op grond van artikel 1:25c van het Burgerlijk Wetboek de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen indien [kind] Nederlandse is. Het hof overweegt dat [kind] op grond van artikel 3 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap Nederlandse is nu met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat dat verzoekster de moeder is van [kind] en vaststaat dat verzoekster ten tijde van de bevalling Nederlandse was. Voorts is het hof van oordeel dat verzoekster in hoger beroep voldoende gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt onder welke omstandigheden en op welk tijdstip [kind] is geboren. Het hof neemt hierbij in overweging dat het voor verzoekster niet mogelijk is meer gegevens over te leggen dan zij in hoger beroep heeft gedaan. Het hof is met de moeder en de ambtenaar van oordeel dat artikel 3 IVRK met zich meebrengt dat de belangen van [kind] in onderhavige procedure voorop dienen te staan. Het hof zal op grond van het voorgaande het verzoek van verzoekster toewijzen en de voor het opmaken van een geboorteakte noodzakelijke gegevens vaststellen overeenkomstig hetgeen in het dictum van deze beschikking is neergelegd. Voorts zal het hof de ambtenaar gelasten de geboorteakte aan de hand van na te noemen gegevens op te maken en in te schrijven in het geboorteregister van de gemeente ’s-Gravenhage. Het hof zal het verzoek om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afwijzen nu de onderhavige procedure zich niet leent voor een uitvoerbaar bij voorraad verklaring."
Hof Den Haag 16 juli 2008, 105.011.357/01, ECLI:NL:GHSGR:2008:BG6759
Bepaling leeftijd minderjarige
“12.9 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age determination process undergone by the author, who claimed to be a child and who later provided evidence to support this claim, was not accompanied by the safeguards needed to protect his rights under the Convention. In the circumstances of the present case, in particular the examination used to determine the author’s age, the absence of a representative to assist him during this process and the almost automatic dismissal of the probative value of the birth certificate provided by the author, without the State party having even formally assessed the data and, in the event of uncertainty, having that data confirmed by the Algerian consular authorities, the Committee is of the view that the best interests of the child were not a primary consideration in the age determination process undergone by the author, in breach of articles 3 and 12 of the Convention.”
HRC 10 juli 2019, CRC/C/81/D/16/2017 (A.L. - Spanje)
"10.16 In the light of the foregoing, the Committee considers that the age assessment procedure undergone by the author, who claimed to be a child, lacked the safeguards necessary to protect his rights under the Convention. In the circumstances of the present case, this is a result of the failure to take into consideration the original copy of the author’s official birth certificate issued by a sovereign country, his being declared an adult when he refused to undergo age assessment tests and the failure to appoint a guardian to assist him during the age assessment procedure. Therefore, the Committee considers that the best interests of the child were not a primary consideration in the age assessment procedure undergone by the author, which constitutes a violation of articles 3 and 12 of the Convention."
HRC 10 maart 2020, CRC/C/83/D/21/2017 (A.D. - Spanje)
Geen vernietiging erkenning in het belang van het kind
"5.4
De belangen van [kind] dienen hierbij de eerste overweging te vormen (artikel 3 IVRK).
De belangen van [kind] zijn gelegen in het behoud van haar identiteit en alle gevolgen die aan het vaderschap verbonden zijn. Als de erkenning wordt vernietigd, wordt deze geacht nimmer gevolg te hebben gehad. De beslissing heeft dan terugwerkende kracht. [kind] wordt dan geacht nimmer de man als vader te hebben gehad. De gevolgen die aan het vaderschap van de man verbonden zijn, zijn dan achteraf bezien niet ingetreden. Zo zal haar naam veranderen van [geslachtsnaam vader] in [geslachtsnaam moeder] en zal het ouderlijk gezag van de man komen te vervallen, omdat het gezag aan het ouderschap is gekoppeld en de man dan nooit de vader is geweest.
[kind] voelt een warme hechtingsband met de man en zij wil ondanks alles dat hij haar vader blijft. De raad heeft op de zitting verklaard dat alleen al door het starten van deze procedure door de man veel schade is berokkend aan [kind] . Bovendien bevindt [kind] zich met haar 15 jaar midden in haar identiteitsontwikkeling. Vernietiging van het juridisch vaderschap van de man die zij haar hele leven als haar vader heeft gezien heeft zodanig verstrekkende gevolgen voor haar identiteit dat dit, zeker op dit moment in haar leven, niet in het belang van [kind] wordt geacht. Op grond van artikel 1:205 lid 4 BW kan zij, indien [kind] dat later zelf nog zou wensen, tot drie jaar nadat zij meerderjarig is geworden zelf een verzoek indienen tot vernietiging van de erkenning.
Het belang van de vader bij vernietiging van de erkenning is, zoals de vader zelf verklaard heeft op de zitting, dat alle banden tussen hem en [kind] worden doorgehaald, nu de verhoudingen met de moeder ernstig verstoord zijn en omdat [kind] zelf geen contact meer met hem wil.
De belangen van de moeder zijn gelijk aan de belangen van [kind] .
De geschetste belangen van [kind] bij het behoud van het vaderschap van de man zijn naar het oordeel van het hof zo groot dat het belang van de man bij vernietiging van de erkenning daar niet tegenop weegt."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2019, 200.259.988, ECLI:NL:GHARL:2019:7767
De processuele consequenties van artikel 3 IVRK
"3.9.2.
Het gaat in deze zaak om een kinderbeschermingsmaatregel te weten de beëindiging van het gezag van de vader over de drie jongste kinderen. Gezagsbeëindiging is een zeer ingrijpende maatregel.
Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), houdt in dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen.
Hoewel de gang van zaken omtrent de complementering van de processtukken van de eerste aanleg in de visie van het hof geen schoonheidsprijs verdient en zelfs laakbaar genoemd kan
worden, zal het hof gelet op het feit dat het hier om een gezagsbeëindigende maatregel gaat waarbij de belangen van het kind de eerste overweging vormen, de vader alsnog in de
gelegenheid stellen om de hierna door het hof te noemen stukken over te leggen.
3.9.3.
Het hof zal dan ook het verzoek van de vader tot aanhouding toewijzen en de vader alsnog toelaten tot het overleggen van het complete procesdossier in eerste aanleg.
Teneinde misverstanden te voorkomen bepaalt het hof dat door de vader dienen te worden overgelegd:
- alle stukken genoemd onder 1.1. van de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 mei 2018, inclusief bijlagen;
- het proces-verbaal van het behandelde ter zitting van de rechtbank op 19 april 2018.
Het hof gaat ervan uit dat aan het inleidend verzoekschrift een raadsrapport ten grondslag ligt. Zekerheidshalve wijst het hof er nog op dat naast de rapportage van de raad die ten grondslag ligt aan het verzoek tot beëindiging van het gezag dat de raad in eerste aanleg heeft ingediend, tevens de aanvullende rapportage van de raad zoals blijkt uit de brief van de raad aan de rechtbank van 15 september 2017 en de brief van de raad aan de rechtbank van 27 februari 2018 overgelegd dienen te worden."
Hof Den Bosch 31 december 2018, 200.244.615_01, ECLI:NL:GHSHE:2018:5238
Omgangsregeling
"5.6
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling in stand dient te blijven. De communicatie tussen de ouders is tot op heden onvoldoende om tot de door de man verzochte uitbreiding over te gaan. De slechte communicatie tussen de ouders heeft zijn directe weerslag op [de minderjarige] . Zij ervaart veel spanningen en stress rondom de omgang met de man. Zo vertelt zij aan de vrouw niet(s) over de tijd die zij bij hem doorbrengt. Dit duidt op een loyaliteitsconflict en is voor [de minderjarige] een manier om om te gaan met de zeer verschillende werelden van de ouders. Door de spanningen die [de minderjarige] ervaart, is zij thans niet in staat om vaker of meer tijd bij de man door te brengen, laat staan dat zij bij hem kan overnachten. Dit laatste roept bovendien al jaren veel weerstand bij haar op. Van haar kan dan ook niet worden verwacht daartoe te worden gedwongen. Het hof deelt de vrees van de raad dat dwang hoogstwaarschijnlijk tot nog meer weerstand zal leiden, vermoedelijk resulterend in een totale afkeer van omgang met de man. Hoe invoelbaar de wens van de man tot uitbreiding van het contact met [de minderjarige] ook moge zijn, zijn verzoek tot uitbreiding van de omgang komt hoofdzakelijk voort uit zijn eigen belang. De man ziet dientengevolge tot op heden het belang van [de minderjarige] over het hoofd, terwijl hij naar aanleiding van de bestreden beschikking en het advies van de bijzondere curator zou werken aan het leren zich te verplaatsen in [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man tot op heden geen hulpverlening hierbij heeft geaccepteerd. Ook heeft de man zich tot op heden onvoldoende ingezet voor verbetering van de communicatie tussen hem en de vrouw, zoals eveneens door de bijzondere curator is geadviseerd. In het belang van [de minderjarige] dienen de ouders te werken aan hun onderlinge communicatie door middel van hulpverlening, bijvoorbeeld van [de orthopedagoog] . Het is de verwachting van het hof dat de omgang met de man hierdoor prettiger en beter zal gaan verlopen voor [de minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegezegd na afloop van dit hoger beroep contact op te nemen met (een hulpverlener als) [de orthopedagoog] teneinde gezamenlijk met de vrouw te werken aan de onderlinge communicatie. Ter zitting in hoger beroep is afgesproken dat de man hiertoe het initiatief neemt.
5.7
Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake."
Gerechtshof Amsterdam 9 februari 2021, 200.273.628/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:360
“5.6 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgangsregeling in stand dient te blijven. De communicatie tussen de ouders is tot op heden onvoldoende om tot de door de man verzochte uitbreiding over te gaan. De slechte communicatie tussen de ouders heeft zijn directe weerslag op [de minderjarige] . Zij ervaart veel spanningen en stress rondom de omgang met de man. Zo vertelt zij aan de vrouw niet(s) over de tijd die zij bij hem doorbrengt. Dit duidt op een loyaliteitsconflict en is voor [de minderjarige] een manier om om te gaan met de zeer verschillende werelden van de ouders. Door de spanningen die [de minderjarige] ervaart, is zij thans niet in staat om vaker of meer tijd bij de man door te brengen, laat staan dat zij bij hem kan overnachten. Dit laatste roept bovendien al jaren veel weerstand bij haar op. Van haar kan dan ook niet worden verwacht daartoe te worden gedwongen. Het hof deelt de vrees van de raad dat dwang hoogstwaarschijnlijk tot nog meer weerstand zal leiden, vermoedelijk resulterend in een totale afkeer van omgang met de man. Hoe invoelbaar de wens van de man tot uitbreiding van het contact met [de minderjarige] ook moge zijn, zijn verzoek tot uitbreiding van de omgang komt hoofdzakelijk voort uit zijn eigen belang. De man ziet dientengevolge tot op heden het belang van [de minderjarige] over het hoofd, terwijl hij naar aanleiding van de bestreden beschikking en het advies van de bijzondere curator zou werken aan het leren zich te verplaatsen in [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de man tot op heden geen hulpverlening hierbij heeft geaccepteerd. Ook heeft de man zich tot op heden onvoldoende ingezet voor verbetering van de communicatie tussen hem en de vrouw, zoals eveneens door de bijzondere curator is geadviseerd. In het belang van [de minderjarige] dienen de ouders te werken aan hun onderlinge communicatie door middel van hulpverlening, bijvoorbeeld van [de orthopedagoog] . Het is de verwachting van het hof dat de omgang met de man hierdoor prettiger en beter zal gaan verlopen voor [de minderjarige] .
Ter zitting in hoger beroep heeft de man toegezegd na afloop van dit hoger beroep contact op te nemen met (een hulpverlener als) [de orthopedagoog] teneinde gezamenlijk met de vrouw te werken aan de onderlinge communicatie. Ter zitting in hoger beroep is afgesproken dat de man hiertoe het initiatief neemt.
5.7 Uit het voorgaande volgt dat in dit geval de inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is, omdat deze noodzakelijk is en tevens evenredig is aan het doel van de bescherming van de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige] . Het beroep van de man op artikel 8 EVRM faalt. Van schending van artikel 3 IVRK, is gelet op het voorgaande, evenmin sprake.”
Gerechtshof Amsterdam 9 februari 2021, 200.273.628/01, ECLI:NL:GHAMS:2021:360
Ambtshalve schorsing ouderlijk gezag
"6.1 Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) is de voorzieningenrechter overgegaan tot schorsing van de man in het ouderlijk gezag. In zijn vierde grief heeft de man zich tegen deze beslissing gekeerd. Deze grief slaagt om de volgende reden.
6.2
In artikel 3 IVRK eerste lid is kortgezegd bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Deze ruim geformuleerde norm biedt zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving geen basis voor het geven van het door de man bestreden, ambtshalve gegeven oordeel. De Nederlandse rechter heeft ook niet op andere gronden de mogelijkheid om het ouderlijk gezag in situaties als deze ambtshalve te schorsen. Evenmin is naar intern Nederlands recht schorsing van het gezag op vordering of verzoek van de mede gezaghebbende ouder mogelijk. De grief van de vrouw, die is gericht tegen de om die reden uitgesproken niet-ontvankelijkheid ten aanzien van haar schorsingsverzoek, kan daarom geen doel treffen."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 december 2015, 200.177.842/01, ECLI:NL:GHARL:2015:9118
Ontbinding huurovereenkomst door de rechter ten laste van de huurder
"5. De zeven grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter volgens [appellante] in het kader van de benodigde belangenafweging tussen de belangen van Woonstad bij ontbinding van de huurovereenkomst en de belangen van [appellante] bij voortzetting daarvan de belangen van [appellante] ten onrechte te licht heeft gewogen. [appellante] beroept zich daarbij op art. 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en art. 3 van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van het kind (IVRK).
6. Bij de beoordeling van de grieven is uitgangspunt dat Woonstad op grond van het (onherroepelijk geworden) besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning op grond van art. 7:231, tweede lid, BW bevoegd was om de huurovereenkomst te ontbinden. Daarover bestaat ook tussen partijen geen discussie.
7. Woonstad vordert primair een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden is.
Anders dan bij de beoordeling van de subsidiaire vordering strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst door de rechter op grond van art. 6:265, eerste lid, BW is voor een ontbinding van de huurovereenkomst op grond van art. 7:231, tweede lid, BW niet vereist dat de huurder tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst. Het enkele feit dat in de woning in strijd is gehandeld met art. 2 of 3 van de Opiumwet en de woning daarom op grond van art. 13b van die wet door de burgemeester is gesloten, geeft de verhuurder de bevoegdheid de huurovereenkomst te ontbinden. Voor de beoordeling van de primaire vordering behoeft dan ook alleen de vraag te worden beantwoord of Woonstad terecht van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Dat betekent dat niet de “tenzij-clausule” van art. 6:265, eerste lid, BW moet worden toegepast, maar de toets van art. 6:248, tweede lid, BW: is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Woonstad gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding.
8. Bij de beantwoording van die vraag is van groot belang dat [appellante] als gevolg van de ontbinding de woning moet ontruimen. Ontruiming van een woning vormt immers een inmenging in het recht op respect voor de woning van een bewoner, welk recht beschermd wordt door artikel 8 EVRM, zoals [appellante] terecht aanvoert. Een inbreuk op dat woonrecht moet een proportionele maatregel vormen. Het hof moet dus beoordelen of Woonstad met de ontbinding van de overeenkomst (met tot gevolg ontruiming van de woning) een proportionele maatregel nam en of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat zij gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot ontbinding."
Gerechtshof Den Haag 3 september 2019, 200.250.851/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:2322
Ontruiming waarbij ook minderjarige kinderen zijn betrokken
"3.6. [appellante] heeft ook betoogd dat de belangenafweging in het voordeel van Ymere (het hof leest: [appellante] ) dient uit te vallen omdat zij en haar vier kinderen recht en belang bij de woning hebben.
Artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) (Trb. 1990/170), vereist dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen in die zin dat deze belangen zwaarwegend en fundamenteel zijn. Het is weliswaar aannemelijk dat de ontruiming uit de woning (ook) voor de minderjarige kinderen van [appellante] (negatieve) gevolgen zal hebben, maar het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van [appellante] als ouder van haar (minderjarige) kinderen om de nodige voorzieningen te treffen teneinde eventuele nadelige gevolgen voor hen zoveel mogelijk te beperken. Nu niet is gesteld of gebleken dat [appellante] moeite heeft gedaan deze voorzieningen te treffen laat staan dat de ontruiming tot een acute noodtoestand voor haar kinderen zal leiden, kan in het midden blijven of Ymere maatregelen in dit verband had moeten treffen. Overigens wijst het hof er (nogmaals) op dat Ymere aan [appellante] vele malen de kans heeft gegeven om de huurachterstand in te lopen en dat de ontruimingsdatum recent nog weer is uitgesteld, namelijk van 14 maart 2016 naar 13 april 2016."
Gerechtshof Amsterdam 26 juli 2016, 200.189.289/01, ECLI:NL:GHAMS:2016:3089
De herhaalde weigering door een (ex)asielzoeker
"3.3.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [X] c.s. een grief gericht. In de kern komt de toelichting op de grief erop neer dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht heeft geslagen op de (psychische) gezondheidstoestand waarin [Y] verkeerde. Voorts blijkt, aldus [X] c.s., uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en het arrest van het Europees hof voor de rechten van de Mens van 4 november 2014, 29217/12 (Tarakhel), kort gezegd, dat (zelfs uitgeprocedeerde) asielzoekersgezinnen met kinderen niet mogen terechtkomen op straat. Dat moet dan zeker ook gelden voor statushouders zoals zij, aldus [X] c.s. Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 3, 16, 27 en 37 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).
3.4.
Het hof begrijpt uit de verklaring van hun advocaat bij pleidooi in hoger beroep dat hij het zinloos acht in beroep te gaan tegen de uitspraak van de kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank Den Haag en dat hij de in verband daarmee (bij appeldagvaarding) ingestelde primaire en subsidiaire vorderingen intrekt. De vordering van [X] c.s. in hoger beroep is dus uitsluitend erop gericht dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering tot ontruiming alsnog zal afwijzen.
3.5.
Als voldoende aannemelijk zou zijn dat de herhaalde weigering van de woning door [X] c.s. niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , zou het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is immers wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders als [X] c.s. dat zij met hun minderjarige kinderen de woonruimte in een AZC dienen te verlaten als zij een hun aangeboden woning hebben geweigerd op grond van niet steekhoudende redenen (zoals de in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 weergegeven redenen van [X] c.s. moeten worden aangemerkt). Daarbij is van belang dat [X] c.s. gedurende een periode van ongeveer een jaar herhaaldelijk zijn voorgelicht over de geldende regels en hun herhaaldelijk is voorgehouden wat de consequenties van een weigering zijn en dat hun, in afwijking van het beleid van COA, met het oog op het belang van de minderjarige kinderen in het gezin zelfs nog een laatste kans is gegeven om de woning alsnog te aanvaarden. Door weigering van de aangeboden woning onder deze omstandigheden zouden [X] c.s. op grond van de geldende regelgeving de woonruimte in het AZC zonder recht of titel bewonen. De door [X] c.s. genoemde arresten zouden hen in deze situatie niet kunnen baten. In deze arresten gaat het niet om vergunninghouders aan wie een kans is geboden op eigen zelfstandige woonruimte (en, na inschrijving in de basisregistratie personen, op financiële middelen om in hun levensonderhoud te voorzien), maar daarvan hebben afgezien zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden bestaat. Genoemde arresten staan om die reden evenmin in de weg aan de mogelijkheid dat het bevoegde gezag, als gevolg van de ontruiming, een (kinderbeschermings-)maatregel zou nemen die ertoe zou leiden dat de kinderen gescheiden van de ouders worden opgevangen wanneer het belang van de minderjarige kinderen dat noodzakelijk zou maken. Het beroep op bepalingen van het EVRM, het IVRK en het ESH, zoals [X] c.s. hebben gedaan, zou in dat geval niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door die verdragsbepalingen gegeven bescherming is immers niet absoluut en wel degelijk aan zekere beperkingen onderhevig."
Gerechtshof Amsterdam 12 april 2019, 200.257.380/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:1342
Ongeoorloofde overbrenging en vasthouding van een minderjarige
“21. Ten aanzien van het beroep van de vader op artikel 3 IVRK overweegt het hof als volgt. In zaken als de onderhavige, waarbij sprake is van ongeoorloofde overbrenging en vasthouding, wordt het in het belang van de minderjarige geacht dat hij of zij enerzijds de banden met diens familie, derhalve beide ouders, kan behouden en dat anderzijds verzekerd wordt dat diens ontwikkeling plaatsvindt in een veilige omgeving. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan dat de vader de voornoemde ‘orders’ van de Supreme Court of India , om [de minderjarige] beschikbaar te maken voor Skype contacten met de moeder, niet of nauwelijks nakomt. Zou [de minderjarige] naar Nederland gaan, dan zou zij contact hebben met haar moeder en halfzusje, hetgeen haar nu wordt ontzegd. Hoewel niet in geschil is dat tegen de vader een arrestatiebevel is uitgevaardigd, hetgeen hem belemmert om in Nederland contact te hebben met [de minderjarige] , heeft de moeder toegezegd dat zij de vader wel Skype toegang met [de minderjarige] zal geven. Bij teruggeleiding zal de minderjarige dus in staat zijn om enerzijds de banden met de vader te behouden en anderzijds de banden met haar moeder en haar halfzusje te herstellen.
22. Voor zover de vader stelt dat een bevel tot teruggeleiding van een Nederlandse rechter niet in het belang van de minderjarige is, omdat deze beslissing in India niet uitvoerbaar is, faalt ook dit betoog. Gebleken is immers uit diverse aangehaalde uitspraken dat de Indiase rechter kennis neemt van de Nederlandse uitspraken en deze meeneemt in zijn overwegingen. Blijkens de uitspraak van de High Court van 13 april 2018 vindt hierbij het principe van “Comity of Courts” toepassing wat, kort gezegd, inhoudt dat de Indiase rechter acht zal moeten slaan op de beslissingen die door een niet- Indiase rechter tussen partijen zijn gegeven.
23. Nu er geen sprake is van de door de vader aangevoerde weigeringsgronden en het hof ook anderszins niet is gebleken dat door toewijzing van het verzoek afbreuk wordt gedaan aan het belang van de minderjarige zoals dit door het EVRM en het IVRK wordt beschermd, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de teruggeleiding van de minderjarige heeft gelast zodat onmiddellijke teruggeleiding dient te volgen. Aangezien deze maatregel een ordemaatregel betreft en aldus snelheid vereist is, zal het hof deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het verzoek van de moeder tot het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm zal worden afgewezen, nu de Nederlandse rechter niet bevoegd is de Indiase autoriteiten dit op te leggen.”
Gerechtshof Den Haag 28 augustus 2019, 200.262.065/01, ECLI:NL:GHDHA:2019:2286
Vaccinatie
"* Wat staat in de wet en hoe toetst de rechter de wet?
5.3 -
In artikel 3 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) staat dat de rechter bij het nemen van een beslissing over een kind als eerste moet kijken naar het belang van het kind.
- In artikel 1:265h BW staat dat de GI de kinderrechter kan verzoeken vervangende toestemming te verlenen voor een medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien deze behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.
- In artikel 1:253a BW staat dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter neemt dan een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij deze beslissing alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in acht te nemen.
5.4
Het hof heeft hierboven in de laatste twee artikelen de delen schuin geschreven waarin een verschil zit in hoe de rechter moet toetsen.
5.5
Het hof is van oordeel dat het verzoek van de GI in deze specifieke situatie en in het belang van de kinderen niet moet worden getoetst aan de hand van het (noodzakelijkheids) criterium in artikel 1:265h BW, maar aan de hand van het (in het belang van het kind wenselijk) criterium in artikel 1:253a BW.
In deze zaak is sprake van een ondertoezichtstelling, die (mede) is uitgesproken vanwege een jarenlang verstoord communicatiepatroon tussen de ouders.
Wanneer voor het verzoek van de GI over de vaccinatie enkel aan de hand van het (noodzakelijkheids)criterium van artikel 1:265h BW getoetst zou worden, zou dit tot het - naar het oordeel van het hof: onwenselijke - gevolg leiden dat in gevallen als de onderhavige, waarin sprake is van een ondertoezichtstelling vanwege een complexe echtscheiding en (opnieuw) een geschil tussen de ouders, de ouders gedwongen worden tot het (opnieuw) voeren van een gerechtelijke procedure. Hierdoor zou de strijd tussen de ouders (kunnen) voortduren.
Die situatie is in deze procedure aan de orde. De vader heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat hij heeft overwogen om zelf een verzoek in te dienen tot het verlenen van vervangende toestemming voor het vaccineren van de kinderen, maar dat hij voorzag dat dit extra strijd zou opleveren tussen de moeder en hem, en dat daarom - na overleg tussen de vader en de GI - de GI het verzoek heeft ingediend. Wanneer de GI dit verzoek niet zou hebben ingediend, zou de vader dit zelf hebben gedaan, aldus de vader.
Al het bovenstaande en als eerste kijkend naar het belang van de kinderen, maakt dat het hof vindt dat de rechter het verzoek van de GI over de vaccinatie moet beoordelen aan de hand van het criterium of de vaccinatie in het belang van de kinderen wenselijk is."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 november 2019, 200.263.557/01 en 200.263.557/02, ECLI:NL:GHARL:2019:9402
De relatie met artikel 20 IVRK
"3.8.2.
Het hof wijst daarnaast op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), inhoudende dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen , alsmede op artikel 20 IVRK, voor zo ver in deze zaak van belang samengevat inhoudende dat voor het kind dat niet thuis kan wonen er een vorm van zorg dient te zijn die plaatsing in een pleeggezin kan omvatten; bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal. Het hof zal (ook) nagaan of de betrokken instanties bij weging van de voorgestane beëindiging van het gezag van de ouders, in voldoende mate rekening hebben gehouden met deze verdragsregels."
Gerechtshof Den Bosch 27 september 2018, 200.240.122_01, ECLI:NL:GHSHE:2018:3994
De relatie tussen artikel 3 IVRK en de EU Gezinsherenigingsrichtlijn
"11.2. De gunstiger voorwaarden van hoofdstuk V van de richtlijn zijn geïmplementeerd in artikel 29, tweede en vierde lid, van de Vw 2000 en nader uitgewerkt in de Vc 2000. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen het toepassingsbereik van hoofdstuk V uit te breiden tot subsidiair beschermden (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1609, onder 13). De Afdeling ziet geen grond te oordelen dat deze implementatie onjuist is.
De gunstiger voorwaarden van hoofdstuk V zijn niet alleen van toepassing als een vluchteling of subsidiair beschermde een nareisaanvraag indient voor de in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn vermelde gezinsleden, maar ook als hij een reguliere aanvraag om gezinshereniging indient voor die gezinsleden (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:982, onder 8 tot en met 9.1).
11.3. De richtlijn staat er niet aan in de weg dat de staatssecretaris het nareisbeleid maar één keer toepast, in die zin dat hij het nareisbeleid niet nog een keer toepast als een vreemdeling, op wie hij het nareisbeleid heeft toegepast door hem een mvv te verlenen omdat die vreemdeling als jongvolwassene behoort tot het ouderlijk gezin, vervolgens zelf als referent optreedt om gezinsleden van een ander gezin, namelijk het eigen gezin van die vreemdeling, te laten nareizen. Het betreft immers begunstigend beleid op basis waarvan de staatssecretaris na verlening van een mvv ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleent.
Een vreemdeling op wie de staatssecretaris het nareisbeleid niet nog een keer toepast, kan een reguliere aanvraag indienen. Die aanvraag kan weliswaar niet leiden tot gezinshereniging op basis van een afgeleide asielvergunning maar wel tot gezinshereniging op basis van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De richtlijn staat hieraan niet in de weg omdat deze niet voorschrijft welke verblijfsstatus de staatssecretaris aan gezinsleden van die vreemdeling moet toekennen.
De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat de staatssecretaris, mede gelet op artikel 24 van het EU Handvest en artikel 3 van het IVRK, een uitzondering maakt in het voordeel van minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het eigen gezin van die vreemdeling, door op hen wel het nareisbeleid toe te passen. Als de staatssecretaris beschikt over zowel een nareisaanvraag van de minderjarige kinderen als een reguliere aanvraag van de andere ouder van die kinderen, kan hij deze aanvragen tegelijkertijd en in onderlinge samenhang beoordelen."
ABRvS 31 oktober 2019, 201902631/1/V1, ECLI:NL:RVS:2019:3682
Urgentieverklaring
"2.2. Op 11 augustus 2017 heeft de politie in een e-mailbericht negatief geadviseerd over de aanvraag van [appellante]. Bij e-mailbericht van 11 november 2017 is de politie, na overleg met de wijkagent, bij dit negatieve advies gebleven. Uit de in het procesdossier aanwezige e-mailwisseling blijkt dat de wijkagent op de hoogte was van de actuele situatie van [appellante]. Een afzonderlijk, nieuw onderzoek was daarom niet nodig. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuur van het advies van de politie mocht uitgaan en dat de aanvraag niet aan de vereisten van artikel 5.4 van Bijlage I van de Verordening voldoet.De in hoger beroep door het bestuur overgelegde nadere stukken hebben betrekking op de eerdere toekenning van een urgentieverklaring. Het zijn onder meer aanvraagstukken en het toekenningsbesluit van 8 maart 2013. Die stukken bieden evenmin als de overige overgelegde stukken grond voor het oordeel dat het bestuur in de thans voorliggende zaak wegens de voortdurende situatie met de buurman gehouden was een urgentieverklaring toe te kennen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de eerder toegekende urgentieverklaring bij besluit van 16 juli 2013 op verzoek van [appellante] zelf is ingetrokken.(...).Omdat met het besluit van 9 januari 2018 geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is het Handvest, gelet op artikel 51, eerste lid, niet van toepassing. Van strijd met de artikelen 8
van het EVRM en 3 van het IVRK is voorts geen sprake. Niet gebleken is dat het bestuur, dat zich twee maal door de politie heeft laten adviseren over de feitelijke situatie, zich van de belangen van de kinderen van [appellante] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361."
ABRvS 4 september 2019, 201810148/1/A3, ECLI:NL:RVS:2019:3034
"2.4. [appellante] voert, onder verwijzing naar artikel 3 van het IVRK, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en dat de belangen van haar zoon daarbij onvoldoende zijn betrokken omdat het college geen medisch advies heeft ingewonnen voor het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule.
2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Waar het gaat om het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
2.6. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet op grond van de hardheidsclausule van artikel 27 van de verordening een urgentieverklaring hoefde af te geven. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de verordening in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat de zoon, of ieder gezinslid, een eigen kamer nodig heeft. Het college heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om de medische situatie van de zoon voor te leggen aan een keuringsarts. Het college heeft de belangen van de zoon voldoende meegewogen. In het bestreden besluit is het college ingegaan op een mogelijk andere indeling van het appartement, zodat de zoon een eigen kamer kan krijgen.
2.7. Het betoog slaagt niet."
ABRvS 20 april 2022, 202106013/1/A3, ECLI:NL:RVS:2022:1135
De relatie met artikel 51 Handvest
"2.
Omdat met het besluit van 9 januari 2018 geen Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is het Handvest, gelet op artikel 51, eerste lid, niet van toepassing. Van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK is voorts geen sprake. Niet gebleken is dat het bestuur, dat zich twee maal door de politie heeft laten adviseren over de feitelijke situatie, zich van de belangen van de kinderen van [appellante] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361."
ABRvS 4 september 2019, 201810148/1/A3, ECLI:NL:RVS:2019:3034
IVRK geeft geen mogelijkheid om de wettelijke bepaalde gezagsbeëindiging niet toe te passen
"5.8. De moeder heeft nog aangevoerd dat het een ‘hamerstuk’ lijkt te zijn dat het ouderlijk gezag wordt beëindigd na een uithuisplaatsing van twee jaren. Zij meent dat dit een onjuist uitgangspunt is, onder verwijzing naar artikel 8 EVRM, de artikelen 3, 7, 9 en 18 IVRK en jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en andere rechters. Wat er zij van dit betoog van de moeder, uit de tekst van de wet blijkt dat de rechter enige ruimte heeft om, ook als aan de gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan, die maatregel desalniettemin achterwege te laten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet het hof echter geen aanleiding om het verzoek van de raad af te wijzen. Het hof acht gezien het vorenstaande de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk ter bescherming van het belang van de kinderen en tevens proportioneel. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom bekrachtigen."
Gerechtshof Amsterdam 5 november 2019, 200.256.521/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:3989
De herhaalde weigering van een woning door een statushouder (asielzoeker)
"3.2.
De voorzieningenrechter heeft [X] c.s. bij het bestreden vonnis veroordeeld de woonruimte uiterlijk 15 april 2019 te ontruimen en hen belast met de kosten van het geding. Daartoe is, voor zover van belang, het volgende overwogen. Gelet op de onder de feiten weergegeven omstandigheden is duidelijk dat [X] c.s. al vóór de woningbezichtiging en de gestelde angstaanvallen van [Y] op verschillende momenten de woning hebben geweigerd en daarvoor steeds verschillende redenen hebben aangegeven, die niets met een psychische toestand van [Y] van doen hadden. Er was ook geen sprake van psychische problemen vóór de woningbezichtiging.
Onder die omstandigheden heeft COA in redelijkheid tot zijn besluit kunnen komen dat de aan het gezin aangeboden zelfstandige woonruimte in [plaats ] als passend moet worden aangemerkt. De stelling van [X] c.s. dat COA onvoldoende rekening houdt met de rechten van de kinderen, zoals verdragsrechtelijk beschermd in de artikelen 8 EVRM en 16IVRK slaagt niet. Uit het chronologisch overzicht van de feiten blijkt dat COA in deze zaak een uitzondering heeft gemaakt op zijn eigen beleid en [X] c.s. nog een tweede kans heeft gegeven om de woning te accepteren, met het oog op de minderjarige kinderen. [X] c.s. hebben andermaal ervoor gekozen de woning toch niet te accepteren en zij hebben daarmee zelf geen recht gedaan aan de belangen van de minderjarige kinderen. Een zelfstandige woning als woon- en verblijfplaats is immers voor de kinderen beter dan een verblijf op een kamer in een AZC. Goed denkbaar zou zijn geweest dat de woning wel door de familie zou zijn geaccepteerd en dat de moeder – al dan niet tijdelijk – ergens anders zou gaan verblijven. Zij stelt immers zelf dat familie van haar in [plaats ] en [plaats ] woont. De vader zou dan met zijn kinderen (van wie één meerderjarig is) in [plaats ] onderdak hebben gehad. [X] c.s. hebben zich zelf nu in deze positie gebracht. Indien het daadwerkelijk tot een ontruiming zal komen, zal, net als bij iedere andere ontruiming, een maatregel door het bevoegde gezag dienen te worden genomen om de minderjarige kinderen bescherming te bieden. Door de beslissing de woning in [plaats ] te weigeren, is de verantwoordelijkheid om in hun huisvesting en levensonderhoud te voorzien bij [X] c.s. komen te liggen. Gelet op de druk op de opvang van asielzoekers, bestaat voor COA geen ruimte om gezinnen, die zonder recht of titel in de opvang verblijven, daar te handhaven. COA heeft voldoende onderbouwd dat een sterke behoefte bestaat om opvangplaatsen van asielzoekers en daarmee gelijkgestelde categorieën op korte termijn vrij te krijgen. Aan [X] c.s. zal een termijn worden gegeven om ander onderdak te organiseren, al dan niet via de reguliere wijze van hulpverlening. De woning in [plaats ] is inmiddels niet meer beschikbaar, maar het is niet denkbeeldig dat een van de betrokken gemeenten een woning kan aanbieden, zoals dat in december 2018 ook het geval was. [X] c.s. hebben immers nog steeds een status en ontnemen in dat geval ook een woning aan het woningbestand, net zoals zij dat in december 2018 zouden hebben gedaan. COA heeft echter geen verplichting meer om zich in te spannen woonruimte te zoeken, aldus nog steeds de voorzieningenrechter.
3.3.
Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen hebben [X] c.s. een grief gericht. In de kern komt de toelichting op de grief erop neer dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht heeft geslagen op de (psychische) gezondheidstoestand waarin [Y] verkeerde. Voorts blijkt, aldus [X] c.s., uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328 en het arrest van het Europees hof voor de rechten van de Mens van 4 november 2014, 29217/12 (Tarakhel), kort gezegd, dat (zelfs uitgeprocedeerde) asielzoekersgezinnen met kinderen niet mogen terechtkomen op straat. Dat moet dan zeker ook gelden voor statushouders zoals zij, aldus [X] c.s. Zij doen daarbij een beroep op de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), de artikelen 3, 16, 27 en 37 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest (ESH).
(...).
3.5.
Als voldoende aannemelijk zou zijn dat de herhaalde weigering van de woning door [X] c.s. niet – in overwegende mate – teweeg is gebracht door de (psychische) gezondheidstoestand van [Y] , zou het hof zich volledig verenigen met het oordeel van de voorzieningenrechter. Het is immers wel degelijk de eigen verantwoordelijkheid van vergunninghouders als [X] c.s. dat zij met hun minderjarige kinderen de woonruimte in een AZC dienen te verlaten als zij een hun aangeboden woning hebben geweigerd op grond van niet steekhoudende redenen (zoals de in rechtsoverwegingen 2.7 tot en met 2.9 weergegeven redenen van [X] c.s. moeten worden aangemerkt). Daarbij is van belang dat [X] c.s. gedurende een periode van ongeveer een jaar herhaaldelijk zijn voorgelicht over de geldende regels en hun herhaaldelijk is voorgehouden wat de consequenties van een weigering zijn en dat hun, in afwijking van het beleid van COA, met het oog op het belang van de minderjarige kinderen in het gezin zelfs nog een laatste kans is gegeven om de woning alsnog te aanvaarden. Door weigering van de aangeboden woning onder deze omstandigheden zouden [X] c.s. op grond van de geldende regelgeving de woonruimte in het AZC zonder recht of titel bewonen. De door [X] c.s. genoemde arresten zouden hen in deze situatie niet kunnen baten. In deze arresten gaat het niet om vergunninghouders aan wie een kans is geboden op eigen zelfstandige woonruimte (en, na inschrijving in de basisregistratie personen, op financiële middelen om in hun levensonderhoud te voorzien), maar daarvan hebben afgezien zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden bestaat. Genoemde arresten staan om die reden evenmin in de weg aan de mogelijkheid dat het bevoegde gezag, als gevolg van de ontruiming, een (kinderbeschermings-)maatregel zou nemen die ertoe zou leiden dat de kinderen gescheiden van de ouders worden opgevangen wanneer het belang van de minderjarige kinderen dat noodzakelijk zou maken. Het beroep op bepalingen van het EVRM, het IVRK en het ESH, zoals [X] c.s. hebben gedaan, zou in dat geval niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De door die verdragsbepalingen gegeven bescherming is immers niet absoluut en wel degelijk aan zekere beperkingen onderhevig."
Gerechtshof Amsterdam 12 april 2019, 200.257.380/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:1342
Vereiste inspanning van vreemdelingen nadat zij zijn teruggestuurd naar een ander EU-land
"6. De vreemdelingen betogen in beroep dat het terugsturen naar Griekenland in strijd is met artikel 3 van het IVRK. Daarin kunnen zij niet worden gevolgd. De besluiten, mede gelet op het onder 4.3. t/m 4.6. overwogene, geven er namelijk geen blijk van dat de staatssecretaris onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van de minderjarige kinderen. De vreemdelingen hebben dit ook niet gestaafd.
7. De vreemdelingen beroepen zich daarnaast op de bepalingen in hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling overweegt dat het in de eerste plaats aan hen is om hun daaruit voortvloeiende rechten in Griekenland te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdelingen en de op de zaak betrekking hebbende stukken is, zoals de staatssecretaris terecht stelt, niet gebleken dat de vreemdelingen daartoe voldoende inspanningen hebben verricht."
ABRvS 6 december 2019, 201803974/1/V3, ECLI:NL:RVS:2019:4118
Het college van B en W dient de belangen van een kind onder ogen te zien
"6.3.
(...).
Voorts is geen sprake van strijd met de artikelen 8 van het EVRM en 3 van het IVRK. Niet gebleken is dat het college zich van de belangen van de kinderen van [appellant] onvoldoende rekenschap heeft gegeven. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de minderjarige kinderen bij de moeder verblijven en dat een omgangsregeling tussen [appellant] en zijn kinderen mogelijk is, waardoor contact met [appellant] mogelijk blijft."
ABRvS 11 december 2019, 201905655/1/A3, ECLI:NL:RVS:2019:4150
Uithuisplaatsing
"5.8
Het beroep op de artikelen 8 EVRM, 3 en 9IVRK en 9 IVBPR stuit af op het vooroverwogene, nu de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind A] en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling."
Gerechtshof Amsterdam 2 juli 2019, 200.245.166/01, ECLI:NL:GHAMS:2019:2258
Toerekening aan ouder van vermogen minderjarig kind voor box III van de inkomstenbelasting
"4.12. Belanghebbende stelt voorts dat de toerekening van het vermogen van de minderjarige kinderen een inbreuk vormt op diverse rechten van het kind in internationale verdragen, zoals de artikelen 16 en 17 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de artikelen 2, 3, 32 en 36 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
Het Hof is – evenals de Rechtbank – van oordeel dat niet valt in te zien dat het door belanghebbende aangevoerde onderscheid in strijd komt met de artikelen 16 en 17 ESH en/of de artikelen 2, 3, 32 en 36 IVRK, zo in een geval als het onderhavige daarop al rechtstreeks een beroep kan worden gedaan."
Gerechtshof Den Bosch 6 februari 2020, 16/03752, ECLI:NL:GHSHE:2020:398
Toepassing WSNP
"3.9.8.
Namens [appellante] is aangevoerd dat artikel 3 IVRK voorschrijft dat bij rechterlijke beslissingen altijd de belangen van in het spel zijnde kinderen dienen te prevaleren. Dit berust echter op een verkeerde lezing en vertaling van artikel 3 IVRK, nu in dat artikel wordt aangegeven dat de belangen van kinderen een belangrijke overweging dienen te vormen; over prevaleren wordt in dit verdragsartikel niet gerept.
Voorts overweegt het hof dat ook andere belangen een rol spelen. De wettelijke schuldsaneringsregeling heeft een tweeledig doel. Allereerst is het bedoeld om een schuldenaar een uitzicht te bieden op een schuldenvrije toekomst (de ‘schone lei’), wat ook van invloed kan zijn op de belangen van de kinderen, maar anderszins is de regeling bedoeld om gedurende (in beginsel) drie jaar zoveel mogelijk baten voor de gezamenlijke schuldeisers te genereren, zich aan andere verplichtingen te houden en toezicht te laten houden dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Indien een saniet niet voldoet aan de opgelegde verplichtingen, wordt de regeling beëindigd zonder verlening van de schone lei, opdat de vorderingen van de schuldeisers weer kunnen worden ingeroepen. Dan dienen de belangen van de schuldeisers te prevaleren boven die van de betrokken kinderen, zoals ook in deze zaak. Het hof verwerpt het verweer."
Gerechtshof Den Bosch 28 mei 2020, 200.276.454_01, ECLI:NL:GHSHE:2020:1673
Seksueel misbruik en de niet-openbaarheid van gegevens
“8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:922, heeft artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking. Dat is in zoverre zo dat het artikel ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind moeten worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Wel moet de bestuursrechter in dit verband toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en dus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich in de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap. Daartoe wordt overwogen dat juist aan het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs veel gewicht toekomt in artikel 6, vierde lid, van de Wot. De minister heeft toegelicht dat vrijgave van wat aan de vertrouwensinspecteur in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon over een geval van seksueel misbruik, een lagere meldingsbereidheid bij hen teweeg zal brengen. Gelet hierop is het voor het goed functioneren van de vertrouwensinspecteur van essentieel belang dat communicatie naar aanleiding van zulke meldingen in uiterste vertrouwelijkheid plaatsvindt. De minister heeft toegelicht dat ouders en hun kinderen die onderwijs volgen, hierbij zijn gebaat, omdat op deze manier gevallen van seksueel misbruik juist eerder aan het licht komen of worden voorkomen, dan wanneer er geen bijzonder geheimhoudingsregime zou gelden voor de vertrouwensinspecteur. Daarmee is, anders dan [appellant] en anderen betogen, het doel van artikel 6, vierde lid, van de Wot gediend. Om dezelfde redenen heeft de minister, door een beroep te doen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, het belang van veiligheid voor kinderen in het onderwijs door bescherming tegen seksueel misbruik gediend. Daarbij komt dat inwilliging van een Wob-verzoek betekent dat de verzochte informatie voor eenieder openbaar is. Openbaarmaking voor eenieder van de informatie die nu niet is verstrekt, kan mogelijk in de toekomst gevolgen met zich brengen die de belangen van kinderen juist schaden.
De Afdeling is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de minister zich in de besluitvorming veel rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van de Cheider scholengemeenschap en van kinderen in het algemeen. Daarbij heeft hij het belang van hun veiligheid in het onderwijs zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] en anderen bij openbaarmaking van de verzochte informatie. Het beroep op artikel 3 van het IVRK slaagt niet."
ABRvS 21 juli 2021, 201907403/1/A3, ECLI:NL:RVS:2021:1611. Zie in vergelijkbare zin ABRvS 21 juli 2021, 201907404/1/A3, ECLI:NL:RVS:2021:1613
Literatuur
Klep annoteert in AB 2024/209:
"15.
De kern van het betoog van het Hof is: het recht op water is niet absoluut, de Staat en de waterbedrijven houden een vordering op het betalen van de waterrekening én mogen onder stringente omstandigheden overgaan tot afsluiting als ultimum remedium, mits minderjarige kinderen niet in een situatie terecht komen waarin zij niet voldoende toegang hebben tot drinkwater, (conform WHO-normen) en een uiterste inspanning wordt geleverd om dat te voorkomen.
16.
Hoe de Staat en de waterbedrijven het systeem precies vorm gaan geven, daar doet het Hof geen uitspraak over:
‘Het is niet aan het Hof om voor te schrijven voor welk systeem moet worden gekozen’ (ECLI:NL:GHDHA:2024:363, r.o. 6.22).
Het systeem zal wel moeten voldoen aan de randvoorwaarden die het Hof in de uitspraak uiteen heeft gezet: het belang van het kind moet worden meegewogen als een eerste overweging, daartoe moeten de belangen van kinderen zorgvuldig in kaart worden gebracht, de minimum hoeveelheid water waartoe de kinderen altijd toegang moeten hebben is vastgesteld op basis van de WHO-normen en de waterbedrijven hebben een actieve plicht om in kaart te brengen of op af te sluiten adressen minderjarige kinderen wonen.
17.
Het ‘recht op water’-arrest laat zien dat in het bestuursrecht en overheidsaansprakelijkheidsrecht het recht van kinderen om hun belangen te laten meewegen, zichtbaar en tastbaar moet worden gemaakt. Bovendien verstevigt het arrest potentieel het beroep op artikel 3, eerste lid IVRK in bijvoorbeeld zaken rond huisvesting (zie ook: Kinderombudsman & Nationale Ombudsman, Als de overheid niet thuis geeft, Den Haag 2023, en De Kinderombudsman, Handreiking: Het beste besluit voor het kind bij huisvestingsproblemen, 14 december 2020)."
Voetnoten
Voetnoten
11.
https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2020%3A3179&showbutton=true#_84b10960-9612-4bb9-93d8-64a63a6f2ff7