De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.3:2.2.3 Het beroep in de wet
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.3
2.2.3 Het beroep in de wet
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386775:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wessels 1989, p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de wetsgeschiedenis is slechts in één wet een definitie terug te vinden van het begrip ‘vrij beroep’.1 Het betreft de Wet economische mededinging (WEM). De WEM is bij Wet van 21 april 1987, houdende vaststelling van de Wet inkomens vrije beroepsbeoefenaren, gewijzigd en beoogde een wettelijke regeling te treffen ten behoeve van de vaststelling van een aanvaardbaar inkomens niveau voor verschillende categorieën vrije-beroepsbeoefenaren. In de memorie van toelichting werd een omschrijving gegeven van het begrip ‘beroepsbeoefenaar’, waarbij aansluiting werd gevonden bij een omschrijving die haar oorsprong vond in de Tijdelijke Wet normering inkomens vrije-beroepsbeoefenaars (TWN).2 Een vrije-beroepsbeoefenaar was volgens artikel 1 lid 1 WEM een natuurlijk persoon die een vrij beroep uitoefent evenals een rechtspersoon die hoofdzakelijk de uitoefening van een zodanig beroep tot doel heeft. De memorie van toelichting geeft hierbij als toelichting:
‘In het algemeen is bij een vrij beroep sprake van professionele zelfstandigheid. Deze term verwijst naar dienstverlening die sterk vanuit de eigen verantwoordelijkheid, deskundigheid en ervaring plaatsvindt en veelal gebonden is aan bepaalde beroeps- en gedragsregels. Hoewel het vrije beroep in de zin van professioneel zelfstandig ook in loondienst kan worden uitgeoefend wordt in het kader van dit wetsvoorstel verder slechts van een vrij beroep gesproken als ook sprake is van economische zelfstandigheid, dat wil zeggen een beroepsuitoefening voor eigen rekening en risico.’3
Opvallend is dat hier opnieuw wordt gesproken over de eigen verantwoordelijkheid, deskundigheid en ervaring van de beroepsbeoefenaar als kenmerk van het beroep. Daarnaast voegt de wetgever in artikel 1 lid 1 WEM nog twee kenmerken toe aan de karakteristieken die al uit de (parlementaire) historie gedestilleerd konden worden. De dienstverlening van de beroepsbeoefenaar is namelijk gebonden aan bepaalde beroeps- en gedragsregels en de beroepsuitoefening moet voor eigen rekening en risico zijn: de beroepsbeoefenaar is dus economisch zelfstandig. De wijziging van de WEM bij Wet van 21 april 1987 heeft rechtskracht gehad van 1 mei 1987 tot en met 31 december 1987. Tegenwoordig is deze wet dus niet meer van toepassing. Sinds 31 december 1987 heeft de wetgever zich nooit meer aan de definiëring van het begrip in de wet durven wagen.