Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/3.6.1
3.6.1 Wat is de verkeersopvatting?
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483091:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. art. 3:4 lid 1 BW, art. 3:9 lid 1 BW, 3:108 BW, 3:254 BW en 5:14 BW.
Deze term wordt enkel gebruikt in art. 3:76 lid 1 sub a BW.
Zie H.J. Rossel, ‘De verkeersopvatting’, in: T. Hartlief, A.H.T. Heisterkamp & W.H.M. Reehuis (red.) CJHB (Brunner-Bundel), Deventer: Kluwer 1994, p. 336-337.
Zie ook: B.G.P. Rogmans, ‘Over de betekenis van verkeersopvattingen in het nieuw BW’, in: A.T. Dek, E.G. Folten & M.A.T. Schroots (red.), Ex iure: veertien opstellen bij het veertiende lustrum van Societas Iuridica Grotius en de vierhonderdenvijfde geboortedag van Grotius (Grotius-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1987, p. 146.
Memelink is van mening dat ‘de verkeersopvatting niet verwijst naar een feitelijk gegeven, maar dat het steeds gaat om opvattingen omtrent behoren, in die zin dat dit normatieve opvattingen zijn. Zij stelt dat de verkeersopvatting ongeschreven recht is dat binnen de samenleving geldt. Deze stelling deel ik niet. Zie: P. Memelink, De verkeersopvatting (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, par. 3.4. Zie tevens kritisch over deze benadering: T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘De verkeersopvatting. Proefschrift mr. P. Memelink’ (bespreking van: P. Memelink, De verkeersopvatting (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009), MvV 2010, afl. 1, p. 101-105.
OM, PG Boek 3, p. 77.
Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 37.
P. Memelink, De verkeersopvatting (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 7.
P. Memelink, De verkeersopvatting (diss. Leiden), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2009, p. 374.
MO, PG Boek 3, p. 77.
Dit wordt tevens geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld: “Gaat het om de vraag of een cassetterecorder bestanddeel van een auto is, dan zullen opvattingen in de kring van autohandelaren en eigenaars van auto’s beslissend zijn. Gaat het daarentegen om de vraag wat bestanddeel is van een bepaalde gespecialiseerde machine, dan zal het gaan om de opvattingen in de – vermoedelijk aanzienlijk beperkter – kring van handelaren in en eigenaars van dergelijke machines.” Zie: MO, PG Boek 3, p. 78.
Zie H.J. Rossel, ‘De verkeersopvatting’, in: T. Hartlief, A.H.T. Heisterkamp & W.H.M. Reehuis (red.) CJHB (Brunner-Bundel), Deventer: Kluwer 1994, p. 338.
In verschillende artikelen in het Burgerlijk Wetboek vindt men verwijzingen naar ‘de verkeersopvatting’,1 ‘de verkeersopvattingen’2 en de ‘in het verkeer geldende opvattingen’.3 Rossel maakt in dit kader een tweedeling tussen gebruik van de term ‘de verkeersopvatting’ enerzijds en ‘de verkeersopvattingen’ en ‘de in het verkeer geldende opvattingen’ anderzijds. Hij stelt dat het begrip ‘verkeersopvatting’ refereert aan ‘een opvatting zonder morele lading, die betrekking heeft op feitelijke – min of meer – technische aangelegenheden’. En dat de wettelijke termen ‘de verkeersopvattingen’ en de in het verkeer geldende opvattingen’ wél een morele lading hebben. In dit laatste geval gaat het zijns inziens om opvattingen inzake de gevolgen die aan een bepaald feitencomplex behoren te worden verbonden. 4 Bij ‘de verkeersopvatting’ daarentegen gaat het om de beoordeling van het feitencomplex c.q. het vaststellen van de feitelijke situatie zoals deze is en niet zoals deze zou behoren te zijn.5,6
Het lastigste aan het gebruik van de verkeersopvatting als criterium voor bestanddeelvorming, is het bepalen wat de verkeersopvatting is. Dit kan echter ook een voordeel zijn. Zo staat in de Parlementaire Geschiedenis:
“Hoewel de verkeersopvatting niet in alle opzichten duidelijk is – dit ziet men bij ruim geformuleerde maatstaven steeds – heeft zij anderzijds het voordeel dat zij de rechter een grote vrijheid geeft (...)”7
In de literatuur zijn wel beschrijvingen te vinden van de verkeersopvatting:
En:
“Duidelijk is dat het er bij de verkeersopvatting telkens om gaat, hoe over een bepaalde kwestie in de maatschappij wordt gedacht (al of niet in beperkte kring).”8
Memelink, die een gehele dissertatie wijdde aan de verkeersopvatting, stelt het volgende:
“Niet de wil van partijen of de persoonlijke overtuiging van de rechter geeft de doorslag, maar de ‘opvatting in het verkeer’ op een zeker moment.”9
In haar conclusie schrijft zij: “de verkeersopvatting verwijst naar ongeschreven recht dat in de maatschappij leeft.”10
Bovenstaande beschrijvingen zijn ontleend aan de Parlementaire Geschiedenis, waar ingegaan wordt op de vraag waar een rechter op moet letten bij de vaststelling van de verkeersopvatting:
“Hij moet namelijk rekening houden met de opvattingen die in de praktijk op het onderhavige punt bestaan. Deze kunnen bijvoorbeeld blijken uit overeenkomsten waarbij partijen nader omlijnen wat tot een bepaalde zaak behoort en in de praktijk bestaande voorstellingen omtrent hetgeen in de overdracht daarvan is begrepen. Daarbij dient in het bijzonder te worden gelet op hetgeen leeft in de kring van personen die zich bezig houden met zaken als waarom het in het gegeven geval gaat.”11, 12
Op grond van de Parlementaire Geschiedenis kan derhalve geconcludeerd worden dat voor het vaststellen van de verkeersopvatting gekeken dient te worden naar de opvattingen die in de praktijk hierover bestaan. ‘De praktijk’ in dezen zijnde een kring van personen die zich bezig houdt met de zaken die het in dat specifieke geval betreft. Of zoals Rossel stelt: “de opvattingen van de kring van personen die regelmatig betrokken zijn bij feitelijke situaties als waarom het in het gegeven geval gaat.”13 Rossel stelt mijns inziens terecht dat de verkeersopvatting geraadpleegd wordt met als doel de feiten vast te stellen, maar niet voor het bepalen van de inhoud van de (op die feiten) toe te passen rechtsregel.