Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht
Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.3.5:3.3.5 Tussenconclusie
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.3.5
3.3.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS459280:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.4.3.1 waarom naar mijn mening geen goederenrechtelijk recht op goodwill kan bestaan.
Zie art. 3:212, 215 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
54. Vanuit Nederlands perspectief roept art. 3:222 BW de vraag op of hier sprake is van één recht van vruchtgebruik op de algemeenheid als zodanig. Dit blijkt niet het geval te zijn. Wel wordt, net als in de andere onderzochte rechtsstelsels, rechtsgevolg toegekend aan het in vruchtgebruik geven van een algemeenheid van goederen die ook schulden omvat: in die situatie komen de schulden in mindering op de goederen, en spreekt men ook wel van een vruchtgebruik op een ‘saldo’. Gaat het om vruchtgebruik van afzonderlijke goederen, die niet gekarakteriseerd kunnen worden als algemeenheid van goederen, dan is dit niet het geval.
Het Duitse recht kent in principe de algemeenheid niet als rechtsobject, en dus ook niet als object van vruchtgebruik. De heersende leer is dat het recht van vruchtgebruik op de onderneming een uitzondering vormt op dit uitgangspunt van uniciteit. Hoewel andere auteurs hier – mijns inziens terecht1 – argumenten tegen inbrengen, moet gezien de stand van zaken in de literatuur waarschijnlijk worden aangenomen dat hier de Spezialitätsgrundsatz (het uniciteitsbeginsel) wordt doorbroken. Hoewel het Duitse recht in andere gevallen strikt aan het uniciteitsbeginsel vasthoudt, lijkt het loslaten daarvan voor het vruchtgebruik geen gevolgen te hebben. De vestiging moet wel per goed afzonderlijk geschieden, in overeenstemming met het systeem, maar het recht dat ontstaat is een recht op de onderneming als geheel. Het enige verschil in rechtsgevolg dat dit meebrengt ten opzichte van afzonderlijke bezwaring van de goederen uit de onderneming is dat – zo neemt de heersende leer aan – de vruchtgebruiker een absoluut recht op het Tätigkeitsbereich krijgt, in plaats van slechts verbintenisrechtelijke aanspraken: de goodwill wordt onder het vruchtgebruik gebracht. In paragraaf 4.4.3.1 bespreek ik dat ik mij moeilijk voor kan stellen hoe een absoluut, goederenrechtelijk, recht op goodwill kan bestaan. De heersende Duitse leer wijdt hierover ook verder niet uit.
In het Franse recht speelt weer een hele andere problematiek bij het vruchtgebruik van de algemeenheid. Daar geldt het uniciteitsbeginsel niet en een vruchtgebruik op een algemeenheid is dan ook mogelijk. Uit het Baylet-arrest blijkt dat het aannemen van het bestaan van een algemeenheid een oplossing kan bieden voor het probleem dat naar Frans recht (net als naar Duits recht, maar anders dan in het Nederlandse recht) de vruchtgebruiker niet kan beschikken over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen. Bij een zogenoemd oneigenlijk vruchtgebruik kan hij dat wel, maar daarvan is slechts sprake indien het verbruikbare goederen betreft. De effecten binnen een portefeuille zijn dat naar Frans recht niet. Daarbij leidde de erkenning van de effectenportefeuille tot het resultaat dat over de effecten binnen de portefeuille door de vruchtgebruiker kon worden beschikt. Er valt in het Franse recht dus een duidelijk rechtsgevolg aan te wijzen tussen het bestaan van een recht van vruchtgebruik op effecten die tezamen een algemeenheid vormen en afzonderlijke rechten van vruchtgebruik op afzonderlijke effecten: in het eerste geval is de vruchtgebruiker beschikkingsbevoegd, in het tweede geval niet.
Als dáárin de meerwaarde van het bestaan van een vruchtgebruik op de algemeenheid is gelegen, bestaat hieraan in het Nederlands recht geen behoefte. Het BW kent een flexibele regeling van het recht van vruchtgebruik. Naar Nederlands recht is de constructie van een vruchtgebruik op de algemeenheid van goederen als geheel niet nodig, omdat in het BW regels zijn opgenomen die het beschikken door de vruchtgebruiker over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen mogelijk maken.2
In het Franse recht wordt aan de karakterisering als algemeenheid rechtsgevolg toegekend, in die zin dat het leidt tot beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker. Naar Nederlands recht is die karakterisering niet nodig, maar vloeit die bevoegdheid voort uit de wet. Dit leert ons over de functie van het uniciteitsbeginsel (en het tegendeel daarvan) dat het meer een systematische keuze is of een systeem uitgaat van uniciteit dan wel algemeenheid toestaat, dan dat uit die concepten op zichzelf al consequenties voortvloeien, zoals de bevoegdheid tot beschikken.