Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.3.4
4.3.4 Het begrip ‘groepsmaatschappij’ (art. 2:24b BW)
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS387737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1979/80, 16 326, nr. 3, p. 42 (MvT). Kamerstukken II 1987/88, 19 813, nr. 5, p. 4 (MvA).
Art. 2:403 BW en de geconsolideerde jaarrekening, art. 2:405 en 406 BW. Zie ook meer Bartman & Dorresteijn 2009, p. 32-37.
Art. 2:263 lid 3 sub b en c en 2:265 lid 3 BW.
Art. 2:333a BW.
Art. 2:334ii BW.
Art. 2:201a BW en - ingeval van een openbaar bod - art. 2:359c BW.
HR 18 november 2011, LJN BQ2860, r.o. 3.4.1.
Slagter 2005, p. 584-585. Van Schilfgaarde & Winter 2009, p. 49. A.N. Knol, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, aant. C.4 bij art. 2:24b BW, Den Haag: Sdu Uitgevers 2008, p. 133. Bartman & Dorresteijn 2009, p. 31. Willemars 2011, p. 135.
Art. 2:24b BW definieert de begrippen ‘groep’ en ‘groepsmaatschappij’. Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden. Uit het artikel volgen twee kernelementen, namelijk een economische eenheid en een organisatorisch verband. Uit de wetsgeschiedenis volgt nog een derde element, namelijk ‘gemeenschappelijke leiding’ of ‘centrale leiding’: “Van een groep zal men in het algemeen kunnen spreken, indien een aantal ondernemingen als een economische eenheid onder een gemeenschappelijke leiding optreedt. De band tussen hen zal gewoonlijk in kapitaaldeelneming zijn uitdrukking vinden; met het oog op de zeggenschap die voor het kunnen optreden als eenheid is vereist, zal deze deelneming in de regel een – directe of indirecte – meerderheidsdeelneming zijn; 50% – en minderheidsdeelnemingen zullen slechts tot het lidmaatschap van de groep leiden, indien de deelneming met bijzondere rechten is versterkt, omdat anders de deelnemende onderneming haar leiding niet met beslissende stem kan doorzetten.”1 Een dochtermaatschappij kan een groepsmaatschappij zijn, maar dat is niet per definitie zo.
Ook de begrippen ‘groep’ en ‘groepsmaatschappij’ spelen een belangrijke rol in het jaarrekeningenrecht.2 Daarnaast zijn de begrippen van belang in het kader van de structuurvennootschap,3 de driehoeksfusie4 en driehoekssplitsing5 en de uitkoop van aandeelhouders.6
Bij de begrippen gaat het niet om het kunnen uitoefenen van zeggenschap, maar om de daadwerkelijke uitoefening daarvan. Alleen in dat laatste geval is sprake van centrale leiding, welke van belang is voor de economische eenheid en het organisatorisch verband. De daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap is een feitelijk(e) vraag of criterium. De Hoge Raad heeft overwogen dat ‘uit de wetsgeschiedenis naar voren komt dat optreden onder gezamenlijke leiding kenmerkend is voor de aanwezigheid van een groep en dat daarvoor zeggenschap is vereist. Uit de wetsgeschiedenis blijkt weliswaar dat het bezit van een meerderheidsbelang niet noodzakelijkerwijs leidt tot een groepsrelatie tussen een moedermaatschappij en een dochtermaatschappij, maar een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de partij die zich erop beroept dat ondanks de aanwezigheid van een meerderheidsbelang een groepsrelatie ontbreekt de daarvoor relevante feiten en omstandigheden stelt en zo nodig aannemelijk maakt.’7 Uit de literatuur volgt daarentegen dat het niet per definitie om zeggenschap als gevolg van een kapitaaldeelneming hoeft te gaan.8
Op grond van de hoofdregel van art. 2:24d lid 1 BW tellen stemrechtloze aandelen bij de bepaling of sprake is van een groepsmaatschappij niet mee. Ook hier geldt dat deze hoofdregel niet geheel consistent is. Op grond van art. 2:242 jo. 2:244 en 2:252 jo. 2:254 BW kan immers de bevoegdheid tot benoeming en ontslaan van bestuurders en commissarissen aan de vergadering van stemrechtloze aandeelhouders worden toegekend. Een dergelijke toekenning is een omstandigheid die mijns inziens bij de feitelijke invulling van het criterium van ‘centrale leiding’ moet worden betrokken.