Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3.2.2
3.3.2.2 De spelers: belastingplichtige, inspecteur en belastingrechter
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568710:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het kwijtscheldingsbeleid voorzag vervolgens in voorschriften over het gebruik van deze bevoegdheid.
HR 19 juni 1985, BNB 1986/29, r.o. 4.3.1; HR 3 mei 1989, BNB 1989/256, r.o. 4.2; HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87-88, r.o. 4.2; HR 8 maart 2002, BNB 2002/223, ECLI:NL:HR:2002:AD9880, r.o. 3.3.
HR 23 mei 1979, BNB 1979/250; HR 23 november 1988, BNB 1989/29.
Een termijnoverschrijding leidt bij een fiscale boete alleen tot niet-ontvankelijkheid als de inspecteur heeft bewezen dat de overschrijding aan de belastingplichtige is toe te rekenen. HR 22 juni 1988, BNB 1988/292, r.o. 3.4; HR 18 december 1991, BNB 1992/116, r.o. 3.3; HR 21 april 1993, BNB 1993/184, r.o. 3.3; HR 27 maart 1996, BNB 1996/229, r.o. 3.3; HR 25 april 2008, BNB 2008/175, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, r.o. 3.2.
Op grond van art. 24a lid 2 AWR, art. 26b lid 2 AWR, art. 27h lid 2 AWR en art. 28 lid 6 AWR houdt het instellen van een rechtsmiddel tegen een belastingaanslag in dat ook een rechtsmiddel tegen de fiscale boete is ingesteld.
Tot 1998 vloeide de fiscale boete of verhoging in het belastingrecht zoals eerder opgemerkt rechtstreeks voort uit de wet. De inspecteur had vervolgens de bevoegdheid om de verhoging geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden.1 Met ingang van 1998 ligt de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete rechtstreeks in handen van de inspecteur.
In de jaren ‘80 van de vorige eeuw is komen vast te staan dat de werkwijze waarbij zonder rechterlijke tussenkomst een fiscale boete wordt opgelegd, in overeenstemming is met de beginselen van art. 6 EVRM.2 Hierbij geldt wel de voorwaarde dat achteraf een mogelijkheid tot rechterlijke toetsing openstaat. Aan deze voorwaarde wordt sinds het eind van de jaren ‘80 bij de fiscale boetes voldaan.3
Het initiatief om de opgelegde fiscale boete door de belastingrechter te laten toetsen ligt bij de belastingplichtige. De belastingplichtige moet in deze situatie dus actie ondernemen om zijn zaak door de rechter beoordeeld te krijgen. In beginsel gelden voor de toegang tot de rechter in verband met een fiscale boete dezelfde voorwaarden als in verband met een belastingaanslag. Zo is bijvoorbeeld vereist dat voorafgaand aan het beroep een bezwaarschriftprocedure bij de inspecteur is doorlopen en dat tijdig een beroepschrift bij de belastingrechter is ingediend.4 In veruit de meeste gevallen ziet het beroep zowel op de belastingaanslag als op de opgelegde boete.5 De belastingrechter beoordeelt de opgelegde boete aan de hand van het beroepschrift van de belastingplichtige, de op de zaak betrekking hebbende stukken, het verweerschrift van de inspecteur en het onderzoek ter zitting.