Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.8.1
6.8.1 Het toestemmingsbeding
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484312:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Andere vervreemdingsbeperkingen die voorzien in een andere vorm of inhoud dan hetgeen in art. 5:91 BW bepaald, behoren niet tot het recht van erfpacht en hebben om die reden enkel obligatoire werking. Zie hierover tevens: J. de Jong & H.D. Ploeger, Erfpacht & Opstal, Deventer: Kluwer 2008, p. 51-52. Zie ook: G.J.L. Bergervoet, GS Vermogensrecht, art. 3:83 BW, aant. 27.3.
Zie over het toepassingsbereik en de voor- en nadelen van particuliere erfpacht: A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Deventer: Kluwer 2015, p. 565-569.
MvT, PG Boek 5, p. 311.
MvT, PG Boek 5, p. 312.
MvT, PG Boek 5, p. 312.
J. de Jong & H.D. Ploeger, Erfpacht & Opstal, Deventer: Kluwer 2008, p. 51.
Op grond van art. 5:91 lid 1 BW kunnen partijen in de vestigingsakte van een recht van erfpacht bepalen dat het erfpachtsrecht niet zonder toestemming van de eigenaar kan worden overgedragen of toebedeeld.1 Uit de Memorie van Toelichting bij art. 5:91 BW blijkt dat dit artikel primair bedoeld is om degene die het recht van erfpacht vestigt (veelal de gemeente2) invloed te geven op de persoon van de verkrijger.3 Wel is hierbij de nuancering gemaakt dat een beding dat overdracht of toedeling afhankelijk maakt van toestemming van de bloot eigenaar, niet in de weg kan staan aan uitwinning door schuldeisers (lid 1, tweede zin). Hoewel dit voor de grondeigenaar tot gevolg heeft dat hij toch een nieuwe erfpachter opgedrongen kan krijgen, blijkt uit de Memorie van Toelichting dat het belang van de grondeigenaar in dit geval moet wijken voor het meer algemene belang dat niet door middel van een beding een belangrijk vermogensbestanddeel als een recht van erfpacht aan verhaal door schuldeisers onttrokken kan worden. Hierbij moet met name gedacht worden aan een executoriale verkoop van het recht van erfpacht door de hypotheekhouder. De nieuwe erfpachter kan overigens (als zo een toestemmingsbepaling is opgenomen in de vestigingsakte) het recht van erfpacht wel weer slechts overdragen met toestemming van de grondeigenaar.
Ten aanzien van lid 2 van art. 5:91 BW blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis dat het mogelijk is voor de erfpachter om zijn recht te splitsen ‘door de erfpacht op een of meer delen van de zaak over te dragen’.4 Deze mogelijkheid tot splitsing van het recht van erfpacht bestond reeds onder het Oud BW (art. 775 Oud BW). Het is mogelijk om in de vestigingsakte vast te leggen dat het splitsen van het recht van erfpacht alleen mogelijk is na toestemming van de bloot eigenaar:
“Het beding zal ook tot gevolg hebben, dat wanneer de erfpacht, b.v. door vererving aan onderscheiden deelgenoten is komen toe te behoren, dezen niet zonder toestemming van de eigenaar tot een splitsing bij wege van verdeling van het erfpachtsperceel te kunnen overgaan, aangezien in het stelsel van het ontwerp een verdeling moet worden geëffectueerd door overdracht (artikel 3.7.1.14 lid 3). Is eenmaal met toestemming van de eigenaar de erfpacht op een of meer delen van de zaak overgedragen, dan staat het beding aan volgende overdrachten van de erfpacht op de onderscheidene delen niet in de weg, mits daarbij geen verdere splitsing plaatsheeft.”5
Ploeger en De Jong stellen dat het belang van lid 2 met name gezocht moet worden “in de mogelijkheid een dam te kunnen opwerpen tegen verkaveling van het recht.”6