Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.3
3.4.3.3 Opzet en de strafuitsluitingsgronden
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566201:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Dijk 2008, p. 330, 366.
Ik veronderstel dat de wetgever zich er niet van bewust is geweest dat de strafuitsluitingsgronden van invloed zijn op de invulling van het opzetbegrip. De wetgever heeft echter wel de systematiek van bestanddelen en elementen aanvaard: Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3 (MvT), p. 134: “Net als bij strafrechtelijke overtredingen is schuld in de zin van verwijtbaarheid bij bestuursrechtelijk gesanctioneerde overtredingen doorgaans geen bestanddeel van het delict. Dit betekent dat het bestuursorgaan de verwijtbaarheid niet behoeft te bewijzen, maar deze mag veronderstellen als het daderschap vaststaat.” Kamerstukken II 2005/06, 29702, 7 (NV), p. 49: “Net zoals in het strafrecht, is schuld in de zin van verwijtbaarheid in het bestuursrecht meestal geen bestandsdeel van de overtreding (…). Dit staat los van het feit dat het ontbreken van verwijtbaarheid zal moeten leiden tot het achterwege laten van een bestuurlijke boete. Ook dit is in het strafrecht niet anders.” Uit die systematiek van bestanddelen en elementen vloeit een andere invulling van het opzetbegrip voort.
In het algemene en fiscale strafrecht is, zodra het weten en willen of de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans zijn bewezen, de conclusie dat er sprake is van opzet in beginsel onontkoombaar.1 Een strafuitsluitingsgrond neemt het opzet niet meer weg, maar houdt slechts in dat er, zoals hiervoor in paragraaf 3.3.1.3 besproken, ondanks de vervulling van de delictsomschrijving toch niet onrechtmatig of toch verontschuldigbaar is gehandeld. Als gevolg van een negatieve beantwoording van de derde materiële vraag blijft de strafrechtelijke aansprakelijkheid dan alsnog achterwege en kan geen straf worden opgelegd.
Hiervoor, in paragraaf 3.3.2.5, heb ik opgemerkt dat ik ervan uitga dat de strafuitsluitingsgronden met ingang van 1 juli 2009 ook op de vergrijpboetes van toepassing zijn geworden. Dit houdt naar mijn mening in dat ook in het fiscale boeterecht met ingang van 1 juli 2009 de conclusie dat er sprake is van opzet in beginsel onontkoombaar is, zodra is bewezen dat de belastingplichtige op het moment van het doen van de aangifte heeft geweten en gewild dat de aangifte onjuist is of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte onjuist is.2 Straffeloosheid kan in dat geval ook in het fiscale boeterecht vervolgens nog worden bereikt door middel van een strafuitsluitingsgrond. Dit brengt mee dat, als met het bewust innemen van een pleitbaar, maar mogelijk onjuist standpunt alle vereisten voor voorwaardelijk opzet zouden zijn vervuld, de belastingkamer van de Hoge Raad in beginsel niet meer kan concluderen tot het ontbreken van voorwaardelijke opzet. In de hoofdstukken 4 en 6 wordt hier nog uitgebreid op teruggekomen.