De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/4.4.3:4.4.3 Duur
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/4.4.3
4.4.3 Duur
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS377616:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 4.3.3 heb ik reeds de vergelijking gemaakt tussen de positie van de erfpachter en die van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak wat de duur van de overeenkomst of het recht betreft. Ook bij een zelfstandig opstalrecht is de duur van het recht niet wettelijk geregeld: partijen kunnen daaromtrent een regeling opnemen in de akte van vestiging. Bij voortgezet gebruik van de onroerende zaak waarop het opstalrecht rust, moet de eigenaar van de zaak waarop het recht rust binnen zes maanden protesteren als hij wil voorkomen dat het opstalrecht voor onbepaalde tijd wordt verlengd. De huurder van een ongebouwde onroerende zaak zal, als de verhuurder een ontruimingsvordering tegen hem instelt, moeten aantonen dat het voortgezet gebruik plaatsvindt met goedvinden van de verhuurder. De positie van de opstaller is dus, evenals die van de erfpachter, wat het voortgezet gebruik van het gebruiksobject betreft comfortabeler dan de positie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak.