Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.3.1
6.3.1 Het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486716:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover: S.E. Bartels, ‘Zoals kennelijk ter plaatse aangeduid en afgepaald. Het bepaaldheidsvereiste bij overdracht van een gedeeltelijk perceel’, VrA 2004, afl. 2; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 117; Snijders & Rank- Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 316 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/230. Ook de Hoge Raad lijkt het bepaaldheidsvereiste te koppelen aan de (akte van) levering, zie: HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3381 (ING/ Muller q.q.) en HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7842 (Mulder q.q./ Rabo). Anders onder meer H.J. Snijders, ‘De titel van art. 3:84 lid 2 BW’, in: Van beheering: Goederenrechtelijke beschouwingen, Deventer: Gouda Quint 1998, p. 163-170.
Doordat de zakenrechtelijke eenheid van grondstukken bepaald wordt door de rechtstoestand, brengt een wijziging van de rechtstoestand ten aanzien van een gedeelte, tevens splitsing van het onderliggende eigendomsrecht met zich. Zo een wijziging in rechtstoestand kan bijvoorbeeld bewerkstelligd worden door de vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van een grondstuk of door overdracht van een gedeelte van het grondstuk.
Ons Burgerlijk Wetboek kent vijf beperkte rechten die gevestigd kunnen worden op de grond: een recht van vruchtgebruik (art. 3:203 BW), een recht van hypotheek (art. 3:227 BW), een recht van erfdienstbaarheid (art. 5:70 BW), een recht van erfpacht (art. 5:85 BW) en een opstalrecht (art. 5:101 BW).
Art. 3:98 BW bepaalt dat de bepalingen met betrekking tot de overdracht van goederen van overeenkomstige toepassing zijn op de vestiging, overdracht en de afstand van beperkte rechten. De vereisten voor de vestiging van een beperkt recht op een grondstuk vereist op grond van art. 3:98 j° 3:84 BW: een geldige titel, beschikkingsbevoegdheid van degene die het beperkte recht vestigt, en een vestigingshandeling. De vestigingshandeling bestaat uit een tussen partijen opgemaakte notariële akte van vestiging en inschrijving van deze akte in de openbare registers (art. 3:89 BW).
Art. 3:84 lid 2 BW vereist dat bij de titel het goed voldoende bepaald is. Hoewel 3:84 lid 2 BW het bepaaldheidsvereiste expliciet koppelt aan de titel, wordt in de literatuur het bepaaldheidsvereiste vaak gezien in het licht van de levering, nu voor een geldige overdracht uiteindelijk doorslaggevend is of het goed bij de levering voldoende bepaald, c.q. geïndividualiseerd is.1 Wanneer men een auto overdraagt, zal men op grond van het bepaaldheidsvereiste duidelijk dienen te maken om welke auto het precies gaat. De fysieke grenzen van de auto zullen echter naar buiten kenbaar zijn, zodat deze niet expliciet in de titel vermeld hoeven te worden.