Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.3.3
3.3.3 Vruchtgebruik van een algemeenheid in het Duitse recht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454444:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1035 nr. 2, 4; MünchKommBGB/Stresemann 2012 §90 nr. 39; Staudinger/Frank 2009 §1035 nr. 2-3.
MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085 nr. 4; Staudinger/Frank 2009 Vorbem zu §§1085-1089 nr. 7, §1089 nr. 2.
MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085 nr. 1; Staudinger/Frank 2009 §1085 nr. 2.
Baur & Stürner 2009, p. 872; Staudinger/Frank 2009 Vorbem zu §§1085-1089 nr. 3-5.
Baur & Stürner 2009, p. 744, 871; MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085 nr. 1; Staudinger/Frank 2009 §1085 nr. 2; Wolf 1965, p. 180-182, 188. Ten aanzien van de vestiging, niet expliciet over het bestaan van het vruchtgebruik: Staudinger/Frank 2009 Vorbem zu §§1085-1089 nr. 1; Wilhelm 2010, nr. 1950.
Motive 1888, p. 558: “Es würde zu den größten Schwierigkeiten führen, wenn man die universitas als einen Vermögensgegenstand behandeln wollte, welcher mit einem Nießbrauche belastet werden kann.”
Dat will zeggen, de §§1085-1089 BGB zien alleen op het vruchtgebruik van het gehele vermogen van een persoon. De onderneming valt dus alleen onder het bereik van deze bepalingen als de onderneming ‘toevallig’ volledig overlapt met het gehele vermogen van een persoon. Zie MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085nr. 9.
MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085 nr. 10; Schön 1992, p. 98 e.v.; Staudinger/Frank 2009 Anh zu §§1068, 1069 nr. 22-25. Vgl. Schmidt 2014, p. 168.
Staudinger/Frank 2009 Anh zu §§1068, 1069 nr. 25.
Grädler 2012, p. 163 e.v.; MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1085 nr. 10, zie ook 12; Schön 1992, p. 98 e.v.; Staudinger/Frank 2009 Anh zu §§1068, 1069 nr. 26.
Schön 1992, p. 99-101. Schmidt 2014, p. 187-189 sluit zich bij Schön aan.
Grädler 2012, p. 166-167.
Grädler 2012, p. 165-166, vgl. p. 158.
Zie ook Schmidt 2014, p. 187-189. Hij wijst erop dat vruchtgebruik van een onderneming niet veel voorkomt: Schmidt 2014, p. 190.
Zie art. 3:212, 215 BW.
Een uitzondering op dit uitgangspunt vormt §1048 BGB, waarin is bepaald dat de vruchtgebruiker van een onroerende zaak met inboedel (Grundstück samt Inventar) bevoegd is over de afzonderlijke goederen uit de inboedel te beschikken binnen de grenzen einer ordnungsmäßigen Wirtschaft. Zie Staudinger/Frank 2009 Vorbem zu §§1030 ff nr. 20.
MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1030 nr. 80, §1067 nr. 10, §1084; Schön 1992, p. 92-94, 293-294; Staudinger/Frank 2009 Vorbemzu §§1030 ff nr. 20-22; Staudinger/Jickeli & Stieper 2012 §92 nr. 1-4.
44. In de regeling van het vruchtgebruik (Nießbrauch) in het BGB is een aantal bepalingen opgenomen die zouden kunnen wijzen op een uitzondering op het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz): §1035 BGB over het vruchtgebruik op een algemeenheid van zaken (Inbegriff von Sachen), welke bepaling op grond van §1068 Abs. 2 BGB ook op het vruchtgebruik van rechten van toepassing is, en §§1085-1089 BGB over het vruchtgebruik van een vermogen.
45. §1035 BGB ziet op het vruchtgebruik van een Inbegriff, een algemeenheid van zaken of (via §1068 Abs. 2 BGB) rechten. Gedacht kan worden aan een bibliotheek, een magazijn, een nalatenschap of een vermogen. §1035 Abs. 1 BGB bepaalt dat de vruchtgebruiker en eigenaar jegens elkaar verplicht zijn mee te werken aan het opmaken van een lijst (Verzeichnis) van de zaken (of rechten, §1068 Abs. 2 BGB) die onder het vruchtgebruik vallen. Meer houdt de bepaling niet in en in het bijzonder kan hieruit niet afgeleid worden dat een vruchtgebruik op de algemeenheid als zodanig mogelijk is.1
46. Voor het vruchtgebruik van een vermogen geven §§1085-1088 BGB bijzondere bepalingen. §1089 BGB verklaart op het geval van een vruchtgebruik van een nalatenschap die paragrafen van overeenkomstige toepassing. Zou dat niet zo zijn, dan zouden op het vruchtgebruik van een nalatenschap §§1085-1088 BGB niet van toepassing zijn, omdat zij niet zien op het afgescheiden vermogen (Sondervermögen) dat de nalatenschap vormt, maar slechts op het gehele vermogen van een persoon. Doorgaans zal naast het nalatenschapsvermogen bij de erfgenaam nog ‘eigen’ vermogen aanwezig zijn, waardoor het vermogen uit méér bestaat dan alleen de nalatenschap.2
§1085 BGB bepaalt dat het vruchtgebruik op een vermogen slechts gevestigd kan worden door de afzonderlijke goederen die deel uitmaken van het vruchtgebruik in vruchtgebruik te geven.3 De bepalingen §§1086- 1088 BGB geven vervolgens een regeling waarin de verhouding tussen de schuldeisers van de hoofdgerechtigde, de hoofdgerechtigde en de vruchtgebruiker worden geregeld,4 vergelijkbaar met art. 3:222 BW. De regeling uit §§1086-1088 BGB is gedetailleerder dan die van art. 3:222 BW, maar komt er in de kern op neer dat de (vóór het tot stand komen van het vruchtgebruik ontstane) schulden van het vermogen (of de nalatenschap, §1089 BGB) verhaald kunnen worden op de goederen die onder het vruchtgebruik vallen. Door Baur en Stürner wordt dit kort en krachtig weergegeven: “Die Schulden sind eine Last des Vermögens.”5
Het is duidelijk dat de wet uitgaat van het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz) en daar geen uitzondering op maakt: de goederen uit het vermogen dienen afzonderlijk in vruchtgebruik te worden gegeven op grond van §1085 BGB en de §§1086-1088 BGB geven slechts een regeling voor de schulden, maar maken het vermogen niet tot één rechtsobject. De rechtsliteratuur gaat hier ook van uit: het vruchtgebruik van een algemeenheid van zaken of goederen (§1035 BGB) en het vruchtgebruik van een vermogen of een nalatenschap (§§1085-1089 BGB) zijn in wezen evenzoveel rechten van vruchtgebruik als er goederen binnen de algemeenheid zijn.6 Dit is in overeenstemming met de wetsgeschiedenis van het artikel.7
47. De heersende leer is echter dat hierop één uitzondering bestaat, namelijk het vruchtgebruik van een onderneming (Unternehmen). Hierop zijn de §§1085-1088 BGB van toepassing voor zover de onderneming samenvalt met het vermogen van een rechtssubject.8 Het zijn niet deze bepalingen die leiden tot de conclusie dat de onderneming een uitzondering vormt. Deze bepalingen houden immers slechts een regeling in met betrekking tot de schulden. Dat de onderneming als zodanig hier rechtsobject is, wordt aangenomen op basis van een redenering die nog terug zal komen in paragraaf 4.4.3.1 over goodwill. Men gaat ervan uit dat de kern van de onderneming is gelegen in het Tätigkeitsbereich, oftewel de goodwill van de onderneming, bestaand uit een goede naam, clientèle, relaties met leveranciers en andere niet-tastbare eigenschappen. Wordt de onderneming gezien als rechtsobject, dan is de vruchtgebruiker ook verzekerd van een absoluut recht op dit Tätigkeitsbereich. Zou men het vruchtgebruik van de onderneming zien als een optelsom van rechten van vruchtgebruik op de afzonderlijke goederen, dan zou dit recht op het Tätigkeitsbereich slechts van verbintenisrechtelijke aard kunnen zijn, zo redeneert men.9
Ook wordt erop gewezen dat de wet op sommige plaatsen de onderneming als geheel behandelt. Bijvoorbeeld: §§22, 23, 25 Handelsgesetzbuch (HGB), die het voeren van een handelsnaam(Firma, zie §17 HGB) betreffen; §1059a BGB, over de overdraagbaarheid van vruchtgebruik in het kader van overdracht van een onderneming; §34 Urheberrechtsgesetz, over overdracht van auteursrechtlicenties in het kader van overdracht van een onderneming; §102 Abs. 2 Versicherungsvertragsgesetz, over de bedrijfs- WA-verzekering ingeval de onderneming in vruchtgebruik is gegeven.10
Anderen zijn echter van mening dat de zojuist genoemde argumenten geenszins tot de conclusie leiden dat sprake is van de onderneming als rechtsobject en dat ook bij het vruchtgebruik van een onderneming het uniciteitsbeginsel (Spezialitätsgrundsatz) wordt gevolgd.11 Schön wijst er in zijn Habilitationsschrift over vruchtgebruik op dat buiten het kader van het vruchtgebruik men het erover eens is dat de onderneming als zodanig geen object van goederenrechtelijke rechten is. Het overtuigt dan niet om, zoals de heersende leer doet, te stellen dat de vestiging van het vruchtgebruik volgens de Spezialitätsgrundsatz en §1085 BGB geschiedt door de afzonderlijke goederen binnen de onderneming in vruchtgebruik te geven, maar dat het gevolg van deze vestiging één goederenrechtelijk recht op de onderneming als geheel is. Hij wijst er voorts op dat, ook al rust het vruchtgebruik niet op de onderneming als zodanig maar op de afzonderlijke goederen, de actie uit onrechtmatige daad de vruchtgebruiker bescherming biedt tegen inbreuken op het ingerichte en uitgeoefende bedrijf (eingerichtetemundausgeübtenGewerbebetrieb). Ook neemt het bestaan van het vruchtgebruik op de afzonderlijke goederen volgens Schön niet weg dat de bijzondere doelbestemming die het ondernemingsvermogen heeft de vruchtgebruiker in staat stelt de feitelijke plaats van de eigenaar in te nemen en aldus de goodwill te kunnen benutten.12
Grädler komt in zijn proefschrift over de onderneming als rechtsobject tot dezelfde analyse als Schön.13 Voorts wijst hij erop dat de genoemde wettelijke bepalingen die de onderneming betreffen, geen aanwijzingen geven dat het hier een goederenrechtelijk recht op de onderneming als geheel betreft, in plaats van evenzoveel rechten als goederen binnen de onderneming. Dat het nodig zou zijn de onderneming als rechtsobject te zien omdat alleen op die wijze de vruchtgebruiker genot kan hebben van de onderneming als geheel is volgens Grädler onjuist, omdat daarvoor de onderneming verpacht kan worden.14 Dit laatste argument van Grädler is niet erg sterk, omdat nu juist het bezwaar van de heersende leer tegen opvattingen zoals die van Grädler is dat de vruchtgebruiker slechts verbintenisrechtelijke aanspraken op het Tätigkeitsbereich zou krijgen.
De positie van het vruchtgebruik op een onderneming is in het Duitse recht dus omstreden: de heersende leer is dat het één recht op de onderneming als geheel betreft, terwijl auteurs die diepgravend onderzoek hebben gedaan naar het vruchtgebruik (Schön) respectievelijk de positie van de onderneming in het goederenrecht (Grädler) tot een andere slotsom komen.15
48. Ten slotte is in het kader van vruchtgebruik van een algemeenheid nog het volgende van belang. Uit paragraaf 3.3.4 zal blijken dat in het Franse recht een effectenportefeuille gekwalificeerd wordt als een feitelijke algemeenheid, zodat de vruchtgebruiker onder bepaalde voorwaarden bevoegd is te beschikken over de in vruchtgebruik gegeven goederen. Het BGB kent – anders dan ons BW16 – geen recht van vruchtgebruik waarbij de vruchtgebruiker bevoegd is te beschikken over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen.17 Zijn verbruikbare zaken (verbrauchbare Sachen) onderworpen aan het vruchtgebruik, dan wordt de vruchtgebruiker daarvan ingevolge §1067 BGB eigenaar en is hij uit dien hoofde bevoegd over de zaken te beschikken. Dit wordt oneigenlijk vruchtgebruik (uneigentliche Nießbrauch) genoemd. Verbruikbare zaken zijn ingevolge §92 BGB roerende zaken waarvan de bestemming gelegen is in verbruik of vervreemding. §92 Abs. 2 BGB bepaalt dat ook kwalificeren als verbruikbare zaken: roerende zaken die tot een algemeenheid van zaken (Sachinbegriff) behoren waarvan de bestemming is dat de zaken die ertoe behoren, vervreemd worden. Order- of toonderpapieren kunnen onder omstandigheden gezien worden als verbruikbare zaken (§1084 BGB), andersoortige effecten niet, ook niet als zij deel uitmaken van een algemeenheid. Een vruchtgebruiker van een effectenportefeuille is dus niet altijd bevoegd over de zich daarin bevindende effecten te beschikken. Schön is van mening dat het recht van vruchtgebruik dusdanig door eigenaar en vruchtgebruiker ingevuld kan worden dat beschikking door de vruchtgebruiker over de aan het vruchtgebruik onderworpen goederen mogelijk is. De heersende leer is echter dat dit niet mogelijk is, omdat het BGB hierin niet voorziet. Dat staat er niet aan in de weg dat de vruchtgebruiker deze bevoegdheid op andere wijze wordt toegekend, bijvoorbeeld door middel van een volmacht of door hem aan te wijzen als executeurtestamentair, hetgeen in de praktijk dan ook geschiedt.18
49. De conclusie moet mijns inziens luiden dat, ook al geven §1035, §1067 jo. 92 Abs. 2, en §§1085-1089 BGB bijzondere regelingen voor de situatie dat een algemeenheid in vruchtgebruik is gegeven, dit niet betekent dat een uitzondering op het uniciteitsbeginsel wordt gemaakt. Net als bleek in de vorige paragraaf voor het Nederlandse recht, gaat het in wezen om rechten van vruchtgebruik op de afzonderlijke goederen. Omstreden is echter of deze conclusie naar Duits recht ook voor het vruchtgebruik op een onderneming getrokken kan worden.