Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3.2.5
3.3.2.5 De opkomst van de strafuitsluitingsgronden in het fiscale boeterecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS569916:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 januari BNB 1965/52; HR 31 maart 1971, BNB 1971/98; HR 29 mei 1974, BNB 1974/176; HR 10 oktober 1980, V-N 1980, p. 2378-2380.
E. Aardema, ‘Administratieve boeten: een evaluatie’, WFR 1985/5702, p. 1368. M.W.C. Feteris in zijn noot onder FED 1990/420, onder 4; A.H.J. Swart in zijn noot onder NJ 1990, 812, onder 3-4.
Volgens sommige schrijvers was het beginsel “geen straf zonder schuld” al aanvaard aan het begin van de jaren ‘80 van de vorige eeuw. Zie J.P. Scheltens in zijn noten onder BNB 1983/18 en BNB 1986/29, onder 5 en L.F. Ploeger in zijn noot onder BNB 1988/2. Naar mijn mening baseerde de belastingkamer van de Hoge Raad afwezigheid van alle schuld destijds niet op aanvaarding van het beginsel “geen straf zonder schuld” voor het fiscale boeterecht, maar op de voor de desbetreffende boetes relevante beleidsregels.
HR 24 januari 1990, BNB 1990/287, r.o. 4.1.
HR 13 mei 1992, BNB 1992/242, r.o. 3.4; HR 10 juni 1992, BNB 1992/275, r.o. 3.4. Ik heb geen arresten gevonden waarin de Hoge Raad dit eerder expliciet heeft overwogen. In de arresten van 11 oktober 1989, BNB 1990/87-88, r.o. 4.5 lijkt de Hoge Raad nog op de kwijtscheldingsmogelijkheid in de desbetreffende beleidsregels te leunen. A.H.J. Swart concludeert in zijn noot onder NJ 1990, 812, onder 4, echter dat de belastingkamer van de Hoge Raad het beginsel “geen straf zonder schuld” reeds in 1990 in het fiscale boeterecht heeft toepast.
Voorschrift Administratieve Boeten 1993, Regeling van 28 september 1992, nr. AFZ92/6316, hoofdstuk I, par. 6, V-N 1992/3035, 7.
Opvallend genoeg kende het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998 vanaf 31 maart 2007 bij een fiscale boete waarbij opzet of grove schuld een bestanddeel vormt wel de mogelijkheid van een beroep op afwezigheid van alle schuld. Besluit SvF van 21 maart 2007, nr. CPP2006/2918M, artikel II, V-N 2007/17.14.
In de jurisprudentie zijn wel voorbeelden te vinden waarin de belastingkamer van de Hoge Raad dit lijkt te hebben gedaan, zie HR 6 november 1957, BNB 1957/319, HR 12 oktober 1988, BNB 1988/324, r.o. 5.3, HR 14 maart 2008, BNB 2008/144, ECLI:NL:HR:2008:AU0837, r.o. 5:“…in aanmerking genomen dat een bewustheid van belanghebbende van de kans dat een dealer onjuiste gegevens zou aanleveren, voor haar nog niet de mogelijkheid opende om de in een concreet geval door een dealer aangeleverde gegevens te verifiëren.”. Zo ook J.P. Scheltens, De Algemene wet inzake rijksbelastingen, Arnhem: Gouda Quint losbladig (mei 1978), p. 520, 521. Hofstra omschrijft het zojuist genoemde arrest van 6 november 1957 in zijn noot onder BNB 1985/71 echter als een “noodsprong” die door de invoering van de AWR niet meer noodzakelijk zou zijn.
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3 (MvT), p. 134.
Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3 (MvT), p. 134: “Net als bij strafrechtelijke overtredingen is schuld in de zin van verwijtbaarheid bij bestuursrechtelijk gesanctioneerde overtredingen doorgaans geen bestanddeel van het delict. Dit betekent dat het bestuursorgaan de verwijtbaarheid niet behoeft te bewijzen, maar deze mag veronderstellen als het daderschap vaststaat.” Kamerstukken II 2005/06, 29702, 7 (NV), p. 49: “Net zoals in het strafrecht, is schuld in de zin van verwijtbaarheid in het bestuursrecht meestal geen bestandsdeel van de overtreding (…). Dit staat los van het feit dat het ontbreken van verwijtbaarheid zal moeten leiden tot het achterwege laten van een bestuurlijke boete. Ook dit is in het strafrecht niet anders.”
De AWR noch de heffingswetten en -besluiten daarvoor hebben bepalingen over strafuitsluitingsgronden gekend. Dat ligt, gezien de aanvankelijke onzekerheid over het strafkarakter van de boete en gezien het uitgangspunt dat de beginselen van het nationale strafrecht niet op het fiscale boeterecht van toepassing zijn, ook niet voor de hand. Toch is in het begin van de jaren ‘60 van de vorige eeuw de vraag opgekomen of bij boetes een beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld kon worden gedaan. Aanvankelijk heeft de belastingkamer van de Hoge Raad geoordeeld dat het beginsel geen straf zonder schuld niet op fiscale boetes van toepassing is. Dit bracht volgens de belastingkamer mee dat er voor afwezigheid van alle schuld als algemeen geldende schulduitsluitingsgrond in het fiscale boeterecht geen plaats was.1
Vanaf de jaren ‘80 dook de vraag weer op in de fiscale literatuur.2 Eerst vormden beleidsregels die bij afwezigheid van alle schuld voor bepaalde boetes zonder subjectief bestanddeel toch in volledige kwijtschelding voorzagen, hiervoor de aanleiding.3 Vervolgens heeft het oordeel van de belastingkamer van de Hoge Raad dat ook deze fiscale boetes als straffen in de zin van art. 6 EVRM zijn te beschouwen de discussie hierover weer doen opleven.4 Uiteindelijk heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in 1992 in twee arresten geoordeeld dat voor boetes zonder subjectief bestanddeel geen plaats is als niet kan worden gezegd dat enige schuld aanwezig is.5 In hetzelfde jaar heeft de Staatssecretaris van Financiën in een beleidsbesluit afwezigheid van alle schuld als kwijtscheldingsgrond voor deze boetes aangemerkt.6
De omstandigheid dat de belastingkamer van de Hoge Raad afwezigheid van alle schuld bij fiscale boetes zónder opzet heeft aanvaard, brengt echter nog niet mee dat zij de toepassing van strafuitsluitingsgronden bij boetes mét opzet heeft aanvaard, of een stap verder: dat zij ook voor het fiscale boeterecht de systematiek van bestanddelen en elementen heeft overgenomen.
Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat de belastingkamer van de Hoge Raad bij boetes waarbij opzet een bestanddeel vormt, rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van strafuitsluitingsgronden.7 Dit kan, als de belastingkamer geen bestraffing wenst in situaties waarin in het strafrecht een succesvol beroep op een strafuitsluitingsgrond had kunnen worden gedaan, in het fiscale boeterecht tot een andere invulling van het begrip opzet leiden dan in het strafrecht. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in dat geval om straffeloosheid te bereiken namelijk geen andere mogelijkheid dan het opzet anders in te vullen, of anders gezegd, de belastingkamer moet tot straffeloosheid komen door de desbetreffende strafuitsluitingsgrond als het ware in het opzet te verwerken.8 Om bij het voorbeeld van de onder dwang gedane onjuiste aangifte te blijven: de strafrechter zal in deze situatie oordelen dat er opzettelijk is gehandeld, maar dat de verdachte belastingplichtige door toepasselijkheid van een strafuitsluitingsgrond niet strafbaar is. De belastingrechter zal moeten oordelen dat er niet opzettelijk is gehandeld. Voor grove schuld geldt het voorgaande overigens niet, omdat in het strafrecht de elementen wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid en daarmee de strafuitsluitingsgronden worden geacht in de schuld oftewel de culpa besloten te liggen.
Met de invoering van art. 5:5 Awb en art. 5:41 Awb hebben de strafuitsluitingsgronden met ingang van 1 juli 2009 een wettelijke basis in het bestuurlijke boeterecht en daarmee ook in het fiscale boeterecht gekregen. Hierdoor kan niet alleen afwezigheid van alle schuld, maar kunnen alle in het strafrecht bekende strafuitsluitingsgronden in het fiscale boeterecht van toepassing zijn.9 Een beroep op de strafuitsluitingsgronden is op grond van de wettekst bij alle fiscale boetes mogelijk: er is geen onderscheid gemaakt tussen boetebepalingen zonder en boetebepalingen met opzet. Ook uit de parlementaire geschiedenis komt niet naar voren dat de wetgever een dergelijk onderscheid voor ogen heeft gestaan.10 Op grond hiervan ga ik ervan uit dat de strafuitsluitingsgronden met ingang van 1 juli 2009 niet alleen op boetes zonder opzet, maar ook op boetes met opzet van toepassing zijn. Dit brengt naar mijn mening mee dat er in het fiscale boeterecht geen reden meer is om het opzet wegens het ontbreken van strafuitsluitingsgronden anders in te vullen. Later in dit hoofdstuk, in paragraaf 3.4.3.3, en in het volgende hoofdstuk wordt hier op teruggekomen.