Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/3.3.2
3.3.2 Vruchtgebruik van een algemeenheid in het Nederlandse recht
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS454443:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Althans de ‘soortgelijke algemeenheid’ zoals in art. 3:222 BW bedoeld.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318-319, 325; Parl. Gesch. Boek 3, p. 676-677; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 691. Omdat door middel van de regel van art. 3:222 lid 1 BW in feite de passive op de activa in mindering worden gebracht, spreekt men in de genoemde literatuur wel van het saldo. Dit is strikt genomen natuurlijk onjuist: een saldo is geen goed en daar kan dan ook geen vruchtgebruik op rusten. Overigens wordt er mijns inziens eveneens te gemakkelijk van uitgegaan dat ingeval van vruchtgebruik van een onderneming de vruchtgebruiker recht zou hebben op de winst als vrucht.
Vorderingen kunnen door de hoofdgerechtigde wel verkocht en overgedragen worden, maar niet geïnd zonder toestemming van de vruchtgebruiker, zie art. 3:210 lid 3 BW.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 650; Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 599. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 295 lijkt te suggereren dat de hoofdgerechtigde niet zelfstandig bevoegd zou zijn tot overdracht. Ik ga er van uit dat hiermee (terecht) wordt bedoeld dat de hoofdgerechtigde niet bevoegd is tot overdracht van het onbezwaarde goed, maar slechts tot overdracht van het goed bezwaard met een recht van vruchtgebruik.
Zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 319; Parl. Gesch. Boek 3, p. 650, vgl. p. 677; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 599.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 677, zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 319. Ingevolge de derdenbeschermingsbepaling art. 3:86 lid 2 BW zou echter ook indien art. 3:222 lid 1 BW niet had bestaan, het vruchtgebruik veelal teniet gaan.
In het Duitse recht kan de eigenaar in een vergelijkbaar geval teruggave van de goederen verlangen, waarbij de vruchtgebruiker afstand doet van zijn recht: MünchKommBGB/Pohlmann 2013 §1087 nr. 3.
Vgl. Van Hoof 2015, p. 61-68.
Deze bepaling geeft niet een regel van Schuld maar van Haftung (verhaalsaansprakelijkheid), zie over deze begrippen Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 33 e.v.
Zie ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 319.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 676-677.
Mellema-Kranenburg, GS Vermogensrecht, art. 3:222 BW, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt op 10 april 2015).
Zie over andere gevallen waarin een beperkt gerechtigde, en een vruchtgebruiker in het bijzonder, op grond van de wet bevoegd is te beschikken over goederen van de hoofdgerechtigde: Groefsema 1993, p. 24-25, 156-157.
Vgl. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 324-326.
In het Mesdag II-arrest (HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012/88) werden ook voorwaarden gesteld aan de beschikkingsbevoegdheid, maar dit waren geen voorwaarden waarvan pas ná de verkoop en levering duidelijk zou zijn of zij in vervulling zouden gaan.
HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2012/88, JOR 2012/34, met not Schuijling (Mesdag II).
HR 2 april 1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly).
Zie Asser/Kortmann 2-I 2004, nr. 136; Bartels 2004b, p. 61-63; Groefsema 1993, p. 39-40; Keirse & Beukers, GS Vermogensrecht, art. 3:84, aant. 102.3 (online, laatst bijgewerkt op 1 mei 2010).
Art. 3:89 lid 3 BW naar analogie, zie Bartels 2004b, p. 62; Groefsema 1993, p. 39-40.
Zie over andere gevallen waarin een beperkt gerechtigde, en een vruchtgebruiker in het bijzonder, op grond van de wet bevoegd is te beschikken over goederen van de hoofdgerechtigde: Groefsema 1993, p. 24-25, 156-157.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318; Parl. Gesch. Boek 3, p. 680; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 701. De ratio hiervan zal zijn dat zonder deze regel art. 3:222 lid 1 BW te gemakkelijk omzeild kan worden: de vruchtgebruiker zou kunnen eisen dat de hoofdgerechtigde meewerkt aan afstand van het vruchtgebruik dat rust op een hoofdbestanddeel, waardoor – zo zal nog blijken – art. 3:222 lid 1 BW niet meer van toepassing is. Dat slechts medewerking aan afstand van het ‘gehele vruchtgebruik’ verlangd kan worden, blijkt echter uit 3:222 lid 1 BW noch uit 3:224 BW. Dat dit bedoeld is, blijkt enkel uit de memorie van antwoord bij art. 3:224 BW. Mijns inziens is het daarom niet uitgesloten dat dit onder omstandigheden toch anders zou kunnen zijn.
De wetgeschiedenis zwijgt helaas over de vraag hoe het vruchtgebruik van een algemeenheid begrepen moet worden nu de figuur van de algemeenheid van goederen niet is ingevoerd.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318; Mellema-Kranenburg 1999, met name p. 59; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 681; Snijders & Rank- Berenschot 2012, nr. 626; Verstappen 1996, p. 83-84.
Aldus ook Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 318 en Bartels & Timmerman 2006, p. 98. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 681 en 684. Anders: Raaijmakers 2002a, p. 35.
Vgl. De Ruiter 1963, p. 82.
Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 298; Van Gaalen 2001, p. 106; Kleijn 1990, p. 43; Mellema-Kranenburg 1999, p. 33-34. Parl. Gesch. Boek 3, p. 650; Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 599.
Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 399-401; De Ruiter 1963, p. 80-82. Vgl. Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 66; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 553.
Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 400-401, waar wordt gesproken over de “meest belangrijke en meest kenmerkende” en “essentiële” bestanddelen wanneer het om hoofdbestanddelen van een algemeenheid gaat.
Vgl. De Ruiter 1963, p. 80-82.
Zie paragraaf 8.3.
Parl. Gesch. Boek 3, p. 625.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 66; Lammers, GS Vermogensrecht, art. 3:191, aant. 11 (online, laatst bijgewerkt op 18 december 2013). Anders: Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 553.
36. Art. 3:222 lid 1 BW gaat over de algemeenheid van goederen die in vruchtgebruik is gegeven. Ondanks dat de algemeenheid van goederen niet in het BW is ingevoerd, lijkt dit artikel er op te wijzen dat zij toch als rechtsobject kan dienen. Is dit daadwerkelijk zo en wat is de betekenis van deze bepaling precies?
37. Art. 3:222 lid 1 BW bepaalt dat indien een algemeenheid van goederen in vruchtgebruik is gegeven, de hoofdgerechtigde kan verlangen dat de schulden van de algemeenheid uit de goederen van de algemeenheid worden voldaan. Heeft hij de schulden reeds uit andere middelen voldaan, dan kan hij verlangen dat het betaalde hem uit de goederen van de algemeenheid wordt teruggeven. Heeft de vruchtgebruiker de schulden uit eigen middelen voldaan, dan hoeft de hoofdgerechtigde hem dit pas terug te geven bij het einde van het vruchtgebruik.
Deze bepaling strekt ten voordele van de hoofdgerechtigde. Indien de hoofdgerechtigde een beroep doet op deze bepaling, heeft de vruchtgebruiker van een algemeenheid recht op minder dan wanneer het vruchtgebruik zou rusten op niet tot een algemeenheid behorende goederen. Anders gezegd: er blijft voor de hoofdgerechtigde meer over indien het gaat om een vruchtgebruik van een algemeenheid als bedoeld in deze bepaling, dan wanneer het zou gaan om het recht van vruchtgebruik op afzonderlijke goederen. Ik zal dit toelichten.
De vruchtgebruiker van een goed heeft recht op het gebruik en de vruchten van het in vruchtgebruik gegeven goed. Hij heeft recht op de natuurlijke en de burgerlijke vruchten van het goed die tijdens het vruchtgebruik afgescheiden of opeisbaar worden (art. 3:216 jo. 3:9 BW). Bij vruchtgebruik van een algemeenheid van goederen ligt de zaak anders. Aangezien een algemeenheid van goederen naast goederen ook schulden omvat,1 zal het veelal de bedoeling van de hoofdgerechtigde zijn om de vruchtgebruiker het vruchtgebruik van de algemeenheid als geheel te geven en niet van de afzonderlijke goederen. Wanneer de vruchtgebruiker recht zou hebben op de vruchten en het gebruik van de afzonderlijke goederen, de activa, zonder dat hierbij rekening wordt gehouden met de passiva, krijgt hij in feite méér dan het gebruik en de vruchten van de algemeenheid van goederen als zodanig. De ratio van art. 3:222 lid 1 BW is gelegen in het voorkomen van dit laatste, doordat de vruchtgebruiker moet dulden dat de schulden van de algemeenheid uit de goederen ervan worden voldaan.2
Maar kan de hoofdgerechtigde deze schulden niet ook al uit zijn goederen voldoen zonder het bestaan van art. 3:222 lid 1 BW? Inderdaad zou ook zonder deze bepaling de hoofdgerechtigde de schulden uit de goederen van de algemeenheid kunnen ‘voldoen’, door de goederen te verkopen,3 over te dragen en de schulden uit de opbrengst te voldoen.4 Ingevolge de regel van het zaaksgevolg zou echter het vruchtgebruik op de goederen blijven rusten.5 Verkoop van de goederen zal in dat geval waarschijnlijk minder opbrengen dan wanneer de goederen onbezwaard zouden worden verkocht. Hierdoor zou het gewenste resultaat, vruchtgebruik van de algemeenheid als zodanig, alsnog niet bereikt worden. Art. 3:222 lid 1 BW moet aldus worden begrepen, dat wanneer deze bepaling wordt toegepast, het vruchtgebruik op de goederen waaruit de schulden worden voldaan, teniet gaat.6
Het uitgangspunt van zaaksgevolg wordt doorbroken. Het doen van afstand door de vruchtgebruiker van zijn recht is – anders dan in bijvoorbeeld het Duitse recht7 – daarvoor niet nodig. Het is in overeenstemming met het concept van een algemeenheid van goederen dat de goederen de algemeenheid onbezwaard kunnen verlaten, zonder dat hiervoor afstand moet worden gedaan.8 In paragraaf 4.2.3 over verpanding van het fonds de commerce zal dit nog terugkomen. De zojuist beschreven ratio van art. 3:222 lid 1 BW brengt mee dat de goederen onbezwaard vervreemd kunnen worden.
38. Art. 3:222 lid 1 BW maakt de vruchtgebruiker niet tot schuldenaar.9 De vruchtgebruiker kan niet verplicht worden tot betaling van de schuld van de hoofdgerechtigde, anders dan door voldoening uit de goederen van de algemeenheid. Betaalt de vruchtgebruiker toch uit eigen vermogen, dan heeft hij recht op teruggave van het betaalde, zij het slechts bij het einde van het vruchtgebruik (art. 3:222 lid 1, laatste zin BW).10
39. Wie is bevoegd de bewuste goederen te verkopen en te leveren en de schuld uit de opbrengst ervan te voldoen? Denkbaar is dat de hoofdgerechtigde aan de vruchtgebruiker duidelijk maakt dat hij verlangt dat de schulden worden voldaan, de vruchtgebruiker daarna de goederen aanwijst, waarna de hoofdgerechtigde overgaat tot onbezwaarde verkoop en levering. Ook is denkbaar dat de hoofdgerechtigde aan de vruchtgebruiker duidelijk maakt dat hij verlangt dat de schulden worden voldaan en de vruchtgebruiker vervolgens naar keuze goederen onbezwaard vervreemdt. De vruchtgebruiker beschikt dan bevoegd over de eigendom van de hoofdgerechtigde, op grond van art. 3:222 lid 1 BW. Tussenvarianten zijn uiteraard ook denkbaar. Op welke variant heeft de wet nu het oog; wie is beschikkingsbevoegd?
Uit de Toelichting-Meijers bij art. 3:222 BW blijkt dat de vruchtgebruiker moet bijdragen in de schulden. Meijers verwijst voorts naar art. 845 BW (oud).11 Daarin werd bepaald dat de eigenaar, dus niet de vruchtgebruiker, de goederen kon doen verkopen. De wetsgeschiedenis geeft hiermee nog geen duidelijk antwoord op de vraag wie bevoegd is te beschikken over de goederen. In de literatuur wordt opgemerkt dat de vruchtgebruiker de schuld van de hoofdgerechtigde voldoet, dat de hoofdgerechtigde niet eigenmachtig tot verkoop en overdracht van de goederen mag overgaan om de schuld te voldoen12 en dat hij ook niet de goederen mag aanwijzen waaruit de schulden moeten worden voldaan.13 “Niet eigenmachtig”, wil dat hier zeggen: de hoofdgerechtigde mag verkopen en leveren, maar niet zonder dat de vruchtgebruiker heeft bepaald welk goed vervreemd wordt? Of wil dat zeggen: hij kan slechts verlangen dat de vruchtgebruiker overgaat tot verkoop en levering? Ook de literatuur geeft dus geen scherp antwoord.
Veel pleit ervoor dat art. 3:222 lid 1 BW aldus uitgelegd moet worden, dat de vruchtgebruiker bevoegd is over de onbezwaarde goederen te beschikken.14 Dat is het meest in overeenstemming met de gedachte achter art. 3:222 lid 1 BW en hoe dit artikel wordt geïnterpreteerd in de literatuur: de vruchtgebruiker mag kiezen welke goederen opgeofferd worden voor voldoening van de schuld, in ieder geval mag de eigenaar niet eigenmachtig de goederen verkopen en het is de vruchtgebruiker die vervolgens de schuld van de algemeenheid uit de opbrengst van de goederen voldoet. Bovendien sluit het aan bij het niet terugkeren in de tekst van art. 3:222 lid 1 BW dat – zoals onder het oude BW – de eigenaar de goederen kon doen verkopen. Ook praktisch biedt dit een werkbare oplossing. Denk aan het geval van vruchtgebruik van een onderneming, waarbij de vruchtgebruiker doorgaans op zal treden als ondernemer.15 De vruchtgebruiker heeft dan al de feitelijke macht over de roerende zaken, en vorderingen zal hij wellicht ingevolge de hoofdregel van art. 3:210 lid 1 BW al geïnd hebben. Hij heeft zicht op welke goederen zich lenen om de schulden mee te voldoen en kan daartoe ook meteen overgaan door ze te verkopen en te leveren, dan wel uit de geïnde gelden de schulden te voldoen.
Anderzijds brengt beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker wel het risico voor de hoofdgerechtigde mee dat de vruchtgebruiker beschikt over de goederen uit de algemeenheid, maar de opbrengst vervolgens niet aanwendt ter delging van de schulden. En hoe moet in die situatie de beschikkingsbevoegdheid worden beoordeeld? Kan in dat geval achteraf gezegd worden dat de vruchtgebruiker toch niet beschikkingsbevoegd was; is sprake van een voorwaardelijke beschikkingsbevoegdheid? Dat zou tot rechtsonzekerheid leiden; geen koper zal bereid zijn te betalen wanneer hij op de hoogte is van een dergelijke voorwaardelijkheid van de beschikkingsbevoegdheid. De voorwaarde (voldoen van de schulden uit de opbrengst) zal dan niet in vervulling treden. Een dergelijke opvatting zou dus leiden tot een patstelling.16
Er kan hier een parallel getrokken worden met het geval waarin de bevoegdheid om te beschikken over het goed van een ander niet op de wet berust, maar op een overeenkomst. Stel, een tussenpersoon verkoopt en levert in eigen naam maar in opdracht van de achterman een zaak aan een derde. Sinds het Mesdag II-arrest17 staat vast dat de tussenpersoon beschikkingsbevoegd kan zijn op grond van de overeenkomst met de achterman. De derde wordt in dat geval rechthebbende, maar de achterman moet uiteraard ook dan maar afwachten of hij de koopprijs doorbetaald krijgt. Net als in die situatie, zou ik bij art. 3:222 lid 1 BW willen aannemen dat de vruchtgebruiker beschikkingsbevoegd is, ook al brengt dat risico’s voor de hoofdgerechtigde met zich.
Dat ook registergoederen voorwerp van het vruchtgebruik kunnen zijn, vormt hierbij geen probleem. De argumenten tegen de directe leer van eigendomsverkrijging bij registergoederen,18 spelen niet wanneer het om vervreemding van registergoederen door een ander dan de eigenaar gaat.19 Uiteraard dient wel uit de leveringsakte duidelijk te blijken dat de vruchtgebruiker zijn beschikkingsbevoegdheid ontleent aan het beroep dat de hoofdgerechtigde heeft gedaan op art. 3:222 BW.20
Kortom, indien de hoofdgerechtigde een beroep doet op art. 3:222 lid 1 BW is mijns inziens de vruchtgebruiker op grond van deze bepaling zelfstandig bevoegd de goederen te verkopen en over te dragen (in tegenstelling tot de hoofdregel van art. 3:207 lid 2 BW, waarin wordt bepaald dat hoofdgerechtigde en vruchtgebruiker tezamen bevoegd zijn), dan wel – indien het vorderingen betreft – deze te innen (art. 3:210 lid 1 BW).21 Vervolgens voldoet de vruchtgebruiker in eigen naam met de opbrengst daarvan de schuld(en) van de hoofdgerechtigde, of betaalt daarmee de hoofdgerechtigde – indien deze de schulden reeds uit eigen middelen had voldaan – terug.22
40. Een ander gevolg van het vestigen van vruchtgebruik op een algemeenheid dat in de literatuur wordt genoemd, is dat de vruchtgebruiker slechts medewerking van de hoofdgerechtigde op grond van art. 3:224 BW kan verlangen bij afstand van het ‘gehele vruchtgebruik’. De vruchtgebruiker kan dus geen medewerking eisen bij afstand van slechts enkele goederen uit de algemeenheid.23
41. Art. 3:222 BW is van toepassing op de onderneming, nalatenschap en ‘soortgelijke algemeenheden’. Na het voorgaande moge duidelijk zijn dat het hierbij moet gaan om algemeenheden van goederen die niet alleen goederen, maar ook schulden omvatten.24 Art. 3:222 BW ziet dus op een algemeenheid van goederen. Is hier nu toch de algemeenheid rechtsobject? Nu besloten is de figuur van algemeenheid van goederen niet in te voeren, bevat het BW geen speciaal vestigingsvereiste voor het vruchtgebruik op de algemeenheid van goederen.25 Hieruit moet geconcludeerd worden dat voor de levering van een algemeenheid van goederen en vestiging van beperkte rechten zoals vruchtgebruik daarop, de normale regels van levering van goederen gelden. In de literatuur wordt daar dan ook terecht van uit gegaan: voor vestiging van vruchtgebruik op een algemeenheid van goederen is vereist dat voor de afzonderlijke goederen die deel uitmaken van de algemeenheid, de vestigingsvereisten van art. 3:98 jo. 3:89 e.v. BW in acht worden genomen.26
Hoewel het denkbaar is dat het in acht nemen van de afzonderlijke vestigingsvereisten leidt tot een vruchtgebruik dat rust op de algemeenheid van goederen als zodanig, is dit mijns inziens niet het geval. Zoals hierboven bleek, zegt art. 3:222 lid 1 BW slechts iets over de toerekening van de schulden aan de algemeenheid. Art. 3:222 lid 1 BW zegt niets over het object van het vruchtgebruik, hierover worden geen regels gegeven. Dit ligt ook voor de hand, nu men in het BW juist de algemeenheid van goederen niet als object in heeft willen voeren. Ik verwijs voorts naar de overige argumenten die in paragraaf 2.3.2 gegeven zijn die ervoor pleiten dat het BW uitgaat van het bestaan van goederenrechtelijke rechten op afzonderlijke goederen. Er wordt dan ook algemeen van uitgegaan dat het vruchtgebruik op een algemeenheid van goederen als bedoeld in art. 3:222 lid 1 BW in werkelijkheid bestaat uit afzonderlijke rechten van vruchtgebruik die op de afzonderlijke bestanddelen27 (althans op de goederen, niet de schulden) van de algemeenheid rusten.28
42. Nu er in het geval van art. 3:222 lid 1 BW geen sprake is van een algemeenheid die als zodanig in vruchtgebruik is gegeven, maar slechts van afzonderlijke goederen, rijst de vraag wanneer deze bepaling van toepassing is. Art. 3:222 lid 1 BW lijkt immers voor toepassing niet vruchtgebruik van de afzonderlijke goederen te vereisen, maar juist vruchtgebruik van de algemeenheid als zodanig. Het is evident dat art. 3:222 lid 1 BW in ieder geval van toepassing is indien daadwerkelijk alle goederen behorende tot de algemeenheid in vruchtgebruik zijn gegeven. Dit is een voldoende voorwaarde voor toepasselijkheid van art. 3:222 lid 1 BW. De vraag is nu of het ook een noodzakelijke voorwaarde is dat alle tot de algemeenheid behorende goederen in vruchtgebruik gegeven zijn.
Zoals is besproken, bestaat er namelijk geen vestigingsformaliteit voor het in vruchtgebruik geven van een algemeenheid van goederen en rusten de rechten van vruchtgebruik op de afzonderlijke goederen. Daardoor is er geen criterium aan de hand waarvan bepaald kan worden of in een concreet geval de algemeenheid in vruchtgebruik gegeven is als bedoeld in art. 3:222 lid 1 BW, of dat het enkel gaat om het in vruchtgebruik geven van de afzonderlijke goederen.
Het vereiste dat alle goederen in vruchtgebruik gegeven moeten zijn, kan door de wet echter niet zijn bedoeld. De consequentie van dit vereiste zou namelijk zijn dat art. 3:222 lid 1 BW veelal niet van toepassing is in gevallen waarvoor zij juist geschreven lijkt te zijn. Het directe gevolg van het stellen van de eis dat alle goederen van de algemeenheid in vruchtgebruik gegeven moeten zijn voor toepassing van art. 3:222 lid 1 BW, is dat het artikel niet van toepassing is in alle gevallen waarin ten minste één goed van de algemeenheid niet in vruchtgebruik is gegeven. Wordt er dus bijvoorbeeld nagelaten een recht van vruchtgebruik te vestigen op een relatief klein vermogensbestanddeel van een onderneming, dan is art. 3:222 lid 1 BW ook niet van toepassing op de overige goederen, die alle wél bezwaard zijn met een recht van vruchtgebruik. Deze consequentie lijkt nogal arbitrair en niet goed te rechtvaardigen.29
Een ander voorbeeld: in geval van een onderneming zal de samenstelling van deze algemeenheid vaak wisselend zijn. In alle gevallen waarin een nieuw goed aan de onderneming wordt toegevoegd en hier (nog) geen vruchtgebruik op is gevestigd, zal art. 3:222 lid 1 BW niet van toepassing zijn. De regeling van art. 3:213 BW biedt geen soelaas. Indien de hoofdgerechtigde beschikt over het goed, treedt er geen zaaksvervanging op, maar blijft het vruchtgebruik ingevolge het zaaksgevolg op het goed rusten.30 Daarnaast biedt de zaaksvervangingsregel geen uitkomst indien goederen om niet aan de hoofdgerechtigde worden overgedragen en tot de algemeenheid gaan behoren doordat zij daarmee een eenheid vormen. Ook is de zaaksvervangingsregel van art. 3:213 lid 1 BW niet van toepassing indien betaald wordt voor geleverde diensten en dit ontvangene tot de algemeenheid gaat behoren.
In het Ontwerp-Meijers werd gekozen voor de oplossing van art. 3.4.2.9 lid 3 OM, welke bepaling niet is ingevoerd maar krachtens de schakelbepaling die wij nu kennen als art. 3:98 BW ook zou gelden voor vestiging van beperkte rechten. Dit artikel bepaalde dat “de omstandigheid, dat enige goederen der algemeenheid van goederen niet zijn geleverd, […] de overgang der algemeenheid niet [belet], mits slechts haar hoofdbestanddelen zijn geleverd.” Naar mijn mening moet een dergelijke benadering ook bij de algemeenheid van art. 3:222 lid 1 BW gekozen worden: voor toepassing van art. 3:222 lid 1 BW is dan niet vereist dat op alle bestanddelen van de algemeenheid een vruchtgebruik rust, maar wel moeten in ieder geval de hoofdbestanddelen van de algemeenheid in vruchtgebruik gegeven zijn. Zijn de hoofdbestanddelen van de algemeenheid in vruchtgebruik gegeven, dan geldt art. 3:222 lid 1 BW voor de uit de algemeenheid in vruchtgebruik gegeven goederen.
Een dergelijke oplossing voldoet vanuit dogmatisch oogpunt. Enerzijds worden hiermee de bezwaren tegen een strenge eis als het in vruchtgebruik geven van alle goederen van de algemeenheid omzeild. Anderzijds doet deze eis van het leveren van de hoofdbestanddelen recht aan art. 3:222 lid 1 BW. Er wordt namelijk duidelijk tot uitdrukking gebracht dat het niet zomaar kan gaan om een aantal goederen waarop een recht van vruchtgebruik is gevestigd, maar dat het wel degelijk om een algemeenheid van goederen moet gaan. Tevens sluit deze benadering aan bij de opvatting dat het feitelijk gaat om meerdere rechten van vruchtgebruik op meerdere goederen, omdat in deze benadering alleen voor de goederen waarop daadwerkelijk een recht van vruchtgebruik is gevestigd art. 3:222 lid 1 BW van toepassing is.
Praktisch gezien is deze oplossing weinig gelukkig. De eerste vraag die immers rijst bij het lezen van dit toepassingsvereiste is: wat zijn de hoofdbestanddelen?31 In veel gevallen zal duidelijk zijn wat als essentieel32 voor een algemeenheid gezien kan worden, maar ook zal het zich voordoen dat dit minder gemakkelijk te beoordelen is.
Buiten deze twee mogelijke interpretaties van art. 3:222 lid 1 BW – het eisen van vruchtgebruik op alle goederen of alleen de hoofdbestanddelen – zie ik echter geen andere.33 Gezien de wetsgeschiedenis moet daarom worden aangenomen dat slechts vereist is dat de hoofdbestanddelen van de algemeenheid van goederen in vruchtgebruik gegeven worden. In een soortgelijk geval, namelijk dat van het beschikken over een aandeel in de gehele gemeenschap als bedoeld in art. 3:191 lid 1 BW, wordt een vergelijkbare weg ingeslagen. Op grond van art. 3:190 lid 1 BW kan een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap zonder toestemming van de overige deelgenoten niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk. Op grond van art. 3:191 lid 1 BW kan een deelgenoot in beginsel wel beschikken over zijn aandeel in de gehele gemeenschap. Maar wanneer wordt nu beschikt over ‘het aandeel in de gehele gemeenschap’? Over het algemeen wordt – terecht – aangenomen dat het bij het beschikken over een aandeel in de gehele gemeenschap in feite gaat over het beschikken over de aandelen in de afzonderlijke goederen die deel uit maken van de gemeenschap.34 Hier kan zich het vergelijkbare probleem voordoen als bij art. 3:222 lid 1 BW: wat indien niet alle aandelen overgedragen worden? In de literatuur wordt aangenomen dat het op basis van de wetsgeschiedenis35 voldoende is dat de hoofdbestanddelen van de gemeenschap zijn geleverd. De niet-geleverde aandelen in de overige goederen uit de gemeenschap gaan niet over, maar wel is dan sprake van het ‘beschikken over zijn aandeel in de gehele gemeenschap’ zoals bedoeld in art. 3:191 lid 1 BW.36
43. Hoewel art. 3:222 lid 1 BW lijkt te suggereren dat vruchtgebruik op een algemeenheid als zodanig gevestigd kan worden, is dat niet het geval; het gaat daarbij om meerdere rechten van vruchtgebruik op diverse goederen. De algemeenheid van goederen in art. 3:222 lid 1 BW moet niet gezien worden als rechtsobject; het uniciteitsbeginsel prevaleert. De wet kent echter wel belang toe aan de kwalificatie van een complex goederen als algemeenheid. Slechts in dat geval immers is art. 3:222 lid 1 BW van toepassing en kan de hoofdgerechtigde verlangen dat de schulden van de algemeenheid uit de goederen worden voldaan.