Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.6:6.6 Het splitsen van een beperkt recht dat rust op een grondstuk
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.6
6.6 Het splitsen van een beperkt recht dat rust op een grondstuk
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS483098:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is te verklaren omdat een recht van vruchtgebruik blijkens art. 3:203 BW gevestigd wordt ten aanzien van een persoon, waardoor overdracht van een gedeelte indruist tegen het doel van de regeling.
PG Boek 5, p. 270-273.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het bovenstaande is uiteengezet dat de vestiging van een beperkt recht op een gedeelte van een grondstuk het onderliggende eigendomsrecht splitst. Dit is echter niet de enige wijze waarop splitsing van het eigendomsrecht op een grondstuk bewerkstelligd kan worden. Een bloot eigendomsrecht op een grondstuk kan namelijk ook gesplitst worden door splitsing van het beperkte recht dat rust op dat eigendomsrecht.
Het Burgerlijk Wetboek kent geen regeling omtrent het splitsen van een recht van vruchtgebruik1, noch omtrent het splitsen van een recht van hypotheek. Ook een recht van erfdienstbaarheid kan niet gesplitst worden. Wel kent art. 5:76 BW een regeling met betrekking tot het splitsen van het heersend resp. het dienend erf. Met Bartels ben ik van mening dat het opmerkelijk is, dat de wet hier spreekt van ‘verdeling’, terwijl de betekenis hiervan een geheel andere is dan die als bedoeld in art. 3:182 BW.2 Uit de Parlementaire Geschiedenis bij art. 5:76 BW blijkt echter dat met de term ‘verdeling’ splitsing wordt bedoeld.3 De splitsing van het dienend erf (door overdracht van een gedeelte van dat erf), leidt blijkens lid 2 van art. 5:76 BW er toe dat de last blijft rusten op ieder gedeelte, ten aanzien waarvan naar de akte van vestiging en de aard der erfdienstbaarheid de uitoefening mogelijk is. Hiermee is het derhalve niet de splitsing van de erfdienstbaarheid die consequenties heeft voor de zaakseenheid van het grondstuk, maar de overdracht van een gedeelte van het grondstuk. Nu het splitsen van beperkte rechten zelf, en de invloed hiervan op het onderliggende eigendomsrecht centraal staat, zal niet nader ingegaan worden op de verdeling in de zin van art. 5:76 BW.
Wel zal het splitsen van een recht van erfpacht of een opstalrecht besproken worden.