De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.10:3.4.10 Bestätigung (bevestiging)
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.10
3.4.10 Bestätigung (bevestiging)
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379229:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
142. Vernietiging van een aantastbare rechtshandeling is niet meer mogelijk, als degene die was gerechtigd tot vernietiging haar op grond van §144 BGB bevestigt. Het rechtsgevolg van bevestiging is aldus het verlies van het recht op vernietiging.1
In de literatuur bestaat enige discussie over de verhouding tussen bevestiging enerzijds en afstand van het recht op vernietiging anderzijds. Volgens Flume moet onderscheid worden gemaakt tussen de twee figuren. Men doet volgens hem afstand van het recht op vernietiging door een daartoe strekkende verklaring te richten tot de wederpartij, terwijl voor bevestiging voldoende is dat een gemiddelde toeschouwer (durchschnittlichen Beobachter) uit de gedragingen kan afleiden dat de tot vernietiging gerechtigde niet terug wil komen op de vernietigingsmogelijkheid.2 Medicus daarentegen meent dat er geen verschil bestaat tussen bevestiging en afstand van het recht op vernietiging en dat ook voor bevestiging een empfangsbedürftiges Willenserklärung is vereist. De wederpartij moet immers weten waar hij aan toe is, en de bevestigende partij moet niet aan de bevestiging gebonden kunnen worden zolang hij dat niet ten opzichte van zijn wederpartij heeft verklaard.3 Ik sluit me aan bij Medicus en meen dat er geen verschil is tussen de verschillende concepten. Hierbij speelt een rol dat beide rechtshandelingen hetzelfde rechtsgevolg hebben en dat het dus voor de hand ligt dezelfde eisen te stellen. Ook de Duitse wetgever gebruikt de concepten door elkaar.4 Naar Nederlands recht wordt bevestiging (art. 3:55 BW) gezien als een gerichte eenzijdige rechtshandeling.5 Ik denk echter, nu vormvrijheid van wilsverklaringen het uitgangspunt is, dat voor beide rechtsfiguren voldoende is als de wil uit gedragingen kan worden afgeleid.