De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.22:3.4.22 Auslobung (uitloving)
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.22
3.4.22 Auslobung (uitloving)
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS381620:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
§657 BGB.
Münchener Kommentar zum BGB, §657, nr. 10 en 12 (Seiler).
Kornblum 1981, p. 801.
Hirsch 2013, p. 43.
Löwisch en Neumann 2004, nr. 396.
Löwisch en Neumann 2004, nr. 395.
Medicus 2012, p. 29.
Schulze 2008, p. 567; Münchener Kommentar zum BGB, §311, nr. 21 (Emmerich); Staudinger/Bergmann, §661a BGB, nr. 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
158. Auslobung is de publiekelijk bekend gemaakte belofte van een beloning voor het verrichten van een bepaalde prestatie. Eenieder die de gevraagde handeling uitvoert, heeft aanspraak op de beloning, ook wanneer hij de beloning niet in overweging heeft genomen bij het verrichten.1 Kenmerkend voor de uitloving is dat öffentliche Bekenntmachung is vereist.2 Dat betekent echter niet dat het gehele publiek kennis hoeft te kunnen nemen van de uitloving. De belofte kan zijn gericht tot bepaalde groepen van personen. Daarentegen is een verklaring die is gericht tot in meerderheid specifieke personen, niet meer öffentlich. Auslobung is een nichtempfangsbedürftige wilsverklaring,3 want in beginsel gericht an die Allgemeinheit.4 Naar Nederlands recht wordt uitloving gekwalificeerd als een openbaar aanbod, en daarmee als een gerichte eenzijdige rechtshandeling, namelijk gericht tot het gehele publiek. Er is, meen ik, weinig verschil tussen ‘die Allgemeinheit’ en ‘het gehele publiek’. Toch is de Duitsrechtelijke Auslobung ongericht en de Nederlandsrechtelijke uitloving gericht. Ik geef de voorkeur aan de Nederlandse invulling, waarbij ook als een verklaring niet tot specifiek aangeduide personen gericht is, maar wel de intentie bestaat dat met de verklaring een publiek wordt bereikt, de rechtshandeling geldt als gericht.
159. §657 BGB is een verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling.5 Een contractuele constructie zoals die naar Nederlands recht wordt aangenomen, waarbij de uitloving wordt gezien als een aanbod, wordt gekunsteld gevonden.6 Het verrichten van de verzochte prestatie is een feitelijke handeling. Door deze kwalificatie kan ook een handelingsonbekwame die de gevraagde prestatie verricht, aanspraak maken op de uitgeloofde beloning.7 Bovendien bestaat er geen discussie over de grondslag van het recht op de beloning van degene die de gevraagde prestatie verricht zonder weet te hebben van de uitloving. De fictie van het contract met iemand die niet weet dat hij een aanbod aanvaardt, wordt vermeden.
160. Een met uitloving vergelijkbare figuur is de Gewinnzusagen, geregeld in §661a BGB. Als een ondernemer de belofte van een prijs of een vergelijkbare mededeling aan een consument stuurt, en door de vormgeving van de mededeling de indruk wekt dat de consument een prijs heeft gewonnen, dan is hij verplicht de consument deze prijs uit te keren. Een dergelijke belofte wordt gezien als een verbintenisscheppende eenzijdige rechtshandeling.8 Mijns inziens berust dit rechtsgevolg op de wet en niet op de wil van de ondernemer. Het sturen van een bericht aan een consument waarin een prijs wordt beloofd komt mij voor als een reclamemiddel waarmee de ondernemer klandizie wil genereren, en niet als een wilsverklaring waarmee de ondernemer een rechtsgevolg in het leven wil roepen.