Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.6.1
1.6.1 De achtergrond van het opstalrecht
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486700:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de vraag in hoeverre de opstaller daadwerkelijk eigenaar is: H.W. Heyman, ‘Het mysterie van het eigendomsrecht van de opstaller’, in: W.G. Huijgen e.a., 2000 jaar eigendom en beperkte rechten (Pleysier-bundel), Deventer: Kluwer 2005; A. Slaski, ‘Stapeling van beperkte rechten’, WPNR 2009/6789.
Het huidige artikel 5: 101 BW.
Het huidige art. 5:20 lid 1 BW.
E.M. Meijers, Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek. Toelichting, ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij en uitgeverijbedrijf 1955, p. 442.
Ook Vonck stelt deze vraag: ‘Kwestieus is of een bestanddeel van een andere onroerende zaak als een werk aangemerkt kan worden, bijvoorbeeld een machine.’ Maar bij beantwoordt deze vraag niet. Zie: F.J. Vonck, GS Zakelijke rechten, artikel 101 Boek 5 BW, aant. 1.9.
In de literatuur bestaat discussie over de vraag of art. 3:4 BW bestanddelen verzelfstandigd kunnen worden door middel van een opstalrecht. Deze vraag kan niet onbesproken blijven, nu de conclusie op grond van het bovenstaande luidt dat de indirecte vereniging in art. 3:3 lid 1 BW opgenomen is om 3:4 BW bestanddelen die verzelfstandigd zijn door middel van het vestigen van een opstalrecht wel als onroerende zaken aan te merken.
Het opstalrecht is een bijzondere figuur in het goederenrecht. Door middel van het vestigen van dit beperkte recht kan men een juridische splitsing van eigendom bewerkstelligen. Men noemt dit ‘horizontale splitsing van eigendom’ en is neergelegd in art. 5:101 BW:
“Het recht van opstal is een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen.”
Met het opstalrecht is het derhalve mogelijk om een gebouw of werk in eigendom te laten toebehoren aan een ander dan de grondeigenaar. Het brengt in dat geval een doorbreking van de natrekking van art. 5:20 lid 1 sub e BW met zich. Art. 5:101 BW laat er geen misverstand over bestaan dat de opstaller eigenaar wordt van de opstal(len).1 Meijers zegt hierover in zijn Toelichting:
“Naast de omschrijving die artikel 12 van het recht van opstal geeft, houdt dit recht niet slechts in dat de eigenaar op of in zijn grond de aanwezigheid van bepaalde gebouwen, werken of beplantingen – al of niet door de opstaller aangebracht – moet dulden, doch tevens dat de opstaller van deze gebouwen, werken of beplantingen eigenaar is. Het recht van opstal voorziet mitsdien in de in bepaalde gevallen bestaande behoefte om, in afwijking van art. 5.3.1.3, het eigendomsrecht op gebouwen, werken of beplantingen af te scheiden van het eigendomsrecht op de grond.”4
Wat betreft de definitie van het opstalrecht stelt hij:
“De definitie is ontleend aan het thans geldende wetboek (artikel 758 B.W.). Echter is buiten twijfel gesteld dat de opstaller eigenaar wordt van de opstallen, hetgeen de jurisprudentie reeds voor het geldende recht aanneemt.”
Hoewel het opstalrecht reeds stamt uit het Romeinse recht, bestaat er nog steeds onduidelijkheid over wat nu precies verzelfstandigd kan worden door middel van de vestiging van een recht van opstal. Art. 5:101 BW bepaalt dat het recht van opstal gevestigd kan worden ten aanzien van gebouwen, werken en beplantingen. Zoals eerder in dit hoofdstuk besproken is, bestaat onduidelijkheid over de reikwijdte van de begrippen ‘gebouwen’ en ‘werken’ en of het mogelijk of een 3:4 BW bestanddeel een gebouw of werk kan zijn, in de zin van art. 5:101 BW, zodat hiervoor een opstalrecht gevestigd kan worden.5 Hoewel deze vraag meermaals in de literatuur is opgeworpen, neemt niet iedereen stelling in deze discussie.