Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3.2.1:3.3.2.1 De wettelijke basis
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.3.2.1
3.3.2.1 De wettelijke basis
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567437:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het gaat hier om een andere kwijtscheldingsbevoegdheid dan de kwijtscheldingsbevoegdheid die in het boeterecht van vóór de invoering van de AWR bestond.
Hoewel op dit eerstgenoemde uitgangspunt in toenemende mate uitzonderingen bestaan, zoals bijvoorbeeld bij de boeteoplegging aan medeplegers en zij die feitelijk leiding geven.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de invoering van de AWR werden, zoals hiervoor opgemerkt, de tot dan toe over de verschillende heffingswetten en -besluiten verspreide fiscale boetebepalingen in één wet opgenomen. De fiscale boetes waren destijds vormgegeven als rechtstreeks uit de wet voorvloeiende verhogingen van de belasting. De enkele omstandigheid dat er werd nagevorderd of nageheven was voldoende om de boete te belopen, tenzij de belastingplichtige aannemelijk kon maken dat de onjuiste belastingheffing of -betaling niet aan zijn opzet of grove schuld was te wijten. De boetebepalingen die verband hielden met het doen van een onjuiste aangifte (de verhoging bij navordering, opgenomen in art. 18 AWR (oud) en de verhoging bij naheffing, opgenomen in art. 21 AWR (oud)) bevatten uitsluitend voorschriften over de bevoegdheid van de inspecteur om de verhoging naar de mate van verwijtbaarheid geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden en ter voorkoming van dubbele bestraffing voor hetzelfde feit.1 De voorschriften voor het opleggen van de belastingaanslagen vormden tevens de voorschriften voor het opleggen van de verhogingen. Meer voorschriften waren dus ook niet nodig.
Eerst met ingang van 1998 zijn de fiscale boetes vormgegeven als door de inspecteur bij afzonderlijke beschikking op te leggen boetes. De boetes die verband houden met een onjuiste aangifte zijn vanaf dat moment geregeld in het hiervoor besproken art. 67d AWR waarin het doen van een onjuiste aangifte beboetbaar is gesteld, art. 67e AWR waarin de boete bij navordering is opgenomen en art. 67f AWR waarin de boete bij naheffing is opgenomen. De koppeling tussen de belastingaanslag en de fiscale boete is in stand gebleven doordat als uitgangspunt is genomen dat de fiscale boete tegelijkertijd met de belastingaanslag moet worden opgelegd en doordat het gecorrigeerde belastingbedrag als grondslag voor de hoogte van de fiscale boete is blijven bestaan.2
Met ingang van 1998 is ook, voornamelijk ingegeven door de beginselen van art. 6 EVRM, een aantal voorschriften in verband met het opleggen van de fiscale boetes in de AWR opgenomen, zoals bepalingen over het recht om te zwijgen en het recht op inzage. De fiscale boetebepalingen zijn tezamen met deze voorschriften in hoofdstuk VIIIA AWR samengebracht. De fiscale boetebepalingen staan daar nog steeds. Sinds 1 juli 2009, met de inwerkingtreding van de zogenoemde vierde tranche in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is een deel van de voorschriften in hoofdstuk 5 Awb ondergebracht. Uitsluitend de specifiek voor het fiscale boeterecht geldende voorschriften zijn in de AWR achtergebleven. In het zojuist genoemde hoofdstuk 5 Awb heeft bovendien een uitbreiding van de voorschriften in verband met het opleggen van bestuurlijke boetes plaatsgevonden die ook op het fiscale boeterecht van toepassing is. Zo is in art. 5:5 Awb bepaald dat bij een rechtvaardigingsgrond geen boete wordt opgelegd en is in art. 5:41 Awb het beginsel geen straf zonder schuld gecodificeerd.
Op de beoordeling van het geschil (zowel het belasting- als het boetegeschil) door de belastingrechter was tot 1 september 1999 het fiscale procesrecht, neergelegd in de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Wet ARB) van toepassing. Thans zijn hoofdstuk 8 Awb, alsmede de specifiek voor het fiscale procesrecht geldende voorschriften die zijn opgenomen in hoofdstuk V AWR, van toepassing.