Het schuldige geheugen?
Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2.2.b:IJkpunt 2: Verbod op ongerechtvaardigde ongelijke behandelingen
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/IV.8.2.2.2.b
IJkpunt 2: Verbod op ongerechtvaardigde ongelijke behandelingen
Documentgegevens:
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS456772:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het ander onderdeel van het recht op respect voor menselijke waardigheid is de waarborg tegen ongerechtvaardigde ongelijke behandelingen. Een menswaardige behandeling veronderstelt een gelijke behandeling. Het ‘brandmerken’ is een voorbeeld van een ongelijke behandeling, wanneer bijvoorbeeld het haar wordt afgeschoren bij verdachten van bepaalde afkomst of etniciteit of enkel omdat iemand zo opvalt in een menigte. (Mogelijk is dit, afhankelijk van de omstandigheden, ook een vernederende behandeling omdat de lichamelijke veiligheid in het geding komt. Het scheren van hoofdhaar is echter niet per definitie een gevaarlijke handeling voor het lichaam, maar wel een aantasting van de lichamelijke integriteit.) Voor het strafprocesrecht en de toepassing van opsporingsmethoden betekent dit dat geen beslissingen door de autoriteiten mogen worden genomen op basis van irrelevante gronden, zoals het enkel toepassen op basis van ras, etniciteit, geloof, uiterlijke kenmerken of geslacht. Een ongelijke behandeling is vernederend omdat de persoon wordt geïdentificeerd door en vereenzelvigd met een categorie. Hij is niet langer een individueel mens maar onderdeel van een bepaald ras en enkel daardoor object van onderzoek. Deze ‘objectivering’ maken van hem louter een object van de staat en zijn strafvorderlijke politiek. Hiermee wordt de verdachte gelabeld waarmee volledig voorbij wordt gegaan aan zijn inherente menselijke capaciteiten en dat is vernederend.
Wat betreft ongeoorloofde dwang levert dat een vrij eenvoudig criterium op dat in het Nederlandse strafprocesrecht waarschijnlijk niet tot problemen zal leiden. Dit houdt namelijk in dat discriminatie is verboden. Discriminatie is mensonwaardig omdat dat volledig voorbij gaat aan inherente menselijke capaciteiten en daarbij een onderscheid wordt gemaakt op louter irrelevante kenmerken. Voor het strafprocesrecht is op grond van dit ijkpunt van belang dat de toepassing van een dwangmiddel niet op basis van discriminatoire gronden mag plaatsvinden. De basis voor de afname van de GKT moet, zoals voor alle opsporingsmethoden, worden gevonden in een objectiveerbare, geconcretiseerde en geïndividualiseerde verdenking tegen een (nog onbekende) persoon. Uit feiten en omstandigheden moet een bepaalde mate van verdenking tegen de verdachte zijn gerezen. Het discriminatoir toepassen van opsporingsmethoden is een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling die de inherente en aan elk persoon in gelijke mate toekomende intrinsieke eer aantast.