Natrekking door onroerende zaken
Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.6.3.2:1.6.3.2 Art. 5:3 BW
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.6.3.2
1.6.3.2 Art. 5:3 BW
Documentgegevens:
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487917:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
TM, PG Boek 5, p. 72.
TM, PG Boek 5, p. 355.
Dit zal uitgebreid besproken worden in hoofdstuk 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 5:3 BW bepaalt dat “voorzover de wet niet anders bepaalt” de eigenaar van een zaak, ook eigenaar is van haar bestanddelen. Meijers zegt hierover in zijn Toelichting:
“Wettelijke uitzonderingen op de regel, dat ieder bestanddeel van een zaak aan de eigenaar van die zaak toekomt, kent het ontwerp alleen bij onroerende zaken.”1
In de Toelichting bij het huidige art. 5:101 BW stelt Meijers:
“Het is ongewenst dat bestanddelen van een onroerende zaak een afzonderlijke eigenaar zouden kunnen hebben zonder dat daarvan naar buiten blijkt.”2
Zoals in hoofdstuk 4 besproken zal worden bestaat er discussie over de vraag of natrekking op grond van art. 3:3 j° 5:20 BW hetzelfde betekent als bestanddeelvorming. Meijers spreekt echter uitdrukkelijk van bestanddelen. Ook dit pleit voor de mogelijkheid om 3:4 BW bestanddelen te verzelfstandigen middels een opstalrecht.
Dit wordt mijns inziens onderschreven door een passage in de Memorie van Antwoord over de verruiming van het opstalrecht:
“Hierdoor wordt bereikt dat het opstalrecht in het ontwerp niet alleen kan dienen om b.v. leidingen, buizen e.d. in de grond van een ander te hebben, maar ook om deze boven de grond van een ander te hebben. Zelfs is denkbaar dat een leiding of ander werk zich bevindt op of boven een gebouw van een andere dat op zijn beurt weer op de grond van een derde staat (opstal op opstal). In verband met deze laatste mogelijkheid – men denke ook aan een leiding die door het gebouw van een ander moet worden getrokken – is “grond” vervangen door: onroerende zaak.”
Ook hieruit blijkt mijns inziens dat het mogelijk is een 3:4 BW bestanddeel te verzelfstandigen door middel van het vestigen van een opstalrecht. Een leiding is juist iets wat op grond van 3:4 BW bestanddeel wordt van een gebouw.3 Bartels gebruikt ter illustratie hiervan een rioolbuis die door de grond van de buurman loopt, ter aansluiting van het gebouw op het gemeentelijk riool. Hij stelt dat:
“ingevolge art. 5:3, in samenhang met art. 3:4 BW, de eigendom van het gebouw de in de grond van de buurman aangelegde rioolbuis omvat.”4
Niet ieder 3:4 BW bestanddeel is echter te verzelfstandigen door middel van het vestigen van een opstalrecht.