Accijnzen
Einde inhoudsopgave
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.6.18:4.6.18 Accijnsgoederen onder douaneregeling
Accijnzen (FM nr. 126) 2008/4.6.18
4.6.18 Accijnsgoederen onder douaneregeling
Documentgegevens:
Mr. dr. W.M.G. Visser, datum 27-03-2008
- Datum
27-03-2008
- Auteur
Mr. dr. W.M.G. Visser
- JCDI
JCDI:ADS302890:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Accijns en verbruiksbelastingen / Accijns
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5 Accijnsrichtlijn.
Zie: Besluit van de Nederlandse staatssecretaris van 28 juni 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns, NvT, Stb. 1995, 332, p. 7. Art. 2, art. 2a lid 6 en lid 7, art. 3, art. 3a lid 1, lid 2, lid 4, lid 5, art. 3c lid 1, lid 4, lid 6 UB Accijns.
Zie: Besluit van de Nederlandse staatssecretaris van 28 juni 1995, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit accijns, NvT, Stb. 1995, 332, p. 6.
Art. 793 UCDW. Schorsingsregeling
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De accijnsgoederen die zich onder een communautaire douaneregeling bevinden, worden geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden.1 Dit betekent dat de bepalingen van de Accijnsrichtlijn inzake het vervoer van accijnsgoederen dan niet van toepassing zijn. Ingeval accijnsgoederen worden geplaatst onder de communautaire douaneregeling douanevervoer behoeft het vervoer niet te worden aangetoond met een AGD.2 De waarborging van de heffing van de verschuldigde accijns vindt in die gevallen plaats met gebruikmaking van de douaneregeling. De douaneregeling uitvoer is hiervan uitgesloten. De douaneregeling uitvoer is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de communautaire douaneregeling douanevervoer, géén bewaakte regeling, dat wil zeggen dat er geen douanetechnische controle plaatsvindt op de daadwerkelijke uitvoer en bovendien wordt er in het kader van deze regeling geen zekerheid gesteld.3 Om deze reden is in de Accijnsrichtlijn bepaald dat de overbrenging van accijnsgoederen die bestemd zijn voor een derde land, moet geschieden met gebruikmaking van het AGD als dat vervoer plaatsvindt over het grondgebied van een andere lidstaat. Dienovereenkomstig houdt de communautaire douanewetgeving rekening met het feit dat in die gevallen het brengen van accijnsgoederen naar het kantoor van uitgang – het douanekantoor vanwaar de goederen het grondgebied van de Gemeenschap verlaten – wordt aangetoond door middel van het AGD en dat de goederen alsdan niet langer vergezeld behoeven te gaan van de aangifte ten uitvoer.4
Hoewel de Accijnsrichtlijn zich in beginsel beperkt tot het verkeer binnen de Gemeenschap, wordt vanuit een oogpunt van uniformiteit gebruik gemaakt van de mogelijkheid deze regeling eveneens van toepassing te laten zijn op het brengen van een accijnsgoed naar een derde land zonder dat dit geschiedt over het grondgebied van een andere lidstaat. Daarom moet het brengen van een accijnsgoed naar een derde land in alle gevallen, dus ook bij rechtstreekse uitvoer vanuit een lidstaat, kunnen worden aangetoond met een AGD. Voorts is bepaald dat in de situaties waarin het vervoer plaatsvindt met gebruikmaking van de communautaire douaneregeling douanevervoer, bijvoorbeeld als de accijnsgoederen worden vervoerd via het grondgebied van een lidstaat van de EVA, dan wel naar een EVA-lidstaat, via één of meer niet tot de EVA behorende derde landen of als de accijnsgoederen ingevolge de douanewetgeving moeten worden vervoerd naar het kantoor van uitgang met gebruikmaking van de communautaire douaneregeling douanevervoer, de accijnsgoederen worden geacht zich te bevinden onder schorsing van accijns.