Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/5.3.8
5.3.8 Maatstaf wel in art. 2:9 BW, maar niet in art. 2:138/248 BW
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349745:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Strik 2010, p. 23 en 27.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 20. Zie ook art. 2:138/248 lid 8 BW.
Asser/Maeijer & Dortmond 2-III 1994/321.
De wijziging van art. 2:9 BW in 1992 “tenzij deze niet aan hem is te wijten”, betrof slechts een ‘redactionele’ wijziging (zie par. 3.2), zodat aangenomen mag worden dat het niet de bedoeling was de disculpatiemogelijkheid anders te maken dan die van art. 2:138/248 BW.
HR 6 maart 2015, RO 2015/32 (ZHG Beheer), r.o. 2.2; Hof ’s-Hertogenbosch 10 december 2013, RO 2014/16, r.o. 4.9.8; Rb. Noord-Holland 10 juni 2015, JOR 2016/2 m.nt. S.L. Rive (Stichting Diogenes), in welke zaak de curator een beroep deed op zowel art. 2:138/ 248 BW als art. 2:9 BW; Rb. Arnhem 22 juni 2011, JOR 2011/358 m.nt. M.W. Josephus Jitta (Pondac), r.o. 4.17 waarin werd overwogen dat het verweer van de bestuurder dat zij niet verantwoordelijk was voor de boekhouding haar niet kon baten “omdat dit in feite neerkomt op een beroep op een (interne) taakverdeling tussen de bestuurders en dit beroep dient af te stuiten op het collectieve karakter van de bestuurdersaanspra kelijkheid van artikel 2:248 BW”). Zo ook Rb. Dordrecht 9 december 2009, ECLI:NL:RBDOR:2009:BK6936, r.o. 4.22. Zie voor een voorbeeld waarin schending van de administratieplicht ex art. 2:10 BW in het licht van een beoordeling van aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW (en niet art. 2:138/248 BW) centraal stond: Hof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2014, JOR 2015/32 m.nt. M. Holtzer (Meepo).
Rb. ’s-Gravenhage 11 mei 2011, JOR 2012/1 (ZHG Beheer). In Rb. ’s-Gravenhage 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3672 wordt evenwel expliciet overwogen dat geen sprake is van risicoaansprakelijkheid van bestuurders voor het handelen van medebestuurders. Deze overweging dient echter in het licht van de omstandigheden in die zaak te worden bezien, namelijk dat een medebestuurder onttrekkingen had gedaan zonder dat de betrokken bestuurders daarvan op de hoogte waren of konden zijn en de betrokken bestuurders voorts maatregelen hadden genomen om die onttrekkingen terug te halen, zodat de bestuurders niet aansprakelijk werden geacht (anders gezegd, hen trof geen enkel gewoon verwijt in de zin van par. 3.8 en zij konden zich dus disculperen).
Timmerman 2016, par. 2 waarin hij opmerkt art. 2:248 BW buiten beschouwing te laten.
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454 en JOR 2001/171 m.nt. S.C.J.J Kortmann (Gilhuis q.q. Panmo/H) onder verwijzing naar HR 7 juni 1996, NJ 1996, 695 m.nt. J.M.M. Maeijer enJOR 1996/69 m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Ontvanger/Van Zoolingen).
Bijvoorbeeld de bewoordingen dat sprake zou moeten zijn van roekeloos, lichtzinnig, onbezonnen en onverantwoordelijk gedrag.
Hiervoor (zie par. 3.7) is uiteengezet dat de betekenis van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW en kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:138/248 BW in wezen niet verschilt. De toets aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een bestuurder op grond van onbehoorlijk bestuur ex art. 2:138/248 BW aansprakelijk is voor het tekort in de boedel, is niet anders dan de toets voor aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW. Beide bepalingen ‘liggen in elkaars verlengde’ en ‘lopen zelfs parallel’.1 Maeijer en Dortmond schreven in dat verband dat met de uitdrukking ‘kennelijk onbehoorlijk bestuur’ in art. 2:138/248 BW niets anders wordt bedoeld dan met ‘onbehoorlijke taakvervulling’ in de zin van art. 2:9 BW (zie par. 3.7.3).2 De aansprakelijkheid van de bestuurder, zowel in een situatie buiten faillissement (art. 2:9 BW) als binnen faillissement (art. 2:138/248 BW), moet worden gevonden in de rechtsgrond van ‘onbehoorlijke taakvervulling’. Beide bepalingen beogen de rechtspersoon respectievelijk de boedel te beschermen tegen schade veroorzaakt door onbehoorlijke taakvervulling. Tot 1 januari 2013 luidde de disculpatiemogelijkheid in art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW dan ook vrijwel hetzelfde, namelijk:
Art. 2:138/248 BW: “Niet aansprakelijk is echter de bestuurder, die bewijst, dat het feit aan hem niet te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.”
En:
Art. 2:8 BW (oud, tot 1992): “tenzij hij bewijst dat de tekortkoming niet aan hem te wijten is, en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.”
En:
Art. 2:9 BW (oud, vanaf 1992): “tenzij deze niet aan hem is te wijten, en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.”3
Hoewel art. 2:138/248 BW enerzijds en art. 2:9 BW anderzijds dus uitgingen van eenzelfde toetsing en – blijkens hun bewoordingen – eenzelfde disculpatiemogelijkheid, is in de jurisprudentie en doctrine een belangrijk verschil ontstaan in de maatstaf die werd toegepast bij de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van beide bepalingen. Terwijl bij de toepassing van art. 2:9 BW gebruik wordt gemaakt van de ernstigverwijtmaatstaf, wordt daarvan bij de toepassing van art. 2:138/248 BW namelijk geen gebruikgemaakt. Evenmin wordt verwezen naar de in Staleman/van de Ven geformuleerde omstandigheden om de aansprakelijkheid van de bestuurder te beoordelen.4 In de rechtspraak wordt in verband met art. 2:138/248 BW zelfs gesproken van kwalitatieve aansprakelijkheid.5
Als de toets van art. 2:9 BW niet anders is dan de toets van art. 2:138/248 BW, dan lijkt het vanuit wetsystematisch oogpunt niet logisch bij de toets voor aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW te werken met een ernstigverwijtmaatstaf, terwijl die maatstaf niet wordt toegepast bij de toets van art. 2:138/248 BW. In zijn onlangs verschenen betoog ter verdediging van de ernstigverwijtmaatstaf laat Timmerman art. 2:138/248 BW dan ook bewust buiten beschouwing omdat de Hoge Raad daar de ernstigverwijtmaatstaf niet toepast. Timmerman gaat echter niet in op de vraag waarom de Hoge Raad de maatstaf daar niet toepast.6 Het antwoord op die vraag kan mijns inziens niet zijn dat art. 2:138/ 248 BW de curator helpt met wettelijke bewijsvermoedens in het geval niet is voldaan aan de boekhoudplicht ex art. 2:10 BW of de publicatieplicht ex art. 2:394 BW. Evenmin ligt het antwoord in de omvang van de aansprakelijkheid (het tekort in de boedel). Dit zijn namelijk gewoonweg wettelijke uitgangspunten die de wetgever heeft vastgelegd voor het geval aannemelijk is dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (zie par. 3.7.5). Die uitgangspunten vormen geen reden om bij de vraag of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling, een maatstaf in het kader van de aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW te hanteren die afwijkt van de maatstaf van art. 2:9 BW. Het antwoord kan naar mijn mening ook niet zijn dat de Hoge Raad in het kader van art. 2:138/248 BW reeds een andere standaard toepast, namelijk “dat geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben.”7 Dat is namelijk een gegeven op zich. Het biedt geen verklaring waarom verschillende standaarden worden gebruikt. Men zou op grond van bewoordingen in de wetsgeschiedenis van art. 2:138/248 BW8 overigens nog de mening kunnen zijn toegedaan dat de maatstaf van art. 2:138/248 BW ‘zwaarder’ of anders is dan die van art. 2:9 BW. De maatstaf van art. 2:138/248 BW zou dan minder snel tot aansprakelijkheid leiden dan de maatstaf van art. 2:9 BW omdat art. 2:138/248 BW uitsluitend ‘misbruik’ zou beogen te voorkomen. Maar deze (mijns inziens onjuiste, zie par. 3.7.4 t/m 3.7.5) redenering volgend, is nog minder te begrijpen waarom in het kader van art. 2:138/248 BW een maatstaf wordt gebruikt die taalkundig gezien juist minder zwaar en objectiever klinkt (“dat geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben”) dan een maatstaf waarin een ‘ernstig verwijt’ vereist wordt gesteld.9
Wat in dit verband wetsystematisch ook niet consequent lijkt, is dat sinds de codificatie van de ernstigverwijtmaatstaf per 1 januari 2013 in art. 2:9 BW (waarover hierna in hoofdstuk 7 meer) de disculpatiemogelijkheid in art. 2:9
BW luidt: “tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden”. De disculpatiemogelijkheid in art. 2:138/248 BW is evenwel niet gewijzigd. Tegelijkertijd moet worden geconstateerd (zie par. 3.6.5) dat de disculpatiemogelijkheid in art. 2:9 BW niet is verruimd ten opzichte van art. 2:9 BW (oud). Aangenomen mag daarom worden dat de disculpatiemogelijkheid van art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW nog steeds hetzelfde is. Als die disculpatiemogelijkheid nog steeds hetzelfde is en als bij de toepassing van art. 2:138/ 248 BW tot op heden nog steeds geen gebruik wordt gemaakt van de ernstigverwijtmaatstaf, zou in mijn visie geconcludeerd moeten worden dat die maatstaf wetsystematisch gezien – en mede in het licht van de wets- en rechtsgeschiedenis (zie par. 5.2.1 t/m 5.3.2) – niet nodig is bij de toepassing van art. 2:9 BW.