Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.1
3.7.1 Inleiding: de relevantie van de parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS352195:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben, Belifante & Van Ewijk 1962, PG Boek 2 BW, p. 138, 436 en 541.
Hetgeen blijkt uit voornoemde parlementaire geschiedenis. Zie voorts par. 3.2 hiervoor.
HR 4 april 2003, NJ 2003, 538 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 2003/134 m.nt. Y. Borrius (Skipper Club Charter), r.o. 9 en 10.
Wijzigingswet van 16 mei 1986, Stb. 275 (de Derde Misbruikwet).
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 3 en 4.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Art. 2:138/248 lid 4 en lid 5 BW spreken ook over ‘onbehoorlijke taakvervulling’ en niet over ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’.
HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 m.nt. J.M.M. Maeijer en JOR 1997/29 (Staleman/Van de Ven), r.o. 3.3.1.
HR 8 juni 2001, NJ 2001, 454 en JOR 2001/171 m.nt. S.C.J.J Kortmann (Gilhuisq.q. Panmo/H). In dat arrest wordt de overweging van het hof dat “kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van dat artikel impliceert dat aan bestuurders een ernstig verwijt gemaakt kan worden” door de Hoge Raad overigens onbesproken gelaten, zie r.o. 3.7.
Glasz 1986, p. 85.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 5 (Verslag), p. 6.
Zie ook: Strik 2010, p. 55 die een vergelijkbare conclusie trekt, doch in dat verband het belang benadrukt om in deze discussie onderscheid te maken tussen gedragsnormen, toerekeningsmaatstaven en rechterlijke toetsingsnormen.
Zie par. 2.3.7 voor het onderscheid tussen gedragsnormen, beslissingsregels en toetsingsregels.
Zie ook: Westenbroek 2016c.
Vgl. Huizink 2011, p. 7: “Het is niet handig om in éé n wetsbepaling te refereren aan behoorlijke taakvervulling van elke bestuurder enerzijds en onbehoorlijk bestuur anderzijds.”
Als men in de parlementaire geschiedenis van art. 2:9 BW (oud, voorheen art. 2:8 BW), zoals dat tot 1 januari 2013 gold, gaat zoeken naar de toetsingsregels die een rechter dient toe te passen bij de vraag wanneer sprake is van onbehoorlijke taakvervulling, komt men bedrogen uit. De parlementairegeschiedenis van de bepaling, die dateert van 1962, beperkt zich, zoals eerder in par. 3.6.1 opgemerkt, tot de volgende opmerking:
“Het ontwerp aanvaardt als algemeen beginsel, dat wanneer twee personen schuld aan het veroorzaken van schade hebben, zij hoofdelijk aansprakelijk worden; de mate van ieders schuld is slechts van belang bij het onderling verhaal als één van hen de gehele schuld heeft voldaan: de benadeelde hoeft zich niet te verdiepen in de mate van schuld van een ieder die jegens hen aansprakelijk is. Er bestaat geen reden, waarom dit beginsel niet eveneens op de aansprakelijkheid van bestuurders ener vereniging zou worden toegepast.”1
In de toelichting wordt gesproken over de vereniging, maar deze (enige) toelichting geldt voor alle rechtspersonen, omdat bij de invoering van het huidige BW de bepalingen voor (coöperatieve verenigingen) en vennootschappen zijn geschrapt en zijn samengevoegd in het huidige art. 2:9 BW.2 A-G Huydecoper merkt in zijn conclusie bij het in 2003 gewezen arrest Skipper Club Charter3 treffend op dat dit een “uiterst sobere” toelichting is bij het huidige art. 2:9 BW. De toelichting doet geen recht aan de moeilijkheden die komen kijken bij de beantwoording van de vraag of een bestuurder al dan niet is tekortgeschoten in zijn bestuurstaak en onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten, namelijk dat (i) besturen beleidsruimte impliceert die hand in hand gaat met bestuursautonomie, (ii) de vraag wanneer sprake is van onbehoorlijke taakvervulling steeds een hoog casuïstisch gehalte heeft en (iii) de vraag altijd achteraf beantwoord moet worden met het gevaar van hindsight bias.
De wetgever heeft echter wel recht gedaan aan deze moeilijkheden in de parlementaire geschiedenis van het op 1 januari 1987 in werking getreden art. 2:138/248 BW (de Derde Misbruikwet).4 Tot het per 1 januari 2013 op grond van de Wet bestuur en toezicht ingetreden art. 2:9 BW was het met name deze parlementaire geschiedenis (en niet de uiterst summiere parlementaire geschiedenis van het tot dat moment geldende art. 2:9 BW) die meer duidelijkheid gaf over de vraag wat onbehoorlijk bestuur inhoudt en welke toetsingsregels daarvoor in acht moeten worden genomen. Dat deze parlementaire geschiedenis voor art. 2:9 BW van belang was en nog steeds is, blijkt uit de memorie van toelichting bij art. 2:138/248 BW. De Minister merkte op:
“In de voorgestelde artikelen wordt aansluiting gezocht aan artikel 8 Boek 2 BW, waar het grondbeginsel van de bestuurdersaansprakelijkheid is geformuleerd als een gehoudenheid van het bestuur tegenover de rechtspersoon tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, kunnen de bestuurders worden aangesproken.”5
In zijn conclusie bij het standaardarrest Staleman/Van de Ven (waarnaar A-G Huydecoper in zijn voormeld arrest verwijst, na eerdergenoemde constatering te hebben gedaan) merkt A-G Mok dan ook terecht op dat men:
“voor de vraag wat moet worden verstaan onder ‘(on)behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak’ te rade kan gaan bij de parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW.”
en:
“Blijkens de memorie van toelichting bij het ontwerp van die wet is daarbij aansluiting gezocht aan art. 2:8 BW (oud). In art. 8 is volgens deze m.v.t. het grondbeginsel van de bestuurdersaansprakelijkheid geformuleerd ‘als een gehoudenheid van het bestuur tegenover de rechtspersoon ‘tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak’. Er zou geen reden zijn om wat de rechtsgrond van die aansprakelijkheid betreft onderscheid te maken tussen situaties in en buiten faillissement.”6
Het verband tussen art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW is een gegeven. Toch verschilt de terminologie van beide wetsbepalingen. Beschouwt men de bepalingen nader, dan ziet men dat de terminologie van iedere wetsbepaling op zichzelf bezien evenmin consequent is. Dit lijkt (vooralsnog) niet anders te worden met het door de Minister op 8 juni 2016 ingediende Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen,7 waarmee hij art. 2:138/248 BW wenst te verplaatsen naar de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW en wenst te hernummeren naar een nieuw art. 2:9c BW (zie par. 3.2 hiervoor). Art. 2:9 BW, art. 2:138/248 BW respectievelijk de voorstellen voor een nieuw art. 2:9 BW, art. 2:9b BW en art. 2:9c BW, zoals verwoord in het wetsvoorstel van 8 juni 2016, spreken van:
de verplichting van “een bestuurder” tot “een behoorlijke vervulling van zijn taak” (art. 2:9 lid 1 BW);
aansprakelijkheid ter zake van “onbehoorlijk bestuur” (art. 2:9 lid 2 BW);
aansprakelijkheid van “de bestuurder” omdat “het bestuur” de “taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld” (art. 2:138/248 lid 1 BW);
“het bestuur” dat zijn “taak onbehoorlijk [heeft] vervuld” indien niet is voldaan aan art. 2:10 BW en art. 2:394 BW (art. 2:138/248 lid 2, lid 3, lid 4 BW);
het vermoeden dat de “onbehoorlijke taakvervulling” een belangrijke oorzaak is van het faillissement (art. 2:138/248 lid 2 BW);
“de bestuurder” die bewijst dat de “onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur” niet aan hem is te wijten (art. 2:138/248 lid 3 BW);8
de verplichting “tot een behoorlijke vervulling van zijn taak” (voorstel art. 2:9 lid 3 BW);
aansprakelijkheid ter zake van “onbehoorlijk bestuur” (voorstel art. 2:9b BW);
“het bestuur” dat “zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld” (voorstel art. 2:9c lid 1 BW); en
“onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur” (voorstel art. 2:9c lid 3 BW).
Mede door het verschil in de hiervoor weergegeven terminologie tussen art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW is in de literatuur veel gediscussieerd over de vraag of de ‘maatstaf’ voor aansprakelijkheid van bestuurders ex art. 2:9 BW en ex art. 2:138/248 BW hetzelfde of verschillend is. De hierna in deze paragraaf aan de orde komende soms niet eenduidige parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW, waarin de term ‘misbruik’ een belangrijke rol heeft gespeeld, heeft daar verder aan bijgedragen. Datzelfde geldt voor de jurisprudentie op het gebied van aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW sinds het arrest Staleman/Van de Ven.9 Met die jurisprudentie is namelijk de ernstigverwijtmaatstaf geïntroduceerd, welke maatstaf verschilt met de maatstaf die in de jurisprudentie over aansprakelijkheid op grond van art. 2:138/248 BW is ontwikkeld, namelijk die van ‘het handelen zoals geen redelijk denkend bestuurder gehandeld zou hebben’.10
Glasz merkte in 1986 reeds op “dat het behoorlijkheidsregime van art. 2:8 BW [oud, thans art. 2:9 BW], dat de interne contractuele norm bepaalt, nu ook gebruikt wordt als norm voor gedrag tegenover derden. Een kluif voor de rechtstheoretici”.11 Een kluif is het zeker. Ook bij de behandeling van het laatste wetsvoorstel van 8 juni 2016 is de vraag aan de orde gekomen wat het verschil is tussen de (aansprakelijkheids)norm van art. 2:9 BW (althans het voorgestelde art. 2:9b BW) en de (aansprakelijkheids)norm van art. 2:138/248 BW (althans het voorgestelde art. 2:9b BW) en wat de zelfstandige waarde is van art. 2:138/248 BW.12 Om het verschil tussen de betekenis van art. 2:9 BW en art. 2:138/48 BW goed te begrijpen, kan men in plaats van te spreken over een ‘maatstaf’ of een ‘norm voor aansprakelijkheid’ echter beter het onderscheid maken tussen gedragsnormen, toetsingsregels en beslissingsregels.13 Ik ben van mening dat de gedragsnormen waar art. 2:138/248 BW betrekking op heeft en de toetsingsregels (om de schending van die gedragsnormen te toetsen) niet verschillen met de gedragsnormen en toetsingsregels die zijn beoogd met art. 2:9 BW (hetgeen ik hierna in par. 3.7.4 nader zal toelichten). Uitsluitend de beslissingsregels die de rechter dient te hanteren om al dan niet tot aansprakelijkheid te komen verschillen (zie hierna par. 3.7.5), maar dat is voor de beoordeling van de schending van de gedragsnorm van de bestuurder niet relevant.14 Omdat de hiervoor weergegeven verschillende terminologieën uit art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW steeds betrekking hebben op de gedragsnorm die op de bestuurder rust (‘gij zult niet (kennelijk) onbehoorlijk uw taak vervullen’), maak ik in dit proefschrift bewust geen onderscheid tussen deze terminologieën. Ik noem de norm die art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW opleggen de ‘behoorlijke taakvervullingsnorm’ (zie hierna par. 3.7.2).
Het belang van de hierna in deze paragraaf 3.7 gegeven vrij uitvoerige toelichting op de parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW, is allereerst gelegen in het vormen van een goed begrip van de strekking van art. 2:9 BW en in het vastleggen van de toetsingsregels die gelden voor het beoordelen van aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW.15 Hiermee zal ik in latere hoofdstukken onderbouwen waarom de ernstigverwijtmaatstaf naar mijn mening rechtstheoretisch niet te rechtvaardigen is. Het belang is daarnaast gelegen in de rechtszekerheid die wordt bereikt door het gebruikmaken van een uniforme terminologie in wetsbepalingen die betrekking hebben op dezelfde gedragsnormen (recht uit zich zoals gezegd in taal, zie par. 2.2). Nu het wetsvoorstel van 8 juni 2016 beoogt art. 2:138/248 BW, onder een hernummering naar een nieuw art. 2:9c BW, te verplaatsen naar de algemene bepalingen van Titel 1 van Boek 2 BW, biedt dit een goede gelegenheid om de terminologie van de betrokken bepalingen te uniformeren en in alle bepalingen uitsluitend nog te spreken van ‘onbehoorlijke taakvervulling’.16
Wat bij mijn hiernavolgende beschouwingen over de parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW in het achterhoofd dient te worden gehouden is dat het leerstuk van bestuurdersaansprakelijkheid destijds (begin jaren tachtig) nog niet was ontwikkeld en er nauwelijks jurisprudentie bestond (zie par. 1.1). Het leerstuk stond destijds in de kinderschoenen en bepaalde uitgangspunten die nu als vanzelfsprekend gelden, werden toen voor het eerst in volle breedte door de wetgever besproken. Het is in dat verband van belang de omvangrijke parlementaire geschiedenis van art. 2:138/248 BW als een geheel te beschouwen en onderdelen daarvan niet uit de context te plaatsen. Uiteraard voert het te ver om de gehele (omvangrijke) parlementaire geschiedenis in dit proefschrift over te nemen. Ik ben genoodzaakt om slechts naar onderdelen daarvan te verwijzen. Mijn visie op deze onderdelen is echter wel gebaseerd op een analyse van de parlementaire geschiedenis als geheel.