Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XVIe:XVIe Commissie-De Rooy 2001: historische en maatschappelijke vorming
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XVIe
XVIe Commissie-De Rooy 2001: historische en maatschappelijke vorming
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977332:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De commissie stelt voor het examen voor het in te voeren vak geschiedenis en maatschappijleer te laten bestaan uit de domeinen: A: Vaardigheden en benaderingswijze (onder andere staatsinrichting), B: Rechtsstaat (idem), C: Parlementaire democratie (idem), D: Verzorgingsstaat (idem, gedeeltelijk), E: Pluriforme samenleving (idem, gedeeltelijk):
Onder domein A (Vaardigheden en benaderingswijze) moeten door eigen eenvoudig historisch-maatschappelijk onderzoek naar de wording en werking van de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving antwoorden komen op vragen als (a) wat is het verband tussen het ontstaan van de rechtsstaat, de parlementaire democratie, de verzorgingsstaat en de pluriforme samenleving, (b) in een bepaald historisch tijdvak met kenmerkende historische aspecten en actoren die (c) er vorm aan gaven met betrokken belangen, ideeën en waarden.
Onder domein B (rechtsstaat) zijn opgenomen: (a) vrijheidsrechten en plichten, (b) de geschiedenis en praktijk van de rechtsstaat en (c) een internationale vergelijking en supranationale organisaties.
Van de vrijheidsrechten moeten voorbeelden worden herleid tot (i) Grondwetsartikelen, (ii) de plicht tot naleving van de wet en (iii) de grondbeginselen van de rechtsstaat (machtenscheiding en grondwettelijke waarborgen) en de hieraan ten grondslag liggende waarden. Onder geschiedenis van de rechtsstaat vallen politiek-filosofische denkers als Machiavelli, Hobbes, Locke, Montesquieu en Rousseau en hun opvattingen over de relatie staat-onderdanen. Onder praktijk van de rechtsstaat wordt uitgelegd in hoeverre deze aan de komst van de democratie heeft bijgedragen (voor vwo).
Onder de internationale vergelijking en de supranationale organisaties worden (a) de Bill of Rights, (b) de Franse Verklaring van de Rechten van de mens en van de burger, (c) de Rechten van de mens van de Raad van Europa en (d) de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden vergeleken met de concrete vrijheidsrechten en (voor vwo) de uitwerking die het Verdrag van de Raad van Europa heeft op de rechtspraak in Nederland. Verder is kennis van de jurisprudentiële ontwikkeling van de mensenrechten vereist.
Onder domein C (parlementaire democratie) vallen de politieke rechten en plichten. Leerlingen kunnen voorbeelden geven van (a) de herleiding van de politieke rechten tot Grondwetsartikelen, (b) de waarden die ten grondslag liggen aan de democratie, (c) de structuur van de representatieve democratie op gemeentelijk, provinciaal, landelijk en Europees niveau en (d) (voor vwo) het onderscheid tussen autocratie (absolute monarchie), oligarchie, eenpartijenstelsel en (in)directe democratie. Leerlingen kennen van de geschiedenis van de parlementaire democratie: (a) de ontwikkeling van de parlementaire democratie sinds 1795, (b) de ontstaansgeschiedenis van de belangrijkste politieke stromingen en partijen sinds 1848 en (c) (voor vwo) de invoering van het algemeen kiesrecht en de mate van (on)gelijkheid en de aan- of afwezige cohesie.
Voor de praktijk van de parlementaire democratie is kennis vereist van (a) de fasen van de politieke besluitvorming op alle niveaus, (b) de vrijheid van informatieverstrekking in een parlementaire democratie en (c) (voor vwo) de dilemma's die samenhangen met de uitgangspunten van de democratie (zoals het referendum en de gekozen burgemeester). Bij de internationale vergelijking en de supranationale organisaties komen (a) democratie- en dictatuurcriteria, (b) de democratie van Nederland en (c) de Europese Unie en (d) (voor vwo) het ontwikkelingsproces van de Europese samenwerking en integratie sinds 1945 aan de orde.
Onder domein D (Verzorgingsstaat) vallen onder sociale rechten en plichten, geschiedenis en praktijk van de verzorgingsstaat en internationale vergelijking en supranationale organisaties: (a) aspecten van democratische besluitvormingsprocessen, (b) democratie en dictatuur, (c) visies van politieke stromingen over de verzorgingsstaat en (d) de liberale, corporatistische en sociaaldemocratische verzorgingsstaat.
Bij domein E (Pluriforme samenleving) zijn onder culturele rechten en plichten (a) het constitutionele gelijkheidsbeginsel (artikel 1 Gw), (b) vrijheid van godsdienst, (c) het begrip pluriforme samenleving en (d) politieke, levensbeschouwelijke, economische en vrije tijdskenmerken vervat naast de waarden die aan artikel 1 Gw en het principe van vrijheid van godsdienst in artikel 6 Gw ten grondslag liggen. Daarnaast komen aan de orde (a) de geschiedenis van de pluriforme samenleving, waaronder de rol van de vrijheid van geweten en de verhoudingen tot de kerken sinds het ontstaan van de Republiek, (b) de zeventiende eeuw in de Republiek -de eeuw van de migranten (tolerantie/intolerantie)-, (c) de negentiende eeuwse constitutionele vrijheid van onderwijs, (d) de Pacificatie van 1917 (e) de verzuiling en migranten in Nederland sinds 1945 en (f) (voor vwo) de huidige multi-etnische samenleving vergeleken met de zeventiende eeuwse.
Over de praktijk van de pluriforme samenleving moet (voor vwo) uitgelegd worden, waarom de cohesie vermindert, wanneer de etnische verschillen samengaan met de sociaaleconomische. Daarbij horen een internationale vergelijking en de supranationale organisaties, waaronder de Europese eenwording, en de gevolgen voor het Nederlands.
Rapport Commissie historische en maatschappelijke vorming (cie-De Rooy) 2001
De Commissie historische en maatschappelijke vorming (cie-De Rooy) rapporteert in 2001 in Verleden, heden en toekomst over de invulling van de curricula en de samenhang van de vakken geschiedenis (en staatsinrichting) en geschiedenis en maatschappijleer. De door de Commissie geschiedenisonderwijs (cie-De Wit) in Het verleden in de toekomst (1998) geadviseerde burgerschapsvorming als overgenomen door de staatssecretaris, is uitgangpunt. Het adviseren over een andere positie van staatsinrichting is in het ministeriële Instellingsbesluit niet opgenomen. Aanbevolen is de kennisgebieden staatsinrichting en geschiedenis weer bijeen te brengen bij komende wijziging en vaststelling van kerndoelen in artikel 9 lid 5 Wpo.
De opdracht van de commissie is tweeledig:
voortbouwen op het advies van commissie-De Wit (meer chronologisch dan thematisch onderwijs), door het opstellen van een canon als minimumpakket aan (overzichts)kennis en vaardigheden, en
adviseren over het beoogde vak geschiedenis en maatschappijleer, vanaf 2003 verplicht op vwo/havo in elk profiel in plaats van het voorgestelde vak mens- en maatschappijwetenschappen.
De commissie-De Rooy ziet als doel van het geschiedenisonderwijs het aanbrengen van historisch besef, in de samenhang tussen interpretatie van het verleden, begrijpen van het heden en perspectief op de toekomst´. Dit is niet gelijk aan chronologisch besef; het gaat eraan vooraf. Er is een kader voor het curriculum ontwikkeld met chronologische samenhang in tien historische tijdvakken op concentrische basis. In de voorstellen zijn de politiek-staatsrechtelijke onderwerpen vermeld op basis van de tien historische tijdvakken. De inrichting van het curriculum volgt drie rubrieken:
* historisch besef, *historische thema's en *historische thema's-plus.
Staatsinrichting (vo) is verplicht in Staatsinrichting: de openbaarheid van bestuur. Het heeft een overwegend formeel-juridisch curriculum, met daarin centraal de veranderingen in de spreiding en controle van de macht. Voorbeelden hiervan zijn:
de verhouding staatshoofd, ministers en parlement voor én na de Grondwetswijziging van 1848,
de controlemogelijkheden van het parlement als het recht van interpellatie, enquête- en vragenrecht,
het recht van meningsuiting, petitierecht, het recht van vereniging en vergadering,
de rol van de media, de belangengroepen en politieke partijen,
hoofdlijnen van de uitbreiding van het kiesrecht leidend tot het algemeen kiesrecht in 1919,
de Nationale Ombudsman en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en (g) veranderingen in burgerbetrokkenheid bij het bestuur.
Bij de thema's-plus is Staatsinrichting: van gunst tot recht keuze-onderwerp. Methodisch is de benadering productief in werkvormen als het beschrijven van historisch/democratische verschijnselen. In de leerwegen vmbo komt staatsinrichting voor met accent op de basisberoepsgerichte leerweg (bbl) als vast examenonderdeel. Het uitgangspunt is ´kennis en inzicht verschaffen in aspecten van staat en bestuur door wezenlijke zaken als de Grondwet, de grondrechten en de parlementaire democratie centraal te stellen’. De toenemende rol van de overheid bij de zorg is opgenomen bij het thema staatsinrichting: van gunst naar recht. Voor geschiedenis in de tweede fase is het curriculum in drie rubrieken ingedeeld:
*historisch besef, *oriëntatiekennis en *diachronische thematieken. In de rubriek diachronische thematieken is staatsinrichting opgenomen in het thema Staats- en natievorming. Uitwerking van dit thema geeft de volgende onderwerpen:
De totstandkoming van nationale staten en de vormen van besluitvorming. Hierbij komen aan de orde: nationaliteitsgevoel, juridische privileges, legitimatie van het gezag, macht, grondrechtenattributie, constitutionele gezagsbeperkingen, bevoegdheden van een volksvertegenwoordiging, dynastieke belangen en de vorming van staat en natie.
Het beschrijven van ontwikkelingen in dit kader op langere termijn.
Relatie aangeven van ontwikkelingen in Nederland in Europees perspectief.
Voor het beoogd in te voeren vak geschiedenis en maatschappijleer zijn vijf domeinen voor het schoolexamen voorgesteld: *vaardigheden en benaderingswijze, *rechtsstaat, *parlementaire democratie, * verzorgingsstaat en pluriforme samenleving. Een centraal schriftelijk examen geschiedenis en maatschappijleer is niet overwogen. Het schoolexamen (Programma van toetsing en examens) bestaat uit een dossier met toetsen over de rechtsstaat, parlementaire democratie, verzorgingsstaat en pluriforme samenleving en praktische opdracht(en) als een onderzoeksopdracht over één van de domeinen, het houden van informatieve voordrachten en het kunnen hanteren van informatie- en technologische communicatie-instrumenten. Als examenstof is voorgesteld:
Staatsinrichting:
Rechtsstaat: Vrijheidsrechten en plichten, geschiedenis en praktijk van de rechtsstaat, internationale vergelijking en supranationale organisaties.
Parlementaire democratie: politieke rechten en plichten, geschiedenis en praktijk van de parlementaire democratie, internationale vergelijking en supranationale organisaties.
Maatschappijleer:
Verzorgingsstaat en
Pluriforme samenleving.
Doelstellingen van het vak geschiedenis en maatschappijleer:
het kunnen herleiden van rechten van inwoners tot de Grondwet en het noemen van waarden die aan deze rechten en plichten ten grondslag liggen zoals vrijheid, gelijkheid en broederschap en alle mensen zijn kinderen Gods,
het kunnen blijk geven van inzicht in de ontwikkelingen van rechten en plichten
kennis hebben van de hedendaagse situatie van rechten en plichten.
De commissie geeft aan dat ‘het de overheid past bescheiden te zijn met waardenoverdracht. Toch moeten de docenten van een vak waar burgerschap centraal staat in hun lessen normatieve discussies voeren. Het gaat dan niet om ’juist of onjuist’ maar om de argumentaties, de consistentie van het betoog en de weging van waarden’. Het beoogt leerlingen de nodige kennis van en inzicht in (het analyseren van) huidige en toekomstige maatschappelijke vraagstukken bij te brengen. In het combinatievak is weinig ruimte voor de behandeling van grote en kleine maatschappelijke problemen door het accent te leggen op de ontwikkeling van de leerlingen tot goed (staats)burger.
Bij de opname van maatschappijleer in het vak geschiedenis en maatschappijleer is er nog ruimte voor een zelfstandig vak maatschappijleer in het vrije deel van elk profiel (curs.W) in de bovenbouw van het vwo/havo. Dat kan op termijn gevolgen hebben voor de (kwantiteit van de) lerarenopleidingen maatschappijleer. De Commissie adviseert dit vak niet alleen in het vrije deel van elk profiel, maar in de profielkeuzedelen van de profielen als één van de keuzevakken op te nemen. Als docenten komen historici met een bijvak sociale wetenschappen en sociale wetenschappers met bijvak geschiedenis in aanmerking. De invoering heeft de vervanging van (a) maatschappijleer in het algemene deel met 160 slu en (b) examenprogramma’s geschiedenis met 80 slu en maatschappijleer met 120 slu op vwo door het nieuwe programma met 200 slu tot gevolg.
De invoering van het programma geschiedenis en maatschappijleer voorziet de commissie op 1 augustus 2003, met de mogelijkheid van een jaar uitloop. In de voorstellen komt de houdingsvorming niet voor. Aan de benodigde cognitieve kennis, inzichten en sociale vaardigheden geeft de commissie voorrang. Onderscheid tussen vorming tot maatschappelijk burger en tot politiek burger is niet gemaakt. De methodische benadering van onderwerpen en thema’s met juridische en politieke burgerschapsaspecten is het uitgangspunt voor het curriculum burgerschapsvorming.