De grondwetsherzieningsprocedure
Einde inhoudsopgave
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.6.1:II.5.6.1 Geen wetsvorm
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/II.5.6.1
II.5.6.1 Geen wetsvorm
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285084:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Als de wetsvorm staat voorgeschreven, betekent dat dat de procedure van art. 81 Gw e.v. moet worden gevolgd. Het is logisch dat art. 137 lid 4 Gw de wetsvorm niet voorschrijft, aangezien een aantal artikelen tussen art. 81 en 89 niet van toepassing is op de tweede lezing. Denk bijvoorbeeld aan artikel 86 Gw over de intrekking van wetsvoorstellen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Grondwet heeft nooit bepaald dat het voorstel in de tweede lezing in de wetsvorm moet.1 De praktijk wijst echter uit dat de wetsvorm in grote lijnen wel wordt gevolgd, want na indiening (of aanhangigmaking) volgt de behandeling van het voorstel in de Tweede Kamer en vervolgens in de Eerste Kamer. Niet is voorgeschreven dat de Tweede en Eerste Kamer volgtijdelijk een beslissing nemen. De praktijk wijst uit dat het ontbreken van een verplichting van de wetsvorm geen problemen of onduidelijkheden oplevert.
Verder is uiteraard een belangrijk (van de wetsvorm afwijkend) onderdeel dat er enkel gestemd kan worden over het voorstel tot verandering, zoals bedoeld in het eerste lid. Er is geen amendementsrecht om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen.2 Beide kamers zijn zo in tweede lezing ingekaderd. Dat laatste is van belang omdat de Tweede Kamer het voorstel in acht moet nemen zoals aangenomen in de eerste lezing. Zoniet, dan zou de wetgever in tweede lezing het voorstel geheel naar zijn hand kunnen zetten. Het ontbreken van het amendementsrecht in tweede lezing is dus geheel in lijn met het doel van de Grondwet en de herzieningsprocedure om machtsconcentratie en willekeur te voorkomen.