Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.0:6.4.0 Introductie
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/6.4.0
6.4.0 Introductie
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200821:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze opvatting is volgens recente gegevens onjuist (vgl. Smit & Goudriaan, 2015); zie hoofdstuk 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het algemeen vertoont de opvatting van rechters over straffen grote overeenkomst met die onder officieren van justitie. Rechters vinden in het algemeen dat de straffen voldoende zijn gestegen in het verleden en zijn vaak tevreden met het huidige strafklimaat.
Net zoals door officieren van justitie, wordt door rechters vaak verwezen naar ‘onderzoek’ waarin uit vergelijking met het buitenland zou blijken dat Nederland tot ‘één van de meest punitieve landen’ behoort:
‘Het is zo evident dat we in de hoogste categorie zitten qua straffen en voorlopige hechtenis in Europa. De straffen zijn al enorm omhoog gegaan en wat denk je daarmee op te lossen?’ 1
Volgens enkele rechters zou soms steviger strafrechtelijk opgetreden moeten worden tegen veelvoorkomende criminaliteit, maar rechters zijn vooral geneigd om het huidige strafklimaat te verdedigen. Daarbij maken ze scherp onderscheid tussen gevallen van veelvoorkomende criminaliteit en ernstige delicten. Waar straffen normaalgesproken niet veel nut heeft in de ogen van de meeste rechters, vervalt dit bezwaar bij uitzonderlijk ernstige delicten. Daarbij moeten volgens rechters soms zeer hoge straffen worden opgelegd, om te vergelden en om de morele orde te herstellen: ‘Voor bijvoorbeeld levensdelicten moet je fors straffen, dat kan niet anders. Anders loopt de maatschappij helemaal uit de pas.’
Ervaren tekortkomingen in het functioneren van het (straf)recht hebben vooral betrekking op mogelijkheden om delinquenten behandeling en begeleiding te laten ondergaan en slechts weinig op de gebruikelijke straffen. Ook zijn er rechters die aangeven zorgen te hebben over de in hun ogen grote nadruk op vergelding. Evenals bij officieren van justitie lijkt bij deze opvatting vaak enige kennis van wetenschappelijk onderzoek naar effecten van straf een rol te spelen. Zo reageert een rechter als volgt op de klacht van politiemensen dat de opgelegde straffen nog vaak te laag zijn:
‘Als de politie, ondanks internationaal onderzoek dat uitwijst dat straffen niet werkt, blijft roepen dat de straffen omhoog moeten, dan staat mijn verstand stil. Misschien mag je niet anders verwachten van dienders, maar als je nou nog in die gedachte leeft, moet je toch je ogen eens uitwrijven. Dat is zo achterhaald. Ik kan er boos over worden eerlijk gezegd.’
In lijn hiermee verbazen veel rechters zich over de nadruk die op onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelegd door politiemensen en een deel van de officieren van justitie. Wanneer een taakstraf of een boete niet als een ‘echte straf’ wordt beschouwd, wordt volgens hen onterecht over het hoofd gezien hoe (alternatieve) straffen uitwerken bij verschillende ‘typen’ delinquenten (vgl. Van Ginneken & Hayes, 2017). Bovendien is het beeld dat de strafrechter nauwelijks via het strafrecht zou reageren in de ogen van rechters onjuist, gelet op de bijzondere voorwaarden die vaak aan een voorwaardelijk strafdeel worden gekoppeld. Overigens hebben rechters er soms wel begrip voor dat politiemensen anders tegen straffen aankijken dan zij. Zij menen dat politiemensen op een andere manier in aanraking komen met verdachten en ervaren soms dat het voor henzelf niet goed mogelijk is zicht te krijgen op de ‘persoon van de verdachte’. Volgens een rechter blijkt dit bijvoorbeeld uit het feit dat verdachten zich tegenover de parketpolitie of op de stoep voor de rechtbank soms heel anders gedragen dan tijdens de rechtszitting. Op dergelijke verschillen in ‘perspectief’ wordt nader ingegaan in hoofdstuk 8.
Sommige rechters verwijzen tijdens de interviews naar strafzaken tegen ‘verwarde personen’. In dit soort zaken staan zij sceptisch tegenover strafrechtelijke sancties en hebben de indruk dat het OM deze gevallen aan de civiele rechter had moeten voorleggen om zo (en in een eerder stadium) te zorgen voor gedwongen opname van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis.
‘Ik heb een probleem met hoe we omgaan met verwarde personen. Het is heel willekeurig of die in de GGZ belanden of met het strafrecht te maken krijgen. We krijgen veel verdachten waarvan we denken: wat doet deze man in het strafrecht? Waarom is er niet meteen een civielrechtelijk traject gestart en is deze man niet al lang opgenomen? In plaats van de hele strafrechtelijke procedure met alle toeters en bellen. Uiteindelijk kom je dan vaak tot het punt dat je geen goede beslissing kan nemen, omdat je gebonden bent aan een strafrechtelijk juridisch kader. Of dezelfde beslissing had al veel eerder in gang gezet kunnen worden.’
Gevallen waarin duidelijk zou zijn dat criminelen naar Nederland komen vanwege het ‘milde strafklimaat’ om daar aan geld te komen door middel van criminaliteit vormen voor rechters, net als voor politiemensen en officieren van justitie, een bron van frustratie. In positieve gedragsbeïnvloeding ‘investeren’ zou daarbij volgens een rechter niet van toepassing zijn: ‘Ik denk dat je moet investeren in delinquenten, maar dat ligt anders voor bijvoorbeeld Roemeense zakkenrollers. Vaak zijn het van die bendes die daar actief worden, waar je de minste straf kan krijgen.’
Opvallend is dat rechters de ontevredenheid met de opgelegde straffen onder politiemensen en officieren van justitie niet als bijzonder opmerkelijk of zorgelijk ervaren, maar eerder als ‘onderdeel van het spel’. Ze menen dan ook dat hieraan geen diepgaand verschil van opvatting over straffen ten grondslag ligt. Zo wordt door rechters verondersteld dat de strafeis van een officier weinig zegt over wat deze uiteindelijk zou willen bereiken. Een rechter spreekt in dit verband over ‘loven en bieden’. De formulering van de strafeis door officieren van justitie zou een ingesleten patroon volgen, gebaseerd op de manier waarop rechters daar bij de straftoemeting meestal mee omgaan. Dit beeld wordt ook bevestigd door de conclusie dat een rechter door iets van de eis af te doen, kan laten zien dat hij maatwerk heeft toegepast bij de straftoemeting en dat er, met andere woorden, is gewikt en gewogen. Een strafoplegging die geheel conform de eis is, heeft deze uitstraling niet (Van Wingerde & Van de Bunt: 59-60). Op soortgelijke wijze kijkt een rechter aan tegen de verschillen tussen de strafrichtlijnen van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak:
‘Soms maait de officier alles voor je voeten weg en is dan al heel rechterlijk aan het afwegen geweest en komt dan met een mild voorstel dat je eigenlijk alleen maar kunt volgen. Of hij gaat bijvoorbeeld uit van de richtlijn en ziet geen reden om ervan af te wijken. Dan kan ik er [als rechter] nog een beetje vanaf doen. De verdachte accepteert dan de straf makkelijker en zo gaat dat dus. Dit is op hoofdlijnen het spel. Het is een beetje een spel.’
Zoals hierna nog duidelijker naar voren zal komen, zijn enkele rechters van mening dat opgelegde straffen regelmatig te laag zijn. Net als politiemensen en officieren van justitie storen ook zij zich daarnaast soms aan onderlinge verschillen in straftoemeting:
‘De verschillen zijn soms opzienbarend. (...) Het beste voorbeeld dat regelmatig langskomt helaas, zijn de kopschoppers zonder lichamelijk letsel. Iemand krijgt van een dronken man een schop voor zijn hoofd. Je kent ze: het wordt op YouTube gezet soms. Die persoon heeft een blauw oog, maar heeft geen ernstig letsel. Die zaak kan in de afdoening zomaar een jaar verschillen. In zo’n zaak zit het tussen de veertig uur dienstverlening tot een jaar gevangenisstraf, afhankelijk van de rechter die je treft. Dat zijn gigantische verschillen.’
Zoals hun opvattingen over voorlopige hechtenis duidelijk maken (zie §6.2), zijn veel rechters kritisch over lange doorlooptijden, aangezien daardoor vaak lagere straffen worden opgelegd in hoger beroep. Het verschil tussen de eis in eerste aanleg en de opgelegde straf in hoger beroep is in strafzaken over georganiseerde criminaliteit gemiddeld meer dan twee jaar, namelijk 26 maanden. Dit verschil is terug te voeren op deelvrijspraken (de situatie dat de rechter een deel van de ten laste gelegde feiten niet bewezen verklaart) en op de lange doorlooptijden bij de behandeling van deze strafzaken (Van Wingerde & Van de Bunt, 2017).
In navolgende wordt aangesloten bij de thema’s die in de hoofdstukken over de opvattingen van politiemensen en officieren van justitie aan de orde zijn gekomen: recidivisten en veelplegers (6.4.1), jeugdige delinquenten (6.4.2) en taakstraffen (6.4.3). Tot besluit van deze paragraaf wordt ingegaan op opvattingen van rechters over strafdoelen (6.4.4).