Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.2.3.6
5.2.3.6 Relativiteit van rang
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186584:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Fransis 2017, p. 306 over Belgisch recht.
Zie bijvoorbeeld art. 21 lid 2 Invorderingswet, artt. 3:282, 3:284 lid 2 en 3, 3:285 lid 2, 3:287 lid 2 en 3:292 BW en voor vele andere voorbeelden Franken 2012.
Zie ter illustratie de talrijke specifieke uitzonderingen in de preferentielijst van Rapport Insolad Afwikkeling Faillissementen 2011, p. 101 e.v.
Zie bijvoorbeeld de uitzonderingen die moeten worden gemaakt als wordt geprobeerd om tot een dergelijke ‘objectieve rangorde’ te komen zoals in hoofdstuk 9 van het Rapport Insolad Afwikkeling faillissementen en de SDU Commentaar Insolventierecht 2017-2018, commentaar op art. 180 Fw.
De eerste twee uitspraken zijn equivalent onder uitwisseling van A en B.
Zie J.J. van Hees 1997a, p. 574 en de noot van Bartels onder Hof ’s- Gravenhage 17 februari 2015, JOR 2015/245 (FGH/Fraanje), punt 8 en par. 7.4.2.5.
Zie over dit voorbeeld Van Mierlo 1996. Ik noem dit ‘cyclische rangorde’, zie par. 7.4.2.7.
Zie naar Amerikaans recht § 507 en § 726 U.S. Bankruptcy Code en naar Duits recht § 19 en § 39 InsO. Zie ook par. 5.4.6.2.
Zie art. 52 lid 1 sub d en 63 sub d CRR en daarover par. 3.5.2.2.
W. Snijders, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 854. Vgl. artt. 3:281 lid 2 BW jo. 3:288 BW.
Zie N.v.W., Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 861.
Zie bijvoorbeeld art. E Rapport Commissie Houwing 1974, p. 118.
Zie artt. 281, 282, 283, 285 van Wetsvoorstel 22942, Kamerstukken II 1992/93, 22942, 1 en 2.
Zie over de gevolgen hiervan par. 5.3.5.7, 7.3.3.6, 7.4.2, 8.7.4 en 9.2.2.5.
157. Naar Nederlands recht zijn uitspraken over de rang van een verhaalsrecht altijd relatief, in die zin dat ze steeds gaan over de onderlinge verhouding tussen de individuele verhaalsrechten.1 De wettelijke regels van voorrang geven bijvoorbeeld nauwkeurig aan tegen welke andere verhaalsgerechtigde voorrang kan worden ingeroepen.2 Daarmee bepalen zij de verhouding tussen het verhaalsrecht dat voorrang krijgt en het verhaalsrecht waartegen die voorrang kan worden ingeroepen. Die relaties worden steeds bepaald per koppel van verhaalsrechten onderling.3
Er bestaat dus naar Nederlands recht geen ‘objectieve rangorde’, waarin iedere schuldeiser een positie wordt toegewezen.4 Daarom kunnen over de rang van een verhaalsrecht geen algemene uitspraken gedaan worden zoals: ‘Dit verhaalsrecht heeft rang 3.’
158. In plaats daarvan gaan uitspraken over rangorde altijd over de relatie tussen twee verhaalsrechten onderling. Uitspraken over rangorde zijn steeds van de vorm ‘dit verhaalsrecht heeft een hogere rang dan dat verhaalsrecht’.
Er zijn drie van dat soort uitspraken mogelijk: ‘verhaalsrecht A heeft een hogere rang dan verhaalsrecht B’, ‘verhaalsrecht A heeft een lagere rang dan verhaalsrecht B’, of ‘verhaalsrecht A en verhaalsrecht B zijn in rang gelijk’.5 Soms staat B daarbij voor een grote groep verhaalsrechten, zoals wanneer verhaalsrecht A de voorrang heeft die uit een pand- of hypotheekrecht volgt. Een pandhouder ontleent aan zijn pandrecht voorrang boven bijna alle andere verhaalsgerechtigden, maar die voorrang betreft steeds de relatie van het verhaalsrecht van de pandhouder tot elk individueel ander verhaalsrecht. Dat blijkt bijvoorbeeld als één andere schuldeiser de vestiging van dat pandrecht vernietigt met de actio Pauliana. Door de relatieve werking van de actio Pauliana kan de pandhouder de voorrang die hij aan zijn pandrecht ontleent alleen niet langer inroepen tegen de schuldeiser die de actio Pauliana heeft ingeroepen.6 Tegenover andere schuldeisers heeft de pandhouder nog wel voorrang.
Als gevolg van dit relatieve karakter van rangorde kan het voorkomen dat van drie verhaalsgerechtigden A boven B gaat, B boven C gaat, maar C gelijk is met A of zelfs boven A gaat. Dit laatste doet zich bijvoorbeeld voor als één schuldeiser een vordering heeft wegens kosten gemaakt tot behoud van een zaak, een tweede schuldeiser een pandrecht heeft op die zaak en zij geconfronteerd worden met de Ontvanger die zich ook op de zaak wil verhalen.7
159. De relativiteit van rang is niet vanzelfsprekend. Het is ook mogelijk om één objectieve rangorde vast te stellen en alle schuldeisers daarbinnen een rang toe te wijzen. Dan is de rangorde niet relatief. Het Duitse en het Amerikaanse recht gaan daarvan uit.8 De Europese kapitaalseisen voor banken gaan impliciet van een dergelijk stelsel uit.9 Bij de ontwikkeling van het huidige Burgerlijk Wetboek is geprobeerd om ook in Nederland een dergelijk stelsel in te voeren.10 De voorrechten werden echter niet geregeld in het ontwerp van Boek 3 BW, maar overgelaten aan een afzonderlijk wetsontwerp, dat moest volgen op het advies van de Commissie Bevoorrechting van Vorderingen, onder voorzitterschap van Houwing.11 Het wetsvoorstel van die commissie rekende niet af met de relativiteit van rang.12 Het daaropvolgende wetsvoorstel 22942 doet dat ook niet.13 Beide voorstellen zijn niet ingevoerd.
In het huidige wettelijk systeem van voorrang zijn pogingen om tot een dergelijke objectieve rangorde te komen herkenbaar, bijvoorbeeld in artikel 3:279 BW en artikel 3:281 BW. De vele uitzonderingen op deze algemene beginselen maken het echter onmogelijk om één objectieve ranglijst van de mogelijke verhaalsrechten en hun rang te maken, zodat van elk verhaalsrecht zou kunnen worden gezegd ‘die heeft rang nummer x’.14