Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.2.3.3
5.2.3.3 Rang ziet op verdeling executieopbrengst
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186583:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 711, Fesevur 2017, p. 11 en 27, Fesevur 1999, p. 2, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, p. 657, Meyjes 1931, p. 18, Meijers in zijn noot onder en HR 22 mei 1931, NJ 1931, p. 1429 (Van den Bel/ Bergers e.a.), Pitlo/ Gerver e.a. 1995, p. 249 en Wessels Insolventierecht VII 2013/7160. Zie over de gevolgen van rangverschil bij de verdeling van de executieopbrengst par. 7.4.2.
Zie HR 30 januari 1930, NJ 1930, p. 529 (Van der Straaten/Telders q.q.), HR 12 juli 2002, JOR 2002/180 (Rabobank/Knol q.q.), i.h.b. conclusie A-G Wesseling- Van Gent onder 2.19 en 2.20, Rank-Berenschot 1992, p. 208, Beekhoven van den Boezem 2015, p. 693, Verstijlen 2006a, p. 1162, Pitlo/Gerver e.a. 1995, p. 249, en Diephuis 1886a, p. 583. Vgl. bovendien Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 804, Messelink & Van den Bosch 2017, p. 76 en Cohn 1982, p. 296.
Kingma Boltjes 1961, p. 5.
Rank-Berenschot 1992, p. 208, Kingma Boltjes 1961, p. 5 en 8. Zie ook Meyjes 1931, p. 18, TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 843, Rapport Commissie Houwing 1974, p. 84, Veder 2009, p. 297, voetnoot 88 en art. 7 lid 2 sub i IVO II. Vgl. verder HR 1 februari 1928, NJ 1928, p. 605 (Ontvanger/Nationale Levensverzekeringsbank) zie ook de conclusie van A-G Berger daarbij, HR 30 januari 1930, NJ 1930, p. 529 (Van der Straaten/Telders q.q.) en HR 15 juni 1917, NJ 1917, p. 812 (Salm q.q./Nebenzahl).
Zie MvT, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 747 en Beekhoven van den Boezem 2015, par. 2. Zie ook par. 9.2.2.3.
Zie nader par. 9.2.2.4 en 9.2.2.5 en Beekhoven van den Boezem 2015.
Zie par. 5.2.2 en voorts Van Boom 2018, p. 19. Anders: Diephuis 1886a, p. 579 en 583.
TM, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 843, Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/466, Fesevur 2017, p. 27 e.v., Fesevur 1999, p. 8, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 536 en 659, Meyjes 1931, p. 9, Kisch 1932, p. 199 e.v., Meijers in zijn noot onder HR 22 mei 1931, NJ 1931, p. 1429 (Van den Bel/Bergers e.a.), Kingma Boltjes 1961, p. 5, Verstijlen 1998, p. 19, Verstijlen 2006a, p. 1162 en Struycken 2007, p. 214, voetnoot 259 noemt dit de communis opinio, zie ook p. 255, voetnoot 46. Vgl. ook Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 713. Artt. 8:197 en 8:788 BW zijn daarom ongelukkig geformuleerd, zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/37.
Zie Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 713 en NvV 2 Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1236, MvT Inv. en MvA II Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 217 en 219, onder verwijzing naar HR 6 maart 1970, NJ 1970/433 (Pluvier; Van Wessem/Traffic) en HR 7 mei 1975,NJ 1976/91 (Van Gend en Loos). Vgl. voor algemene voorrechten HR 20 februari 2009, NJ 2009/376 (Ontvanger/De Jong).
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, p. 657 en 659 en Snijders & Rank- Berenschot 2017, nr. 707 en 713.
Snijders & Rank-Berenschot 2017, nr. 711.
Zie par. 5.2.2.2, HR 22 januari 1942, NJ 1942/289 (Kouman & Kouman/Horsten q.q.), p. 398 en HR 30 januari 1930, NJ 1930, p. 529 (Van der Straaten/Telders q. q.).
149. De aard van de rang van vorderingen en rangverschil daartussen blijkt met name uit de aard van voorrechten. Een voorrecht creëert een rangverschil.1 Het heeft slechts tot gevolg dat het verhaalsrecht waaraan het voorrecht is verbonden in een gunstiger positie wordt gebracht bij verdeling van een executie-opbrengst.2 Voorrechten en algemener de rang van een verhaalsrecht hebben alleen effect bij het verdelen van de netto- opbrengst van een executie.3 In de woorden van Kingma Boltjes:
“(…) een voorrecht (…) is niet meer dan het recht om bij een gerechtelijke rangregeling in een hogere rang dan de andere schuldeisers te worden geschikt.”4
Een voorrecht verbetert de positie van de schuldeiser door aanpassing van de rang van het betreffende verhaalsrecht. Die rang bepaalt de verdeling van een executie-opbrengst. De bepaling van de rangorde van de verhaalsrechten is dus een tussenstap bij de verdeling van de executieopbrengst. Daarom kunnen voorrechten en in het verlengde daarvan de rangorde worden gezien als onderdelen van het executierecht.5
150. De verdeling van de executieopbrengst wordt niet alléén door de rangorde bepaald. Bij die verdeling spelen ook andere factoren een rol zoals de hoogte van de vorderingen en de procedure waarbinnen de verdeling van de executieopbrengst plaatsvindt. Verschillende procedures gaan verschillend met rangverschillen om. Paragraaf 7.4 gaat over de manier waarop de rangorde de verdeling van de executie-opbrengst bepaalt.
151. De rangorde van een verhaalsrecht is niet relevant voor andere conflicten tussen de verhaalsrechten of de verhaalsgerechtigden dan de verdeling van de executie-opbrengst. De zeggenschap over de executie wordt bijvoorbeeld niet bepaald door de rangorde van de verhaalsrechten. Als verschillende verhaalsgerechtigden executoriaal beslag hebben gelegd, dan heeft de verhaalsgerechtigde met het hoogst gerangschikte, doorgaans het oudste, executoriale beslag zeggenschap over de executie.6
Zijn er meerdere pandrechten gevestigd op het te executeren goed, dan kunnen lager gerangschikte pandhouders geen afgifte aan henzelf vorderen.7 De lager gerangschikte pandhouders zijn dan niet noodzakelijkerwijs de pandhouders wier verhaalsrecht een lagere rang heeft dan dat van de andere pandhouders. De lager gerangschikte pandhouders zijn de pandhouders wier pandrecht een lagere rang heeft dan de andere pandrechten, dat zijn doorgaans de pandhouders met een jonger pandrecht.8 De lager gerangschikte pandhouders en de schuldeisers met lager gerangschikte verhaalsrechten vallen vaak maar niet noodzakelijkerwijs samen. Juist een eigenlijk achterstelling kan ertoe leiden dat de pandhouder met het hoogst gerangschikte pandrecht een lager gerangschikt verhaalsrecht heeft.9
152. De rang van een verhaalsrecht ziet alleen op de verdeling van de executie-opbrengst. De rang is dus net als het verhaalsrecht zelf geen zakelijk recht.10 Dat verandert niet als de rang van een verhaalsrecht wordt gewijzigd. Voorrechten zijn ook geen zakelijke rechten.11 Ook het feit dat een bijzonder voorrecht kan gelden als een ‘ouder recht op een zaak’ in de zin van artikel 3:90 lid 2 BW maakt de voorrechten niet tot zakelijke rechten.12 Het voorwerp van een voorrecht is de netto executie-opbrengst van het goed of de goederen waar de schuldeiser verhaal op kan nemen.13
De verkorte aanduidingen van ‘voorrechten op bepaalde goederen’ en ‘voorrechten op alle goederen’ of soortgelijke bewoordingen moeten niet worden verward met de werkelijke aard van voorrechten. Deze uitdrukkingen zijn verkort taalgebruik voor voorrechten die slechts werking hebben bij de verdeling van de executie-opbrengst van bepaalde goederen en voorrechten die werking hebben bij de verdeling van de executie- opbrengst van alle goederen waarop het betreffende verhaalsrecht betrekking heeft. De wetgever bedient zich regelmatig van dit verkorte taalgebruik, zonder daarmee inhoudelijk de voorrechten als zakelijke rechten te duiden.14
153. De rang is een eigenschap van een verhaalsrecht, maar de toekenning van een bepaalde rang, bijvoorbeeld door een voorrecht, schept op zichzelf geen verhaalsrecht.15 Als de schuldenaar de zaak ‘waarop een voorrecht rust’ overdraagt kan de schuldeiser zich er niet langer op verhalen. Hij heeft immers geen verhaalsrecht jegens de nieuwe eigenaar. Daarom baat het voorrecht de schuldeiser niet langer.16