Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/10.5
10.5 Waardering van de verruiming van de bevoegdheid van enkelvoudige kamers
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174088:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I en II vanaf 2011, 33 316. Een wetsvoorstel daartoe is in 2018 inmiddels ingetrokken.
De Staatscommissie Herziening Rechterlijke Organisatie, de Hoge Raad, het Parket bij de Hoge Raad, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten verklaarden zich alle tegen het wetsvoorstel. Zie voor hun adviezen de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1984-1985, 19.033, nrs. 1-3, p. 4-17).
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak 2002.
De Jongste & Decae 2010, p. 27-28.
Overigens wezen meerdere strafrechters ook op de risico’s van (per definitie enkelvoudige) afdoening van strafzaken door de officier van justitie. Een van hen merkte op dat een officier soms drie petten op dient te hebben: die van aanklager, advocaat en rechter. Dat draagt niet bij aan een goede rechtsbedeling. Integendeel, schreef een respondent: ‘Enkelvoudige afdoening door het OM leidt tot bulkverwerking met onvoldoende aandacht voor het individu.’
Sinds 2002 is de politierechter bevoegd om gevangenisstraf tot een jaar op te leggen, waar dat voor die tijd maximaal een half jaar was. In 2011 werd de kantonrechter bevoegd om vorderingen tot en met 25.000 euro te behandelen (voorheen: 5.000 euro) alsook alle geschillen over consumentenkoop en consumentenkrediet. Ook de civiele kamer en de strafkamer bij het gerechtshof kunnen in voorkomende gevallen een zaak enkelvoudig behandelen. Jarenlang is geprobeerd om enkelvoudige afdoening van kantonzaken in hoger beroep mogelijk te maken.1
Net zomin als de introductie van alleenrechtspraak in hoger beroep in 19872 is de verruiming van de competentie van enkelvoudige rechters in eerste aanleg steeds met gejuich ontvangen. Zo verklaarde de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) zich in 2002 tegen de uitbreiding van de bevoegdheid van de politierechter, omdat strafzaken, afgezien van de relatief lichte zaken, in twee instanties meervoudig dienen te worden behandeld ter waarborging van de kwaliteit.3 De Orde van Advocaten en het Parket-Generaal deelden dit standpunt. Bovendien, argumenteerde de NVvR, is de capaciteitswinst bij verruiming van de bevoegdheid onzeker: het aantal zaken dat de politierechter afdoet, daalt doordat deze vaker zwaardere zaken op zijn bord krijgt. Uitbreiding van de competentie van enkelvoudige kamers in hoger beroep kon de NVvR ook niet bekoren. Zij verwachtte dat tegen vonnissen in zware politierechterzaken alsook tegen enkelvoudige uitspraken in hoger beroep vaker cassatie zou worden aangetekend. Uit onderzoek naar de uitbreiding van de bevoegdheid van de politierechter bleek dat de huidige competentiegrens volgens de geïnterviewde rechters en officieren voldoet. Een verdere verruiming achtte geen van de geïnterviewden noodzakelijk en haalbaar, maar van het terugbrengen van de competentiegrens naar zes maanden waren zij evenmin voorstander.4
Het twistpunt van de uitbreiding van de bevoegdheid van enkelvoudige kamers was reden om de afdelingsvoorzitters in de enquête te vragen hoe zij denken over de tendens tot verruiming. Uit de antwoorden van de 51 respondenten bleek dat rechters bij de rechtbanken de kwestie niet van belang vinden (22 respondenten) of er overwegend positief tegenover staan (20 respondenten). De eerste opvatting troffen we vooral aan bij bestuursrechters (zes van de tien) en familierechters (zeven van de veertien). Volgens een familierechter biedt de wet voldoende mogelijkheden om familie- en jeugdzaken enkelvoudig af te doen. Met name handelsrechters zagen voordelen in de verruiming. Vijf van de twaalf respondenten uit deze afdeling waren zonder meer vóór; vier waren positief, mits ervaren rechters de enkelvoudige zaken behandelen en/of uitspraken regelmatig worden meegelezen. Een handelsrechter schreef dat de gemiddelde justitiabele op zoek is naar een spoedige beslissing in een geschil; hij wil weten waar hij aan toe is. Een collega uit de handelsafdeling onderschreef dit oordeel als voldaan is aan enige randvoorwaarden:
‘Wanneer gesproken wordt over de sterke kanten van kantonrechtspraak duidt men veelal op snel, efficiënt en goedkoop. Dergelijke rechtspraak is mogelijk met een kwalitatief hoogstaande juridische ondersteuning en een ver doorgevoerd delegatiemodel naast ervaren rechters die beschikken over een grote zittingsvaardigheid en hoog scoren op scenariodenken en omgevingsbewustzijn.’
Meerdere respondenten wezen op het systeem van meelezen, waardoor de voordelen van enkelvoudige rechtspraak overeind blijven maar er toch meerdere paren ogen naar een uitspraak kijken. Vorderingen tot 25.000 euro werden in de handelsafdeling in de regel al lange tijd enkelvoudig behandeld. Daarom achtten enkele respondenten de gevolgen van de bevoegdheidsverruiming niet groot. Met de verhoging van de competentiegrens is wel de verplichte procesvertegenwoordiging komen te vervallen bij zaken die voorheen naar de civiele afdeling gingen. Een kantonrechter, hierover bevraagd in een interview, zei dat we ervoor moeten waken dat de rechtsongelijkheid toeneemt ‘als een arme sloeber zonder advocaat procedeert tegen een verzekeringsmaatschappij met een batterij aan vaste juristen in dienst.’ Drie respondenten benadrukten juist de voordelen voor de burger van de verruimde competentie van de kantonrechter; die is dan niet langer gedwongen om in ‘huis-tuin-en-keuken-’ en ‘werken-wonen-winkelen-zaken’ een dure advocaat in te schakelen.
De twaalf respondenten van de strafafdeling waren verdeeld over verruiming. Zes van hen stelden dat het opleggen van gevangenisstraffen tot één jaar door een politierechter verantwoord is, mits de rechters voldoende ervaring hebben opgedaan, langer werkzaam blijven in de strafafdeling, zich meer specialiseren en/of goede afspraken met het Openbaar Ministerie maken om een deugdelijke zaaksafdoening te waarborgen. Zes andere strafrechters noemden het bezwaarlijk om politierechters vrijheidsstraffen op te laten leggen van meer dan een half jaar. Een van hen schreef dat enkelvoudige zaken vaak bovengemiddeld ingewikkeld zijn en een te grote druk op de politierechter leggen: ‘Enkelvoudige rechtspraak is bedoeld voor eenvoudige zaken en werkt daar uitstekend.’ Een andere strafrechter stelde dat verruiming van de bevoegdheid van enkelvoudige kamers alleen aanvaardbaar is als rechters zich verder specialiseren en zij gedwongen worden voor lange tijd binnen één rechtsgebied werkzaam te zijn. Volgens een afdelingsvoorzitter van een grote rechtbank worden ervaren strafrechters welhaast volcontinu ingeroosterd op politierechterzittingen. Dit is noch goed voor de rechter zelf, noch voor de kwaliteit van meervoudige kamers.5
De tien respondenten van de gerechtshoven waren over de gehele linie matig of niet te spreken over verruiming van de bevoegdheid van enkelvoudige kamers. Een strafraadsheer schreef dat in eerste aanleg het kwaliteitsvoordeel van snelle en efficiënte rechtspraak een grotere rol mag spelen dan de vakinhoudelijke kwaliteit: de burger wil namelijk vooral binnen redelijke termijn weten waar hij aan toe is. In hoger beroep behoort volgens hem echter een hoge kwaliteit gewaarborgd te zijn door meervoudige behandeling. Een collega-strafraadsheer vond dat de norm die de verhouding tussen enkel- en meervoudige zaken voorschrijft moet worden verlaten. De wettelijke criteria zijn naar diens mening ruim genoeg om te komen tot een goede zaakstoedeling. Een belastingraadsheer liet weten te merken dat sommige eerste-aanleguitspraken onder hoge druk tot stand zijn gekomen: ze zijn van mindere kwaliteit en rommelig afgewerkt. Daardoor wordt het belang van goede oordelen in hoger beroep des te groter. Een voormalig president van een hof vertelde per e-mail dat behandeling van korte gedingen door één raadsheer in elk geval ‘in zijn tijd’ als vloeken in de kerk zou zijn ervaren.