Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.4.1.2
6.4.1.2 Derdebelangen en overige algemene belangen
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685395:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Als geen sprake is van derdebelangen, kan een beroep op het vertrouwensbeginsel makkelijk slagen indien is voldaan aan de eerste twee voorwaarden: ABRvS 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3867.
Zie bijv. ABRvS 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:71, BR 2015/45.
Zie bijv. ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1823.
Zie bijv. ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, AB 2016/417. Zie bijv. Rb. Midden-Nederland 6 september 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3539,waarin weliswaar sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen, maar het college doorslaggevend belang mocht toekennen aan het algemeen belang en de belangen van derde-partij van bij handhaving. Eerder heb ik opgemerkt dat ook bij de uitoefening van de handhavingsplicht meer sprake is van maatwerk (par. 6.4).
ABRvS 15 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3382: “een bijzonder geval om van handhavend optreden af te zien, kan onder meer worden aangenomen indien sprake is van een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel.”
ABRvS 15 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ3382, rov. 2.3. Zie ook ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1330, AB 2017/119.
ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946, AB 2017/425 (Overbetuwse paardenbak). Ook behandeld in par. 4.4.
ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1946, AB 2017/425, rov. 6.4.
ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, AB 2016/417.
‘Inactie’ vanuit het bestuursorgaan leidt als zodanig niet tot gerechtvaardigd vertrouwen, maar in combinatie met andere omstandigheden en aspecten kan het dus wel bijdragen aan het oordeel dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen.
ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, AB 2016/417, rov. 6.1. Zie voor een ander voorbeeld van onevenredigheid van handhaving in verband met de bewoning van een recreatiewoning Rb. Gelderland 26 november 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6325.
ABRvS 30 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6880, JB 2012/181.
In een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (10 september 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:3903) woog het financieel belang van het bestuursorgaan juist weer niet op tegen het belang van eiseres bij het honoreren van het gerechtvaardigde vertrouwen, in dat geval het vertrouwen dat een compensatievergoeding moest worden toegekend. Zie ook Rb. Oost-Brabant 11 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:28 waarin vast stond dat eiser flink financieel nadeel heeft ondervonden door onjuiste informatieverstrekking.
ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:953. Nu appellant na het verkrijgen van de principemedewerking niet nog een aanvraag tot vaststelling van een wijzigingsplan heeft ingediend, bestond voor het college van B&W geen gehoudenheid om als onderdeel van de besluitvorming tot vergoeding van de schade over te gaan. Het college van B&W had wel aangegeven uit coulance in enige tegemoetkoming te willen voorzien. Zie ook ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, JB 2020/134, rov. 4.7 voor een beroep op de belangen van de glastuinbouw en ABRvS 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1798, AB 2021/305 over het terugkomen van een toezegging over de aanleg van parkeerplaatsen op basis van gewijzigd inzicht.
ABRvS 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:638, AB 2021/246.
CRvB 15 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:847, AB 2021/157, m.nt. R. Ortlep die ingaat op de verhouding tussen precedentwerking en maatwerk.
Zie in dat kader ook Rb. Midden-Nederland 3 december 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6017, rov. 7 ; Rb. Midden-Nederland 17 december 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6132, rov. 11; Rb. Gelderland 23 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2563, rov. 5.5.1 en Rb. Gelderland 23 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2564, rov. 3.5.1.
Interessant is ook dat de Centrale Raad van Beroep in rov. 4.4 overweegt dat nu sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, de fout niet hersteld mag worden. In andere rechtspraak is het feit dat sprake is van een fout, juist een reden om aan te nemen dat het vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast. Zie CRvB 19 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2880, AB 2021/48.
ABRvS 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1223, AB 2022/87 (Hoogheemraadschap Rijnland).
Zie voor andere voorbeelden waarin onvoldoende is gemotiveerd waarom het algemeen belang prevaleert ABRvS 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2180, rov. 4-4.4; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1257, AB 2018/170 en ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1424, rov. 30.2-30.3.
CBb 18 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG8400. Hier was overigens al geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen. Het CBb past ten overvloede een belangenafweging toe.
ABRvS 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2967, AB 2018/165. In ABRvS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2054 woog de veiligheid van omwonenden zwaarder. Indien het belang van de fidens in het geheel niet of onvoldoende is betrokken, is de Afdeling streng: ABRvS 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924, AB 2004/458 en ABRvS 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3123, AB 2018/164.
CRvB 19 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1169. De persoon in kwestie was een politieambtenaar die gedurende meerdere jaren cocaïne heeft gebruikt en contacten heeft gehad met dealers, terwijl hij als politieambtenaar normhandhavend op dit vlak moest optreden. Ook de beroepscode politie schrijft voor dat harddrugsgebruik niet wordt getolereerd en dat verslavingen vermeden dienen te worden. Aan politieambtenaren worden hoge eisen gesteld met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit. Zie voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel na een belangenafweging in de lagere rechtspraak, Rb. Oost-Brabant 13 april 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:1659.
Vooral in de Afdelingsjurisprudentie zijn derdebelangen alomtegenwoordig, zodat het vaak zo is dat een gunstig besluit voor de één, de belangen van anderen negatief beïnvloedt.1 Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat buren van de ontvanger van een vergunning het niet eens zijn met een verleende omgevingsvergunning omdat het gebruik daarvan ten koste kan gaan van hun uitzicht of een monumentaal belang, dan wel kan leiden tot geluidshinder, geurhinder of aantasting van natuurwaarden.
Wanneer een overtreding van een wettelijk voorschrift plaatsvindt, geldt voor een bestuursorgaan – al dan niet naar aanleiding van een verzoek daartoe van derden – een beginselplicht tot handhaving om die overtreding te beëindigen.2 Indien sprake is van een eerdere standpuntbepaling dat niet tot handhaving zal worden overgegaan, botst die beginselplicht met het vertrouwensbeginsel.3 De standaardfrase die de bestuursrechter hanteert is dat ‘de mate van bescherming van het vertrouwensbeginsel onder meer afhangt van het belang van derden die uitdrukkelijk om handhaving hebben verzocht’.4 De twee erkende uitzonderingen op de beginselplicht zijn (i) een concreet zicht op legalisatie en (ii) een dusdanige onevenredigheid in de verhouding tussen de handhaving en de daarmee te dienen doelen dat van in de concrete situatie van handhaving moet worden afgezien. Op die tweede uitzondering zal een belanghebbende die zich beroept op het vertrouwensbeginsel zijn hoop vestigen.5 Het gewekte gerechtvaardigd vertrouwen is dus een belang dat een bestuursorgaan op grond van het evenredigheidsbeginsel moet meewegen in zijn besluitvorming.
Meestal valt de afweging uit in het nadeel van de fidens jegens wie handhavend wordt opgetreden. Zo waren in een Afdelingsuitspraak van 15 juni 2009 de belangen van andere bewoners van een recreatie- park bij het natuur- en bosbehoud belangrijker dan het gewekte vertrouwen op het behoud van de schuttingen en speeltoestellen van appellant.6
De afweging van het belang van de fidens aan wie een last onder dwangsom is opgelegd enerzijds en de belangen van buurtbewoners bij handhaving anderzijds, viel wél uit in het voordeel van de fidens (appellant) in de eerdergenoemde Overbetuwse paardenbak,7 waarin de Afdeling het belang dat gediend is met handhaving afweegt tegen het belang van appellant om een paardenbak te kunnen laten staan ondanks het ontbreken van een vergunning daartoe. Appellant had de paardenbak laten staan nadat hij van het college van B&W de toezegging had gekregen dat het bestemmingsplan daaraan niet in de weg stond. Jaren later verzochten derden om handhaving. Uit het gemeentelijke handhavingsbeleid bleek dat een illegale paardenbak een gemiddelde handhavingsprioriteit heeft. Dit betekende volgens het college dat alleen themagewijs of – zoals in dit geval – naar aanleiding van een handhavingsverzoek handhavend wordt opgetreden. Aan het verzoek tot handhaving lag ten grondslag dat de paardenbak overlast veroorzaakte in de vorm van stofhinder. De woning van appellant was echter gelegen tussen de paardenbak en de woning van de verzoekers en fungeerde daardoor in zekere zin als een buffer tegen de stofhinder. De Afdeling overweegt dat ‘[n]iet is gebleken dat de enkele aanwezigheid van de paardenbak los van het gebruik daarvan tot overlast leidt’.8 De Afdeling gaat ook mee in het betoog van appellant dat binnen de gemeente veel vergunningsplichtige paardenbakken staan zonder vergunning. Zij wijst er verder op dat het college niet voornemens was op korte termijn tegen de andere illegale paardenbakken op te treden. Er was dus geen grote handhavingsprioriteit. Tot slot was de paardenbak al sinds 1998 op het perceel en heeft niet eerder handhaving plaatsgevonden. Die omstandigheden maken dat de belangen van appellant bij honorering van het gerechtvaardigd vertrouwen zwaarder wegen dan het belang van handhaving. Het college kon niet in redelijkheid gebruik maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden.
Tot een vergelijkbare uitkomst komt de Afdeling in een uitspraak uit 2015,9 toen een zomerhuisje werd gebruikt in strijd met het bestemmingsplan. Appellante deed een beroep op de onevenredigheid van de voorgenomen handhaving nadat bij haar – via brieven namens het college van B&W – het vertrouwen was gewekt dat het college niet over zou gaan tot handhaving. De verzoeker tot handhaving was bang – zo bleek tijdens de zitting – dat het vakantiehuisje voor commerciële doeleinden gebruikt zou gaan worden. Appellante heeft daartegenover gesteld dat zij dat niet van plan is. Het feit dat het zomerhuisje slechts zeer incidenteel als nachtverblijf werd gebruikt, er geen plannen waren voor uitbreiding van dat gebruik, geen plannen bestonden voor commerciële exploitatie van het zomerhuisje en er slechts beperkte overlast was, maakten dat de Afdeling na een inhoudelijke afweging van enerzijds het lange tijd gewekte vertrouwen dat tijdelijke bewoning is toegestaan10 en anderzijds de derdebelangen, tot het oordeel komt dat handhavend optreden dusdanig onevenredig is dat het college daarvan in redelijkheid moest afzien.11
De belangen van de fidens kunnen ook gelegen zijn in financiële overwegingen. Zo stond in een Afdelingsuitspraakvast dat appellanten grote financiële schade zouden lijden indien het bestuursorgaan het gewekte vertrouwen zou beschamen.12 Appellanten hadden een terrasboot gekocht, nadat zij van een ervaren ambtenaar van het stadsdeel de onjuiste informatie hadden verkregen dat deze zou mogen worden vervangen door een woonboot. Uiteindelijk bleek op grond van beleid een boot niet toegestaan. De derdebelangen waren volgens de Afdeling reeds in de besluitvorming meegewogen en bestonden bovendien slechts uit verminderd woongenot en uitzicht. Die belangen wegen dan ook niet op tegen de potentiële financiële schade van de fidens.
De bestuursrechter beoordeelt de door derden concreet aangevoerde belangen en beziet of die derden nu echt nadeel (bijvoorbeeld in de vorm van overlast) ondervinden bij honorering van het vertrouwen. In de daaropvolgende oordeelsvorming kan meespelen dat de derden lang hebben gewacht met een verzoek om handhaving en wat de handhavingsprioriteiten op gemeentelijk niveau zijn. Ook als geen belangen van derden aanwezig zijn, moet een fidens zijn belang om bij hem gewekt vertrouwen te honoreren aantonen. De belangen van de fidens bij honorering van het gewekte vertrouwen – en daarmee mogelijk het oordeel dat zijn belangen zwaarder wegen dan daartegenover staande derdebelangen – kunnen zijn gelegen in financieel nadeel indien zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.13
Naleving van de wet of regelgeving is niet het enige algemeen belang waar een bestuursorgaan zich op kan beroepen. Een bestuursorgaan kan zich bijvoorbeeld tevens beroepen op belangen van ruimtelijke ordening. Dat sprake is van een zwaarwegend belang dat aan honorering van gerechtvaardigd vertrouwen in de weg staat, moet het bestuursorgaan goed motiveren.
In een zaak over planologische medewerking aan vestiging van een veehouderij, deed het college van B&W met succes een beroep op het zwaarwegend ruimtelijk belang van het terugdringen van intensieve veehouderijen, waardoor alsnog – ondanks eerdere toezeggingen daartoe – geen medewerking aan vestiging van een varkenshouderij kon worden verleend.14
In een andere omgevingsrechtelijke zaak meende de gemeenteraad niet over te hoeven gaan tot het vaststellen van een uitwerkingsplan om woningbouw mogelijk te maken op de grond van appellant ondanks een eerdere toezegging daartoe. De Afdeling komt via een uitgebreide motivering tot het oordeel dat de gemeenteraad zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.15 Volgens de gemeenteraad was uitwerking van de bestemming niet binnen afzienbare termijn uitvoerbaar, nu met appellant op korte termijn geen overeenstemming viel te bereiken over de minnelijke verwerving van gronden. Volgens de Afdeling is de motivering van het besluit van de gemeenteraad om geen uitwerkingsplan vast te stellen te veel gebaseerd op een tijdsaspect en is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het inhoudelijk niet mogelijk was over te gaan tot uitwerking van de aan de gronden toegekende woonbestemming. Zij wijst erop dat het mogelijk is om een relatief globaal uitwerkings- of bestemmingsplan vast te stellen. Gelet op de voorgeschiedenis van de zaak en de onzekerheid waarin appellant en anderen al lange tijd verkeren, moet de gemeenteraad volgens de Afdeling een keuze maken of op de gronden wel of niet op termijn tot woningbouw kan worden overgegaan. De gemeenteraad kan besluiten niet over te gaan tot het vaststellen van het door appellant verzochte gebruik, maar dat is slechts mogelijk op grond van gewijzigde planologische inzichten en na een afweging van alle belangen. Bij die belangenafweging moet de gemeenteraad dan ook betrekken in hoeverre aan appellant enige vorm van schadevergoeding moet worden aangeboden voor geleden nadeel als gevolg van de vertrouwensschending.
Een ander gemotiveerd voorbeeld van een niet geslaagd beroep door de overheid op algemene belangen vormt een zaak bij de Centrale Raad van Beroep over de hoogte van het salaris van een politieambtenaar.16 Door een beroepsziekte is betrokkene bij besluit herplaatst naar een andere functie. In dat besluit is onder andere bepaald dat de herplaatsing geen gevolgen heeft voor haar rechten met betrekking tot Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden periodieken (“OVW-periodieken”). De belanghebbende ontving echter sinds de herplaatsing niet langer OVW-periodieken. Daarop aangesproken, heeft de korpschef het deel van het besluit over het behoud van OVW-periodieken ingetrokken. De rechtbank oordeelt dat nu de korpschef heeft toegezegd dat het recht op OVW-periodieken voor de belanghebbende behouden zou blijven en daardoor gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, het aankomt op een belangenafweging. De rechtbank komt vervolgens tot het oordeel dat het belang van de betrokkene op nakoming van de toezegging zwaarder weegt omdat (i) precedentwerking vanwege de individuele omstandigheden van het geval ontbreekt;17 (ii) het argument dat gelijke arbeid gelijk beloond moet worden niet opgaat nu het Besluit bezoldiging politie dit reeds mogelijk maakt en (iii) voor betrokkene bij akkoord met herplaatsing doorslaggevend is geweest dat haar recht op OVW-periodieken behouden zou blijven, waardoor zij een substantieel financieel nadeel zal lijden als de korpschef de toezegging niet nakomt. De Centrale Raad van Beroep maakt die oordeelsvorming – nu de korpschef in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd – tot de zijne.18
Een gebrek aan concrete belangen speelde de overheid ook parten in een zaak over baggerwerkzaamheden, waarin het college van dijkgraaf en hoogheemraden zich niet met succes kon beroepen op het belang van kostenbeperking en efficiëntie.19 Een behandelend ambtenaar had (aan het college toerekenbaar) toegezegd dat baggerwerkzaamheden op een perceel uitsluitend met een baggerspuit zouden worden uitgevoerd in plaats van met ‘de klassieke methode’, om schade aan het perceel te voorkomen. Dit is gedurende twee dagen ook gebeurd. Het college wilde vervolgens terugkomen van die toezegging, nu die volgens hem berustte op een misverstand, en overgaan op de klassieke baggermethode. In het kader van de belangenafweging overweegt de Afdeling vervolgens dat voor de maatschap van groot belang is dat de baggerspuitmethode wordt toegepast, omdat op die manier zo min mogelijk schade wordt toegebracht aan haar perceel. Het algemeen belang om vanuit het perspectief van kosten en efficiëntie de klassieke methode te gebruiken, weegt in dat geval niet zwaarder dan het belang van de maatschap op honorering van het bij haar gewekte vertrouwen.20
Een beroep op een ‘algemeen belang’ slaagt vaak wel. Zo woog in een zaak bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven het algemeen belang van de bestrijding van bruinrot zwaarder dan het belang van een individuele teler om vrijelijk over aardappels te beschikken.21 In een Afdelingsuitspraak was het belang van een hoofdgroenstructuur meer waard dan honorering van het vertrouwen dat percelen als tuingrond konden worden gebruikt22 en de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een dwingend organisatiebelang aan honorering van een ondubbelzinnige toezegging dat betrokkene niet ontslagen zou worden in de weg stond.23
Uitspraken waarin de bestuursrechter een beroep van het bestuursorgaan op het algemeen belang gemotiveerd beoordeelt, zijn echter nog steeds niet de norm. Schending van bijvoorbeeld een wettelijk voorschrift of het belang van een goede ruimtelijke ordening zijn – mits voldoende gemotiveerd – vaak voldoende reden voor een bestuursorgaan om in andere zin te beslissen dan met de uitlating in het vooruitzicht gesteld. In de lagere rechtspraak lijkt wel wat meer ruimte te zijn om te oordelen dat gelet op het concrete geval en bijvoorbeeld de afwezigheid van precedentwerking gewekt vertrouwen gehonoreerd moet worden.