Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.2
4.2 De meervoudige kamer
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174117:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Met de reorganisatie van de rechterlijke macht in 2002 werd het kamermodel in de gerechten vervangen door een sectormodel. In de praktijk waren veel gerechten toen al georganiseerd in sectoren (Franssen, Mein & Verberk 2006, p. 22). Bij wet van 12 juli 2012 (Stb. 2012, 313) werd het verplichte sectormodel afgeschaft. Tegenwoordig worden sectoren afdelingen genoemd.
Hofhuis 2010, p. 271.
Rechtspraak in kamers van twee rechters heeft in Nederland nooit bestaan, anders dan in bijvoorbeeld Duitsland (zie Paulsen 2017) en Roemenië (Van Osch 2009).
Kamerstukken II 1999-2000, 26 694, nr. 5, p. 2, betreffende het wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om een andere locatie dan het gerechtsgebouw aan te wijzen voor het houden van risicovolle zittingen (zie de huidige bepalingen van artikel 41, achtste lid, en artikel 59, achtste lid, Wet RO). Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 27 181, nr. 3, p. 42.
Noodwet rechtspleging, voluit: Wet van 23 september 1964, houdende voorzieningen ter waarborging van de voortzetting van de rechtspleging in geval van oorlog, oorlogsgevaar of daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone omstandigheden. De Noodwet rechtspleging bepaalt niets over de Hoge Raad.
Een kamer was oorspronkelijk een organisatorische eenheid binnen een gerecht, bestaande uit alle rechtsprekers die zaken van een bepaald rechtsgebied behandelden.1 De Hoge Raad hanteert nog steeds het kamermodel in zijn interne organisatie. Tegenwoordig wordt het begrip kamer vooral gebruikt in combinatie met het adjectief ‘enkelvoudig’ of ‘meervoudig’. In die zin gaat het om ad-hoc-eenheden van één respectievelijk meerdere rechtsprekers die binnen een gerecht concrete zaken behandelen.
Een meervoudige kamer bestaat uit drie rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, tenzij de wet anders bepaalt (art. 6, tweede lid, Wet RO). De laatste zinsnede ziet zowel op de mogelijkheid om ook andere personen dan rechters en raadsheren met rechtspraak te belasten als op de mogelijkheid om recht te spreken met een ander aantal rechtsprekers dan drie. Elke meervoudige kamer – rechtsprekers spreken zelf vaak van ‘combinatie’ – heeft een voorzitter. Het gerechtsbestuur stelt vast hoe deze wordt aangewezen (art. 6, eerste lid, Besluit orde van dienst gerechten). Maken anderen dan rechters deel uit van een meervoudige kamer, dan treedt steeds een rechter als voorzitter op (art. 6, tweede lid, Wet RO). Het gerechtsbestuur is vrij in de personele samenstelling van een meervoudige kamer met inachtneming van artikel 6, tweede lid, Wet RO (zie paragraaf 4.5.1). Het kan dus beslissen om een alleensprekende rechter die zijn enkelvoudige zaak naar een meervoudige kamer verwijst al dan niet van deze kamer deel uit te laten maken. Het is wettelijk niet verplicht, maar wel wenselijk om bij verwijzing naar een meervoudige kamer de namen van de (toegevoegde) rechters aan de procespartijen mee te delen. Daarmee kunnen zij beoordelen of er aanleiding is voor wraking.2
De wetgever kiest in geval van collegiale behandeling vrijwel altijd voor meervoudige kamers die bestaan uit een oneven aantal leden, waarschijnlijk om staking van stemmen te voorkomen.3 De meervoudige kamers in rechtbanken bestaan altijd uit drie leden; de wet bevat geen uitzonderingen op de hoofdregel. De meervoudige kamers in gerechtshoven zijn meestal samengesteld uit drie raadsheren. Schrijft de wet voor dat een meervoudige kamer uit een ander ledental dan drie bestaat, dan gaat het nagenoeg altijd om vijf leden. Dergelijke kamers treffen we in de gerechtshoven en de Hoge Raad en ook de grote kamer van de ABRvS, de CRvB en het CBb bestaat uit vijf leden. In de Hoge Raad is rechtspraak door een meervoudige kamer van vijf raadsheren zelfs het uitgangspunt, maar verwijzing naar een meervoudige kamer van drie raadsheren is mogelijk en komt vaak voor (art. 75, tweede en derde lid, Wet RO; zie paragraaf 9.1.3). In uitzonderlijke gevallen behandelt de Hoge Raad zaken in een college van tien leden (zie paragraaf 4.5.1.4).
Bepaalde zaken worden bij wet toegewezen aan bijzondere kamers van gerechten die met uitsluiting van andere gerechten bevoegd zijn om deze te behandelen. Tot deze kamers, waarvan de meeste meervoudig, behoren de douanekamers (Hof Amsterdam en Rechtbank Noord-Holland; art. 65 resp. 56 Wet RO), de ondernemingskamer (Hof Amsterdam; art. 66 Wet RO) en de militaire kamer (Hof Arnhem-Leeuwarden; art. 68 Wet RO). Een van de weinige bijzondere kamers die zaken alleen enkelvoudig behandelt is de liaisonrechter internationale kinderbescherming (Rechtbank Den Haag; Besluit aanwijzing liaisonrechter internationale kinderbescherming).
Een bijzondere voorziening voor de vervanging van rechters is vastgelegd in artikel 6, derde lid, Wet RO. Een gerechtsbestuur kan bepalen dat in een zaak een of meer rechters zich ‘gereedhouden’ met het oog op mogelijke vervanging van een van de leden van een meervoudige kamer. Het bestuur kan hiertoe besluiten vanwege de veiligheid van personen dan wel indien de zitting langer dan een dag zal duren.4 De ‘stand-in’ rechters zijn bij de behandeling ter terechtzitting van die zaak aanwezig, maar nemen niet deel aan het onderzoek en de beraadslaging en beslissing over die zaak, tenzij zij op verzoek van de voorzitter van de meervoudige kamer in de plaats komen van een van de uitgetreden leden. Totdat zij zaaksrechter zijn geworden, kunnen de stand-in rechters niet worden gewraakt. De veiligheid van personen, waar in lid 3 van wordt gerept, kan in het geding zijn als er ‘acties worden voorbereid die gericht zijn op het uitschakelen van getuigen, verdachten of leden van de rechterlijke macht, het gewelddadig bevrijden van een verdachte, dan wel het bezetten van het gerechtsgebouw.’5 Deze regeling is niet van toepassing op de Hoge Raad (vierde lid).
Verder kunnen in buitengewone omstandigheden de regels over toewijzing aan een meervoudige kamer worden doorkruist. Artikel 1, eerste lid, Noodwet rechtspleging bepaalt dat bij koninklijk besluit artikel 9 van de Noodwet rechtspleging in werking kan worden gesteld, waardoor de president van een gerechtshof of rechtbank voor de werkzaamheden van diens gerecht de tijdelijke voorzieningen kan treffen die hij in het belang van een goede rechtspleging noodzakelijk acht. Hij kan daarbij afwijken van wat bij of krachtens de wet voor die werkzaamheden is bepaald. In het bijzonder kan hij bepalen dat de zaken van alle of bepaalde meervoudige kamers worden waargenomen door enkelvoudige kamers, indien dit met het oog op het aantal voor rechtspraak beschikbare personen onvermijdelijk is.6