Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.5
4.3.1.1.5 Intermezzo: het verschil tussen art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017)
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501490:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 4 september 1991, BNB 1991/315, waarin de Hoge Raad enkel refereert aan art. 29 lid 1 Wet OB 1968. Een goede kwalificatie diende echter wel een belang. Een verzoek om teruggaaf ex art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) kon namelijk – anders dan een verzoek op de voet van art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) – direct via de reguliere btw-aangifte worden gedaan. Daarover meer in paragraaf 4.3.5.
Aldus de geciteerde rechtsoverweging (r.o. 3.4).
Zie ook mijn aantekening bij dit arrest in FED 2015/88.
Uitgangspunt is dat sprake is van een eenmalige dienst (het ter beschikking stellen van een merkenrecht voor een bepaalde periode). Zie in dat kader r.o. 3.1 van de hofuitspraak.
Belanghebbende betoogde dat zij als gevolg van het beëindigen van de overeenkomst de creditnota had verzonden, maar dat beide gebeurtenissen op zichzelf stonden (hetgeen overigens door de inspecteur werd betwist).
Hof Den Bosch 3 juni 2016, V-N 2016/50.15.
Dat een prijsvermindering onvoorwaardelijk moet zijn, dat wil zeggen: zonder voorbehoud door de leverancier én de afnemer voor akkoord moet worden bevonden, ligt besloten in het wederkerig karakter van de kwijtschelding. Dit kan ook worden opgemaakt uit HR 24 augustus 1999, BNB 1999/393, waarin een aantal crediteuren slechts voorwaardelijk instemden met een door de debiteur gedaan betalingsvoorstel strekkende tot een schuldeisersakkoord.
Vgl. 3.3.1. Zie paragraaf 4.3.1.1.10 over de verhouding tussen de drie in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn en art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf) opgesomde categorieën.
Vgl. het in paragraaf 4.3.1.1.10 te bespreken arrest HR 8 februari 2008, BNB 2008/126.
Ik zou menen dat daaronder ook de situatie kan worden geschaard dat de afnemer achteraf een lagere prijs hoeft te betalen.
HvJ 29 mei 2001, nr. C-86/99, V-N 2001/35.27 (Freemans), r.o. 23 (paragraaf 3.3.3.1).
Vgl. art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (tot 2017), waarin wordt gesproken over enerzijds ‘niet of niet geheel zal betalen’ en anderzijds ‘terugontvangen’. Omdat beide situaties zijn vervat in één bepaling is het onderscheid aan de zijde van de afnemer minder relevant.
Paragraaf 4.3.1.1.10.
Zie met name r.o. 3.9.
Een alternatieve benadering voor het door de Hoge Raad in dit arrest gemaakte onderscheid zou zijn dat art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) is voorbehouden aan diensten en dat art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) enkel betrekking zou hebben op goederenleveringen. In laatstbedoelde bepaling wordt immers gesproken over ‘goederen’.
Zie ook de toelichting van de commissie op het aanvankelijke voorstel voor art. 11C lid 1 Zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 758.
Zie het reeds aangehaalde arrest HR 4 september 1991, BNB 1991/315.
Vlg. HR 12 maart 2004, BNB 2004/215.
Aldus ook A-G Van Hilten bij HR 29 mei 2015, BNB 2015/183, pt. 6-10-6.12. Ik citeer: “Uit de vorenbedoelde richtlijnconforme uitlegging van artikel 29, lid 1, van de Wet, vloeit voort dat teruggaaf van belasting ook dient plaats te vinden indien een vermindering van de vergoeding is verleend die niet leidt tot een terugbetaling van de vergoeding als genoemd in onderdeel b, van artikel 29, lid 1, van de Wet, omdat er nog niet of niet volledig is betaald. (...) Naar uit het voorgaande volgt is het Hof mijns inziens in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door (...) te oordelen dat het bepaalde in artikel 29, lid 1, onderdeel b, van de Wet alleen toepassing kan vinden voor zover de vergoeding wordt terugbetaald.”
Zie uitgebreid paragraaf 4.3.1 en de aldaar aangehaalde bronnen.
Ook in literatuur is getracht de verschillen tussen art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017) te duiden. Zo heeft Tuk (1979, p. 257-258) bijvoorbeeld eens betoogd dat art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) alleen ziet op prijsverminderingen die worden verleend om redenen die zijn gelegen in de levering van goederen of diensten en niet in de betaling daarvan en dat art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) enkel betrekking heeft op betalingsreducties.
Onder art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) was niet altijd duidelijk of de kwijtschelding van een vordering onder de reikwijdte van art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) of art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) moest worden geschaard. Het is wellicht daarom dat in rechtspraak het onderscheid tussen bedoelde bepalingen ook niet vaak wordt gemaakt.1 Het hiervoor aangehaalde arrest (HR 30 maart 2007, BNB 2007/186) vormt hierop een uitzondering. Het heeft er alle schijn van dat de Hoge Raad bedoelde prijsvermindering baseert op art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017).2 En dit terwijl juist art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) spreekt over ‘een vermindering van de vergoeding’. Ook HR 29 mei 2015, BNB 2015/1833 vormt een uitzondering. In de zaak die leidde tot dat arrest had belanghebbende aan haar klant een recht verleend vijf jaar lang gebruik te mogen maken van de naam ‘Commodore’.4 Vervolgens ontstond er discussie over de betaling van de vergoeding: belanghebbende was van mening dat de klant gehouden was betalingen te verrichten conform een overeengekomen betaalschema, terwijl de klant van mening was dat zij het betaalschema mocht aanpassen en een deel van de termijnbetalingen op een later moment mocht verrichten. De voet bij stuk houdende belanghebbende wenste daarop de overeenkomst te beëindigen en stuurde haar klant een creditnota voor de onbetaald gebleven termijnen.5 De eveneens niet toegevende klant was het hier niet mee eens en zond de creditnota retour. Belanghebbende heeft vervolgens bij haar aangifte omzetbelasting (over het vierde kwartaal 2008) het gecrediteerde btw-bedrag teruggevraagd. De hamvraag was of belanghebbende terecht aanspraak had gemaakt op de teruggaaf van btw. Hof Arnhem-Leeuwarden beantwoordde deze vraag ontkennend. Volgens het hof had belanghebbende onder verwijzing naar art. 90 lid 1 Btw-richtlijn niet aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst was beëindigd of dat belanghebbende een prijsvermindering had verleend. Het enkel uitreiken van een creditnota was voor dit laatste volgens het hof niet voldoende. Ook een beroep op art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) mocht belanghebbende niet baten, aangezien het hof van oordeel was dat deze bepaling veronderstelt dat de vergoeding eerst is ontvangen en het niet voldoen van (een deel van) de in rekening gebrachte vergoeding niet gelijk kan worden gesteld met het terugbetalen in de zin van bedoelde bepaling. Dan is het woord aan de Hoge Raad. Hij begint:
“2.4.1. (...) Een situatie bedoeld in artikel 29, lid 1, letter a, van de Wet doet zich onder meer voor indien de ondernemer jegens zijn afnemer te kennen geeft dat hij afziet van het vorderen van de niet-betaalde vergoeding of het niet-betaalde gedeelte daarvan. Niet is noodzakelijk dat de overeenkomst op grond waarvan de vergoeding moet worden betaald, is ontbonden of beëindigd en evenmin dat de ondernemer achteraf een prijsvermindering heeft verleend. Het is aan de ondernemer aannemelijk te maken dat de desbetreffende vergoeding geheel of gedeeltelijk niet is en niet zal worden ontvangen.”
Omdat het hof heeft volstaan met het geven van een oordeel over de vraag of de overeenkomst was beëindigd of er een prijsvermindering was verleend en niet rept over de vraag of sprake was van niet-betaling (belanghebbende had haar verzoek daarop gegrond), casseert de Hoge Raad het oordeel van het hof. Vervolgens merkt de Hoge Raad over toepassing van art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) het volgende op:
“2.4.3. [(...) artikel 29, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet niet van toepassing; BH] wanneer, zoals in dit geval, de vergoeding (nog) niet aan de ondernemer is betaald, ook niet indien het gaat om bij het verrichten van de levering of de dienst in rekening gebrachte bedragen die pas achteraf behoeven te worden betaald (betalingstermijnen). Indien de afnemer in gebreke is en in gebreke blijft met betrekking tot het betalen daarvan heeft de ondernemer die de levering of de dienst heeft verricht, (...) recht op teruggaaf op de voet van artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet.”
De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Den Bosch voor nader feitenonderzoek ten aanzien van de categorie niet-betaling. Hij geeft het hof mee dat het hiervoor niet voldoende is als het afzien van het vorderen van betaling gekoppeld is aan de voorwaarde dat de overeenkomst was beëindigd. Hof Den Bosch6 komt uiteindelijk tot de conclusie dat belanghebbende niet onvoorwaardelijk7 heeft afgezien van betaling, zodat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de betalingstermijnen niet meer zou ontvangen. Ik kan mij hierin vinden: omdat van een beëindiging van de overeenkomst geen sprake was, kan van een prijsvermindering ook geen sprake zijn. Bovendien komt het mij voor dat als de overeenkomst wel zou zijn beëindigd het verzoek om teruggaaf op die grond had moeten zijn gestoeld, indien en voor zover aan de voorwaarden voor deze categorie zou zijn voldaan.8
Met zijn grammaticale uitleg schept de Hoge Raad enige duidelijkheid over de vraag waar art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017) van elkaar verschillen. Doordat de Hoge Raad (i) overweegt dat het voor de toepassing van art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) niet noodzakelijk is dat de overeenkomst wordt ontbonden of dat de ondernemer een prijsvermindering heeft verleend en (ii) in algemene bewoordingen tot uitgangspunt neemt dat art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) geen toepassing vindt als de vergoeding niet eerst door de leverancier is ontvangen c.q. is betaald, is het mijns inziens rechtvaardig te concluderen dat de ‘ongedaanmaking van de handeling’ en de ‘prijsvermindering’ uit art. 90 lid 1 Btw-richtlijn doorwerken in zowel art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) als art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017). Bij de categorie van niet-betaling ligt dit genuanceerd. Hoewel deze categorie naar haar aard enkel een basis lijkt te vinden in art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017), kan worden bepleit dat niet-betaling zich ook kan voordoen onder art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017). Ik denk hierbij aan de (wellicht hypothetische) situatie waarin de leverancier een deel van vergoeding aan de leverancier terugbetaalt, maar dat deze terugbetaling niet kan worden aangemerkt als een prijsvermindering, bijvoorbeeld omdat deze op weerstand stuit van de afnemer (zodat van een prijsvermindering geen sprake kan zijn vanwege het ontbreken van instemming van de afnemer).9 Met het onderscheid tussen art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017) kan wat betreft de categorie ‘prijsvermindering’ een verband worden gelegd naar haar betekenis in het Unierecht. Zoals betoogd, kunnen prijsverminderingen worden onderverdeeld in prijskortingen en –rabatten: van een korting is sprake als de afnemer op het moment van de handeling een lagere prijs betaalt10 en van een rabat is sprake als (een deel van) de reeds betaalde prijs aan de afnemer wordt terugbetaald.11 Zodoende kan worden volgehouden dat art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) doelt op prijskortingen en art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) ziet op prijsrabatten.12
Ook in het hierna te bespreken arrest HR 4 september 1991, BNB 1991/31513 lijkt de Hoge Raad een dubbele wettelijke basis van de in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn bedoelde categorieën te onderkennen. Uit dit arrest kan met enige lenigheid van geest worden opgemaakt dat de ontbinding van de overeenkomst zowel onder art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 als onder art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 kan worden geschaard.14 Derhalve kan worden volgehouden dat art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017) tevens de categorie van de ‘ongedaanmaking van de handeling omvat’, ‘indien als gevolg daarvan de tegenover de prestatie bedongen vergoeding niet is of zal worden ontvangen’. Wordt de vergoeding als gevolg van de ongedaanmaking terugbetaald, dan kan worden betoogd dat art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) toepassing vindt.15
Het door de Hoge Raad aangebrachte onderscheid tussen art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017) zou niet mijn voorkeur hebben gehad. Hoewel de vergoeding in alle in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn opgesomde gevallen (uiteindelijk) niet wordt ontvangen,16 heb ik art. 29 lid 1 Wet OB 1968, met de wetenschap dat deze richtlijnconform moest worden uitgelegd,17 namelijk altijd zo gelezen dat onderdeel a de wettelijke pendant vormde van de categorie ‘niet-betaling’ en dat onderdeel b moest worden aangemerkt als de wettelijke basis voor de categorieën ‘prijsvermindering’18 en ‘ongedaanmaking van de handeling’. Dat de vergoeding dan niet in alle gevallen feitelijk zou zijn terugbetaald (omdat deze simpelweg niet was ontvangen) zou hieraan niet hebben afgedaan.19 Het thans door de Hoge Raad aangebrachte onderscheid lijkt ook niet te stroken met het uitgangspunt van de wetgever bij de invoering van art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017). De wetgever lijkt ‘niet-betaling’ namelijk gelijk te schakelen met het ‘niet is en niet zal worden ontvangen’ uit art. 29 lid 1 onderdeel a Wet OB 1968 (tot 2017).20 Hoe het ook zij: voor de uitleg van het begrip ‘(niet-)betaling’ en de in deze paragraaf (4.3.1.1) aangehaalde jurisprudentie, welke weliswaar onder vigeur van art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) is gewezen, lijkt het hiervoor aangebrachte onderscheid tussen art. 29 lid 1 onderdeel a en b Wet OB 1968 (tot 2017) niet relevant. Tenzij anders aangegeven, ga ik daar gemakshalve ook van uit.21