Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.5.3
9.5.3 Stap 2: Toerekening van de schade naar redelijkheid
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685418:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie BR-4 VOF/Liander), rov. 3.4.4.
Zie Fruytier 2021, hoofdstuk 7 over redelijke toerekening bij besluitenaansprakelijkheid en Van der Kooij 2019, par. 7.2.
Vgl. Van de Sande 2019a, p. 268: “Het getroffen belang is in de regel vermogensrechtelijk van aard. Het ligt ook voor de hand dat in nagenoeg alle gevallen een op geld waardeerbaar belang wordt geschaad door de informatieverstrekking.”
Asser/Sieburgh 6-II 2021/66. Voorzienbaarheid speelt ook bij het vaststellen van de onrechtmatigheid van de inlichtingen mee, zie par. 9.3.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629.
Fruytier 2021, p. 242. Ook J. den Hartog en K.L. Maes merken in hun annotatie op dat de zakelijke relativiteit nauw samenhangt met redelijke toerekening, JA 2022/31 bij Rb. Den Haag 20 oktober 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11657.
Zie par. 9.6.
HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1335, NJ 2002/54 (Donkers/Scholten).
HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6660, NJ 2005/170, AB 2005/285 (Woningsubsidie Roozendaal).
Barendrecht e.a. 2002, p. 89-93. Zo is het sinds het Schuttersduin-arrest van de HR van 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1358, NJ 1997/396, AB 1994/530 vaste jurisprudentie dat beginnen met bouwen zonder dat de daarvoor benodigde vergunning definitief is geworden, voor eigen risico is. In Rb. Den Haag 3 april 2013, NJF 2013/212 benadrukt de rechtbank de voorlichtende functie van de Belastingdienst. Gelet op de bijzondere positie in de samenleving van de belastingdienst, ‘strookt daarmee niet dat in het kader van die voorlichtende functie door de Belastingdienst zelfstandig onderzoek wordt gedaan naar de juistheid van de hem aangeleverde gegevens’, rov. 4.4.
Zie Van de Sande 2019a, par. 4.7.12.4 en par. 4.7.12.5 over het gebruik van een voorbehoud en disclaimers. Ik meen dat voor de werking van een voorbehoud of disclaimer hetzelfde zou moeten gelden als in het bestuursrecht. Aan een algemeen geformuleerde disclaimer kan geen waarde worden gehecht, par. 6.2.
Barendrecht e.a. 2002, p. 89-93. Zie ook Van de Sande 2019a, par. 7.5.
Van de Sande 2019a, par. 7.5.
Zie ook Van Wechem 2017 en Jansen 2019 onder 7, waarbij hij ook verwijst naar Jansen 2012, p. 555-557. Ook hij geeft toe dat ‘de gangbare praktijk’ zijn digitale benadering niet hanteert. In Jansen 2013c wijst hij onder 1.6 op de praktische toepassing van die benadering. Fruytier 2021, p. 132, voetnoot 32 meent ook dat in geval van gerechtvaardigd vertrouwen op de juistheid van informatie, niet alsnog een onderzoeksplicht kan worden tegengeworpen.
Van de Sande 2019a, p. 17 opent met die casus zelfs zijn dissertatie.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629, rov. 5.2-5.4.
Rb. Rotterdam 21 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1727, rov. 4.8.
Hof Den Haag 8 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1629, rov. 5.2-5.4.
Hof ’s-Hertogenbosch 7 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1213, rov. 6.25.
Rb. Overijssel 17 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3126, rov. 4.4.4. In rov. 4.7.5 overweegt de rechtbank dat het beroep op eigen schuld van de schade in de schadestaatprocedure moet worden beoordeeld. Zie in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 25 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8554, rov. 2.18.
Voor vergoeding komt vervolgens slechts in aanmerking de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de laedens berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:162 en artikel 6:98 BW). Het gaat dan om de leer van de redelijke toerekening.
De Hoge Raad hanteert ten aanzien van de leer van de leer van de redelijke toerekening de volgende standaardoverweging:
“In het kader van de toerekening als bedoeld in art. 6:98 BW gaat het om de vraag of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”1
Om te beoordelen of schade moet worden toegerekend aan de onrechtmatige gedraging, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Deze tweede stap van het vaststellen van het causaal verband kent voor overheidsaansprakelijkheid geen andere invulling dan in het reguliere civiele recht.2 In algemene zin kan worden gezegd dat inkomens- en vermogensschade minder snel voor vergoeding in aanmerking komt dan letselschade en zaakschade.3 Van die laatste soort schade is bij foutieve informatie echter in de regel geen sprake. 4 Ook is van belang of de schade te voorzien was bij het begaan van de onrechtmatige handeling. 5
In de casus van de afgebrande woning overweegt het hof bijvoorbeeld dat bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de gestelde schade in de vorm van een lagere verkoopopbrengst door de vertraging als gevolg waarvan de eigenaar in een slechte tijd moest verkopen toegerekend moet worden aan de eigenaar en niet aan de gemeente, beoordeeld moet worden in hoeverre het handelen van de eigenaar met de daardoor veroorzaakte vertragingen aan hem te verwijten valt, afgezet tegen het handelen van de gemeente met de daardoor veroorzaakte vertragingen. Daarbij geldt dat de door de gemeente veroorzaakte vertraging bij voorbaat al het nodige gewicht heeft omdat die vertraging een gevolg is van verwijtbaar handelen van de gemeente dat eruit bestaat dat zij verkeerde informatie aan de eigenaar heeft verstrekt.6
In de rechtspraak komt de toepassing van redelijke toerekening van de schade aan het onrechtmatig overheidshandelen maar zeer beperkt aan de orde. Niet alleen wordt in de rechtspraak zelden een uitgebreid schadedebat gevoerd, maar ook lijkt er weinig discussie te zijn over de vraag van redelijke toerekening van de schade indien het onrechtmatig handelen is vastgesteld.
Fruytier heeft opgemerkt dat indien is voldaan aan het relativiteitsvereiste, het niet goed denkbaar is dat artikel 6:98 BW nog een beperkende rol kan spelen.7 Zoals in paragraaf 9.6 aan de orde komt, meen ik dat gelet op de soort geschonden norm bij onrechtmatige inlichtingen – het schenden van een waarheidsplicht die voor een concreet geval wordt geformuleerd en waarbij de voorzienbaarheid van de schade reeds wordt meegenomen bij het vaststellen van de onrechtmatigheid van de inlichtingen – altijd aan het relativiteitsvereiste wordt voldaan. Mijns inziens moet de verklaring voor de beperkte toepassing van artikel 6:98 BW dan ook worden gevonden in de – naar zal blijken eveneens – beperkte toepasselijkheid van het relativiteitvereiste bij overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking.8 Het zwaartepunt bij deze vorm van onrechtmatig overheidshandelen ligt overduidelijk bij het vereiste van onrechtmatigheid.
Eigen schuld
Artikel 6:101 BW bepaalt:
Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
Het leerstuk van eigen schuld, opgenomen in artikel 6:101 BW, kan niet de aansprakelijkheid van de overheid wegnemen, maar wel haar schadeplichtigheid beperken en zelfs tot nul reduceren. Voor een succesvol beroep door de overheid op eigen schuld van de benadeelde, moeten de gedragingen van de benadeelde hebben bijgedragen aan de schade of moet er sprake zijn van omstandigheden die in zijn risicosfeer liggen. 9
De overheid voert dit verwijt van eigen schuld regelmatig aan omdat bijvoorbeeld een burger zelf onjuiste of onvolledige informatie zou hebben verstrekt10 of niet zou hebben voldaan aan zijn plicht om zijn schade zoveel mogelijk te beperken, in dit geval door de informatie te controleren11 of omdat sprake was van een voorbehoud of disclaimer12 bij de informatie. De vraag is dan of dit – voor zover dat inderdaad het geval is – een burger moet worden tegengeworpen in het kader van een beroep op eigen schuld of dat er in dat geval geen sprake is van onrechtmatig handelen omdat het verzaken van een onderzoeksplicht, het zelf verstrekken van onjuiste informatie of een geclausuleerde uitlating in de weg staat aan het ‘gerechtvaardigd vertrouwen’ van een burger dat nodig is voor het aannemen van een onrechtmatige handeling.
Barendrecht e.a. geven als voorbeelden voor toepassing van het leerstuk van eigen schuld bij overheidsaansprakelijkheid wegens onjuiste informatieverstrekking dat een burger zelf onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt en de omstandigheid dat een burger de informatie had moeten controleren.13 Zoals blijkt uit paragraaf 9.3, staan deze fouten van benadeelde reeds in de weg aan het aannemen van gerechtvaardigd vertrouwen als zodanig.
Van de Sande wijst op onvoldoende onderzoek door de burger, onjuiste informatieverstrekking door de burger en het voorbijzien aan een disclaimer.14
Ik meen dat indien sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van het Van Zoggel-criterium, de burger niet vervolgens eigen schuld moet kunnen worden tegengeworpen. Of op de burger een onderzoeksplicht rust, of hij zelf onjuiste informatie heeft verstrekt en de eventuele aanwezigheid van een disclaimer bij een inlichting, komen allemaal aan de orde bij de vraag of sprake is van onrechtmatig overheidshandelen, oftewel of gelet op alle omstandigheden van het geval de benadeelde gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de aan hem verstrekte informatie en zijn gedrag daarop mocht afstemmen.
Indien onrechtmatig overheidshandelen is aangenomen, moeten de aspecten die aan de orde zijn geweest bij die beoordeling (waarbij de rechter bovendien rekening kan houden met alle omstandigheden van het geval) dan niet opnieuw aan een burger kunnen worden tegengeworpen. Dit gebeurt – zoals geconstateerd in par. 6.2.4 – overigens ook niet in het bestuursrecht. Indien het gerechtvaardigd vertrouwen met het doorlopen van stap 1 en stap 2 is aangenomen, kan niet op grond van de belangenafweging van stap 3 een burger nog eigen schuld worden tegengeworpen.
Deze benadering leidt mijns inziens tot een duidelijk toetsingskader.15 De in het kader van eigen schuld in de literatuur veelvuldig aangehaalde casus van de architect in Zwijndrecht, de casus van de afgebrande woning,16 is in hoger beroep op dit punt van eigen schuld vernietigd.17
Mijns inziens is deze uitleg van eigen schuld in geval van overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking tevens terug te vinden in de drie terugkerende casus van dit hoofdstuk, waarin – al dan niet impliciet – een beroep werd gedaan op de onderzoeksplicht en de eigen schuld van benadeelde.
In de casus van de afgebrande woning werd in eerste aanleg geoordeeld dat deels sprake was van eigen schuld van eiser, die architect was. De rechtbank oordeelt dat eiser bekend mocht worden verondersteld met het wettelijk stelsel van vergunningverlening en bestemmingsplannen. Door zonder zelf onderzoek te doen te vertrouwen op de inlichtingen heeft hij volgens de rechtbank voor 33% bijgedragen aan de schade als gevolg van de onjuiste informatieverstrekking.18 De daartegen gerichte grief slaagt bij het hof. Gelet op het overleg tussen de gemeente en eiser gedurende een lange periode, waarbij de gemeente juridisch advies heeft ingewonnen, mocht eiser op de informatie over het ingediende bouwplan afgaan en hoefde hij die informatie niet nogmaals te verifiëren. 19
In de zaak van de niet verplaatste coffeeshop deed de gemeente eveneens een beroep op eigen schuld van de benadeelde. Het hof overweegt daaromtrent dat nu appellant op de brief met de onjuiste inlichtingen mocht afgaan, hij niet hoefde te wachten tot hij beschikte over een gedoogverklaring. Dat appellant wist dat hij tot het onherroepelijk worden van het besluit tot sluiting van zijn coffeeshop op de oorspronkelijke locatie geen coffeeshop mocht exploiteren, doet aan het voorgaande niet af. Hetzelfde geldt voor het feit dat de verkoop van softdrugs een illegale activiteit betreft en de burgemeester slechts onder stringente voorwaarden bereid was om af te wijken van de hem toekomende handhavingsbevoegdheid.20
De benadeelde in de zaak van het misgelopen appartementengebouw werd eveneens verweten ten onrechte geen deskundig advies te hebben ingewonnen. De rechtbank oordeelt dat nu hij in de gegeven omstandigheden mocht vertrouwen op de informatie van de ambtenaar, er geen reden bestond aan die inlichtingen te twijfelen en nader advies in te winnen.21
Niet alleen is deze toepassing van het leerstuk van eigen schuld praktisch toepasbaar en in overeenstemming met het bestuursrecht, maar ook sluit zij aan bij het rechtsstatelijke belang van informatieverstrekking en het streven naar een betrouwbare overheid. Indien een overheid informatie verstrekt, en die informatie blijkt te strijden met een – niet gemakkelijk aan te nemen – waarheidsplicht, is het niet redelijk alsnog eigen schuld aan de burger tegen te werpen.