Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.5.1
9.5.1 Schade
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685477:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van de Sande 2019a, par. 7.2.3.1 schrijft over ‘de eis van gedragsafstemming’. In Rb. Overijssel 27 september 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:3757 heeft de gemeente onrechtmatig gehandeld door onjuiste informatie te verstrekken over de openingstijden van een café, maar is er geen causaal verband tussen deze onrechtmatige gedraging en de schade van eiser. Hij heeft niet besloten de gokkasten niet te plaatsen door de onjuiste informatie van de gemeente (rov. 5.8). Zie ook Rb. Gelderland 22 juli 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3470, rov. 4.5-4.8.
Verlies en winst komt niet overeen met vergoeding van negatief en positief belang. Ook bij vergoeding van het negatief belang kan sprake zijn van vergoeding van gederfde winst, Asser/Sieburgh 6-II 2021/25
Vgl. par. 6.4. Zie uitgebreid Van de Sande 2019a, par. 7.4.2.
Van de Sande 2019a, p. 374-375.
De schade die voor vergoeding in aanmerking komt, is de zogenoemde dispositieschade: de schade die is geleden doordat de fidens in vertrouwen op de onjuiste informatie anders heeft gehandeld dan hij bij een juiste voorstelling van zaken zou hebben gedaan. De benadeelde moet bewijzen dat hij door de informatie op het verkeerde been is gezet en schade heeft geleden doordat hij een beslissing heeft genomen die hij indien de overheid aan haar waarheidsplicht zou hebben voldaan niet zou hebben genomen. 1 Die schade kan bestaan uit geleden verlies en gederfde winst (artikel 6:96 BW).2 In het vorige hoofdstuk is aan de orde geweest dat bij de niet-nakoming van bevoegdhedenovereenkomsten en eenzijdige toezeggingen de benadeelde financieel in de positie moet worden gebracht waarin de nakomingsverplichting zou zijn nagekomen. Het onrechtmatig handelen in dit hoofdstuk leidt slechts tot vergoeding van het negatief belang. 3 Het gaat om de schade doordat de gedupeerde is afgegaan op de onjuiste informatie doordat de overheid een op haar rustende waarheidsplicht heeft geschonden. Het gaat niet om de schade doordat de overheid niet in overeenstemming met de inhoud van de informatie heeft gehandeld. Van de Sande omschrijft het als volgt:
“Anders dan bij de onrechtmatige niet-nakoming van toezeggingen bestaat geen grond voor vergoeding van de schade die wordt geleden doordat het gewekte vertrouwen niet wordt bewaarheid, in de zin dat de situatie niet rechtens is of wordt als de burger aanvankelijk is voorgehouden. Dit hangt ermee samen dat de grondslag van de schadevergoedingsverplichting van de overheid is dat zij de burger op het verkeerde been heeft gezet. Die verplichting ontstaat dus doordat het bestuursorgaan ten onrechte vertrouwen heeft gewekt, en niet doordat dat vertrouwen ten onrechte wordt geschonden. Omdat het wekken van vertrouwen de schadeoorzaak is, komt slechts schade voor vergoeding in aanmerking die is geleden doordat is gehandeld in de veronderstelling die door de informatieverstrekking is gewekt.”4
Bij die uitleg sluit ik mij aan, met de toevoeging dat het in het geval van onjuiste informatieverstrekking gaat om een schending van een waarheidsplicht, terwijl het in het voorgaande hoofdstuk draaide om de schending van een nakomingsplicht.