Lexplicatie, commentaar op art. 101 VWEU:Bronnen en citaten
Lexplicatie, commentaar op art. 101 VWEU
Bronnen en citaten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
NB De artikelen 85 en 86 EEG zijn inmiddels onveranderd vervangen door de artikelen 101 en 102 VWEU.
"De vraag of artikel 85 toepasselijk is geweest vanaf het ogenblik van de totstandkoming van het Verdrag moet in beginsel bevestigend worden beantwoord."
HvJ EG 6 april 1962, nr. 13/61 (De Geus en Uitdenbogerd tegen Bosch en Van Rijn), Jurispr. VIII (1962), p. 105.
"Artikel 85, lid 1, is van toepassing op verenigingen, voor zover haar eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de in die bepaling bedoelde gevolgen teweeg te brengen. Een uitlegging in andere zin zou aan artikel 85, lid 1, iedere reële betekenis ontnemen."
HvJ EG 15 mei 1975, nr. 71/74 (Nederlandse Vereniging voor de Fruit- en Groentenimporthandel e.a. tegen Commissie), Jurispr. 1975, p. 583.
"63 Die stelling miskent evenwel , dat het ingevolge artikel 85 EEG-verdrag en de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde verordeningen de taak van de Commissie is , erop toe te zien dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen niet ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt beperkt of vervalst ; aan deze bevoegdheid van de Commissie wordt geen afbreuk gedaan doordat particulieren of ondernemingen die door dergelijke beperkingen worden getroffen , zich op de verdragsbepalingen betreffende het vrije goederenverkeer kunnen beroepen om zich van die beperkingen te bevrijden."
HvJ EG 8 juni 1982, nr. 258/78 (Nungesser tegen Commissie), Jurispr. 1982, p. 2070.
"37 Het feit dat een prijsbindingssysteem eventueel tot gevolg kan hebben dat een oneerlijke praktijk (...) wordt verhinderd , is echter geen voldoende reden om een gehele marktsector , zoals de boekenmarkt , uit te sluiten van de toepassing van artikel 85 , lid 1 . Het is zaak voor de eventueel door oneerlijke handelspraktijken gelaedeerde ondernemingen , een beroep te doen op de wettelijke regelingen inzake handelsgebruiken die in een of andere vorm in alle lid-staten bestaan en de misbruiken (...) , kunnen tegengaan . Daarentegen kan het bestaan van dergelijke misbruiken in geen geval een inbreuk op de mededingingsregels van de Gemeenschap rechtvaardigen."
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 63.
« 40 (...) dat nationale wetgevingen of rechtspraak , zelfs wanneer ze aan alle Lid-Staten gemeen zijn , niet de doorslag mogen geven bij de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag . Dit geldt te meer voor wat de praktijken van particuliere ondernemingen betreft , zelfs indien deze worden gedoogd of goedgekeurd door de overheid van een Lid-Staat . »
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 64.
« 10 Het bestaan van een taalgemeenschap, gevormd door een Lid-Staat en een gedeelte van een andere Lid-Staat, staat niet in de weg aan de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag, dat uitdrukkelijk het oog heeft op de ‘handel tussen Lid-Staten’. »
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 19.
« 27 Eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag kunnen immers in geen geval afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt , noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast . »
HvJ EG 28 maart 1985, nr. 298/83 (CICCE tegen Commissie), Jurispr. 1985, p. 1124.
« 34 Ofschoon het Hof in het algemeen een volledig onderzoek instelt naar de vraag , of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85 , lid 1 , is voldaan , vereist de vaststelling van de toelaatbare duur van een concurrentieverbod , vervat in een overeenkomst tot overdracht van een onderneming , een ingewikkelde economische beoordeling zijdens de Commissie . bij de toetsing van die beoordeling dient het Hof zich derhalve te beperken tot de vraag , of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen , of de motivering afdoende is , of de feiten juist zijn weergegeven en of geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid . »
HvJ EG 11 juli 1985, nr. 42/85 (Remia tegen Commissie), Jurispr. 1985, p. 2575.
"41 Ter zake van het vervoer kent het Verdrag geen bepaling die evenals artikel 42 de toepassing van de mededingingsregels uitsluit of afhankelijk stelt van een besluit van de Raad.
42 Mitsdien moet worden geconcludeerd dat de Verdragsregels betreffende de mededinging, en inzonderheid die van de artikelen 85 tot en met 90, van toepassing zijn op de vervoersector."
HvJ EG 30 april 1986, nrs. 209-213/84 (Asjes e.a.), Jurispr. 1986, p. 1466.
"14 Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de communautaire mededingingsregels, inzonderheid de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag en de bepalingen van verordening nr.*17, onbeperkt gelden voor de verzekeringssector ."
HvJ EG 27 januari 1987, nr. 45/85 (Verband der Sachversicherer tegen Commissie), Jurispr. 1987, p. 453.
« 23 (...) dat het de Lid-Staten weliswaar vrij staat, de toepassing van het mededingingsrecht en het toezicht op het verzekeringswezen nauw met elkaar te verbinden, doch dat het gemeenschapsrecht de tenuitvoerlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag niet afhankelijk stelt van de manier waarop in een Lid-Staat het toezicht op bepaalde economische sectoren wettelijk is geregeld . «
HvJ EG 27 januari 1987, nr. 45/85 (Verband der Sachversicherer tegen Commissie), Jurispr. 1987, p. 451.
- "78 In de vijfde overweging van de considerans van verordening (EG) nr. 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft de Raad zeer recent nog beklemtoond dat het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels moet worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert, en dat de onderneming of ondernemersvereniging die verweer voert tegen een bewezen inbreuk, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren.
79 Hoewel de wettelijke bewijslast volgens die beginselen op de Commissie of op de betrokken onderneming of vereniging rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, zonder welke mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd."
HvJEG 7 januari 2004, nrs. C-204/00, C-205/00, C-211/00, C-213/00, C-217/00 en C-219/00 (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6.
- "71 Vooraf moet worden vastgesteld dat, anders dan rekwirante lijkt te opperen, het bewijsniveau dat vereist is voor het vaststellen van een mededingingsbeperkende overeenkomst in het kader van een verticale verhouding in beginsel niet hoger is dan het niveau dat is vereist in het kader van een horizontale verhouding.
72 Het klopt weliswaar dat elementen op basis waarvan bij horizontale verhoudingen in voorkomend geval tot het bestaan van een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen concurrenten kan worden geconcludeerd, soms ongeschikt zijn om in het kader van verticale verhoudingen tussen fabrikant en distributeur tot het bestaan van een dergelijke overeenkomst te concluderen, aangezien in zulke verhoudingen bepaalde contacten geoorloofd zijn. Dit doet evenwel niet af aan het feit dat het bestaan van een onrechtmatige overeenkomst moet worden beoordeeld in het licht van alle relevante elementen en van de economische en juridische context, die van geval tot geval verschilt. Of de totstandkoming van een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst kan worden vastgesteld op grond van een bepaald bewijselement, kan dus niet abstract worden beoordeeld aan de hand van het feit of het om een verticale of een horizontale verhouding gaat, waarbij dit element los wordt gezien van de context en van de andere factoren die het concrete geval kenmerken."
HvJ EU 11 februari 2011, nr. C-260/09 P (Activision Blizzard Germany tegen Commissie), ECLI:EU:C:2011:62.
"18 Artikel 101 VWEU is immers niet uitsluitend bedoeld om de belangen van de concurrenten of van de consumenten te beschermen, maar ook om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen (arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, Jurispr. blz. I‑9291, punt 63)."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
" 1) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een onderneming die wordt benadeeld door een kartelovereenkomst die tot doel heeft de mededinging te beperken, op het tijdstip van de sluiting van die kartelovereenkomst illegaal actief zou zijn geweest op de betrokken markt, irrelevant is voor de vraag of die kartelovereenkomst een inbreuk op deze bepaling vormt."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
- "58 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie tijdens de administratieve procedure de grondrechten van de betrokken ondernemingen moet eerbiedigen. Daartoe behoort het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde recht op behoorlijk bestuur. Krachtens die bepaling heeft eenieder er onder meer recht op dat zijn zaken onpartijdig worden behandeld door de instellingen van de Unie. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat met de zaak belaste leden van de betrokken instelling geen blijk mogen geven van vooringenomenheid of persoonlijke vooroordelen, en anderzijds objectieve onpartijdigheid, in die zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel daarover uit te sluiten (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punten 154 en 155).
59 Het beginsel van onpartijdigheid, dat deel uitmaakt van het recht op behoorlijk bestuur, moet worden onderscheiden van het beginsel van het vermoeden van onschuld dat – gelet op de aard van de inbreuken in kwestie alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties – van toepassing is op procedures betreffende schendingen van de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punt 150, en 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 73).
60 Het vermoeden van onschuld is een in artikel 48, lid 1, van het Handvest neergelegd algemeen beginsel van het Unierecht (arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 72).
61 Artikel 48 van het Handvest komt overeen met artikel 6, leden 2 en 3, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), zoals blijkt uit de toelichtingen bij die bepaling van het Handvest. Derhalve dient overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest bij de uitlegging van artikel 48 van het Handvest rekening te worden gehouden met artikel 6, leden 2 en 3, EVRM als minimumbeschermingsniveau [arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 41].
62 In herinnering moet dan ook worden gebracht dat het beginsel van het vermoeden van onschuld wordt geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat dat de betrokkene het strafbare feit in kwestie heeft gepleegd, terwijl hij niet definitief is veroordeeld. In dit verband moet de aandacht worden gevestigd op het belang van de keuze van de door de gerechtelijke autoriteiten gebezigde bewoordingen, alsmede op de bijzondere omstandigheden waarin deze zijn geformuleerd en op de aard en de context van de betreffende procedure [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43; zie in die zin ook EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, § 63].
63 In complexe strafrechtelijke procedures met meerdere verdachten die niet samen kunnen worden berecht, komt het bijvoorbeeld voor dat de bevoegde rechter voor de beoordeling van de schuld van de verdachten genoodzaakt is om gewag te maken van de deelname van derden, die mogelijkerwijs vervolgens afzonderlijk zullen worden berecht. Indien melding moet worden gemaakt van feiten met betrekking tot de betrokkenheid van derden, moet de betrokken rechterlijke instantie evenwel vermijden dat meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk is voor het onderzoek van de juridische aansprakelijkheid van de personen die voor haar terechtstaan. Bovendien moet de motivering van rechterlijke beslissingen worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de betrokken derden een mogelijk voorbarig oordeel wordt geveld, wat het billijke onderzoek van de hun ten laste gelegde feiten in het kader van een afzonderlijke procedure in het gedrang zou kunnen brengen [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 44; zie in die zin ook EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, §§ 64 en 65]."
HvJ EU 18 maart 2021, nr. C-440/19 P (Pomelon tegen de Commissie), ECLI:EU:C:2021:214.
- "95 Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 tot en met 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt een schending door de Commissie van het beginsel van onpartijdigheid en van het onschuldvermoeden in het kader van de in casu aan de orde zijnde „hybride” procedure immers een voldoende ernstige schending die de gehele procedure die tot de vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid, ongeldig kan maken. Een dergelijke onregelmatigheid, die tot gevolg heeft dat de in het kader van deze procedure gewaarborgde grondrechten van de betrokken ondernemingen worden geschonden, kan niet worden vergeleken met minder ernstige fouten, die maar weinig invloed kunnen hebben op het uiteindelijke besluit, zoals het soort fouten dat aan de orde was in de zaak Suiker Unie, die overigens geen „hybride” procedure betrof.
96 Daarom kon het Gerecht zich niet op de grond dat niet was aangetoond dat het litigieuze besluit zonder het schikkingsbesluit anders zou hebben geluid, onttrekken aan de verplichting om het schikkingsbesluit te onderzoeken om na te gaan of het in overeenstemming was met dat beginsel, aangezien het onschuldvermoeden anders inhoudsloos zou worden."
HvJ EU 12 januari 2023, nr. C-883/19P (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:11.
Verhouding mededingingsrecht en overheidsmaatregelen
"30 (…) Een nationale prijsstop voor onder de gemeenschapsregelingen vallende produkten die niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst tussen ondernemingen , een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen valt dus niet onder de werkingssfeer van artikel 85 ."
HvJ EG 18 oktober 1979, nr. 5/79 (Strafgeding tegen Buys e.a.), Jurispr. 1979, p. 3232.
"14 Ofschoon die bepalingen (Bew.: artikelen 3, sub f en 85) het gedrag van ondernemingen betreffen en niet de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten , zijn deze laatste niettemin ingevolge artikel 5 , tweede alinea , EEG-Verdrag gehouden , door hun nationale wetgeving geen afbreuk te doen aan de volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en aan de werking van handelingen tot uitvoering ervan , en geen maatregelen , zij het ook van wettelijke of bestuursrechtelijke aard , te nemen of te handhaven , welke aan de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels hun nuttig effect kunnen ontnemen ( zie de arresten van 13 februari 1969 , zaak 14/68 , Wilhelm , Jurispr . 1969 , blz . 1 , en 16 november 1977 , zaak 13/77 , Inno , Jurispr . 1977 , blz . 2115 ).
15 Een wettelijke regeling als thans in geding dwingt evenwel niet tot overeenkomsten tussen uitgevers en detailhandelaars of tot andere gedragingen als waarop artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag het oog heeft , doch verlangt de eenzijdige vaststelling , krachtens een wettelijke verplichting , van de detailhandelsprijzen door de uitgevers of importeurs . In deze omstandigheden rijst de vraag , of een nationale wettelijke regeling die het bij artikel 85 , lid 1 , verboden soort gedragingen van ondernemingen overbodig maakt door de uitgevers of importeurs van boeken de verantwoordelijkheid voor de vrije vaststelling van bindende detailhandelsprijzen op te dragen , afbreuk doet aan het nuttig effect van artikel 85 en bijgevolg in strijd is met artikel 5 , tweede alinea, EEG-Verdrag .
20 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat er , met betrekking tot zuiver nationale stelsels of praktijken in de boekensector , tot op heden geen communautair mededingingsbeleid bestaat dat de Lid-Staten op grond van hun verplichting zich te onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen , in acht zouden moeten nemen . bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn derhalve de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3 , sub f , en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen niet zo duidelijk bepaald , dat het hun verboden zou zijn om een wettelijke regeling als de onderhavige inzake de detailhandelsprijs van boeken uit te vaardigen , op voorwaarde evenwel dat die wettelijke regeling de andere specifieke bepalingen van het Verdrag , inzonderheid die betreffende het vrije verkeer van goederen , in acht neemt."
HvJ EG 10 januari 1985, nr. 229/83 (Leclerc e.a. tegen Au Blé Vert e.a.,), Jurispr. 1985, p. 32-33.
"17 Een wettelijke regeling als thans in geding dwingt evenwel niet tot overeenkomsten tussen leveranciers en detailhandelaars of tot andere gedragingen zoals die waarop artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag het oog heeft . zij legt integendeel de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de prijzen bij de overheid , die zich daarbij baseert op een aantal elementen van verschillende aard . het enkele feit dat tot die bij het vaststellen van de detailhandelsprijs in aanmerking te nemen elementen overnameprijzen behoren welke door de leveranciers worden bepaald , en die overigens naar boven zijn begrensd door de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde plafondprijs , ontneemt aan een regeling als de onderhavige niet haar overheidskarakter en kan het nuttig effect van de voor de ondernemingen geldende mededingingsregels niet teniet doen."
HvJ EG 29 januari 1985, nr. 231/83 (Cullet e.a. tegen Leclercc.), Jurispr. 1985, p. 320.
"Het is in strijd met de ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag , junctis de artikelen 3 , sub f , en 85 , met name lid 1 , op de Lid-Staten rustende verplichtingen , om luchtvaarttarieven goed te keuren en dusdoende de werking ervan te versterken , wanneer , bij ontstentenis van een door de Raad op grond van artikel 87 vastgestelde regeling , in de vorm en volgens de procedures genoemd in artikel 88 of artikel 89 , lid 2 , wordt vastgesteld dat die tarieven het resultaat zijn van een overeenkomst , een besluit van een ondernemersvereniging of een met artikel 85 strijdige onderling afgestemde feitelijke gedraging."
HvJ EG 30 april 1986, nrs. 209-213/84 (Strafzaken tegen Lucas Asjes e.a.), Jurispr. 1986, p. 1473.
"23 Een bepaling als artikel 22 van het Koninklijk Besluit van 1966 (Bew.: die reisagenten verplicht de door de touroperators vastgestelde prijzen en tarieven te eerbiedigen, die hun verbiedt de over de verkoop van die reizen geïnde commissies met de cliënten te delen of aan deze cliënten ristorno’s toe te kennen, en die een dergelijke handelwijze als een daad van oneerlijke mededinging aanmerkt) versterkt de werking van de betrokken overeenkomsten tussen partijen in de eerste plaats, doordat het een oorspronkelijk louter contractueel verbod in een bestuursrechtelijke bepaling omzet; daardoor krijgt het voorschrift immers een blijvend karakter en kan het niet meer door de wil van partijen worden afgeschaft . In de tweede plaats, door het niet eerbiedigen van de overeengekomen prijzen en tarieven en van het verbod om de geinde commissies met de clienten te delen, te bestempelen als een met de eerlijke gebruiken inzake handel strijdige daad, opent een dergelijke bepaling voor reisagenten die zich aan de binnen de beroepsvereniging overeengekomen regeling houden, de mogelijkheid een vordering tot staking in te stellen tegen reisagenten die, geen partij bij de mededingingsregeling zijnde, zich daarnaar niet wensen te voegen . In de derde plaats vormt de mogelijkheid om wanneer de regeling niet wordt nageleefd, de vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van reisagent in te trekken, zowel ten aanzien van de partijen bij de overeenkomsten als ten aanzien van derden een wel uiterst doeltreffende sanctie."
HvJ EG 1 oktober 1987, nr. 311/85 (Vereniging van Vlaamse Reisbureaus tegen Sociale Dienst van de plaatselijke en gewestelijke overheidsdiensten), Jurispr. 1987, p. 3829.
"Een overeenkomst tussen twee groepen van economische subjecten, gesloten in het kader en volgens de procedure van een lichaam als het BNIC, welke overeenkomst voorziet in de betaling van een bijdrage ingeval een productiequotum voor zuivere alcohol per hectare wordt overschreden, is in strijd met artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
Een ministerieel besluit waarbij een dergelijke overeenkomst algemeen verbindend wordt verklaard, is in strijd met de verplichtingen die op de Lid-Staten rusten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, gelezen in samenhang met de artikelen 3, sub f, en 85, van dat Verdrag."
HvJ EG 3 december 1987, nr. 136/86 (BNIC tegen Aubert), Jurispr. 1987, p. 4816.
"16 (...)Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit de samenhang van de artikelen 85 en 86 met artikel 5 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken . Volgens die zelfde rechtspraak is dat bij voorbeeld het geval, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen."
HvJ EG 21 september 1988, nr. 267/86 (Van Eycke tegen ASPA), Jurispr. 1988, p. 4791, 4794-4795.
"Een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito’s beperkt tot die deposito’s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden, is niet onverenigbaar met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen, voor zover deze nationale bepaling niet enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken en praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito’s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau."
HvJ EG 21 september 1988, nr. 267/86 (Van Eycke tegen ASPA), Jurispr. 1988, p. 4791, 4792.
"Artikel 85 van het Verdrag heeft geen betrekking op concessie-overeenkomsten, gesloten tussen gemeenten handelend in hun hoedanigheid van overheid, en ondernemingen belast met de uitvoering van een openbare dienst."
HvJ EG 4 mei 1988, nr. 30/87 (Bodson tegen Pompes, Funèbres des Régions Libérées), Jurispr. 1988, p. 2518.
"49 Hieruit volgt, dat de goedkeuring door de luchtvaartautoriteiten van met artikel 85, lid 1, of eventueel artikel 86 strijdige tariefovereenkomsten onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, met name met artikel 5 EEG-Verdrag, en dat zowel de luchtvaartautoriteiten als de gemeenschapsinstellingen zich moeten onthouden van alles wat beschouwd zou kunnen worden als een aansporing voor het sluiten van dergelijke overeenkomsten door de luchtvaartmaatschappijen."
HvJ EG 11 april 1989, nr. 66/86 (Ahmed Saeed Flugreisen e.a. tegen Zentrale für bekämpfung unlauteren Wettbewerbs), Jurispr. 1989, p. 852.
"De artikelen 3, sub f, 5, tweede alinea, en 85 EEG-Verdrag staan er niet aan in de weg, dat indien elk verband met gedragingen van ondernemingen als bedoeld in artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag ontbreekt, een overheidsregeling aan verzekeringstussenpersonen verbiedt, de door de verzekeringsmaatschappijen betaalde provisies geheel of gedeeltelijk aan hun klanten af te staan."
HvJ EG 17 november 1993, nr. C-2/91 (Meng,), Jurispr. 1993, p. I-5751. Zie ook HvJ EG 17 november 1993, nr. C-245/91 (Ohra), Jurispr. 1993, p. I-5851.
"De artikelen 3, sub f, 5, tweede alinea, en 85 van het Verdrag staan niet eraan in de weg, dat een regeling van een Lid-Staat bepaalt, dat de tarieven voor het goederenvervoer over de weg over lange afstand (Güterfernverkehr) door tariefcommissies worden vastgesteld en, na goedkeuring door de overheid, voor alle marktdeelnemers algemeen verbindend worden, indien de leden van deze commissies, hoewel zij door de overheid op voordracht van de betrokken organisaties worden benoemd, niet als vertegenwoordigers van deze beroepsorganisaties over de prijzen dienen te onderhandelen en ter zake een overeenkomst dienen te sluiten, doch onafhankelijke deskundigen zijn, die de tarieven op basis van overwegingen van algemeen belang dienen vast te stellen, en indien de overheid geen afstand doet van haar bevoegdheden, doch in het bijzonder erop toeziet, dat de commissies de tarieven op basis van overwegingen van algemeen belang vaststellen en, zo nodig, haar eigen besluit in de plaats stelt van het besluit van deze commissies."
HvJ EG 17 november 1993, nr. C-185/91 (Bundesanstalt für den Güterfernvrekehr tegen Reiff), Jurispr. 1993, p. I-5801. Zie ook HvJ EG 19 februari 2002, nr. C-35/99 (strafzaak tegen Manuele Arduino), Jurispr. 2002, p. I-1529.
"1) De artikelen 3, sub g, 5, 85, 86 en 90 alsmede artikel 30 EG-Verdrag verzetten er zich niet tegen, dat een regeling van een Lid-Staat bepaalt, dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een comité, indien dit is samengesteld uit een meerderheid van vertegenwoordigers van de overheid naast een minderheid van vertegenwoordigers van de belanghebbende marktdeelnemers, en in zijn voorstellen een aantal criteria van openbaar belang in acht moet nemen, en indien de overheid verder geen afstand doet van haar prerogatieven, in die zin dat zij, alvorens de voorstellen goed te keuren, rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties, ja zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt."
HvJ EG 5 oktober 1995, nr. C-96/94 (Centro Servici Spediporto tegen Spedicioni Marritima del Golfo), Jurispr. 1995, p. I-2900. Zie ook HvJ EG 1 oktober 1998, nr. C-38/97 (Autotrasporti Librandi v. Cuttica), Jurispr. 1998, p. I-5955.
“24 Er zij aan herinnerd dat artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, de lidstaten verplicht, geen maatregelen van wettelijke of bestuursrechtelijke aard te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (zie met name arrest Albany, reeds aangehaald, punt 65, arresten van 21 september 1999, Brentjens, C‑115/97–C‑117/97, Jurispr. blz. I‑6025, punt 65, en Drijvende Bokken, C‑219/97, Jurispr. blz. I‑6121, punt 55).
(...)
37 (...) Daarvan is sprake wanneer een lidstaat het tot stand komen van met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregelingen oplegt of begunstigt of de werking ervan versterkt, dan wel aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers te delegeren (zie in die zin arresten van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C‑35/96, Jurispr. blz. I‑3851, punten 53 en 54, en Corsica Ferries France, C‑266/96, Jurispr. blz. I‑3949, punten 35, 36 en 49, en arrest Albany, reeds aangehaald, punt 65).”
HvJ EU 3 maart 2011, nr. C-437/09, Jur. 2011, p. 973 (AG2R Prévoyance).
- "33 Overigens besluit het Osservatorio bij meerderheid van zijn leden zonder dat een vertegenwoordiger van de Staat beschikt over een vetorecht of over een doorslaggevende stem waarmee de krachtsverhoudingen tussen de overheid en de particuliere sector kunnen worden hersteld, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten Reiff (C‑185/91, EU:C:1993:886, punt 22), Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft (C‑153/93, EU:C:1994:240, punt 21), Centro Servizi Spediporto (EU:C:1995:308, punt 27) en Librandi (EU:C:1998:454, punt 35).
34 Het door een dergelijke beroepsorganisatie vastgestelde tarief kan niettemin het karakter van een overheidsregeling hebben, met name als de leden van deze organisatie deskundigen zijn die onafhankelijk zijn van de betrokken marktdeelnemers en die wettelijk verplicht zijn bij de vaststelling van de tarieven niet alleen rekening te houden met de belangen van de ondernemingen of ondernemersverenigingen in de sector die hen benoemd heeft, maar ook met het algemeen belang en met de belangen van ondernemingen in andere sectoren of van hen die van de betrokken diensten gebruikmaken (zie in deze zin arresten Reiff, EU:C:1993:886, punten 17‑19 en 24; Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft, EU:C:1994:240, punten 16‑18 en 23; DIP e.a., C‑140/94–C‑142/94, EU:C:1995:330, punten 18 en 19; Commissie/Italië, C‑35/96, EU:C:1998:303, punt 44, en Arduino, EU:C:2002:97, punt 37).
(...)
41 Uit het voorgaande vloeit voort dat het Osservatorio, gelet op de samenstelling en de werking ervan, maar ook op het ontbreken van zowel wettelijke criteria van algemeen belang die nauwkeurig genoeg zijn om te waarborgen dat de vertegenwoordigers van vervoerders en opdrachtgevers daadwerkelijk handelen in het algemeen belang dat de wet beoogt te verwezenlijken, als effectieve controle en beslissingsbevoegdheid in laatste instantie door de Staat, moet worden beschouwd als een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101 VWEU wanneer het bij besluit de minimumbedrijfskosten voor het wegvervoer vaststelt, zoals in de hoofdgedingen.
(...)
45 Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat het vaststellen van minimumbedrijfskosten voor het wegvervoer die krachtens een nationale regeling bindend worden verklaard, zoals in de hoofdgedingen, de mededinging binnen de interne markt kan beperken.
(...)
48 In die context moet worden nagegaan of de beperkingen die bij de regels in de hoofdgedingen worden opgelegd, niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van legitieme doelstellingen (zie in die zin arresten Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 47, en Consiglio nazionale dei geologi en Autorità garante della concorrenza e del mercato, EU:C:2013:489, punt 54).
(...)
51 Hoewel niet kan worden ontkend dat de bescherming van de verkeersveiligheid een legitieme doelstelling kan zijn, is de vaststelling van minimumbedrijfskosten geen passend middel om deze doelstelling direct dan wel indirect te verwezenlijken.
(...)
53 Bovendien is een nationale wettelijke regeling slechts geschikt om de verwezenlijking van het gestelde doel te verzekeren, wanneer zij de verwezenlijking ervan werkelijk coherent en systematisch nastreeft (zie arresten Hartlauer, C‑169/07, EU:C:2009:141, punt 55, en Attanasio Group, C‑384/08, EU:C:2010:133, punt 51).
'...)
Artikel 101 VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, uit hoofde waarvan de prijs voor het vervoer van goederen over de weg voor rekening van derden niet lager mag zijn dan minimumbedrijfskosten die worden vastgesteld door een orgaan dat hoofdzakelijk wordt gevormd door vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers."
HvJ EU 4 september 2014, nrs. C-184/13 - C-187/12, C-194/12, C-195/13 en C-208/13 (API e.a.), ECLI:EU:C:2014:2147.
- "48 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de Bulgaarse overheidsinstanties hun bevoegdheden op het gebied van de vaststelling van de minimumbedragen voor de vergoeding van de advocaat hebben gedelegeerd aan particuliere marktdeelnemers, blijkt uit de aan het Hof ter beschikking staande stukken dat de enige controle die door een overheidsinstantie wordt uitgeoefend op de verordeningen van de hoge raad voor de advocatuur waarbij die minimumbedragen zijn vastgesteld, die door de Varhoven administrativen sad is, die beperkt is tot de vraag of die verordeningen in overeenstemming zijn met de Bulgaarse grondwet en wetten.
49 Uit het bovenstaande volgt dat een beroepsorganisatie als de hoge raad voor de advocatuur, gezien het ontbreken van bepalingen waarmee kan worden gewaarborgd dat hij zich gedraagt als een verlengstuk van het openbaar gezag dat in het algemeen belang handelt, onder effectieve controle van de staat, die in laatste instantie beslissingsbevoegd is, moet worden beschouwd als een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101 VWEU wanneer hij de verordeningen tot bepaling van de minimumbedragen voor de vergoeding van de advocaat vaststelt."
Dictum:
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan de advocaat en zijn cliënt, op straffe van een tuchtrechtelijke procedure voor de advocaat, geen lagere vergoeding mogen overeenkomen dan het minimumbedrag dat is vastgesteld bij een verordening van een beroepsorganisatie van advocaten, zoals de Vissh advokatski savet (hoge raad voor de advocatuur, Bulgarije), en de rechter niet mag gelasten dat een lagere vergoeding voor het honorarium dan dit minimumbedrag moet worden betaald, de mededinging binnen de interne markt kan beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijke regeling, afgaand op de wijze waarop zij concreet wordt toegepast, daadwerkelijk beantwoordt aan legitieme doelstellingen en niet verder gaat dan voor het verwezenlijken van die legitieme doelstellingen noodzakelijk is.'
HvJ EU 23 november 2017, nrs. C- 427/16 en C-428/16, (CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International), ECLI:EU:C:2017:890.
- "39 Voor zover een nationale rechter zou vaststellen dat de beperkingen van de mededinging, die voortvloeien uit een verordening inzake minimumbedragen voor advocatenhonoraria, niet kunnen worden geacht inherent te zijn aan het nastreven van legitieme doelstellingen, is de nationale regeling die bindende kracht aan deze verordening verleent, onverenigbaar met artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU.
40 In een dergelijk geval is deze rechter verplicht de litigieuze nationale regel buiten toepassing te laten. Hoewel artikel 101 VWEU slechts betrekking heeft op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten, neemt dit namelijk niet weg dat dit artikel juncto artikel 4, lid 3, VEU, dat een verplichting tot samenwerking tussen de Unie en de lidstaten in het leven roept, voorschrijft dat de lidstaten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (arrest van 21 september 2016, Etablissements Fr. Colruyt, C‑221/15, EU:C:2016:704, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
Dictum:
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat ingeval een nationale rechter zou vaststellen dat een bij een nationale regeling verbindend verklaarde verordening tot vaststelling van minimumbedragen voor advocatenhonoraria in strijd is met artikel 101, lid 1, VWEU, deze rechter moet weigeren om deze nationale regeling toe te passen ten aanzien van de partij die is verwezen in de kosten van de advocatenhonoraria, ook wanneer deze partij geen overeenkomst voor advocatendiensten en voor de betaling van advocatenhonoraria heeft gesloten."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Motiveringsplicht
"De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld. Het ontbreken van een motivering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de gerechtelijke instanties van de Unie kennis krijgt van de redenen van het besluit (reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 In het bijzonder moet een beschikking houdende toepassing van de regels van de Unie op het gebied van het mededingingsrecht, wanneer zij meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekening van de inbreuk, een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, inzonderheid van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking aansprakelijk zijn voor de inbreuk. Zo dient een dergelijke beschikking ten aanzien van een moedermaatschappij die zij aansprakelijk stelt voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter in beginsel omstandig de redenen uiteen te zetten die de toerekening van de inbreuk aan deze onderneming rechtvaardigen.”
HvJ EU 19 juli 2012, nr. C-628/10 P en C-14/11 P, ECLI:EU:C:2012:479 (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie).
"54 Vooraf zij eraan herinnerd dat de motivering van een arrest van het Gerecht volgens vaste rechtspraak diens redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (zie met name arrest ENI/Commissie, reeds aangehaald, punt 74).
55 De motiveringsplicht houdt echter niet in dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen bij het geding volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten niet heeft aanvaard en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (zie met name arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, punt 82).
56 Bovendien kan de Unierechter in het kader van de rechtmatigheidstoetsing krachtens artikel 263 VWEU zijn eigen motivering in geen geval in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie met name arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Het Gerecht kan evenwel niet worden verweten dat het zijn eigen motivering over de toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, indien de overwegingen van het betrokken arrest betrekking hebben op argumenten die de verzoekende partijen voor het Gerecht hebben aangevoerd ter weerlegging van het vermoeden dat zij een beslissende invloed hebben uitgeoefend, en die het Gerecht in het kader van zijn toezicht op de rechtmatigheid van de litigieuze beschikking dient te onderzoeken (zie in die zin reeds aangehaalde beschikkingen van 7 februari 2012, Total en Elf Aquitaine/Commissie, punt 65, en 13 september 2012, Total en Elf Aquitaine/Commissie, punt 60)."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
Lid 1
NB artikel 85 en 86 EEG zijn hernummerd tot artikel 81 en 82 EG bij het Verdrag van AMsterdam en vervolgens tot artikel 101 en 102 VWEU bij het Verdarg van Lissabon.
Toepasselijkheid
"59 Hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, zou de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociale politiek ernstig worden belemmerd indien de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag moesten houden.
60 Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve, dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen."
HvJ EG 21 september 1999, nr. C-67/96, ECLI:EU:C:1999:430, Jurispr. 1999, p. I-5882 (Albany International/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie).
“29 Dienaangaande zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat overeenkomsten die in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wegens hun aard en doel moeten worden geacht niet onder artikel 101, lid 1, VWEU te vallen (zie in die zin arresten Albany, punt 60; Brentjens, punt 57, en Drijvende Bokken, punt 47, alsook arresten van 12 september 2000, Pavlov e.a., C‑180/98–C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451, punt 67, en 21 september 2000, Van der Woude, C‑222/98, Jurispr. blz. I‑7111, punt 22).
(...)
31 Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt enerzijds dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst is gesloten in de vorm van een aanvullende overeenkomst bij een collectieve overeenkomst en bijgevolg het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen de werkgevers‑ en werknemersorganisaties voor de ambachtelijke bakkerijsector in Frankrijk.
32 Wat anderzijds het doel ervan betreft, voert deze overeenkomst in een bepaalde sector een stelsel van aanvullende vergoeding van zorgkosten in, welk stelsel bijdraagt tot de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers, niet alleen door hun de nodige middelen te garanderen om de kosten te kunnen betalen die gepaard gaan met ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte of zwanger‑ en moederschap, maar ook door een verlaging van de kosten die zonder collectieve overeenkomst ten laste van de werknemers zouden komen.
33 Hieraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de toetreding tot een dergelijke overeenkomst verplicht is voor alle ondernemingen van de betrokken bedrijfstak van een lidstaat en dat daarin, anders dan in de overeenkomst waarover het ging in het hoofdgeding dat tot het arrest Albany heeft geleid, niet is voorzien in een vrijstelling van aansluiting.
34 In dat arrest heeft het Hof immers, enerzijds, bij de uitlegging van artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag (thans artikel 101, lid 1, VWEU) geen rekening gehouden met de mogelijkheden van vrijstelling van aansluiting bij dat pensioenfonds.
35 Anderzijds vloeit uit de punten 26 en 27 van het reeds aangehaalde arrest van der Woude voort, dat een collectieve overeenkomst betreffende een stelsel van ziektekostenverzekering waarin één enkel orgaan wordt aangewezen in geval van aansluiting bij dat stelsel, en aldus elke mogelijkheid van aansluiting bij concurrerende instellingen wordt uitgesloten, buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU valt.
36 Bijgevolg valt een overeenkomst zoals aanvullende overeenkomst nr. 83 wegens de aard of het doel ervan niet onder artikel 101, lid 1, VWEU.”
HvJ EU 3 maart 2011, nr. C-437/09, Jurispr. 2011, p. 973 (AG2R Prévoyance).
- "40 Hieruit volgt dat de krachtens artikel 83, lid 1, EG vastgestelde bepalingen, wat de mededingingsbeperkingen betreft die rechtstreekse gevolgen hebben voor de markt van luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van derde landen, pas op 1 mei 2004 in werking zijn getreden.
41 Bij gebreke van dergelijke bepalingen waren vóór die datum dus alleen de regelingen voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 84 en 85 EG op deze diensten van toepassing (zie in die zin arresten van 30 april 1986, Asjes e.a., 209/84–213/84, EU:C:1986:188, punt 52, en 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 21).
42 In het onderhavige geval vielen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde gedragingen, voor zover die om te beginnen hebben plaatsgevonden tussen 1999 en 1 mei 2004, voorts rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en derde landen en tevens de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden in de zin van artikel 81, lid 1, EG – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan –, niet onder de krachtens artikel 83 EG vastgestelde bepalingen, maar enkel onder de regelingen voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 84 en 85 EG.
43 Hetzelfde geldt voor de gedragingen in de hoofdgedingen die hebben plaatsgevonden tussen 1999 en de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, te weten 1 juni 2002, voor zover zij rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van Zwitserland en de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van deze overeenkomst, gelezen in samenhang met de bijlage erbij, worden de luchthavens op het Zwitserse grondgebied sinds de inwerkingtreding van deze overeenkomst immers beschouwd als „luchthavens van de [Unie]” in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3975/87 en artikel 1 van verordening nr. 3976/87, en niet meer als luchthavens van derde landen.
44 Verweersters in de hoofdgedingen hebben zowel in hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting in essentie betoogd dat de sector luchtvervoer tot de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 op 1 mei 2004 buiten de toepassing van artikel 81 EG is gebleven. Deze partijen en de Commissie hebben eveneens betoogd dat artikel 81, lid 1, EG onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hoe dan ook geen rechtstreekse werking heeft, aangezien de nationale rechterlijke instanties artikel 81, lid 1, EG niet konden toepassen zonder dat de bevoegde nationale autoriteiten of de Commissie in een besluit een inbreuk op deze bepaling hadden vastgesteld. Door in artikel 6 van verordening nr. 1/2003 te bepalen dat de nationale rechterlijke instanties voortaan de artikelen 81 en 82 EG ten volle konden toepassen, is bij deze verordening een nieuwe materiële regeling ingevoerd die niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast op gedragingen zoals in de hoofdgedingen, die vóór de inwerkingtreding van deze verordening en onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hebben plaatsgevonden.
45 In dit verband is het ten eerste van belang eraan te herinneren dat het Hof reeds voor recht heeft verklaard dat het luchtvervoer, evenals de andere takken van vervoer, sinds de inwerkingtreding van de Verdragen onderworpen is aan de algemene regels van de Verdragen, waaronder de mededingingsregels (zie in die zin arrest van 30 april 1986, Asjes e.a., 209/84–213/84, EU:C:1986:188, punten 35‑45).
46 Bovendien heeft de Raad, zoals de advocaat-generaal in de punten 72 tot en met 77 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, geen gebruik gemaakt van zijn uit artikel 83, lid 2, onder c), EG voortvloeiende bevoegdheid om de materiële werkingssfeer van artikel 81 EG in de sector luchtvervoer te beperken.
47 Ten tweede moet worden benadrukt dat het Unierecht volgens vaste rechtspraak, evenzeer als het ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook rechten schept die zij uit eigen hoofde kunnen doen gelden. Deze rechten ontstaan niet alleen wanneer de Verdragen ze uitdrukkelijk toekennen, maar ook als weerslag van duidelijk bepaalde verplichtingen die de Verdragen zowel aan particulieren als aan de lidstaten en de instellingen van de Unie opleggen (arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 19, en 6 juni 2013, Donau Chemie e.a., C‑536/11, EU:C:2013:366, punt 20).
48 In dit verband heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat artikel 81, lid 1, EG rechtstreekse gevolgen teweegbrengt in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doet ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (zie in die zin arresten van 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Eenieder kan zich immers in rechte op schending van artikel 81, lid 1, EG beroepen en bijgevolg de nietigheid inroepen van een door deze bepaling verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging als bedoeld in artikel 81, lid 2, EG (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 59), en vergoeding van de geleden schade vorderen wanneer er een causaal verband bestaat tussen die schade en die mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging (arrest van 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Bovendien heeft het Hof, wat meer in het bijzonder schadevorderingen betreft die bij de nationale rechterlijke instanties wegens schending van de mededingingsregels van de Unie worden ingesteld, geoordeeld dat deze vorderingen de volle werking van artikel 81 EG en met name het nuttige effect van het in lid 1 daarvan neergelegde verbod waarborgen en dat de mededingingsregels van de Unie aldus gemakkelijker toepasbaar worden, aangezien de – vaak verborgen – overeenkomsten of feitelijke gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen daardoor minder aantrekkelijk worden (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punten 25, 43 en 44; 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punten 22, 24 en 26, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punten 33 en 35).
51 De nationale rechterlijke instanties zijn dus bevoegd om artikel 81 EG in met name privaatrechtelijke geschillen toe te passen en ontlenen deze bevoegdheid aan de rechtstreekse werking van dit artikel (zie in die zin arrest van 30 januari 1974, BRT en Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, 127/73, EU:C:1974:6, punt 15).
52 Volgens vaste rechtspraak dient de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het Unierecht, immers niet alleen de volle werking van dat recht te verzekeren maar ook de daarin aan particulieren toegekende rechten te beschermen (arrest van 6 juni 2013, Donau Chemie e.a., C‑536/11, EU:C:2013:366, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan deze rechterlijke instanties om te zorgen voor de rechtsbescherming die voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van Unierechtelijke bepalingen (zie in die zin arrest van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5).
53 Ten derde moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 43 en 44 van zijn conclusie, de in punt 51 van dit arrest bedoelde bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties niet wordt aangetast door de toepassing van de artikelen 84 en 85 EG, aangezien geen van deze twee bepalingen – die betrekking hebben op de administratieve uitvoering van de mededingingsregels van de Unie door respectievelijk de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie – de toepassing van artikel 81 EG door de nationale rechterlijke instanties, met name in privaatrechtelijke geschillen, beperkt.
54 Uit de overwegingen in de punten 45 tot en met 53 van dit arrest volgt dat niet geoordeeld kan worden dat er bij verordening nr. 1/2003, door in artikel 6 daarvan te bepalen dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om de artikelen 81 en 82 EG toe te passen, een nieuw stelsel van materiaal recht is ingevoerd dat van toepassing is op de economische sectoren waarin vóór de inwerkingtreding van deze verordening geen op grond van artikel 83 EG vastgestelde bepalingen bestonden. Dit artikel 6 herhaalt immers slechts de bevoegdheid waarover deze rechterlijke instanties op grond van de rechtstreekse werking van de artikelen 81 en 82 EG beschikken.
55 Niettemin moet worden verduidelijkt dat de uitoefening van de aldus aan de nationale rechterlijke instanties verleende bevoegdheid kan worden beperkt door met name het rechtszekerheidsbeginsel, en wel in het bijzonder doordat moet worden voorkomen dat die rechterlijke instanties en de instanties die zijn belast met de administratieve uitvoering van de mededingingsregels van de Unie, tegenstrijdige beslissingen vaststellen, alsook door de noodzaak de besluitvormings‑ of wetgevende bevoegdheden van de instellingen van de Unie die zijn belast met de uitvoering van die regels – met name artikel 81, lid 3, EG – te beschermen, en de bindende werking van hun handelingen te verzekeren.
56 Gelet op dergelijke overwegingen heeft het Hof met name geoordeeld dat de nationale rechterlijke instanties, wanneer zij zich uitspreken over overeenkomsten of feitelijke gedragingen waarover de Commissie nog een besluit kan nemen, beslissingen moeten voorkomen die in tegenspraak zijn met een besluit dat de Commissie ter uitvoering van artikel 81, lid 1, EG, artikel 82 EG en artikel 81, lid 3, EG beoogt te geven (zie in die zin arresten van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 47, en 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 51), en dat zij, wanneer zij zich uitspreken over overeenkomsten of feitelijke gedragingen waarover de Commissie reeds een besluit heeft genomen, a fortiori geen beslissingen mogen nemen die indruisen tegen dat besluit (arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 52).
57 Deze rechtspraak is overigens thans gecodificeerd in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arresten van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684 punt 50, en 9 december 2020, Groupe Canal +/Commissie, C‑132/19 P, EU:C:2020:1007, punt 112).
(...)
59 Op grond van de in punt 55 van dit arrest in herinnering gebrachte overwegingen heeft het Hof ook de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties beperkt om bepaalde overeenkomsten en besluiten krachtens artikel 81, lid 2, EG van rechtswege nietig te verklaren in een situatie waarin die overeenkomsten en besluiten al bestonden vóór de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 83, lid 1, EG, die later daarop van toepassing werden.
60 et Hof heeft immers geoordeeld dat overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 17 bestonden en overeenkomstig de bepalingen van deze verordening bij de Commissie waren aangemeld, voorlopig geldig waren, zodat de nationale rechterlijke instanties deze overeenkomsten niet van rechtswege nietig konden verklaren op grond van artikel 81, lid 2, EG wanneer de Commissie of de autoriteiten van de lidstaten geen besluit overeenkomstig deze verordening hadden vastgesteld (zie in die zin arresten van 6 april 1962, de Geus, 13/61, EU:C:1962:11, blz. 108; 6 februari 1973, Brasserie de Haecht, 48/72, EU:C:1973:11, punten 8 en 9; 10 juli 1980, Lancôme en Cosparfrance Nederland, 99/79, EU:C:1980:193, punt 16, en 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 48).
61 Het is van belang erop te wijzen dat deze voorlopige geldigheid noodzakelijk was geworden doordat artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 2, van verordening nr. 17, in hun onderlinge samenhang gelezen, de Commissie de mogelijkheid boden om artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag (vervolgens artikel 81, lid 1, EG) ingevolge artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag (vervolgens artikel 81, lid 3, EG) met terugwerkende kracht niet van toepassing op deze overeenkomsten te verklaren, en dat het in strijd zou zijn geweest met het algemene rechtszekerheidsbeginsel om die overeenkomsten van rechtswege nietig te verklaren nog voordat de mogelijkheid heeft bestaan om vast te stellen of artikel 85 EEG-Verdrag daar al dan niet op van toepassing was (zie in die zin arrest van 6 april 1962, de Geus, 13/61, EU:C:1962:11, blz. 107).
62 In het onderhavige geval vereisen overwegingen zoals die bedoeld in punt 55 van dit arrest echter niet dat de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om artikel 81 EG toe te passen op gedragingen van ondernemingen die, net als de gedragingen van de ondernemingen in de hoofdgedingen, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 hebben plaatsgevonden onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG, wordt beperkt op een wijze die analoog is aan de in punt 60 van dit arrest bedoelde rechtspraak, onverminderd, in voorkomend geval, de toepasselijke verjaringsregels.
63 Verordening nr. 1/2003, die van toepassing is geworden op de sector waarin de gedragingen in de hoofdgedingen hebben plaatsgevonden, bevat immers geen bepaling op grond waarvan overeenkomsten of feitelijke gedragingen van vóór de inwerkingtreding van deze verordening met terugwerkende kracht kunnen worden goedgekeurd. Overigens bepaalt artikel 34, lid 1, van deze verordening dat de aanmeldingen van overeenkomsten die op grond van met name verordening nr. 17 bij de Commissie zijn gedaan, met ingang van 1 mei 2004 vervallen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verweersters in de hoofdgedingen de in die gedingen aan de orde zijnde gedragingen hoe dan ook niet hadden aangemeld.
64 De in punt 55 van dit arrest in herinnering gebrachte overwegingen hebben het Hof bovendien ertoe gebracht, de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties te beperken om bepaalde overeenkomsten nietig te verklaren voor de inwerkingtreding van de in artikel 83, lid 1, EG bedoelde bepalingen die daarop van toepassing zouden worden. (...)
66 Anders dan bij de in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak, die betrekking heeft op de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om bepaalde overeenkomsten nietig te verklaren vóór de inwerkingtreding van de in artikel 83, lid 1, EG bedoelde bepalingen die daarop van toepassing zouden worden, hebben de hoofdgedingen, zoals uit de verwijzingsbeslissing volgt, betrekking op na de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 verricht onderzoek naar de verenigbaarheid met artikel 81, lid 1, EG van gedragingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hebben plaatsgevonden. Toen de beroepen in de hoofdgedingen werden ingesteld, had de Uniewetgever door de vaststelling van deze verordening en verordening nr. 411/2004 zijn in punt 65 van dit arrest bedoelde bevoegdheid ten aanzien van de sector van de luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van derde landen dus al uitgeoefend, zodat het niet gerechtvaardigd zou zijn om de mogelijkheid van de verwijzende rechter te beperken om artikel 81, lid 1, EG toe te passen op de gedragingen in de hoofdgedingen.
67 Tegen die achtergrond belet de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat met betrekking tot deze gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG of artikel 85 EG is vastgesteld, deze rechter niet om artikel 81 EG op die gedragingen toe te passen teneinde te beoordelen of er sprake is van een inbreuk op laatstgenoemd artikel en, in voorkomend geval, vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade te gelasten."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "68 Wat in de tweede plaats de uitlegging van artikel 53 EER‑Overeenkomst betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit artikel in dezelfde bewoordingen als artikel 81 EG een verbod instelt op overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de EER wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
69 Bovendien moet worden benadrukt dat de EER‑Overeenkomst een integrerend bestanddeel vormt van het Unierecht (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 49).
70 Deze overeenkomst bevestigt opnieuw de bevoorrechte relatie tussen de Unie, haar lidstaten en de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit. Tegen de achtergrond van deze bevoorrechte relatie moet een van de belangrijkste doelstellingen van de EER‑Overeenkomst worden begrepen, namelijk de uitbreiding van de op het grondgebied van de Unie tot stand gebrachte interne markt tot de EVA-staten. In deze optiek beogen meerdere bepalingen van deze Overeenkomst een zo uniform mogelijke interpretatie ervan te waarborgen in de gehele EER. Het is de taak van het Hof om er in dit kader over te waken dat de regels van de EER‑Overeenkomst die in wezen gelijk zijn aan die van het VWEU, in alle lidstaten uniform worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Hieruit volgt dat artikel 53 van de EER‑Overeenkomst, dat in essentie identiek is aan artikel 81 EG, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als dit laatste artikel.
72 Voorts zijn verordening nr. 1/2003 en verordening nr. 411/2004 in het kader van de EER‑Overeenkomst van toepassing geworden na de inwerkingtreding op 19 mei 2005 van besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 (...)
73 In die omstandigheden zijn de in de punten 47 tot en met 67 van dit arrest uiteengezette overwegingen, voor zover de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde gedragingen de handel tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst ongunstig kunnen beïnvloeden – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan – mutatis mutandis van toepassing op de uitlegging van artikel 53 van deze Overeenkomst in de hoofdgedingen.
74 Zoals de Noorse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in essentie hebben opgemerkt en zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft uiteengezet, kan in dat verband het ontbreken van een met artikel 84 EG gelijkwaardige bepaling in de EER‑Overeenkomst niet afdoen aan deze gevolgtrekking, aangezien deze bepaling, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, niet van invloed is op de bevoegdheid waarover de nationale rechterlijke instanties krachtens de rechtstreekse werking van artikel 81 EG beschikken."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "De artikelen 81, 84 en 85 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter bevoegd is om in een privaatrechtelijk geschil betreffende een na de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] bij hem ingestelde vordering tot schadevergoeding, artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte toe te passen op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en een ander derde land dan Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 mei 2004, op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2002, en op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een tot de Europese Economische Ruimte behorend land dat geen lidstaat is en een derde land die hebben plaatsgevonden vóór 19 mei 2005, ook al is met betrekking tot die gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG dan wel artikel 85 EG vastgesteld, voor zover die gedragingen de handel tussen lidstaten respectievelijk de handel tussen de partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte ongunstig konden beïnvloeden."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "91 In so far as it constitutes an economic activity, the practice of sport is subject to the provisions of EU law applicable to such activity (see, to that effect, judgments of 12 December 1974, Walrave and Koch, 36/74, EU:C:1974:140, paragraph 4, and of 16 March 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, paragraph 27).
92 Only certain specific rules which were adopted solely on non-economic grounds and which relate to questions of interest solely to sport per se must be regarded as being extraneous to any economic activity. That is the case, in particular, of those on the exclusion of foreign players from the composition of teams participating in competitions between teams representing their country or the determination of ranking criteria used to select the athletes participating individually in competitions (see, to that effect, judgments of 12 December 1974, Walrave and Koch, 36/74, EU:C:1974:140, paragraph 8; of 15 December 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, paragraphs 76 and 127; and of 11 April 2000, Deliège, C‑51/96 and C‑191/97, EU:C:2000:199, paragraphs 43, 44, 63, 64 and 69).
93 Apart from those specific rules, the rules issued by sporting associations and, more broadly, the conduct of the associations which adopted them come within the scope of the FEU Treaty provisions on competition law where the conditions of application of those provisions are met (see, to that effect, judgment of 18 July 2006, Meca-Medina and Majcen v Commission, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, paragraphs 30 to 33), which means that those associations may be categorised as ‘undertakings’ within the meaning of Articles 101 and 102 TFEU or that the rules at issue may be categorised as ‘decisions by associations of undertakings’ within the meaning of Article 101 TFEU.
94 That may be the case, in particular, regarding rules on a sporting association’s exercise of powers governing prior approval for sporting competitions, the organisation and marketing of which constitute an economic activity for the undertakings involved or planning to be involved therein, including such an association (see, to that effect, judgment of 1 July 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, paragraph 28). The same may also apply to rules that seek to cover the participation of athletes in such events, which constitutes an economic activity where they practise the sport concerned as a professional or semi-professional.
95 That being so, a sporting activity undeniably has specific characteristics which, whilst relating especially to amateur sport, may also be found in the pursuit of sport as an economic activity (see, to that effect, judgment of 13 April 2000, Lehtonen and Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, paragraph 33).
96 The specific characteristics of an economic sector may potentially be taken into account, along with other elements and provided that they are relevant, in the application of Article 101 TFEU and more especially when examining the question whether a particular type of conduct should be considered as having as its ‘object’ or, failing that, ‘effect’, the prevention, restriction or distortion of competition, in the light of the economic and legal context of which it forms a part and the ‘actual conditions’ or ‘actual context’ that characterise the structure and functioning of the sectors or markets concerned (see, to that effect, judgment of 15 December 1994, DLG", C‑250/92, EU:C:1994:413, paragraph 31). Such an assessment may involve taking into account, for example, the nature, organisation or functioning of the sport concerned and, more specifically, how professionalised it is, the manner in which it is practised, the manner of interaction between the various participating stakeholders and the role played by the structures and bodies responsible for it at all levels, with which the Union is to foster cooperation, in accordance with Article 165(3) TFEU.
(...)
112 Meer bepaald heeft het Hof op het gebied van de sport, gelet op de gegevens waarover het beschikte, geoordeeld dat de antidopingregelgeving die is vastgesteld door het IOC, niet valt onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, ook al beperkt zij de handelingsvrijheid van de atleten en heeft zij tot onvermijdelijk gevolg dat de mogelijke concurrentie tussen hen wordt beperkt doordat zij een grenswaarde bepaalt waarboven de aanwezigheid van nandrolon als doping wordt beschouwd, teneinde het eerlijke, integere en objectieve verloop van de sportcompetitie veilig te stellen, de gelijke kansen van de atleten te waarborgen, hun gezondheid te beschermen, en de ethische waarden die de kern van de sport vormen, te doen naleven, waaronder de verdienste (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 43‑55).
113 De in punt 111 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak kan daarentegen niet worden toegepast op gedragingen die niet gewoon tot onvermijdelijk „gevolg” hebben dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt doordat zij de handelingsvrijheid van bepaalde ondernemingen beknotten, maar zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat het gerechtvaardigd is om ze aan te merken als gedragingen die er juist „toe strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Enkel indien het onderzoek van de gedraging die in een concreet geval aan de orde is, uitwijst dat die gedraging er niet toe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, dient bijgevolg aansluitend te worden nagegaan of zij onder die rechtspraak kan vallen (zie in die zin arresten van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69; 4 september 2014, API e.a., C‑184/13–C‑187/13, C‑194/13, C‑195/13 en C‑208/13, EU:C:2014:2147, punt 49, en 23 november 2017, CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International, C‑427/16 en C‑428/16, EU:C:2017:890, punten 51, 53, 56 en 57)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "83 In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat sportbeoefening, voor zover het daarbij gaat om een economische activiteit, onder de Unierechtelijke bepalingen valt die op een dergelijke activiteit van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 4, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 27).
84 Enkel bepaalde specifieke regels die uitsluitend zijn vastgesteld om niet-economische redenen en die betrekking hebben op kwesties waarbij het uitsluitend om de sport als zodanig gaat, kunnen worden beschouwd als regels die niets te maken hebben met een economische activiteit. Dat is met name het geval bij regels op grond waarvan buitenlandse spelers worden uitgesloten van deelname aan competities tussen teams die elk hun land vertegenwoordigen of waarbij criteria worden vastgesteld voor de selectie van atleten die individueel aan competities deelnemen (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 8; 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 76 en 127, en 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 43, 44, 63, 64 en 69).
(...)
87 Tot slot vallen deze regels en, meer algemeen, het gedrag van de verenigingen die deze regels hebben vastgesteld, onder de VWEU-bepalingen betreffende het mededingingsrecht wanneer de voorwaarden voor toepassing van die bepalingen zijn vervuld (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 30‑33), wat betekent dat die verenigingen kunnen worden aangemerkt als „ondernemingen” in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU of dat de regels in kwestie kunnen worden gekwalificeerd als „besluiten van ondernemersverenigingen” in de zin van artikel 101 VWEU.
(...)
89 De regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn, ongeacht of zij uitgaan van de FIFA dan wel van de UEFA, behoren niet tot de regels waarop de in punt 84 van het onderhavige arrest bedoelde uitzondering kan worden toegepast, met betrekking waartoe het Hof herhaaldelijk in herinnering heeft geroepen dat zij beperkt moet blijven tot haar eigenlijke doel en dat zij niet kan worden aangewend om elke sportactiviteit van de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen betreffende het economische recht van de Unie uit te sluiten (zie in die zin arresten van 14 juli 1976, Donà, 13/76, EU:C:1976:115, punten 14 en 15, en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 26).
90 Integendeel, ten eerste vallen de regels inzake de uitoefening door een sportvereniging van bevoegdheden betreffende de voorafgaande toestemming voor sportcompetities, waarvan de organisatie en het in de markt zetten, zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, een economische activiteit vormen voor de ondernemingen die zich daarmee bezighouden of voornemens zijn zich daarmee te bezig te houden, als zodanig binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake het mededingingsrecht (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 28). Om dezelfde reden vallen die regels ook binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake vrij verkeer.
91 Ten tweede vallen ook de regels van de FIFA en de UEFA tot vaststelling van een kader voor de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan internationale clubvoetbalcompetities binnen de werkingssfeer van deze bepalingen. Hoewel deze regels niet voorzien in een formele regeling van de voorwaarden waaronder spelers werken of diensten verrichten of van de voorwaarden waaronder professionele voetbalclubs diensten verrichten of, meer in het algemeen, hun economische activiteit uitoefenen, moeten zij namelijk toch worden geacht een directe uitwerking te hebben op, naargelang het geval, deze arbeid, deze dienstverrichting of de uitoefening van deze economische activiteit, aangezien zij noodzakelijkerwijs van invloed zijn op de mogelijkheid voor spelers en clubs om aan de betrokken competities deel te nemen.
92 Ten derde hebben de regels die de FIFA heeft vastgesteld met betrekking tot de exploitatie van de verschillende rechten in verband met internationale voetbalcompetities, juist tot doel de voorwaarden te regelen waaronder de ondernemingen die eigenaar zijn van deze rechten, deze kunnen exploiteren of de exploitatie ervan aan derde ondernemingen kunnen delegeren, daar deze activiteiten van economische aard zijn. Bovendien hebben deze regels een directe uitwerking op de voorwaarden waaronder deze derde ondernemingen of andere ondernemingen kunnen verwachten dat zij de genoemde rechten exploiteren of dat die rechten aan hen worden overgedragen of toegewezen, in welke vorm dan ook, teneinde bemiddelingsactiviteiten (zoals de doorverkoop van de desbetreffende rechten aan televisieomroepen en andere aanbieders van mediadiensten) of eindactiviteiten (zoals de uitzending of wederdoorgifte van bepaalde wedstrijden op televisie of via internet) te ontplooien die eveneens economisch van aard zijn.
93 Deze verschillende economische activiteiten voor de organisatie van sportcompetities, het in de markt zetten van sportevenementen, de uitzending ervan en de plaatsing van reclame, vullen elkaar overigens aan en zijn zelfs met elkaar verweven, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 56 en 57, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 33).
94 Bijgevolg vallen alle regels van de FIFA en de UEFA waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt binnen de werkingssfeer van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "101 Hieruit volgt dat de bevoegde instellingen van de Unie weliswaar rekening moeten houden met de verschillende aspecten en doelstellingen die in artikel 165 VWEU zijn opgesomd wanneer zij op basis van dat artikel en onder de daarin gestelde voorwaarden stimuleringsmaatregelen of aanbevelingen op het gebied van de sport aannemen, maar dat die aspecten, doelstellingen, stimuleringsmaatregelen en aanbevelingen niet dwingend moeten worden geïntegreerd of in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van de regels waarover de verwijzende rechter het Hof om uitlegging vraagt, ongeacht of deze het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal (artikel 45, 49, 56 en 63 VWEU) dan wel de mededingingsregels (artikelen 101 en 102 VWEU) betreffen. Meer algemeen kan artikel 165 VWEU evenmin worden beschouwd als een bijzondere regel die de sport zou onttrekken aan alle of een deel van de andere bepalingen van het primaire Unierecht die erop kunnen worden toegepast, of die de verplichting zou opleggen om de sport bij die toepassing een speciale behandeling toe te kennen.
102 Ten derde blijft het een feit dat sport, zoals het Hof meermaals heeft vastgesteld, zowel voor de Unie als voor haar burgers een aanzienlijk maatschappelijk en educatief belang heeft, dat thans wordt weerspiegeld in artikel 165 VWEU (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 106, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punten 33 en 34).
103 Bovendien vertoont sport onmiskenbaar specifieke kenmerken die weliswaar met name eigen zijn aan amateursport, maar die niettemin ook kunnen worden aangetroffen waar het gaat om sportbeoefening als economische activiteit (zie in die zin arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 33).
104 Tot slot kunnen dergelijke specifieke kenmerken, naast andere aspecten en voor zover zij relevant zijn, eventueel in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de artikelen 45 en 101 VWEU, doch enkel binnen het kader en met inachtneming van de voorwaarden en de toepassingscriteria waarin elk van deze artikelen voorziet. Dezelfde beoordeling gaat op voor de artikelen 49, 56, 63 en 102 VWEU.
105 In het bijzonder moet, wanneer wordt betoogd dat een regel die door een sportvereniging is vastgesteld een belemmering van het vrije verkeer van werknemers of een mededingingsverstorende regeling vormt, deze kwalificatie in elk geval zijn gebaseerd op een concreet onderzoek van de inhoud van die regel binnen de feitelijke context waarin deze moet worden uitgevoerd (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 98‑103; 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 61‑64, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punten 48‑50). Een dergelijk onderzoek kan vereisen dat rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de aard, de organisatie of de werking van de betrokken sport en, meer bepaald, de mate waarin die sport beroepsmatig wordt uitgeoefend, de wijze waarop zij wordt uitgeoefend, de wisselwerking tussen de verschillende actoren die eraan deelnemen en de rol van de verantwoordelijke structuren of organismen op alle niveaus waarmee de Unie overeenkomstig artikel 165, lid 3, VWEU de samenwerking bevordert."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "119 In de derde en laatste plaats moet, voor zover de door de verwijzende rechter gestelde vragen betrekking hebben op zowel artikel 101 VWEU als artikel 102 VWEU, in herinnering worden gebracht dat een en dezelfde gedraging aanleiding kan geven tot een inbreuk op zowel het ene als het andere artikel, ook al hebben beide bepalingen onderscheiden doelstellingen en hebben zij een verschillende werkingssfeer. Deze artikelen kunnen derhalve gelijktijdig worden toegepast wanneer aan hun respectieve toepassingsvoorwaarden is voldaan [zie in die zin arresten van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 37; 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punt 33, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 146]. Deze artikelen moeten derhalve op coherente wijze worden uitgelegd en toegepast, doch met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk ervan."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "60 Uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter blijkt meer bepaald dat de profvoetbalclubs die aan die competities deelnemen, op grond van die regels in wezen een minimumaantal HGP’s op het wedstrijdblad moeten inschrijven, en dat zij een sanctie krijgen opgelegd indien zij dat vereiste niet naleven. In de regels van de UEFA wordt met de uitdrukking „HGP’s” in feite zowel verwezen naar spelers die zijn opgeleid door de club waarvoor zij spelen, als naar spelers die zijn opgeleid door een andere club die bij dezelfde nationale voetbalbond is aangesloten. In de regels van de KBVB verwijst die uitdrukking uitsluitend naar spelers die zijn opgeleid door „een Belgische club”, dat wil zeggen om het even welke club die bij de KBVB is aangesloten. Dat dergelijke regels aldus de mogelijkheid van de clubs beperken om spelers op het wedstrijdblad in te schrijven en dus voor de betreffende wedstrijd op te stellen, maar niet formeel afdoen aan de mogelijkheid om de betrokken spelers aan te trekken, doet er niet toe, aangezien deelname aan wedstrijden en competities de essentie van de activiteit van de spelers uitmaakt, en die kans op werkgelegenheid bijgevolg eveneens wordt beperkt (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 120, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 50).
61 Bovendien vormt de samenstelling van de ploegen een van de essentiële parameters van de competities waarin de profvoetbalclubs het tegen elkaar opnemen en geven deze competities aanleiding tot een economische activiteit, zodat de regels aan de orde in het hoofdgeding ook moeten worden geacht een directe uitwerking te hebben op die economische activiteit en op de concurrentie tussen de profvoetbalclubs die deze activiteit uitoefenen."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
Extraterritoriale werking
"72 (...) volgt uit de rechtspraak van het Hof dat buiten de EER gevestigde ondernemingen die goederen produceren die in de EER aan derden worden verkocht, wanneer zij de aan hun klanten in de EER in rekening te brengen prijzen onderling afstemmen en aan die afstemming uitvoering geven door tegen daadwerkelijk gecoördineerde prijzen te verkopen, deelnemen aan een onderlinge afstemming die ertoe strekt en tot gevolg heeft dat de mededinging op de interne markt in de zin van artikel 101 VWEU wordt beperkt, en dat de Commissie territoriaal bevoegd is om hiertegen op te treden (zie in die zin arrest Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, EU:C:1993:120, punten 13 en 14)."
HvJ EU 9 juli 2015, nr. C-231/14 P, ECLI:EU:C:2015:451 (InnoLux/Commissie).
Onderneming
"9 (…) Voor de toepassing van artikel 85 van het Verdrag leidt de wijziging van rechtsvorm en naam van een onderneming er niet toe dat er een nieuwe onderneming ontstaat , die voor met de mededinging strijdige gedragingen van eerstgenoemde onderneming niet heeft op te komen , wanneer beide ondernemingen , economisch-rechtelijk gezien , als een en dezelfde onderneming zijn te beschouwen ."
HvJ EG 28 maart 1984, nr. 29 en 30/83, ECLI:EU:C:1984:130, Jurispr. 1984, p. 1699 (Compagnie royale asturienne des mines en Rheinzink/Commissie).
"11 In het kader van het mededingingsrecht moet onder het begrip onderneming worden verstaan een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid , ook al wordt deze economische eenheid gevormd door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen . (...)"
HvJ EG 12 juli 1984, nr. 170/83, ECLI:EU:C:1984:271, Jurispr. 1984, p. 3016 (Hydrotherm Gerätebau/Compact).
Zie ook HvJ EG 14 december 2006, nr. C-217/05, Jurispr. 2006, p. I-11987 (Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio).
"21 In de context van het mededingingsrecht moet worden gepreciseerd, dat enerzijds het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, en dat anderzijds arbeidsbemiddeling een economische activiteit is.
22 De omstandigheid dat de arbeidsbemiddeling gewoonlijk is toevertrouwd aan publiekrechtelijke organen, doet niets af aan het economisch karakter van deze activiteit . (...)"
HvJ EG 23 april 1991, nr. C-41/90, ECLI:EU:C:1991:161, Jurispr. 1991, p. I-2016 (Höfner en Elser/Macrotron).
Zie ook: HvJ EG 11 december 1997, nr. C-55/96, Jurispr. 1997, p. I-7119 (Job Centre).
"78 Voorts sloot het Hof in het arrest Poucet en Pistre (Bew.: 17 februari 1993, nr. C-159/91 en C-160/91, Jurispr. 1993, p. I-637) organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte, op het solidariteitsbeginsel gebaseerde socialezekerheidsstelsels, van dat begrip (Bew.: het begrip onderneming) uit. In het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering waarover het in die zaak moest oordelen, waren de uitkeringen immers voor alle aangeslotenen gelijk, doch waren de bijdragen evenredig aan het inkomen; in het stelsel van ouderdomsverzekering werd de financiering van de ouderdomspensioenen verzekerd door de actieve werknemers en waren de wettelijk vastgestelde pensioenrechten bovendien niet evenredig aan de aan het stelsel betaalde bijdragen; ten slotte droegen de stelsels met een overschot bij aan de financiering van stelsels met structurele financiële problemen. Voor deze solidariteit was noodzakelijk, dat de verschillende stelsels door één orgaan werden beheerd en dat de aansluiting bij die stelsels verplicht was.
79 In het arrest Fédération française des sociétés d’assurance e.a. (Bew.: 16 november 1995, nr. C-244/94, Jurispr. 1995, p. I-4013) daarentegen verklaarde het Hof voor recht, dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat is belast met het beheer van een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering, dat bij wet als facultatief stelsel is ingevoerd en, met inachtneming van de door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen, met name inzake aansluitingsvoorwaarden, bijdragen en uitkeringen, werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag. De facultatieve deelneming, de toepassingvan het kapitalisatiebeginsel en het feit dat de uitkeringen uitsluitend afhingen van de hoogte van de door de rechthebbenden betaalde premies en van de opbrengsten van de door het beheersorgaan verrichte beleggingen, betekenden dat dit orgaan een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met
levensverzekeringsmaatschappijen. Noch het nastreven van een sociaal doel, noch het ontbreken van winstoogmerk, noch de vereisten van solidariteit, noch de andere regels met name betreffende de door het beheersorgaan bij beleggingen in acht te nemen beperkingen, ontnamen aan de door het beheersorgaan verrichte activiteit haar economisch karakter.
(…)
84 (…) dat een bedrijfspensioenfonds als waarom het in het hoofdgeding gaat, een economische activiteit verricht en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreert.
85 In die omstandigheden zijn het ontbreken van winstoogmerk, alsmede de solidariteitsaspecten waarop het Pensioenfonds en de regeringen zich hebben beroepen, niet voldoende om het bedrijfspensioenfonds zijn hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag te ontnemen.
86 Weliswaar zou door het nastreven van een sociaal doel, de eerdergenoemde solidariteitsaspecten en de beperkingen of controles op de investeringen van het bedrijfspensioenfonds de door dit fonds verrichte dienst minder concurrerend kunnen zijn dan de vergelijkbare dienstverrichting van de verzekeringsmaatschappijen, maar dergelijke voorwaarden beletten niet, dat de activiteit van het fonds als een economische activiteit is te beschouwen. Wel zouden zij het uitsluitend recht van een dergelijk orgaan om een aanvullende pensioenregeling te beheren, kunnen rechtvaardigen.
87 Mitsdien is een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag."
HvJ EG 21 september 1999, nr. C-67/96, ECLI:EU:C:1999:430, Jurispr. 1999, p. I-5886-5889 (Albany International/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie).
Zie voor de problematiek m.b.t. de positie van entiteiten belast met sociale verzekeringstaken, ziekenfondsen e.d. tevens HvJ EG 22 januari 2002, nr. C-218/00, Jurispr. 2002, p. I-691 (Cisal dì Battistello Venanzio & C. Sas v. INAIL), en Gerecht EG 4 maart 2003, nr. T-319/99, Jurispr. 2003, p. II-357 (FENIN).
"2) Een pensioenfonds als in de hoofdgedingen aan de orde is, dat zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, dat belast is met het beheer van een door een representatieve organisatie van beoefenaren van een vrij beroep getroffen aanvullende pensioenregeling waarin deelneming door de overheid voor alle beroepsgenoten verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 van het Verdrag, 86 en 90 EG-Verdrag (...)."
HvJ EG 12 september 2000, nr. C-180/98-C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, Jurispr. 2000, p. I-6451 (Pavlov e.a./Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten).
"23 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak eveneens, dat onder een economische activiteit wordt verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt (…)."
HvJ EG 22 januari 2002, nr. C-218/00, ECLI:EU:C:2002:36, Jurispr. 2002, p. I-727 (Cisal).
"48 Advocaten bieden tegen beloning diensten aan op het gebied van de rechtshulp, bestaande uit het geven van adviezen, het redigeren van contracten en andere stukken alsmede de vertegenwoordiging van de cliënt in rechte. Bovendien dragen zij de aan de uitoefening van deze activiteiten verbonden financiële risico's, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.
49 Hieruit volgt dat (…) advocaten een economische activiteit uitoefenen en derhalve ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 85, 86 en 90 van het Verdrag; daaraan doet niet af dat hun diensten complex en technisch van aard zijn, noch dat de uitoefening van hun beroep aan regels gebonden is (...)."
HvJ EG 19 februari 2002, nr. C-309/99, ECLI:EU:C:2002:98, Jurispr. 2002, p. I-1577 (Wouters e.a./Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten).
"51 Vastgesteld moet worden dat de ziekenfondsen van het Duitse wettelijk ziektekostenverzekeringsstelsel, net als de organen die in de zaken Poucet en Pistre in het geding waren, meewerken aan het beheer van het socialezekerheidsstelsel. Zij vervullen dienaangaande een taak van zuiver sociale aard, die berust op het beginsel van solidariteit en ieder winstoogmerk mist.
52 In het bijzonder moet worden benadrukt dat de ziekenfondsen wettelijk verplicht zijn hun verzekerden verplichte verstrekkingen te verlenen, die in wezen identiek zijn en niet afhangen van het bedrag van de premies. De ziekenfondsen hebben geen enkele invloed op deze verstrekkingen.
53 (...) dat de ziekenfondsen een soort op solidariteit gebaseerde gemeenschap vormen ('Solidargemeinschaft') waardoor zij onderling tot een evenwichtige verdeling van kosten en risico’s kunnen komen. (...)
54 De ziekenfondsen concurreren dus niet met elkaar, noch met particuliere instellingen, ter zake van de verplichte wettelijke verstrekkingen op het gebied van zorg of geneesmiddelen, hun belangrijkste taak.
55 Uit deze kenmerken volgt dat de ziekenfondsen veel weg hebben van de organen die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poucet en Pistre, en Cisal, en dat moet worden aangenomen dat zij geen activiteiten van economische aard verrichten.
56 De vrijheid waarover de ziekenfondsen beschikken bij de vaststelling van de hoogte van de premie en bij de onderlinge concurrentie om verzekerden aan te trekken, doet aan deze beoordeling niet af. Zoals uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt, heeft de wetgever immers met betrekking tot de premies een element van concurrentie ingevoerd om in het belang van de goede werking van het Duitse socialezekerheidsstelsel de ziekenfondsen ertoe aan te zetten, hun activiteiten te organiseren volgens de beginselen van goed beheer, namelijk zo efficiënt en goedkoop mogelijk. Dat dit het doel is, verandert niets aan de aard van de activiteiten van de ziekenfondsen.
57 Nu de activiteiten van organen zoals de ziekenfondsen niet van economische aard zijn, volgt daaruit dat deze organen geen ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG."
HvJ EG 16 maart 2004, nr. C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, ECLI:EU:C:2004:150, Jurispr. 2004, p. I-2493 (AOK Bundesverband e.a.).
"42 Zoals evenwel uit de rechtspraak van het Hof volgt, is het sociale doel van een verzekeringsregeling op zich niet voldoende om uit te sluiten dat de betrokken activiteit als economische activiteit wordt aangemerkt (zie in die zin arresten van 21 september 1999, Albany, (...), punt 86 en 12 september 2000, Pavlov e.a., C‑180/98–C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451, punt 118, alsook voormeld arrest Cisal, punt 37).
43 In het bijzonder dient nog te worden nagegaan enerzijds of deze regeling kan worden geacht het solidariteitsbeginsel ten uitvoer te leggen, en anderzijds in hoever zij aan staatstoezicht is onderworpen, hetgeen het economisch karakter van een bepaalde activiteit kan uitsluiten (zie in die zin voormeld arrest Cisal, punten 38‑44)."
HvJ EG 5 maart 2009, nr. C-350/07, ECLI:EU:C:2009:127, Jurispr. 2009, p. I-1513 (Kattner Stahlbau).
"37 Verder zij eraan herinnerd dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof enerzijds gepreciseerd dat in deze context onder het begrip onderneming moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en anderzijds dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor moet dragen (zie arresten van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 95)."
HvJ EU 29 september 2011, nr. C-520/09, ECLI:EU:C:2011:619 (Arkema/ Commissie).
"25 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU geen handelen of zelfs kennis van de vennoten of de voornaamste beheerders van de betrokken onderneming vereist is, maar het handelen van iemand die gerechtigd is om voor rekening van de onderneming te handelen, volstaat (arrest van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 97)."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
"27 (...) Activiteiten in het kader van de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag hebben echter geen economisch karakter dat de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag rechtvaardigt (zie arrest van 12 juli 2012, Compass-Datenbank, C‑138/11, punt 36)."
HvJ EU 12 december 2013, nr. 327/12 (Ministero dello Sviluppo economice e.a. tegen SOA Nazionale Costruttori), ECLI:EU:C:2013:827.
"35 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat, net zoals een autofabrikant door het Hof als een onderneming is erkend, voor zover hij op de markt van de certificering van auto’s conformiteitscertificaten afgeeft die noodzakelijk zijn voor de registratie van die voertuigen (arrest van 11 november 1986, British Leyland/Commissie, 226/84, Jurispr. blz. 3263), de OA’s in het kader van hun certificeringsactiviteit moeten worden beschouwd als „ondernemingen” in de zin van de artikelen 101 VWEU, 102 VWEU en 106 VWEU."
HvJ EU 12 december 2013, nr. 327/12 (Ministero dello Sviluppo economice e.a. tegen SOA Nazionale Costruttori), ECLI:EU:C:2013:827.
- “30 In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals die in het hoofdgeding, doordat zij door een werknemersorganisatie is gesloten namens en voor rekening van de bij deze organisatie aangesloten zelfstandigen, niet het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners en niet op grond van haar aard buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU kan vallen.
31 Deze constatering neemt echter niet weg dat een dergelijke bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden geacht het resultaat te zijn van een sociale dialoog ingeval bedoelde dienstverleners, namens en voor rekening van wie de werknemersorganisatie onderhandelingen heeft gevoerd, in werkelijkheid „schijnzelfstandigen” vormen, dat wil zeggen dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers.
(…-)
37 Gelet op deze beginselen is het derhalve aan de verwijzende rechterlijke instantie – teneinde de zelfstandige remplaçanten in het hoofdgeding niet als „werknemers” in de zin van het recht van de Unie, maar als echte „ondernemingen” in de zin van dat recht te kunnen aanmerken – om te verifiëren dat die remplaçanten zich, ook al zijn zij werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, niet in de omstandigheden bedoeld in de punten 33 tot en met 36 van het onderhavige arrest bevinden, meer in het bijzonder dat zij zich niet in een ondergeschiktheidsrelatie met het betrokken orkest bevinden tijdens de duur van de contractuele verhouding en dus vergeleken met werknemers die hetzelfde werk verrichten over meer zelfstandigheid en flexibiliteit beschikken voor wat betreft de bepaling van het tijdschema, de plaats en de wijze van uitvoering van de toevertrouwde taken, te weten de repetities en concerten.
38 Aangaande in de tweede plaats het doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde collectieve arbeidsovereenkomst moet worden vastgesteld dat het onderzoek aan de hand van de rechtspraak die in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht op dit punt slechts gerechtvaardigd is voor het geval de verwijzende rechterlijke instantie de remplaçanten in het hoofdgeding niet als „ondernemingen”, maar als „schijnzelfstandigen” mocht aanmerken.
39 Vervolgens moet worden opgemerkt dat het bij de bepaling in bijlage 5 bij de collectieve arbeidsovereenkomst ingevoerde stelsel van minimumtarieven rechtstreeks bijdraagt tot verbetering van de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden van die – als „schijnzelfstandigen” aangemerkte – remplaçanten.
40 Niet alleen immers waarborgt een dergelijk stelsel die dienstverrichters een hogere basisbezoldiging dan die waar zij zonder de betrokken bepaling recht op zouden hebben gehad, maar bovendien kan de zelfstandige remplaçant aldus, zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, aan een pensioenverzekering bijdragen overeenkomstig de pensioenbijdrage voor de werknemers in loondienst, waardoor hem de noodzakelijke middelen worden gewaarborgd om in de toekomst een zeker pensioenniveau te genieten.
41 Voor zover een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst minimumtarieven vastlegt voor dienstverrichters die „schijnzelfstandigen” zijn, kan zij bijgevolg op grond van de aard en het doel ervan niet onder de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.”
“Het recht van de Unie moet aldus worden uitgelegd dat de bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals die in het hoofdgeding, die minimumtarieven vastlegt voor zelfstandigen – leden van een van de aangesloten werknemersorganisaties – die voor een werkgever op basis van een overeenkomst van opdracht hetzelfde werk verrichten als werknemers in loondienst van die werkgever, slechts buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU valt indien die dienstverleners „schijnzelfstandigen” zijn, dat wil zeggen dienstverleners die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van die werknemers. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om te verifiëren of dit het geval is.”
HvJ EU 4 december 2014, nr. C-413/13 (FNV Kunsten Informatie en Media tegen Staat der Nederlanden) ECLI:EU:C:2014:2
Verhouding moeder-dochtermaatschappij
“42 In herinnering zij gebracht dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd. Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen (zie arresten van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, Jurispr. blz. I-1, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 53).
43 In het bijzonder kan het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer deze dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 58; reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 54, en arrest van 29 september 2011, Arkema/Commissie, C‑520/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38).
44 In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming namelijk deel uit van één economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG, zodat de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten aan de moedermaatschappij kan richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 59; General Química e.a./Commissie, punt 38, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 55).
45 Teneinde uit te maken of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, moet de Commissie in beginsel rekening houden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punten 73 en 74, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 58).
46 Het Hof heeft gepreciseerd dat een moedermaatschappij, in het bijzondere geval waarin zij 100% van het kapitaal bezit van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, beslissende invloed op het gedrag van deze dochteronderneming kan uitoefenen en dat er in dat geval een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij ook daadwerkelijk dergelijke invloed uitoefent (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 97, en reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 56).
47 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit, om aan te nemen dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich autonoom gedraagt op de markt (reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 61; Elf Aquitaine/Commissie, punt 57, en Arkema/Commissie, punt 41).
(...)
49 Bovendien houdt deze rechtspraak niet in dat de Commissie zich uitsluitend op dat vermoeden moet baseren. Niets belet deze instelling immers om door middel van andere bewijselementen of een combinatie van dergelijke elementen en het voormelde vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochteronderneming uitoefent.
(...)
59 Aangezien de toerekening van een door een dochteronderneming begane inbreuk aan haar moedermaatschappij overeenkomstig de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode grote invloed kan uitoefenen op het bedrag van de geldboete die hoofdelijk aan deze ondernemingen kan worden opgelegd, heeft het Gerecht in punt 156 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat diezelfde logica geldt wanneer de Commissie binnen het door de rechtspraak vastgestelde kader een specifieke methode voor een mededingingsregeling hanteert om vast te stellen of de bedoelde moedermaatschappijen aansprakelijk moeten worden gesteld voor de door hun dochters begane inbreuken."
HvJ EU 19 juli 2012, nrs. C-628/10 P en C-14/11 P (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie), ECLI:EU:C:2012:479.
- "101 Ten gronde heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitoefening van gezamenlijke zeggenschap door twee onderling onafhankelijke moedermaatschappijen over hun dochteronderneming in beginsel niet in de weg staat aan de vaststelling door de Commissie dat tussen één van deze moedermaatschappijen en de betrokken dochteronderneming een economische eenheid bestaat, en dat dit zelfs het geval is wanneer deze moedermaatschappij een kleiner aandeel heeft in het kapitaal van de dochter dan de andere moedermaatschappij (zie in die zin reeds aangehaald arrest AceaElectrabel Produzione/Commissie, punt 64). Bijgevolg geldt a fortiori dat een moedermaatschappij en haar dochter, die zelf de moedermaatschappij van de inbreukmakende onderneming is, kunnen worden geacht om samen een economische eenheid met deze laatste onderneming te vormen."
HvJ EU 19 juli 2012, nrs. C-628/10 P en C-14/11 P (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie), ECLI:EU:C:2012:479.
"50 Met betrekking tot de eerste grief, ontleend aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door de mogelijkheden voor een moedermaatschappij te hebben beperkt om het vermoeden van beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming te weerleggen waarvan zij het volledige aandelenkapitaal in handen heeft, moet erop worden gewezen dat het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat het aan de moedermaatschappij staat om hem het bewijsmateriaal over te leggen betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen haar dochteronderneming en haarzelf waaruit kan blijken dat zij geen economische eenheid vormen.
51 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat een moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, ter weerlegging van het vermoeden dat zij daadwerkelijk beslissende invloed op deze laatste uitoefent, elk gegeven betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen haarzelf en haar dochter waaruit blijkt dat zij geen economische eenheid vormen, aan de rechter van de Unie ter beoordeling dient over te leggen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
52 Anders dan rekwirantes betogen, moet voorts worden opgemerkt dat dit vermoeden, aangezien het weerlegbaar is en dus in elk individueel geval kan worden weerlegd met een beroep op alle door het Gerecht vermelde factoren, niet automatisch leidt tot het toerekenen van de aansprakelijkheid aan de moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid waarop het mededingingsrecht van de Unie is gebaseerd."
HvJ EU 20 januari 2011, nr. C-90/09 P (Geneal Química e.a. tegen Commissie),ECLI:EU:C:2011:21.
- "50 Met betrekking tot het betoog van Eni dat dit vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed in strijd is met het legaliteitsbeginsel, het persoonlijke karakter van de straffen, de persoonlijke aansprakelijkheid en de rechtszekerheid, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat dit vermoeden juist een evenwicht beoogt te scheppen tussen het belang van, enerzijds, de doelstelling om gedrag dat inbreuk maakt op de mededingingsregels, en met name op artikel 101 VWEU, te beteugelen en te voorkomen dat het zich opnieuw voordoet en, anderzijds, eisen die sommige algemene beginselen van het recht van de Unie stellen, zoals onder meer het vermoeden van onschuld, het persoonlijke karakter van straffen en de rechtszekerheid, alsook de rechten van de verdediging, waaronder het beginsel van equality of arms. Met name om die reden is het vermoeden weerlegbaar (zie in die zin met name arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 59)."
HvJ EU 8 mei 2013, nr. C-508/11 (Eni tegen Commissie), ECLI:EU:C:2013:289.
"86 Gelet op deze overwegingen kan derhalve niet worden uitgesloten dat een houdstermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie die zijn begaan door een dochteronderneming van haar groep waarvan zij het aandelenkapitaal niet rechtstreeks in handen heeft, voor zover deze houdstermaatschappij beslissende invloed over die dochter uitoefent, zelfs indirect via een tussenliggende vennootschap. Dit is met name het geval wanneer een dochteronderneming haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt ten aanzien van deze tussenliggende onderneming, die zelf evenmin autonoom op de markt optreedt, maar in hoofdzaak de haar door de houdstermaatschappij gegeven instructies uitvoert.
87 In een dergelijke situatie behoren de houdstermaatschappij, de tussenliggende vennootschap en laatstgenoemde dochteronderneming van het concern tot eenzelfde economische eenheid, en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.
88 Zoals de advocaat-generaal in de punten 62 en 63 van zijn conclusie heeft aangegeven, volgt hieruit dat in het bijzondere geval waarin een houdstermaatschappij alle aandelen van een tussenliggende vennootschap bezit die op haar beurt het volledige kapitaal van een dochteronderneming van het concern in handen heeft die een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie heeft gepleegd, het weerlegbare vermoeden rijst dat deze houdstermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van de tussenliggende vennootschap uitoefent, en indirect, via deze laatste, ook op het gedrag van voornoemde dochteronderneming.
89 In die specifieke situatie heeft de Commissie dan ook het recht om de houdstermaatschappij hoofdelijk te verplichten tot betaling van de geldboete die aan laatstgenoemde dochteronderneming van het concern is opgelegd, tenzij deze houdstermaatschappij dit vermoeden weerlegt door aan te tonen dat hetzij de tussenliggende vennootschap hetzij bedoelde dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (zie, naar analogie, arresten Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, punt 29, en Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 61, beide reeds aangehaald)."
HvJ EU 20 januari 2011, nr. C-90/09 P (Geneal Química e.a. tegen Commissie),ECLI:EU:C:2011:21.
"41 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, betekent de enkele omstandigheid dat een entiteit in een gegeven geval geen bewijs overlegt ter weerlegging van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar dochteronderneming, nog niet dat dit vermoeden in geen enkel geval kan worden weerlegd (arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I‑8947, punt 66)."
HvJ EU 26 november 2013; nr. C-58/12 P (Groupe Gascogne tegen Commissie), ECLI:EU:C:2013:770.
- "45 In dit verband zij eraan herinnerd dat een rechtspersoon die geen inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, in bepaalde omstandigheden niettemin kan worden bestraft voor het inbreukmakende gedrag van een andere rechtspersoon, wanneer beide personen deel uitmaken van dezelfde economische entiteit en aldus de onderneming vormen die artikel 81 EG heeft geschonden.
46 Zo is het vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie met name arrest Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, reeds aangehaald, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 De betrokken moedermaatschappij wordt in het kader van een dergelijke verticale kapitaalsverhouding weliswaar geacht zelf de inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht te hebben gepleegd, maar haar aansprakelijkheid voor de inbreuk is volledig afgeleid van die van haar dochteronderneming (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C‑286/11 P, punten 43 en 49, en 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, punt 55).
48 De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete (zie met name arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, Jurispr. blz. I‑2239, punt 98).
49 Het Gerecht heeft dus in punt 150 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat wanneer meerdere personen persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de deelname aan een inbreuk die door één en dezelfde onderneming is gepleegd in de zin van het mededingingsrecht, zij volgens de rechtspraak hoofdelijk aansprakelijk moeten worden geacht voor deze inbreuk."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-231/11 P en C-233/11 P (Commissie tegen Siemens AG Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution Ltd e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:256
"34 Wanneer een beschikking waarbij de mededingingsregels van de Unie worden toegepast, meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekenbaarheid van de inbreuk, moet zij bovendien een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens deze beschikking de financiële gevolgen van deze inbreuk moeten dragen. Zo dient een dergelijke beschikking ten aanzien van een moedermaatschappij die aansprakelijk wordt gesteld voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter, in beginsel de redenen uiteen te zetten die de toerekening van de inbreuk aan deze vennootschap rechtvaardigen (arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., reeds aangehaald, punt 75).
35 Wat meer bepaald een beschikking van de Commissie betreft waarin deze zich ten aanzien van bepaalde adressaten uitsluitend beroept op het vermoeden dat zij daadwerkelijk een beslissende invloed hebben uitgeoefend, moet worden vastgesteld dat de Commissie hoe dan ook gehouden is om deze adressaten afdoende de redenen uiteen te zetten waarom de aangevoerde gegevens, feitelijk en rechtens, niet volstonden om dit vermoeden te weerleggen, omdat dit vermoeden anders de facto onweerlegbaar wordt (arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I‑8947, punt 153).
(...)
42 Met betrekking tot een beschikking zoals de onderhavige, waarbij, zoals reeds is opgemerkt in punt 37 van het onderhavige arrest, een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij wordt toegerekend op grond van een methode die op een dubbele basis berust, waarbij het vermoeden dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend wordt gecombineerd met bewijzen die uitvoerig in deze beschikking worden uiteengezet, zij opgemerkt dat een dergelijke globale beoordeling in beginsel voldoet aan de door de Commissie te verstrekken motivering, aangezien zij de moedermaatschappij inzicht verschaft in de redenen waarom de Commissie heeft besloten om haar aansprakelijk te stellen voor de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk.
(...)
91 Voorts kan de Commissie, zoals zij zelf terecht heeft gesteld, niet gehouden zijn om in een situatie waarin het vermoeden geldt dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend, aan te tonen dat de moedermaatschappij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de organisatorische, economische en juridische banden met haar dochterondernemingen in het kader van concrete omstandigheden die verband houden met daadwerkelijke gedragingen op de betrokken markt, in voorkomend geval door dit vermoeden te laten spelen in het kader van de toepassing van de methode van de dubbele basis, zoals in casu is gebeurd, aangezien een dergelijke verplichting dit vermoeden elk nut zou ontnemen."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
"49 Volgens vaste rechtspraak kan immers worden aangenomen dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming gedurende de periode van de inbreuk deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en aldus één enkele onderneming in de zin van het Unierecht vormen, indien het inbreukmakende gedrag van de dochter aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend. In die omstandigheden kan de Commissie de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter tijdens die periode en dus voor de betaling van de aan deze laatste opgelegde geldboete (zie in die zin met name arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., reeds aangehaald, punten 44 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Gelet op dit stevig gevestigde beginsel heeft het Gerecht in punt 200 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Commissie zich in de litigieuze beschikking op het standpunt kon stellen dat de loutere omstandigheid dat de dochteronderneming die de inbreuk heeft gepleegd en de moedermaatschappij waaraan deze inbreuk kan worden toegerekend, ten tijde van de vaststelling van de inbreukbeschikking van de Commissie geen deel meer uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus van één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG, niet verhindert dat de Commissie gebruikmaakt van de mogelijkheid om deze vennootschappen hoofdelijk een geldboete op te leggen, zodat geen specifieke motivering op dit punt vereist was."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257
"28 Wat vervolgens het argument betreft dat de concrete toepassing van dit vermoeden, zoals deze is verricht door de Commissie en is bevestigd door het Gerecht, van dit vermoeden een onweerlegbaar vermoeden maakt, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat het feit dat het moeilijk is om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van een vermoeden noodzakelijk is, op zich niet impliceert dat het vermoeden de facto onweerlegbaar is (zie met name arrest ENI/Commissie, C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 68 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
30 Wat vervolgens het feit betreft dat T., een lid van de raad van bestuur van FLSmidth, tussen de jaren 1994 en 1999 verantwoordelijke functies binnen de raden van bestuur van de twee betrokken vennootschappen cumuleerde, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 32 van het bestreden arrest te oordelen dat dit aantoonde dat de directies van deze twee vennootschappen met elkaar verweven waren en dat Trioplast Wittenheim zich niet onafhankelijk van haar moedermaatschappij kon gedragen. Zoals het Gerecht eveneens heeft beklemtoond, brengt de functie van lid van de raad van bestuur van een vennootschap naar de aard ervan een wettelijke aansprakelijkheid mee voor alle activiteiten van die vennootschap, daaronder begrepen het marktgedrag ervan, en zou de door FLSmidth geponeerde stelling dat deze functie louter formeel is, impliceren dat deze functie elke wettelijke inhoud verliest."
HvJ EU 30 april 2014, nr.C-238/12 P (FLSmidt tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:284.
- "27 Wat ten eerste het vermeende onrechtmatige vermoeden betreft, dat in het mededingingsrecht van de Unie wordt toegepast wanneer een onderneming rechtstreeks of indirect het volledige kapitaal van een andere onderneming in handen heeft en dat inhoudt dat zij beslissende invloed uitoefent op deze onderneming, hoeft enkel in herinnering te worden gebracht dat de gegrondheid van dit vermoeden voortvloeit uit vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arrest The Dow Chemical Company/Commissie, C‑179/12 P, EU:C:2013:605, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts is de toepassing van dit vermoeden, zoals het Hof eveneens reeds heeft geoordeeld, geenszins in strijd met het in artikel 48 van het Handvest en artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld, gelet met name op het weerlegbare karakter ervan (zie met name arrest Eni/Commissie, C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 19 juni 2014, nr. C-243/12 P (FLS Plast tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2006.
- "96 Voor zover Del Monte opmerkt dat uit alle bewijsstukken die betrekking hebben op haar contacten met Weichert blijkt dat het gedrag van deze laatste niet voldeed aan haar verwachtingen, zij eraan herinnerd dat het, zoals de advocaat-generaal in de punten 101, 103 en 104 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet nodig is dat de dochteronderneming alle instructies van haar moedermaatschappij opvolgt om het bestaan van een beslissende invloed aan te tonen, zolang het maar niet de regel is dat de instructies niet worden opgevolgd."
HvJ EU 24 juni 2015n nrs. C-293/13 P en C-294/13 P (Fresh Del Monte Produce tegen Commissie en Commissie tegen Fresh Del Monte Produce), ECLI:EU:C:2015:416.
"211 Het Gerecht constateert in dat verband dat de Unierechter zich tot op heden nog niet heeft uitgesproken over de vraag naar de voorwaarden waaronder de Commissie een dochteronderneming aansprakelijk kan houden wanneer die dochteronderneming, zoals in casu, rechtstreeks heeft deelgenomen aan het inbreukmakende gedrag van haar moedermaatschappij.
212 Het is vaste rechtspraak dat het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die eenheid en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat in die context onder het begrip onderneming een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid voor die inbreuk moet dragen (zie arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, EU:C:2011:21, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
213 In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij in het bezit is van het gehele kapitaal van haar dochteronderneming die de mededingingsregels heeft geschonden, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming (arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 60). Het volstaat dus dat de Commissie aantoont dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in bezit is van haar moedermaatschappij om te veronderstellen dat laatstgenoemde beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190, punt 98).
214 Dit is in casu het geval. Biogaran was een volle dochteronderneming van Servier toen de Biogaran-overeenkomst werd gesloten en het uit deze vaststelling voortvloeiende vermoeden is niet weerlegd (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60‑65). Benadrukt moet immers worden dat Biogaran niet heeft aangetoond dat zij haar commerciële beleid autonoom ten opzichte van Servier bepaalde. De hierboven besproken bewijzen van het bestaan van een onlosmakelijk verband tussen de twee overeenkomsten bevestigen dat Servier beslissende invloed op het gedrag van Biogaran had en dat zij die macht ook heeft gebruikt. Om de autonomie van Biogaran ten opzichte van Servier te bewijzen, geeft verzoekster te kennen dat de bestuurders van Biogaran nooit een functie binnen Servier hebben vervuld. Aan de hand van dat gegeven kan het vermoeden dat Servier beslissende invloed op Biogaran heeft uitgeoefend, echter niet worden weerlegd (zie in die zin arrest van 16 september 2013, Roca/Commissie, T‑412/10, EU:T:2013:444, punt 76). De andere door verzoekster gestelde omstandigheden, inhoudende dat zij zelfstandig op de markt opereerde via bedrijfsruimten, merken en activa die zich van die van Servier onderscheidden en bovendien nog als generieke onderneming, laten alleen zien dat Biogaran een van Servier onderscheiden rechtspersoon is, maar kunnen niet het vermoeden weerleggen dat Servier beslissende invloed op Biogaran uitoefende.
215 Biogaran was ten tijde van de sluiting van de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche dus de dochteronderneming van Servier en zij vormde met haar moedermaatschappij één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht.
216 De Commissie kon dus op goede op goede gronden op basis van het begrip „onderneming” tot het oordeel komen dat Servier en Biogaran hoofdelijk aansprakelijk waren voor het hun verweten gedrag, zodat de handelingen van de ene of de andere van hen moeten worden geacht door één en dezelfde onderneming te zijn verricht (zie in die zin arresten van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, EU:T:2002:70, punten 524 en 525, en 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑112/05, EU:T:2007:381, punt 62; zie in die zin en naar analogie ook arresten van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, EU:C:1974:18, punt 41, en 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, EU:C:2000:632, punten 26‑28).
217 De omstandigheid dat de door de Commissie geconstateerde inbreuk op artikel 101 VWEU in het onderhavige geval ten dele het gevolg is van het gedrag van de moedermaatschappij en ten dele het gevolg van het gedrag van de dochteronderneming, terwijl de situaties van hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming die het vaakst aan de Unierechter worden voorgelegd het gevolg zijn van het gedrag van alleen de dochteronderneming, kan aan die conclusie niet afdoen.
218 Indien het mogelijk is om de moedermaatschappij de verantwoordelijkheid voor een door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk toe te kennen en dus om die twee vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de inbreuk die is gepleegd door de onderneming die zij samen vormen, zonder in strijd met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid te handelen, geldt dat a fortiori immers ook voor de situatie waarin de inbreuk die is gepleegd door de economische eenheid die de moedermaatschappij en haar dochteronderneming met elkaar vormen, het gevolg is van het samenspel van de gedragingen van die twee vennootschappen.
219 Zoals de Commissie terecht opmerkt, had het bestreden besluit tot Servier kunnen worden gericht voor zover het de door Biogaran als medepleger begane inbreuk betreft, zelfs wanneer uit niets zou zijn gebleken dat Servier bij de inbreuk betrokken was. Het bestreden besluit had al helemaal tot Servier kunnen worden gericht als een met haar dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijke moedermaatschappij, aangezien elk van beide ondernemingen rechtstreeks deel had aan de inbreuk.
220 De Commissie heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche door dezelfde ondernemingen waren gesloten, namelijk de groep Servier, enerzijds, en de vennootschap Niche, anderzijds, en dat de inbreuk op artikel 101 VWEU kon worden toegerekend aan de groep Servier. Dit rechtvaardigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van Servier als moedermaatschappij en haar dochteronderneming Biogaran, aangezien het samenspel van hun respectieve heimelijke gedragingen tot de totstandbrenging van de inbreuk had bijgedragen. Dit geldt temeer daar de heimelijke gedragingen van de twee vennootschappen nauw met elkaar verbonden waren, aangezien er onlosmakelijke verbanden tussen de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche waren, zoals de Commissie heeft aangetoond.
(...)
225 In de derde plaats zou afbreuk worden gedaan aan het begrip economische eenheid indien de Commissie, zoals verzoekster stelt, zou moeten bewijzen dat de dochteronderneming wist van de heimelijke gedragingen van de moedermaatschappij om de inbreuk aan de groep toe te rekenen. Dan zou voor elk bestanddeel van de inbreuk als gevolg van het handelen van de ene of de andere van die twee vennootschappen moet worden bewezen dat de dochteronderneming wist van de door haar moedermaatschappij nagestreefde doelstellingen, terwijl er bij het begrip onderneming in de zin van het mededingingsrecht van wordt uitgegaan, op basis van het vermoeden van de uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar volle dochteronderneming, dat de dochteronderneming binnen het kader van de door haar moedermaatschappij nagestreefde doelstellingen handelt, onder het bestuur en de zeggenschap van die laatste. Zoals het Hof heeft geoordeeld, is de voorwaarde voor toerekening aan de betrokken onderneming van de verschillende inbreukmakende gedragingen die tezamen de mededingingsregeling vormen, vervuld wanneer de onderneming, zelfs op ondergeschikte, accessoire of passieve wijze, aan de tenuitvoerlegging ervan heeft deelgenomen (zie in die zin arresten van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punten 117‑126, en 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 133).
226 Indien verzoeksters stelling werd aanvaard, zou de vaststelling van inbreuken op het mededingingsrecht binnen groepen van vennootschappen moeilijker worden gemaakt, terwijl het vermoeden van zeggenschap van de moedermaatschappij over de volle dochteronderneming bedoeld is om te voorkomen dat inbreukmakende gedragingen alleen worden toegerekend aan de dochterondernemingen die rechtstreeks daarvoor verantwoordelijk zijn en dus aan handhavend optreden op het niveau van de groep ontsnappen. Het zou voor een moedermaatschappij immers volstaan om de inbreukmakende gedragingen tussen haarzelf en haar dochteronderneming te verdelen en dan te stellen dat de dochteronderneming niet wist van de heimelijke gedragingen van de moedermaatschappij opdat het bestanddeel van de inbreuk als gevolg van de rechtstreekse deelname van de dochteronderneming aan de inbreuk aan alleen de dochteronderneming zou worden toegerekend. Dat zou betekenen dat de strijd tegen mededingingsverstorende gedragingen minder doeltreffend wordt, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging kan worden gevonden in de eerbiediging van het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid voor inbreuken.
(...)
230 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het mogelijk is dat een onderneming slechts aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortdurende inbreuk bestaat, rechtstreeks heeft deelgenomen, maar dat zij wel kennis had van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op diezelfde doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk houden voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in zijn geheel (zie arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 119).
231 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk houden voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 120)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegrn Commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
- "32 Uit vaste rechtspraak volgt tevens dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect in het bezit is van het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, deze moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bovendien het weerlegbare vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij daadwerkelijk dergelijke invloed uitoefent. Dat de Commissie bewijst dat het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, levert dan ook op zichzelf reeds het vermoeden op dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van die dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij die moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, voldoende bewijs overlegt om aan te tonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag zelfstandig bepaalt (arrest van 28 oktober 2020, Pirelli & C./Commissie, C‑611/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:868, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Tenzij dat vermoeden wordt weerlegd, impliceert het dus dat de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar dochteronderneming wordt geacht vast te staan en de Commissie het recht geeft om deze moedermaatschappij verantwoordelijk te houden voor het gedrag van haar dochteronderneming, zonder dat de Commissie aanvullend bewijs hoeft aan te dragen. De toepassing van het vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed hangt bijgevolg niet af van de overlegging van aanvullende aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P–C‑461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
35 Uit de in de punten 31 tot en met 33 van dit arrest aangehaalde rechtspraak blijkt echter dat niet het feit dat de moedermaatschappij het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit als zodanig ten grondslag ligt aan het vermoeden dat zij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent, maar wel de mate waarin zij zeggenschap heeft over haar dochteronderneming ten gevolge van dat bezit. Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 50 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat een moedermaatschappij die alle aan de aandelen in haar dochteronderneming verbonden stemrechten kan uitoefenen, zich in dat opzicht bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van een vennootschap die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, zodat de moedermaatschappij in staat is om de economische en commerciële strategie van de dochteronderneming te bepalen. Een moedermaatschappij die alle aan de aandelen in haar dochteronderneming verbonden stemrechten kan uitoefenen, kan immers net zoals een moedermaatschappij die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van die dochteronderneming.
37 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door rekwirantes overige argumenten.
38 Ten eerste moet het vermoeden dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming namelijk in het bijzonder een evenwicht tot stand brengen tussen enerzijds het belang van de doelstelling om gedrag dat inbreuk maakt op de mededingingsregels en meer bepaald op artikel 101 VWEU te beteugelen alsook te voorkomen dat het zich opnieuw voordoet, en anderzijds de vereisten die voortvloeien uit bepaalde algemene beginselen van Unierecht, zoals met name het beginsel van het vermoeden van onschuld, het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en het rechtszekerheidsbeginsel alsook de rechten van de verdediging, waaronder het beginsel van processuele gelijkheid (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Het is juist dat – zoals rekwirante aanvoert – de identificatie van de personen die de aan de aandelen in een vennootschap verbonden stemrechten kunnen uitoefenen, in voorkomend geval moeilijker kan blijken te zijn dan de vaststelling aan welke personen die aandelen toebehoren. Niets wijst er echter op dat dergelijke moeilijkheden de rechtszekerheid kunnen aantasten. Het ligt namelijk voor de hand dat een moedermaatschappij die weliswaar niet alle of nagenoeg alle aandelen in haar dochteronderneming in handen heeft, maar zich alle aan die aandelen verbonden stemrechten heeft voorbehouden of deze stemrechten heeft verworven, er niet onkundig van kan zijn dat dit het geval is.
40 Daarnaast zij eraan herinnerd dat de Commissie geenszins verplicht is om zich uitsluitend op vorenbedoeld vermoeden te baseren. Niets belet die instelling namelijk om door middel van andere bewijzen of een combinatie van dergelijke bewijzen en dat vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P–C‑461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73.
- "67 Wat de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat bij het onderzoek of een moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het marktgedrag van haar dochteronderneming, rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden die verband houden met de economische, organisatorische en juridische banden tussen de moederonderneming en haar dochteronderneming, en dus met de economische realiteit. Voorts kan uit een reeks onderling overeenstemmende gegevens worden afgeleid dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van de dochteronderneming, ook al volstaat geen van die gegevens op zichzelf beschouwd om van een dergelijke invloed te kunnen spreken (arrest van 18 januari 2017, Toshiba/Commissie, C‑623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Uit de rechtspraak volgt eveneens dat het Gerecht in dat verband zijn beoordeling moet baseren op feiten die zich tijdens de inbreukperiode hebben voorgedaan, hetgeen evenwel onverlet laat dat het Gerecht rekening kan houden met gegevens die betrekking hebben op een eerdere periode, voor zover het kan aantonen dat deze gegevens relevant zijn voor de inbreukperiode en het de uit de beoordeling van die oudere gegevens voortvloeiende conclusies niet automatisch toepast op de inbreukperiode (arrest van 16 juni 2016, Evonik Degussa en AlzChem/Commissie, C‑155/14 P, EU:C:2016:446, punt 34)."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73
- "93 Ten vierde moet met betrekking tot rekwirantes argument dat uit de rechtspraak volgt dat enkel een gelijktijdige uitoefening van functies de moedermaatschappij noodzakelijkerwijs in een positie brengt waarin zij beslissende invloed kan uitoefenen op het marktgedrag van haar dochteronderneming, en dat dit in casu niet het geval was, in herinnering worden gebracht dat – zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 107 van het bestreden arrest – uit de rechtspraak volgt dat een economische eenheid tussen de moedermaatschappij en haar dochteronderneming niet alleen kan voortvloeien uit de formele betrekking tussen beide, maar ook op informele wijze kan ontstaan, met name doordat er sprake is van een personele vervlechting tussen de juridische entiteiten die een dergelijke economische eenheid vormen (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, C‑440/11 P, EU:C:2013:514, punt 68).
94 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter niet dat de personele vervlechting tussen twee vennootschappen in dit verband alleen relevant kan zijn wanneer functies gelijktijdig worden uitgeoefend. De relevantie van een dergelijke personele vervlechting is immers gelegen in het feit dat deze erop kan wijzen dat een persoon weliswaar werkzaam is voor een bepaalde vennootschap, maar in werkelijkheid de belangen van een andere vennootschap nastreeft, gelet op zijn banden met die andere vennootschap. Dat kan ook het geval zijn wanneer een persoon die deel uitmaakt van de raad van bestuur van een vennootschap, met een andere vennootschap banden heeft via „eerdere diensten van adviesverlening” of „adviesverleningsovereenkomsten”, zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 106 van het bestreden arrest."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73.
Overeenkomsten, onderling afgestemde gedragingen, besluiten van ondernemersverenigingen
Algemeen
"Dat, terwijl uit de algemene aard der gebezigde bewoordingen het oogmerk blijkt om alle in die bepaling omschreven categorieen van afspraken zonder onderscheid te treffen, anderzijds haar restrictief karakter zich er tegen verzet het daarin vervatte verbod uit te breiden buiten de drie limitatief opgesomde categorieen van afspraken;"
HvJ EG 27 februari 1968, nr. 24/67, ECLI:EU:C:1968:11, Jur. XIV (1968), p. 106 (Parke, Davis/Probel e.a.).
"Overwegende dat artikel 85, lid 1, allereerst het raam vaststelt binnen hetwelk het verbod toepassing zal vinden en dan overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen noemt;
dat waar in dit verband gelijkelijk overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen alsook onderling afgestemde feitelijke gedragingen - waarbij een groot aantal deelnemers betrokken kan zijn - worden genoemd, zulks impliceert dat op alle bestanddelen dier overeenkomsten, besluiten en gedragingen mag worden gelet;"
HvJ EG 12 december 1967, nr. 23/67, ECLI:EU:C:1967:54, Jur. 1967, p. 523 (Brasserie De Haecht/Wilkin en Jansen).
"(...) (Bew.: 12 Overwegende dat,) wanneer ondernemersafspraken vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot stand kwamen, het nodig - en voldoende - is dat zij hun werking nog na bedoeld tijdstip uitoefenen."
HvJ EG 18 februari 1971, nr. 40/70, ECLI:EU:C:1979:236, Jur. 1971, p. 83 (Sirena/Eda e.a.).
"64 Overwegende dat zo artikel 85 het begrip 'onderling afgestemde feitelijke gedraging' van die der 'overeenkomsten tussen ondernemingen' of 'besluiten van ondernemersverenigingen' onderscheidt, daarbij de bedoeling voorzit onder de verboden van dit artikel een vorm van coördinatie tussen ondernemingen te begrijpen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking;"
HvJ EG 14 juli 1972, nr. 48/69, ECLI:EU:C:1972:70, Jur. 1972, p. 620 (Imperial Chemical Industries/Commissie).
Zie ook HvJ EU 11 september 2014, nr. C-382/12 P, ECLI:EU:C:2014:2201 (Mastercard/Commissie).
"30 Overwegende dat wanneer , gelijk in casu , ondernemersafspraken niet meer van kracht zijn , het voor de toepasselijkheid van artikel 85 voldoende is dat zij na hun formele beëindiging hun werking nog uitoefenen ;
31 dat een ondernemersafspraak slechts dan wordt geacht haar werking nog uit te oefenen , indien de handelwijze der betrokkenen implicite van de aan ondernemersafspraken eigen afstemmings- en coördinatie-elementen doet blijken en hetzelfde resultaat oplevert als met de ondernemersafspraak werd beoogd ;"
HvJ EG 15 juni 1976, nr. 51/75, ECLI:EU:C:1976:85, Jur. 1976, p. 847, 905, 947 (EMI Records/CBS).
"85 (...) betogen dat de Commissie de artikelen 85 en 190 EEG-Verdrag heeft geschonden , doordat zij de aanbeveling ten onrechte als een overeenkomst tussen ondernemingen , als besluit van een ondernemersvereniging of als verbindend voor verzoekers heeft beschouwd . Om een dergelijke overeenkomst te vormen zou de aanbeveling de kenmerken van een naar nationaal recht gesloten verplicht contract moeten vertonen . In het onderhavige geval zou het echter niet om een dergelijk contract gaan , aangezien de bindende werking ontbreekt .
86 Dit argument kan niet worden aanvaard . verzoekers - leden van FEDETAB - hebben de Commissie in casu laten weten dat zij zich bij de aanmelding van de aanbeveling aansloten en hebben tijdens de procedure voor het hof toegegeven dat zij deze sedert 1 december 1975 hebben opgevolgd . Hieruit volgt dat de aanbeveling de getrouwe uitdrukking van de wil van verzoekers vormt om zich op de Belgische sigarettenmarkt overeenkomstig de bewoordingen van de aanbeveling te gedragen . aan de voor toepassing van artikel 85 , lid 1 , noodzakelijke voorwaarden is derhalve voldaan ."
HvJ EG 29 oktober 1980, nr. 209-215 en 218/78, ECLI:EU:C:1980:248, Jur. 1980, p. 3249 (Heintz van Landewijck e.a./Commissie).
Zie ook: HvJ EG 11 januari 1990, nr. C-277/87, ECLI:EU:C:1989:363, Jur. 1990, p. I-45 (Sandoz/Commissie).
"77 (…) (Bew.: zijn) het juridisch kader waarin dergelijke overeenkomsten (...) worden gesloten en dergelijke besluiten (...) worden vastgesteld , alsmede de juridische kwalificatie die in de verschillende nationale rechtsordes aan dit kader worden gegeven , niet van invloed (...) voor de toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels en inzonderheid van artikel 85 EEG-Verdrag."
HvJ EG 30 januari 1985, nr. 123/83, ECLI:EU:C:2001:390, Jur. 1985, p. 423 (Bureau national interprofessionnel du cognac/Guy Clair).
"17 Artikel 85 zou overigens ook van toepassing zijn geweest indien de uitgevers na de beëindiging van de oude overeenkomst hun parallel gedrag zouden hebben voortgezet zonder dat een nieuwe overeenkomst tot stand was gekomen . (...) Het mededingingsstelsel van de artikelen 85 e.v . EEG-Verdrag is meer geïnteresseerd in de economische gevolgen van overeenkomsten - en van iedere vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie - dan in de rechtsvorm ervan ."
HvJ EG 3 juni 1985, nr. 243/83, ECLI:EU:C:1985:284, Jur. 1985, p. 2040 (Binon/Agence et messageries de la presse).
"125 Met betrekking tot de vraag, of de Commissie mocht concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk, in artikel 1 van de beschikking gekwalificeerd als 'een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen', zij eraan herinnerd, dat de verschillende waargenomen onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de verschillende gesloten overeenkomsten, waar zij alle hetzelfde doel hadden, stelsels vormden van regelmatige bijeenkomsten en van vaststellingen van richtprijzen en quota.
126 Deze stelsels pasten in het kader van een aantal door de betrokken ondernemingen ondernomen stappen die waren gericht op één economisch doel, te weten het verstoren van de normale ontwikkeling van de prijzen op de polypropyleenmarkt. Het zou derhalve kunstmatig zijn, deze voortgezette gedraging, die wordt gekenmerkt door één enkel doel, op te splitsen in verschillende gedragingen en als even zovele inbreuken te beschouwen. Verzoekster is immers jarenlang betrokken geweest bij een geïntegreerd complex van stelsels, die één enkele inbreuk uitmaken, waaraan geleidelijk gestalte is gegeven door zowel verboden overeenkomsten als verboden onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
127 De Commissie was bovendien gerechtigd, die inbreuk als 'een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen' te kwalificeren, aangezien sommige elementen als 'overeenkomst' en andere als 'onderling afgestemde feitelijke gedraging' moesten worden aangemerkt. Gezien het complexe karakter van de inbreuk moet de dubbele kwalificatie in artikel 1 van de beschikking van de Commissie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-1/89, ECLI:EU:T:1991:56, Jur. 1991, p. II-868 (Rhône-Poulenc/Commissie).
"231 Bovendien mocht de Commissie, waar zij rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de gevolgen van de prijsinitiatieven zich tot november 1983 deden gevoelen, zich op het standpunt stellen, dat de inbreuk in elk geval tot in november 1983 heeft voortgeduurd. Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 85 namelijk ook van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren (...)."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-2/89, ECLI:EU:T:1991:75, Jur. 1991, p. II-1087 (Petrofina/Commissie).
"211 Derhalve mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat verzoekster, door (...) deel te nemen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, zich heeft aangesloten bij de polypropyleenproducenten die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot (...) (Bew.: concurrentiebeperkende gedragingen), en dat zij daarmee in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft deelgenomen aan een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-3/89 (Atochem/Commissie), ECLI:EU:T:1991:58, Jur. 1991, p. II-1177
"155 Daar de Commissie echter was geslaagd in het bewijs, dat Hüls had deelgenomen aan bijeenkomsten van ondernemingen met een duidelijk mededingingsbeperkend karakter, stond het aan Hüls om aanwijzingen te verstrekken waaruit bleek dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam. (...)"
HvJ EG 8 juli 1999, nr. C-199/92 P (Hüls/Commissie), ECLI:EU:C:1999:358, Jur. 1999, p. I-4385 .
"57. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448.
"81 Volgens vaste rechtspraak volstaat het dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten tijdens welke mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van die onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (zie arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 155, en Commissie/Anic Partecipazioni, C-42/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 96).
82 Aan dit rechtsbeginsel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden.
83 De beginselen die zijn ontwikkeld in de rechtspraak waaraan in punt 81 van dit arrest is herinnerd, gelden ook voor de deelneming aan de uitvoering van één enkele overeenkomst. Om de deelneming van een onderneming aan een dergelijke overeenkomst vast te stellen, dient de Commissie aan te tonen, dat deze onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de materiële gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of in praktijk brachten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 87).
84 In dat verband leidt de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen en dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, ertoe dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk waarvoor de onderneming in het kader van één enkele overeenkomst aansprakelijk kan worden gesteld.
85 Bovendien ontslaat de omstandigheid dat een onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van een vergadering met een mededingingsverstorend doel, haar niet van haar aansprakelijkheid voor haar deelneming aan een mededingingsregeling, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud daarvan heeft gedistantieerd (zie arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punt 50)."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448 .
- "258. Een schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging. Deze uitlegging kan niet worden betwist met het argument, dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging op zich ook afzonderlijk een schending van die bepaling kunnen opleveren (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 81). Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de verantwoordelijkheid voor die handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448.
- "41 Volgens vaste rechtspraak kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortgezette gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 81, en arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 258).
42 Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (reeds aangehaalde arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punten 87 en 203, en Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 83).
43 Een onderneming kan aldus rechtstreeks hebben deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor de inbreuk in zijn geheel. Een onderneming kan ook slechts rechtstreeks hebben deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar kennis hebben gehad van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit een dergelijke inbreuk bestaat, en dus voor de inbreuk in zijn geheel.
44 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan één of meer mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, kan de Commissie haar uitsluitend aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor die gedragingen welke de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde als de door haar nagestreefde doelstellingen en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.
45 Dat mag evenwel niet tot gevolg hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen ten aanzien waarvan haar deelname vaststaat of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, is immers niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 90, en Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 86).
46 Een dergelijke opsplitsing van een beschikking van de Commissie waarbij een globaal kartel wordt aangemerkt als één enkele voortgezette inbreuk is echter slechts mogelijk indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat werd gesteld te begrijpen dat haar tevens elk van de gedragingen waaruit die inbreuk bestond, ten laste werd gelegd, en dus dienaangaande verweer te voeren, én indien die beschikking op dit punt voldoende duidelijk is.
47 Hieruit volgt dat wanneer is voldaan aan de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden, de rechter van de Unie, indien hij vaststelt dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat een onderneming, toen zij deelnam aan een van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit één enkele voortgezette inbreuk bestaat, de andere mededingingsverstorende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, daaraan geen andere gevolgtrekking dient te verbinden dan dat deze onderneming niet aansprakelijk kan worden gesteld voor die andere gedragingen en dus evenmin voor de enkele voortgezette inbreuk in zijn geheel, en dat de bestreden beschikking slechts in zoverre ongegrond moet worden geacht."
HvJ EU 6 december 2012, nr. C-441/11 P (Commissie tegen Verhuizingen Coppens), ECLI:EU:C:2012:778.
- "70 In dat verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 57, en arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725, punt 94).
71 Wanneer zij algemeen worden beoordeeld, kunnen dergelijke aanwijzingen en samenloop van omstandigheden niet enkel uitsluitsel geven over het bestaan van mededingingsverstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortgezette mededingingsverstorende gedraging of over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsvoorschriften gesloten overeenkomst werd toegepast (zie in die zin arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, punten 95 en 96).
72 Wat het ontbreken van bewijs voor het bestaan van een overeenkomst gedurende bepaalde perioden betreft, of althans voor de tenuitvoerlegging ervan door een onderneming in een welbepaalde periode, zij eraan herinnerd dat het feit dat dit bewijs niet is geleverd voor welbepaalde tijdvakken er niet aan in de weg staat dat de inbreuk wordt aangemerkt als bestaand gedurende een totale periode die langer is dan deze tijdvakken mits een dergelijke vaststelling op objectieve en overeenstemmende aanwijzingen berust. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, heeft het feit dat zich in verschillende tijdvakken, met langere of kortere tussenpozen, manifestaties van het kartel voordoen, geen invloed op het bestaan van dit kartel, voor zover met de verschillende handelingen die deel uitmaken van de inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele voortgezette inbreuk (zie in die zin arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, punten 97 en 98).
73 Uit de rechtspraak volgt tevens dat de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen of dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, tot gevolg heeft dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk, waarvoor de betrokken onderneming aansprakelijk is (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 84)."
HvJ EU 6 december 2012, nr. C-441/11 P (Commissie tegen Verhuizingen Coppens), ECLI:EU:C:2012:778.
"22 Volgens de rechtspraak van het Hof is derhalve slechts in situaties waarin een onderneming heeft deelgenomen aan mededingingsverstorende bijeenkomsten, vereist dat zij zich daarvan publiekelijk distantieert en daarmee het onontbeerlijke bewijs levert ter weerlegging van het in het voorgaande punt bedoelde vermoeden, maar is een dergelijke distantiëring niet in alle gevallen vereist om de deelname aan de inbreuk te beëindigen.
23 Voor zover het niet gaat om de deelname aan afzonderlijke mededingingsverstorende bijeenkomsten, maar om de deelname aan een inbreuk die zich uitstrekt over verschillende jaren, vloeit uit de rechtspraak van het Hof namelijk voort dat het feit dat een onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd, slechts één van de elementen is die in aanmerking moeten worden genomen met het oog op de vaststelling of een onderneming daadwerkelijk is blijven deelnemen aan een inbreuk of die deelname juist heeft stopgezet (zie in deze zin arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 75).
(...)
26 Er zij aan herinnerd dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57, alsmede Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 70).
27 Wat met name een inbreuk betreft die zich over verschillende jaren uitstrekt, heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat er geen rechtstreeks bewijs is dat een onderneming gedurende een bepaald tijdvak heeft deelgenomen aan deze inbreuk, er niet aan in de weg staat dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld, mits deze vaststelling op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen berust (zie in deze zin arresten Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punten 97 en 98, en Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 72).
28 Immers, ook al is een publieke distantiëring niet het enige middel voor een bij een kartel betrokken onderneming om te bewijzen dat zij haar deelname aan dat kartel heeft beëindigd, dat laat onverlet dat een dergelijke distantiëring een belangrijk gegeven is waaruit kan blijken dat een mededingingsverstorende gedraging is beëindigd. Het feit dat een onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd, vormt een feitelijke situatie die de Commissie kan aanvoeren als bewijs dat een onderneming het mededingingsverstorende gedrag heeft voortgezet. Ingeval er in de loop van een periode van enige omvang verschillende heimelijke bijeenkomsten zijn gehouden waaraan de vertegenwoordigers van de betrokken onderneming niet hebben deelgenomen, moet de Commissie haar oordeel echter ook op ander bewijsmateriaal baseren."
HvJ EU 17 september 2015, nr. C-634/13 P (Total Marketing Services tegen Commissie), ECLI:EU:C:2015:614.
"172 Volgens de rechtspraak van het Hof kan een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dat is het geval wanneer vaststaat dat deze onderneming door haar eigen gedrag wilde bijdragen aan de door alle deelnemers nagestreefde gemeenschappelijke doelstellingen en dat zij kennis had van de inbreukmakende gedragingen die door andere ondernemingen werden overwogen of verricht in hun streven naar dezelfde doelstellingen, of dat zij ze redelijkerwijs kon voorzien of bereid was het risico daarvan te aanvaarden (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 157).
173 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 44, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159)."
TvR EU 26 september 2018, nr. C-99/17 P (Infineon Technologies v Commission), ECLI:EU:C:2018:773.
"243 Selon une jurisprudence constante, une violation de l’article 101 TFUE peut résulter non seulement d’un acte isolé, mais également d’une série d’actes ou bien encore d’un comportement continu, quand bien même un ou plusieurs éléments de cette série d’actes ou de ce comportement continu pourraient également constituer, en eux-mêmes et pris isolément, une violation de ladite disposition. Ainsi, lorsque les différentes actions des entreprises concernées s’inscrivent dans un « plan d’ensemble », en raison de leur objet identique faussant le jeu de la concurrence à l’intérieur du marché commun, la Commission est en droit d’imputer la responsabilité de ces actions en fonction de la participation à l’infraction considérée dans son ensemble (voir arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 41 et jurisprudence citée).
244 En effet, une entreprise peut n’avoir directement participé qu’à une partie des comportements anticoncurrentiels composant l’infraction unique et continue, mais avoir eu connaissance de l’ensemble des autres comportements infractionnels envisagés ou mis en œuvre par les autres participants à l’entente dans la poursuite des mêmes objectifs, ou avoir pu raisonnablement les prévoir et avoir été prête à en accepter le risque, mais également les éventuels bénéfices. Dans un tel cas, la Commission est en droit d’imputer à cette entreprise la responsabilité de l’ensemble des comportements anticoncurrentiels composant une telle infraction et, par la suite, de celle‑ci dans son ensemble (arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 43 ; voir, également, arrêt du 26 janvier 2017, Duravit e.a./Commission, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, point 119 et jurisprudence citée).
245 Il s’ensuit, d’abord, que, pour constater l’existence d’une infraction unique, il appartient à la Commission d’établir que les accords ou les pratiques concertées dont il s’agit, tout en portant sur des biens, des services ou des territoires distincts, s’inscrivent dans un plan d’ensemble mis en œuvre sciemment par les entreprises concernées, en vue de la réalisation d’un objectif anticoncurrentiel unique (arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 168).
246 Or, des liens de complémentarité entre des accords ou des pratiques concertées constituent des indices objectifs de l’existence d’un plan d’ensemble. Il existe de tels liens, par exemple, lorsque lesdits accords ou lesdites pratiques visent à faire face à une ou à plusieurs conséquences du jeu normal de la concurrence et contribuent, par leur interaction, à la réalisation d’un objectif unique anticoncurrentiel (voir arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 169).
247 La Commission est en tout cas tenue d’examiner tous les éléments factuels susceptibles d’établir ou de remettre en cause un plan d’ensemble (arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 169 ; voir également, en ce sens, arrêt du 28 avril 2010, Amann & Söhne et Cousin Filterie/Commission, T‑446/05, EU:T:2010:165, point 92 et jurisprudence citée). À cette fin, elle doit tenir compte notamment de la période d’application, du contenu, y compris des méthodes employées, et, corrélativement, de l’objectif des différents agissements en question (arrêt du 23 janvier 2014, Gigaset/Commission, T‑395/09, non publié, EU:T:2014:23, point 103). En outre, le fait que les mêmes personnes aient été impliquées dans l’ensemble des agissements anticoncurrentiels tend à montrer la complémentarité de ces derniers (voir, en ce sens, arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 197).
248 Ensuite, s’agissant de l’élément intentionnel permettant d’établir la participation d’une entreprise à une infraction unique et continue, il convient de rappeler que l’existence d’une telle infraction ne signifie pas nécessairement qu’une entreprise participant à l’une ou à l’autre de ses activités collusoires puisse être tenue pour responsable de l’ensemble de cette infraction. Encore faut-il que la Commission démontre d’abord que cette entreprise devait connaître l’ensemble des opérations anticoncurrentielles mises en œuvre, à l’échelle de l’EEE, par les autres entreprises parties à l’entente ou, en tout état de cause, qu’elle pouvait raisonnablement prévoir de tels comportements. Autrement dit, la seule identité d’objet entre un accord auquel a participé une entreprise et une entente globale ne suffit pas pour imputer à cette entreprise la participation à l’entente dans son ensemble. En effet, l’article 101 TFUE ne s’applique que s’il y a une concordance de volontés entre les parties concernées (voir, en ce sens, arrêts du 10 octobre 2014, Soliver/Commission, T‑68/09, EU:T:2014:867, point 62, et du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 172).
249 Dès lors, il appartient à la Commission d’établir que l’entreprise ayant participé à une infraction par des comportements spécifiques qui lui étaient propres entendait néanmoins s’associer, par ces comportements, aux objectifs poursuivis par l’ensemble des participants et qu’elle avait connaissance des comportements infractionnels envisagés ou mis en œuvre par les autres entreprises dans la poursuite de ces mêmes objectifs ou qu’elle pouvait raisonnablement les prévoir, de sorte qu’elle était prête à accepter le risque d’une telle participation dans la perspective d’obtenir, le cas échéant, des bénéfices importants, quoique illégaux, d’une telle participation (voir, en ce sens, arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 42)."
Gerecht EU 28 maart 2019, nr. T-433/16 (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:201.
"30 Wat de beëindiging van de deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk betreft, is het vaste rechtspraak dat in het mededingingsstelsel van de artikelen 101 en 102 VWEU meer gewicht wordt toegekend aan de economische gevolgen van overeenkomsten of elke vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie dan aan de juridische vorm ervan. Wanneer mededingingsregelingen niet meer van kracht zijn, is het voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU dan ook voldoende dat zij na de formele beëindiging van de heimelijke contacten effect blijven sorteren. Hieruit volgt dat de duur van de inbreukperiode kan worden beoordeeld aan de hand van de periode waarin de beschuldigde ondernemingen zich op een met die bepaling strijdige wijze hebben gedragen. Zo kan de duur van de inbreuk zich uitstrekken tot de gehele periode waarin de onrechtmatig afgesproken prijzen zijn toegepast, ook al zou de mededingingsregeling formeel gesproken reeds hebben opgehouden te bestaan (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
35 Wanneer er sprake is van op grond van artikel 101, lid 1, VWEU verboden gedragingen die bestaan in de manipulatie van een openbare aanbestedingsprocedure door middel van een overeenkomst tussen concurrenten over de in het kader van die procedure in te dienen prijzen en/of over de gunning van de betreffende opdracht, verdwijnen de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling in beginsel uiterlijk op het tijdstip waarop de wezenlijke kenmerken van de opdracht – met name de totale prijs die moet worden betaald voor de goederen, de werkzaamheden of de diensten waarop de aanbesteding betrekking heeft – definitief zijn vastgesteld, in voorkomend geval doordat een overeenkomst is gesloten tussen de geselecteerde inschrijver en de aanbestedende dienst. Vanaf dat tijdstip is de aanbestedende dienst immers definitief de mogelijkheid ontnomen om de goederen, werkzaamheden of diensten in kwestie onder normale marktvoorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten. In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht – met name de totale prijs die voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie moet worden betaald – definitief zijn vastgesteld.
36 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument dat de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse, de Duitse en de Letse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, te weten dat de schadelijke economische gevolgen van de mededingingsregeling voor de in de overeenkomst tussen Eltel en Fingrid afgesproken prijs zich manifesteerden totdat de laatste tranche van deze prijs was betaald en dat dit op de downstream markt schadelijke economische gevolgen kon hebben, met name in de vorm van hogere elektriciteitsdistributietarieven voor de klanten van Fingrid.
37 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 39 van zijn conclusie, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling – die bestaan in de uitsluiting van concurrerende inschrijvers en/of de eventueel kunstmatige beperking van de keuze van de klant, en die afbreuk doen aan de mogelijkheid waarover de aanbestedende dienst beschikt om de overeengekomen goederen, werkzaamheden of diensten onder concurrerende voorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten – en anderzijds de uit die mededingingsregeling voortvloeiende ruimere economische gevolgen die schadelijk zijn voor de overige marktdeelnemers, die daarvoor – zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt – bij de nationale rechter schadevergoeding kunnen vorderen.
38 Voorts zijn de kwesties betreffende de verjaringstermijn van een dergelijke vordering tot schadevergoeding en van een eventuele vordering van de aanbestedende dienst die ertoe strekt de rechtmatigheid van de aanbesteding te betwisten of de overeenkomst te doen ontbinden, juridische kwesties die losstaan van de kwesties betreffende de datum waarop een inbreuk op de mededingingsregels is beëindigd en de termijn waarbinnen een sanctie voor deze inbreuk kan worden opgelegd vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.
39 Evenmin kan worden ingestemd met het door de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse en de Duitse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument dat het met het doeltreffendheidsvereiste van artikel 101 VWEU in strijd zou zijn om in een situatie als in het hoofdgeding een te korte duur van de inbreuk in aanmerking te nemen, omdat de toepassing van de verjaringsregels tot gevolg zou hebben dat een groter aantal inbreuken onbestraft blijft.
40 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 45 en 46 van zijn conclusie, is in het Unierecht – overeenkomstig beginselen die kenmerkend zijn voor een rechtsunie – als beginsel aanvaard dat er een verjaringstermijn geldt voor het optreden van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om inbreuken op artikel 101 VWEU te vervolgen en te bestraffen, zodat de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze bepaling geen rechtvaardiging kan vormen om de duur van de inbreukperiode kunstmatig te verlengen teneinde de vervolging ervan mogelijk te maken."
"Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling zou hebben deelgenomen waarbij het meest recente bestanddeel van deze inbreuk bestond in het feit dat die onderneming in het kader van een aanbestedingsprocedure met het oog op de gunning van een overheidsopdracht voor werkzaamheden een offerte heeft ingediend die was afgestemd op die van haar concurrenten, deze aanbestedingsprocedure heeft gewonnen en met de aanbestedende dienst een overeenkomst voor de uitvoering van die werkzaamheden heeft gesloten waarin de wezenlijke kenmerken van deze opdracht worden vastgesteld – met name de totale prijs die voor de betreffende werkzaamheden moet worden betaald – en waarbij zowel de uitvoering van de werkzaamheden als de betaling van de prijs in de tijd is gespreid, de inbreukperiode eindigt op het tijdstip van ondertekening van de overeenkomst die tussen de betrokken onderneming en de aanbestedende dienst is gesloten op basis van de door die onderneming ingediende, op de offerte van haar concurrenten afgestemde offerte. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht – met name de totale prijs die voor de werkzaamheden moet worden betaald – definitief zijn vastgesteld."
HvJ EU 14 januari 2021, nr. C-450/19 (Kilpailu- ja kuluttajavirasto), ECLI:EU:C:2021:10.
- "114 Uit deze rechtspraak volgt dat de Commissie, ook al beschikt zij niet over bewijzen van de inbreuk voor welbepaalde tijdvakken, zich op het standpunt kan stellen dat de inbreuk of de deelname van een onderneming daaraan niet onderbroken is wanneer de verschillende van deze inbreuk deel uitmakende handelingen hetzelfde doel dienen en kunnen passen in het kader van één enkele voortdurende inbreuk, en wanneer de betrokken onderneming zich niet heeft beroepen op aanwijzingen of bewijzen waaruit blijkt dat zij de inbreuk of haar deelname daaraan juist niet heeft voortgezet tijdens die tijdvakken."
HvJ EU 18 maart 2021, nr. 440/19 P (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:214.
- "112 In dit verband moet worden benadrukt dat het mogelijk is dat een onderneming slechts aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, rechtstreeks heeft deelgenomen, maar op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit die inbreuk bestaat, en dus voor die inbreuk in haar geheel (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 Hieruit volgt ook dat in een dergelijk geval met de omstandigheid dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, slechts rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van het bedrag van de geldboete (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 54).
114 In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling bovendien niet ter zake dat deze regeling met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken aan het licht treedt, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk (arrest van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 169)
(...)
122 In dergelijke omstandigheden kan een tijdsverloop van ongeveer acht maanden tussen twee van de contacten waaraan rekwirantes hebben deelgenomen, zelfs indien dit zou vaststaan, niet afdoen aan hun deelname aan de betrokken enkele voortdurende inbreuk.
123 Hoe dan ook kunnen rekwirantes zich niet beroepen op het arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie (C‑99/17 P, EU:C:2018:773), om te beweren dat het Gerecht had moeten nagaan of de deelname van rekwirantes aan de gestelde enkele voortdurende inbreuk door een periode van ongeveer acht maanden zonder bewezen mededingingsbeperkende contacten ter discussie kwam te staan. Terwijl de punten 50 tot en met 52 van dat arrest betrekking hebben op een analyse van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, heeft het Hof in punt 53 van dat arrest omtrent een inbreuk die zich over een bepaalde periode uitstrekt, immers in herinnering gebracht dat het feit dat de mededingingsregeling zich heeft voorgedaan in verschillende perioden die door een korter of langer tijdsverloop kunnen zijn gescheiden, geen invloed heeft op het bestaan van deze mededingingsregeling, aangezien met de verschillende handelingen die deel uitmaakten van deze inbreuk één enkel doel werd nagestreefd en deze handelingen pasten in het kader van één enkele voortdurende inbreuk."
HvJ Eu 16 juni 2022, nr. C-697/19 P (Sony tegen Europese Commissie), ECLI:EU:C:2022:478.
Overeenkomst
- « dat in het Verdrag in het geheel niet wordt onderscheiden naar gelang partijen in hetzelfde stadium dan wel in verschillende stadia van het proces van voortbrenging en verdeling werkzaam zijn ( horizontale onderscheidenlijk verticale overeenkomsten ); »
HvJ EG 30 juni 1966, nr. 56-65 (LTM tegen MBU), Jurispr. 1966, p. 413.
- ‘Overwegende dat zowel de tekst van artikel 85 als die van artikel 86 zich verzetten tegen een onderscheiding tussen beide bepalingen, naar gelang van de plaats welke partijen in de verschillende fasen van het economische proces innemen; dat artikel 85, hetwelk in het algemeen spreekt van alle overeenkomsten welke de mededinging op de gemeenschappelijke markt vervalsen, deze niet onderscheidt naar gelang zij zijn gesloten tussen concurrenten die zich in dezelfde economische fase, dan wel in verschillende fasen bevinden; dat men zich in beginsel van het maken van onderscheidingen dient te onthouden waar het Verdrag zulks niet doet’
HvJ EG 13 juli 1966 (Consten en Grundig tegen Commissie, 56 en 58/64), Jurispr. XII (1966), p. 512.
- ‘110 Overwegende dat het gentlemen's agreement, (...)een beperking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt ten doel had;
111 dat partijen bij de exportovereenkomst zich over en weer bereid hadden verklaard het gentlemen's agreement in acht te nemen en erkennen zulks (...) te hebben gedaan;
112 dat bedoelde handeling dus de getrouwe weergave bevatte van de gezamenlijke wil der leden van het kartel ten aanzien van hun gedrag op de gemeenschappelijke markt;
113 dat zij bovendien het beding bevatte dat schending van het gentlemen's agreement ipso facto een schending van de exportovereenkomst zou opleveren;
114 dat voor de beslissing of, en zo ja, tot welke der categorieen van bij artikel 85, paragraaf 1, verboden handelingen, het gentlemen's agreement behoort, derhalve met deze samenhang rekening moet worden gehouden;’
HvJ EG 15 juli 1970 (ACF Chemiefarma tegen Commissie), 41/69), Jur. XVI (1970), p. 696.
- « 29 dat volgens hen (Bew. Verzoeksters) een overeenkomst tussen verenigingen slechts onder deze bepaling (Bew.: artikel 85 lid 1) kan vallen, als daaruit dadelijk tussen de aangesloten ondernemingen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen ontstaan, hetgeen in casu niet het geval is, omdat de uit hoofde van de overeenkomst aan de leden opgelegde verplichtingen slechts door de verenigingen zelve kunnen worden afgedwongen;
30 verwegende dat artikel 85, lid 1, van toepassing is op verenigingen, voor zover haar eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de in die bepaling bedoelde gevolgen teweeg te brengen; »
HvJ EG 15 mei 1975 ("Frubo" tegen Commissie, 71/74), Jurispr. 1975, p. 583.
- «41 dat deze mondelinge afspraken tussen beide firma ' s overeenkomsten in de zin van artikel 85 , lid 1, vormden , die meebrachten dat Theal in Nederland absolute gebiedsbescherming werd verleend ;»
HvJ EG 20 juni 1978 (Tepea tegen Commissie, 28/77), Jurispr. 1978, p. 1416.
- « 30 De Belgische concessiehouders , met inbegrip van de leden van de adviescommissie , die hun instemming met de circulaire van BMW Belgium van 29 september 1975 hebben betuigd , zijn , door van hun instemming blijk te geven , een dergelijke overeenkomst aangegaan , waarvan de inhoud door genoemde circulaires nauwkeurig is bepaald .
(…)
36 Voor wat betreft het medeplegen van deze inbreuk door de Belgische concessiehouders die de circulaire van BMW Belgium van 29 september 1975 hebben ondertekend , moge het waar zijn dat hun economische afhankelijkheid van BMW Belgium hen in hun ondernemings- en beslissingsvrijheid kon beknotten , doch dit neemt niet weg dat het hun daardoor niet onmogelijk werd gemaakt instemming met de hun voorgestelde overeenkomst te weigeren , hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat een groot aantal concessiehouders zich van een akkoordverklaring heeft onthouden . »
HvJ EG 12 juli 1979 (BMW Belgium e.a. tegen Commissie, 32/78 en 36/78 tot 82/78), Jurispr. 1979, p. 2477-2478.
- « 38 Een dergelijke gedraging van de producent (Bew.: de weigering om distributeurs toe te laten tot een selectief verkoopsysteem, hoewel zij voldoen aan de kwalitatieve criteria ervan) is geen eenzijdige handeling die , gelijk AEG meent , aan het verbod van artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag ontsnapt . Zij valt veeleer binnen de sfeer van de contractuele betrekkingen die de onderneming met haar wederverkopers onderhoudt . Immers , wanneer een handelaar in het distributiestelsel wordt opgenomen , berust zijn toelating op de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding door de contractanten van de door AEG gevoerde politiek , die onder meer inhoudt dat handelaren die wel aan de toelatingsvoorwaarden voldoen doch niet bereid zijn met deze politiek in te stemmen , van het dealernet worden uitgesloten .
39 Derhalve moeten zelfs beslissingen waarbij een toelating wordt geweigerd , als tot de contractuele betrekkingen met erkende handelaren behorende handelingen worden beschouwd , aangezien zij ertoe strekken , de naleving te waarborgen van de concurrentiebeperkende afspraken die de grondslag vormen van de overeenkomsten tussen fabrikanten en erkende handelaren . Gevallen van niet-toelating van handelaren die aan voornoemde kwalitatieve vereisten voldoen , leveren dan ook het bewijs van een onrechtmatige toepas sing van het stelsel , wanneer het gezien hun aantal kan worden uitgesloten , dat het gaat om sporadische , niet tot een stelselmatige gedraging terug te brengen gevallen . »
HvJ EG 25 oktober 1983 (AEG tegen Commissie, 107/82), Jurispr. 1983, p. 3195.
- « 19 (...) Artikel 85 moet aldus worden uitgelegd , dat het van toepassing is op een dergelijke overeenkomst , wanneer daarover is onderhandeld en zij is gesloten door personen die , ofschoon door de overheid benoemd , afgezien van de twee rechtstreeks door de minister benoemde personen , door de desbetreffende beroepsorganisaties zijn voorgedragen en derhalve moeten worden geacht bij het onderhandelen en sluiten van deze overeenkomst deze organisaties te vertegenwoordigen .
20 Hieraan moet worden toegevoegd , dat een overeenkomst tussen twee groepen economische subjecten , zoals de ' ' groep ' ' wijnbouw en de ' ' groep ' ' handel , als een overeenkomst tussen ondernemers of ondernemersverenigingen moet worden aangemerkt . De omstandigheid dat deze groepen zich in het kader van een lichaam als het BNIC verenigen , heeft niet tot gevolg dat hun overeenkomst aan de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag wordt onttrokken . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 423.
- « 23 (...) dat een handeling van de overheid , die erop is gericht de overeenkomst verbindend te maken voor alle betrokken economische subjecten , ook indien zij geen partij waren bij de overeenkomst , niet tot gevolg kan hebben , dat de overeenkomst aan de toepassing van artikel 85 , lid 1 , wordt onttrokken . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 424.
- « 25 De omstandigheid dat een overeenkomst die ertoe strekt de vrije mededinging te verhinderen , is ondertekend door de voorzitter of de directeur van de organisatie waarbinnen zij is gesloten , zonder dat zulks door de nationale wet is voorgeschreven , is niet van invloed op de toepasselijkheid van de bepalingen van artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 424.
_ « 15 (…) Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verbiedt bepaalde "overeenkomsten" en maakt daarbij geen enkel onderscheid tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen, en overeenkomsten die een ander doel nastreven . Hierbij zij aangetekend, dat het oordeel over een dergelijke minnelijke regeling niet vooruitloopt op de vraag, of en in hoeverre een voor een nationaal gerecht tot standgekomen gerechtelijke schikking, die een rechterlijke uitspraak vormt, nietig kan zijn wegens schending van het communautaire mededingingsrecht . »
HvJ EG 27 september 1988 (Bayer en Hennecke tegen Sülhofer, 65/89), Juerispr. 1988, p. 5286.
- ‘De systematische toezending door een leverancier aan zijn afnemers van een factuur met de vermelding ‘uitvoer verboden’ is een door artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden overeenkomst en geen eenzijdige gedraging, wanneer die toezending plaatsvindt in het kader van een geheel van vaste handelsbetrekkingen die worden geregeld door een tevoren gesloten algemene overeenkomst, blijkende uit het feit dat de leverancier, voordat enige levering heeft plaatsgevonden, het aangaan van handelsbetrekkingen met ieder van zijn afnemers heeft goedgekeurd, en dat de afnemers de gedragslijn van de leverancier te hunnen aanzien stilzwijgend aanvaarden, wat blijkt uit het feit dat zij zonder protest telkens nieuwe bestellingen onder identieke voorwaarden plaatsen.’
HvJ EG 11 januari 1990 (Sandoz tegen Commissie, C-277/87), Jurispr. 1990, p. I-45.
- ‘120 Waar blijkens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag reeds kan worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (...…)
GvEA EG 24 oktober 1991 (Rhône-Poulenc tegen Commissie , T-1/89), Jurispr. 1991, p. II-868.
- « 30Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, dat de betrokken ondernemingen hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (...).
31 Wat de vorm van deze gemeenschappelijke wilsuiting betreft, volstaat het dat een beding de uitdrukking vormt van de wil van partijen om zich op de markt overeenkomstig de bewoordingen ervan te gedragen (...).
32 Het wezenlijk element van het begrip overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, zoals uitgelegd in de rechtspraak, is dus het bestaan van wilsovereenstemming tussen ten minste twee partijen, ongeacht de vorm die daaraan wordt gegeven, mits deze de getrouwe weergave van die wilsovereenstemming is (...).
33 Uit de rechtspraak volgt eveneens, dat een besluit van de fabrikant, dat een eenzijdige handelwijze van de onderneming vormt, ontsnapt aan het verbod van artikel 81, lid 1, EG (...).
34 In bepaalde omstandigheden zijn schijnbaar eenzijdig door de fabrikant vastgestelde of opgelegde maatregelen in het kader van de betrekkingen van lange duur die deze onderhoudt met zijn dealers, aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG (...).
35 Uit deze rechtspraak volgt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het geval waarin een onderneming een werkelijk eenzijdige maatregel heeft vastgesteld, dus zonder de uitdrukkelijke of stilzwijgende medewerking van een andere onderneming, en dat waarin de maatregel slechts schijnbaar eenzijdig is. De eerste categorie maatregelen valt buiten het bestek van artikel 81, lid 1, EG, maar de maatregelen van de tweede categorie moeten worden geacht een overeenkomst tussen ondernemingen te behelzen, en kunnen dus binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Dit geldt met name voor mededingingsbeperkende praktijken en maatregelen, waartoe de fabrikant schijnbaar eenzijdig heeft besloten in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, maar waarmee deze laatste, althans stilzwijgend, hebben ingestemd (...).
36 Uit deze rechtspraak volgt echter eveneens, dat de Commissie zich niet op het standpunt kan plaatsen dat een schijnbaar eenzijdige gedraging van een fabrikant in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, in werkelijkheid de grondslag vormt van een overeenkomst tussen ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, indien zij niet het bewijs levert dat de andere partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend met de handelwijze van de fabrikant hebben ingestemd (...)."
GvEA EG 3 december 2003 (Volkswagen tegen Commissie, T208/01), Jurispr. 2003, p. II-5154-5156.
- "81 Voorts zij opgemerkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 67 van het bestreden arrest te concluderen dat aan het bestaan van wilsovereenstemming niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat CD-Contact Data in de praktijk heeft deelgenomen aan de passieve parallelhandel door producten uit te voeren naar klanten buiten België en Luxemburg.
82 Hoewel deze omstandigheid inderdaad in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de eventuele instemming van CD-Contact Data met de uitnodiging van Nintendo, is zij op zich echter niet doorslaggevend en sluit zij het bestaan van een dergelijke instemming niet zonder meer uit. Zo kan een exclusieve distributeur er, anders dan rekwirante betoogt, niet enkel belang bij hebben om met de fabrikant afspraken te maken ter beperking van de parallelhandel om zijn eigen distributiegebied beter te beschermen, maar eveneens om heimelijk in strijd met deze overeenkomst te verkopen en aldus te proberen de overeenkomst uitsluitend in zijn voordeel aan te wenden. (...)"
HvJ EU 11 februari 2011, nr. C-260/09 P (Activision Blizzard Germany tegen Commissie), ECLI:EU:C:2011:62.
- "123 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de opstellers van de Verdragen ervoor hebben geopteerd om ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op de mededingingsregels die op grond van de artikelen 81 EG en 82 EG kan worden bestraft, het begrip onderneming te gebruiken en geen andere begrippen, zoals het begrip vennootschap of rechtspersoon (arrest Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 42).
124 De wetgever van de Unie heeft overigens in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 hetzelfde begrip onderneming gebruikt om de entiteit te omschrijven waaraan de Commissie een geldboete kan opleggen om een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie te bestraffen.
125 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht van de Unie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke of rechtspersonen gevormd (zie met name arrest Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 43)."
HvJ EG 10 april 2014, nr. 214/11 P (Areva e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling dat er sprake is van een mededingingsbeperkende overeenkomst, een persoonlijke handelwijze van de statutaire vertegenwoordiger van een onderneming of diens persoonlijke toestemming in de vorm van een mandaat voor de handelwijze van een werknemer die aan een mededingingsbeperkende bijeenkomst heeft deelgenomen, niet moet worden bewezen."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
- "47 Na deze voorafgaande precisering zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof reeds sprake is van een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Een overeenkomst kan dus niet worden gebaseerd op de uitdrukking van een zuiver eenzijdig beleid van een partij bij een distributieovereenkomst (zie in die zin arrest van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punten 101 en 102).
49 Een schijnbaar eenzijdige handeling of gedraging vormt echter een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer zij uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, waarbij de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen, C‑74/04 P, EU:C:2006:460, punt 37).
50 Deze overeenstemmende wil van partijen kan zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomst, wanneer deze een uitdrukkelijk verzoek bevat om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen, of althans de leverancier toestaat dergelijke prijzen op te leggen, als uit het gedrag van partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen (zie in die zin arresten van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punten 100 en 102, en 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen, C‑74/04 P, EU:C:2006:460, punten 39, 40 en 46).
51 Het staat aan de verwijzende rechter om de omstandigheden van het hoofdgeding in het licht van deze rechtspraak te beoordelen.
52 In deze context kunnen het feit dat een leverancier de distributeurs regelmatig lijsten toezendt met de door hem vastgestelde minimumprijzen en de distributiemarges, alsmede het feit dat hij hun verzoekt deze onder zijn toezicht in acht te nemen, op straffe van vergeldingsmaatregelen en met het risico dat bij niet-naleving van deze maatregelen negatieve distributiemarges worden toegepast, tot de conclusie leiden dat deze leverancier zijn distributeurs minimumwederverkoopprijzen wil opleggen. Deze feiten wijzen op zich weliswaar op een schijnbaar eenzijdig gedraging van die leverancier, maar dit ligt anders wanneer de distributeurs deze prijzen in acht hebben genomen. In dit verband kunnen de omstandigheden dat de minimumwederverkoopprijzen in de praktijk door de distributeurs worden gevolgd of dat de distributeurs om een opgave ervan verzoeken, en dat zij zich bij de leverancier beklagen over de vermelde prijzen, maar tegelijkertijd niet het initiatief nemen om andere prijzen toe te passen, erop wijzen dat de distributeurs hebben ingestemd met de vaststelling van minimumwederverkoopprijzen door de leverancier."
moet aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een „overeenkomst” in de zin van dat artikel wanneer een leverancier zijn distributeurs minimumwederverkoopprijzen oplegt voor de door hem op de markt gebrachte producten, voor zover de oplegging van deze prijzen door de leverancier en de inachtneming ervan door de distributeurs de overeenstemmende wil van deze partijen tot uitdrukking brengen. Deze overeenstemmende wil kan zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomst, wanneer deze een uitdrukkelijk verzoek bevat om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen, of althans de leverancier toestaat dergelijke prijzen op te leggen, als uit het gedrag van partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen.
3) Artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat het bestaan van een „overeenkomst” in de zin van dat artikel tussen een leverancier en zijn distributeurs niet alleen aan de hand van rechtstreeks bewijs kan worden vastgesteld, maar ook aan de hand van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit het bestaan van een dergelijke overeenkomst kan worden afgeleid."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas), ECLI:EU:C:2023:529.
- "118 Voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU op entiteiten zoals de FIFA of de UEFA moet worden aangetoond dat er sprake is van „overeenkomsten”, „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” of „besluiten van ondernemersverenigingen”, die zelf van uiteenlopende aard kunnen zijn en verschillende vormen kunnen aannemen. Met name het besluit van een vereniging tot vaststelling of uitvoering van een reglement dat een rechtstreekse uitwerking heeft op de voorwaarden waaronder de ondernemingen die er al dan niet direct lid van zijn, hun economische activiteit uitoefenen, kan een dergelijk „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van deze bepaling vormen (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 64, en 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 42‑45). In casu verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU met betrekking tot dergelijke besluiten, te weten besluiten waarbij de FIFA en de UEFA regels hebben vastgesteld betreffende de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities, het toezicht op de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities en de sancties die kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van deze regels betreffende voorafgaande toestemming en deelname."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
Overeenkomsten binnen een economische eenheid
"7 overwegende dat artikel 85, lid 1, de ondernemersafspraken verbiedt, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt belemmerd;
8 dat deze voorwaarde ontbreekt in geval van een alleenverkoopovereenkomst welke door een moedervennootschap in feite voor een deel wordt overgedragen aan een dochteronderneming die wel een eigen rechtspersoonlijkheid doch geen enkele economische onafhankelijkheid bezit;
9 dat deze verhouding derhalve niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de geldigheid van een alleenverkoopovereenkomst tussen de dochteronderneming en een derde; "
HvJ EG 25 november 1971, nr. 22/71 (Béguelin Import tegen G.L. Import Export), Jurispr. 1971, p. 959.
"132 overwegende dat de omstandigheid dat de dochtermaatschappij eigen rechtspersoonlijkheid bezit, niet voldoende is om de mogelijkheid uit te sluiten dat haar gedrag aan de moedermaatschappij mag worden toegerekend;
133 dat zulks met name het geval kan zijn wanneer de dochtermaatschappij, haar eigen rechtspersoonlijkheid ten spijt, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt;
134 dat wanneer de dochtermaatschappij bij het uitzetten van haar gedragslijn op de markt niet over werkelijke zelfstandigheid beschikt, de verboden van artikel 85, lid 1 , kunnen worden geacht niet te gelden voor de verhouding tussen haar en de moedermaatschappij, waarmede zij een economische eenheid vormt;
135 dat deze eenheid - als concern - medebrengt dat de handelingen der dochtermaatschappij in bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij mogen worden aangerekend; "
HvJ EG 14 juli 1972, nr. 48/69 (Imperial Chemical Industries tegen Commissie), Jkurspr. 1972, p. 666.
"Artikel 85 van het Verdrag ziet niet op overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als moedermaatschappij en dochteronderneming tot een en hetzelfde concern behoren, indien de ondernemingen een economische eenheid vormen, waarin de dochteronderneming haar optreden op de markt niet werkelijk zelfstandig kan bepalen, en indien die overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen een interne taakverdeling tussen de ondernemingen ten doel hebben."
HvJ EG 31 oktober 1974, nr. 15/74 (Centrafarm tegen Sterling Drug), Jur. 1974, p. 1168.
"Een vennootschap waarvan het doel is de import en de organisatie van de verkoop van produkten, en die daartoe in elke betrokken Lid-Staat een dealer zoekt, hem een alleen-verkoopovereenkomst aanbiedt, de geïmporteerde produkten over de nationale dealers verdeelt en hun verkoopinspanningen onder meer door regelmatige vergadering probeert te coördineren, is wegens haar centrale positie verplicht, een bijzondere waakzaamheid te betrachten ten einde te voorkomen dat onderlinge afstemmingen van dien aard zouden leiden tot feitelijke gedragingen die in strijd zijn met de mededingingsregels, ook al geven deze activiteiten de vennootschap niet noodzakelijkrwijze een beslissende invloed op het gedrag van elk van de dealers."
HvJ EG 7 juni 1983, nr. 100-103/80 (Musique Diffusion Française e.a. tegen Commissie), Jurispr. 1983, p. 1826.
"50 Nu AEG niet heeft betwist , dat zij in staat was de afzet- en prijspolitiek van haar dochtermaatschappijen op beslissende wijze te beinvloeden , dient nog te worden onderzocht of zij van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt . Dit onderzoek is echter overbodig ten aanzien van TFR ; als 100 % dochtermaatschappij van AEG voert zij noodzakelijkerwijs een politiek die door dezelfde statutaire organen wordt bepaald als de politiek van AEG zelf . "
HvJ EG 25 oktober 1983, nr. 107/82 (AEG-Telefunken tegen Commissie), Jurispr. 1983, p. 3199.
"84 (...) dat (...) Metro geen bewijsmateriaal heeft aangebracht waaruit het Hof zou kunnen afleiden , dat er tussen de ondernemingen van de groep Thomson-Brandt niet slechts een financiele band bestaat , doch dat zij ook een gecoordineerd marktbeleid voeren overeenkomstig instructies van de moedermaatschappij of volgens een door hen zelf in onderling overleg opgesteld plan . Bij gebreke van dergelijk bewijsmateriaal moet het Hof ervan uitgaan , dat SABA voor de verdeling van haar produkten onafhankelijk is van de moedermaatschappij en van de andere ondernemingen van de groep . "
HvJ EG 22 oktober 1986, nr. 75/84 (Metro SB-Grossmärkte tegen Commissie), Jurispr. 1986, p. 3094.
"235 Het Gerecht is van oordeel, wat waar artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag de ondernemingen met name verbiedt overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, het ziet op economische eenheden bestaande uit een samenstel van materiële en menselijke factoren die kunnen bijdragen aan het begaan van een van de in deze bepaling bedoelde inbreuken.
236 Wanneer het bestaan van een dergelijke inbreuk is bewezen, moet worden bepaald, welke natuurlijke of rechtspersoon de onderneming exploiteerde op het ogenblik waarop de inbreuk is begaan, ten einde deze aansprakelijk te stellen.
237 Wanneer de exploitant van deze onderneming evenwel tussen het ogenblik van de inbreuk en het ogenblik waarop verantwoording wordt gevraagd, juridisch heeft opgehouden te bestaan, moet eerst worden uitgemaakt met behulp van welk samenstel van materiële en menselijke factoren de inbreuk is begaan om vervolgens te bepalen wie de exploitatie van dit samenstel heeft overgenomen ten einde te vermijden dat de onderneming aan elke aansprakelijkstelling ontsnapt door de omstandigheid dat degene die haar op het moment van de inbreuk exploiteerde, niet meer bestaat. "
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-6/89 (Enichem Anic tegen Commissie), Jurispr. 1991, p. II-1623.
"29 (…) Aangezien de moedermaatschappij het volledige kapitaal van de dochtermaatschappij bezat, mocht het Gerecht terecht aannemen dat, zoals de Commissie heeft gesteld, de moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed had op het gedrag van haar dochter (...)"
HvJ EG 16 november 2000, nr. C-286/98 P (Stora Kopparbergs Berglags tegen Commissie), Jurispr. 2000, p. I-9978.
"37 Dienaangaande zij opgemerkt, dat voor de inbreuk in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk moet worden gehouden, die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip van goedkeuring van de beschikking waarin de inbreuk wordt vastgesteld. "
HvJ EG 16 november 2000, nr. C-286/98 P (Stora Kopparbergs Berglags tegen Commissie), Jurispr. 2000, p. I-9978.
Mededingingsbeperking
- “dat deze voorwaarde blijkens het gebruik van het voegwoord „of" niet een cumulatief, doch een alternatief karakter draagt, zodat men in de eerste plaats de strekking der overeenkomst in verband met de economische omstandigheden, waarbinnen zij moet worden toegepast, heeft na te gaan;
dat de in artikel 85, lid 1, bedoelde verstoringen van de mededinging moeten voortvloeien uit alle of sommige van de clausules der overeenkomst zelve;
dat wanneer een onderzoek van bedoelde clausules echter niet aan het licht mocht brengen, dat in voldoende mate van benadeling der concurrentie sprake is, ware na te gaan tot welke gevolgen de overeenkomst leidt, waarbij het voor de toepasselijkheid van het verbod noodzakelijk is, dat uit de gezamenlijke bestanddelen der overeenkomst valt af te leiden, dat de mededinging in feite in merkbare mate is verhinderd dan wel beperkt of vervalst;
dat de mededinging in dit verband moet worden bezien in samenhang met de omstandigheden, waarin zij zich zonder de litigieuze overeenkomst zou afspelen;
dat met name in twijfel kan worden getrokken of van verstoring van mededinging sprake is wanneer de overeenkomst juist noodzakelijk blijkt te zijn om een onderneming in staat te stellen zich een plaats te veroveren op een voor haar nieuwe markt"
HvJ EG 30 juni 1966 (LTM tegen MBU, 56/65), Jurispr. 1966, p. 414-415
- “Overwegende dat het beginsel van de vrije concurrentie alle fasen en aspecten van de mededinging beheerst;
dat weliswaar de concurrentie tussen producenten in het algemeen duidelijker aan de dag treedt dan die tussen de verkopers van eenzelfde merk, doch dat hieruit nog niet volgt dat een overeenkomst waarmede een beperking van deze laatste vorm van mededinging wordt beoogd aan het verbod van artikel 85, paragraaf 1, is onttrokken op grond van het enkele feit, dat zij de eerstgenoemde concurrentie zou kunnen versterken;
Overwegende voorts dat bij de toepassing van artikel 85, paragraaf 1 op de concrete gevolgen ener overeenkomst geen acht meer behoeft te worden geslagen, wanneer eenmaal is gebleken dat zij ten doel heeft de concurrentie te verhinderen, te beperken of te vervalsen;”
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 56/64 (Consten en Grundig tehen Commissie), Jurispr. 1866, p. 515-516.
- “Overwegende dat verweerster terecht acht heeft geslagen op alle aspecten van het aldus door Grundig opgezette stelsel;
dat toch de aard der contractuele verhoudingen slechts kan worden bepaald indien men deze ziet in verband met de economische en juridische overwegingen welke partijen tot het sluiten der overeenkomst hebben geleid en een zodanige beoordeling niet beschouwd mag worden als een inmenging in rechtshandelingen en rechtsbetrekkingen welke buiten het bereik van de administratieve procedure voor, de Commissie vallen;”
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 56/64 (Consten en Grundig tehen Commissie), Jurispr. 1866, p. 516-517.
- “dat van mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, (...) niet slechts tussen partijen, doch ook tussen één hunner en derden sprake kan zijn ;"
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 32/65 (Italië tegen Raad en Commissie), Jurispr. 1966, p. 609.
- “dat een overeenkomst (...) - ter beoordeling of zij onder de verbodsbepaling valt - niet geisoleerd mag worden bezien, dat wil zeggen niet mag worden beoordeeld zonder dat tevens wordt gelet op de feitelijke en juridische omstandigheden welke medebrengen, dat zij tot verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging leidt;
dat in verband hiermede het feit, dat meer dergelijke overeenkomsten werden gesloten in aanmerking mag worden genomen, voor zoveel zulke overeenkomsten te zamen tot beperking van de vrije handel kunnen leiden;"
HvJ EG 12 december 1967, nr. 23/67 (Brasserie De Haecht tegen Wilkin en Jansen), Jurispr. 1967, p. 523.
- “7 dat deze voorwaarden moeten worden bezien in het licht van de feitelijke omstandigheden van de overeenkomst; dat een overeenkomst dan ook aan het verbod van artikel 85 ontkomt wanneer zij, wegens de zwakke positie welke belanghebbenden op de markt voor de betrokken produkten innemen, de markt slechts in zeer geringe mate beïnvloedt;”
HvJ EG 9 juli 1969, nr. 5/69 (Völk tegen Vervaecke), Jurispr. 1989, p. 302.
- "dat ter beoordeling van de vraag in hoeverre marktpenetratie door afspraken als bedoeld wordt verhinderd, slechts met de litigieuze overeenkomst — met uitzondering van alle andere — rekening mag worden gehouden (men zie met name het arrest van 15 maart 1967, 8 tot 11-66, Cimenteries, Jurisprudentie, Deel XIII, blz. 115); dat ten deze met kwalitatieve criteria dient te worden gewerkt, zoals de aard van de betrokken waren, de distributiemethoden en de aan detaillisten gestelde technische eisen, het belang van de markt „bezien van de zijde der verbruikers en de meerdere of mindere vrijheid welke hun wordt gelaten"; dat het „aantal der overeenkomsten" ook hier niet ter zake doet zodra het ondernemingen in andere Lid-Staten mogelijk is zich tot de desbetreffende markt toegang te verschaffen, zich aldaar een plaats te verzekeren, er hun verkooporganisaties op te bouwen en de afnemers metterdaad tot keuze in staat te stellen, zulks voor zoveel marktsectoren betreft waarin noch al te zeer gespecialiseerde produkten worden verhandeld noch de distributie een al te technisch karakter draagt; dat overeenkomsten als het brouwerijcontract derhalve slechts bij wijze van uitzondering kunnen vallen onder artikel 85, lid 1, dat blijkens Verordening no. 67-67 normaliter buiten toepassing blijft;"
HvJ 12 december 1967, nr. 23/67, De Haecht v. Wilkin en Janssen, ECLI:EU:C:1967:54.
- "Een alleenverkoopovereenkomst valt niet onder het verbod van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag door het enkele feit dat het alleenverkooprecht door een moedervennootschap is overgedragen aan een dochteronderneming die wel een eigen rechtspersoonlijkheid, doch geen enkele economische onafhankelijkheid bezit."
HvJ 25 november 1971, nr. 22/71 (Béguelin Import Co. v. G.L. Import, Export), Jur. XVII (1971), p. 959, ECLI:EU:C:1971:113.
- “23 Overwegende dat de in de litigieuze beschikking bedoelde afspraak naast de vaststelling van de prijzen in engere zin nog een aantal beperkende bepalingen betreffende andere contractuele voorwaarden bevat;
24 dat zulks met name het geval is met de bepalingen die ertoe strekken de afzet van cement aan andere handelaren dan leden der vereniging of door haar erkende wederverkopers te verhinderen, de voorraadvorming van cement bij derden die niet aan de regeling der vereniging zijn onderworpen, te voorkomen, eventuele handelsvoordelen voor kopers strikt te beperken en het verlenen
aan afnemers van diensten die hetgeen „normaal" wordt geacht, te buiten zouden gaan, te verhinderen;
25 dat aldus bij onderzoek van het geheel der in de litigieuze beschikking bedoelde regelingen blijkt dat deze een sluitend en strak opgezet systeem vormen dat ten doel heeft de mededinging tussen de leden der vereniging te beperken;”
HvJ EG 17 oktober 1972 (Vereeniging van Cementhandelaren tegen Commissie, 8/72), Jurispr. 1972, p. 990-991.
- "De in artikelen 3 en 85 van het EEG-Verdrag gestelde voorwaarden dat de mededinging niet wordt vervalst, gaat uit van het bestaan van een werkzame mededinging (workable competition) op de markt, dat wil zeggen de mate van mededinging die noodzakelijk is voor de naleving van de fundamentele vereisten en het bereiken van de doelstellingen van het Verdrag, inzonderheid de totstandkoming van één markt met soortgelijke voorwaarden als een interne markt. Dit vereiste gaat ervan uit dat de aard en de intensiteit van de mededinging kunnen variëren naar gelang van de betrokken produkten of diensten en de economische structuur van de betrokken marktsectoren."
Zaak 26/76, Metro v. Commissie van de Europese Gemeenschap Jur. 1977, p. 1876.
"Het moge juist zijn dat een overeenkomst buiten de werkingssfeer van het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan vallen wanneer het, gelet op het geringe aandeel van de belanghebbenden op de markt van de betrokken produkten, een onbeduidende invloed heeft op deze markt; deze overwegingen gelden evenwel niet wanneer het gaat om een produkt waarvan de gehele produktie in handen is van één grote onderneming."
HvJ 10 juli 1980, nr. 30/78 (Distillers tegen.Commissie), Jur. 1980, p. 2229.
- "De statutaire bepalingen van een produktiecoöperatie, die de leden verplichten zich volledig bij haar te bevoorraden voor wat betreft bepaalde door hen benodigde produkten en die deze verplichting nog verzwaren door betaling van een niet onaanzienlijk bedrag te eisen bij uittreding of uitsluiting, hebben duidelijk ten doel te verhinderen dat de leden zich bij andere leveranciers van de betrokken produkten bevoorraden of deze zelf gaan vervaardigen, ingeval deze alternatieven een prijs- of kwaliteitsvoordeel zouden opleveren. Nu het een coöperatie betreft die praktisch als enige leverancier van de betrokken produkten op de markt van een Lid-Staat optreedt, zijn genoemde bepalingen van dien aard, dat de mededinging op het niveau van de bevoorrading tussen producenten die een belangrijk deel van de communautaire markt bestrijken, erdoor wordt verhinderd en strekken zij tevens tot uitsluiting van de mogelijkheid dat er op de gehele nationale markt een concurrentiesituatie ontstaat voor deze produkten."
HvJ 25 maart 1981, nr. 61/80 (Coöperatieve Stremsel- en Kleurselfabriek tegen Commissie), Jur. 1981, p. 851.
- "Voor zover de verleende uitsluitende licentie een open licentie is, en dus uitsluitend de contractuele betrekking tussen de houder van het recht en de licentiehouder betreft, in dier voege dat de houder zich enkel ertoe verbindt geen andere licentie voor hetzelfde gebied te verlenen en de licentiehouder in dit gebied niet zelf concurrentie aan te doen, is de verlening van een uitsluitende licentie voor een kwekersrecht op bepaalde, in een Lid-Staat nieuw ontwikkelde zaadrassen, gelet op het specifieke karakter van de betrokken produkten, op zichzelf niet onverenigbaar met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, wanneer zij de verspreiding van een nieuwe technologie en de concurrentie tussen het nieuwe produkt en bestaande soortgelijke produkten in de Gemeenschap bevordert."
HvJ 8 juni 1982, nr. 258/78 (Nungesser e.a. v. Commissie) Jur. 1982, p. 2016.
– “26 (...) Wie wenst vast te stellen of een overeenkomst tot beperking van de mededinging strekt, behoeft niet te weten wie van beide contractanten het initiatief tot opneming van deze of gene clausule kan hebben genomen, noch ook na te gaan of er op het tijdstip waarop de overeenkomst werd aangegaan van een gemeenschappelijke intentie der partijen kon worden gesproken. Daarentegen moet worden onderzocht welke doeleinden men met de overeenkomst als zodanig, bezien in verband met de economische context waarin zij toepassing moet vinden, heeft willen verwezenlijken.”
HvJ 28 maart 1984 (CRAM en Rheinzink tegen Commissie, 29 en 30/83), Jurispr. 1984, p. 1703-1704.
- "22 IN DIT VERBAND DIENT EROP TE WORDEN GEWEZEN , DAT VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 85 , LID 1 , DE CONCRETE GEVOLGEN VAN EEN OVEREENKOMST NIET IN AANMERKING BEHOEVEN TE WORDEN GENOMEN , WANNEER ZIJ ERTOE STREKT DE VRIJE MEDEDINGING TE BEPERKEN , TE VERHINDEREN OF TE VERVALSEN . WELNU , EEN OVEREENKOMST WAARBIJ VOOR EEN PRODUKT EEN MINIMUMPRIJS WORDT VASTGESTELD EN DIE AAN DE OVERHEID TER BEKRACHTIGING VAN DIE MINIMUMPRIJS IS VOORGELEGD OM DIE MINIMUMPRIJS VERBINDEND TE MA KEN VOOR AL DEGENEN DIE OP DE BETROKKEN MARKT AAN HET ECONOMISCH VERKEER DEELNEMEN , STREKT UITERAARD ERTOE , DE MEDEDINGING OP DIE MARKT TE VERVALSEN ."
- "De clausules van de overeenkomsten inzake verkoopfranchising die onmisbaar zijn voor de werking van het franchisestelsel vormen geen beperkingen van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Dit is het geval voor de clausules die beletten dat de door de franchisegever overgedragen know-how en verleende bijstand aan concurrenten ten goede komen, evenals voor de clausules die het toezicht regelen dat onmisbaar is voor het behoud van de identiteit en de reputatie van de door de handelsnaam van de franchisegever gesymboliseerde verkooporganisatie.
De clausules die de markt tussen franchisegever en franchisenemers of tussen franchisenemers onderling verdelen, vormen daarentegen wel beperkingen van de mededinging in de zin van voornoemde bepaling."
HvJ 28 januari 1986, nr. 161/84 (Pronuptia de Paris v. Pronuptia de Paris Irmgard Schillgallis), Jur. 1986, p. 354, ECLI:EU:C:1986:41.
- "Een netwerk van exclusieve afnameovereenkomsten is niet door het enkele feit dat de in de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis genoemde drempels worden overschreden, automatisch van dien aard dat het de mededinging merkbaar kan verhinderen, beperken of vervalsen. Het is goed mogelijk, dat in bepaalde gevallen tussen ondernemingen gesloten overeenkomsten die boven die drempels liggen, slechts in zo geringe mate afbreuk doen aan de handel tussen Lid-Staten of de mededinging, dat zij niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen."
Ger. EG 8 juni 1995, nr. T-7/93 (Langnese-Iglo tegen Commissie), Jur. 1995, p. II-1533, ECLI:EU:T:1995:98.
- ‘11Teneinde te bepalen of een zogenoemde ‘uittreeregeling’, volgens welke een lid bij vertrek of uitsluiting een schadeloosstelling verschuldigd is berekend over de als tegenprestatie voor zijn leveranties ontvangen bedragen, verenigbaar is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag moeten door de nationale rechter de volgende criteria worden bezien, te weten het doel van de overeenkomst, de gevolgen ervan en de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer, met inachtneming daarbij van de economische context waarin de ondernemingen opereren, de produkten of diensten waarop de overeenkomsten betrekking hebben, de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert.
12 Wat in de eerste plaats het doel van de overeenkomsten of statutaire bepalingen betreft, is de organisatie van een onderneming in de bijzondere rechtsvorm van een coöperatie op zich niet aan te merken als een mededingingsbeperkende gedraging.
13 Dit betekent echter niet, dat de statutaire bepalingen die de verhoudingen tussen de vereniging en de leden regelen, met name die betreffende de beëindiging van de contractsband en die welke de leden verplichten de geproduceerde melk aan de coöperatie voor te behouden, automatisch onttrokken zijn aan het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
14 Om daaraan te ontsnappen, mogen de beperkingen die de statuten van coöperatieve verenigingen aan de leden opleggen teneinde hun trouw te garanderen, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de goede werking van de coöperatie veilig te stellen en in het bijzonder om haar te verzekeren van een voldoende brede commerciële basis en van een zekere duurzaamheid in het lidmaatschap van de vereniging.
15 Wat in de tweede plaats de gevolgen van de overeenkomsten of statutaire bepalingen betreft, kan een combinatie van bedingen als een exclusieve leveringsverplichting en de verplichting tot betaling van een buitensporig uittreegeld, waardoor de leden gedurende lange tijd aan de coöperatie worden gebonden en hun aldus de mogelijkheid wordt ontnomen om zich tot concurrenten te wenden, een beperking van de mededinging tot gevolg hebben.
16 Deze bedingen kunnen namelijk enerzijds een markt die gekenmerkt wordt door een klein aantal ondernemingen die een sterke concurrentiepositie innemen en soortgelijke bedingen hanteren, extreem rigide maken, en anderzijds die sterke positie consolideren of continueren en zodoende de toegang voor andere concurrenten tot die markt beletten.’
"1) Bij de toetsing van de verenigbaarheid van een uittreeregeling in de statuten van een coöperatieve vereniging met artikel 85, lid 1,EEG-Verdrag dient de verwijzende rechter als criteria in aanmerking te nemen het doel van de overeenkomst waarin die regeling is opgenomen, de gevolgen van deze overeenkomst en de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer, met inachtneming daarbij van de economische context waarin de ondernemingen opereren, de produkten of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft alsmede de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert."
Hvj EG 12 december 1995, nr.C-399/93, (Oude Luttikhuis v. Coberco), Jur. 1995, p. I-4525-26, ECLI:EU:C:1995:434.
- 106 "Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat een systeem van selectieve distributie een factor van concurrentie kan vormen, die in overeenstemming is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, indien aan vier voorwaarden wordt voldaan:1). de eigenschappen van het betrokken produkt maken een systeem van selectieve distributie noodzakelijk, in die zin dat een dergelijk systeem een rechtmatig vereiste is, gelet op de aard van de betrokken produkten, en in het bijzonder de technische hoogwaardigheid van deze produkten, teneinde de kwaliteit ervan te behouden en het goed gebruik ervan te verzekeren (...);2). de keuze van de wederverkopers geschiedt op grond van objectieve kwalitatieve criteria die uniform zijn vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en op niet discriminerende wijze worden toegepast (...); 3). het betrokken systeem beoogt een resultaat te bereiken waardoor de mededinging wordt verbeterd, en dus de beperking van de mededinging die inherent is aan de selectieve distributiesystemen, in het bijzonder op het gebied van de prijs, te compenseren (...), en 4). de voorgeschreven criteria gaan niet verder dan hetgeen noodzakelijk is.Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet op objectieve wijze worden beoordeeld, gelet op het belang van de consument.
(...)
107 Weliswaar heeft het Hof onder meer verklaard, dat dergelijke op kwalitatieve criteria gebaseerde selectieve distributiesystemen die hun rechtvaardiging vinden in het bijzondere karakter van de produkten of de vereisten van de verkoop ervan, in andere economische sectoren dan de sector van technisch hoogwaardige en duurzame consumptiegoederen van hoge kwaliteit in het leven kunnen worden geroepen, zonder inbreuk te maken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, in het bijzonder om een gespecialiseerde verkoop in stand te houden, die in staat is bijzondere diensten te verlenen voor dergelijke produkten. (...)
108 Bij luxe kosmetische produkten en inzonderheid luxe parfums, de voornaamste produkten uit deze categorie, staat in de eerste plaats vast dat het verfijnde, hoog waardige produkten zijn die worden verkregen na een bijzonder onderzoek waar bij kwalitatief hoogwaardige materialen worden gebruikt, vooral voor hun verpak king; in de tweede plaats dat deze produkten een imago van luxe hebben, dat hen dient te onderscheiden van andere vergelijkbare produkten die niet een dergelijk imago hebben, en in de derde plaats dat dit imago van luxe belangrijk is in de ogen van de consument, die er prijs op stelt om luxe kosmetische produkten en in het bijzonder luxe parfums te kunnen kopen. In de ogen van de consument bestaat namelijk slechts een geringe mate van substitueerbaarheid tussen luxe kosmetische produkten en overeenkomstige produkten die tot een ander marktsegment behoren (...).
109 Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat het begrip „eigenschappen" van luxe kosmetische produkten in de zin van het arrest L'Oréal (reeds aangehaald) niet kan worden beperkt tot hun materiële kenmerken, maar eveneens het bijzondere beeld omvat dat de consument daarvan heeft en meer in het bijzonder hun „uitstraling van luxe".In casu gaat het dus om produkten die enerzijds intrinsiek hoogwaardig zijn en anderzijds een luxe karakter hebben dat tot de aard van het produkt zelf behoort.
(...)
113 Dienaangaande is het Gerecht van oordeel, dat de consument die dergelijke produkten wenst, heft er belang bij heeft dat dergelijke produkten in de verkooppunten onder goede voorwaarden worden gepresenteerd en dat aldus hun imago van luxe in stand wordt gehouden. Bij produkten van hoge kwaliteit waarvan het imago van luxe door de consument op prijs wordt gesteld, wordt met criteria die slechts dienen te verzekeren dat deze produkten worden gepresenteerd op een wijze die hun karakter doet uitkomen, een resultaat nagestreefd dat de mededinging kan verbeteren door de instandhouding van dit imago van luxe en dus de beperking van de mededinging die inherent is aan selectieve distributie systemen kan compenseren. Dergelijke criteria vormen dus een rechtmatig vereiste in de zin van de vorengenoemde rechtspraak (...).
Daaruit volgt dat in de sector luxe kosmetische produkten, in het bijzonder luxe parfums, kwalitatieve criteria voor de selectie van kleinhandelaren, die niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de verkoop van deze produkten onder goede voorwaarden van presentatie te verzekeren, in beginsel niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen, voor zover dit objectieve criteria zijn die uniform zijn vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en op niet-discriminerende wijze worden toegepast.
Ofschoon ‘eenvoudige’ selectieve distributiesystemen een met artikel 85, lid 1, van het Verdrag verenigbare concurrentiefactor kunnen vormen, kan er toch sprake zijn van een beperking of uitschakeling van de mededinging, wanneer er zo veel systemen van dit type bestaan, dat er geen ruimte overblijft voor andere, op een ander mededingingsbeleid gebaseerde distributievormen of dat er een rigiditeit in de prijsstructuur ontstaat die niet wordt gecompenseerd door andere factoren van mededinging tussen produkten van hetzelfde merk en door een doeltreffende mededinging tussen verschillende merken.
Derhalve laat het feit dat er een groot aantal selectieve distributiesystemen voor een bepaald produkt bestaat, op zichzelf niet de conclusie toe, dat de mededinging wordt beperkt of vervalst in de zin van artikel 85, lid 1, maar moet de relevante markt bovendien zo rigide en zo sterk gestructureerd zijn, dat er geen werkzame mededinging meer bestaat op het gebied van de prijzen. Artikel 85, lid 1, van het Verdrag is niet automatisch van toepassing enkel en alleen omdat alle fabrikanten in de betrokken sector met betrekking tot hun distributiemethoden dezelfde keuze hebben gemaakt. Indien bepaalde selectiecriteria van een fabrikant, afzonderlijk beschouwd, niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen, kan het cumulatieve effect van andere netten slechts aan deze conclusie afdoen, indien in de eerste plaats wordt aangetoond dat er belemmeringen bestaan voor de toegang tot de markt van nieuwe concurrenten die de betrokken produkten kunnen verkopen, zodat de betrokken selectieve distributiesystemen ertoe leiden dat de distributie ten gunste van bepaalde bestaande kanalen wordt gefixeerd, of, in de tweede plaats dat er, gelet op de aard van de betrokken produkten, geen werkzame mededinging bestaat, in het bijzonder op het gebied van de prijzen."
Gerecht EG, 12 december 1996 nr. T-88/92, Leclerc v. Commissie van de Europese Gemeenschap, Jur. 1996, p. II-1961, ECLI:EU:T:1996:192.
"Een overeenkomst tussen een producent en een wederverkoper, die voor toepassing binnen de Gemeenschap is gesloten en die de economische vrijheid van de wederverkoper om zijn klanten te kiezen beoogt te beperken, door hem te verplichten alleen aan in het contractgebied gevestigde klanten te verkopen, is een beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Een overeenkomst die de wederverkoper verbiedt de contractproducten buiten het contractgebied te verkopen, heeft bovendien tot doel de parallelinvoer binnen de Gemeenschap te beletten en aldus de mededinging op de gemeenschappelijke markt te beperken. Dergelijke bepalingen in overeenkomsten voor distributie binnen de Gemeenschap, leveren dus naar hun aard een beperking van de mededinging op."
Zaak C-306/96, Javico v. YSLP, Jur. 1998, p. I-1983
- "169 In dit verband dient te worden gepreciseerd dat het Gerecht in punt 406 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie het bewijs had geleverd voor het bestaan van een voortdurende inbreuk tussen 1986 en 1994. Dat een dergelijk bewijs voor bepaalde tijdvakken niet is geleverd, staat er niet aan in de weg dat ervan uit wordt gegaan dat de inbreuk bestond in een totale periode die langer is dan die tijdvakken, zolang een dergelijke vaststelling op objectieve en overeenstemmende aanwijzingen berust. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling niet ter zake dat manifestaties van deze regeling zich met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken voordoen, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk."
HvJEG 21 september 2006, nr. C-113/04 P (Technische Unie tegen Commissie), ECLI:EU:C:2006:593.
- "21 Om vast te stellen of een overeenkomst onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt, moet immers worden gelet op de bewoordingen en objectieve oogmerken ervan. Zelfs zo zou worden aangetoond dat de partijen bij een overeenkomst hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk, de mededinging te beperken, maar met het oogmerk, de gevolgen van een sectoriële crisis te boven te komen, zijn dergelijke overwegingen niet relevant voor de toepassing van die bepaling. Een overeenkomst kan immers ook dan als beperkend worden aangemerkt wanneer zij niet alleen tot doel heeft de mededinging te beperken, maar ook andere, legitieme doelstellingen nastreeft (arrest General Motors/Commissie, reeds aangehaald, punt 64 en aangehaalde rechtspraak). Slechts in het kader van artikel 81, lid 3, EG kan in voorkomend geval rekening worden gehouden met elementen zoals die welke door BIDS zijn aangevoerd, met het oog op het verkrijgen van een vrijstelling van het verbod van lid 1 van dit artikel."
HvJEG 20 november 2008, nr. C-209/07 (Beef Industry), ECLI:EU:C:2008:643.
- "21 Het Hof heeft geoordeeld dat het bestaan van een dergelijke beperking moet worden beoordeeld in het feitelijke kader van een dergelijke overeenkomst (zie arrest van 6 mei 1971, Cadillon, 1/71, Jurispr. blz. 351, punt 8). Er moet met name worden gelet op de bewoordingen en oogmerken ervan, alsmede op de economische en juridische context van de overeenkomst (zie arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie, C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, Jurispr. blz. I‑9291, punt 58). Bovendien moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten, en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie in die zin arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado, reeds aangehaald, punt 49)."
HvJ EU 13 december 2012, nr. C-226/11 (Expedia tegen Autorité de la concurrence), ECLI:EU:C:2012:795.
- "43 In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat, anders dan Allianz en Generali lijken aan te nemen, de omstandigheid dat het in beide gevallen om verticale relaties gaat, geenszins uitsluit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst „naar haar strekking” mededingingsbeperkend is. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen zij niettemin onder bepaalde omstandigheden immers ook een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben. Het Hof heeft dan ook reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een verticale overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking had (zie arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450; 1 februari 1978, Miller International Schallplatten/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, en 3 juli 1985, Binon, 243/83, Jurispr. blz. 2015, en arrest Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, reeds aangehaald)."
HvJ EU 20 maart 2013, nr. 32/11 (Allianz Hungária Biztosító e.a.), ECLI:EU:C:2013:160.
- "78 Volgens de in punt 53 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet bij de beoordeling of een coördinatie tussen ondernemingen naar haar aard de goede werking van de normale mededinging aantast, immers rekening worden gehouden met alle relevante elementen van de economische en de juridische context van deze coördinatie, met name de aard van de betrokken diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de markten. Daarbij is het irrelevant of die elementen tot de relevante markt behoren.
79 Dat moet in het bijzonder het geval zijn wanneer dit element er nu juist in bestaat dat rekening wordt gehouden met het bestaan van interactie tussen de relevante markt en een verwante doch onderscheiden markt (zie naar analogie arresten Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punten 17‑23, en Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 42) en a fortiori wanneer er, zoals in het onderhavige geval, interactie tussen de twee onderdelen van een tweeledig systeem bestaat."
HvJ EU 11 september 2014, nr. 67/13 P (CB tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2204.
"17 Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging dus niet te worden onderzocht. Wanneer uit de analyse van de inhoud van de overeenkomst evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten vervolgens de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34; zie in die zin arresten CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 52, en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 116).
18 Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 58). Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, kunnen worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, C‑61/13, EU:C:2014:2204, punt 51).
20 Gelet op de rechtspraak waaraan hierboven is herinnerd, valt het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperkende „strekking” heeft, dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57)."
HvJEU 26 november 2015, nr. C-345/14 (Maxima Latvija) EU:C:2015:784.
- "103 Er zij aan herinnerd dat het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen immers naar de aard ervan worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie met name arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17, en 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 26).
104 Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperking „naar strekking” bevat, is de vaststelling dat deze overeenkomst op zich in die mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie met name arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 20).
105 In dit verband dient te worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen van de betrokken overeenkomst alsook op de economische en de juridische context ervan (zie met name arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 27).
107 Voor dergelijke overeenkomsten, die bijzonder ernstige inbreuken op de mededinging opleveren, kan de analyse van de economische en juridische context van de praktijk dus worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om tot de slotsom te kunnen komen dat er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking (zie, naar analogie met de marktverdelingsovereenkomsten, arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 29). "
HvJ EU 27 april 2017, nr. C-469/15 P (FSL Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2017:30.
"181 The concept of restriction of competition by object can be applied only to certain types of coordination between undertakings that reveal, by their very nature, a sufficient degree of harm to the proper functioning of normal competition that it may be found that there is no need to examine their effects (see, to that effect, judgments of 30 June 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, p. 249; of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 49, 50 and 58 and the case-law cited; of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 31; and of 26 November 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, paragraph 20).
182 According to the case-law of the Court of Justice, in order to determine whether an agreement between undertakings reveals a sufficient degree of harm that it may be considered a ‘restriction of competition by object’ within the meaning of Article 101(1) TFEU, regard must be had to the content of its provisions, its objectives and the economic and legal context of which it forms part (see judgment of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 33 and the case-law cited). When determining the economic and legal context, it is also necessary to take into consideration the nature of the goods or services affected, as well as the real conditions of the functioning and structure of the market or markets in question (see judgment of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 117 and the case-law cited). Nevertheless, it must be borne in mind that, contrary to what the applicants suggest (see paragraph 165 above), the examination of the real conditions of the functioning and structure of the market in question — as complex as the context in question may be — cannot lead the General Court to assess the effects of the coordination concerned (see, to that effect, judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 72 to 82), since otherwise the distinction established in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness.
183 In addition, although the parties’ intention is not a necessary factor in determining whether a type of coordination between undertakings is restrictive, there is nothing prohibiting the competition authorities, the national courts or the Courts of the European Union from taking that factor into account (see judgment of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 118 and the case-law cited). However, the mere fact that an agreement also pursues legitimate objectives is not sufficient to preclude a finding of restriction of competition by object (judgment of 20 November 2008, Beef Industry Development Society and Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, paragraph 21; see also, to that effect, judgments of 8 November 1983, IAZ International Belgium and Others v Commission, 96/82 to 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 and 110/82, EU:C:1983:310, paragraph 25, and of 6 April 2006, General Motors v Commission, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, paragraph 64).
184 Article 101(1) TFEU provides that all agreements between undertakings, decisions by associations of undertakings and concerted practices which have ‘as their object or effect’ the prevention, restriction or distortion of competition within the internal market are to be prohibited as incompatible with the internal market. According to settled case-law established by the judgment of 30 June 1966, LTM (56/65, EU:C:1966:38, p. 249), the alternative nature of those requirements, indicated by the use of the conjunction ‘or’, leads to the need to consider, in the first place, the precise purpose of the agreement at issue, in the economic context in which it is to be applied. Where, however, an analysis of the terms of the agreement at issue does not reveal a sufficient degree of harm to competition, the effects of the agreement should then be considered and, for it to be caught by the prohibition, it is necessary to find that factors are present which show that competition has in fact been prevented, restricted or distorted to an appreciable extent (see judgments of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 116 and the case-law cited, and of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 30 and the case-law cited). However, where the anticompetitive object of an agreement is established, it is not necessary to examine its effects on competition (see judgment of 20 January 2016, Toshiba Corporation v Commission, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, paragraph 25 and the case-law cited).
185 Furthermore, the presence of an anticompetitive object cannot be rebutted by the absence, in a specific case, of negative effects on the operation of the market, since doing so would confuse the prohibition on collusions with an anticompetitive object with the prohibition on collusive practices with an anticompetitive effect. The specific capability of an agreement to produce competition-restricting effects characteristic of agreements with an anticompetitive object does not depend on the real and specific effects of that agreement (see, to that effect, judgments of 13 December 2012, Expedia, C‑226/11, EU:C:2012:795, paragraph 37; of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 38; of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 55; of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 252 and the case-law cited; and the Opinion of Advocate General Kokott in T-Mobile Netherlands and Others, C‑8/08, EU:C:2009:110, paragraph 45). Thus, contrary to the applicants’ submissions (see paragraph 166 above), the fact that the Agreement does not generate anticompetitive effects, or even that it generates pro-competitive effects, if such effects were established, could not call into question the finding that the Agreement has an anticompetitive object. It may be added that, in any event, contrary to the applicants’ submissions, Teva’s market entry in July 2007 after the invalidation of the UK 947 patent by the High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division (Patents Court) cannot be regarded as an early entry or entry at the earliest date on which Teva’s entry was lawful in the light of Servier’s patents (see paragraph 272 below).
186 However, the Commission and the Courts of the European Union cannot, when examining whether an agreement restricts competition by object and, in particular, in assessing the economic and legal context of that agreement, completely ignore its potential effects (Opinion of Advocate General Wahl in ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:272, paragraph 84). It should be borne in mind that agreements which are restrictive of competition by object are those which reveal a sufficient degree of harm to the proper functioning of normal competition that it may be found that there is no need to examine their specific effects on the market (see judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 49 and 51 and the case-law cited; see, also, paragraph 185 above). However, it is apparent from the case-law that establishing the existence of a restriction of competition by object cannot, under the guise, inter alia, of the examination of the economic and legal context of the agreement at issue, lead to the assessment of the effects of that agreement, since otherwise the distinction between a restriction of competition by object and by effect laid down in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness (see paragraph 182 above). For the purposes of verifying the specific capability of an agreement to produce competition-restricting effects characteristic of agreements with an anticompetitive object, the analysis of the potential effects of an agreement must therefore be limited to those resulting from information objectively foreseeable at the time of the conclusion of that agreement (see, to that effect, judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 80 to 82, and the Opinion of Advocate General Wahl in ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:272, paragraph 84).
(...)
193 Likewise, contrary to the applicants’ submissions, restrictions by object are not limited to restrictions which experience has shown to be flagrant or obvious (see paragraph 165 above). It follows from the case-law that, even though experience may undoubtedly show that certain types of cooperation are inherently harmful to competition (judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51), the fact that the Commission has not, in the past, considered that a certain type of agreement was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future following an individual and detailed examination of the measures in question (see judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 438 and the case-law cited).
194 Nor does the case-law require that an agreement be considered to be prima facie or undoubtedly sufficiently harmful to competition, without an individual and concrete examination of its content, its purpose and its legal and economic context being carried out by the Commission or the Courts of the European Union, in order to be regarded as a restriction of competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU (see, to that effect, judgments of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 51, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 775)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie), ECLI:EU:T:2018:919.
"79 It should also be noted that the practices listed in Article 101(1)(a) to (e) TFEU do not constitute an exhaustive list of prohibited collusion (judgment of 20 November 2008, Beef Industry Development Society and Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, paragraph 23) and that, even though experience may undoubtedly show that certain types of cooperation are inherently harmful to competition (judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51), the fact that the Commission has not, in the past, considered that a certain type of agreement was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future following an individual and detailed examination of the measures in question (see judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 438 and the case-law cited).
80 Similarly, the mere fact that a case-by-case approach is necessary in order to identify a restriction of competition by object does not preclude such a classification. The case-law does not require that an agreement be considered to be prima facie or undoubtedly sufficiently harmful to competition, without a concrete and individual of its content, its purpose, and its legal and economic context by the Commission or the EU judicature, in order to be regarded as a restriction on competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU (see, to that effect, judgments of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 51, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 775)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-680/14 (Lupin tegen Commissie), ECLI:EU:T:2018:908.
- "277 Certes, il ressort de la jurisprudence invoquée par la requérante (voir point 269 ci-dessus) que, dans certaines circonstances, pour déterminer si un accord a pour objet de restreindre la concurrence, il convient d’analyser la nature des biens ou des services affectés ainsi que les conditions réelles du fonctionnement et de la structure du ou des marchés en question (voir, en ce sens, arrêts du 14 mars 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, point 36 ; du 11 septembre 2014, CB/Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, point 53, et du 26 novembre 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, point 21). Tel est, en principe, le cas lorsque l’accord présente des caractéristiques le rendant atypique ou complexe (conclusions de l’avocat général Wathelet dans l’affaire Toshiba Corporation/Commission, C‑373/14 P, EU:C:2015:427, points 90 et 91).
278 Cependant, il est acquis que certains comportements collusoires, tels que ceux conduisant à la fixation horizontale des prix par des cartels, peuvent en principe être considérés comme étant susceptibles d’avoir des effets tellement négatifs sur le prix, sur la quantité ou sur la qualité des produits et des services, qu’il peut être considéré inutile, aux fins de l’application de l’article 101 TFUE, de démontrer qu’ils ont des effets concrets sur le marché. Par ailleurs, l’expérience montre que de tels comportements entraînent en général des réductions de la production et des hausses de prix aboutissant à une mauvaise répartition des ressources au détriment, en particulier, des consommateurs (arrêts du 11 septembre 2014, CB/Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, point 51 ; du 26 novembre 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, point 19, et du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 56).
279 Pour de tels accords, qui constituent des violations particulièrement graves de la concurrence, l’analyse du contexte économique et juridique dans lequel la pratique s’insère peut, dès lors, se limiter à ce qui s’avère strictement nécessaire en vue de conclure à l’existence d’une restriction de la concurrence par objet (voir arrêt du 27 avril 2017, FSL e.a./Commission, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, point 107 et jurisprudence citée)."
Gerecht EU 28 maart 2019, nr. T-433/16 (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:201.
- “154 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, met uitzondering van nevenrestricties bij een primaire transactie (arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak), eventuele mededingingsbevorderende gevolgen enkel in het kader van de beoordeling van artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking kunnen worden genomen. Het is immers vaste rechtspraak dat een „rule of reason”, dat wil zeggen een onderzoek waarbij een afweging wordt gemaakt tussen de gunstige en ongunstige gevolgen van de overeenkomst in het kader van de kwalificatie ervan overeenkomstig artikel 101, lid 1, VWEU, niet bestaat in het mededingingsrecht van de Unie (arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, T‑360/09, EU:T:2012:332, punt 65; zie in die zin ook arrest van 23 oktober 2003, Van den Bergh Foods/Commissie, T‑65/98, EU:T:2003:281, punt 106).”
Gerecht EU 24 september 2019, nr. T-105/17 (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:675.
- "68 Bij de beoordeling van die context moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "52 Aangaande het in aanmerking nemen van de doelstellingen van een maatregel die op grond van artikel 101, lid 1, VWEU wordt beoordeeld, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het feit dat een maatregel wordt geacht een legitiem doel na te streven, niet uitsluit dat die maatregel, gelet op het bestaan van een daarmee nagestreefd ander doel dat daarentegen als onrechtmatig moet worden beschouwd, en gelet op de inhoud en de context van die maatregel, kan worden geacht naar strekking de mededinging te beperken (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 70)."
- "130 Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het immers niet vereist dat de Commissie reeds overeenkomsten van hetzelfde soort heeft veroordeeld om deze overeenkomsten als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken, ook al vinden deze overeenkomsten plaats in een specifieke context zoals die van de intellectuele-eigendomsrechten.
131 Ten behoeve van de kwalificatie als „beperking naar strekking” van een bepaalde overeenkomst, tellen alleen de eigen kenmerken ervan [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 84 en 85] waaruit de mogelijke bijzondere schadelijkheid voor de mededinging moet worden afgeleid, zo nodig na een gedetailleerde analyse van die overeenkomst, de doelstellingen ervan en de economische en juridische context waarin zij is gesloten.
132 Evenzo kunnen tegenstrijdige standpunten – waarvan sommige louter in verslagen zijn genoemd – van de Commissie en een nationale mededingingsautoriteit met betrekking tot een overeenkomst, zoals de standpunten bedoeld in de punten 747 tot en met 751 van het bestreden arrest, verondersteld dat deze bewezen zijn, niet leiden tot de uitsluiting van elke mogelijkheid om die overeenkomst als een „beperking naar strekking” aan te merken, aangezien geenszins vaststaat dat die standpunten het resultaat zijn van een analyse als bedoeld in het vorige punt.
(...)
139 Wat in de tweede plaats het derde onderdeel van het eerste middel tegen de punten 472 en 473 van het bestreden arrest betreft, waarin het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat het niet verplicht was het „contrafeitelijke scenario” te onderzoeken om een gedraging als „beperking naar strekking” aan te merken, zij erop gewezen dat dit onderzoek toelaat de gevolgen van een collusie in het licht van artikel 101 VWEU te kunnen beoordelen wanneer uit de analyse van die praktijk niet blijkt dat deze voldoende schadelijk is voor de mededinging om te worden gekwalificeerd als „beperking naar strekking” [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 115 en 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
140 Bijgevolg, en tenzij het duidelijke onderscheid tussen de begrippen „beperking naar strekking” en „beperking naar gevolg”, dat voortvloeit uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 1, VWEU, wordt ontkend [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 63], kan het „contrafeitelijke scenario”, dat tot doel heeft de gevolgen van een bepaalde collusie aan het licht te brengen, niet verplicht zijn met het oog op de kwalificatie van een collusie als een „beperking naar strekking”.
141 Derhalve en zoals het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, is het voor de kwalificatie van een dergelijke praktijk als „beperking naar strekking” alleen van belang aan te tonen dat die, gezien de strekking van de daarin vervatte bepalingen, de doelstellingen die daarmee moeten worden bereikt en de economische en juridische context waarin die praktijk te plaatsen valt, een voldoende nadelige invloed op de mededinging heeft, zonder dat de Commissie ook nog eens de gevolgen daarvan hoeft te onderzoeken."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "86 While it is true that the characterisation as a ‘restriction by object’ may be applied as regards concerted practices, experience of which shows that they lead to falls in production and price increases, resulting in poor allocation of resources to the detriment, in particular, of consumers (judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraph 64 and the case-law cited), the fact that the Commission has not, in the past, considered that an agreement similar to the agreement at issue was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future, as the General Court correctly noted in paragraph 272 of the judgment under appeal. Indeed, as the General Court correctly held in that paragraph, all that matters is an individual and detailed examination of the practice concerned, which must demonstrate that that practice presents a sufficient degree of harm, in the present case the voluntary substitution of practical cooperation for the risks of competition on the merits, experience of such substitution having proven particularly harmful to free competition."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 586/16 P (Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:241.
- "110 Bovendien kan de omstandigheid dat mededingingsverstorend gedrag voor een onderneming mogelijk de meest winstgevende of de minst risicovolle oplossing is, evenmin de kwalificatie als „beperking naar strekking” uitsluiten."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma), ECLI:EU:C:2021:245.
- "89 Accordingly, contrary, in essence, to Merck’s submissions, in particular in relation to its preliminary observations and the first, second and sixth parts of the present ground of appeal, an agreement may not be characterised as a ‘restriction by object’ principally or, a fortiori, exclusively in the light of the wording of that agreement, even where that wording may be a significant factor in that regard.
90 In addition, contrary to Merck’s submissions, the need to analyse the agreements at issue for the purposes of characterising them is not such as to preclude characterisation as a ‘restriction by object’, which is therefore not reserved solely for agreements which prima facie, or solely in the light of their wording, reveal a sufficient degree of harm to competition.
91 Similarly, the fact that a particular agreement may fall within a more general category of agreements which, as the General Court pointed out in paragraph 195 of the judgment under appeal, were considered by the Commission in particular, not to be characterised as a ‘restriction by object’, or not even to involve any difficulties in terms of competition law, cannot preclude the characterisation of a particular agreement as a ‘restriction by object’.
92 Contrary to Merck’s assertions in relation to the fifth part of the present ground of appeal, characterisation as a ‘restriction by object’ does not require that parties to those agreements pursue an anticompetitive objective, even though such an objective may nevertheless be taken into consideration, (…)."
HvJ EU, 25 maart 2021 nr. C-614/16 P (Merck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:246.
- "96 Hieruit volgt dat de vraag of er sprake is van een op grond van artikel 101, lid 1, VWEU verboden overeenkomst principieel verschilt van de kwestie van de toerekening van de aansprakelijkheid voor de inbreuk en het opleggen van een straf aan een partij bij die overeenkomst, ook al kunnen bepaalde feiten relevant zijn voor de beoordeling van beide vraagstukken.
97 Het eerste vraagstuk heeft namelijk betrekking op de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU, terwijl het tweede verband houdt met de gevolgen van een inbreuk op die bepaling. Dit laatste vraagstuk is in beginsel pas aan de orde wanneer eerst een inbreuk op die bepaling is vastgesteld.
98 Aangezien het bestaan van een overeenkomst die inbreuk maakt op artikel 101, lid 1, VWEU overeenkomstig de in die bepaling geformuleerde voorwaarden wordt vastgesteld, kan de wijze waarop de met de toepassing van die bepaling belaste autoriteit de verantwoordelijkheid voor de inbreuk toerekent aan de partijen bij die overeenkomst, in beginsel geen invloed hebben op de vaststelling van die inbreuk.
99 Het vraagstuk betreffende de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU verschilt voorts van de vraag of een met de toepassing van deze bepaling belaste autoriteit slechts een van de partijen bij de overeenkomst aansprakelijk kan stellen voor de door die overeenkomst gevormde inbreuk, welke vraag in het hoofdgeding niet is gesteld."
- "1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomsten tussen een leverancier en een distributeur op grond waarvan de distributeur die als eerste een potentiële transactie met de eindgebruiker registreert, gedurende zes maanden vanaf die registratie „voorrang [krijgt] om de verkoop [...] tot stand te brengen” mits die gebruiker geen bezwaar daartegen maakt, niet kunnen worden aangemerkt als overeenkomsten die „ertoe strekken” de mededinging te verhinderen, beperken of vervalsen in de zin van die bepaling, tenzij die overeenkomsten, gelet op de voorwaarden, de doelen en de context ervan, als dermate schadelijk voor de mededinging kunnen worden beschouwd dat zij wel zo kunnen worden gekwalificeerd.
Als dergelijke overeenkomsten de mededinging niet „naar strekking” beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, moet de nationale rechter nagaan of, in het licht van alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding, te weten onder meer de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen opereren, de aard van de betrokken goederen of diensten en de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd, die overeenkomsten kunnen worden beschouwd als voldoende merkbare beperking van de mededinging op grond van de werkelijke of potentiële gevolgen ervan.
(...)
3) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het bestaan van een door deze bepaling verboden overeenkomst niet kan worden uitgesloten op de enkele grond dat de met de toepassing van deze bepaling belaste autoriteit de partijen bij die overeenkomst gedifferentieerd aansprakelijk stelt voor de inbreuk."
- "107 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat ter beantwoording van de vraag of verschillende gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, bovendien niet hoeft te worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk van die gedragingen is bedoeld om aan een of meer gevolgen van de normale mededinging te ontkomen en dat die gedragingen door hun wisselwerking ertoe bijdragen het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen te verwezenlijken dat degenen die ze verrichtten ermee beoogden in het kader van een globaal plan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip „één enkel doel” houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen niet hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaken van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren (arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑644/13 P, EU:C:2017:59, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Uit deze rechtspraak van het Hof kan niet worden afgeleid dat zij slechts van toepassing is op situaties waarin er een rechtstreeks bewijs is van een formeel plan dat de verschillende bestanddelen van een inbreuk met elkaar verbindt, en dat bij gebreke van dergelijk bewijs een dergelijk complementair verband een noodzakelijke voorwaarde is om het bestaan van een dergelijke inbreuk vast te stellen. In de in punt 103 van het onderhavige arrest bedoelde arresten heeft het Hof immers integendeel verduidelijkingen van algemene strekking gegeven die zich uitstrekken tot alle enkele voortdurende inbreuken, ongeacht de feitelijke wijze waarop die zijn uitgevoerd."
HvJ EU 16 juni 2022, nr. C-700/19 (Toshiba Samsung Storage Technology tegen Commissie), ECLI:EU:C:2022:484.
- "32 Het begrip „beperking van de mededinging naar strekking” moet restrictief worden uitgelegd. Dit begrip kan dus uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die dermate schadelijk zijn voor de mededinging dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 De omstandigheid dat het om een verticale overeenkomst gaat, sluit echter niet uit dat zij de „mededinging naar haar strekking” beperkt. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen ook zij onder bepaalde omstandigheden een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 43, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 61).
34 Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst, of zij nu horizontaal of verticaal is, een „mededingingsbeperkende strekking” heeft, valt dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich voldoende schadelijk is voor de mededinging (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Bij de beoordeling of aan dat criterium is voldaan moet worden gelet op de bewoordingen en de doelen ervan, alsmede op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wanneer de partijen bij de overeenkomst zich beroepen op de mededingingsbevorderende gevolgen ervan, moeten deze elementen bovendien in aanmerking worden genomen als elementen van de context van deze overeenkomst. Op grond van dergelijke gevolgen kan namelijk redelijkerwijs worden betwijfeld of de overeenkomst voldoende schadelijk is voor de mededinging, mits deze gevolgen bewezen, relevant, specifiek voor de betrokken overeenkomst en voldoende groot zijn [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 103, 105 en 107]."
pas kan worden bepaald dat een verticale overeenkomst tot vaststelling van minimumwederverkoopprijzen een „mededingingsbeperking naar strekking” bevat nadat is vastgesteld dat deze overeenkomst, gelet op de bewoordingen en doelen ervan, alsmede op alle elementen die kenmerkend zijn voor de economische en juridische context ervan, voldoende schadelijk is voor de mededinging."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas); ECLI:EU:C:2023:529.
- "113 Moreover, for the purpose of characterising various instances of conduct as a single and continuous infringement, it is not necessary to ascertain whether they present a link of complementarity, in the sense that each of them is intended to deal with one or more consequences of the normal pattern of competition, and, through interaction, contribute to the attainment of the set of anticompetitive effects desired by those responsible, within the framework of a global plan having a single objective. By contrast, the condition relating to a single objective requires that it be ascertained whether there are any elements characterising the various instances of conduct forming part of the infringement which are capable of indicating that the instances of conduct in fact implemented by other participating undertakings do not have an identical object or identical anticompetitive effect and, consequently, do not form part of an ‘overall plan’ as a result of their identical object distorting the normal pattern of competition within the internal market (judgment of 26 January 2017, Villeroy & Boch v Commission, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, paragraph 58 and the case-law cited)."
HvJ EU 13 juli 2023, nr. C-759/21 P (Nippon Chemi-Con Corporation tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:577.
- "100 Tot die collusiepraktijken, die onder de categorie beperkingen naar strekking kunnen vallen, behoren onder meer marktverdelingsovereenkomsten. Dergelijke overeenkomsten vormen namelijk bijzonder ernstige schendingen van het mededingingsrecht (zie in die zin arresten van 5 december 2013, Solvay Solexis/Commissie, C‑449/11 P, EU:C:2013:802, punt 82, en 4 september 2014, YKK e.a./Commissie, C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 26), aangezien zij op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 101, lid 1, VWEU zijn verboden. Een dergelijk doel kan immers niet worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarin de betrokken mededingingsverstorende gedragingen worden verricht (zie in die zin arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Hetzelfde geldt voor marktuitsluitingsovereenkomsten, die tot doel hebben de potentiële mededinging uit te schakelen en de vrije mededinging te verhinderen door een potentiële concurrent buiten de betrokken markt te houden.
102 In een dergelijk geval kan de analyse van de economische en juridische context van een dergelijke overeenkomst worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (zie in die zin arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 29). In dit verband kan de mededingingsbeperkende strekking van die overeenkomst dus worden bevestigd door de omstandigheid dat zij tot stand is gekomen in de specifieke context van liberalisering van de markt, hetgeen het wegnemen van belangrijke toetredingsdrempels impliceert.
103 Voorts heeft het Hof ook geoordeeld dat wanneer de partijen bij een overeenkomst zich beroepen op de mededingingsbevorderende gevolgen van de overeenkomst, met deze gevolgen voor de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking” naar behoren rekening moet worden gehouden als aspecten van de context van deze overeenkomst, aangezien zij de algehele beoordeling van de mate waarin de collusie de mededinging nadelig heeft beïnvloed, en bijgevolg de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking”, op de helling kunnen zetten (arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Het loutere bestaan van mededingingsbevorderende gevolgen volstaat echter niet om een dergelijke kwalificatie uit te sluiten. Enkel indien deze gevolgen bewezen, relevant, specifiek voor de overeenkomst in kwestie en voldoende groot zijn, zodat er redelijkerwijs kan worden betwijfeld of die overeenkomst in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging, moet de kwalificatie als beperking naar strekking terzijde worden geschoven [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 103, 105‑107]."
een in een zakelijke partnerschapsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding waarbij het een van de partijen bij deze overeenkomst met name wordt verboden om toe te treden tot de nationale markt voor de levering van elektriciteit waarop de wederpartij bij die overeenkomst een belangrijke marktdeelnemer is, en waarbij dit verbod geldt in de laatste fasen van de liberalisering van die markt, een overeenkomst vormt die ertoe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, ook al behalen de consumenten bepaalde voordelen uit die overeenkomst en is dat concurrentiebeding beperkt in de tijd, voor zover uit een analyse van de inhoud van dat beding en de economische en juridische context ervan blijkt dat het beding dermate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "101 Blijkens vaste rechtspraak van het Hof, zoals die in het bijzonder is samengevat in de arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67), vormt het begrip mededingingsverstorende „strekking” weliswaar geen uitzondering ten opzichte van het begrip mededingingsverstorend „gevolg”, zoals blijkt uit de punten 98 en 99 van het onderhavige arrest, maar moet het toch strikt worden uitgelegd.
102 Bijgevolg moet dat begrip aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging [zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 417; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67].
103 Tot de soorten gedrag die als zodanig moeten worden beschouwd, behoren in de eerste plaats bepaalde kartelafspraken die bijzonder schadelijk zijn voor de mededinging, zoals horizontale kartels die leiden tot prijsbepaling, beperking van de productiecapaciteit of verdeling van de klanten. Dergelijke soorten gedrag kunnen er namelijk in resulteren dat de prijzen stijgen of dat de productie, en daarmee het aanbod, wordt verlaagd, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat in het nadeel speelt van zowel de ondernemingen die er gebruik van maken als de consument (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 17 en 33; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 32).
104 Andere soorten gedrag zijn niet noodzakelijk even schadelijk voor de mededinging, maar kunnen in bepaalde gevallen eveneens worden geacht een mededingingsverstorende strekking te hebben. Dat is onder meer het geval bij bepaalde soorten horizontale overeenkomsten die geen kartels zijn, zoals die welke ertoe leiden dat concurrerende ondernemingen van de markt worden uitgesloten [zie in die zin arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 76, 77, 83‑87 en 101, alsook 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punten 113 en 114], of bepaalde soorten besluiten van ondernemersverenigingen die erop zijn gericht het gedrag van hun leden te coördineren, met name op het gebied van prijzen (zie in die zin arrest van 27 januari 1987, Verband der Sachversicherer/Commissie, 45/85, EU:C:1987:34, punt 41).
105 Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen uit hun aard zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat zij kunnen worden geacht ertoe te strekken deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 79).
106 Wat om te beginnen de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 80). Het is daarentegen geenszins noodzakelijk om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen dat gedrag teweegbrengt voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn, zoals volgt uit de rechtspraak die in de punten 98 en 99 van het onderhavige arrest is aangehaald.
107 Wat vervolgens de doelstellingen van het betrokken gedrag betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met dat gedrag worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punten 64 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21).
108 Ten slotte moeten bij het in overweging nemen van al de in de drie voorgaande punten van het onderhavige arrest genoemde aspecten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom het betrokken gedrag zodanig schadelijk is voor de mededinging dat het kan worden geacht „ertoe te strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 69)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "125 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat onvervalste handhaving of ontwikkeling van de mededinging op de interne markt slechts kan worden gewaarborgd indien wordt gezorgd voor gelijke kansen voor ondernemingen. Wanneer aan een onderneming die een bepaalde economische activiteit uitoefent de bevoegdheid wordt toegekend tot aanwijzing, rechtens of zelfs feitelijk, van andere ondernemingen die deze activiteit ook mogen uitoefenen, en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder die activiteit kan worden uitgeoefend, ontstaat voor die onderneming een conflictsituatie en wordt haar ten opzichte van haar concurrenten een duidelijk voordeel toegekend doordat zij hen de toegang tot de betrokken markt kan ontzeggen of haar eigen activiteit kan begunstigen (zie in die zin arresten van 13 december 1991, GB-Inno-BM, C‑18/88, EU:C:1991:474, punt 25; 12 februari 1998, Raso e.a., C‑163/96, EU:C:1998:54, punten 28 en 29, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 38, 49, 51 en 52) en zodoende ten nadele van de consument de ontwikkeling van op verdienste gebaseerde mededinging kan verhinderen door de productie, de ontwikkeling van alternatieve producten of diensten of de innovatie op die markt te beperken.
126 Bijgevolg kan een dergelijke bevoegdheid slechts aan een welbepaalde onderneming worden verleend indien de uitoefening ervan beperkt, gebonden en aan controle onderworpen is, ongeacht of die bevoegdheid voortvloeit uit de toekenning door een lidstaat van uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming waaraan zij wordt verleend, een machtspositie op de betrokken markt verschaffen (zie in die zin arrest van du 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 50 en 53), uit autonoom gedrag van een onderneming met een machtspositie die haar in staat stelt potentieel concurrerende ondernemingen de toegang tot die markt of tot verwante of naburige markten te ontzeggen (zie in die zin arrest van 13 december 1991, GB-Inno-BM, C‑18/88, EU:C:1991:474, punten 17‑20 en 24), of uit een besluit van een ondernemersvereniging, a fortiori wanneer de vereniging waarvan dat besluit uitgaat, tegelijkertijd als een „onderneming” moet worden beschouwd vanwege de economische activiteit die zij op die markt uitoefent (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 39, 44, 45, 59, 91 en 92).
127 Om die reden heeft het Hof reeds vastgesteld dat wanneer een dergelijke bevoegdheid wordt verleend aan een onderneming met een machtspositie, zij door het bestaan zelf ervan in strijd is met artikel 102 VWEU, in voorkomend geval gelezen in samenhang met artikel 106 VWEU, tenzij de uitoefening van die bevoegdheid zodanig beperkt, gebonden en aan controle onderworpen is dat het risico van misbruik van machtspositie wordt uitgesloten (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 50 en 53).
128 Evenzo moet worden geoordeeld dat een dergelijke bevoegdheid kan worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien de artikelen 101 en 102 VWEU, ook al worden er onderscheiden doelstellingen mee nagestreefd en hebben ze een verschillende werkingssfeer, tegelijkertijd op een en dezelfde gedraging kunnen worden toegepast indien voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan [zie in die zin arresten van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 32; 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punt 33, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 146], en die artikelen bijgevolg samenhangend moeten worden uitgelegd met inachtneming evenwel van hun specifieke kenmerken.
129 Ervan uitgaand dat dit niet het geval is, kan die bevoegdheid op zijn minst worden geacht „ten gevolge te hebben” dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, zoals ook reeds door het Hof is vastgesteld (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69).
(...)
131 Voor het antwoord op de vraag of een besluit van een ondernemersvereniging waarbij aan die vereniging regelgevings-, toezichts-, en sanctiebevoegdheden worden toegekend die haar in staat stellen potentieel concurrerende ondernemingen de toegang toe te staan of te ontzeggen tot een bepaalde markt waarop die vereniging zelf een economische activiteit uitoefent, moet worden geacht ertoe te strekken of, als dat niet het geval is, ten gevolge te hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, dient om te beginnen te worden nagegaan of die bevoegdheid wordt afgebakend door transparante, duidelijke en precieze materiële criteria (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 84‑86, 90, 91 en 99), zodat kan worden voorkomen dat zij willekeurig kan worden uitgeoefend. Voorts moeten die criteria uiteraard zijn vastgelegd in een toegankelijke vorm alvorens de bevoegdheid die erdoor moet worden afgebakend, wordt uitgeoefend.
132 Daartoe kunnen met name criteria worden gerekend die het houden van sportwedstrijden op basis van gelijke kansen en verdienste adequaat en daadwerkelijk bevorderen.
133 Criteria die daaraan beantwoorden, moeten bovendien kunnen waarborgen dat een dergelijke bevoegdheid op non-discriminatoire basis wordt uitgeoefend (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 99) en dat de sancties die kunnen worden opgelegd, zowel objectief als evenredig zijn (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 48 en 55). Opdat die criteria in het algemeen als niet-discriminatoir zouden kunnen worden beschouwd, mogen ze aan de organisatie en commercialisatie van externe wedstrijden en de deelname van atleten daaraan geen voorwaarden verbinden die hetzij verschillen van die welke gelden voor wedstrijden die worden georganiseerd en gecommercialiseerd door de entiteit die daarover beslist, hetzij identiek of vergelijkbaar zijn, maar waaraan in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk kan worden voldaan door een onderneming die niet dezelfde hoedanigheid van vereniging of dezelfde bevoegdheden heeft als die entiteit en zich derhalve in een andere situatie bevindt dan die entiteit. Daarenboven moeten meer specifiek de criteria voor de vaststelling van mogelijke sancties waarborgen dat deze in elk concreet geval worden vastgesteld met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met de aard, de duur en de ernst van de vastgestelde inbreuk.
134 Ten slotte moeten die criteria daadwerkelijk kunnen worden geverifieerd (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 99).
135 Voor de betrokken bevoegdheid moeten er bovendien transparante en niet-discriminatoire procedureregels gelden, zoals die betreffende de termijnen voor de indiening van een verzoek om voorafgaande toestemming en voor de vaststelling van een besluit daarover, die niet in het nadeel van potentieel concurrerende ondernemingen kunnen werken door hun daadwerkelijke toegang tot de markt te ontzeggen (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 86 en 92) en dus uiteindelijk de productie niet kunnen beperken."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "144 (...) Ofschoon uit die rechtspraak volgt dat het een sportfederatie zoals de ISU vrijstaat om voor de betrokken sportdiscipline regels inzake de organisatie en het verloop van internationale wedstrijden vast te stellen, toe te passen en via sancties te doen naleven (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68; 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 44, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), volstaan die overwegingen immers geenszins om regels, zoals de toestemmings- en toelatingsregels, waarvan de toepassing niet afdoend beperkt, gebonden of aan controle onderworpen is, rechtmatig te verklaren.
145 Integendeel, dergelijke regels moeten, gelet op de in de punten 125 tot en met 128 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken. De entiteit die deze regels heeft vastgesteld en mag toepassen, krijgt op grond van die regels immers de macht om de toegang tot de markt van elke potentieel concurrerende onderneming toe te staan, te controleren of afhankelijk te stellen van voorwaarden en om zowel de eventuele mate van mededinging op die markt als de voorwaarden waaronder die eventuele mededinging kan plaatsvinden, te bepalen.
146 Als dusdanig maken die regels het mogelijk om elke concurrerende onderneming – zelfs al is deze even efficiënt – van de markt te weren of op zijn minst de organisatie en commercialisatie van wedstrijden die qua format of inhoud een alternatief vormen of nieuw zijn, te beperken. Bovendien wordt aan atleten daardoor elke mogelijkheid ontnomen om aan dergelijke wedstrijden deel te nemen, ook al zou hun interesse erdoor kunnen worden gewekt wegens bijvoorbeeld een innoverend format dat tegelijkertijd strookt met alle beginselen, waarden en spelregels die aan de betrokken sportdiscipline ten grondslag liggen. Ten slotte zijn die regels van dien aard dat toeschouwers en televisiekijkers geen enkele mogelijkheid krijgen om die wedstrijden bij te wonen of de uitzending ervan te bekijken."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "189 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de door de ISU opgelegde arbitrageregels, zoals tussen partijen vaststaat en het Gerecht in de punten 156, 159 en 160 van het bestreden arrest heeft aangegeven, met name zijn gericht op twee soorten geschillen die zich kunnen voordoen bij economische activiteiten waarvan de ene bestaat in het streven om internationale wedstrijden hardrijden op de schaats te organiseren en te commercialiseren, en de andere in het streven om als beroepsatleet aan dergelijke wedstrijden deel te nemen. Derhalve gelden die regels voor geschillen betreffende sportbeoefening als economische activiteit en vallen zij als zodanig binnen de werkingssfeer van het mededingingsrecht van de Unie. Om de in de punten 91 tot en met 96 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen dienen die regels dan ook, in zoverre ze worden toegepast op het grondgebied waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn, in overeenstemming te zijn met het mededingingsrecht van de Unie, ongeacht waar de entiteiten die deze regels hebben vastgesteld zijn gevestigd (arresten van 25 november 1971, Béguelin Import, 22/71, EU:C:1971:113, punt 11; 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, 89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85–129/85, EU:C:1988:447, punt 16, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 43‑45).
190 In casu gaat het derhalve enkel om de toepassing van die regels in het kader van dergelijke geschillen en op het grondgebied van de Unie, en niet om de toepassing van die regels op een ander grondgebied dan dat van de Unie, noch om de toepassing ervan in het kader van andere soorten geschillen, zoals geschillen die uitsluitend verband houden met de sport als zodanig en dus niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, laat staan om de toepassing van arbitrageregels op andere gebieden.
191 Bovendien zijn die regels blijkens de punten 181 en 184 van het onderhavige arrest in casu niet aan de orde omdat op grond daarvan besluiten van de ISU in eerste aanleg worden getoetst door een arbitrageorgaan, namelijk het CAS, maar enkel omdat de toetsing van de arbitrale beslissingen van het CAS en de toetsing in laatste aanleg van de besluiten van de ISU worden verricht door de tribunal fédéral, namelijk een rechter van een derde land.
192 Dienaangaande heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de artikelen 101 en 102 VWEU bepalingen met rechtstreekse werking zijn die voor de justitiabelen rechten in het leven roepen die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd (arresten van 30 januari 1974, BRT en Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, 127/73, EU:C:1974:6, punt 16, en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punt 24), en die onder de openbare orde van de Unie vallen (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punten 36 en 39).
193 Om die reden heeft het Hof weliswaar vastgesteld dat een particulier een overeenkomst kan sluiten waarin in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen wordt bepaald dat alle of sommige daarop betrekking hebbende geschillen worden voorgelegd aan een arbitrageorgaan in plaats van aan de nationale rechter die volgens de toepasselijke nationaalrechtelijke regels bevoegd zou zijn geweest om over die geschillen uitspraak te doen, en dat de vereisten die verband houden met de doeltreffendheid van de arbitrale rechtspleging kunnen rechtvaardigen dat de rechterlijke toetsing van arbitrale beslissingen een beperkt karakter draagt (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 35, en 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 34), maar heeft het niettemin erop gewezen dat bij een dergelijke rechterlijke toetsing hoe dan ook moet kunnen worden nagegaan of die arbitrale beslissingen in overeenstemming zijn met de fundamentele bepalingen van openbare orde van de Unie, waartoe de artikelen 101 en 102 VWEU behoren (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 37). Aan dat vereiste dient a fortiori te zijn voldaan wanneer een dergelijk arbitragemechanisme moet worden geacht in de praktijk te zijn opgelegd door een privaatrechtelijk rechtssubject, zoals een internationale sportfederatie, aan een ander privaatrechtelijk rechtssubject, zoals een atleet.
194 Bij gebreke van een dergelijke rechterlijke toetsing zou gebruikmaking van een arbitragemechanisme immers ten koste kunnen gaan van de bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht en aan de daadwerkelijke eerbiediging van de artikelen 101 en 102 VWEU, zoals deze door de nationale regels betreffende de rechtsmiddelen moeten worden gewaarborgd, en bij gebreke van een dergelijk mechanisme dus zouden worden gewaarborgd.
195 In het bijzonder arbitrageregels zoals die welke worden opgelegd door de ISU moeten aan dat vereiste van effectieve rechterlijke toetsing voldoen.
196 Het Hof heeft er immers reeds op gewezen dat sportfederaties weliswaar over een juridische autonomie beschikken die hen in staat stelt regels vast te stellen met betrekking tot met name de organisatie van wedstrijden, het goede verloop daarvan en de deelname van sporters daaraan (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), maar dat zij daarbij geen beperkingen mogen stellen aan de uitoefening van de door het Unierecht aan particulieren verleende rechten en vrijheden (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 81 en 83, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 52), waartoe de rechten behoren die in het leven zijn geroepen door de artikelen 101 en 102 VWEU.
197 Om die reden moeten regels zoals de toestemmings- en toelatingsregels gepaard gaan met een effectieve rechterlijke toetsing, zoals volgt uit de punten 127 en 134 van het onderhavige arrest.
198 Dit vereiste van effectieve rechterlijke toetsing impliceert dat wanneer dergelijke regels vergezeld gaan van bepalingen op grond waarvan aan een arbitrageorgaan een dwingende en exclusieve bevoegdheid wordt toegekend, de rechter die bevoegd is voor de toetsing van de door dat orgaan gegeven beslissingen moet kunnen nagaan of die beslissingen in overeenstemming zijn met de artikelen 101 en 102 VWEU. Voorts impliceert dit vereiste dat die rechter moet voldoen aan alle voorwaarden van artikel 267 VWEU, zodat hij zich tot het Hof kan of, in voorkomend geval, moet wenden wanneer een uitspraak van het Hof over een Unierechtelijke kwestie die in een bij hem aanhangige zaak aan de orde wordt gesteld, naar zijn oordeel noodzakelijk is (zie in die zin arresten van 23 maart 1982, Nordsee, 102/81, EU:C:1982:107, punten 14 en 15, en 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 40).
199 Het Gerecht heeft derhalve blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door louter op ongedifferentieerde en abstracte wijze te oordelen dat de arbitrageregels, in zoverre toezicht op geschillen over de toepassing van de toestemmings- en toelatingsregels op grond daarvan werd toevertrouwd aan een „gespecialiseerde rechter”, „[konden] worden gerechtvaardigd door legitieme belangen die verband houden met de specifieke kenmerken van sport”, zonder zich ervan te vergewissen of die arbitrageregels voldeden aan alle in de vorige punten van het onderhavige arrest genoemde vereisten, en dus een effectieve toetsing van de naleving van de mededingingsregels van de Unie mogelijk maakten, ondanks dat de Commissie zich in de overwegingen 270 tot en met 277, 282 en 283 van het litigieuze besluit op goede gronden op die vereisten had gebaseerd ter onderbouwing van haar slotsom dat die regels de in artikel 1 van dat besluit gekwalificeerde inbreuk versterkten.
200 Ten tweede heeft het Gerecht eveneens blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door in de punten 157 tot en met 161 van het bestreden arrest te oordelen dat de volle werking van het mededingingsrecht van de Unie werd gewaarborgd, aangezien adressaten van een niet-toelatingsbesluit of van een besluit houdende weigering van toestemming voor het houden van een wedstrijd, rechtsmiddelen kunnen aanwenden om bij de bevoegde nationale rechter vergoeding te vorderen van de door hen vanwege een dergelijk besluit geleden schade, en bij de Commissie of een nma een klacht kunnen indienen.
201 Dat personen vergoeding kunnen vorderen van de schade die zij hebben geleden door gedrag dat de mededinging kan verhinderen, beperken of vervalsen, hoe essentieel dat ook is (zie in dat verband arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punten 26 en 27, en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punten 25, 43 en 44), kan immers het feit niet ondervangen dat een rechtsmiddel ontbreekt waarmee zij zich tot de bevoegde nationale rechter kunnen wenden teneinde te bekomen dat dit gedrag wordt gestaakt, in voorkomend geval na toekenning van voorlopige maatregelen, of, wanneer het uit een handeling bestaat, dat die handeling wordt getoetst en nietig wordt verklaard, in voorkomend geval na een voorafgaande arbitrageprocedure die werd gevoerd krachtens een overeenkomst die in de toepassing van een dergelijke procedure voorziet. Dit klemt des te meer voor beroepssporters, wier loopbaan relatief kort kan zijn, met name in het geval van sportbeoefening op hoog niveau.
202 Bovendien is die omstandigheid geen reden om dat recht weliswaar formeel te behouden, maar in de praktijk van een wezenlijk deel van zijn inhoud te ontdoen, zoals dat het geval is wanneer de rechterlijke toetsing die ten aanzien van het gedrag of de handeling in kwestie kan worden verricht, rechtens of feitelijk uiterst beperkt blijkt te zijn, met name omdat toetsing aan de bepalingen van openbare orde van het Unierecht niet mogelijk is.
203 De mogelijkheid tot indiening van een klacht bij de Commissie of een nma kan a fortiori niet worden ingeroepen ter rechtvaardiging van het ontbreken van een rechtsmiddel als bedoeld in punt 201 van het onderhavige arrest. Bovendien moet er met betrekking tot de Commissie op worden gewezen, zoals terecht wordt opgemerkt door die instelling en degenen die de incidentele hogere voorziening hebben ingesteld, dat artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) degene die krachtens dat artikel een verzoek bij haar indient niet het recht geeft om een definitief besluit over het al dan niet bestaan van de door hem gestelde inbreuk te verlangen (zie in die zin arrest van 19 september 2013, EFIM/Commissie, C‑56/12 P, EU:C:2013:575, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "169 Het begrip gedrag met mededingingsverstorende „gevolgen” omvat elk gedrag dat niet kan worden beschouwd als gedrag met een mededingingsverstorende „strekking”, mits wordt aangetoond dat het daadwerkelijk of potentieel ten gevolge heeft dat de mededinging aanzienlijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst [zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 77, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 117].
170 Te dien einde moet de mededinging worden onderzocht binnen het feitelijke kader waarin die zich zou afspelen zonder de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie [arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 415, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 118]. Daarbij moet(en) de markt(en) worden bepaald waarop dat gedrag zijn gevolgen moet teweegbrengen, en dienen die gevolgen vervolgens te worden gekwalificeerd, ongeacht of zij reëel dan wel potentieel zijn. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "173 Zoals in de verwijzingsbeslissing is uiteengezet, bepalen de regels van de UEFA in de eerste plaats dat alleen deze entiteit beslist over de instelling en de opheffing van internationale competities binnen haar territoriale bevoegdheidsgebied waaraan de bij de UEFA aangesloten nationale voetbalbonden of de tot die bonden behorende clubs deelnemen, met dien verstande dat deze regels niet gelden voor de door de FIFA georganiseerde competities. In de tweede plaats moet voor de internationale wedstrijden, competities en toernooien die binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de UEFA worden gespeeld, maar niet door haar zijn georganiseerd, vooraf door de FIFA, de UEFA en/of de betrokken aangesloten bonden toestemming worden verleend, overeenkomstig het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden. In de derde plaats kunnen zonder toestemming van de UEFA geen groepen of allianties van competities of clubs die direct of indirect zijn aangesloten bij verschillende bij de UEFA aangesloten nationale voetbalbonden worden gevormd.
174 Bovendien heeft de verwijzende rechter verklaard dat geen van deze bevoegdheden van de FIFA en de UEFA wordt afgebakend door materiële criteria of procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief en niet-discriminerend zijn, zoals die welke in punt 151 van het onderhavige arrest zijn genoemd.
175 Vervolgens volgt uit de punten 142 tot en met 149 van het onderhavige arrest dat de specifieke aard van internationale voetbalcompetities en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van deze competities op het grondgebied van de Unie het dan wel mogelijk maken om aan te nemen dat regels betreffende voorafgaande toestemming zoals die welke zo-even zijn genoemd, in beginsel gerechtvaardigd zijn, maar deze contextuele elementen kunnen daarentegen geen rechtvaardiging vormen voor het ontbreken van materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat deze regels transparant, objectief, nauwkeurig en niet-discriminerend zijn.
176 Ten slotte kunnen deze regels betreffende voorafgaande toestemming weliswaar zijn ingegeven door het nastreven van bepaalde legitieme doelstellingen, zoals het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen, de waarden en de spelregels die aan het professionele voetbal ten grondslag liggen, maar het blijft een feit dat zij de organisatie en het in de markt zetten van elke andere internationale voetbalcompetitie dan die welke deze twee entiteiten in het kader van de uitoefening van een economische activiteit parallel daaraan organiseren, onderwerpen aan de bevoegdheden betreffende voorafgaande toestemming en sancties van de entiteiten die deze regels in hun hoedanigheid van ondernemersverenigingen hebben vastgesteld. Aldus verlenen deze regels deze entiteiten de bevoegdheid om de toegang van elke potentieel concurrerende onderneming tot de betrokken markt toe te staan, te controleren of aan voorwaarden te onderwerpen, en de bevoegdheid om zowel de mate van mededinging op de markt te bepalen als de voorwaarden waaronder deze eventuele mededinging kan plaatsvinden. Deze regels zijn dan ook van dien aard dat zij zo niet elke concurrerende onderneming, ook al is deze even efficiënt, van deze markt kunnen uitsluiten, dan toch de organisatie en het in de markt zetten van alternatieve of nieuwe competities qua format en inhoud kunnen beperken. Voorts kunnen zij professionele voetbalclubs en spelers elke mogelijkheid tot deelname aan deze competities ontnemen, ook al zouden deze competities bijvoorbeeld een innovatief format kunnen bieden, waarbij alle aan deze sport ten grondslag liggende beginselen, waarden en spelregels in acht worden genomen. Uiteindelijk kunnen zij toeschouwers en televisiekijkers elke mogelijkheid ontnemen om deze competities bij te wonen of de uitzending ervan te bekijken.
177 Voor zover de regels betreffende voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities gepaard gaan met regels betreffende de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities en betreffende de sancties waartoe die deelname aanleiding kan geven, moet daaraan overigens worden toegevoegd dat deze regels duidelijk kunnen leiden tot een versterking van de mededingingsverstorende strekking die inherent is aan elk stelsel van voorafgaande toestemming dat niet gepaard gaat met beperkingen, verplichtingen of toezicht waarmee de transparante, objectieve, nauwkeurige en niet-discriminerende aard ervan kan worden gewaarborgd. In feite versterken zij de uit dit stelsel voortvloeiende toetredingsdrempel, doordat zij elke onderneming die een potentieel concurrerende competitie organiseert, verhinderen om op zinvolle wijze gebruik te maken van de op de markt beschikbare middelen, namelijk clubs en spelers, die zich bij deelname aan een competitie waarvoor de FIFA en de UEFA geen voorafgaande toestemming hebben verleend, blootstellen aan sancties die – zoals in punt 148 van het onderhavige arrest is aangegeven – niet worden afgebakend door materiële criteria of procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig, niet-discriminerend en evenredig zijn.
178 Om al deze redenen moet worden geoordeeld dat regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer zij niet worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig, niet-discriminerend en evenredig zijn, zoals die welke in punt 151 van het onderhavige arrest zijn genoemd, naar hun aard voldoende schadelijk zijn voor de mededinging en er dus toe strekken deze te verhinderen. Zij vallen dus onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, zonder dat de daadwerkelijke of potentiële gevolgen ervan hoeven te worden onderzocht."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "183 Volgens vaste rechtspraak van het Hof valt niet elke overeenkomst tussen ondernemingen die, of elk besluit van een ondernemersvereniging dat de handelingsvrijheid beperkt van de ondernemingen die partij zijn bij die overeenkomst of die dat besluit moeten naleven, automatisch onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU. Uit het onderzoek van de economische en juridische context waarin bepaalde van die overeenkomsten en besluiten moeten worden geplaatst, kan namelijk naar voren komen, ten eerste, dat deze worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen van algemeen belang die als zodanig niet mededingingsverstorend zijn, ten tweede, dat de concrete middelen waarmee die doelstellingen worden nagestreefd, daar werkelijk toe noodzakelijk zijn en, ten derde, dat ook als die middelen er onvermijdelijk toe leiden dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt of vervalst, dit onvermijdelijk gevolg niet verder gaat dan noodzakelijk is, wat met name wél het geval zou zijn wanneer de mededinging volledig zou worden uitgeschakeld. Deze rechtspraak kan in het bijzonder toepassing vinden op overeenkomsten of besluiten die de vorm aannemen van regels die een bond, zoals een beroeps- of een sportbond, vaststelt om bepaalde ethische of deontologische doelstellingen na te streven en, meer algemeen, om de uitoefening van een beroepsactiviteit te regelen, indien de betrokken bond aantoont dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97; 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 42‑48, en 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 93, 96 en 97).
184 Meer bepaald heeft het Hof op het gebied van sport, gelet op de gegevens waarover het beschikte, geoordeeld dat de antidopingregelgeving die is vastgesteld door het Internationaal Olympisch Comité (IOC), niet valt onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, ook al beperkt zij de handelingsvrijheid van de atleten en heeft zij tot onvermijdelijk gevolg dat de mogelijke concurrentie tussen hen wordt beperkt doordat zij een grenswaarde bepaalt waarboven de aanwezigheid van nandrolon als doping wordt beschouwd, teneinde het eerlijke, integere en objectieve verloop van de sportcompetitie veilig te stellen, de gelijke kansen van de atleten te waarborgen, hun gezondheid te beschermen, en de ethische waarden die de kern van de sport vormen te doen naleven, waaronder de verdienste (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 43‑55).
185 De in punt 183 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is daarentegen niet van toepassing op gedragingen die, ongeacht of zij al dan niet van een dergelijke bond uitgaan en ongeacht de legitieme doelstellingen van algemeen belang die ter rechtvaardiging van die gedragingen kunnen worden aangevoerd, naar hun aard inbreuk maken op artikel 102 VWEU, zoals reeds impliciet maar noodzakelijkerwijs blijkt uit de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 53).
186 Daar het ontbreken van een subjectief oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het nastreven van eventueel legitieme doelstellingen ook niet doorslaggevend zijn voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU, en voorts de artikelen 101 en 102 VWEU op coherente wijze moeten worden uitgelegd en toegepast, moet worden geoordeeld dat de in punt 183 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak evenmin kan worden toegepast op gedragingen die niet gewoon tot onvermijdelijk „gevolg” hebben dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt doordat zij de handelingsvrijheid van bepaalde ondernemingen beknotten, maar voor de mededinging zodanig schadelijk zijn dat het gerechtvaardigd is om ze aan te merken als gedragingen die er juist „toe strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Enkel indien het onderzoek van de gedraging die in een concreet geval aan de orde is, uitwijst dat die gedraging er niet toe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, dient bijgevolg aansluitend te worden nagegaan of zij onder die rechtspraak kan vallen (zie in die zin arresten van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69; 4 september 2014, API e.a., C‑184/13–C‑187/13, C‑194/13, C‑195/13 en C‑208/13, EU:C:2014:2147, punt 49, en 23 november 2017, CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International, C‑427/16 en C‑428/16, EU:C:2017:890, punten 51, 53, 56 en 57).
187 Gedragingen die ertoe strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, kunnen dus alleen op grond van artikel 101, lid 3, VWEU en voor zover aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan, worden vrijgesteld van het verbod dat door artikel 101, lid 1, VWEU wordt opgelegd (zie in die zin arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21)."
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat sprake is van een besluit van een ondernemersvereniging dat ertoe strekt dat de mededinging wordt verhinderd wanneer verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, rechtstreeks of via de aangesloten nationale voetbalbonden regels hebben vastgesteld en uitvoeren die bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting, op het grondgebied van de Unie, van een nieuwe clubvoetbalcompetitie door een derde onderneming en die de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competitie op straffe van sancties controleren, zonder dat deze verschillende bevoegdheden worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "213 In artikel 345 VWEU is bepaald dat het VEU en VWEU de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laten.
214 Hieruit volgt dat de artikelen 101 en 102 VWEU niet kunnen worden geacht zich in beginsel te verzetten tegen regels als de artikelen 67 en 68 van de FIFA-statuten, voor zover deze regels deze entiteit en de UEFA aanwijzen als oorspronkelijke houder van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de professionele clubvoetbalcompetities die zij op het grondgebied van de Unie organiseren, met de onontbeerlijke medewerking van de professionele voetbalclubs en de spelers die aan deze competities deelnemen.
215 Integendeel, wanneer het Hof de artikelen 101 en 102 VWEU uitlegt en de verwijzende rechter deze artikelen toepast, moet worden uitgegaan van de omstandigheid dat naargelang de lidstaat een andere regeling van het eigendomsrecht kan gelden voor de rechten waarop deze regels van toepassing zijn en dat de vraag naar de betekenis die moet worden gegeven aan het begrip „oorspronkelijke eigendom” waarop deze regels betrekking hebben, dus in de eerste plaats moet worden onderzocht in het licht van het toepasselijke recht inzake eigendom en intellectuele eigendom, zoals in wezen is opgemerkt door een groot aantal regeringen die in de procedure voor het Hof hebben geïntervenieerd. Sommige van deze regeringen hebben verklaard dat dit begrip, voor wat hen betreft en wil het verenigbaar zijn met de bepalingen van hun toepasselijke nationale recht inzake eigendom en intellectuele eigendom, moet worden geanalyseerd als een „vrijwillige overdracht” of een „gedwongen overdracht” van rechten door de professionele voetbalclubs aan de nationale voetbalbonden die plaatsvindt wanneer zij zich bij hen aansluiten, gevolgd door een latere overdracht van dezelfde rechten aan de FIFA en de UEFA wanneer de aangesloten bonden lid worden van die entiteiten.
216 In casu gaat het evenwel niet om deze kwestie. Bij de beoordeling daarvan zou ook rekening moeten worden gehouden met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat een rechtsregel is die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen door het recht op eigendom en het recht op intellectuele eigendom te beschermen, zonder dat deze rechten evenwel een absoluut of onaantastbaar karakter krijgen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 56), zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de rechten die in de onderhavige zaak specifiek aan de orde zijn (arresten van 18 juli 2013, FIFA/Commissie, C‑204/11 P, EU:C:2013:477, punt 110, en UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 102).
217 Wat betreft de vraag of artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU zich verzetten tegen de regels waarnaar de verwijzende rechter verwijst, voor zover deze geen betrekking hebben op de oorspronkelijke eigendom van rechten die kunnen voortvloeien uit door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities, maar op het in de markt zetten van die rechten, volgt om te beginnen uit de punten 115, 117, 118, 139 en 140 van het onderhavige arrest dat dergelijke regels tegelijkertijd kunnen worden beschouwd als ten eerste een „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en ten tweede een gedraging van een „onderneming” met een „machtspositie” die voortvloeit uit de uitoefening van een regelgevende bevoegdheid, wat dus een ander middel is dan die welke bij een op verdienste gebaseerde mededinging tussen ondernemingen gebruikelijk zijn.
218 Voorts verbieden artikel 101, lid 1, onder b), en artikel 102,tweede alinea, onder b), VWEU uitdrukkelijk besluiten van ondernemersverenigingen en misbruikpraktijken die erin bestaan de mededinging te verhinderen of te beperken door, naast andere mededingingsparameters, de productie en de afzet te beperken of te controleren ten nadele van de verbruikers.
219 Zoals met name een aantal regeringen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, en de Commissie hebben opgemerkt, hebben de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels blijkens het onderzoek van de inhoud ervan juist tot doel om op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve en collectieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities, in al hun vormen, in de plaats te stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen door de professionele voetbalclubs die deelnemen aan de in het kader van deze competities georganiseerde wedstrijden, ongeacht of deze exploitatiewijze individueel, bilateraal dan wel zelfs multilateraal is.
220 Krachtens regels als genoemd in de artikelen 67 en 68 van de FIFA-statuten wordt aan deze vereniging immers in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen de uitsluitende bevoegdheid voorbehouden om door middel van reglementen vast te stellen onder welke voorwaarden deze rechten door haarzelf of door een derde kunnen worden geëxploiteerd en gebruikt. Voorts behouden deze regels de FIFA en de UEFA de uitsluitende bevoegdheid voor om toestemming te verlenen voor de uitzending van wedstrijden of evenementen, met inbegrip van die in verband met clubvoetbalcompetities, via audiovisuele of andere media, zonder beperking ten aanzien van plaats, inhoud, datum of technische middelen.
221 Verder bepalen deze regels in eveneens ondubbelzinnige bewoordingen dat al deze rechten, of het nu gaat om vermogensrechten, audiovisuele opname-, reproductie- en uitzendrechten, multimediarechten, marketing- en promotierechten of intellectuele-eigendomsrechten, aan deze bevoegdheden onderworpen zijn.
222 Aldus stellen deze regels de FIFA en de UEFA in staat om het volledige aanbod van rechten in verband met de door hen georganiseerde competities tussen clubs te controleren en bijgevolg elke mededinging tussen professionele voetbalclubs betreffende de rechten op de wedstrijden waaraan zij deelnemen, te verhinderen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de mededinging op de markt geenszins alleen in theorie, maar ook in reële en concrete gevallen zo werkt, en dat de mededinging bijvoorbeeld in Spanje tot 2015 zo heeft gewerkt wat betreft de audiovisuele rechten in verband met de door de betrokken nationale voetbalbond georganiseerde competities.
223 Wat ten slotte de economische en juridische context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de verschillende rechten die uit de professionele clubvoetbalcompetities kunnen voortvloeien, de belangrijkste bron van inkomsten uit deze competities zijn voor met name de FIFA en de UEFA, als organisatoren van deze competities, en voor de professionele voetbalclubs, zonder wier deelname deze competities niet zouden kunnen plaatsvinden. Deze rechten staan dus centraal in de economische activiteit waartoe dergelijke competities aanleiding geven, en de verkoop ervan is daarom intrinsiek verbonden met de organisatie ervan.
224 In zoverre geldt dat het monopolie met betrekking tot de exploitatie en het in de markt zetten van de rechten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels verlenen aan de entiteit die deze regels heeft vastgesteld, namelijk de FIFA, en aan de UEFA, naadloos aansluit bij de absolute controle die deze entiteiten uitoefenen op de organisatie en het in de markt zetten van de competities dankzij de regels waarop de eerste drie vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben, en dat het de juridische, economische en praktische draagwijdte van deze regels versterkt.
225 In de tweede plaats vormen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechten, los van de economische activiteit waartoe zij aanleiding geven, als zodanig een essentieel onderdeel van het stelsel van onvervalste mededinging dat het VEU en het VWEU willen vestigen en handhaven, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de merkrechten van professionele voetbalclubs (zie in die zin arrest van 12 november 2002, Arsenal Football Club, C‑206/01, EU:C:2002:651, punten 47 en 48). Het betreft namelijk wettelijk beschermde rechten – met een eigen economische waarde – om een reeds bestaand product of een reeds bestaande dienst in verschillende vormen in de markt te zetten, in dit geval een wedstrijd of een reeks wedstrijden waarin een bepaalde club tegen een of meer andere clubs aantreedt.
226 Het gaat dus om een mededingingsparameter die door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels wordt onttrokken aan de controle van de professionele voetbalclubs die deelnemen aan de door de FIFA en de UEFA georganiseerde competities tussen clubs.
227 In de derde plaats, en anders dan de organisatie van clubvoetbalcompetities, die een „horizontale” economische activiteit is waarbij alleen die entiteiten of ondernemingen betrokken zijn die dergelijke competities op dat moment of potentieel organiseren, is het in de markt zetten van de verschillende rechten in verband met deze competities van „verticale” aard, aangezien daarbij aan de aanbodzijde diezelfde entiteiten of ondernemingen betrokken zijn en aan de vraagzijde ondernemingen optreden die deze rechten wensen te kopen, hetzij om ze door te verkopen aan televisieomroepen en andere aanbieders van mediadiensten (handel), hetzij om zelf wedstrijden uit te zenden via verschillende elektronischecommunicatienetwerken en verschillende media, zoals lineaire televisie of televisie op aanvraag, radio, internet, mobiele toestellen en andere opkomende media. Bovendien is het mogelijk dat deze verschillende omroepen zelf ruimte of tijd voor reclame- of sponsordoeleinden verkopen aan ondernemingen die actief zijn in andere economische sectoren, opdat zij hun producten of diensten tijdens de uitzending van competities kunnen promoten.
228 Regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn kunnen dus, gezien de inhoud ervan, de doelstellingen die zij op mededingingsgebied objectief beogen te bereiken en de economische en juridische context ervan niet alleen elke mededinging tussen de professionele voetbalclubs die zijn aangesloten bij de nationale voetbalbonden die lid zijn van de FIFA en de UEFA verhinderen in het kader van de vermarkting van de verschillende rechten in verband met de wedstrijden waaraan zij deelnemen, maar ook de werking van de mededinging aantasten ten nadele van derde ondernemingen die actief zijn op een aantal media- of dienstenmarkten verderop in de keten van deze vermarkting, hetgeen uiteindelijk ten koste gaat van de consumenten en televisiekijkers.
229 Meer bepaald kunnen deze regels de twee entiteiten waaraan zij op dit gebied een monopolie verlenen, bestaande in de volledige controle over het aanbod, in staat stellen te hoge en dus onrechtmatige verkoopprijzen te vragen (zie in die zin arresten van 14 februari 1978, United Brands en United Brands Continentaal/Commissie, 27/76, EU:C:1978:22, punt 250, en 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4, C‑52/07, EU:C:2008:703, punten 28 en 29). Wanneer van dergelijke prijzen sprake is, bevinden de huidige of potentiële kopers van rechten zich a priori in een zwakke onderhandelingspositie, gelet op de fundamentele en niet te negeren plek die door de professionele clubvoetbalcompetities en -wedstrijden – als lokproducten die het hele jaar door een groot publiek kunnen aantrekken en behouden – wordt ingenomen in de programmering die de omroepen aan hun klanten en, meer in het algemeen, aan de televisiekijkers kunnen aanbieden. Door alle huidige of potentiële kopers van rechten te verplichten zaken te doen met twee verkopers die elk, zonder alternatief aanbod, een productassortiment op exclusieve basis aanbieden dat een zeer sterk imago en een zeer sterke reputatie geniet, kunnen deze regels er bovendien toe leiden dat deze huidige of potentiële kopers zich op dezelfde manier gaan gedragen op de markt en hun eigen klanten hetzelfde aanbod gaan bieden, wat dus tot gevolg kan hebben dat verbruikers en televisiekijkers het met minder keuze en minder innovatie moeten stellen.
230 Om al deze redenen kunnen regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor zover zij op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities in de plaats stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen, worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging op de verschillende betrokken markten te verhinderen of te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en worden beschouwd als „misbruik” van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, tenzij kan worden aangetoond dat zij gerechtvaardigd zijn. Dit geldt te meer wanneer dergelijke regels gepaard gaan met regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties, zoals die welke waarop de vorige vragen betrekking hebben."
"4) De artikelen 101 en 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich niet verzetten tegen regels die zijn vastgesteld door verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, voor zover op grond daarvan die verenigingen worden aangewezen als oorspronkelijke houders van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de competities die onder hun respectieve „bevoegdheid” vallen, wanneer deze regels uitsluitend van toepassing zijn op de door deze verenigingen georganiseerde competities, met uitsluiting van die welke eventueel door derde entiteiten of ondernemingen worden georganiseerd;
– zij zich verzetten tegen dergelijke regels voor zover op grond daarvan aan diezelfde verenigingen de uitsluitende bevoegdheid wordt verleend om de betrokken rechten in de markt te zetten, tenzij met afdoende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat deze regels voldoen aan alle voorwaarden om krachtens artikel 101, lid 3, VWEU van de toepassing van lid 1 van dat artikel te kunnen worden vrijgesteld en als gerechtvaardigd te kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "95 In het bijzonder heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat overeenkomsten tot afscherming van de markten volgens de nationale grenzen, waarmee wordt beoogd de barrières tussen de nationale markten te herstellen, of overeenkomsten die de interpenetratie van de nationale markten moeilijker maken, in de weg kunnen staan aan de doelstelling van het VEU en het VWEU om die markten te integreren door de vestiging van een interne markt, en om die reden in beginsel moeten worden beschouwd als overeenkomsten die „ertoe strekken” de mededinging te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 139).
96 Deze rechtspraak, die ook is toegepast op andere gedragingen dan overeenkomsten, ongeacht of deze uitgaan van ondernemingen dan wel van ondernemersverenigingen (zie in die zin arresten van 17 oktober 1972, Vereeniging van Cementhandelaren/Commissie, 8/72, EU:C:1972:84, punten 23‑25 en 29, en 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 66), is erop gebaseerd dat de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn, blijkens artikel 3, lid 1, onder b), VWEU een integrerend deel vormt van de doelstelling om die markt tot stand te brengen, een taak die artikel 3, lid 3, VEU opdraagt aan, onder andere, de Unie (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijk gedrag, waarmee de markten worden afgeschermd volgens de nationale grenzen, de barrières ertussen worden hersteld, of waardoor de interpenetratie van de nationale markten moeilijker wordt gemaakt, doet immers de voordelen teniet die een daadwerkelijke en onvervalste mededinging in de interne markt de consument zou kunnen verschaffen (zie in die zin arrest van 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 66).
97 Verschillende vormen van afspraken waarmee werd beoogd of die ertoe strekten de mededinging volgens de nationale grenzen te beperken, zijn aldus gekwalificeerd als afspraken met een mededingingsverstorende „strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, waaronder met name afspraken om de parallelhandel te verhinderen of te beperken, absolute territoriale bescherming te bieden aan houders van exclusieve rechten dan wel grensoverschrijdende mededinging in de interne markt onder andere vormen te beperken (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 61, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punten 139‑142)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
- "101 In casu moet met betrekking tot de inhoud van de regels van de UEFA en de KBVB waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, in herinnering worden gebracht dat deze regels aan de profvoetbalclubs die deelnemen aan clubcompetities die door die entiteiten worden georganiseerd, de verplichting opleggen om op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat voldoet aan de vereisten om te worden beschouwd als HGP’s, zoals door die regels gedefinieerd. Doen zij dat niet, dan krijgen zij een sanctie opgelegd. Aldus beperken die regels uit hun aard de mogelijkheid van die clubs om op dat blad spelers te zetten die niet aan dergelijke vereisten voldoen.
102 Voorts blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter dat de mogelijkheid voor de clubs om vrij hun ploegen samen te stellen in twee verschillende opzichten wordt beperkt. De regels van de UEFA en de KBVB verplichten die clubs namelijk om op het wedstrijdblad een bepaald minimum aan spelers in te schrijven die weliswaar worden aangemerkt als HGP’s, maar in werkelijkheid niet noodzakelijk zijn opgeleid door de club waarvoor zij spelen, maar door een club die bij dezelfde nationale bond is aangesloten, welke club dat ook is en los van waar zij binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond gelegen is. In zoverre speelt de beperking die de regels in kwestie inhouden in werkelijkheid op het niveau van de betrokken bond, dat wil zeggen op nationaal niveau. Parallel daaraan verplichten de regels van de UEFA die clubs ook om ervoor te zorgen dat een minimumaantal van de HGP’s die zij op het wedstrijdblad moeten inschrijven, daadwerkelijk is opgeleid door de club waarvoor zij werken. De beperking die zij meebrengen speelt bijgevolg op het niveau van de betrokken club.
103 Wat betreft de economische en juridische context van de regels waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, blijkt om te beginnen uit de rechtspraak van het Hof dat het entiteiten die verantwoordelijk zijn voor een sportdiscipline, zoals de UEFA en de KBVB, gelet op de specifieke aard van de „producten” die sportcompetities in economisch opzicht zijn, in het algemeen vrijstaat om regels vast te stellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in die discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), voor zover die entiteiten de uitoefening van de rechten en vrijheden die het Unierecht aan particulieren verleent daarmee niet beperkt (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 81 en 83, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 52).
104 Voorts kan op grond van de specifieke kenmerken van het profvoetbal en de economische activiteiten waartoe de beoefening van die sport aanleiding geeft, worden aangenomen dat entiteiten als de UEFA en de KBVB alle reden hebben om met name de voorwaarden te regelen waaronder de profvoetbalclubs de ploegen kunnen samenstellen die in hun territoriale bevoegdheidsgebied deelnemen aan clubcompetities.
105 Die sport, die in de Unie niet alleen in maatschappelijk en cultureel opzicht (arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 106, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 40), maar ook uit het oogpunt van de media erg belangrijk is, wordt er namelijk onder meer door gekenmerkt dat zij aanleiding geeft tot het organiseren van tal van competities op zowel Europees als nationaal niveau, waaraan tal van clubs en spelers deelnemen. Verder wordt die sport er, net als sommige andere sporten, door gekenmerkt dat deelname aan die competities voorbehouden is aan ploegen die bepaalde sportresultaten hebben behaald (zie in die zin arrest van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 132), waarbij die competities zo verlopen dat de ploegen elkaar in verschillende fasen tegenkomen en uitschakelen. Zij berust bijgevolg in hoofdzaak op de sportieve verdienste, die zich slechts kan openbaren indien alle aantredende ploegen zijn samengesteld met inachtneming van homogene reglementaire en technische voorwaarden, waardoor een zekere gelijkheid van kansen wordt gewaarborgd.
106 Ten slotte verklaren de feitelijke omstandigheden die typerend zijn voor de werking van de „markt” die de profvoetbalcompetities uit economisch oogpunt vormen, dat de regels die mogelijkerwijs worden vastgesteld door entiteiten zoals de UEFA en de KBVB, en meer bepaald de regels betreffende de organisatie en het goede verloop van de competities die door hen worden georganiseerd, op bepaalde punten en in zekere mate mogelijkerwijs blijven verwijzen naar een vereiste of een criterium van nationale aard. In functioneel opzicht wordt deze sport namelijk gekenmerkt door het naast elkaar bestaan van nationale clubcompetities en internationale competities tussen clubs die nationale voetbalbonden vertegenwoordigen, waarbij de samenstelling van de ploegen rechtmatig kan worden onderworpen aan de inachtneming van „nationaliteitsclausules”, gelet op de specifieke aard van deze wedstrijden (zie in die zin arrest van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 127 en 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107 Wat het doel betreft dat met de regels in het hoofdgeding objectief wordt nagestreefd ten aanzien van de mededinging, blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter over de inhoud van die regels dat zij een van de essentiële aspecten beperken of controleren met betrekking waartoe de profvoetbalclubs elkaar kunnen beconcurreren, namelijk het contracteren van talentvolle spelers, ongeacht door welke club en waar zij zijn opgeleid, die hun ploeg in staat kunnen stellen om te winnen van de tegenstander. De Belgische regering heeft daar in dit opzicht terecht aan toegevoegd dat deze beperking impact kan hebben op de concurrentie tussen de clubs op zowel de „upstream- of bevoorradingsmarkt”, die vanuit economisch oogpunt wordt gevormd door de contractering van spelers, als de „downstream-markt”, die vanuit datzelfde oogpunt wordt gevormd door de clubcompetities.
(...)
1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan regels die zijn vastgesteld door een entiteit die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op Europees niveau en worden uitgevoerd door die entiteit zelf en de erbij aangesloten nationale voetbalbonden, en die aan elke club die aan die competities deelneemt de verplichting opleggen om op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat ofwel door die club zelf, ofwel binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de nationale bond waarbij die club is aangesloten, is opgeleid, alsook aan regels die zijn vastgesteld door een bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op nationaal niveau, op grond waarvan elke club die aan die competities deelneemt op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers moet inschrijven dat is opgeleid binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond, indien wordt aangetoond dat die besluiten van ondernemersverenigingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, en dat zij hetzij ertoe strekken, hetzij ten gevolge hebben dat de mededinging tussen de profvoetbalclubs wordt beperkt, tenzij, in het tweede van deze gevallen, uit afdoende argumenten en bewijzen blijkt dat zij worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen en dat zij daar strikt noodzakelijk toe zijn."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
- "48 Bepaalde vormen van coördinatie, en dus ook daarvan deel uitmakende overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, kunnen mogelijkerwijs immers alleen als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging worden beschouwd als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In gevallen waarin een vorm van overeenkomst, besluit van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen naar zijn aard alleen onder bepaalde omstandigheden schadelijk is voor de mededinging, welke omstandigheden met name verband houden met de aard van de betrokken goederen of diensten, de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd, moet derhalve, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in wezen heeft gesteld, de economische en juridische context waarin deze vormen van coördinatie plaatsvinden, worden onderzocht om na te gaan of die omstandigheden aanwezig zijn. Het in aanmerking nemen van die context dient dus om ervoor te zorgen dat geen enkele bijzondere omstandigheid van de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie het vermoeden kan weerleggen dat de mededinging ongunstig wordt beïnvloed door de vorm van coördinatie waarvan zij deel uitmaken."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "134 Wat in de eerste plaats de inhoud betreft van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP, volgt uit de punten 87 tot en met 90 van het onderhavige arrest dat deze verschillende regels, die zich aandienen als een onlosmakelijk geheel en bijgevolg als zodanig moeten worden beschouwd, allereerst bepalen dat elke voetballer, en dus in het bijzonder elke in de Unie in dienst genomen voetballer, die zijn contract met zijn oude club verbreekt op ongeacht welk tijdstip tijdens de looptijd ervan, ertoe gehouden is om, mocht de FIFA achteraf besluiten dat die verbreking van het contract zonder gerechtvaardigde reden heeft plaatsgevonden, aan die oude club een schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, bij gebreke van contractuele bepalingen ter zake, wordt berekend aan de hand van een aantal criteria.
135 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het eerste van deze criteria, dat betrekking heeft op het „in het betrokken land geldende recht”, in de praktijk tot op heden nagenoeg dode letter is gebleven, zoals in punt 106 van dit arrest is opgemerkt, en dat het tweede van die criteria, dat betrekking heeft op de „specificiteit van de sport”, in zeer algemene en vage bewoordingen is geformuleerd die, zoals eveneens in datzelfde punt 106 is benadrukt, zich lenen voor een discretionaire en dus onvoorzienbare en moeilijk te controleren toepassing. Wat de overige criteria betreft, deze lijken op het eerste gezicht de mogelijkheid te bieden om zeer hoge en afschrikkende schadevergoedingen vast te stellen, zoals is opgemerkt in punt 107 van dit arrest. Daartegenover staat dat artikel 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (Belgisch Staatsblad van 9 maart 1978, blz. 2606), waarnaar BZ in zijn schriftelijke opmerkingen verwijst, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt te bepalen dat het bedrag van de schadevergoeding in een vergelijkbare – maar door het Belgische recht beheerste – situatie beperkt is tot het bedrag van het nog verschuldigde loon tot aan het verstrijken van het verbroken contract en dus geen rekening houdt met elementen die vreemd zijn aan de uit dat contract voortvloeiende arbeidsverhouding, zoals die welke in datzelfde punt zijn genoemd.
136 Vervolgens wordt aan elke speler die door zijn oude club voor de DRC wordt gedaagd met het oog op het verkrijgen van diens veroordeling tot betaling van de betrokken schadevergoeding, op grond dat het tussen hen gesloten contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, alleen al om die reden en onder voorbehoud van uitzonderlijke omstandigheden waarvan de beoordeling uitsluitend toekomt aan de FIFA, automatisch de mogelijkheid ontnomen om afgifte te verkrijgen van het ITC dat, in geval van een transfer naar een nieuwe club die gevestigd is in een andere lidstaat dan die waarin zijn oude club gevestigd is, onontbeerlijk is voor zijn inschrijving bij deze nieuwe club en bij de nationale voetbalbond waarbij die club is aangesloten. In een dergelijke situatie wordt aan deze speler bijgevolg overeenkomstig artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 1, RSTP elke mogelijkheid ontzegd om deel te nemen aan georganiseerd voetbal.
137 Tot slot wordt elke nieuwe club die een dergelijke speler in dienst zou nemen, ten eerste, alleen al op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de betaling van de schadevergoeding waartoe deze speler is of zou kunnen worden veroordeeld, ten tweede, tot bewijs van het tegendeel vermoed die speler te hebben aangezet tot verbreking van het contract met zijn oude club en, ten derde, wanneer de verbreking van het contract heeft plaatsgevonden gedurende een krachtens dat contract beschermde periode, op grond van dat vermoeden en zonder dat de specifieke omstandigheden van elk geval in aanmerking kunnen worden genomen, veroordeeld tot een sportsanctie in de vorm van een algemeen geldend verbod op inschrijving van nieuwe spelers, nationaal of internationaal, gedurende twee volledige en opeenvolgende inschrijvingsperioden.
138 Ten eerste blijkt, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 52 tot en met 55 van zijn conclusie, uit de gezamenlijke lezing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP dat deze regels de mededinging in materieel opzicht op algemene en drastische wijze kunnen beperken, welke mededinging bij afwezigheid van die regels onbelemmerd zou kunnen plaatsvinden tussen elke in een lidstaat gevestigde profvoetbalclub en elke andere in een andere lidstaat gevestigde profvoetbalclub met betrekking tot het aantrekken van spelers die reeds door een bepaalde club in dienst zijn genomen, waarbij zij opgemerkt dat deze spelers getalsmatig het leeuwendeel uitmaken van het bestand aan reeds opgeleide of in opleiding zijnde spelers die op een bepaald moment voor een dergelijke grensoverschrijdende transfer in aanmerking zouden kunnen komen, ook al zijn er op elk moment wel spelers die om een of andere reden niet langer onder contract staan. Zoals in de punten 81 en 129 van dit arrest is opgemerkt, vormt de kans om dergelijke spelers aan te trekken een essentieel mededingingsaspect in de sector van het profvoetbal.
139 Tenzij de nieuwe club van de oude club daartoe toestemming verkrijgt in het kader van een transfer na onderhandelingen, stelt het enkele feit van contractering van een dergelijke speler haar immers bloot aan het risico om hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor de betaling van een schadevergoeding, die bijzonder hoog kan zijn. Bovendien is het bedrag van deze schadevergoeding voor deze nieuwe club hoogst onvoorspelbaar, gelet op de aard van de criteria aan de hand waarvan dat bedrag wordt berekend. Daarbij komt dat deze speler, zolang er tussen hem en zijn oude club een geschil bestaat over de voortijdige verbreking van het tussen hen gesloten contract en dus zolang het ITC voor die contractering niet is afgegeven, niet bij die nieuwe club kan worden aangesloten en evenmin voor haar kan deelnemen aan de competities die vallen onder de bevoegdheid van de FIFA, de daarbij aangesloten nationale voetbalbonden of de door haar erkende continentale confederaties, waaronder de UEFA. Tot slot loopt de nieuwe club daarenboven het risico dat haar, wanneer de speler in dienst wordt genomen gedurende de krachtens het contract met zijn oude club beschermde periode en zij er niet in slaagt om het vermoeden te weerleggen dat zij tot contractverbreking heeft aangezet, een sportsanctie wordt opgelegd. Zoals eerder is opgemerkt, neemt deze sportsanctie voor deze nieuwe club de vorm aan van een automatisch geldend verbod op inschrijving van nieuwe spelers gedurende twee volledige en opeenvolgende inschrijvingsperioden. In de praktijk komt deze sportsanctie erop neer dat nieuwe spelers die de gesanctioneerde club zou willen aantrekken, niet voor een wedstrijd mogen worden opgesteld, waardoor het aantrekken van die spelers elk praktisch nut wordt ontnomen.
140 Ten tweede strekt deze algehele en drastische beperking van de tussen clubs spelende grensoverschrijdende mededinging in de vorm van het eenzijdig aantrekken van reeds onder contract staande spelers, en bijgevolg van de toegang van clubs tot hun essentiële „hulpbron”, namelijk spelers, zich geografisch uit tot het gehele grondgebied van de Unie en is zij qua tijdsbestek permanent van aard, aangezien zij de volledige looptijd bestrijkt van elk contract dat een speler achtereenvolgens met een club en vervolgens, in geval van een transfer, na onderhandelingen, naar een andere club, met laatstgenoemde club kan sluiten, zoals tevens volgt uit artikel 13 RSTP.
141 Gelet op al deze kenmerken zorgt deze beperking er in de praktijk dan ook voor dat elke club er zeker of nagenoeg zeker van is dat zij haar eigen spelers kan behouden zolang het contract of de opeenvolgende contracten die met hen zijn gesloten, niet ten einde zijn gelopen of zolang zij, vóór het verstrijken daarvan, niet beslist om deze spelers te laten vertrekken middels een door hen geaccepteerde contractbeëindiging of een transfer, na onderhandelingen, naar een andere club, in ruil voor betaling van een transfervergoeding door laatstgenoemde.
142 Wat in de tweede plaats de economische en juridische context betreft waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP deel uitmaken, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat het organisaties die verantwoordelijk zijn voor een sportdiscipline, gelet op de specifieke aard van de „producten”, wat sportcompetities in economisch opzicht zijn, in het algemeen vrijstaat om regels vast te stellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in die discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 142, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
143 Wat meer specifiek het voetbal betreft en de economische activiteiten waartoe de beoefening van die sport aanleiding geeft, heeft een organisatie als de FIFA alle reden om de organisatie en het verloop van internationale competities te onderwerpen aan gemeenschappelijke regels die tot doel hebben de homogeniteit en de coördinatie van deze competities binnen een algemene jaar- of seizoenskalender te waarborgen en, meer in het algemeen, de organisatie van sportcompetities op basis van gelijkheid van kansen en verdienste te bevorderen. In het bijzonder heeft een dergelijke organisatie alle reden om door middel van dergelijke gemeenschappelijke regels de voorwaarden vast te stellen waaronder de profvoetbalclubs de ploegen kunnen samenstellen die aan dergelijke competities deelnemen alsook waaronder de spelers zelf daaraan kunnen deelnemen. Tot slot is er alle reden om ervoor te zorgen dat die gemeenschappelijke regels daadwerkelijk worden nageleefd door middel van regels op grond waarvan sancties kunnen worden opgelegd (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 144‑146, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 104).
144 Tegen die achtergrond kan een organisatie als de FIFA – aangezien deze clubvoetbalcompetities in de Unie elk jaar of seizoen zo verlopen dat de ploegen in verschillende fasen tegen elkaar aantreden en elkaar uitschakelen, en bijgevolg in hoofdzaak berusten op de sportieve verdienste, die slechts kan worden gewaarborgd indien alle ploegen tegen elkaar aantreden onder homogene reglementaire en technische voorwaarden, waardoor een zekere gelijkheid van kansen wordt gewaarborgd (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 143, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 105) – alle reden hebben om te willen zorgen voor een zekere stabiliteit in de samenstelling van de spelersbestanden die als „visvijver” fungeren voor de ploegen die door deze clubs in de loop van een bepaald seizoen worden opgesteld, bijvoorbeeld door het instellen van het in artikel 16 RSTP opgenomen verbod op een eenzijdige verbreking van contracten in de loop van een bepaald seizoen of zelfs jaar.
145 Daartegenover staat dat de specifieke kenmerken van het voetbal en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren van de markt, die vanuit economisch oogpunt bestaat in de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities, niet kunnen rechtvaardigen dat clubs op het gehele grondgebied van de Unie op algehele, drastische en permanente wijze worden beperkt in de mogelijkheid, of zelfs worden verhinderd, om grensoverschrijdend te concurreren door het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan bij een in een andere lidstaat gevestigde club of van wie het contract met een dergelijke club zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken. Onder het mom van voorkoming van agressieve wervingspraktijken vertonen deze regels namelijk gelijkenissen met zogenoemde „niet-afsnoep”-overeenkomsten tussen clubs, die in wezen leiden tot een kunstmatige afscherming van nationale en lokale markten ten voordele van alle clubs. In dit verband moet erop worden gewezen dat de klassieke mechanismen van het contractenrecht, zoals het recht van een club op schadevergoeding in geval van contractverbreking door een van haar spelers in strijd met de bepalingen van dat contract, in voorkomend geval daartoe aangespoord door een andere club, volstaan om enerzijds te garanderen dat die speler bij eerstgenoemde club aangesloten blijft in overeenstemming met die bepalingen, en anderzijds ervoor te zorgen dat de marktmechanismen tussen clubs hun normale werking blijven behouden, zodat die speler bij het verstrijken van de normale looptijd van zijn contract of, mocht er tussen de betrokken clubs een financieel akkoord worden bereikt, op een vroeger tijdstip kan worden aangetrokken.
146 Uiteindelijk komen dergelijke regels, ook al dienen zij beweerdelijk ter voorkoming van het „afsnoepen” van spelers door clubs met meer financiële middelen, neer op een algeheel, absoluut en permanent verbod op het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan, dat bij besluit van een ondernemersvereniging is opgelegd aan alle daartoe behorende ondernemingen (de profvoetbalclubs) en dat alle werknemers (de spelers) daarvan treft. Zodoende bevriezen deze regels de verdeling van hulpbronnen tussen deze clubs, behoudens in geval van transfers waarover onderling is onderhandeld. Als zodanig vormen die regels een duidelijke beperking van de mededinging die, mochten zij niet bestaan, genoemde clubs onderling zouden kunnen aangaan en resulteren zij in een afscherming van de markt ten voordele van al die clubs.
147 Wat in de derde en laatste plaats de objectieve doelstelling betreft die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels wordt nagestreefd ten aanzien van de mededinging, volgt uit de bovenstaande overwegingen dat deze regels, ongeacht de subjectieve intentie of legitieme doelen die de betrokken entiteit met de vaststelling daarvan kan hebben gehad dan wel beoogd, moeten worden geacht ervoor te zorgen dat het, behalve in gevallen waarin contracten van spelers met gerechtvaardigde reden worden verbroken dan wel met wederzijds goedvinden van hun oude club worden beëindigd, profvoetbalclubs bijzonder moeilijk wordt gemaakt om, gelet op de daarmee samenhangende juridische, financiële en sportgerelateerde risico’s, elkaar te beconcurreren voor toegang tot een essentiële hulpbron, te weten reeds onder contract staande spelers, door het eenzijdig aantrekken van een speler die reeds bij een andere club onder contract staat of van wie het contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, aangezien een dergelijke aanwerving alleen kan plaatsvinden door middel van een transfer waarover tussen de oude club en de nieuwe club is onderhandeld.
148 Bijgevolg wijst het onderzoek van de inhoud van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels, van de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en van de ermee beoogde objectieve doelstellingen uit dat deze regels naar hun aard zeer schadelijk zijn voor de mededinging die profvoetbalclubs onderling zouden kunnen aangaan door het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan bij een club of van wie het contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, in een poging om toegang te krijgen tot een essentiële hulpbron voor succes, te weten talentvolle spelers. In die omstandigheden moeten die regels worden geacht ertoe te strekken deze mededinging te beperken en zelfs te verhinderen, en wel op het gehele grondgebied van de Unie. Derhalve hoeven de gevolgen ervan niet te worden onderzocht."
(...)
Dictum:
"1) Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen regels die zijn vastgesteld door een privaatrechtelijke organisatie die onder meer tot doel heeft het voetbal op mondiaal niveau te reglementeren, te organiseren en er controle op uit te oefenen, en waarin is bepaald dat:
– ten eerste, een profvoetbalspeler die partij is bij een contract en aan wie wordt verweten dat contract zonder gerechtvaardigde reden te hebben verbroken, en de nieuwe club die hem na die contractverbreking in dienst neemt, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van een schadevergoeding aan de oude club waarvoor die speler was uitgekomen en die moet worden vastgesteld aan de hand van criteria waarvan er sommige onnauwkeurig of discretionair zijn, sommige elk objectief verband met de betrokken arbeidsverhouding ontberen en sommige onevenredig zijn;
– ten tweede, wanneer deze profvoetbalspeler in dienst wordt genomen tijdens een krachtens het verbroken contract beschermde periode, aan de nieuwe club een sportsanctie wordt opgelegd in de vorm van een verbod op inschrijving van nieuwe spelers voor een bepaalde periode, tenzij die club kan aantonen die speler niet te hebben aangezet tot verbreking van dat contract, en
– ten derde, het bestaan van een geschil over die contractverbreking eraan in de weg staat dat de nationale voetbalbond waarbij de oude club is aangesloten, het internationaal transfercertificaat afgeeft dat noodzakelijk is voor de inschrijving van de speler bij de nieuwe club, met als gevolg dat deze speler niet voor die nieuwe club aan voetbalcompetities kan deelnemen,
tenzij wordt aangetoond dat deze regels, zoals die op het grondgebied van de Unie worden uitgelegd en toegepast, niet verder gaan dan noodzakelijk is ter bereiking van het nagestreefde doel, namelijk de waarborging van de regelmatigheid en het goede verloop van clubvoetbalcompetities door het behoud van een zekere mate van stabiliteit in het spelersbestand van profvoetbalclubs.
2) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat dergelijke regels een besluit van een ondernemersvereniging vormen dat op grond van lid 1 van dat artikel is verboden en dat niet in aanmerking komt voor de vrijstelling als bedoeld in lid 3 van genoemd artikel, tenzij met overtuigende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat alle daartoe gestelde voorwaarden zijn vervuld."
- "28 In dat verband is het vaste rechtspraak dat het begrip gedrag met mededingingsbeperkende „gevolgen” elk gedrag omvat dat niet kan worden beschouwd als gedrag met een mededingingsbeperkende „strekking”, mits wordt aangetoond dat het daadwerkelijk of potentieel tot gevolg heeft dat de mededinging aanzienlijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Daartoe moet de mededinging worden onderzocht binnen het feitelijke kader waarin zij zich zou afspelen zonder de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging in kwestie (arresten van 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 74, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij moet worden bepaald op welke markt of markten dat gedrag zijn gevolgen moet teweegbrengen, en dienen die gevolgen vervolgens te worden gekwalificeerd, ongeacht of die gevolgen reëel dan wel potentieel zijn. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden.
30 Bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen in het licht van artikel 101 VWEU moet dus rekening worden gehouden met het concrete kader van deze overeenkomst, met name de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en zijn opgebouwd. Hieruit volgt dat het contrafeitelijke scenario waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokken overeenkomst niet zou bestaan, realistisch en geloofwaardig moet zijn (arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C‑176/19 P, EU:C:2024:549, punt 341 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Het Hof heeft in dit verband reeds kunnen verduidelijken dat de vaststelling van het contrafeitelijke scenario tot doel heeft om te bepalen wat de realistische gedragsmogelijkheden van de economische actoren zouden zijn zonder de betrokken overeenkomst, en aldus te bepalen wat de waarschijnlijke werking en de structuur van de markt zouden zijn indien de betrokken overeenkomst niet zou zijn gesloten [arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 120, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 76].
32 Het feit dat het contrafeitelijke scenario zowel realistisch als geloofwaardig moet zijn, doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om rekening te houden met de zuiver potentiële gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen bij het onderzoek of deze een mededingingsbeperking naar gevolg vormt. Het Hof heeft in dit verband met name geoordeeld dat de opvatting dat zodra een overeenkomst ten uitvoer is gelegd, geen rekening meer mag worden gehouden met de potentiële gevolgen ervan om de mededingingsbeperkende gevolgen ervan te beoordelen, zowel voorbijgaat aan de kenmerken van de contrafeitelijke methode, die inherent is aan de beoordeling van een mededingingsbeperking naar gevolg, als aan de rechtspraak waarin is bepaald dat mededingingsbeperkende gevolgen zowel actueel als potentieel kunnen zijn, maar voldoende merkbaar moeten zijn (zie in die zin arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C‑176/19 P, EU:C:2024:549, punten 345‑353).
33 Het volstaat dus dat er, na een passend onderzoek van de mededinging binnen het feitelijke kader waarin zij zich zonder de betrokken overeenkomst zou afspelen, potentiële mededingingsbeperkende gevolgen kunnen worden vastgesteld die voldoende merkbaar zijn (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punten 77 en 78, en New Holland Ford/Commissie, C‑8/95 P, EU:C:1998:257, punten 91 en 92).
34 In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de mededingingsautoriteit op de juiste wijze heeft onderzocht hoe de mededinging zich binnen het feitelijke kader zou afspelen zonder de gevolgen van de betrokken overeenkomst, door de markten af te bakenen waarop deze overeenkomst gevolgen sorteert, en door deze merkbare gevolgen aan te wijzen, ongeacht of dit reële dan wel potentiële gevolgen zijn."
(...)
Dictum:
"Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het de mededingingsautoriteit van een lidstaat die onderzoekt of een overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto enkel door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft, als mededingingsbeperkend naar gevolg kan worden aangemerkt in de zin van die bepaling, niet verplicht om het bestaan van concrete en reële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen. Deze autoriteit kan er overeenkomstig deze bepaling mee volstaan om het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen, mits deze voldoende merkbaar zijn."
HvJ Eu 5 december 2024, nr. C-606/23 (allinna Kaubamaja Grupp en KIA Auto), ECLI:EU:C:2024:1004.
- "179 In that regard, Article 101(1)(c) TFEU does not contain any specific condition providing that the prohibition which it lays down is to be limited solely to agreements which establish a ‘hermetic’ division between those markets, by means, for example, of provisions reserving access to some of those markets to one of those undertakings, to the exclusion of the other, or prohibiting exports from one market to another. Thus, in the absence of any specific provision in that regard, there is no need to distinguish between market-sharing agreements on the basis of a condition which Article 101(1) TFEU does not lay down and which no consideration relating to the purpose or general scheme of that provision makes it possible to envisage.
(...)
201 However, as has been pointed out in paragraphs 60 and 61 of the present judgment, and as the Commission rightly points out, as regards practices classified as restrictions of competition by object, there is no need to investigate or, a fortiori, to demonstrate their effects on competition. Experience shows that certain behaviour is in itself likely to have negative consequences on markets (see, to that effect, judgments of 11 September 2014, CB vCommission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51, and of 21 December 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, paragraph 162). In addition, it is apparent from the case-law referred to in paragraph 64 of the present judgment that agreements which aim to share markets have, in themselves, an object restrictive of competition and fall within a category of agreements expressly prohibited by Article 101(1) TFEU, and that that prohibition cannot be called into question by an analysis of the economic context of the anticompetitive conduct concerned.
202 Therefore, as the General Court itself noted in paragraphs 124 and 225 of the judgment under appeal, it is apparent from the case-law of the Court of Justice referred to in paragraphs 199 to 201 of the present judgment that establishing the existence of a restriction of competition by object cannot, under the guise, inter alia, of the examination of the economic and legal context of the agreement at issue, lead to the assessment of the effects of that agreement, since otherwise the distinction between a restriction of competition by object and by effect laid down in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness. "
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "338 Zoals de advocaat-generaal in punt 292 van haar conclusie heeft benadrukt, kan een overeenkomst tussen ondernemingen niet alleen wegens haar strekking, maar ook wegens de gevolgen ervan voor de mededinging binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, ook wanneer die gevolgen een aantasting betekenen van de potentiële mededinging door een of meer ondernemingen die weliswaar niet tot de relevante markt behoren, maar wel tot die markt kunnen toetreden en daardoor het gedrag van de reeds op die markt aanwezige ondernemingen beïnvloeden. De bewijslast voor dergelijke gevolgen voor de potentiële mededinging rust op de Commissie.
339 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, waaraan het Gerecht in punt 1076 van het bestreden arrest heeft herinnerd, moet voor de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen mededingingsverstorende gevolgen heeft, de door deze overeenkomst ontstane mededingingssituatie worden vergeleken met de situatie zoals die zonder die overeenkomst zou bestaan (zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 415; 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 161, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 74).
340 Deze zogenoemde „contrafeitelijke” methode heeft tot doel om in het kader van de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU vast te stellen of er een causaal verband bestaat tussen enerzijds een overeenkomst tussen ondernemingen en anderzijds de structuur of de werking van de mededinging op de markt waarop deze overeenkomst gevolgen sorteert. Op die manier kan dus worden verzekerd dat de kwalificatie als mededingingsbeperking naar gevolg alleen van toepassing is op overeenkomsten waarbij niet enkel sprake is van een verband met een verslechtering van de mededingingssituatie op deze markt, maar waarbij deze verslechtering door deze overeenkomsten is veroorzaakt.
341 Het gebruik van de contrafeitelijke methode is nodig omdat het in de praktijk onmogelijk is om ter vaststelling van een dergelijk oorzakelijk verband op hetzelfde tijdstip de toestand van de markt met en zonder de betrokken overeenkomst vast te stellen. Die twee toestanden sluiten elkaar immers per definitie uit. De waarneembare situatie, oftewel de situatie die uit deze overeenkomst voortvloeit, moet dus worden vergeleken met de situatie die zich zou hebben voorgedaan indien die overeenkomst niet was gesloten. Deze methode vereist dus dat een waarneembare situatie wordt vergeleken met een scenario dat per definitie hypothetisch is, in die zin dat het niet tot stand is gekomen. Bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen moet in het licht van artikel 101 VWEU rekening worden gehouden met het concrete kader van deze overeenkomst, met name de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en zijn opgebouwd. Het contrafeitelijke scenario waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokken overeenkomst niet zou bestaan, moet bijgevolg realistisch en geloofwaardig zijn [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 115‑120].
342 Voor een correcte toepassing van de contrafeitelijke methode moet er dus beslist voor worden gezorgd dat de gemaakte vergelijking op een deugdelijke en controleerbare grondslag berust, zowel wat betreft de waargenomen situatie – dus de situatie die het gevolg is van de overeenkomst tussen ondernemingen – als het contrafeitelijke scenario. Daartoe moet het tijdstip dat bij een dergelijke vergelijking als referentiepunt dient voor de waargenomen situatie en voor het contrafeitelijke scenario hetzelfde zijn, aangezien de mededingingsverstorende aard van een handeling moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop zij is verricht (zie in die zin arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, punt 110).
343 Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 318 van haar conclusie heeft opgemerkt, dat het contrafeitelijke scenario dat bedoeld is om een realistisch beeld te geven van de marktsituatie zoals die zich zonder de gesloten overeenkomst zou hebben voorgedaan, daardoor niet kan berusten op gebeurtenissen van na de datum van sluiting van die overeenkomst en wel juist omdat die gebeurtenissen zich op die datum niet hebben voorgedaan en zich, wat de omstandigheden van de onderhavige zaak betreft, in de toekomst niet konden voordoen wegens het bestaan van de Krka-overeenkomsten.
344 In tegenstelling tot het contrafeitelijke scenario, gaat het bij de waargenomen situatie om de situatie die overeenkomt met de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaande en uit deze overeenkomst voortvloeiende mededingingsvoorwaarden. Dit is een daadwerkelijk bestaande situatie en voor de beoordeling ervan hoeft dus niet te worden uitgegaan van realistische hypotheses. Voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU kunnen bij de beoordeling van die waargenomen situatie dus gebeurtenissen van na de sluiting van die overeenkomst in aanmerking worden genomen. Overeenkomstig de in punt 342 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak zijn dergelijke gebeurtenissen echter slechts relevant voor zover mede aan de hand daarvan de op het tijdstip van de inbreuk bestaande mededingingsvoorwaarden zoals die rechtstreeks uit het bestaan van die overeenkomst voortvloeien, zijn vast te stellen.
(...)
350 Indien het aantal ondernemingen dat reeds op een en dezelfde markt aanwezig was, of hun gedrag, door de uitvoering van een overeenkomst wordt gewijzigd, kan de toepassing van de contrafeitelijke methode in de praktijk en naargelang van de feitelijke omstandigheden inderdaad neerkomen op een vergelijking tussen enerzijds de mededingingssituatie zoals die vóór de sluiting van die overeenkomst voor deze ondernemingen bestond en anderzijds de coördinatie tussen die ondernemingen zoals die door de uitvoering van die overeenkomst plaatsvond en die in voorkomend geval kan blijken uit gebeurtenissen die dateren van na de sluiting ervan.
351 Wanneer een overeenkomst er daarentegen niet toe leidt dat het aantal reeds op die markt aanwezige concurrerende ondernemingen, of hun gedrag, wordt gewijzigd, maar dit aantal en gedrag juist niet verandert doordat de toetreding van een nieuwe concurrent op die markt wordt uitgesteld of vertraagd, volstaat een eenvoudige vergelijking van de vóór en ná de uitvoering van die overeenkomst op die markt geconstateerde situaties niet om vast te kunnen stellen dat er geen sprake is van mededingingsverstorende gevolgen. In een dergelijke situatie houdt het mededingingsverstorende gevolg immers ermee verband dat het zeker is dat wegens deze overeenkomst een bron van mededinging wordt uitgeschakeld die bij de sluiting van die overeenkomst potentieel blijft, aangezien die mededinging wordt uitgeoefend door een onderneming die, hoewel zij nog niet aanwezig is op de betrokken markt, het gedrag van de reeds op die markt aanwezige ondernemingen kan beïnvloeden wegens de geloofwaardige dreiging dat zij tot die markt zal toetreden."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Commissie tegen Servier e.a.), ECLI:EU:C:2024:549.
Mededingingsbeperking - strekking
- "63 Hieruit volgt dat deze bepaling, zoals zij door het Hof is uitgelegd, een duidelijk onderscheid hanteert tussen het begrip beperking naar strekking en beperking naar gevolg, waarbij elk van beide aan een ander bewijsregime is onderworpen.
64 Voor de als „beperkingen naar strekking” aangemerkte praktijken hoeft aldus niet te worden onderzocht en a fortiori aangetoond wat de gevolgen ervan zijn voor de mededinging met het oog op de kwalificatie ervan als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien de ervaring leert dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Het enige vereiste is dat wordt aangetoond dat deze praktijken daadwerkelijk onder de kwalificatie „beperking naar strekking” vallen, waarbij eenvoudige niet-gestaafde beweringen in dat verband onvoldoende zijn.
66 Wanneer daarentegen niet is aangetoond dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging een mededingingsverstorende strekking heeft, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht om het bewijs te leveren dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie in die zin arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17).
67 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het begrip „beperking naar strekking” strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast op bepaalde collusiepraktijken tussen ondernemingen, waaruit op zich en gelet op de bewoordingen, de doelstellingen en de economische en juridische context ervan blijkt dat zij in voldoende mate schadelijk zijn voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht, aangezien bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 20, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punten 78 en 79).
68 Bij de beoordeling van die context moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 januari 2010, nr. C-307/18 (Generics (UK) e.a.), ECLI:EU:C:2020:52.
- "49 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (zie in die zin met name arrest LTM, 56/65, EU:C:1966:38, punten 359 en 360; arrest BIDS, punt 15, en arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie in die zin met name arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, beschouwd kunnen worden als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt.
52 Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan deze vorm van coördinatie slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie in die zin arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Voorts hoeven de bedoelingen van partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een overeenkomst tussen ondernemingen beperkend is, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om rekening te houden met deze bedoelingen (zie arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
58 Ten tweede heeft het Gerecht – gelet op die rechtspraak – in punt 124 van het bestreden arrest, en nadien in punt 146 van dat arrest, ten onrechte geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” niet „restrictief” hoeft te worden uitgelegd. Dit begrip kan uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht. Anders zou de Commissie immers worden ontslagen van haar verplichting om de concrete effecten op de markt aan te tonen van overeenkomsten waarvan niet is bewezen dat zij naar hun aard zelf schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Het feit dat de in artikel 81, lid 1, EG bedoelde soorten overeenkomsten geen exhaustieve lijst van verboden gedragingen vormen, is in dit verband irrelevant."
HvJ EU 11 september 2014, nr. 67/13 P (CB tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2204.
- "113 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Zo staat vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, beschouwd kunnen worden als afspraken die een zodanig groot risico inhouden dat inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten negatief zullen worden beïnvloed dat het voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG overbodig is om aan te tonen dat zij concrete effecten op de markt hebben. De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan dit gedrag slechts vallen onder artikel 81, lid 1, EG indien alle factoren waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst, aanwezig zijn (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, met name worden gelet op de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en gestructureerd zijn (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Voorts hoeven de bedoelingen van de partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen een beperkende werking heeft, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om daarmee rekening te houden (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EG 19 maart 2015, nr. C-286/13 P (Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe tegen Commissie), ECLI:EU:C:2015:184.
"17 Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging dus niet te worden onderzocht. Wanneer uit de analyse van de inhoud van de overeenkomst evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten vervolgens de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34; zie in die zin arresten CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 52, en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 116).
18 Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 58). Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, kunnen worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, C‑61/13, EU:C:2014:2204, punt 51).
20 Gelet op de rechtspraak waaraan hierboven is herinnerd, valt het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperkende „strekking” heeft, dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57)."
HvJEU 26 november 2015, nr. C-345/14 (Maxima Latvija) EU:C:2015:784.
- "161 Blijkens de vaste rechtspraak van het Hof, zoals die in het bijzonder is samengevat in de arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67), vormt het begrip mededingingsverstorende „strekking” weliswaar geen uitzondering ten opzichte van het begrip mededingingsverstorend „gevolg”, zoals blijkt uit de punten 158 en 159 van het onderhavige arrest, maar moet het toch strikt worden uitgelegd.
162 Bijgevolg moet dat begrip aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging [zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 417; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67].
163 Tot de soorten gedrag die als zodanig moeten worden beschouwd behoren in de eerste plaats bepaalde kartelafspraken die bijzonder schadelijk zijn voor de mededinging, zoals horizontale kartels die leiden tot prijsbepaling, beperking van de productiecapaciteit of verdeling van de klanten. Dergelijke soorten gedrag kunnen er namelijk in resulteren dat de prijzen stijgen of dat de productie, en daarmee het aanbod, wordt verlaagd, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat in het nadeel speelt van zowel de ondernemingen die er gebruik van maken als de consument (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 17 en 33; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 32).
164 Andere soorten gedrag zijn niet noodzakelijkerwijs even schadelijk voor de mededinging, maar kunnen in bepaalde gevallen eveneens worden geacht een mededingingsverstorende strekking te hebben. Dat is onder meer het geval bij bepaalde soorten horizontale overeenkomsten die geen kartels zijn, zoals die welke ertoe leiden dat concurrerende ondernemingen van de markt worden uitgesloten [zie in die zin arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 76, 77, 83‑87 en 101, en 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punten 113 en 114], of bepaalde soorten besluiten van ondernemersverenigingen (zie in die zin arrest van 27 januari 1987, Verband der Sachversicherer/Commissie, 45/85, EU:C:1987:34, punt 41).
165 Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen naar hun aard zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat zij kunnen worden geacht ertoe te strekken deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 79).
166 Wat om te beginnen de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 80). Het is daarentegen geenszins noodzakelijk om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen dat gedrag teweegbrengt voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn, zoals volgt uit de rechtspraak die in de punten 158 en 159 van het onderhavige arrest is aangehaald.
167 Wat vervolgens de doelstellingen van het betrokken gedrag betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met dat gedrag worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punten 64 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21).
168 Ten slotte moeten bij het onderzoek van alle in de drie voorgaande punten van het onderhavige arrest genoemde aspecten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom het aan de orde zijnde gedrag zodanig schadelijk is voor de mededinging dat het kan worden geacht ertoe te strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 69)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "216 Zoals de advocaat-generaal in de punten 182 tot en met 194 van haar conclusie heeft opgemerkt, staat de omstandigheid dat een overeenkomst tot verdeling van de markten niet „waterdicht” is, geenszins in de weg aan de kwalificatie ervan als mededingingsbeperking naar strekking. Artikel 101, lid 1, onder c), VWEU verbiedt immers uitdrukkelijk overeenkomsten die bestaan in het verdelen van de markten. Uit de in punt 97 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen inzake de verdeling van de markten, gezien de bijzondere ernst daarvan, als mededingingsbeperking naar strekking moeten worden aangemerkt.
217 Artikel 101, lid 1, onder c), VWEU bevat in dit verband geen bijzondere voorwaarde op grond waarvan het daarin neergelegde verbod beperkt is tot overeenkomsten waarmee een „waterdichte” verdeling tussen die markten tot stand komt, bijvoorbeeld doordat daarin bepalingen zijn opgenomen die de toegang tot bepaalde van deze markten voorbehouden aan een van deze ondernemingen, met uitsluiting van de andere, of de uitvoer van de ene markt naar de andere verbieden. Bij gebreke van enige specifieke bepaling dienaangaande hoeft bij marktverdelingsovereenkomsten dus geen onderscheid te worden gemaakt op basis van een voorwaarde die artikel 101, lid 1, VWEU niet stelt en bij geen enkele overweging die verband houdt met het doel of de opzet van deze bepaling, in aanmerking komt.
218 Overigens zou de uitlegging van het Gerecht erop neerkomen dat overeenkomsten die erin bestaan markten te verdelen, met name door bepaalde markten aan een onderneming voor te behouden in ruil voor de verlening door die onderneming van een octrooilicentie aan een andere onderneming die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief is, niet als mededingingsbeperking naar strekking worden aangemerkt. Daardoor zou deze tweede onderneming, gelet op het duidelijk mededingingsverstorende karakter van dergelijke overeenkomsten, tot andere markten kunnen toetreden zonder dat haar een inbreuk dreigt te worden verweten, hetgeen afbreuk zou doen aan de volle werking van het verbod van artikel 101, lid 1, onder c), VWEU en de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie ernstig zou ondermijnen.
(...)
224 Overeenkomstig hetgeen in de punten 102 en 132 van het onderhavige arrest is geoordeeld, moet worden vastgesteld dat de erkenning van de geldigheid van een octrooi dat het voorwerp is van een geding tussen twee partijen, weliswaar een relevante factor kan zijn ter beoordeling of de uit een schikkingsovereenkomst van dat geschil voortvloeiende mededingingsbeperkingen op een en dezelfde markt afgezwakt of zelfs geneutraliseerd kunnen worden doordat dezelfde partijen een licentieovereenkomst voor dat octrooi sluiten, maar dat die erkenning op zich geen beslissende, of zelfs relevante, factor is om te bepalen of collusie als die die volgens het litigieuze besluit tussen Servier en Krka heeft plaatsgevonden – en die bestaat in de verdeling van markten door middel van een op een octrooigeschil betrekking hebbende schikkingsovereenkomst die met name geldt voor markten die binnen de geografische werkingssfeer van de inbreuk vallen, en een octrooilicentieovereenkomst betreffende markten die daar niet binnen vallen – kan worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking.
(...)
226 Bovendien is het juist dat een schikkingsovereenkomst inzake een octrooigeschil en een licentieovereenkomst voor dat octrooi met een legitiem doel en volledig rechtmatig kunnen worden gesloten op basis van de erkenning door de partijen dat dat octrooi geldig is, als er geen andere omstandigheid is die een inbreuk op artikel 101 VWEU oplevert. Het feit dat met dergelijke overeenkomsten een legitiem doel wordt nagestreefd, kan er echter niet toe leiden dat die overeenkomsten niet onder de toepassing van artikel 101 VWEU vallen indien blijkt dat zij er ook toe strekken markten te verdelen of andere beperkingen van de mededinging tot stand te brengen (zie in die zin arresten van 30 januari 1985, BAT Cigaretten-Fabriken/Commissie, 35/83, EU:C:1985:32, punt 33, en 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 70)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Commissie tegen Servier e.a.), ECLI:EU:C:2024:549.
- "124 In so far as the appellants submit that it is necessary to establish that an agreement is sufficiently harmful in order to characterise it as a restriction of competition by object, it is sufficient to point out that a commercial arrangement such as that at issue in the present case is non- legitimate from a competition standpoint precisely because a reverse payment such as that paid by Servier to Matrix can only be explained, according to the General Court’s factual findings in that regard, by the commercial interest of Servier and Matrix not to engage in competition on the merits."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-197/19 P (Mylan tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:550.
- "108 Moreover, paragraph 186 of the judgment under appeal contains an error of law in so far as the statement that the Commission and the Courts of the European Union cannot, when examining whether an agreement restricts competition by object, completely ignore its potential effects is contrary to the case-law referred to in paragraph 91 of the present judgment, according to which, as regards practices characterised as restrictions of competition by object, there is no need to investigate nor a fortiori to demonstrate their effects on competition, be they actual or potential, or negative or positive.
109 In so doing, the General Court confused the exercise of ascertaining whether conduct is capable, by its very nature, of systematically harming competition by reason of its particular characteristics and whether it therefore reveals a sufficient degree of harm to be characterised as a restriction of competition by object, on the one hand, with the exercise of analysing the actual or potential effects of specific conduct in a particular case, which is relevant solely for the assessment of the existence of a possible restriction of competition by effect, on the other.
110 It must therefore be held that, in holding, in paragraph 186 of the judgment under appeal, on the basis of contradictory reasoning, that, when examining whether an agreement restricts competition by object, the potential effects of that agreement must be taken into account in so far as they are foreseeable, the General Court erred in law."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-198/19 P (Teva UK e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:551.
Mededingingsbeperking - prijzen
- "144 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds concurrenten die op onafhankelijke wijze informatie verzamelen of met klanten en derden de toekomstige prijzen bespreken, en anderzijds concurrenten die met andere concurrenten prijsfactoren en de evolutie van de prijzen bespreken, alvorens hun referentieprijzen vast te stellen. Eerstgenoemd gedrag doet immers geen problemen rijzen uit het oogpunt van een vrije en onvervalste mededinging, terwijl dat wel geldt voor laatstgenoemd gedrag, dat indruist tegen het vereiste dat iedere ondernemer zelfstandig bepaalt welk beleid hij op de interne markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers dat tot doel of tot gevolg heeft dat het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed, of dat een dergelijke concurrent verneemt wat het aangenomen of voorgenomen marktgedrag van de betrokkene is (zie arrest van 14 maart 2013, Dole Food en Dole Germany/Commissie, T‑588/08, EU:T:2013:130, punten 291 en 292 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 Bovendien is een uitwisseling tussen concurrenten van niet-openbare, voor de prijsbepaling relevante informatie vanuit het oogpunt van de mededinging des te gevoeliger wanneer zij plaatsvindt tussen traders die als „marktmakers” optreden, gelet op de belangrijke rol die zij spelen op de EIRD-markt. Zoals in de punten 106 en 107 hierboven is benadrukt, zijn „marktmakers” algemeen en continu actief en sluiten zij dus een groter aantal transacties dan de andere marktspelers. Ter waarborging van de mededinging op de markt is het des te fundamenteler dat zij hun prijzen op autonome wijze bepalen.”
Gerecht EU 24 september 2019, nr. T-105/17 (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:675.
- "52 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan de advocaat en zijn cliënt, op straffe van een tuchtrechtelijke procedure voor de advocaat, geen lagere vergoeding mogen overeenkomen dan het minimumbedrag dat is vastgesteld bij een verordening van een beroepsorganisatie van advocaten, zoals de hoge raad voor de advocatuur, en de rechter niet mag gelasten dat een lagere vergoeding voor het honorarium dan dit minimumbedrag moet worden betaald, de mededinging binnen de interne markt kan beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
(...)
61 Derhalve verzet artikel 101, lid 1, VWEU zich niet tegen een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan rechtspersonen en ondernemers met een eenmanszaak in aanmerking komen voor een door de nationale rechter gelaste vergoeding ter hoogte van de kosten voor een advocaat wanneer zij door een juridisch adviseur zijn bijgestaan."
Dictum:
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan rechtspersonen en ondernemers met een eenmanszaak in aanmerking komen voor een door de nationale rechter gelaste vergoeding ter hoogte van de kosten voor een advocaat wanneer zij door een juridisch adviseur zijn bijgestaan."
HvJ EU 23 november 2017, nrs. C- 427/16 en C-428/16, (CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International), ECLI:EU:C:2017:890.
- "2) Artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die de advocaat en zijn cliënt niet toestaat een vergoeding overeen te komen die lager is dan het minimumbedrag dat is vastgesteld in een door een beroepsorganisatie van advocaten – zoals de hoge raad voor de advocatuur – vastgestelde verordening, en die voorts de rechter niet toestaat de vergoeding te gelasten van een bedrag dat lager is dan dat minimumbedrag, moet worden aangemerkt als een mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van die bepaling. Wanneer er sprake is van een dergelijke beperking kunnen de legitieme doelstellingen die met de nationale regeling zouden worden nagestreefd, niet worden ingeroepen om de betrokken gedraging vrij te stellen van het in artikel 101, lid 1, VWEU, neergelegde verbod van mededingingsbeperkende overeenkomsten en praktijken."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Mededingingsbeperking - informatieuitwisseling
- "51 Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, moet worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie tussen concurrenten, zelfs zonder een samenwerkingsovereenkomst, een mededingingsbeperking kan vormen, ook naar strekking, in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Zoals uit de punten 43 tot en met 49 van het onderhavige arrest blijkt, moet het bij deze uitwisseling immers gaan om een vorm van coördinatie die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging in het kader van die uitwisseling.
52 Wat de inhoud ervan betreft, betekent dit om te beginnen dat de informatie-uitwisseling zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die aanleiding geeft tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden van de betrokken markt overeenkomen.
53 De goede werking van normale mededinging op een markt veronderstelt echter een zekere transparantie van de situatie die momenteel op die markt heerst. Alleen onder deze voorwaarde kan een markt efficiënt functioneren. Zo heeft het Hof reeds erkend dat transparantie tussen marktdeelnemers – althans op een niet-oligopolistische markt – in beginsel de concurrentie tussen de aanbieders verscherpt (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, EU:C:2003:527, punt 84).
54 Een markt kan evenwel slechts onder normale omstandigheden functioneren wanneer iedere ondernemer ten eerste verplicht is zelfstandig te bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 119) en ten tweede in het ongewisse verkeert over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop zijn concurrenten hun marktgedrag in de toekomst zullen aanpassen (zie in die zin arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punt 41, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 116).
55 Vervolgens is het met betrekking tot de context waarin de betrokken informatie-uitwisseling plaatsvindt noodzakelijk dat binnen die context elke coördinatie die kenmerken heeft welke vergelijkbaar zijn met die van die uitwisseling, slechts kan leiden tot mededingingsvoorwaarden die – gelet op de aard van de betrokken producten of verleende diensten, de feitelijke marktomstandigheden en de structuur van de markt – niet met de normale voorwaarden voor de werking van de betreffende markt overeenkomen (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 87; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punt 33, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 120).
56 Wat ten slotte de „objectieve doelstellingen” van die uitwisseling betreft, moet worden benadrukt dat dit begrip in de juridische zin ervan verwijst naar de voornaamste bestaansreden voor de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, dat wil zeggen naar de onmiddellijk en rechtstreeks door de coördinatie nagestreefde doelstellingen die de betrokken ondernemingen ertoe hebben gebracht eraan deel te nemen. Indien voor een informatie-uitwisseling, ook al lijkt zij formeel geen mededingingsverstorend doel na te streven, gelet op de vorm ervan en de context waarin zij plaatsvindt, geen andere verklaring kan worden gegeven dan het nastreven van een doel dat strijdig is met een van de wezenlijke bestanddelen van het beginsel van vrije mededinging, moet zij worden beschouwd als mededingingsbeperkend naar strekking.
57 Gelet op het voorgaande, en aangezien elke marktdeelnemer verplicht is zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren, moet een informatie-uitwisseling worden geacht zodanige kenmerken te vertonen dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die naar zijn aard moet worden beschouwd als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging, wanneer de inhoud ervan betrekking heeft op inlichtingen die, ongeacht of zij gevoelig of vertrouwelijk zijn, in de context waarin zij worden uitgewisseld ertoe kunnen leiden dat de partijen bij de uitwisseling, zo zij voldoende actief en commercieel redelijk zijn, zich stilzwijgend op dezelfde wijze gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
58 Bij een dergelijke beoordeling moet niet alleen rekening worden gehouden met de aard van de uitgewisselde informatie, maar ook met de economische context waarin de uitwisseling plaatsvindt. Weliswaar moet worden aangenomen dat de ondernemingen die aan een uitwisseling deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie (zie in die zin arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punten 161 en 162; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punten 51 en 52, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punten 126 en 127), maar dit neemt niet weg dat voldoende actieve en commercieel rationele ondernemingen zich slechts op dezelfde wijze zullen gedragen onder meer wanneer zij, gelet op de context waarin deze overeenkomst is gesloten, de reactie van hun huidige en potentiële concurrenten en van de consumenten niet hoeven te vrezen. Dit is in beginsel het geval wanneer de uitwisseling plaatsvindt tussen de belangrijkste spelers op een oligopolistische of althans sterk geconcentreerde markt en er drempels voor de toetreding tot die markt bestaan (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, EU:C:2003:527, punten 86 en 87).
59 In dit verband moet, met name in laatstgenoemd geval, de omstandigheid dat de markt een zekere mate van concentratie en toetredingsdrempels vertoont, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beklemtoond, als relevant worden beschouwd.
60 Om aan te tonen dat een uitwisseling van informatie een beperking naar strekking vormt, hoeft evenwel niet altijd te worden aangetoond dat deze uitwisseling betrekking heeft op informatie van dien aard dat, in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers aan de uitwisseling er noodzakelijkerwijs toe worden gebracht om zich, zo zij voldoende actief en commercieel rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de betrokken markt tot stand komt, hetgeen in strijd is met de verplichting van iedere marktdeelnemer om zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren.
61 Zoals blijkt uit punt 54 van het onderhavige arrest, kan een markt slechts worden geacht onder normale omstandigheden te functioneren wanneer de marktdeelnemers niet alleen zelfstandig het beleid bepalen dat zij op de interne markt willen voeren, maar ook, en meer in het algemeen, in het ongewisse blijven over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers op die markt.
62 Bijgevolg kan een uitwisseling van informatie, wanneer zij het mogelijk maakt dat ongewisse karakter weg te nemen, worden beschouwd als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, zonder dat zelfs maar hoeft te worden aangetoond dat de uitgewisselde informatie in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers er noodzakelijkerwijs toe brengt om zich, zo zij voldoende actief en economisch rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt. Daartoe is het voldoende dat de uitgewisselde informatie zowel vertrouwelijk als strategisch is.
63 Onder „vertrouwelijke informatie” moet worden verstaan alle informatie die niet reeds bekend is bij elke op de betrokken markt actieve speler, terwijl onder „strategische informatie” moet worden verstaan informatie die, na eventueel te zijn gecombineerd met andere informatie die reeds bekend is bij de deelnemers aan een informatie-uitwisseling, licht kan werpen op de strategie die sommige van de deelnemers voornemens zijn ten uitvoer te leggen met betrekking tot een of meer parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 117).
64 Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 en 70 van zijn conclusie heeft gesteld, is bovendien elke informatie-uitwisseling over toekomstige tarieven of over sommige tariefbepalende factoren op zich mededingingsbeperkend, met name gelet op het risico van schade aan de mededinging dat zij met zich brengt. Het begrip „strategische informatie” is echter ruimer en omvat alle gegevens die de marktdeelnemers nog niet bekend zijn en die in het kader van een dergelijke uitwisseling de onzekerheid van de deelnemers over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers kunnen verminderen met betrekking tot aspecten die wegens de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke omstandigheden op de markt en de structuur ervan, een of meer parameters vormen op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
65 Ten slotte moet, wanneer de uitgewisselde informatie geen betrekking heeft op intenties van deelnemers aan de uitwisseling om hun gedrag op de relevante markt te wijzigen, maar op een actuele of vroegere situatie, die informatie niettemin als strategisch worden beschouwd indien een deelnemer daaruit met voldoende nauwkeurigheid het toekomstige gedrag van de andere deelnemers aan die uitwisseling of hun reacties op een mogelijke strategische marktbeweging kan afleiden, met name op basis van de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke marktomstandigheden, de kostenstructuur of de productie- en beheermethoden van de deelnemers aan die uitwisseling."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "67 In deze zaak heeft de verwijzende rechter in zijn vraag verwezen naar een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op sterk geconcentreerde markten met toetredingsdrempels en betrekking had op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, in het bijzonder kredietspreads en risicovariabelen, alsook op de geïndividualiseerde productiecijfers van ieder van hen.
68 Ten eerste blijkt uit de beschrijving van de verwijzende rechter dat de informatie over de kredietspreads, die vertrouwelijk tussen de deelnemende kredietinstellingen werd uitgewisseld, op het tijdstip van de uitwisseling niet even volledig en gesystematiseerd voor het publiek beschikbaar was en dat deze informatie hoofdzakelijk betrekking had op mogelijke toekomstige maatregelen. Meer in het bijzonder blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze informatie betrekking had op hun intenties om de commerciële voorwaarden op de betrokken markt te wijzigen, of althans op wijzigingen waartoe was besloten maar die nog niet waren toegepast.
69 Ten tweede verwijst het begrip „spread” naar het verschil tussen de rentevoet die de kredietinstelling aan een kredietnemer aanrekent en de rentevoet waartegen de kredietinstelling zich in principe herfinanciert, en is deze tweede rentevoet in beginsel bekend, zodat een kredietspread informatie kan verstrekken over de rentevoeten die kredietinstellingen aan hun klanten aanbieden als uitgangspunt voor onderhandelingen.
70 Aangezien de spreads een van de parameters zijn op basis waarvan de mededinging op de drie in het hoofdgeding aan de orde zijnde markten tot stand komt, moet alle informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen om deze spreads te wijzigen, als strategische informatie worden beschouwd.
71 Hieruit volgt dat, gelet op de vaststellingen in punt 62 van dit arrest, een informatie-uitwisseling die, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beschreven, op vertrouwelijke basis plaatsvindt en betrekking heeft op de toekomstige intenties van kredietinstellingen met betrekking tot de kredietspreads die worden gebruikt om de aan hun klanten aangeboden rentevoet te bepalen, een vorm van coördinatie tussen ondernemingen is die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging en dus een mededingingsbeperkende strekking heeft in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
72 Hetzelfde geldt voor de informatie over toekomstige veranderingen in de risicoparameters die worden toegepast op de kredietspreads op basis van het individuele risicoprofiel van de cliënten, aangezien deze, in combinatie met de informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen met betrekking tot kredietspreads, de deelnemers aan de uitwisseling waarschijnlijk een nauwkeuriger beeld zal geven van de tariefstrategieën die de andere deelnemers van plan zijn toe te passen.
73 Wat de informatie over de „productiehoeveelheden” betreft, zij erop gewezen dat dergelijke informatie in beginsel elk gedrag van een marktdeelnemer aan het licht kan brengen dat afwijkt van het evenwicht dat op de markt kan heersen, met name wanneer deze informatie, zoals in het hoofdgeding, door deze marktdeelnemers in niet-geaggregeerde en geïndividualiseerde vorm wordt verstrekt.
74 Het bestaan van een uitwisseling van dergelijke informatie kan dus in bepaalde omstandigheden een vorm van coördinatie – waarvan die uitwisseling een component vormt – aan het licht brengen die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging.
75 In het hoofdgeding blijkt evenwel uit de toelichting van de verwijzende rechter dat de AdC verzoeksters heeft verweten te hebben deelgenomen aan een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie en niet aan een uitwisseling die bijkomstig is ten opzichte van mededingingsbeperkende onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
76 In het geval van een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie, waarbij deze informatie, zoals in het onderhavige geval, betrekking heeft op verkoopvolumen in het verleden, is het evenwel onwaarschijnlijk dat deze informatie op zich en bij gebreke van bijzondere omstandigheden de toekomstige intenties van de betrokken kredietinstellingen kan onthullen of de deelnemers aan de uitwisseling die voldoende actief en economisch rationeel zijn, ertoe kan aanzetten zich stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een van de betrokken markten tot stand komt.
77 Bij de beoordeling van de schadelijkheid van een vorm van informatie-uitwisseling moet echter ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid om de verschillende categorieën van uitgewisselde informatie aan elkaar te koppelen.
78 Zo kan een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie, voor zover deze onder meer betrekking heeft op productiehoeveelheden, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, indien die informatie met name zou worden gecombineerd met andere soorten uitgewisselde informatie en, in voorkomend geval, met andere informatie die reeds vrij beschikbaar is, zodanig dat een onderneming die voldoende actief en economisch rationeel is, gelet op de aard, de feitelijke omstandigheden en de structuur van de relevante markten, de toekomstige intenties van de andere deelnemers zou kunnen afleiden of ertoe gebracht zou kunnen worden om zich stilzwijgend op dezelfde wijze als de andere deelnemers te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op die markten tot stand komt.
79 Hoe dan ook moet een uitwisseling van informatie zoals die welke de verwijzende rechter in zijn vraag beschrijft, worden beschouwd als een beperking naar strekking wanneer de uitgewisselde informatie onder meer betrekking heeft op toekomstige intenties van de deelnemers aan die uitwisseling om hun kredietspreads te wijzigen.
80 Deze conclusie kan worden bevestigd door de objectieve doelstellingen te onderzoeken die met de uitwisseling van dergelijke informatie worden nagestreefd, hetgeen, zoals blijkt uit punt 49 van dit arrest, eveneens relevant is voor de beoordeling van het bestaan van een beperking naar strekking. De uitwisseling van informatie over de toekomstige intenties van de deelnemers daaraan met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een markt tot stand komt, zoals kredietspreads, kan geen ander objectief doel nastreven dan de mededinging op die markt te vervalsen.
(...)
89 Zoals de advocaat-generaal in de punten 74 en 75 van zijn conclusie heeft benadrukt, is het evenwel niet noodzakelijk dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen betrekking hebben op alle parameters op basis waarvan de mededinging op de markt tot stand komt, of, wat tariefinformatie betreft, op alle bestanddelen van de uiteindelijk toegepaste prijs, om onder het begrip „beperking naar strekking” te vallen. Derhalve kan de informatie-uitwisseling, zelfs indien deze slechts één van deze parameters betreft, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van een normale mededinging (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 204).
90 De rentevoet die wordt gebruikt als uitgangspunt voor individuele onderhandelingen met de individuele klant op basis van zijn risicoprofiel, weerspiegelt een van de mededingingsparameters op de betrokken markten, aangezien potentiële klanten aan de hand van deze rentevoet een eerste selectie zullen maken uit de kredietaanbiedingen van kredietinstellingen om met bepaalde kredietinstellingen in onderhandeling te treden.
(...)
92 In dit verband zij eraan herinnerd dat het enkele feit dat informatie over de kredietspreads werd uitgewisseld voordat deze effectief of openbaar werden, echter voldoende is om aan te tonen dat deze uitwisseling de onzekerheid bij de deelnemers aan de informatie-uitwisseling over het toekomstige gedrag van de andere betrokken kredietinstellingen kon verminderen, ook al zou de onzekerheid die bij de andere concurrenten kan hebben bestaan, kort daarna zijn verdwenen. Zelfs als het voor de deelnemers aan een dergelijke uitwisseling onmogelijk zou zijn om deze informatie onmiddellijk in aanmerking te nemen om hun marktgedrag onmiddellijk te wijzigen, zou elke uitwisseling van toekomstige intenties die nog niet openbaar zijn gemaakt, deze deelnemers in ieder geval in staat stellen sneller te reageren dan bij een normale werking van de relevante markt mogelijk zou zijn.
(...)
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op markten die worden gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en toetredingsdrempels, en die ziet op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name de kredietspreads en risicovariabelen, alsook de geïndividualiseerde productiecijfers van de aan die uitwisseling deelnemende instellingen, moet worden aangemerkt als mededingingsbeperking naar strekking, althans voor zover de aldus uitgewisselde kredietspreads de spreads zijn die deze instellingen voornemens zijn in de toekomst toe te passen"
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "83 In dit verband moet stellig worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie waarvan de verstrekking overigens door een nationale regeling is voorgeschreven, geen inbreuk kan maken op artikel 101 VWEU, aangezien een dergelijke uitwisseling geen effect op de markt kan hebben dat verder gaat dan het effect dat reeds voortvloeit uit de naleving van die regeling, en de betrokken ondernemingen daarvoor niet aansprakelijk kunnen worden gesteld (zie naar analogie arresten van 11 november 1997, Commissie en Frankrijk/Ladbroke Racing, C‑359/95 P en C‑379/95 P, EU:C:1997:531, punt 33, en 9 september 2003, CIF, C‑198/01, EU:C:2003:430, punten 52 en 53).
84 Een dergelijke situatie kan echter niet worden ingeroepen door de deelnemers aan de uitwisseling wanneer de uitgewisselde informatie verder gaat dan de informatie die elke kredietinstelling die op de drie betrokken markten actief is, krachtens haar wettelijke verplichtingen openbaar moet maken en wanneer deze informatie is uitgewisseld voordat deze verplichtingen die deelnemers dwongen om deze informatie openbaar te maken; het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
potentiële mededinging
- "31 Om onder het principiële verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, moet een gedraging van ondernemingen dus niet alleen het bestaan van collusie tussen hen onthullen – namelijk een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging – maar deze afstemming moet ook de mededinging binnen de interne markt ongunstig en merkbaar beïnvloeden (zie in die zin arrest van 13 december 2012, Expedia, C‑226/11, EU:C:2012:795, punten 16 en 17).
32 In het geval van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief zijn, veronderstelt dit laatste vereiste dat deze collusie plaatsvindt tussen ondernemingen die met elkaar concurreren, althans minstens potentieel.
(...)
36 Om te beoordelen of een onderneming die niet op een markt aanwezig is, in een verhouding staat van potentiële mededinging met een of meer andere reeds op die markt aanwezige ondernemingen, moet worden nagegaan of er reële en concrete mogelijkheden bestaan dat eerstgenoemde onderneming tot die markt toetreedt in concurrentie met de laatstgenoemde(n) (zie in die zin arrest van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 21).
37 Wanneer het gaat om een overeenkomst die tot gevolg heeft dat een onderneming tijdelijk van de markt wordt gehouden, moet dus worden nagegaan of er zonder die overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat deze onderneming tot die markt zou toetreden en met de op die markt gevestigde ondernemingen zou concurreren.
38 Een dergelijk criterium sluit uit dat de vaststelling van een potentiële concurrentieverhouding kan voortvloeien uit de louter hypothetische mogelijkheid van een dergelijke toetreding of uit de loutere wil van de fabrikant van generieke geneesmiddelen in die zin. Omgekeerd vereist die vaststelling geenszins dat met zekerheid wordt aangetoond dat deze fabrikant daadwerkelijk tot de betrokken markt zal toetreden of nog meer dat hij vervolgens in staat zal zijn zich op de betrokken markt te handhaven.
39 De beoordeling van het bestaan van potentiële mededinging moet plaatsvinden in het licht van de structuur van de markt en de economische en juridische context die de werking ervan beheerst.
40 Aangaande – ten eerste – de in het hoofdgeding aan de orde zijnde farmaceutische sector, waarvan het Hof de specifieke kenmerken voor de toepassing van het Europese mededingingsrecht reeds heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punten 65 en 80), en meer in het bijzonder de openstelling van de markt van een geneesmiddel met een werkzame stof die recentelijk tot het publieke domein is gaan behoren voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, waarvan de gevolgen voor de prijzen door de verwijzende rechter zijn benadrukt, moet naar behoren rekening worden gehouden met de voor de geneesmiddelensector specifieke reglementaire beperkingen. Daartoe behoort artikel 6 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 (PB 2007, L 324, blz. 121, met rectificatie in PB 2009, L 87, blz. 174), waarin is bepaald dat een geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel mag worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat een VHB is afgegeven, of wanneer een vergunning is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB 2004, L 136, blz. 1, met rectificatie in PB 2005, L 201, blz. 46), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB 2009, L 87, blz. 109) (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 53).
41 Ten tweede moet ten volle rekening worden gehouden met de intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder de octrooien van de fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen betreffende een of meer tot het publieke domein behorende werkwijzen voor de vervaardiging van een werkzame stof, welke rechten op de interne markt een hoog niveau van bescherming genieten krachtens richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16, en in PB 2007, L 204, blz. 27), en artikel 17, lid 2, van het Handvest van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, punt 57).
42 Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de perceptie van de aanwezige marktdeelnemer voorts een relevante factor om te beoordelen of er een concurrentieverhouding bestaat tussen hem en een externe onderneming, aangezien deze laatste, indien zij wordt beschouwd als een potentiële nieuwkomer op de markt, door haar loutere bestaan concurrentiedruk op de op die markt aanwezige marktdeelnemer kan uitoefenen.
43 Gelet op het voorgaande moet, om te beoordelen of er een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen, enerzijds, een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van een werkwijzeoctrooi voor een tot het publieke domein behorende werkzame stof, en anderzijds, een fabrikant van generieke geneesmiddelen die zich voorbereidt om toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof, die een overeenkomst hebben gesloten als aan de orde in het hoofdgeding, worden nagegaan, ten eerste, of de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen op de datum van sluiting van die overeenkomst voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat zou hebben gesteld concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen.
44 Tot die stappen kunnen behoren de maatregelen die de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen heeft genomen om binnen die termijn te beschikken over de administratieve vergunningen die vereist zijn voor het in de handel brengen van een generieke versie van het betrokken geneesmiddel, en over een voldoende voorraad van dit generieke geneesmiddel, afkomstig van eigen productie dan wel van toeleveringscontracten met derden. In dit verband zijn ook relevant alle gerechtelijke stappen die deze fabrikant daadwerkelijk heeft ondernomen om primair of incidenteel de werkwijzeoctrooien van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen ter discussie te stellen, en ook de commerciële inspanningen van de fabrikant van generieke geneesmiddelen om zijn geneesmiddel in de handel te brengen. Dergelijke stappen maken het mogelijk om vast te stellen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen het vaste voornemen heeft en in staat is om toegang te krijgen tot de markt van een geneesmiddel dat een tot het publieke domein behorende werkzame stof bevat, zelfs wanneer de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen over werkwijzeoctrooien beschikt.
45 Ten tweede dient de verwijzende rechter na te gaan of de markttoetreding van een dergelijke fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op onoverkomelijke toetredingsdrempels stuit.
46 Dienaangaande kan het bestaan van een octrooi ter bescherming van de werkwijze voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof niet als zodanig worden beschouwd als een onoverkomelijke drempel en staat het niet eraan in de weg dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt aangemerkt als een „potentiële concurrent” van de fabrikant van het betrokken geneesmiddel wanneer hij daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden en zich door zijn stappen bereid heeft getoond om de geldigheid van dat octrooi te betwisten en het risico op zich te nemen dat hij bij toetreding tot de markt geconfronteerd wordt met een door de houder van dit octrooi ingeleide inbreukprocedure.
47 De argumenten van de ondernemingen waaraan de CMA een sanctie heeft opgelegd, betreffende het vermoeden van geldigheid van een aan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen toebehorend werkwijzeoctrooi, de onzekere afloop van een geschil inzake de geldigheid van dit octrooi en het bestaan van door een nationale rechter uitgesproken rechterlijke bevelen waardoor aan de fabrikanten van generieke geneesmiddelen tijdelijk kan worden verboden om de generieke versie van het betrokken oorspronkelijke geneesmiddel te verkopen, kunnen geen afbreuk doen aan deze beoordeling.
48 Wat om te beginnen het argument inzake het vermoeden van geldigheid van het betrokken octrooi betreft, staat vast dat een dergelijk vermoeden het automatische gevolg is van de indiening van de octrooiaanvraag en vervolgens de afgifte van een octrooi aan de houder ervan. Dit vermoeden verschaft met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU derhalve geen enkele informatie over de uitkomst van een eventueel geding over de geldigheid van dat octrooi, waarvan de rechter overigens niet meer kennis kan nemen als gevolg van het feit dat de houder van het octrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen de overeenkomst hebben gesloten.
49 Wanneer zou worden aanvaard dat het vermoeden van geldigheid van een werkwijzeoctrooi voor een tot het publieke domein behorende werkzame stof uitsluit dat de houder van dat octrooi potentieel concurreert met elke vermeende inbreukmaker op de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof, zou dit tot gevolg hebben dat, wanneer het gaat om overeenkomsten als in het hoofdgeding, artikel 101 VWEU elke betekenis verliest en daardoor de doeltreffendheid van het Europese kartelrecht kan worden uitgehold (zie naar analogie arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 520).
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van haar conclusie heeft opgemerkt, betekent dit weliswaar niet dat de betrokken mededingingsautoriteit elke octrooirechtelijke kwestie die van invloed kan zijn op de vaststelling van het bestaan van een dergelijke concurrentieverhouding, buiten beschouwing moet laten. Eventuele octrooien ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen ervan maken immers onbetwistbaar deel uit van de economische en juridische context die kenmerkend is voor de concurrentieverhoudingen tussen de houders van dergelijke octrooien en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen. De beoordeling door de mededingingsautoriteit van door een octrooi verleende rechten mag echter niet bestaan in een onderzoek naar de kracht van het octrooi of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en dat er sprake is van een inbreuk. Deze beoordeling moet eerder betrekking hebben op de vraag of de fabrikant van generieke geneesmiddelen, ondanks het bestaan van dit octrooi, over reële en concrete mogelijkheden beschikt om op het relevante tijdstip tot de markt toe te treden.
51 Daarbij moet met name rekening worden gehouden met het feit dat de onzekerheid over de geldigheid van octrooien voor geneesmiddelen een fundamenteel kenmerk van de farmaceutische sector is; dat het vermoeden van geldigheid van een octrooi op een oorspronkelijk geneesmiddel niet gelijkstaat met een vermoeden van onrechtmatigheid van een generieke versie van dit geneesmiddel dat op geldige wijze in de handel is gebracht; dat een octrooi geen bescherming tegen vorderingen tot nietigverklaring waarborgt; dat dergelijke vorderingen, en met name de zogenoemde „risicovolle” lancering van een generiek geneesmiddel, alsmede de daarmee gepaard gaande gerechtelijke procedures, doorgaans plaatsvinden in de fase vóór of onmiddellijk volgend op de marktintroductie van een dergelijk generiek geneesmiddel; dat voor het verkrijgen van een VHB voor een generiek geneesmiddel niet hoeft te worden aangetoond dat dit in de handel brengen geen inbreuk maakt op eventuele door het octrooi verleende rechten van het oorspronkelijke geneesmiddel, en dat in de farmaceutische sector potentiële mededinging kan plaatsvinden lang vóór het verstrijken van een octrooi dat de werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel beschermt, aangezien de fabrikanten van generieke geneesmiddelen klaar willen zijn om op het moment van dat verstrijken tot de markt toe te treden.
52 Wat vervolgens het argument betreft dat er sprake is van een ernstig geschil met een onzekere uitkomst tussen de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel en een fabrikant van de generieke versie van dit geneesmiddel die toegang wenst tot de markt van dit geneesmiddel, sluit de ernst van hun geschil, zeker wanneer het voor de rechterlijke instanties wordt gebracht, geenszins uit dat er tussen hen sprake is van mededinging maar dit vormt een aanwijzing van het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen hen.
53 Wat ten slotte het argument inzake het bestaan van door een nationale rechterlijke instantie gelaste voorlopige rechterlijke bevelen betreft, waarbij een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt verboden tot de markt toe te treden van een geneesmiddel met een tot het publieke domein behorende werkzame stof, moet worden opgemerkt dat het gaat om een voorlopige maatregel die geenszins vooruitloopt op de gegrondheid van een door de octrooihouder ingestelde vordering wegens inbreuk, hetgeen des te meer het geval is wanneer, zoals in het hoofdgeding, een dergelijk bevel wordt uitgesproken als tegenprestatie voor een door deze houder aangegane „cross-undertaking in damages”.
54 Ten derde kan het bewijs dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen het vaste voornemen heeft en in staat is om toe te treden tot de markt van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, hetwelk niet ter discussie wordt gesteld door het bestaan van onoverkomelijke drempels voor toetreding tot die markt, worden bevestigd door aanvullende gegevens.
55 In dit verband heeft het Hof reeds erkend dat het sluiten van een overeenkomst tussen verschillende ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn en waarvan sommige niet op de betrokken markt aanwezig waren, een sterke aanwijzing vormt dat er tussen die ondernemingen een concurrentieverhouding bestaat (zie naar analogie arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 33 en 34).
56 De door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen uitgedrukte wil, waarnaar vervolgens ook is gehandeld, om over te gaan tot waardeoverdrachten ten voordele van een fabrikant van generieke geneesmiddelen als tegenprestatie voor het uitstel van zijn markttoetreding, vormt ook een dergelijke aanwijzing, ook al verwijt eerstgenoemde fabrikant de laatstgenoemde fabrikant inbreuk te hebben gemaakt op een of meer van zijn werkwijzeoctrooien. Een dergelijke aanwijzing is des te sterker naarmate de waardeoverdracht groter is.
57 Uit deze wil blijkt immers de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt en, zoals in punt 42 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is deze perceptie relevant om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt.
58 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van een werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, en fabrikanten van generieke geneesmiddelen die zich klaar maken om toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met die werkzame stof, waarbij deze fabrikanten in geschil zijn over de geldigheid van dat octrooi of over het inbreukmakende karakter van de betrokken generieke geneesmiddelen, zich in een situatie van potentiële mededinging bevinden wanneer vaststaat dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om toe te treden tot de markt en hij niet stoot op onoverkomelijke toetredingsdrempels, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "64 In het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 58), heeft het Hof aldus rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de geneesmiddelenmarkt en met de economische en juridische context van die markt, om in wezen te oordelen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen moet worden beschouwd als een potentiële concurrent van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van farmaceutische octrooien op het betreffende geneesmiddel, wanneer hij het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om de markt in kwestie te betreden.
65 Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan, anders dan verzoeksters in het hoofdgeding betogen, de uitlegging van het begrip „potentiële mededinging” die het Hof in het in het vorige punt genoemde arrest heeft gegeven, niet worden geacht algemeen toepasselijk te zijn. Een dergelijk bewijsniveau vereisen om aan te tonen dat de betrokken onderneming zonder de overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zou hebben gehad om tot de markt in kwestie toe te treden, berust immers op een analyse die specifiek is voor de geneesmiddelenmarkten die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
"87 As regards, in the second place, the criteria for assessing potential competition, it should be noted that, according to settled case-law, also cited by the applicants, an undertaking is a potential competitor if there are real concrete possibilities for it to enter the market in question and compete with established undertakings. Such a demonstration must not be based on a mere hypothesis, but must be supported by evidence or an analysis of the structures of the relevant market. Accordingly, an undertaking cannot be described as a potential competitor if its entry into a market is not an economically viable strategy (judgment of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 86; see also, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 166 and 167 and the case-law cited). It necessarily follows that, while the intention of an undertaking to enter a market may be of relevance in order to determine whether it can be considered to be a potential competitor in that market, nonetheless the essential factor on which such a description must be based is whether it has the ability to enter that market (judgments of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T461/07, EU:T:2011:181, paragraph 168; of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 87; and judgment delivered today, Servier and Others v Commission, T691/14, paragraph 318 to 321).
(...)
91 Contrary to the intervener’s submission, it is irrelevant that the launch of development of commercially viable technologies is ultimately unsuccessful. To take into account only a launch which was successful, and thus enabled market entry, at the time of assessing potential competition would amount to denying the distinction between potential competition, which implies an absence of market entry, and actual competition, which implies that that entry has taken place (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 159). It is therefore also irrelevant that that launch does not by itself lead to a fall in prices, since such a fall in prices is not inherent in potential competition, but rather occurs as a result of a competitor entering the market and thus as a result of actual competition.
(...)
94 It should be added that the use of the criterion of the incumbent’s perception as one of a number of criteria for assessing potential competition is consistent with the case-law applicable in the present case, according to which that criterion is relevant, but not sufficient, for assessing the existence of potential competition. As the applicants rightly submit, given its subjective, and thus variable nature — which depends on the operators in question, their knowledge of the market and their contacts with their possible competitors — the perception of these operators, even experienced ones, cannot by itself lead to the conclusion that another operator is one of their potential competitors. However, that perception may support the conclusion that an operator has the ability to enter a market and, accordingly, may contribute to its classification as a potential competitor (see, to that effect, judgments of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 103 and 104, and of 8 September 2016, Sun Pharmaceutical Industries and Ranbaxy (UK) v Commission, T‑460/13, not published, under appeal, EU:T:2016:453, paragraph 88).
95 Thus, contrary to the applicants’ assertions, the General Court clearly took account of the criterion of the incumbent’s perception in the judgment of 12 July 2011, Hitachi and Others v Commission (T‑112/07, EU:T:2011:342) in order to establish the existence of potential competition. It follows in particular from paragraphs 90, 226 and 319 of that judgment, referred to in recital 1160 of the contested decision, that not only did the agreements at issue in that case between the European and Japanese producers constitute serious indicators that the Japanese producers were perceived by the European producers as potential credible competitors, they also showed that there were possibilities for the Japanese producers to penetrate the European market (see also, to that effect, judgment of 21 May 2014, Toshiba v Commission, T‑519/09, not published, EU:T:2014:263, paragraph 231). It is true that the General Court also carried out an objective analysis of potential competition, by examining inter alia the ability of the Japanese producers to enter the European market (judgment of 12 July 2011, Hitachi and Others v Commission, T‑112/07, EU:T:2011:342, paragraphs 157, 160 and 319 to 332), as, moreover, the Commission pointed out in recital 1160 of the contested decision. However, that objective analysis only serves to demonstrate that the subjective criterion of the incumbent’s perception is only one criterion among others for assessing the existence of potential competition."
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:919.
"52 Secondly, it must be held, in that regard, that, contrary to the applicants’ assertions, that criterion of efforts to develop a generic product, as set out and applied in the contested decision, is consistent with the criterion of real concrete possibilities of market entry.
53 Efforts to develop a generic product, which the Commission specifies as concerning the manufacture of the product, compliance with the originator undertaking’s patents and the obtention of a marketing authorisation (see inter alia recitals 1125 and 1181 of the contested decision), clearly show an intention to enter the market. They are also indicative of an ability to enter the market, since they involve active steps taken to produce and market the generic medicinal product and since, as regards steps which have not yet been completed, such as an ongoing marketing authorisation procedure, they are taken into account, as the Commission states (see inter alia recital 1181 of the contested decision), only if they do not face insurmountable problems and therefore have a chance of succeeding. It should be pointed out, in that respect, that the Commission’s use of the insurmountable problems criterion in its analysis does not amount to basing that analysis on that criterion alone, but rather is intended solely and appropriately, for the purposes of establishing the real and concrete nature of the possibilities in question, to supplement the examination of the ability to obtain the marketing authorisation applied for based on the steps completed by the applicant.
54 Moreover, contrary to the applicants’ assertions, it is irrelevant (see paragraph 44 above) whether the efforts in question were ultimately successful. To take into account only efforts which were successful, and thus enabled market entry, at the time of assessing potential competition would amount to denying the distinction between potential competition, which implies an absence of market entry, and actual competition, which implies that that entry has taken place (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 159). It must also be borne in mind that the mere existence of an undertaking outside the market with the ability to enter it may, in certain cases, give rise to competitive pressure on the undertakings currently operating in that market, a pressure represented by the likelihood that a new competitor will enter the market if the market becomes more attractive (judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 169).
(...)
56 According to settled case-law cited by the Commission in the contested decision (recital 1158), an operator cannot be described as a potential competitor unless its potential entry could take place sufficiently quickly to form a constraint on market participants and thus exert competitive pressure on them (judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 189; see also, to that effect, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 114). That case-law refers to the Guidelines on the applicability of Article [101 TFEU] to horizontal co‑operation agreements (OJ 2001, C 3, p. 2; ‘the 2001 Guidelines on horizontal co‑operation agreements’) (see also the Guidelines on the applicability of Article 101 [TFEU] to horizontal co-operation agreements (OJ 2011, C 11, p. 1; ‘the 2011 Guidelines on horizontal co-operation agreements’)), which not only affirm the need for a sufficiently fast entry, but also set out indicative periods — of no more than one or three years, depending on the circumstances — that may constitute a sufficiently fast entry, on the basis on other guidelines as well as the Block Exemption Regulations.
57 However, as stated in both those guidelines (footnote 9 of the Guidelines on horizontal co‑operation agreements of 2001 and footnote 3 of the Guidelines on horizontal co‑operation agreements of 2011) and the case-law (see, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 171 and 189), these periods are indicative only and the concept of ‘sufficiently fast’ entry depends on the facts of the case at hand and its legal and economic context, which must be taken into account in order to determine whether the undertaking outside the market exerts competitive pressure on the undertakings currently operating in that market (see, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 169).
(...)
65 (...) that among the factors capable of demonstrating the incumbent’s perception that there is potential competition, the very fact that an undertaking already present on the market seeks to enter into agreements with undertakings with similar activities in the same sector but which are not present on that market, and a fortiori the conclusion of such agreements, is particularly strong evidence (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 144). (...).
(...)
88 (...)that the classification of an undertaking as a potential competitor cannot be rejected merely because it is not able to enter a given market by itself, where it has the possibility of finding business partners through which it can access that market, or has already concluded an agreement with those business partners (see, to that effect, judgments of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 82 and 83 and the case-law cited, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 197 and 204).(...)"
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Mylan tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:907.
"113 Contrary to the applicants’ assertions, in the absence of any decisions finding an infringement and, a fortiori, of any final decisions in that respect and, thus, in the absence of any insurmountable barriers arising from those patents, the Commission rightly took account of the parties’ subjective perceptions of the patent litigation in order to determine whether the generic companies had real concrete possibilities of overcoming the patent-related barriers and entering the market (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 141). The assessments of the parties themselves concerning the possibilities of those patents being declared invalid or being infringed are liable to shed light on those parties’ intentions as regards, amongst other things, litigation. In particular, when those assessments are made by generic companies, they may contribute to establishing their intention — taking into account their subjective perception of the patents concerned — of entering the market, but not their ability to enter as such, since establishing the infringement and invalidity of patents falls within the exclusive competence of the national courts and the EPO (see paragraph 107 above and paragraph 172 below). Since intention is regarded as a relevant criterion for determining whether there are real concrete possibilities of entering the market (see paragraph 46 above), it follows that the parties’ subjective assessments may validly be taken into account for the purpose of establishing those possibilities. It must nevertheless be pointed out that, inasmuch as the intention of entering a market, while relevant for the purposes of verifying whether a company may be classified as a potential competitor, is used only on a supplementary basis (see also paragraph 46 above), those assessments are also used only on a supplementary basis in determining whether that company constitutes a potential competitor. They must therefore be compared with elements on the basis of which the ability to enter the market can be assessed as well as, where appropriate, other elements also capable of showing a company’s intentions as regards market entry, in order to determine whether it may be concluded that there are real concrete possibilities of overcoming the patent-related barriers (judgment delivered today, Servier and Others v Commission, T‑691/14, paragraph 384)."
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Mylan tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:907.
- "61 Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.
62 Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.
63 Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden.
(...)
74 In dit verband moet worden opgemerkt dat, hoewel het bestaan van potentiële mededinging tussen twee ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn, moet worden beoordeeld in het licht van de in punt 57 van dit arrest genoemde objectieve factoren, dit toch kan worden bevestigd door aanvullende gegevens [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 54], met inbegrip van subjectieve elementen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 42], voor zover die gegevens niet doorslaggevend zijn voor de uitgevoerde beoordeling.
75 Hieruit volgt dat de inaanmerkingneming van subjectieve gegevens om het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen twee of meer ondernemingen vast te stellen, niet kan worden uitgesloten, mits deze relatie niet uitsluitend of hoofdzakelijk door middel van dergelijke gegevens wordt aangetoond.
76 Dit geldt met name voor de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt, die relevant is om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 42 en 57]."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "123 It follows that punishing conduct covered in particular by Article 101(1) TFEU in no way presupposes that the undertakings concerned intended to infringe those competition rules. All that matters is knowing whether, objectively, they could, where necessary by taking appropriate advice (see, to that effect, judgment of 28 June 2005, Dansk Rørindustri and Others v Commission", C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P to C‑208/02 P and C‑213/02 P, EU:C:2005:408, paragraph 219), determine whether their conduct was anticompetitive.
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "69 Wat in de eerste plaats de relevantie van subjectief bewijsmateriaal betreft, heeft het Hof, overeenkomstig hetgeen in punt 63 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, reeds geoordeeld dat het bewijs van potentiële mededinging moet worden onderbouwd met een geheel van onderling overeenstemmende feitelijke gegevens, waarbij er rekening wordt gehouden met de structuur van de markt en met de economische en juridische context die de werking ervan beheerst. Een subjectieve aanwijzing, zoals de loutere wil van de onderneming die niet op de markt in kwestie aanwezig is om deze markt te betreden of het beeld over die onderneming dat leeft bij de reeds op die markt actieve onderneming, kan dus geen autonome, beslissende of onmisbare aanwijzing vormen om potentiële mededinging aan te tonen.
70 Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, staat er niettemin niets aan in de weg dat subjectief bewijsmateriaal in aanmerking wordt genomen om objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te onderbouwen, en aldus het bewijs te versterken dat er reële en concrete mogelijkheden bestaan om de markt in kwestie te betreden.
71 Wat meer in het bijzonder de perceptie betreft die een reeds op de markt aanwezige onderneming heeft van de onderneming waarmee zij een overeenkomst heeft gesloten die erin voorziet dat laatstgenoemde onderneming buiten die markt wordt gehouden, zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal dit heeft gedaan in punt 73 van zijn conclusie, dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst een sterke aanwijzing vormt dat er sprake is van potentiële mededinging. Mochten de partijen bij een niet-concurrentieovereenkomst elkaar niet beschouwen als potentiële concurrenten, zouden zij in beginsel geen enkele reden hebben om een dergelijke overeenkomst te sluiten. Deze aanwijzing kan dus nuttig zijn om objectieve gegevens te staven die aantonen dat er voor de niet op de markt aanwezige onderneming reële en concrete mogelijkheden zijn om die markt te betreden.
72 Wat in de tweede plaats de activiteiten – vóór de ondertekening van de aan de orde zijnde overeenkomst – betreft van de entiteiten van de groep waarvan deze onderneming deel uitmaakt, alsook de activiteiten van deze onderneming op de markt in kwestie en op de upstream- en aanverwante markten, moet worden geoordeeld dat dergelijke factoren ook in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van potentiële mededinging. Het is juist dat het bestaan van reële en concrete mogelijkheden om de markt in kwestie te betreden, moet worden beoordeeld ten tijde van de sluiting van de betreffende overeenkomst, zodat aanwijzingen over omstandigheden die zich na het sluiten van die overeenkomst hebben voorgedaan, logischerwijs zijn uitgesloten. Hetzelfde geldt echter niet voor de eerdere economische activiteiten op de markt in kwestie of op de upstream- of aanverwante markten van entiteiten van de groep waartoe de niet op die markt aanwezige onderneming behoort of van deze onderneming op deze markten. Dergelijke activiteiten kunnen met name relevant zijn om eventuele toetredingsdrempels of de structuur van de markt te bepalen, of aanwijzingen vormen voor een potentiële levensvatbare economische strategie om de markt in kwestie te betreden.
73 In casu merkt de verwijzende rechter op dat Sodesa, waarover de Sonae-groep en Endesa – de gevestigde onderneming op de Spaanse markt voor de productie en levering van elektriciteit – gezamenlijk zeggenschap hadden, in Portugal actief was op de markt voor de levering van elektriciteit van 2002 tot en met 2008. Voorts heeft de Sonae-groep via een van haar entiteiten een onderneming verworven die eigenaar en exploitant was van een warmte-krachtkoppelingscentrale. Bovendien produceerde Modelo Continente ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst elektriciteit door middel van mini- en micro-installaties op het dak van haar verkoopruimten en verkocht zij deze elektriciteit aan de noodleverancier. Wat ten slotte verwante markten betreft, wijst de rechter er ook op dat Modelo Continente met een distributeur van vloeibare brandstoffen een overeenkomst voor wederzijdse kortingen heeft gesloten die vergelijkbaar is met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst.
74 Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet in dit verband worden geoordeeld dat er rekening kan worden gehouden met de economische activiteiten van de verschillende entiteiten van de groep op de markt in kwestie van vóór de ondertekening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst, aangezien zij relevante feitelijke elementen vormen die kunnen duiden op potentiële mededinging, los van de vraag of de Sonae-groep als één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht kon worden beschouwd. Naast het feit dat er sprake is van de mogelijke ontwikkeling of overdracht van knowhow die nuttig is om de markt in kwestie te betreden, kunnen dergelijke gegevens met name relevant zijn om te beoordelen of het voor de betrokken onderneming economisch haalbaar zou kunnen zijn om die markt te betreden. Dit kan met name het geval zijn wanneer de onderneming reeds heeft aangetoond dat zij in staat is haar sterke aanwezigheid op een bepaalde geografische markt te gebruiken om nieuwe activiteitensectoren te betreden via partnerschappen met ondernemingen die reeds actief zijn op de productmarkten in kwestie. In dezelfde zin kan rekening worden gehouden met de activiteiten van de betrokken onderneming op markten die verwant zijn met de markt in kwestie, indien daarmee kan worden aangetoond dat er voor die onderneming reële en concrete mogelijkheden zijn om die markt te betreden.
75 Wat in de derde plaats de relevantie betreft van de voorbereidende stappen van de betrokken onderneming om de markt in kwestie te betreden, is het zo dat deze, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geen opzichzelfstaand vereiste kunnen vormen om aan te tonen dat er sprake is van potentiële mededinging. Dergelijke stappen zijn namelijk enkel relevant voor zover zij nuttig kunnen zijn om aan te tonen dat de betrokken onderneming reële en concrete mogelijkheden had om de markt in kwestie te betreden. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat het noodzakelijk is dat wordt aangetoond dat de betrokken onderneming voorbereidende stappen heeft ondernomen om als potentiële concurrent op de markt in kwestie te worden beschouwd.
76 Hoe dan ook hangt het eventuele belang van dergelijke stappen om de markt in kwestie te betreden met name af van de structuur van deze markt en van de economische en juridische context die de werking ervan beheerst. Zo heeft het Hof in wezen geoordeeld dat dergelijke stappen belangrijk kunnen zijn wanneer deze markt, net als de geneesmiddelenmarkt, talrijke toetredingsdrempels heeft [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 43].
een onderneming die een netwerk van detailhandelaars in consumentengoederen beheert, op de elektriciteitsmarkt moet worden beschouwd als een potentiële concurrent van een elektriciteitsleverancier met wie zij een partnerschapsovereenkomst met een concurrentiebeding heeft gesloten, ook al is die onderneming ten tijde van de sluiting van die overeenkomst niet actief op die markt, wanneer aan de hand van een geheel van onderling overeenstemmende feitelijke gegevens, waarbij er rekening wordt gehouden met de structuur van de markt en met de economische en juridische context die de werking ervan beheerst, wordt aangetoond dat er voor die onderneming reële en concrete mogelijkheden bestaan om tot die markt toe te treden en de concurrentie aan te gaan met die leverancier."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "132 Indien de geldigheid van een octrooi ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging daarvan definitief zou zijn vastgesteld voor alle rechterlijke instanties die met deze vraag zijn belast, zou het inderdaad moeilijk voorstelbaar zijn dat aan andere elementen van de economische en juridische context die objectief kenmerkend zijn voor de concurrentieverhoudingen tussen de houder van die octrooien en een fabrikant van generieke geneesmiddelen, de gevolgtrekking kan worden ontleend dat zij nog in een potentiële concurrentieverhouding met elkaar staan. Wanneer geschillen over de geldigheid van het betrokken octrooi nog aanhangig zijn, staat het evenwel aan de administratieve autoriteit of de bevoegde rechter om alle relevante gegevens te onderzoeken alvorens tot de slotsom te komen dat die houder en die fabrikant geen potentiële concurrenten zijn, zoals volgt uit de in punt 102 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
(...)
178 Het feit dat ondernemingen een schikkingsovereenkomst inzake een octrooigeschil aangaan met daaraan gekoppeld een licentieovereenkomst die op datzelfde octrooi betrekking heeft, vormt op zich geen mededingingsbeperkende gedraging. Afhankelijk van hun inhoud en hun economische context kunnen dergelijke overeenkomsten echter een middel vormen dat het commerciële gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig kan beïnvloeden dat de mededinging op de markt waarop deze twee ondernemingen actief zijn, wordt beperkt of vervalst (zie naar analogie arrest van 17 november 1987, British American Tobacco en Reynolds Industries/Commissie, 142/84 en 156/84, EU:C:1987:490, punt 37).
179 Collusie valt alleen onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer aan verschillende voorwaarden is voldaan, die niet afhangen van het rechtskarakter ervan of van de juridische instrumenten voor de uitvoering ervan, maar van de verhouding tussen deze collusie en de mededinging. Aangezien de toepassing van deze bepaling berust op de beoordeling van de economische gevolgen van de betrokken gedragingen, mag in deze bepaling niet enig vooroordeel met betrekking tot een door haar rechtskarakter bepaalde groep overeenkomsten worden gelezen, aangezien elke overeenkomst moet worden beoordeeld aan de hand van haar specifieke inhoud en haar economische context, en met name in het licht van de situatie op de betrokken markt (zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 413, en 17 november 1987, British American Tobacco en Reynolds Industries/Commissie, 142/84 en 156/84, EU:C:1987:490, punt 40). Zoals de advocaat-generaal met name in punt 127 van haar conclusie heeft benadrukt, zou de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie ernstig worden ondermijnd indien de partijen bij mededingingsverstorende overeenkomsten zich aan de toepassing van artikel 101 VWEU zouden kunnen onttrekken door die overeenkomsten eenvoudigweg een bepaalde vorm te geven.
180 Naast het feit dat de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka in casu betrekking hebben op afzonderlijke markten en het feit dat de markten waarop de licentieovereenkomst met Krka betrekking heeft niet binnen de werkingssfeer van de inbreuk op artikel 101 VWEU vallen, moet worden benadrukt dat hoewel de sluiting door de octrooihouder van een schikkingsovereenkomst met betrekking tot een geschil met een fabrikant van generieke geneesmiddelen die van een inbreuk wordt beschuldigd, inderdaad de uitdrukking vormt van het intellectuele-eigendomsrecht van deze houder en deze sluiting hem in staat stelt zich met name tegen elke inbreuk te verzetten, neemt dit immers niet weg dat dit octrooi de houder ervan niet toestaat overeenkomsten te sluiten die in strijd zijn met artikel 101 VWEU [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 97]."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:549.
- "110 In het licht van die rechtspraak en de rechtspraak die in punt 81 van het onderhavige arrest wordt aangehaald moet worden vastgesteld dat uit de in punt 108 hierboven samengevatte redenering van het Gerecht geen onjuiste rechtsopvatting blijkt. Uit die rechtspraak volgt immers met name dat het bestaan van een octrooi dat een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging ervan beschermt en waarvan de geldigheid niet definitief door de rechter is vastgesteld – ook al maakt het ontegenzeglijk deel uit van de relevante context –, en dus a fortiori de perceptie die een fabrikant van generieke geneesmiddelen kan hebben van de kracht van dat octrooi, op zich niet doorslaggevend is bij de beoordeling of er een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen die fabrikant en de houder van dat octrooi.
111 Bovendien is de perceptie door een fabrikant van generieke geneesmiddelen van de kracht van een octrooi, zoals die blijkt uit actueel en betrouwbaar bewijs en niet uit zijn eigen beweringen, weliswaar een van de relevante factoren naast andere factoren – zoals de genomen voorbereidende stappen voor markttoetreding – om de intenties van die fabrikant en dus zijn eventueel vast voornemen om de markt te betreden te beoordelen, maar is die perceptie, die per definitie subjectief blijft, in beginsel niet relevant voor de vraag of hij in staat is om die markt daadwerkelijk te betreden, en evenmin voor de vraag of die toetreding objectief gezien op onoverkomelijke obstakels stoot.
(...)
118 Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, kan, anders dan Servier stelt, het feit dat administratieve stappen zijn ondernomen om een VHB voor een generiek geneesmiddel te verkrijgen, in aanmerking worden genomen om aan te tonen dat de fabrikant van dit geneesmiddel reële en concrete mogelijkheden had om de markt van het oorspronkelijke geneesmiddel te betreden. Gelet op de in punt 80 van het onderhavige arrest genoemde elementen zijn dergelijke stappen immers relevant voor het bewijs dat die fabrikant het vaste voornemen had en in staat was om tot die markt toe te treden.
(...)
120 Zoals in wezen blijkt uit dat punt 340 en zoals de advocaat-generaal in punt 103 van haar conclusie in essentie opmerkt, volstaat een uitstel van de toetreding als gevolg van dergelijke vertragingen op zich echter niet om eraan te twijfelen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen de hoedanigheid van potentiële concurrent heeft, met name wanneer hij stappen onderneemt om de moeilijkheden die de vertragingen hebben veroorzaakt, op te lossen. Wat van belang is, is namelijk of die fabrikant vanwege zijn vaste voornemen en zijn eigen vermogen om toe te treden, concurrentiedruk op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen blijft uitoefenen. Zoals uit punt 80 van het onderhavige arrest blijkt, moet, om te achterhalen of aan deze voorwaarden is voldaan, worden nagegaan of de fabrikant van generieke geneesmiddelen voldoende voorbereidende stappen heeft ondernomen om de betrokken markt te kunnen betreden binnen een zodanige periode dat de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen onder druk komt te staan. Zoals het Hof reeds heeft verduidelijkt, is het daarbij niet van belang of deze stappen daadwerkelijk tijdig zullen worden afgerond of dat zij succesvol zullen zijn (arrest van 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punt 84)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
- "124 Volgens deze rechtspraak is het zo dat wanneer de Commissie erin slaagt potentiële mededinging tussen twee ondernemingen aan te tonen op basis van een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen en zonder voorbij te gaan aan eventuele tegenbewijzen waarvan zij daadwerkelijk kennis heeft gekregen in het kader van het belastende en ontlastende onderzoek – met name tegenbewijzen van mogelijke belemmeringen voor toetreding tot de markt –, het aan die ondernemingen staat om het bestaan van een dergelijke mededinging te weerleggen door het tegenbewijs te leveren, hetgeen zij kunnen doen hetzij in de administratieve procedure, hetzij voor het eerst in het kader van het beroep voor het Gerecht (zie, wat dit laatste betreft, arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72). Een dergelijke bewijslast vormt geen ongerechtvaardigde omkering van de bewijslast en evenmin een probatio diabolica, aangezien het volstaat dat de betrokken ondernemingen het bewijs leveren van een positief feit, namelijk het bestaan van technische, reglementaire, commerciële of financiële moeilijkheden die naar hun mening voor een van hen onoverkomelijke obstakels vormen voor de toegang tot de markt. Wanneer dergelijk bewijs wordt geleverd, staat het aan de Commissie om na te gaan of haar analyse dat er sprake is van potentiële mededinging daardoor wordt ontkracht.
125 Indien de Commissie daarentegen zou moeten aantonen dat dergelijke moeilijkheden zich niet voordoen en er dus geen enkele onoverkomelijke hinderpaal is voor de toegang van een van de betrokken ondernemingen tot de markt, zou zij een probatio diabolica moeten leveren. Het Gerecht heeft overigens in punt 386 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat het bewijs van potentiële mededinging vaak bestaat uit interne gegevens van de betrokken ondernemingen, die het best door hen zelf kunnen worden verzameld.
(...)
126 Evenzo kan niet worden geoordeeld dat de in punt 124 van het onderhavige arrest beschreven bewijslast schending van het beginsel van behoorlijk bestuur oplevert op grond dat die bewijslast impliceert dat van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen wordt verlangd dat hij voor zijn verdediging bewijs overlegt dat niet in zijn bezit is maar berust bij de fabrikanten van generieke geneesmiddelen. Deze grief houdt immers geen rekening met het recht op toegang tot het dossier in mededingingszaken, dat tot doel heeft de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen vanaf de administratieve procedure kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij zich kunnen verdedigen. Dat recht op toegang tot het dossier impliceert dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid biedt om alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die relevant kunnen zijn voor haar verdediging. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltungs en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punten 261 en 262 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aldus moeten alle gegevens waarvan de Commissie in het stadium van de administratieve procedure kennis krijgt, met inbegrip van die welke door de fabrikanten van generieke geneesmiddelen worden overgelegd en die potentieel ontlastend zijn, worden opgenomen in het dossier waartoe de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen in beginsel toegang heeft, zodat deze de eventuele onoverkomelijke obstakels voor die fabrikanten van generieke geneesmiddelen kan vaststellen en zich daarop kan beroepen tijdens de administratieve procedure of voor het Gerecht."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
- "207 Volgens hetgeen in de punten 80 en 120 van het onderhavige arrest is uiteengezet met betrekking tot de relevantie – bij de beoordeling van potentiële mededinging – van de stappen voor het verkrijgen van VHB’s, heeft het Gerecht in punt 479 van het bestreden arrest terecht in herinnering gebracht dat de Commissie zich voor de vaststelling van het bestaan van potentiële mededinging kan baseren op het feit dat de fabrikant van het generieke geneesmiddel een VHB had aangevraagd en actief had deelgenomen aan de verleningsprocedure daarvoor. Het staat daarentegen aan die fabrikant om te bewijzen dat bepaalde problemen objectief gezien in de weg staan aan het verkrijgen van die vergunning.
208 Zoals de advocaat-generaal in punt 103 van haar conclusie opmerkt, staat het echter – op dezelfde wijze als de waarschijnlijke uitkomst van een lopend geding over de geldigheid van een octrooi niet doorslaggevend is voor de vraag of er sprake is van een potentiële concurrentieverhouding, zoals blijkt uit de in punt 81 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – niet aan de Commissie om de kans van slagen of de waarschijnlijke uitkomst van een door een dergelijke fabrikant bij de nationale autoriteiten ingeleide procedure voor het verlenen van een VHB te beoordelen op een tijdstip waarop die procedure loopt of nog liep. Bij gebreke van een beslissing die een einde maakt aan een dergelijke procedure, kunnen eventuele problemen die objectief gezien in de weg staan aan het verkrijgen van de aangevraagde vergunning, bijgevolg niet worden aangetoond met bewijzen aangaande twijfels die de bevoegde nationale autoriteiten, onverminderd hun eindbeslissing, hebben geuit over de kansen dat de procedure tot een vergunning leidt."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
nevenrestricties
89 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat wanneer een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt omdat zij geen invloed of een positieve invloed heeft op de mededinging, een beperking van de commerciële autonomie van één of meer partijen bij die transactie of die activiteit evenmin onder dit verbod valt indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is met de doelstelling ervan (zie in die zin met name arresten Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punten 19 en 20; Pronuptia de Paris, 161/84, EU:C:1986:41, punten 15‑17; DLG, C‑250/92, EU:C:1994:413, punt 35, en Oude Luttikhuis e.a., C‑399/93, EU:C:1995:434, punten 12‑15).
90 Wanneer het bestaan of de doelstellingen van de primaire transactie of activiteit in het gedrang komen bij gebreke van die beperking, moet de verenigbaarheid van die beperking met artikel 81 EG namelijk samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waarvan zij de nevenrestrictie vormt, ook al kan die restrictie – afzonderlijk beschouwd – op het eerste gezicht onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG lijken te vallen.
91 Ter bepaling of een mededingingsverstorende restrictie aan het in artikel 81, lid 1, EG neergelegde verbod kan ontsnappen omdat zij een nevenrestrictie vormt van een primaire transactie die de mededinging niet beperkt, moet worden nagegaan of deze transactie nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder de betrokken beperking. Anders dan rekwirantes betogen, leidt het feit dat die transactie bij gebreke van de beperking in kwestie gewoon moeilijker te realiseren is of minder winstgevend is er niet toe dat die beperking „objectief noodzakelijk” is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou immers erop neerkomen dat dit begrip wordt uitgebreid tot beperkingen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de primaire transactie. Een dergelijk resultaat zou afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 81, lid 1, EG vervatte verbod.
92 Deze uitlegging leidt niet tot verwarring tussen enerzijds de in de rechtspraak gestelde voorwaarden om een restrictie als nevenrestrictie te kunnen aanmerken voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG, en anderzijds het onmisbaarheidscriterium van artikel 81, lid 3, EG, op grond waarvan een verboden restrictie kan worden vrijgesteld.
93 Dienaangaande hoeft er enkel aan te worden herinnerd dat deze twee bepalingen andere doelstellingen nastreven en dat het laatstbedoelde criterium ziet op de vraag of een coördinatie tussen ondernemingen die duidelijk ongunstige gevolgen heeft voor de mededingingsparameters – zoals met name de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten of diensten – en die dus onder het in artikel 81, lid 1, EG bedoelde verbod valt, op grond van artikel 81, lid 3, EG niettemin onmisbaar kan worden geacht om de productie of de verdeling te verbeteren of de technische of economische vooruitgang te bevorderen, waarbij tegelijkertijd een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de consumenten ten goede komt. Zoals uit de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest blijkt, heeft het criterium van de objectieve noodzakelijkheid in de zin van diezelfde punten daarentegen betrekking op de vraag of het gevaar bestaat dat een primaire transactie of activiteit die niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt en waaraan een bepaalde restrictie van de commerciële autonomie ondergeschikt is, zonder die restrictie niet meer kan worden gerealiseerd of voortgezet.
HvJEU 11 september 2014, nr. C-382/12P, ECLI:EU:C:2014:2201 (MasterCard tegen Commissie)
108 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat het van belang is dat de contrafeitelijke hypothese, ongeacht in welke context of met welk doel zij wordt gebezigd, afgestemd is op de kwestie die zij geacht wordt op te helderen en dat de aanname waarop zij berust niet irrealistisch is.
109 De Commissie mag zich ter weerlegging van de stelling dat een bepaalde restrictie een nevenrestrictie is in de zin van de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest, dus baseren op het bestaan van realistische alternatieven die de mededinging minder beperken dan de restrictie in kwestie.
HvJEU 11 september 2014, nr. C-382/12P, ECLI:EU:C:2014:2201 (MasterCard tegen Commissie)
- "316 According to the settled case-law of the Court of Justice, recalled by the General Court in paragraph 315 of the judgment under appeal, in order to assess the existence of anticompetitive effects caused by an agreement between undertakings, it is necessary to compare the competitive situation resulting from that agreement and the situation that would exist in its absence (see, to that effect, judgments of 30 June 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, p. 250; of 11 September 2014, MasterCard and Others v Commission, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, paragraph 161; and 18 November 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, paragraph 74).
317 The purpose of that ‘counterfactual’ method is to identify, in the context of the application of Article 101(1) TFEU, the existence of a causal link between, on the one hand, an agreement between undertakings and, on the other, the structure or functioning of competition on the market within which that agreement produces its effects. That method thus makes it possible to ensure that characterisation as a restriction of competition by effect is reserved for agreements displaying not a mere correlation to a deterioration in the competitive situation of that market, but for those agreements that are the cause of that deterioration.
318 The raison d’être of the counterfactual method is that any attempt to identify such a relationship of cause and effect runs up against the fact that it is impossible, in practice, to observe the state of the market at the same time with and without the agreement concerned, as those two states are, by definition, mutually exclusive. It is therefore necessary to compare the observable situation, namely that resulting from that agreement, with the situation which would have arisen had that agreement not been adopted. That method therefore requires an observable situation to be compared with a scenario which, by definition, is hypothetical, in the sense that it has not materialised. When appraising the effects of an agreement between undertakings in the light of Article 101 TFEU, it is necessary to take into consideration the actual context in which that agreement is situated, in particular the economic and legal context in which the undertakings concerned operate, the nature of the goods or services affected, as well as the real conditions of the functioning and the structure of the market or markets in question. It follows that the counterfactual scenario, envisaged on the basis of the absence of that agreement, must be realistic and credible (see, to that effect, judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraphs 115 to 120).
319 It is therefore essential, for the correct application of the counterfactual method, to ensure that the comparison made is based on sound and verifiable grounds, as regards both the observed situation – that resulting from the agreement between undertakings – and the counterfactual scenario. In order to do so, the time reference point for making such a comparison must be the same for the situation observed and for the counterfactual scenario, since the anticompetitive nature of an act must be evaluated at the time when it was committed (see, to that effect, judgment of 6 December 2012, AstraZeneca v Commission, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, paragraph 110).
320 It follows that, in so far as the counterfactual scenario is intended to give a realistic picture of the market situation as it would have occurred in the absence of the agreement that was concluded, that scenario cannot be based on events subsequent to the date of conclusion of that agreement precisely because, on that date, those events had not occurred and, in the circumstances of the present case, could not occur in the future due to the existence of the Krka agreements (today’s judgment, Commission v Servier and Others, C‑176/19 P, paragraph 343).
321 Unlike the counterfactual scenario, the situation observed is that corresponding to the competitive conditions which exist at the time of conclusion of the agreement and which result from it. That situation is what actually occurred and it is therefore not necessary to rely on realistic assumptions in order to assess it. Accordingly, for the purposes of establishing an infringement of Article 101 TFEU, events subsequent to the conclusion of that agreement may be taken into account in order to assess that situation. However, in accordance with the case-law referred to in paragraph 319 of the present judgment, such events are relevant only in so far as they help to determine the competitive conditions obtaining at the time when that infringement was committed, as they result directly from the existence of that agreement.
(...)
327 It is true that, in the case of an agreement the implementation of which has changed the number or conduct of undertakings already present within the same market, the application of the counterfactual method may, from a practical point of view and depending on the factual circumstances, amount to a comparison between, on the one hand, the state of competition between those undertakings before the conclusion of that agreement and, on the other, the coordination between those undertakings brought about by the implementation of that agreement, which may be evidenced, where applicable, by events subsequent to its conclusion.
328 However, where an agreement leads not to a change but, on the contrary, to keeping unchanged the number or the conduct of competing undertakings already present within that market by postponing or delaying the entry of a new competitor to that market, a mere comparison between the situations found to exist on that market before and after the implementation of that agreement would be insufficient to support the conclusion that there has been no anticompetitive effect. In such a situation, the anticompetitive effect arises from the certain disappearance, as a result of that agreement, of a source of competition which, at the time that agreement was concluded, remains potential, in so far as it is exerted by an undertaking which, although not yet present on the market concerned, is nevertheless capable of affecting the conduct of the undertakings already present on that market because of the credible threat of its entering that market."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "148 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt omdat zij geen invloed heeft op de mededinging – in die zin dat zij niet mededingingsbeperkend werkt – een nevenrestrictie van de commerciële autonomie van een of meer partijen bij die transactie of die activiteit evenmin onder dit verbod valt indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is met de doelstelling ervan (zie in die zin arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Wanneer het bestaan of de doelstellingen van de primaire transactie of activiteit in het gedrang komen zonder die nevenrestrictie, moet de verenigbaarheid van die beperking met artikel 101 VWEU namelijk samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waarvan zij de nevenrestrictie vormt, ook al kan die restrictie – afzonderlijk beschouwd – op het eerste gezicht onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU lijken te vallen (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 70).
150 Om te bepalen of een mededingingsverstorende restrictie aan het in artikel 101, lid 1, VWEU neergelegde verbod kan ontsnappen omdat zij een nevenrestrictie vormt van een primaire transactie die de mededinging niet beperkt, moet worden nagegaan of deze transactie nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder de betrokken beperking. De omstandigheid dat die transactie zonder de restrictie in kwestie gewoon moeilijker te realiseren is of minder winstgevend is, leidt er niet toe dat die restrictie objectief noodzakelijk is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou er immers op neerkomen dat dit begrip wordt uitgebreid tot beperkingen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de primaire transactie. Een dergelijk resultaat zou afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 101, lid 1, VWEU vervatte verbod (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 71)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
Intellectuele eigendom - octrooi
- "26 DE COMMISSIE IS WELISWAAR NIET BEVOEGD OM DE OMVANG VAN EEN OCTROOI TE BEPALEN , DOCH ZULKS BETEKENT NIET DAT ZIJ LIJDELIJK MAG TOEZIEN , WANNEER DE OMVANG VAN HET OCTROOI VAN BELANG IS OM UIT TE MAKEN OF ER EEN INBREUK IS GEPLEEGD OP DE ARTIKELEN 85 OF 86 EEG-VERDRAG . OOK IN GEVALLEN WAARIN DE DOOR EEN OCTROOI VERLEENDE BESCHERMING HET VOORWERP VORMT VAN EEN PROCEDURE VOOR DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES , MOET DE COMMISSIE HAAR BEVOEGDHEDEN KUNNEN UITOEFENEN OVEREENKOMSTIG DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 17 .27 OVERIGENS WORDT DE POSITIE VAN EEN ONDERNEMING WAARTEGEN EEN PROCEDURE OP GROND VAN VERORDENING NR . 17 IS INGELEID , NIET GESCHAAD DOOR DE BEVINDINGEN VAN DE COMMISSIE . IN DE EERSTE PLAATS PREJUDICIEREN DIE BEVINDINGEN NIET OP DE LATERE UITSPRAKEN VAN NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES IN BIJ HEN AANHANGIG GEMAAKTE GESCHILLEN OVER OCTROOIRECHTEN ; IN DE TWEEDE PLAATS IS DE BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE VATBAAR VOOR TOETSING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE .28 BIJ DEZE TOETSING DIENT HET HOF ZICH TE BEPALEN TOT DE VRAAG OF , GELET OP DE SITUATIE RECHTENS IN DE STAAT WAAR HET OCTROOI IS VERLEEND , DE COMMISSIE DE OMVANG VAN DAT OCTROOI OP REDELIJKE WIJZE HEEFT BEOORDEELD . BIJGEVOLG MOET IN CASU WORDEN NAGEGAAN , OF DE COMMISSIE ZICH TERECHT OP HET STANDPUNT HEEFT GESTELD , DAT HET AAN WSI VERLEENDE DUITSE OCTROOI ENKEL BETREKKING HAD OP TUIG VOOR EEN ZEILPLANK , EN NIET OP EEN ZEILPLANKROMP ."
HvJ 25 februari 1986, nr. 193/83 (Windsurfing tegen Commissie), ECLI:EU:C:1986:75.
- "14 Volgens de Commissie moet een beding in een licentieovereenkomst betreffende de niet-betwisting van een recht van industriële eigendom in beginsel worden aangemerkt als een beperking van de mededinging. Een dergelijk beding zou echter verenigbaar zijn met artikel 85, lid 1, indien het voorkwam in een overeenkomst die een einde beoogt te maken aan een voor een rechterlijke instantie aanhangig geding, mits er aan het bestaan van het litigieuse industriële eigendomsrecht gerede twijfel bestaat, de overeenkomst geen andere bedingen bevat die de mededinging beperken, en het niet-betwistingsbeding betrekking heeft op het betwiste recht.
15 Het standpunt van de Commissie kan niet worden aanvaard. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verbiedt bepaalde „overeenkomsten" en maakt daarbij geen enkel onderscheid tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen, en overeenkomsten die een ander doel nastreven. Hierbij zij aangetekend, dat het oordeel over een dergelijke minnelijke regeling niet vooruitloopt op de vraag, of en in hoeverre een voor een nationaal gerecht tot standgekomen gerechtelijke schikking, die een rechterlijke uitspraak vormt, nietig kan zijn wegens schending van het communautaire mededingingsrecht.
16 Een niet-betwistingsbeding in een octrooi-licentieovereenkomst kan op grond van de juridische en economische context het karakter hebben van een mededingingsbeperking in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
17 Met betrekking tot die context zij aangetekend, dat er geen sprake is van een mededingingsbeperking, wanneer de licentie om niet is verleend, aangezien de licentienemer in dat geval niet te lijden heeft van de concurrentienadelen die samenhangen met de betaling van een vergoeding.
18 Een niet-betwistingsbeding in een overeenkomst betreffende een licentie onder bezwarende titel is evenmin beperkend voor de mededinging, indien de licentie betrekking heeft op een technisch achterhaald procédé waarvan de betrokken onderneming geen gebruik heeft gemaakt.
19 Mocht de nationale rechter tot de slotsom komen, dat het niet-betwistingsbeding in de overeenkomst betreffende de licentie onder bezwarende titel de handelingsvrijheid van de licentienemer beperkt, dan dient hij nog na te gaan of dit beding, gelet op de positie die de onderhavige ondernemingen op de markt voor de betrokken produkten innemen, de mededinging merkbaar kan beïnvloeden.
20 Ten slotte moet worden gepreciseerd, dat indien aan deze voorwaarde is voldaan, een overeenkomst waarbij wederzijds licenties worden verleend voor industriële eigendomsrechten die in verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap zijn beschermd, de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden zelfs indien de partijen bij de overeenkomst in dezelfde Lid-Staat zijn gevestigd.
(…)
Een niet-betwistingsbeding in een octrooi-licentieovereenkomst kan, naar gelang de juridische en economische context waarin het voorkomt, het karakter hebben van een beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Dit is echter niet het geval, wanneer bij de overeenkomst die het beding bevat, een licentie om niet is verleend en de licentienemer dus niet te lijden heeft van de concurrentienadelen die samenhangen met de betaling van een vergoeding, of indien de licentie onder bezwarende titel is verleend, maar betrekking heeft op een technisch achterhaald procédé waarvan geen gebruik werd gemaakt door de onderneming die zich heeft verbonden om het octrooi niet te betwisten."
HvJ 27 september 1988, nr. 65/86 (Bayer en Maschinenfabrik Hennecke tegen Heinz Süllhöfer), ECLI:EU:C:1988:448.
"124 Although the exclusive right conferred by a patent normally has the effect of keeping competitors away, since public regulations require them to respect that exclusive right (judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission, T‑321/05, EU:T:2010:266, paragraph 362), that competition-excluding effect concerns the actual competitors selling infringing products. A patent confers on its holder the exclusive right to use an invention with a view to manufacturing industrial products and putting them into circulation for the first time, as well as the right to oppose infringements (judgments of 31 October 1974, Centrafarm and de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, paragraph 9; of 14 July 1981, Merck, 187/80, EU:C:1981:180, paragraph 9; and of 16 July 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, paragraph 46), but does not, by itself, preclude operators from taking the necessary steps to be in a position to enter the relevant market following the expiry of the patent and, thus, exerting competitive pressure on the patent holder characteristic of the existence of potential competition before that expiry. Nor does it preclude operators from carrying out the actions necessary for the manufacture and marketing of a non-infringing product, as a result of which they may be regarded as actual competitors of the patent holder upon their market entry and, as the case may be, as potential competitors until that market entry (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 164).
125 Ruling on the appeal brought against the judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission (T‑321/05, EU:T:2010:266), the Court of Justice itself acknowledged, in its judgment of 6 December 2012, AstraZeneca v Commission (C‑457/10 P, EU:C:2012:770, paragraph 108), that potential competition could exist in a market even before the expiry of a patent. More specifically, the Court of Justice held, in paragraph 108 of that judgment — which, contrary to the intervener’s submissions at the hearing, is not merely obiter dictum, and to which the Commission referred in recitals 1165 and 1169 of the contested decision — that supplementary protection certificates which are intended to extend the protection conferred by a patent lead to significant exclusionary effects after the expiry of the patents, but that they were ‘also liable to alter the structure of the market by adversely affecting potential competition even before that expiry’, and that finding concerning the exertion of potential competition before the expiry of the patents was independent of the fact that the supplementary protection certificates at issue in that judgment had been obtained fraudulently or irregularly.
126 That is particularly the case in the pharmaceutical sector, in which, under the legislation governing the grant of the marketing authorisations required in order to market a medicinal product, the competent authorities may grant a marketing authorisation for a generic product even if the reference product is protected by a patent. It follows from Directive 2001/83/EC of the European Parliament and of the Council of 6 November 2001 on the Community code relating to medicinal products for human use (OJ 2001 L 311, p. 67), as amended, that marketing authorisation applications for generic products may be dealt with in a shortened procedure based on the results of tests and trials submitted in the marketing authorisation application for the originator product and that the data relating to these results may be used and allow, consequently, the grant of a marketing authorisation before the expiry of the patent on the originator product (Article 10 of Directive 2001/83; see also recitals 74 and 75 of the contested decision). Thus, the legislation on the marketing of pharmaceutical products itself states that a generic company can enter the market with a lawfully granted marketing authorisation or, at the very least, begin the procedure for obtaining the marketing authorisation, during the protection period of the originator undertaking’s patent.
127 Furthermore, the system of protection of patents is designed in such a way that, although patents are presumed to be valid from the date of their registration (judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission, T‑321/05, EU:T:2010:266, paragraph 362), that presumption of validity does not automatically imply that all products placed on the market are infringing (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 121 and 122). As the Commission rightly points out in the contested decision (recitals 1169 to 1171 of that decision), there is no presumption of infringement, since infringement must be established by a court. As can be seen from the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75, paragraph 52), if a private operator which holds a patent could substitute its own discretion for that of the competent authority as regards the existence of an infringement of its patent, it could use that discretion in order to extend the protection of its patent (see also recital 1171 and footnote 1642 of the contested decision).
128 Contrary to the intervener’s assertions, the Commission’s approach in that respect does not overturn the presumption of validity enjoyed by patents. The intervener relies on an erroneous reading of the contested decision, since the Commission indicated in that decision, in essence and correctly (see paragraphs 124 to 127 above), not that the patent was presumed invalid until the adoption of a court decision relating to its validity and to the existence of an infringement, but that, until the adoption of such a decision, the presumption of validity of the patent did not prevent an at risk market entry (see recitals 1171 and 1176 of the contested decision).
129 It should be noted that the same lack of a presumption of infringement applies where the patent in question has been declared valid by a competent authority. Since a patent does not, as such, prevent the market entry of actual or potential competitors, the declaration of validity of that patent, if it is not accompanied by a declaration of infringement, does not preclude such competition.
130 It is therefore possible for an operator to take the risk of entering the market with a product, including a product that potentially infringes the patent in force, and that at risk entry or launch (see inter alia recitals 75 and 1176 of the contested decision) could be successful, if the patent holder decides not to bring an infringement action or, in the event that such an action is brought, if that infringement action is dismissed (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 128 and 165).
131 It may also be noted in that regard that, contrary to the intervener’s assertions, the Commission was entitled to take the view, in recitals 1132 and 1169 of the contested decision, that patent challenges and decisions in relation to these patents constituted an ‘expression of competition’ as regards patents. In view of the risk of infringement to which all generic companies are exposed and the fact that private operators are not competent to determine whether infringement has occurred (see paragraph 127 above), litigation is one of the means by which generic companies can reduce that risk and enter the market, either by obtaining a declaration of non-infringement or by having the potentially infringed patent declared invalid (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 122). It also follows that, as long as the generic company has the possibility to bring litigation to challenge the patents concerned and thus clear a path to the market, it may be considered that those patents do not constitute insurmountable barriers to access and, accordingly, do not prevent potential competition from taking place."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"203 The Court of Justice has developed case-law in relation to various types of intellectual property rights intended to reconcile the competition rules with the exercise of these rights, without affecting their substance, by using the same reasoning as that which allows it to reconcile those rights and the free movement of goods. Thus, for the Court of Justice, the misuse of intellectual property rights must be penalised, but not the lawful exercise of those rights, which it defines on the basis of their specific subject matter, a concept which is used synonymously in the Court’s case-law with the concepts of the actual substance of those rights and the essential prerogatives of their proprietor. According to the Court of Justice, the exercise of the rights which form part of the specific subject matter of an intellectual property right thus concerns the existence of that right (see, to that effect, the Opinion of Advocate General Gulmann in RTE and ITP v Commission, C‑241/91 P, EU:C:1994:210, points 31 and 32 and the case-law cited). Nevertheless, the Court considers that the exercise of the exclusive right by the proprietor may, in exceptional circumstances, also give rise to conduct contrary to the competition rules (judgment of 6 April 1995, RTE and ITP v Commission, C‑241/91 P and C‑242/91 P, EU:C:1995:98, paragraph 50; see also, to that effect, judgment of 17 September 2007, Microsoft v Commission, T‑201/04, EU:T:2007:289, paragraph 691).
204 As regards patents, the Court of Justice has ruled that it is possible that the provisions of Article 101 TFEU may apply if the use of one or more patents, in concert between undertakings, should lead to the creation of a situation which may come within the concepts of agreements between undertakings, decisions of associations of undertakings or concerted practices within the meaning of Article 101(1) TFEU (judgment of 29 February 1968, Parke, Davis and Co., 24/67, EU:C:1968:11, p.110). It further considered, in 1974, that although the existence of rights recognised under the industrial property legislation of a Member State is not affected by Article 101 TFEU, the conditions under which those rights may be exercised may nevertheless fall within the prohibitions contained in that article and that this may be the case whenever the exercise of such a right appears to be the object, the means or the consequences of a restrictive agreement (judgment of 31 October 1974, Centrafarm and de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, paragraphs 39 and 40).
(...)
206 While it is not for the Commission or the General Court to rule on the validity of a patent, the existence of the patent must nevertheless be taken into account in the analysis carried out in the framework of the EU competition rules. The Court of Justice has already stated that although the Commission is not competent to determine the scope of a patent, it is still the case that it may not refrain from all action when the scope of the patent is relevant for the purposes of determining whether there has been an infringement of Article 101 or 102 TFEU, since even in cases where the protection afforded by a patent is the subject of proceedings before the national courts, the Commission must be able to exercise its powers in accordance with the provisions of Regulation No 1/2003, the Commission’s findings do not in any way pre-empt the determinations made later by national courts in disputes brought before them on the subject of patent rights and the Commission’s decision is subject to review by the EU judicature (judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission, 193/83, EU:C:1986:75, paragraphs 26 and 27).
207 Lastly, it must be noted that intellectual property rights are protected by the Charter of Fundamental Rights. Under Article 17(1) of the Charter of Fundamental Rights, to which the Treaty of Lisbon has conferred the same legal value as the Treaties (Article 6(1) TEU), ‘[e]veryone has the right to own, use, dispose of and bequeath his or her lawfully acquired possessions’, ‘[n]o one may be deprived of his or her possessions, except in the public interest and in the cases and under the conditions provided for by law, subject to fair compensation being paid in good time for their loss’ and ‘[t]he use of property may be regulated by law in so far as is necessary for the general interest’. Article 17(2) of the Charter of Fundamental Rights states, moreover, that ‘[i]ntellectual property shall be protected’. Consequently, the guarantees provided for in Article 17(1) of the Charter of Fundamental Rights, apply also to intellectual property. The Court of Justice has held that the recognition of intellectual property rights in the Charter of Fundamental Rights entails a need for a high level of protection of those rights and that it is necessary to strike a balance between maintaining free competition — in respect of which primary law and, in particular, Articles 101 and 102 TFEU prohibit abuses of a dominant position — and the requirement to safeguard intellectual-property rights, guaranteed by Article 17(2) the Charter of Fundamental Rights (see, to that effect, judgment of 16 July 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, paragraphs 42 and 58)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"209 First of all, it should be noted that, as the applicants and the intervener submit, it is a priori legitimate for the parties to a dispute relating to a patent to conclude a settlement agreement rather than pursuing litigation before a court. As the Commission rightly stated in recital 1102 of the contested decision, companies are generally entitled to settle litigation, including patent litigation, and those settlements often benefit the parties to the dispute and allow for a more efficient allocation of resources than if litigation were to be pursued to judgment. An applicant is not required to pursue litigation which it voluntarily initiated. It should be added that the judicial settlement of disputes, in addition to the fact that it generates a cost to society, cannot be regarded as the preferred and ideal route for conflict resolution. An increase in litigation before the courts may reflect failures or shortcomings which could be remedied in other ways or be dealt with by appropriate prevention actions. If the national systems for granting patents or that of the EPO were experiencing such difficulties, for example by being too liberal in granting protection to processes which are devoid of inventive character, those problems could not justify an obligation or even an incentive for undertakings to pursue patent disputes until a judicial outcome is reached.
(...)
214 It follows from all of the foregoing that, for the purposes of reconciling patent law and competition law in the particular context of settlements between parties to a patent dispute, a balance must be struck between, on the one hand, the need to allow undertakings to make settlements, the growth of which is favourable to society and, on the other hand, the need to prevent the risk of misuse of settlement agreements, contrary to competition law, leading to entirely invalid patents being maintained and, especially in the medicinal products sector, an unjustified financial burden for public budgets."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919. Zie ook Beschikking Commissie van 26 november 2020 (Cephalon), PbEU 2021 C 32/9.
"286 In order to establish whether or not a reverse payment, that is to say a transfer of value from the originator company to the generic company, constitutes an inducement to accept non-marketing and non-challenge clauses, it is necessary to examine, taking into account its nature and its justification, whether the transfer of value covers only costs inherent in the settlement of the dispute. In the contested decision, the Commission therefore rightly examined whether the value transfer corresponded to the specific costs of the settlement for the generic company (see recitals 1592 to 1599 of the contested decision).
287 If a reverse payment provided for in a settlement agreement containing clauses restrictive of competition is aimed at compensating costs borne by the generic company that are inherent in that settlement, that payment cannot in principle be regarded as an inducement. Because they are inherent in the settlement agreement, there is an implication that those costs are, as such, based on the recognition of the validity of the disputed patents which that settlement is intended to affirm by bringing to an end the challenges to that validity and the potential infringement of those patents. It therefore cannot be considered that such a reverse payment creates doubts as to whether that settlement is based on the parties’ recognition of the validity of the patent in question (see paragraphs 226 and 227 above). Nevertheless, a finding of an inducement and of a restriction of competition by object is not ruled out in such a case. It means however that the Commission must prove that the amounts corresponding to those costs inherent in the settlement, even if they are established and precisely quantified by the parties to that settlement, are excessive (see, to that effect, recitals 1338, 1465, 1600 and 1973 of the contested decision). Such a disproportion would demonstrate that the costs concerned are not inherently linked with the settlement and, accordingly, it could not be inferred from the reimbursement of those costs that the settlement agreement is based on the recognition of the validity of the patents at issue.
288 It may be considered that the costs inherent in the settlement of the dispute include, in particular, litigation expenses incurred by the generic undertaking in the context of the dispute between it and the originator company. These expenses were incurred solely for the purposes of the litigation concerning the validity or the infringement of the patents in question, which the settlement is intended to bring to an end on the basis of an agreement acknowledging the validity of the patents. The compensation of those costs is therefore directly linked to that settlement. Consequently, where the litigation expenses of the generic company are established by the parties to the settlement, the Commission can find them to be inducive only by showing that they are disproportionate. In that respect, amounts corresponding to litigation expenses which have not been proved, on the basis of specific and detailed documents, to be objectively indispensable for the conduct of the litigation — having regard inter alia to the legal and factual complexity of the issues dealt with and the generic company’s financial interest in the dispute — must be regarded as disproportionate.
289 By contrast, some costs incumbent upon the generic company are, a priori, too extraneous to the dispute and to its settlement to be regarded as inherent in the settlement of a patent dispute. Those include, for example, the costs of manufacturing the infringing products, corresponding to the value of the stock of those products, and research and development expenses incurred in developing those products. Such costs and expenses are a priori incurred independently of the occurrence of litigation and its settlement and do not represent losses because of that settlement, as is clear from, in particular, the fact that, despite the marketing of the products in question being prohibited under the settlement agreement in question, they are often sold on markets not covered by that agreement and the fact that the research in question may be used to develop other products. The same is true of sums which must be paid by the generic undertaking to third parties as a result of contractual commitments which were not undertaken in the context of the dispute (for example supply contracts). Such costs incurred in terminating contracts concluded with third parties or in compensating third parties are usually imposed by the contracts in question or are directly connected with those contracts, which, moreover, were concluded by the generic company concerned independently of any dispute with the originator company or its settlement. It is therefore for the parties to the agreement in question, if they do not wish the payment of those costs to be regarded as an inducement, and indicative of a restriction of competition by object, to demonstrate that those costs are inherent in the dispute or in its settlement, and then to justify the amount. They could also, to the same end, invoke the insignificant amount of the repayment of those costs which are a priori not inherent in the settlement of the dispute, showing that that amount is insufficient to constitute a significant inducement to accept the clauses restricting competition stipulated in the settlement agreement in question (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 360)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"110 Allereerst moet worden benadrukt dat de Commissie de Biogaran-overeenkomst in het bestreden besluit heeft beschouwd als een door Servier aan Niche aangeboden stimulans, boven op de stimulans die van de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche uitging, om Niche ervan te overtuigen dat zij zou afzien van haar inspanningen om de markt van perindopril te betreden. De Biogaran-overeenkomst is volgens de Commissie een bestanddeel van de inbreuk die deze schikkingsovereenkomst vertegenwoordigt, die een mededingingsbeperking naar strekking vormt. Er kan dus pas sprake zijn van een inbreukmakend karakter indien de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche hetzelfde karakter vertoont. In die omstandigheden is het voor het onderzoek van het onderhavige beroep noodzakelijk om uiteen te zetten wat de juridische context is van de schikkingsovereenkomst waarmee de Biogaran-overeenkomst zou zijn verbonden.
111 In dat verband moet erop worden gewezen dat het ook mogelijk is dat een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil geen negatieve gevolgen voor de mededinging heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de partijen het erover eens worden dat het litigieuze octrooi niet geldig is en in de onmiddellijke markttoetreding van de generieke onderneming voorzien.
112 In de onderhavige zaak valt de overeenkomst tussen Servier en Niche niet binnen deze categorie, aangezien daarin een niet-betwistingsbeding en een verhandelingsverbod zijn opgenomen, die ipso facto mededingingsbeperkend zijn. Het niet-betwistingsbeding doet immers afbreuk aan het algemene belang bij opheffing van alle belemmeringen van de economische activiteit die het gevolg kunnen zijn van een ten onrechte verleend octrooi (zie in die zin arrest van 25 februari 1986, Windsurfing International/Commissie, 193/83, EU:C:1986:75, punt 92), en het verhandelingsverbod leidt tot marktuitsluiting van één van de concurrenten van de octrooihouder.
113 Het kan echter geoorloofd zijn dat dergelijke bedingen worden opgenomen, maar alleen wanneer dit erop is gebaseerd dat de partijen erkennen dat het octrooi in kwestie geldig is (en eventueel ook dat de generieke producten in kwestie inbreuk maken).
114 Wanneer een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding zijn opgenomen waarvan de draagwijdte beperkt is tot die van het octrooi in kwestie, is dit dan weer problematisch wanneer blijkt dat de generieke onderneming niet aan die bedingen is onderworpen omdat zij erkent dat het octrooi geldig is. Zo heeft de Commissie terecht opgemerkt dat „[z]elfs wanneer de beperkingen van de commerciële autonomie van de generieke ondernemingen in de overeenkomst niet verder gaan dan de materiële beschermingsomvang van het octrooi, [...] zij een inbreuk op artikel 101 [VWEU vormen] wanneer die beperkingen niet gerechtvaardigd kunnen worden of niet het resultaat zijn van de analyse van de partijen van de gegrondheid van het uitsluitende recht zelf” (overweging 1137 van het bestreden besluit).
115 In dit verband moet erop worden gewezen dat wanneer in het kader van een schikkingsovereenkomst sprake is van een „betaling in omgekeerde richting”, dat wil zeggen een betaling door de originatoronderneming aan de generieke onderneming, die onder dubbele verdenking staat. In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat het octrooi bedoeld is om de creatieve inspanning van de uitvinder te belonen door het voor hem mogelijk te maken passende winst uit zijn investering te halen. Een geldig octrooi moet dus in beginsel een waardeoverdracht aan de houder ervan mogelijk maken – bijvoorbeeld door een licentieovereenkomst – en niet een waardeoverdracht in omgekeerde richting. In de tweede plaats is er in geval van een betaling in omgekeerde richting een verdenking wat de vraag betreft of de minnelijke regeling erop is gebaseerd dat de partijen bij de overeenkomst de geldigheid van het octrooi in kwestie erkennen.
116 Uit het loutere voorhanden zijn van een betaling in omgekeerde richting kan echter niet worden opgemaakt dat sprake is van een beperking naar strekking. Het is namelijk niet uitgesloten dat sommige betalingen in omgekeerde richting gerechtvaardigd zijn wanneer zij inherent zijn aan de minnelijke regeling van het geschil in kwestie. Wanneer echter in het kader van een minnelijke regeling in een niet-gerechtvaardigde betaling in omgekeerde richting wordt voorzien, moet de generieke onderneming worden geacht er door deze betaling toe te zijn aangezet om zich aan het verhandelingsverbod en het niet-betwistingsbeding te onderwerpen, en is de conclusie op zijn plaats dat van een beperking naar strekking sprake is. In dat geval houden de mededingingsbeperkingen als gevolg van het verhandelingsverbod en het niet-betwistingsbeding niet langer verband met het octrooi en de minnelijke regeling, maar worden zij verklaard door de toekenning van een voordeel dat de generieke onderneming ertoe aanzet om van zijn inspanningen op concurrentiegebied af te zien.
117 Opgemerkt moet worden dat, hoewel noch de Commissie noch de Unierechter bevoegd is om over de geldigheid van het octrooi uitspraak te doen, dit niet wegneemt dat deze instellingen in het kader van hun respectieve bevoegdheden mogen vaststellen, zonder zich over de intrinsieke geldigheid van het octrooi uit te spreken, dat sprake is van abnormaal gebruik daarvan, dat geen verband houdt met het specifieke voorwerp ervan (zie in die zin arresten van 29 februari 1968, Parke, Davis and Co., 24/67, EU:C:1968:11, blz. 106 en 107, en 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punten 7 en 8; zie naar analogie ook arresten van 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C‑241/91 P en C‑242/91 P, EU:C:1995:98, punt 50, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punten 104‑106).
118 Het feit dat een concurrent wordt gestimuleerd om verhandelingsverboden en niet-betwistingsbedingen te aanvaarden, in de zin die hierboven in punt 116 is beschreven, of – de logische tegenhanger ervan – het feit dat een concurrent zich aan dergelijke bedingen onderwerpt omdat er een stimulans daartoe is, houden abnormaal gebruik van het octrooi in.
119 Zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet in overweging 1137 van het bestreden besluit, „[voorziet] het octrooirecht [...] niet in een recht om zijn daadwerkelijke of potentiële concurrenten te betalen om buiten de markt te blijven of ervan af te zien om een octrooi vóór de markttoetreding aan te vechten”. Nog steeds volgens de Commissie „[mogen] octrooihouders [...] de generieke ondernemingen niet betalen om hen van de markt te houden en de risico’s op concurrentiegebied te beperken, of dit nu in een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil is of op andere wijze” (overweging 1141 van het bestreden besluit). Tot slot heeft de Commissie daar op goede gronden aan toegevoegd dat „het betalen of anderszins stimuleren van potentiële concurrenten om buiten de markt te blijven, geen onderdeel uitmaakt[e] van de middelen waarin het octrooirecht voorziet om de octrooien te doen eerbiedigen” (overweging 1194 van het bestreden besluit).
120 Wanneer wordt vastgesteld dat er een stimulans is, kunnen de partijen zich er niet langer op beroepen dat zij in het kader van de minnelijke regeling erkennen dat het octrooi geldig is. Het is in dat verband van geen belang dat de geldigheid van het octrooi door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd.
121 In dat geval is het de stimulans en niet de erkenning van de geldigheid van het octrooi door de partijen bij de minnelijke regeling die als de werkelijke oorzaak van de mededingingsbeperkingen als gevolg van een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding moet worden gezien (zie punt 112 hierboven), die, aangezien zij in dat geval in het geheel niet geoorloofd zijn, zodanig schadelijk zijn voor de normale marktwerking dat dit volstaat om van de kwalificatie van beperking naar strekking uit te gaan.
122 Wanneer er een stimulans is, moeten de overeenkomsten in kwestie worden beschouwd als marktuitsluitingsovereenkomsten, waarin de blijvers de wegtrekkers een vergoeding betalen. Dergelijke overeenkomsten houden in werkelijkheid in dat de concurrentie wordt afgekocht en moeten dus als mededingingsbeperkingen naar strekking worden aangemerkt, zoals blijkt uit het arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers (C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 8 en 31‑34), en de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Beef Industry Development Society en Barry Brothers (C‑209/07, EU:C:2008:467, punt 75), die onder meer in de overwegingen 1139 en 1140 van het bestreden besluit zijn aangehaald. Bovendien is de uitsluiting van concurrenten van de markt een extreme vorm van marktverdeling en productiebeperking (arrest van 8 september 2016, Lundbeck/Commissie, T‑472/13, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:449, punt 435), die in een context als die van de litigieuze overeenkomsten nog schadelijker is omdat de uitgesloten ondernemingen generieke ondernemingen zijn waarvan de markttoetreding in beginsel bevorderend voor de mededinging is en bijdraagt tot het algemene belang bij zorg tegen de laagste kosten. Tot slot wordt die uitsluiting in de litigieuze overeenkomsten nog verstrekt (bedoeld is: versterkt", bew.) door de onmogelijkheid voor de generieke onderneming om het litigieuze octrooi aan te vechten.
123 Uit een en ander volgt dat de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking in de context van overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen veronderstelt dat er in de schikkingsovereenkomst zowel een voordeel is opgenomen dat als stimulans voor de generieke onderneming werkt als een daarmee samenhangende beperking van de inspanningen van die laatste om de originatoronderneming te beconcurreren. Wanneer aan die twee voorwaarden is voldaan, moet worden vastgesteld dat sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, gelet op de mate waarin een aldus gesloten overeenkomst schadelijk is voor de normale marktwerking.
124 Bij arresten van heden, Servier e.a./Commissie (T‑691/14) en Niche Generics/Commissie (T‑701/14), heeft het Gerecht geoordeeld dat aan die beide voorwaarden was voldaan. Meer in het bijzonder had de Commissie op goede gronden geoordeeld dat het bedrag van 11,8 miljoen GBP dat door Servier aan Niche is betaald op grond van de schikkingsovereenkomst tussen die twee ondernemingen, een stimulans was die bedoeld was om Niche van de markt te weren en dat deze overeenkomst een mededingingsbeperking naar strekking vormde.
(...)
131 De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aandragen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de gestelde inbreuken beperkingen van de mededinging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormen (zie arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Beklemtoond moet worden dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste kan voldoen (zie arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst moet soms worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P ent C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57).
134 Ofschoon bijvoorbeeld een parallellie in de gedragingen op zichzelf niet met een onderling afgestemde feitelijke gedraging mag worden gelijkgesteld, kan zij nochtans een ernstige aanwijzing voor een zodanige gedraging opleveren wanneer zij leidt tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normaal te achten marktvoorwaarden overeenkomen (arrest van 14 juli 1972, Farbenfabriken Bayer/Commissie, 51/69, EU:C:1972:72, punt 25).
135 Ook wanneer er een nevenovereenkomst is, (...), kan dit bij de minnelijke regeling van een octrooigeschil een ernstige aanwijzing zijn dat sprake is van een stimulans en dus een mededingingsbeperking naar strekking.
(...)
137 Verduidelijkt moet worden dat een nevenovereenkomst een gangbare commerciële overeenkomst is die „hoort” bij een overeenkomst tot minnelijke regeling van een geschil die bedingen bevat die zelf beperkend van aard zijn. Twee dergelijke overeenkomsten horen bij elkaar wanneer zij dezelfde dag zijn ondertekend, wanneer daar een juridisch verband tussen bestaat, wanneer de verbindende aard van een van de overeenkomsten afhankelijk is gesteld van de sluiting van de andere overeenkomst of wanneer de Commissie, gelet op de context waarin zij zijn gesloten, kan bewijzen dat zij onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Daaraan kan worden toegevoegd dat hoe dichter bij elkaar de overeenkomsten in de tijd worden gesloten, hoe eenvoudiger het voor de Commissie zal zijn om het bewijs te leveren dat zij onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het feit dat de schikkingsovereenkomst en de nevenovereenkomst op dezelfde dag worden gesloten of dat er een contractueel verband daartussen bestaat, is een aanwijzing die erop duidt dat deze overeenkomsten binnen een en hetzelfde contractuele geheel passen. Indien deze overeenkomsten niet op dezelfde dag werden gesloten (en er geen contractueel verband daartussen was), zou een van de partijen in de onderhandelingen de andere partij immers alles wat zij verlangt kunnen toekennen, zonder dat zij de zekerheid heeft dat de verwachte tegenpresentatie haar uiteindelijk ook zal toekomen. Dit temporele dan wel juridische verband tussen de twee overeenkomsten vormt ook een aanwijzing dat daar gezamenlijk over is onderhandeld."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
"254 In deze context had Biogaran, ook al hadden de rechterlijke instanties van de Unie zich ten tijde van de inbreuk nog niet specifiek kunnen uitspreken over de schikkingsovereenkomst en een licentie van de soort die Servier, Niche en Biogaran zijn overeengekomen, zo nodig na deskundig advies te hebben ingewonnen, zich moeten realiseren dat het gedrag van de onderneming, waaraan zij met de Biogaran-overeenkomst heeft bijgedragen, onverenigbaar met de mededingingsregels van het Unierecht kon worden verklaard, met name gelet op de ruime draagwijdte die in de rechtspraak van het Hof aan de begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” wordt gegeven (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 43).
255 Biogaran had meer bepaald kunnen verwachten dat het feit dat haar moedermaatschappij Niche aan een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding had onderworpen, die ipso facto mededingingsbeperkend zijn, elke legitimiteit aan het opnemen van dergelijke bedingen in een schikkingsovereenkomst op octrooigebied ontnam. Het opnemen van dergelijke bedingen berustte immers niet op de erkenning door de partijen bij de overeenkomst dat het octrooi geldig was en wees derhalve op abnormaal gebruik van het octrooi dat geen verband met het specifieke voorwerp ervan hield (arrest van heden, Servier e.a./Commissie, T‑691/14). Bovendien had verzoekster ook kunnen verwachten dat het feit dat Niche een extra stimulans via de Biogaran-overeenkomst werd gegeven, de beperkende gevolgen van de met haar moedermaatschappij gesloten overeenkomst nog versterkte. Verzoekster had dus redelijkerwijs kunnen voorzien dat haar gedrag onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU viel (zie in die zin arresten van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 46, en 8 september 2016, Lundbeck/Commissie, T‑472/13, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:449, punt 764).
256 Daarenboven moet erop worden gewezen dat reeds ruim voor de datum van de sluiting van de twee overeenkomsten in de rechtspraak uitspraak was gedaan over de mogelijkheid om het mededingingsrecht toe te passen in omstandigheden die door de aanwezigheid van intellectuele-eigendomsrechten worden gekenmerkt (zie in die zin arrest van 8 september 2016, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie, T‑471/13, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:460, punten 314 en 315).
257 Zo heeft het Hof reeds in 1974 geoordeeld dat de in een wettelijke regeling van een lidstaat op het gebied van de industriële eigendom erkende rechten door artikel 101 VWEU weliswaar niet in hun bestaan worden geraakt, maar dat hun uitoefening niettemin onder de verboden van dit artikel kan vallen, en dat dit het geval kan zijn, telkens wanneer de uitoefening van zodanig recht te zien is als voorwerp, middel of gevolg van een mededingingsregeling (arrest van 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punten 39 en 40).
258 Vervolgens is het sinds het arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke (65/86, EU:C:1988:448), duidelijk dat minnelijk regelingen van octrooigeschillen als overeenkomsten in de zin van artikel 101 VWEU kunnen worden gekwalificeerd.
259 Bovendien moet worden benadrukt dat Niche, Servier en Biogaran bij de litigieuze overeenkomsten in werkelijkheid hebben beslist marktuitsluitingsovereenkomsten te sluiten (arrest van heden, Servier e.a./Commissie, T‑691/14). Hoewel het juist is dat het Hof pas in een na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten gewezen arrest heeft geoordeeld dat marktuitsluitingsovereenkomsten waarbij de blijvers de vertrekkers schadeloos stellen een mededingingsbeperking naar strekking vormde, heeft het niettemin gepreciseerd dat dit type overeenkomsten „duidelijk” strijdt met de in de mededingingsbepalingen van het Verdrag besloten voorstelling, volgens welke iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt zal voeren (arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 8 en 32‑34). Verzoekster kon er dus niet onkundig van zijn dat haar gedrag mededingingsverstorend was toen zij een overeenkomst als de Biogaran-overeenkomst sloot.
260 Hoewel het voor een buitenstaander als de Commissie inderdaad niet duidelijk kon zijn dat die overeenkomsten een inbreuk vormden, als gevolg van het feit dat de overeenkomst tussen Niche en Servier in de vorm van een minnelijke regeling betreffende een octrooi was gesloten en de Biogaran-overeenkomst zich liet aanzien als een licentie- en bevoorradingsovereenkomst, gold dat echter niet voor de partijen bij de overeenkomsten.
261 Gelet op de voorgaande overwegingen moet de conclusie luiden dat Biogaran, ook al was zij niet actief op de markt van perindopril die door de mededingingsbeperking is aangetast, redelijkerwijs kon voorzien dat het verbod van artikel 101 VWEU op haar kon worden toegepast."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
- "80 Hieruit volgt dat artikel 101, lid 1, VWEU, door bepaalde „overeenkomsten” tussen ondernemingen te verbieden, geen onderscheid maakt tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen en overeenkomsten die een ander doel nastreven (arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 15).
81 Zo kunnen schikkingsovereenkomsten waarbij een fabrikant van generieke geneesmiddelen die tot een markt wenst toe te treden, op zijn minst tijdelijk de geldigheid van een octrooi van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen erkent en zich daardoor ertoe verbindt om deze niet te betwisten en ook niet tot die markt toe te treden, mededingingsbeperkende gevolgen hebben (zie naar analogie arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 16), aangezien de betwisting van de geldigheid en de draagwijdte van een octrooirecht deel uitmaakt van de normale werking van de mededinging in sectoren waarin exclusieve rechten op technologie bestaan.
82 Evenzo kan een niet-betwistingsbeding met betrekking tot een octrooi, afhankelijk van de juridische en economische context waarvan het deel uitmaakt, de mededinging beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 16).
83 Bovendien heeft het Hof ook geoordeeld dat overeenkomsten waarbij concurrenten onderlinge feitelijke samenwerking welbewust in de plaats stellen van de risico’s van de mededinging, als „beperking naar strekking” zijn aan te merken (zie in die zin arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:64, punt 34).
84 Niettemin is het stellig mogelijk dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen die zich bevindt in de door de verwijzende rechter in de derde tot en met de vijfde vraag bedoelde situatie, na een inschatting van zijn kansen om in het gelijk te worden gesteld in de gerechtelijke procedure tussen hem en de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel, besluit om af te zien van toetreding tot de betrokken markt en in die context met de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel een schikkingsovereenkomst betreffende die procedure te sluiten. Een dergelijke overeenkomst kan echter niet in alle gevallen worden aangemerkt als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
85 Het feit dat een dergelijke overeenkomst gepaard gaat met monetaire of niet-monetaire waardeoverdrachten door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen ten gunste van een fabrikant van generieke geneesmiddelen, vormt geen voldoende reden om deze overeenkomst aan te merken als een „beperking naar strekking”, aangezien die waardeoverdrachten gerechtvaardigd kunnen blijken, namelijk specifiek en strikt noodzakelijk in het licht van de legitieme doelstellingen van de partijen bij de overeenkomst.
86 Dit kan met name het geval zijn wanneer de fabrikant van generieke geneesmiddelen van de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel bedragen ontvangt die daadwerkelijk overeenkomen met de vergoeding voor kosten of verstoringen van de normale bedrijfsgang in verband met hun geschil, of die overeenkomen met een vergoeding voor de onmiddellijke of latere daadwerkelijke levering van goederen of diensten aan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen. Dit kan eveneens het geval zijn wanneer de fabrikant van generieke geneesmiddelen afziet van de met name financiële verplichtingen die de octrooihouder jegens hem is aangegaan, zoals in het kader van een cross-undertaking in damages.
87 De kwalificatie als „beperking naar strekking” moet echter worden aanvaard wanneer uit de analyse van de betrokken schikkingsovereenkomst blijkt dat de waardeoverdrachten waarin die overeenkomst voorziet, uitsluitend worden verklaard door het commerciële belang van zowel de octrooihouder als de vermeende inbreukmaker om niet te concurreren op basis van verdienste.
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 114 van haar conclusie heeft opgemerkt, komt het sluiten van een overeenkomst waarbij een concurrent van de octrooihouder zich ertoe verbindt om niet tot de markt toe te treden en zijn betwisting van het octrooi stop te zetten in ruil voor de betaling van een aanzienlijk bedrag dat geen andere tegenprestatie heeft dan die verbintenis, er juist op neer dat deze houder bescherming wordt geboden tegen vorderingen tot nietigverklaring van zijn octrooi en dat een vermoeden wordt gecreëerd dat de producten die door zijn concurrent op de markt kunnen worden gebracht, onrechtmatig zijn. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst onder de uitoefening door de octrooihouder van zijn uit het voorwerp van het octrooi voortvloeiende prerogatieven valt. Dit geldt temeer daar het aan de overheid en niet aan particuliere ondernemingen staat om de naleving van de wettelijke voorschriften te verzekeren.
89 Van de sluiting van een dergelijke overeenkomst kan dus niet worden gezegd dat dit uitsluitend neerkomt op een erkenning vanwege de fabrikanten van generieke geneesmiddelen van de beweerdelijk geldige octrooirechten van de octrooihouder. Hoewel laatstgenoemde in hun voordeel een aanzienlijke waardeoverdracht verricht die geen andere tegenprestatie heeft dan hun verbintenis om niet tot de markt toe te treden en het octrooi niet meer te betwisten, wijst dit er bij gebreke van een andere plausibele verklaring op dat niet hun perceptie van de kracht van het octrooi, maar het vooruitzicht van die waardeoverdracht hen ertoe heeft aangezet af te zien van een markttoetreding en van betwisting van het octrooi.
90 Om te beoordelen of de waardeoverdrachten in een schikkingsovereenkomst als in het hoofdgeding, uitsluitend kunnen worden verklaard door het commerciële belang van de partijen bij die overeenkomst om geen mededinging op basis van verdienste te voeren, moet om te beginnen, zoals de advocaat-generaal in punt 120 van haar conclusie opmerkt, rekening worden gehouden met alle waardeoverdrachten tussen de partijen, ongeacht of zij monetair of niet-monetair zijn geweest.
91 Zoals de verwijzende rechter en de advocaat-generaal in de punten 120 en 170 tot en met 172 van haar conclusie overwegen, kan dit veronderstellen dat rekening wordt gehouden met indirecte overdrachten die voortvloeien uit bijvoorbeeld de voordelen die de fabrikant van generieke geneesmiddelen moet halen uit een met de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen gesloten distributieovereenkomst, die deze eerste fabrikant de mogelijkheid biedt om een eventueel gecontingenteerde hoeveelheid door de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen vervaardigde generieke geneesmiddelen te verkopen.
92 Vervolgens moet worden beoordeeld of het positieve saldo van de waardeoverdrachten van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen, zoals is overwogen in punt 86 van het onderhavige arrest, kan worden gerechtvaardigd door eventuele bewezen en rechtmatige tegenprestaties of toezeggingen van die fabrikant van generieke geneesmiddelen.
93 Indien dit niet het geval is, moet tot slot worden nagegaan of dit positieve saldo groot genoeg is om de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk ertoe aan te zetten van toetreding tot de betrokken markt af te zien.
94 Dienaangaande is, gelet op de onzekerheid over de uitkomst van die procedure, geenszins vereist dat de waardeoverdracht noodzakelijkerwijze groter is dan de winst die deze fabrikant van generieke geneesmiddelen zou hebben gerealiseerd indien hij in de octrooiprocedure in het gelijk zou zijn gesteld. Van belang is alleen het feit dat deze waardeoverdrachten voldoende voordelig zijn om de fabrikant van generieke geneesmiddelen ertoe aan te zetten af te zien van de toetreding tot de betrokken markt en om de betrokken fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen niet op basis van verdienste te beconcurreren.
95 Indien dat het geval is, moet de betrokken overeenkomst in beginsel worden aangemerkt als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
96 Een dergelijke conclusie kan niet van de hand worden gewezen op grond dat, ten eerste, de ondernemingen die dergelijke overeenkomsten hebben gesloten, zich beroepen ofwel op het feit dat schikkingsovereenkomsten als in het hoofdgeding de draagwijdte en de resterende geldigheidsduur van het octrooi waarop zij betrekking hebben niet overschrijden, en dus niet mededingingsverstorend zijn, ofwel op het feit dat de uit dergelijke overeenkomsten voortvloeiende beperkingen louter bijkomstig zijn in de zin van het arrest van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie (42/84, EU:C:1985:327).
97 Hoewel de sluiting door de octrooihouder van een schikkingsovereenkomst met een vermeende inbreukmaker die de draagwijdte en de resterende geldigheidsduur van het octrooi niet overschrijdt, inderdaad de uitdrukking vormt van het intellectuele-eigendomsrecht van de houder ervan en hem in staat stelt zich met name tegen elke inbreuk te verzetten (zie in die zin arrest van 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punt 9), neemt dit immers niet weg dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 114 van haar conclusie heeft opgemerkt en zoals in punt 79 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dit octrooi de houder ervan niet toestaat overeenkomsten te sluiten die in strijd zijn met artikel 101 VWEU.
98 Ten tweede is het feit dat er onzekerheid bestaat over de geldigheid van het octrooi, ongeacht of deze voortvloeit uit het bestaan van een ernstig geschil tussen de houder van dat octrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen, uit het bestaan van een gerechtelijke procedure die voorafgaat aan de sluiting van de betrokken schikkingsovereenkomst of uit het feit dat een nationale rechter een voorlopig bevel heeft uitgesproken waarbij de vermeende inbreukmaker wordt verboden om tot de markt toe te treden in ruil voor een door de betrokken octrooihouder aangegane cross-undertaking in damages, evenmin relevant om de kwalificatie als „beperking naar strekking” van de hand te wijzen.
99 Wanneer zou worden aanvaard dat op basis van dergelijke elementen de kwalificatie als „beperking naar strekking” terzijde wordt geschoven wanneer het gaat om een praktijk die in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging, zou dit de draagwijdte van dat begrip al te zeer beperken, ook al moet dit begrip strikt worden uitgelegd, zoals in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
100 Het is immers juist de onzekerheid over de uitkomst van de gerechtelijke procedure over de geldigheid van het octrooi van de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel en over het inbreukmakende karakter van de generieke versie van dit geneesmiddel, die, zolang zij duurt, bijdraagt tot het bestaan van een minstens potentiële mededingingssituatie tussen de twee partijen bij die procedure.
101 Zoals blijkt uit de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest, kan de onzekerheid over de uitkomst van deze procedure bovendien niet volstaan om een schikkingsovereenkomst waarvan niet is uitgesloten dat zij de in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte mate van schadelijkheid voor de mededinging kan bereiken, uit te sluiten van de kwalificatie als „beperking naar strekking”.
102 Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest reeds is aangegeven, zeggen het aan een octrooi verbonden vermoeden van geldigheid, net als het bestaan van een gerechtelijke procedure voorafgaand aan de sluiting van een schikkingsovereenkomst en het geven van een voorlopige gerechtelijke bevel door een nationale rechter, voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU niets over de uitkomst van een eventueel geschil over de geldigheid van dat octrooi, waarvan de rechter overigens niet meer kennis kan nemen als gevolg van het feit dat de houder van het werkwijzeoctrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen de overeenkomst hebben gesloten.
103 Ten slotte en in antwoord op de vijfde vraag, dient te worden opgemerkt dat wanneer de partijen bij deze overeenkomst zich beroepen op de voor de mededinging gunstige gevolgen van de overeenkomst, met deze gevolgen voor de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking” naar behoren rekening moet worden gehouden als elementen van de context van deze overeenkomst, zoals dit in punt 67 van het onderhavige arrest en in punt 158 van de conclusie van de advocaat-generaal in herinnering is gebracht, aangezien zij de algehele beoordeling van de mate van schadelijkheid van de collusie voor de mededinging en bijgevolg de kwalificatie als „beperking naar strekking” op de helling kunnen zetten.
104 Wanneer deze mededingingsbevorderende gevolgen in aanmerking worden genomen, niet met het doel om de kwalificatie als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU uit te sluiten, maar enkel om de objectieve ernst van de betrokken praktijk te vatten en bijgevolg de bewijsregels ervan af te bakenen, is dit geenszins in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke het Europese mededingingsrecht geen „rule of reason” kent, op grond waarvan de mededingingsverstorende en mededingingsbevorderende gevolgen van een overeenkomst tegen elkaar moeten worden afgewogen bij de kwalificatie ervan als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, bladzijden 516 en 517).
105 Deze inaanmerkingneming veronderstelt echter dat de mededingingsbevorderende gevolgen niet alleen bewezen en relevant zijn, maar ook specifiek zijn voor de betrokken overeenkomst, zoals met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten is vermeld door de advocaat-generaal in punt 144 van haar conclusie.
106 Zoals de advocaat-generaal in punt 166 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de loutere aanwezigheid van dergelijke mededingingsbevorderende gevolgen op zich bovendien niet leiden tot de uitsluiting van de kwalificatie als „beperking naar strekking”.
107 Gesteld dat deze gevolgen bewezen, relevant en specifiek voor de betrokken overeenkomst zijn, dan moeten zij nog voldoende groot zijn, zodat redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de betrokken schikkingsovereenkomst in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging en dus of zij naar strekking mededingingsverstorend is.
(...)
111 Gelet op het voorgaande, dient op de derde tot en met vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat als een overeenkomst die tot doel heeft de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden beschouwd een overeenkomst tot schikking van een aanhangige gerechtelijke procedure tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en een fabrikant van generieke geneesmiddelen die potentiële concurrenten zijn, over de geldigheid van een werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel waarvan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen houder is, en over het inbreukmakende karakter van een generieke versie van dit geneesmiddel, waarbij de fabrikant van generieke geneesmiddelen zich ertoe verbindt om gedurende de looptijd van de overeenkomst niet toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof en zijn vordering tot nietigverklaring van dit octrooi niet voort te zetten, in ruil voor waardeoverdrachten te zijnen gunste vanwege de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel:
– wanneer uit het geheel van beschikbare gegevens blijkt dat het positieve saldo van de waardeoverdrachten vanwege de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen uitsluitend wordt verklaard door het commerciële belang van de partijen bij de overeenkomst om geen mededinging op basis van verdienste te voeren,
– tenzij de betrokken schikkingsovereenkomst aangetoonde mededingingsbevorderende gevolgen heeft die redelijkerwijs twijfel kunnen doen rijzen over de vraag of die overeenkomst voldoende schadelijk is voor de mededinging."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "119 Hieruit volgt dat in een situatie als in het hoofdgeding de vaststelling van het contrafeitelijke scenario niet veronderstelt dat de verwijzende rechter een definitieve vaststelling doet met betrekking tot de kans dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen in de octrooiprocedure in het gelijk zou worden gesteld, of met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat een minder beperkende overeenkomst zou worden gesloten.
120 Het contrafeitelijke scenario heeft immers enkel tot doel de realistische gedragsmogelijkheden van deze fabrikant zonder de betrokken overeenkomst vast te stellen. Hoewel dat contrafeitelijke scenario dus niet onverschillig mag zijn voor de kans dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen in de octrooiprocedure in het gelijk wordt gesteld of voor de waarschijnlijkheid dat een minder beperkende overeenkomst zal worden gesloten, vormen deze factoren slechts enkele van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen wat de waarschijnlijke werking van de markt en de structuur van de markt zouden zijn indien de betrokken overeenkomst niet zou zijn gesloten.
121 Om aan te tonen dat schikkingsovereenkomsten als in het hoofdgeding potentiële of reële merkbare gevolgen voor de mededinging hebben, hoeft de verwijzende rechter bijgevolg niet vast te stellen hetzij dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen die partij was bij die overeenkomst, waarschijnlijk in het gelijk zou zijn gesteld in de octrooiprocedure, hetzij dat de partijen bij die overeenkomst waarschijnlijk een minder beperkende schikkingsovereenkomst zouden hebben gesloten.
122 Gelet op het voorgaande moet op de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat voor het bewijs dat een schikkingsovereenkomst als in het hoofdgeding potentiële of reële merkbare gevolgen voor de mededinging heeft, en dus als „beperking naar gevolg” kan worden gekwalificeerd, niet wordt verondersteld dat wordt vastgesteld dat zonder die overeenkomst hetzij de fabrikant van generieke geneesmiddelen die partij was bij die overeenkomst waarschijnlijk in het gelijk zou zijn gesteld in de octrooiprocedure, hetzij de partijen bij die overeenkomst waarschijnlijk een minder beperkende schikkingsovereenkomst zouden hebben gesloten."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "85 In any event, paragraphs 26 and 28 of the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75), cannot be understood as requiring the Commission to carry out the same analysis as that of the courts called upon to rule on the merits of patent actions, since paragraph 27 of that judgment states that the findings which the Commission may make do not in any way pre-empt the determinations made later by national courts in disputes brought before them on the subject of patent rights.
86 When deciding whether to characterise the agreements at issue as ‘restrictions by object’, it is also important to note that, contrary to what is argued by GUK, the General Court was entitled to take into account how the parties perceived their position with regard to patents and their chances of success in the event of litigation at the time they concluded the agreements at issue, as it did in paragraph 214 of the judgment under appeal, in accordance with both the principle that evidence may be freely adduced under EU law (judgment of 27 April 2017, FSL and Others v Commission, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, paragraph 38 and the case-law cited) and also with paragraph 26 of the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75), as is apparent from paragraph 250 of the judgment under appeal."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 588/16 P (Generics tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:242.
- "61 Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.
62 Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.
63 Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "130 Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het immers niet vereist dat de Commissie reeds overeenkomsten van hetzelfde soort heeft veroordeeld om deze overeenkomsten als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken, ook al vinden deze overeenkomsten plaats in een specifieke context zoals die van de intellectuele-eigendomsrechten."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
een concurrentiebeding dat is opgenomen in een zakelijke partnerschapsovereenkomst tussen twee op verschillende productmarkten actieve ondernemingen waarmee wordt beoogd om de verkoop van de producten van die beide ondernemingen verder uit te bouwen door een systeem van promoties en wederzijdse kortingen, niet kan worden beschouwd als een nevenrestrictie bij die partnerschapsovereenkomst, tenzij de uit dat beding voortvloeiende beperking objectief noodzakelijk is voor de uitvoering van die partnerschapsovereenkomst en evenredig is aan de doelstellingen ervan."
HvJ EU, 28 oktober 2023, nr. 331/21 (Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "59 Consequently, wherever an agreement to settle a dispute relating to the validity of a patent between a manufacturer of generic medicines and a manufacturer of originator medicines that holds that patent involves transfers of value by the manufacturer of originator medicines in favour of the manufacturer of generic medicines, it is necessary to ascertain, first, whether the net gain from those transfers may be fully justified by the need to compensate for the costs of or disruption caused by that dispute, such as the expenses and fees of the latter manufacturer’s advisers, or by the need to provide remuneration for the actual and proven supply of goods or services from the manufacturer of generic medicines to the manufacturer of the originator medicine (see, to that effect, judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraph 92).
60 The settlement of such a dispute implies that the manufacturer of generic medicines recognises the validity of the patent in question, since it waives its right to challenge it. It follows that it is only where a ‘reverse’ payment, by the manufacturer of originator medicines to the manufacturer of generic medicines, is by way of the reimbursement of such costs or of remuneration for the supply of such goods or services that it can be regarded as consistent with such recognition and, therefore, as capable of being justified in terms of competition.
(...)
64 Characterisation as a restriction of competition by object does not depend either on the form of the contracts or other legal instruments intended to implement such a collusive practice or on the subjective perception that the parties may have of the outcome of the dispute between them as to the validity of a patent. Only the assessment of the degree of economic harm of that practice to the proper functioning of competition in the market concerned is relevant.
(...)
67 It therefore follows from those principles that, in order to determine whether an agreement such as the Lupin agreement may be characterised as a restriction of competition by object, it is necessary, not to analyse each of its clauses separately, but to assess whether that agreement, taken as a whole, reveals a degree of economic harm to the proper functioning of competition in the market concerned which justifies such a characterisation. On account of the close links between the non-challenge and non-marketing clauses and those providing for a payment by Servier to Lupin in respect of the assignment and licensing of intellectual property rights, it was therefore essential to examine those clauses as forming a whole.
(...)
78 It must be observed, in that regard, that the concepts of the ‘normal value’ of the goods or services remunerated ‘at arm’s length’ by the manufacturer of originator medicines, on which the General Court relied in paragraphs 168 and 169 of the judgment under appeal, are intended, in essence, to distinguish between transfers of value which may be fully justified by the need to provide remuneration for the actual and proven supply of goods or services by the manufacturer of generic medicines, on the one hand, and transfers of value which, under the guise of providing remuneration for such supply of goods or services, in reality constitute consideration for the latter manufacturer’s decision not to enter the market, on the other, in accordance, in essence, with the case-law referred to in paragraphs 58 to 61 of the present judgment."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-144/19 P (Lupin tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:545.
- "147 However, instead of carrying out such an assessment of the collusive practice implemented by means of the Krka settlement and licence agreements in the light of its specific content and its economic impacts, the General Court, in paragraphs 179 to 199 of the judgment under appeal, developed criteria to identify, in a general and abstract manner, the conditions under which a combination of a patent dispute settlement agreement and a licence agreement relating to that patent may, in view of the legal characteristics of those agreements alone, be classified as a restriction of competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU. Applying those criteria to the Krka settlement and licence agreements, the General Court focused its analysis on the form and legal characteristics of those agreements, rather than examining their actual relationship with competition. It thus disregarded the principles governing the application and interpretation of Article 101(1) TFEU referred to in paragraphs 142 and 146 of the present judgment and vitiated paragraphs 179 to 208 of the judgment under appeal with illegality.
(...)
187 It must be held, in accordance with what has been held in paragraphs 69 and 94 of the present judgment, that, although the recognition of the validity of a patent which is the subject of a dispute between two parties may constitute a relevant factor in assessing whether, on the same market, the restrictions of competition brought about by a settlement agreement in that dispute may be mitigated or even neutralised by the conclusion, between those parties, of an agreement licensing that patent, that recognition is not, in itself, a decisive, or even relevant, factor in determining whether a collusive practice such as that attributed, by the decision at issue, to Servier and Krka, consisting of market sharing by means of a patent dispute settlement agreement which relates, inter alia, to markets covered by the geographic scope of the infringement, and of a licence agreement for that patent relating to markets which are not covered by it, may be classified as a restriction of competition by object."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "106 Admittedly, an agreement to settle a patent dispute may be concluded, with a legitimate aim and entirely lawfully, on the basis of the parties’ recognition of the validity of the patent in question, in the absence of any other circumstance constituting an infringement of Article 101 TFEU. Such an agreement can even include non-challenge and non-marketing clauses, the scope of which is limited to that of the patent in question, as the General Court held in paragraphs 257 and 262 of the judgment under appeal. Nevertheless, as can be seen from the next part of the General Court’s reasoning, in particular from paragraphs 258 to 275 of the judgment under appeal, characterisation of such an agreement as a restriction of competition by object also depends on other characteristics of that agreement and on the circumstances in which it was concluded, as a result of which the agreement can, if applicable, be regarded as revealing a sufficient degree of harm to competition.
(...)
119 The settlement of such a dispute implies that the manufacturer of generic medicines recognises the validity of the patent in question, because it waives the right to challenge it. It follows that it is only where a ‘reverse’ payment, by the manufacturer of originator medicines to the manufacturer of generic medicines, is by way of the reimbursement of such costs or of remuneration for the supply of such goods or services that it can be regarded as consistent with such recognition and, therefore, as capable of being justified in terms of competition.
(...)
125 It is also apparent from paragraph 294 of the judgment under appeal that, although the reimbursement by a manufacturer of originator medicines of the litigation expenses borne by a manufacturer of generic medicines in connection with a dispute between them that has been settled may be justified by the fact that those expenses are ‘inherent’ in that settlement, provided they are not excessive and therefore disproportionate, other expenses that are too ‘extraneous’ to the dispute and to its settlement cannot, in contrast, be regarded as inherent in that dispute and its settlement. The General Court found that it is for those undertakings, if they do not wish the payment of those costs by the patent holder ‘to be regarded as an inducement, and indicative of a restriction of competition by object, to demonstrate that those costs are inherent in the dispute or in its settlement, and then to justify the amount’.
126 As regards the reimbursement by the manufacturer of originator medicines of the value of the stock of infringing medicines, of the research and development costs incurred in developing those medicines and of any compensation that the manufacturer of generic medicines might possibly have to pay to third parties, as can be seen from paragraph 167 of today’s judgment in Servier and Others v Commission (C‑201/19 P), payments of that kind are the direct consequence not of the intention of the manufacturers of medicines to settle disputes between them concerning patents, but of the decision of the manufacturer of generic medicines not to enter the market for the medicinal product concerned. It follows that the General Court did not err in law, in paragraph 294 of the judgment under appeal by holding, in essence, that such a reimbursement cannot be regarded as being inherent in a settlement agreement such as the Niche agreement."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-164/19 P (Niche Generics tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:547.
- "167 Wat specifiek de vergoeding door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen betreft van de bedragen die de fabrikant van generieke geneesmiddelen eventueel aan derden zou moeten betalen, moet worden opgemerkt dat een dergelijke betaling, zoals de advocaat-generaal in punt 159 van haar conclusie in het gedeelte over de situatie van Niche heeft uiteengezet, niet het rechtstreekse gevolg is van de wil van de geneesmiddelenfabrikanten om hun octrooigeschillen in der minne te regelen, maar van het feit dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen ervan afziet om tot de markt van het betrokken geneesmiddel toe te treden. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 280 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen te oordelen dat de terugbetaling van dergelijke vergoedingen niet kan worden geacht inherent te zijn aan een schikkingsovereenkomst als de litigieuze overeenkomsten."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
Ongunstige beïnvloeding handel tussen lidstaten
- "60 Wil sprake zijn van een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, dan moet een overeenkomst volgens vaste rechtspraak op grond van een reeks van feitelijke en juridische gegevens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, invloed kan uitoefenen op het handelsverkeer tussen de lidstaten, en wel zo dat men moet vrezen dat zij de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten kan belemmeren. Die invloed mag voorts niet van zeer geringe betekenis zijn (arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten is in de regel het gevolg van een combinatie van verschillende factoren, die, elk afzonderlijk, niet per se beslissend hoeven te zijn. Om te onderzoeken of een mededingingsregeling de handel tussen lidstaten merkbaar beïnvloedt, moet zij worden onderzocht in haar economische en juridische context (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In dit verband sluit het feit dat een mededingingsregeling alleen de verhandeling van producten in één enkele lidstaat betreft, als zodanig niet uit dat de handel tussen lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een mededingingsregeling die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, naar haar aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg heeft, hetgeen de in het VWEU beoogde economische vervlechting doorkruist (zie in die zin arresten van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, EU:C:1975:160, punten 25 en 26, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat een mededingingsregeling die slechts een deel van het grondgebied van een lidstaat bestrijkt, in bepaalde omstandigheden de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden (zie in die zin arrest van 3 december 1987, Aubert, 136/86, EU:C:1987:524, punt 18)."
de omstandigheid dat een verticale overeenkomst tot vaststelling van minimumwederverkoopprijzen bijna het gehele, maar dus niet het volledige grondgebied van een lidstaat bestrijkt, er niet aan in de weg staat dat deze overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas-), ECLI:EU:C:2023:529.
Lid 2
Algemeen
- "3) Artikel 101, lid 2, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die vaststelt dat een bij een nationale regeling verbindend verklaarde verordening tot vaststelling van minimumbedragen voor advocatenhonoraria, in strijd is met het in artikel 101, lid 1, VWEU neergelegde verbod, moet weigeren om die nationale regeling toe te passen, ook wanneer de in deze verordening vastgestelde bedragen de reële marktprijzen van advocatendiensten weergeven."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Schadevordering
"NB Zie Richtsnoeren voor de nationale rechterlijke instanties over de wijze waarop het aan de indirecte afnemer doorberekende aandeel van de meerkosten wordt geraamd, PbEU 2019, C 267/4."
“23. In de derde plaats heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de artikelen 85, lid 1, van het Verdrag en 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (zie arresten van 30 januari 1974, BRT en SABAM, „BRT I”, 127/73, Jurispr. blz. 51, punt 16, en 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C-282/95 P, Jurispr. blz. I-1503, punt 39).
24. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat elke particulier zich in rechte op schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan beroepen, ook wanneer hij partij is bij een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen in de zin van deze bepaling.
25. Aangaande de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, zij er allereerst aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht, de volle werking van dat recht dient te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten dient te beschermen (zie met name arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 16, en 19 juni 1990, Factortame e.a., C-213/89, Jurispr. blz. I-2433, punt 19).
26 Aan de volle werking van artikel 85 van het Verdrag, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.
27. Een dergelijk recht maakt de communautaire mededingingsregels immers gemakkelijker toepasbaar, waardoor - vaak verborgen - overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden. In zoverre kunnen bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Gemeenschap.
28. In die omstandigheden kan niet a priori worden uitgesloten, dat een dergelijke vordering wordt ingediend door een partij bij een overeenkomst die in strijd met de mededingingsregels zou worden geacht.
29. Bij gebreke van een communautaire regelgeving ter zake is het echter een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen krachtens nationaal rechtgelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C-261/95, Jurispr. blz. I-4025, punt 27).
30. Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld, dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (zie met name arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/Raad en Commissie, 238/78, Jurispr. blz. 2955, punt 14; 27 februari 1980, Just, 68/79, Jurispr. blz. 501, punt 26, en 21 september 2000, Michaïlidis, C-441/98 en C-442/98, Jurispr. blz. I-7145, punt 31).
31 Mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd (zie arrest Palmisani, (…) (Bew.: arrest van 10 juli 1997, nr. C-261/95, Jurispr. p. I-4025), punt 27) staat het gemeenschapsrecht er evenmin aan in de weg dat het nationale recht een partij ten aanzien waarvan is vastgesteld dat zij in aanzienlijke mate verantwoordelijk is voor de verstoring van de mededinging, het recht ontzegt schadevergoeding te vorderen van haar contractpartij. Overeenkomstig een beginsel dat in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten wordt erkend en door het Hof reeds is toegepast (zie arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië, 39/72, Jurispr. blz. 101, punt 10) mag een justitiabele niet profiteren van zijn eigen onrechtmatig handelen, wanneer dit is komen vast te staan.
32 Tot de beoordelingsfactoren die in dit verband door de bevoegde nationale rechter in aanmerking kunnen worden genomen, behoren de economische en de juridische context waarin de contractpartijen zich bevinden alsmede, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht opmerkt, de respectieve onderhandelingspositie en het respectieve gedrag van beide contractpartijen.
33 Inzonderheid moet de bevoegde nationale rechter nagaan, of de partij die schade beweert te hebben geleden door het sluiten van een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen, zich ten opzichte van de wederpartij in een duidelijk zwakkere positie bevond, zodat haar vrijheid om over de clausules van bedoelde overeenkomst te onderhandelen alsmede haar vermogen om de schade te voorkomen of de omvang daarvan te beperken, met name door tijdig alle beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden, uiterst beperkt zo niet nihil zouden zijn geweest.
34 (...) de mogelijkheid, dat een overeenkomst in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag enkel op grond dat zij deel uitmaakt van een netwerk van soortgelijke overeenkomsten die een cumulatief effect op de mededinging hebben. In een dergelijk geval is het mogelijk dat de wederpartij van de houder van het netwerk niet in aanzienlijke mate verantwoordelijkis voor de schending van artikel 85, met name wanneer de voorwaarden van de overeenkomst haar in feite door de houder van het netwerk zijn opgelegd.”
HvJ 20 september 2001, nr. C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage en Crehan).
"60 Wat voorts de mogelijkheid betreft om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, zij eraan herinnerd dat afbreuk zou worden afgedaan aan de volle werking van artikel 81 EG, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 daarvan neergelegde verbod, indien niet eenieder vergoeding zou kunnen vorderen van de schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen (zie arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 26).
61 Bijgevolg kan eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 81 EG verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging.
62 Bij gebreke van communautaire regelgeving ter zake is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 27, en arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 29).
(...)
78 Een nationale bepaling krachtens welke de verjaringstermijn voor het indienen van een schadevordering begint te lopen op de dag waarop de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand is gekomen, zou de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de door die mededingingsregeling of gedraging veroorzaakte schade in de praktijk onmogelijk maken, met name wanneer de in deze nationale bepaling neergelegde termijn tevens kort is en deze termijn niet kan worden geschorst.
79 In een dergelijke situatie is het in geval van doorlopende of herhaalde inbreuken immers niet uitgesloten dat de verjaringstermijn al verstrijkt voordat de inbreuk is beëindigd, in welk geval het eenieder die schade heeft geleden na het verstrijken van de verjaringstermijn onmogelijk is beroep in te stellen.
80 Het is aan de nationale rechter om na te gaan of dit het geval is met de nationale bepaling in de hoofdgedingen. (...)
82 In dat verband is het aan de nationale rechter om na te gaan of een nationale bepaling krachtens welke de verjaringstermijn voor het indienen van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een ingevolge artikel 81 EG verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging, begint te lopen op de dag waarop deze mededingingsregeling of gedraging tot stand is gekomen, de uitoefening van het recht vergoeding van de geleden schade te vorderen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, inzonderheid wanneer de in deze nationale bepaling neergelegde termijn tevens kort is en niet kan worden geschorst.
(...)
93 In dat verband moeten allereerst, in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel, bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, in het kader van vorderingen uit hoofde van de communautaire mededingingsregels kunnen worden toegekend, voorzover zulks in het kader van soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde vorderingen mogelijk is (zie in die zin arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 90).
94 Het is evenwel vaste rechtspraak dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (zie met name arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/Raad en Commissie, 238/78, Jurispr. blz. 2955, punt 14, en 21 september 2000, Michaïlidis, C‑441/98 en C‑442/98, Jurispr. blz. I‑7145, punt 31, en arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald punt 30).
95 In de tweede plaats volgt uit het doeltreffendheidsbeginsel en het recht van eenieder om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, dat personen die schade hebben geleden niet alleen vergoeding moeten kunnen vorderen van de reële schade (damnum emergens), maar ook van gederfde winst (lucrum cessans), alsmede van rente.
96 De totale uitsluiting van winstderving als voor vergoeding in aanmerking komende schade kan immers in geval van schending van het gemeenschapsrecht niet worden aanvaard, omdat inzonderheid bij geschillen van economische of commerciële aard een dergelijke volledige uitsluiting van winstderving herstel van de schade feitelijk onmogelijk zou maken (zie arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 87, en arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C‑397/98 en C‑410/98, Jurispr. blz. I‑1727, punt 91).
97 Aangaande de betaling van rente heeft het Hof in punt 31 van het arrest van 2 augustus 1993, Marshall (C‑271/91, Jurispr. blz. I‑4367), eraan herinnerd dat de toekenning daarvan volgens de toepasselijke nationale regels een wezenlijk bestanddeel van schadeloosstelling vormt.
(...)
99 Overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel moeten derhalve in de eerste plaats, indien in het kader van nationale vorderingen die vergelijkbaar zijn met vorderingen op grond van de communautaire mededingingsregels bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, kunnen worden toegekend, deze vergoedingen ook kunnen worden toegekend in het kader van deze laatste vorderingen. Het gemeenschapsrecht belet de nationale rechter echter niet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden.
100 In de tweede plaats volgt uit het doeltreffendheidsbeginsel en het recht van particulieren om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, dat de personen die schade hebben geleden niet alleen vergoeding moeten kunnen vorderen van de reële schade (damnum emergens), maar ook van gederfde winst (lucrum cessans), alsmede van rente."
HvJ 13 juli 2006, nr. C-295/04 en C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi e.a.).
"23 Al kunnen de richtsnoeren van de Commissie gevolgen hebben voor de praktijk van de nationale mededingingsautoriteiten, het staat bij gebreke van een dwingende Unierechtelijke regeling ter zake dus aan de lidstaten om de nationale regels over het recht van toegang van gelaedeerden van een kartel tot documenten betreffende clementieprocedures vast te stellen en toe te passen.
24 Hoewel de lidstaten bevoegd zijn om deze regels vast te stellen en toe te passen, moeten zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht nemen (zie in die zin arrest van 12 november 2009, Commissie/Spanje, C‑154/08, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder mogen zij de toepassing van het Unierecht niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken (zie in die zin arrest van 16 juli 1998, Oelmühle en Schmidt Söhne, C‑298/96, Jurispr. blz. I‑4767, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en moeten zij specifiek op het gebied van het mededingingsrecht ervoor zorgen dat de regels die zij vaststellen en toepassen, de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU onverlet laten (zie in die zin arrest VEBIC, reeds aangehaald, punt 57).
25 Clementieprogramma’s zijn, zoals wordt betoogd door de Commissie en de lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, nuttige instrumenten bij de doeltreffende bestrijding teneinde inbreuken op de mededingingsregels op te sporen en te beëindigen, en zij dienen dus het doel van doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU.
26 De doeltreffendheid van deze programma’s kan evenwel worden aangetast wanneer documenten betreffende een clementieprocedure worden meegedeeld aan personen die een schadeactie wensen in te stellen, ook al verlenen de nationale mededingingsautoriteiten de clementieverzoeker volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de boete die zij hadden kunnen opleggen.
27 Het lijkt namelijk redelijk aan te nemen dat de mogelijkheid van een dergelijke mededeling degene die bij een schending van het mededingingsrecht is betrokken, ervan zal weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke clementieprogramma’s geboden mogelijkheid, met name gelet op de mogelijke uitwisseling van door hem vrijwillig verstrekte inlichtingen tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten krachtens de artikelen 11 en 12 van verordening nr. 1/2003.
(...)
30 Bij het onderzoek van een verzoek om toegang tot documenten betreffende een clementieprogramma van een persoon die schadevergoeding wenst te krijgen van een andere persoon die een dergelijk programma geniet, is het dus noodzakelijk ervoor te zorgen dat de toepasselijke nationale regels niet minder gunstig zijn dan voor soortgelijke interne vorderingen en niet aldus werken dat de verkrijging van een dergelijke vergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (zie in die zin arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 29) en de belangen die de mededeling van de inlichtingen rechtvaardigen, worden afgewogen tegen de bescherming van de door de clementieverzoeker vrijwillig verstrekte inlichtingen.
31 Een dergelijke afweging kunnen de nationale rechters in het kader van het nationale recht slechts per geval verrichten met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak."
4.10. Het feit dat een moedervennootschap aansprakelijk is gesteld en een geldboete is opgelegd voor verboden gedragingen, die mogelijk geheel of ten dele zijn uitgevoerd door een dochtervennootschap, omdat zij alle aandelen houdt in die dochtervennootschap en die dochtervennootschap niet zelf haar marktgedrag bepaalt, impliceert niet zonder meer dat die dochtervennootschap ook zelf civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van die verboden gedragingen. In het bijzonder dwingt daartoe niet het Europeesrechtelijk beginsel dat de nationale wetgever en rechter bij schending van artikel 101 lid 1 VwEU ten behoeve van de gelaedeerden de volle werking van het in die bepaling gegeven recht op schadevergoeding dienen te verzekeren. De gelaedeerden kunnen immers voor die schadevergoeding de veroordeelde moeder aanspreken en zich vervolgens, zo nodig, via beslag op aandelen verhalen op de vermogensbestanddelen van de dochter.
Voor een eigen civielrechtelijke aansprakelijkheid is in beginsel vereist dat de dochtervennootschap ook zelfstandig een verwijt kan worden gemaakt. Dit is het geval indien kan worden aangenomen dat die dochter bekend was of geacht kan worden (globaal) bekend te zijn geweest met het bestaan van het kartel en de daar gemaakte afspraken, alsmede met het feit dat zij werd ingezet om die afspraken te implementeren.
Rechtbank Oost-Nederland 16 januari 2013, (Tennet/ABB), ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0403; AB 2013/55 m.n. B.J. Drijber
"30 (...) dat de nationale rechter, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid de nationale regels toe te passen die gelden voor het recht van inzage in de documenten van nationale procedures met betrekking tot een kartel door personen die menen dat zij door dit kartel zijn benadeeld, de belangen die de mededeling van de inlichtingen dan wel de bescherming ervan rechtvaardigen, tegen elkaar af moet wegen (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 30).
31 Deze afweging is noodzakelijk omdat elke strikte regel, zowel een absolute weigering inzage in de betrokken documenten te verlenen als algemene inzage in deze documenten – zeker op het vlak van de mededinging – de doeltreffende toepassing van met name artikel 101 VWEU en de rechten die daarbij aan particulieren worden verleend, kan aantasten.
32 Enerzijds moet worden geconstateerd dat een regel volgens welke inzage in elk stuk van een mededingingsprocedure moet worden geweigerd, de bescherming van het recht op vergoeding van personen die door een schending van artikel 101 VWEU zijn benadeeld, onmogelijk of ten minste uiterst moeilijk kan maken. Dat geldt met name indien deze personen enkel door middel van inzage in de stukken van het dossier van de procedure voor de bevoegde nationale mededingingsautoriteit over de bewijsmiddelen kunnen beschikken die nodig zijn om hun schadevordering te onderbouwen. Als deze personen geen enkele andere mogelijkheid hebben om zich deze bewijsmiddelen te bezorgen, verliest het recht op vergoeding dat zij rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen door de weigering om inzage in het dossier te verlenen immers elk nuttig effect.
33 Anderzijds is een regel van algemene toegang volgens welke elk stuk uit een mededingingsprocedure aan een verzoeker moet worden verstrekt op de enkele grond dat deze voornemens is een schadevordering in te stellen, om te beginnen niet nodig om een doeltreffende bescherming te verzekeren van het recht op schadevergoeding waarover de verzoeker beschikt. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de schadevordering gegrond moet worden op alle gegevens in het procesdossier. Bovendien zou deze regel kunnen leiden tot schending van andere rechten die het Unierecht toekent aan onder meer de betrokken ondernemingen, zoals het recht op bescherming van beroeps- of bedrijfsgeheimen, of aan de betrokken particulieren, zoals het recht op bescherming van persoonsgegevens. Tot slot zou een dergelijke algemene inzage ook schade kunnen toebrengen aan openbare belangen, zoals een doeltreffend beleid ter onderdrukking van schendingen van het mededingingsrecht, doordat het personen die bij een schending van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU zijn betrokken, ervan zou kunnen weerhouden samen te werken met de mededingingsautoriteiten (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 27).
34 Zoals het Hof al heeft uitgemaakt, volgt daaruit dat de nationale rechter de belangen die mededeling van de inlichtingen dan wel bescherming ervan rechtvaardigen in het kader van het nationale recht slechts per geval tegen elkaar kan afwegen, met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak (arrest Pfleiderer, punt 31).
35 Zoals de Oostenrijkse regering opmerkt, moet deze afweging weliswaar in het kader van het nationale recht plaatsvinden, maar mag dat recht niet aldus werken dat elke mogelijkheid deze belangen van geval tot geval te wegen voor de nationale rechter is uitgesloten.
36 Uit de verwijzingsbeslissing en alle bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat de enige voorwaarde voor inzage in het dossier van het kartelgerecht krachtens § 39, lid 2, KartG is dat geen van de partijen bij de procedure zich daartegen verzet.
37 In een dergelijke situatie beschikt de nationale rechter die moet beslissen op een verzoek om inzage in het dossier, over geen enkele mogelijkheid om de belangen die door het Unierecht worden beschermd tegen elkaar af te wegen. Deze rechter, die enkel bevoegd is om kennis te nemen van de toestemming of weigering van de partijen bij de procedure om de gegevens in dat dossier te verspreiden, kan niets doen om hogere algemene belangen of zwaarder wegende, gerechtvaardigde belangen van andere personen te beschermen, bijvoorbeeld om verstrekking van de gevraagde stukken toe te staan als slechts een van de partijen zich daartegen verzet.
38 Overigens blijkt uit de verwijzingsbeslissing tevens dat partijen bij een procedure voor het kartelgerecht zich zonder rechtvaardiging tegen inzage in het dossier kunnen verzetten. Daardoor blijft in de praktijk een risico bestaan dat elk verzoek om inzage stelselmatig wordt afgewezen, vooral indien het verzoek ziet op stukken waarvan de verspreiding in strijd is met de belangen van de partijen bij de procedure, waaronder stukken die bewijsmiddelen kunnen bevatten die kunnen dienen als grond voor een schadevordering en waarop de verzoeker niet langs andere wegen de hand kan leggen.
39 Daaruit volgt dat de regel van nationaal recht die in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van het recht op vergoeding dat benadeelden aan het Unierecht ontlenen, uiterst moeilijk kan maken, voor zover deze regel aan de procespartijen die inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU, de mogelijkheid laat te verhinderen dat personen die stellen dat zij door de schending van deze bepaling zijn benadeeld, inzage krijgen in de betrokken documenten, zonder rekening te houden met de omstandigheid dat deze personen mogelijk enkel door middel van inzage de nodige bewijsmiddelen kunnen verkrijgen om hun schadevordering te onderbouwen.
40 Deze uitlegging kan niet in twijfel worden getrokken door het argument van de Oostenrijkse regering dat een dergelijke regel onder meer noodzakelijk is voor stukken die door partijen in het dossier van de procedure zijn gevoegd in het kader van een clementieprogramma, om te waarborgen dat een dergelijk programma, en dus de toepassing van artikel 101 VWEU, doeltreffend is.
41 Zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt, mogen de lidstaten de inzage in het dossier niet aldus regelen dat openbare belangen, zoals een doeltreffend beleid ter onderdrukking van schendingen van het mededingingsrecht, worden aangetast.
42 In dat verband heeft het Hof erkend dat clementieprogramma’s nuttige instrumenten zijn bij de doeltreffende bestrijding teneinde inbreuken op de mededingingsregels op te sporen en te beëindigen, en dus het doel van doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU dienen, maar dat de doeltreffendheid van deze programma’s kan worden aangetast wanneer documenten betreffende een clementieprocedure worden meegedeeld aan personen die een schadevordering wensen in te stellen. Het lijkt namelijk redelijk aan te nemen dat de mogelijkheid van een dergelijke mededeling degene die bij een schending van het mededingingsrecht is betrokken, ervan zal weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke clementieprogramma’s geboden mogelijkheid (arrest Pfleiderer, punten 25‑27).
43 Hoewel deze overwegingen kunnen rechtvaardigen dat inzage in bepaalde stukken in het dossier van een nationale mededingingsprocedure wordt geweigerd, impliceren zij niet dat inzage stelselmatig kan worden geweigerd. Elk verzoek om inzage in de betrokken stukken moet per geval, met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak, worden beoordeeld (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 31).
44 In het kader van deze beoordeling is het aan de nationale rechter om enerzijds het belang te toetsen dat de verzoeker heeft bij inzage in de stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding, waarbij inzonderheid rekening wordt gehouden met de andere mogelijkheden die eventueel te zijner beschikking staan.
45 Anderzijds moet deze rechter rekening houden met de concrete nadelige gevolgen voor de openbare belangen of de gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden.
46 Inzonderheid met betrekking tot het openbare belang van een doeltreffend clementieprogramma, dat de Oostenrijkse regering in casu noemt, moet worden opgemerkt dat – gelet op het belang van de bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen voor de handhaving van daadwerkelijke mededinging in de Europese Unie (zie arrest Courage en Crehan, punt 27) – het enkele inroepen van een risico dat een clementieprogramma, in het kader waarvan deze documenten aan de bevoegde mededingingsautoriteit zijn verstrekt, aan doeltreffendheid zou inboeten door inzage in bewijsmiddelen in het dossier van een mededingingsprocedure die nodig zijn om vorderingen te onderbouwen, niet volstaat om weigering van inzage in deze gegevens te rechtvaardigen.
47 Aangezien een dergelijke weigering kan verhinderen dat deze vorderingen worden ingesteld, met als gevolg dat de betrokkenen ondernemingen, die mogelijk al (ten minste gedeeltelijke) immuniteit tegen geldboeten genieten, zich tevens kunnen onttrekken aan hun verplichting de schade te vergoeden die door de schending van artikel 101 VWEU is veroorzaakt, en dat ten koste van de benadeelden, moet deze weigering evenwel berusten op dwingende redenen die verband houden met de bescherming van het ingeroepen belang en van toepassing zijn op elk stuk waarin inzage is geweigerd.
48 Enkel het risico dat een bepaald stuk in concreto het openbare belang van een doeltreffend nationaal clementieprogramma aantast, kan rechtvaardigen dat dit document niet wordt verspreid."
HvJ EU 6 juni 2013, nr. C-536/11, ECLI:EU:C:2013:366 (Bundeswettbewerbsbehörde tegen Donau Chemie e;a.).
"27 In het hoofdgeding voert ÖBB-Infrastruktur aan dat de door haar geleden schade gedeeltelijk door het betrokken kartel is veroorzaakt, doordat de marktprijs door dit kartel op een zodanig hoog peil kon worden gehandhaafd dat de concurrenten die niet tot dat kartel behoorden, zelf profijt uit die hogere marktprijs hebben kunnen trekken voor zover die meer bedroeg dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, hetzij met betrekking tot hun winstmarge, hetzij wat simpelweg hun overleving betreft, ingeval hun kostenstructuur van dien aard was dat normale concurrentievoorwaarden tot hun verwijdering van de markt hadden kunnen leiden.
28 Niemand van de belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, betwist dat dit fenomeen van prijsafscherming („umbrella pricing”) in bepaalde omstandigheden als een van de mogelijke gevolgen van een kartel wordt erkend. Verzoeksters in het hoofdgeding betwisten daarentegen in hoofdzaak dat het recht van de Unie aldus kan worden uitgelegd dat op „umbrella pricing” gebaseerde schadevorderingen door dit recht worden aanvaard.
29 In dit verband moet erop worden gewezen dat de marktprijs een van de voornaamste gegevens is die door een onderneming in aanmerking worden genomen om de prijs vast te stellen waartegen zij haar producten of diensten aanbiedt. Wanneer een kartel erin slaagt om voor bepaalde producten een kunstmatig hoge prijs te handhaven en tegelijk is voldaan aan sommige marktvoorwaarden, die onder meer verband houden met de aard van het product of met de omvang van de markt waarover dit kartel zich uitstrekt, kan niet worden uitgesloten dat de concurrerende onderneming – als kartelbuitenstaander – ervoor kiest om de prijs van haar aanbiedingen op een hoger niveau vast te stellen dan zij in normale mededingingsvoorwaarden zou hebben gedaan, dat wil zeggen wanneer dit kartel niet bestond. Zelfs indien de vaststelling van de prijs waartegen een product wordt aangeboden, als een louter zelfstandige beslissing van de niet aan het kartel deelnemende onderneming moet worden beschouwd, dient in die context niettemin te worden geconstateerd dat deze beslissing mogelijkerwijs op basis van een door dit kartel vervalste marktprijs is genomen, en bijgevolg indruist tegen de mededingingsregels.
30 Anders dan Schindler Aufzüge und Fahrtreppen en Schindler Liegenschaftsverwaltung betogen, volgt hieruit dat het feit dat de afnemer van een onderneming die geen lid van een kartel is maar die economisch in staat wordt gesteld om een afgeschermde prijs vast te stellen, schade lijdt doordat hij een hogere koopprijs moet betalen dan de prijs die zonder dit kartel zou zijn toegepast, een van de mogelijke gevolgen van dat kartel is, waarvan de kartelleden niet onwetend kunnen zijn."
HvJ EU 5 juni 2014, nr. C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e;a./ÖBB-Infrastruktur AG).
"32 Het is juist dat het in beginsel, zoals in punt 24 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, aan de interne rechtsorde van elke lidstaat staat om de regels betreffende de toepassing van het begrip causaal verband vast te stellen. Uit de in punt 26 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat deze nationale regels de volle werking van het mededingingsrecht van de Unie dienen de garanderen (zie in die zin arrest VEBIC, EU:C:2010:739, punt 63). Aldus dienen deze regels specifiek rekening te houden met het doel dat door artikel 101 VWEU wordt nagestreefd, namelijk te waarborgen dat een doeltreffende en niet vervalste mededinging in de interne markt behouden blijft en de prijzen dus op basis van de vrije mededinging tot stand komen. In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat de nationale regels, zoals in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, eenieder het recht moeten verlenen om vergoeding van de geleden schade te vorderen.
33 Aan de volle werking van artikel 101 VWEU wordt echter afbreuk gedaan indien het nationale recht het recht van eenieder om vergoeding van de geleden schade te vorderen op categorische wijze en los van de specifieke omstandigheden van het concrete geval afhankelijk stelt van het bestaan van een rechtstreeks causaal verband en het dit recht volledig uitsluit wanneer de betrokkene geen contractuele band met een lid van het kartel had, maar wel met een niet aan dat kartel deelnemende onderneming waarvan het prijsbeleid nochtans het resultaat van dit kartel is en dat tot de vervalsing van de voor concurrerende markten geldende prijsvormingsmechanismen heeft bijgedragen.
34 Bijgevolg kan de benadeelde van een beschermde prijs („umbrella pricing”) vergoeding van de geleden schade van de leden van een kartel vorderen, ook al heeft hij geen contractuele band met hen, wanneer vaststaat dat dit kartel in de concrete omstandigheden van de zaak en met name gelet op de specifieke kenmerken van de betrokken markt ertoe kon leiden dat autonoom optredende derden een beschermde prijs toepasten en de kartelleden niet onwetend konden zijn van die omstandigheden en kenmerken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze voorwaarden zijn vervuld.
37 Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat artikel 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging en toepassing van het interne recht van een lidstaat volgens welke het om juridische redenen categorisch is uitgesloten dat de ondernemingen die bij een kartel zijn betrokken, civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor schade die voortvloeit uit het feit dat een niet aan dit kartel deelnemende onderneming, gelet op de praktijken van dat kartel, hogere prijzen heeft toegepast dan de prijzen die zij zonder kartel had kunnen hanteren."
HvJEU 5 juni 2014, nr. C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e;a. tegen ÖBB-Infrastruktur AG).HvJ EU 14 maart 2019; nrC-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska Industrial Solutions e.a.).
"24 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat een vordering zoals in het hoofdgeding, die ertoe strekt vergoeding te verkrijgen van schade als gevolg van vermeende inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 valt, en bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze verordening (zie in die zin arrest van 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑302/13, ECLI:EU:C:2014:2319, punt 38).
25 In de derde plaats dient er eveneens aan te worden herinnerd dat het Hof in zijn rechtspraak over artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 meermaals heeft geoordeeld dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden, als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 45; 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 28, en 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
30 Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt en onder voorbehoud van de feitelijke beoordeling die aan de verwijzende rechter toekomt, bestaat de door Tibor-Trans aangevoerde schade uit de extra kosten wegens kunstmatig hoge prijzen die voor vrachtwagens worden gehanteerd als gevolg van heimelijke afspraken die één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU vormen, welke inbreuk in de gehele EER plaatsvond tussen 17 januari 1997 en 18 januari 2011 en waar vijftien internationale vrachtwagenfabrikanten, waaronder DAF Trucks, aan deelnamen. Uit dat dossier blijkt ook dat Tibor-Trans de vrachtwagens niet rechtstreeks bij de deelnemers aan het betreffende kartel kocht, aangezien deze eerst werden verkocht aan Hongaarse vrachtwagendealers, die de prijsverhogingen aan de eindgebruikers, zoals Tibor-Trans, doorberekenden.
31 Wat de aard van de gestelde schade betreft, moet worden opgemerkt dat deze schade niet slechts een financieel gevolg is van de schade die de rechtstreekse kopers, zoals de Hongaarse dealers, hadden kunnen lijden, en die had kunnen bestaan in een daling van de verkoop als gevolg van de prijsverhogingen. In het hoofdgeding vloeit de schade daarentegen hoofdzakelijk voort uit de extra kosten als gevolg van de kunstmatig hoge prijzen en is de schade dan ook het rechtstreekse gevolg van de inbreuk op artikel 101 VWEU, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden.
(...)
33 Wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, moet de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 worden geacht zich in die lidstaat te bevinden (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 40).
34 Deze oplossing beantwoordt namelijk aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien, ten eerste, de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt, het best geplaatst zijn om dergelijke vorderingen tot schadevergoeding te onderzoeken en, ten tweede, een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan concurrentiebeperkende gedragingen, redelijkerwijs mag verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 40)."
"27 Het is eveneens van belang te benadrukken dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, zowel het waarborgen van de volle werking en het nuttig effect van artikel 101 VWEU als de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels aanzienlijk zou worden aangetast, als de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die door een kartel is ontstaan beperkt zou zijn tot leveranciers of afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. Hierdoor zouden immers potentiële slachtoffers op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.
(...)
31 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het in dit verband niet nodig dat de door de betrokken persoon geleden schade daarenboven een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde „beschermingsdoelstelling”, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij hebben kunnen veroorzaken.
32 Bijgevolg moeten personen die niet als leverancier of afnemer op de door het kartel beïnvloede markt actief zijn, vergoeding kunnen vorderen van schade die voortvloeit uit het feit dat zij wegens dat kartel hogere subsidies hebben moeten toekennen dan wanneer dat kartel niet had bestaan, en zij dit verschil dus niet voor meer lucratieve investeringen hebben kunnen gebruiken."
Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door een kartel beïnvloede markt, maar die subsidies hebben verstrekt in de vorm van stimuleringsleningen aan afnemers van op die markt aangeboden producten, kunnen vorderen dat de ondernemingen die aan dit kartel hebben deelgenomen, worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die deze personen hebben geleden omdat zij, aangezien het bedrag van deze subsidies hoger was dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, dit verschil niet voor andere, meer lucratieve doeleinden hebben kunnen gebruiken."
HvJ EU 12 december 2019, nr. C-435/18 (Otis e.a. tegen Land Österreich e.a.); ECLI:EU:C:2019:1069.
"Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat op de markt die wordt beïnvloed door heimelijke afspraken over prijzen en prijsverhogingen van goederen, de internationale en relatieve bevoegdheid om op grond van de plaats waar schade is ingetreden, kennis te nemen van een schadevordering wegens die met artikel 101 VWEU strijdige afspraken berust bij de rechter in wiens rechtsgebied de onderneming die stelt schade te hebben geleden, de goederen waarop die afspraken betrekking hebben, heeft gekocht, dan wel, wanneer die onderneming de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht, bij de rechter in wiens rechtsgebied de zetel van de onderneming is gevestigd."
"36 Naast de daadwerkelijke vergoeding van de gestelde schade draagt het ontstaan van een dergelijk recht namelijk bij tot de afschrikkende werking die de kern vormt van het optreden van de Commissie, die de verplichting heeft om een algemeen beleid te voeren dat erop is gericht op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het VWEU vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen (zie in die zin arrest van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, EU:C:1983:158, punt 105). Met dit recht kan dus niet alleen de door de betrokken persoon gestelde rechtstreekse schade worden hersteld, maar ook de indirecte schade die is toegebracht aan de structuur en de werking van de markt, die niet haar volle economische werking heeft kunnen ontplooien, met name ten gunste van de betrokken consumenten."
HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumai tegen Mercedes Benz Trucks Espana).
"44 Om die reden leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (zie in die zin betreffende de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot boeten, arresten van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 150, en 25 november 2020, Commissie/GEA Group, C‑823/18 P, EU:C:2020:955, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Niettemin moet ook worden opgemerkt dat de organisatie van ondernemingsgroepen die een economische eenheid kunnen vormen, zeer verschillend kan zijn, afhankelijk van de groep. Meer bepaald bestaan er ondernemingsgroepen van het type „conglomeraat”, die actief zijn in verschillende economische sectoren waartussen geen verband bestaat.
46 Bijgevolg kan het recht van het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging om in het kader van een schadevordering een dochteronderneming in plaats van de moedermaatschappij aansprakelijk te stellen, niet automatisch worden ingeroepen tegen elke dochteronderneming van de moedermaatschappij waarvan het inbreukmakende gedrag bij besluit van de Commissie wordt bestraft. Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het in artikel 101 VWEU gebruikte begrip „onderneming” immers een functioneel begrip, waarbij de economische eenheid die de onderneming vormt, moet worden bepaald op basis van het voorwerp van de betrokken overeenkomst (zie in die zin arresten van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, EU:C:1984:271, punt 11, en 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie, C‑179/12 P, EU:C:2013:605, punt 57).
47 Een en dezelfde moedermaatschappij kan dus deel uitmaken van meerdere economische eenheden die, naargelang van de betrokken economische activiteit, bestaan uit haarzelf en verschillende combinaties van haar dochterondernemingen die alle tot dezelfde ondernemingsgroep behoren. Anders zou een dochteronderneming die tot een dergelijke groep behoort, aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken die zijn gepleegd in het kader van economische activiteiten die geen verband houden met haar eigen activiteit en waarbij zij op geen enkele wijze, zelfs niet indirect, betrokken was.
48 Gelet op een en ander kan in het kader van een schadevordering die is gebaseerd op het bestaan van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU die door de Commissie bij besluit is vastgesteld, een juridische entiteit die in dat besluit niet is aangeduid als inbreukmaker op het mededingingsrecht, op die grond niettemin aansprakelijk worden gesteld voor het inbreukmakende gedrag van een andere juridische entiteit wanneer beide personen deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en aldus een onderneming vormen die de inbreuk heeft gepleegd in de zin van artikel 101 VWEU (zie in die zin arresten van 10 april 2014, Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 45, en 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 145).
(...)
50 Bijgevolg staat in beginsel niets eraan in de weg dat het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging een schadevordering instelt tegen een van de juridische entiteiten die de economische eenheid, en dus de onderneming, vormen die de door dat slachtoffer geleden schade heeft veroorzaakt door inbreuk te maken op artikel 101, lid 1, VWEU.
51 Wanneer is aangetoond dat een moedermaatschappij artikel 101, lid 1, VWEU heeft geschonden, kunnen slachtoffers van die inbreuk overeenkomstig de in punt 42 van het onderhavige arrest dus, in plaats van haar zelf, een dochteronderneming ervan civiel aansprakelijk laten stellen. Dat kan echter maar slagen indien het slachtoffer, hetzij op basis van een eerder door de Commissie krachtens artikel 101 VWEU vastgesteld besluit, hetzij met elk ander middel, in het bijzonder wanneer de Commissie in dat besluit op dat punt het stilzwijgen bewaart of nog geen besluit heeft genomen, bewijst dat die dochteronderneming en haar moedermaatschappij een economische eenheid vormden, gezien de economische, organisatorische en juridische banden als bedoeld in de punten 43 en 47 van het onderhavige arrest en het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld.
52 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een dergelijke schadevordering tegen een dochteronderneming veronderstelt dat de verzoeker, teneinde te doen vaststellen dat de moedermaatschappij en de dochteronderneming een economische eenheid vormen in de zin van de punten 41 en 46 van het onderhavige arrest, het bewijs levert van de in het vorige punt genoemde banden tussen deze vennootschappen en het in hetzelfde punt bedoelde concrete verband tussen de economische activiteit van deze dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld. In omstandigheden als die van het hoofdgeding moet het slachtoffer dus in beginsel aantonen dat de mededingingsverstorende overeenkomst die de moedervennootschap heeft gesloten en waarvoor zij is veroordeeld, dezelfde producten betreft als die welke de dochteronderneming verkoopt. Daarmee bewijst het slachtoffer dat juist de economische eenheid waartoe de dochteronderneming en haar moedermaatschappij samen behoren, de onderneming vormt die de door de Commissie eerder vastgestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU daadwerkelijk heeft begaan, overeenkomstig de in punt 46 van het onderhavige arrest gehanteerde functionele opvatting van het begrip „onderneming”.
53 Hieraan moet worden toegevoegd dat de vereisten van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aan de verweerder ten goede moeten komen in het kader van een schadevordering, die ertoe kan leiden dat deze partij ertoe wordt veroordeeld het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging schadeloos te stellen. De betrokken dochteronderneming moet haar rechten dan ook kunnen verdedigen overeenkomstig het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, dat een grondbeginsel van het Unierecht vormt (zie naar analogie arresten van 5 maart 2015, Commissie e.a./Versalis e.a., C‑93/13 P en C‑123/13 P, EU:C:2015:150, punt 94, en 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 57). Die dochteronderneming moet bij de betrokken nationale rechter dan ook alle middelen kunnen aanwenden die nodig zijn om haar rechten van verdediging op een zinvolle wijze uit te oefenen, met name om aan te vechten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als haar moedermaatschappij.
54 In dit verband moet die dochteronderneming haar aansprakelijkheid voor de gestelde schade kunnen weerleggen, met name door elke reden aan te voeren die zij had kunnen opwerpen indien zij betrokken was geweest bij de procedure die de Commissie tegen haar moedermaatschappij heeft ingeleid en die heeft geresulteerd in een besluit van de Commissie waarbij met artikel 101 VWEU strijdig inbreukmakend gedrag is vastgesteld (public enforcement).
55 In een situatie waarin een schadevordering echter berust op het feit dat de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft vastgesteld bij een besluit dat zij heeft gericht aan de moedermaatschappij van de verwerende dochteronderneming, kan deze laatste de aldus door de Commissie vastgestelde inbreuk echter niet betwisten voor de nationale rechter. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen nationale rechterlijke instanties, wanneer zij artikel 101 VWEU toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een besluit van de Commissie, immers geen beslissingen nemen die in strijd zijn met het door de Commissie vastgestelde besluit.
59 (...) Voor zover een besluit waarbij een door een onderneming gepleegde inbreuk wordt vastgesteld, is gericht aan een van de vennootschappen die op het moment dat de inbreuk werd gepleegd, deze onderneming reeds vormden, zodat die vennootschap en – via haar – deze onderneming in de gelegenheid zijn gesteld om die inbreuk te betwisten, kunnen de rechten van verdediging van de andere vennootschappen die deze onderneming vormden dus niet worden geschonden doordat het bestaan van die inbreuk in aanmerking wordt genomen in het kader van een latere schadevordering die wordt ingesteld door een persoon die schade heeft geleden ten gevolge van dat inbreukmakende gedrag, aangezien een dergelijke vordering er niet toe kan leiden dat aan die andere vennootschappen een straf zoals een geldboete wordt opgelegd.
60 Wanneer de Commissie het inbreukmakende gedrag niet heeft vastgesteld in een besluit op grond van artikel 101 VWEU, heeft de dochteronderneming van een moedermaatschappij waaraan een inbreuk wordt verweten daarentegen vanzelfsprekend het recht om niet alleen te betwisten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als haar moedermaatschappij, maar ook om te weerleggen dat de gestelde inbreuk werkelijk is begaan.
61 In de lijn van hetgeen in punt 51 van dit arrest is benadrukt, zij er voorts op gewezen dat, zoals de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft aangegeven en de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de mogelijkheid voor de betrokken nationale rechter om vast te stellen dat de dochteronderneming aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade niet wordt uitgesloten door het enkele feit dat de Commissie in voorkomend geval geen besluit heeft genomen of in het besluit waarbij de inbreuk is vastgesteld haar geen administratieve sanctie heeft opgelegd.
63 Overeenkomstig de in punt 42 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak kan de Commissie dus elke juridische entiteit van een onderneming die aan een inbreuk op artikel 101 VWEU heeft deelgenomen, vrijelijk aansprakelijk stellen voor een inbreuk en haar een geldboete opleggen. Uit het feit dat de Commissie een moedermaatschappij aanmerkt als de rechtspersoon die aansprakelijk kan worden gesteld voor de door een onderneming begane inbreuk, kan bijgevolg niet worden afgeleid dat een van haar dochterondernemingen geen deel uitmaakt van diezelfde onderneming die de verantwoordelijkheid voor die inbreuk moet dragen."
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging van een onderneming zonder onderscheid een schadevordering kan instellen tegen een moedermaatschappij die bij besluit van de Europese Commissie voor die gedraging is bestraft of tegen een dochteronderneming van deze maatschappij waartegen dat besluit niet is gericht, voor zover zij samen een economische eenheid vormen. De betrokken dochteronderneming moet haar rechten van verdediging op een zinvolle wijze kunnen uitoefenen om aan te tonen dat zij niet tot die onderneming behoort, en wanneer de Commissie geen besluit op grond van artikel 101 VWEU heeft vastgesteld, heeft zij tevens het recht om te betwisten dat het gestelde inbreukmakende gedrag zich heeft voorgedaan.
2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke een vennootschap uitsluitend aansprakelijk kan worden gesteld voor de gedragingen van een andere vennootschap indien zij over deze laatste zeggenschap heeft."
HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19 (Sumai tegen Mercedes Benz Trucks Espana), ECLI:EU:C:2021:800.
- "62 Teneinde de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen – met name in het kader van vorderingen tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU en schadevorderingen wegens inbreuk op de mededingingsregels die zijn ingesteld na een besluit van een nationale mededingingsautoriteit waartegen bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring is ingesteld, maar dat definitief is geworden na door deze rechterlijke instanties te zijn bevestigd en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – moet dan ook meer bepaald in het kader van procedures betreffende dergelijke vorderingen die zijn ingesteld bij een rechter van dezelfde lidstaat als die waar deze autoriteit haar bevoegdheden uitoefent worden geoordeeld dat de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht door die autoriteit het bestaan van die inbreuk aantoont tot bewijs van het tegendeel, dat de verwerende partij dient aan te leveren, voor zover de aard en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer ervan overeenstemmen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
63 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat voor de behandeling van dergelijke procedures het bestaan van een in een dergelijk besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie moet worden geacht te zijn aangetoond door de verzoekende partij tot het bewijs van het tegendeel, waardoor de in het artikel 2 van verordening nr. 1/2003 omschreven bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd, mits de aard en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale draagwijdte van de vermeende inbreuken waarop de door verzoekster ingestelde vorderingen betrekking hebben, overeenkomen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
64 Wanneer de inbreukpleger, de aard, de juridische kwalificatie, de duur en de territoriale omvang van de in dit soort besluit vastgestelde inbreuk slechts gedeeltelijk samenvallen met de inbreuk waartegen de betrokken vordering is ingesteld, zijn de vaststellingen in een dergelijk besluit bovendien niet noodzakelijkerwijs irrelevant, maar vormen zij een aanwijzing voor het bestaan van de feiten waarop die vaststellingen betrekking hebben, zoals de advocaat-generaal in punt 97 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt.
(...)
1) Artikel 101 VWEU, zoals uitgewerkt in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] en gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat de inbreuk op het mededingingsrecht die is vastgesteld in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit waartegen bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring is ingesteld, maar dat definitief is geworden na door deze rechterlijke instanties te zijn bevestigd, zowel in het kader van een vordering tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU als in het kader van een schadevordering wegens een inbreuk op artikel 101 VWEU, moet worden geacht door de verzoekende partij te zijn aangetoond tot bewijs van het tegendeel, waardoor de in dat artikel 2 omschreven bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd, mits de aard van de vermeende inbreuk waarop die vorderingen betrekking hebben en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer ervan, samenvallen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk."
HvJ EU 20 april 2023, nr. C-25/21 (Repsol Comercial de Productos Petrolíferos), ECLI:EU:C:2023:298.
- "70 Deze nietigheid, die door eenieder kan worden ingeroepen, is voor de rechter bindend wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU vervuld zijn en de betrokken overeenkomst een vrijstelling krachtens artikel 101, lid 3, VWEU niet kan rechtvaardigen. Aangezien de in artikel 101, lid 2, VWEU bedoelde nietigheid absoluut is, heeft een krachtens deze bepaling nietige - "overeenkomst geen gevolgen in de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen en kan zij aan derden niet worden tegengeworpen. Deze nietigheid kan bovendien alle gevolgen, voor het verleden en voor de toekomst, van de overeenkomst of het besluit treffen (arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 22).
71 De in artikel 101, lid 2, VWEU bepaalde nietigheid van rechtswege treft slechts de bedingen van de overeenkomst die onverenigbaar zijn met artikel 101, lid 1, VWEU. De gevolgen van deze nietigheid voor alle andere onderdelen van de overeenkomst worden niet door het Unierecht beheerst. Deze gevolgen dienen door de nationale rechter naar zijn nationale recht te worden beoordeeld (zie in die zin arrest van 14 december 1983, Société de vente de ciments et bétons de l’Est, 319/82, EU:C:1983:374, punt 12).
72 De nationale rechter dient naar nationaal recht te beoordelen wat de draagwijdte en de gevolgen voor het geheel van de contractuele betrekkingen zijn indien sommige bepalingen van de overeenkomst op grond van artikel 101, lid 2, VWEU nietig zouden zijn (arrest van 18 december 1986, VAG France, 10/86, EU:C:1986:502, punt 15).
73 De door artikel 101, lid 2, VWEU opgelegde nietigheid van rechtswege strekt zich alleen uit tot de onderdelen van de overeenkomst die ingevolge artikel 101, lid 1, VWEU verboden zijn. De gehele overeenkomst is slechts nietig wanneer die onderdelen niet van de overeenkomst zelf kunnen worden losgemaakt (zie in die zin arrest van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 40).
(...)
2) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat voor zover een verzoekende partij erin slaagt het bestaan aan te tonen van een inbreuk op dat artikel die het voorwerp is van haar uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU ingestelde vordering tot nietigverklaring en van haar schadevordering wegens die inbreuk, de nationale rechter daaruit alle consequenties moet trekken en hieruit met name, uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU, de nietigheid van rechtswege van de met artikel 101, lid 1, VWEU onverenigbare bedingen van de overeenkomst moet afleiden, waarbij de betreffende overeenkomst slechts in haar geheel nietig is wanneer die onderdelen niet van de overeenkomst zelf kunnen worden losgemaakt."
HvJ EU 20 april 2023, nr. C-25/21 (Repsol Comercial de Productos Petrolíferos), ECLI:EU:C:2023:298.
- "53 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat een nationale regeling waarin wordt vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht en de doelstellingen die aan de uitvoering van dit recht door de betrokken personen zijn verbonden, teneinde de volle werking van de artikelen 101 en 102 VWEU niet teniet te doen (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 47).
54 De instelling van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie vereist immers in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse (arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 46).
55 Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat geschillen over inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie en op het nationale mededingingsrecht in beginsel worden gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden, zoals in herinnering is gebracht in overweging 47 van richtlijn 2014/104. Daardoor wordt het voor diegene moeilijker gemaakt om de informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om een schadevordering in te stellen dan voor de mededingingsautoriteiten om de informatie te verkrijgen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheid om het mededingingsrecht toe te passen.
56 In deze context moet worden geoordeeld dat – anders dan de voor de Commissie geldende regel in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003, volgens welke de verjaringstermijn voor het opleggen van sancties begint te lopen op de dag waarop de inbreuk is gepleegd of, bij voortdurende of voortgezette inbreuken, vanaf de dag waarop de inbreuk is beëindigd – de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Unie pas in kunnen gaan wanneer de inbreuk is beëindigd en de benadeelde kennis heeft genomen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben genomen van de noodzakelijke informatie om een schadevordering in te stellen.
57 Anders zou de uitoefening van het recht om schadevergoeding te vorderen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt.
58 Wat de voor het instellen van een schadevordering noodzakelijke informatie betreft, kan volgens vaste rechtspraak van het Hof eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie (zie in die zin arresten van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 40).
59 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het, om een schadevordering te kunnen indienen, noodzakelijk is dat de benadeelde persoon weet wie verantwoordelijk is voor de inbreuk op het mededingingsrecht (arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 50).
60 Hieruit volgt dat het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade en een causaal verband tussen die schade en deze inbreuk, alsmede de identiteit van de pleger van de inbreuk, deel uitmaken van de noodzakelijke gegevens waarover de benadeelde moet beschikken om een schadevordering te kunnen instellen.
61 Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de verjaringstermijnen voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Unie niet kunnen ingaan voordat de inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft genomen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben genomen van het feit dat hij door die inbreuk schade heeft geleden alsmede van de identiteit van de pleger ervan.
(....)
64 Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de benadeelde, zelfs in een kartelzaak, ruim vóór de bekendmaking van de samenvatting van een besluit van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, of zelfs vóór de publicatie van het persbericht over dat besluit, weet kan hebben van de noodzakelijke gegevens voor het instellen van een schadevordering, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat dit in casu het geval is.
(...)
71. In die omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat in casu RM op de datum van publicatie van het persbericht over besluit C(2016) 4673 final, te weten 19 juli 2016, weet had van de noodzakelijke gegevens om zijn schadevordering in te stellen. Daarentegen kan redelijkerwijs wel worden aangenomen dat RM daarvan weet had op de datum van publicatie van de samenvatting van besluit C(2016) 4673 final in het Publicatieblad van de Europese Unie, te weten 6 april 2017."
HvJ EU 22 juni 2022, nr. C-267/20 (Volvo et DAF Trucks), ECLI:EU:C:2022:494.
- "1) L’article 101 TFUE et le principe d’effectivité doivent être interprétés en ce sens qu’ils ne s’opposent pas à une réglementation nationale, telle qu’interprétée par la jurisprudence nationale, selon laquelle le délai de prescription applicable à un recours en dommages et intérêts pour une infraction aux dispositions du droit de la concurrence de l’Union européenne intenté par un consommateur commence à courir le jour de la publication au Journal officiel de l’Union européenne du résumé de la décision définitive de la Commission européenne par laquelle cette infraction a été constatée, dès lors qu’il peut raisonnablement être considéré que la personne lésée a pris connaissance des éléments indispensables lui permettant d’introduire son action en dommages et intérêts à la date de cette publication."
HvJ EU 6 maart 2023, C-198/22 (Deutsche Bank (Entente - Produits dérivés de taux d’intérêt en euro)), ECLI:EU:C:2023:166.
Lid 3
Algemeen
"3) Artikel 101, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het slechts van toepassing is op een krachtens artikel 101, lid 1, VWEU verboden overeenkomst wanneer de onderneming die zich op deze bepaling beroept, het bewijs heeft geleverd dat is voldaan aan de in deze bepaling gestelde vier cumulatieve voorwaarden."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
"331 The Court of Justice — relying on Regulation No 1/2003 and, in particular, on recital 5 thereof, according to which, first, it is for the party or the authority alleging an infringement of the competition rules to prove the existence thereof and, secondly, it is for the undertaking or association of undertakings invoking the benefit of a defence against a finding of an infringement to demonstrate to the required legal standard that the conditions for applying that defence are satisfied — has held that, although according to those principles the legal burden of proof is borne either by the Commission or by the undertaking or association concerned, the factual evidence on which a party relies may be of such a kind as to require the other party to provide an explanation or justification, failing which it is permissible to conclude that the burden of proof has been discharged (judgment of 7 January 2004, Aalborg Portland and Others v Commission, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P and C‑219/00 P, EU:C:2004:6, paragraphs 78 and 79).
332 Thus, in some cases, the facts relied on by the undertaking invoking the benefit of the exemption under Article 101(3) TFEU may be such as to oblige the Commission to provide an explanation or justification, failing which it is permissible to conclude that the burden of proof has been discharged (judgments of 6 October 2009, GlaxoSmithKline Services and Others v Commission and Others, C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P and C‑519/06 P, EU:C:2009:610, paragraph 83, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 711).
333 Lastly, it must also be noted that any agreement which restricts competition, whether by its effects or by its object, may in principle benefit from an exemption under Article 101(3) TFEU (judgments of 13 July 1966, Consten and Grundig v Commission, 56/64 and 58/64, EU:C:1966:41, pp. 342 and 343 and 347 to 350; of 13 October 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, C‑439/09, EU:C:2011:649, paragraphs 49 and 57; and of 15 July 1994, Matra Hachette v Commission, T‑17/93, EU:T:1994:89, paragraph 85)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie, ECLI:EU:T:2018:919.
-"2) Artikel 101, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een leverancier en een distributeur op grond waarvan de distributeur die als eerste een potentiële transactie met de eindgebruiker registreert, gedurende zes maanden vanaf die registratie „voorrang [krijgt] om de verkoop [...] tot stand te brengen” mits die gebruiker geen bezwaar daartegen maakt, in het geval dat die overeenkomst „naar strekking” of „naar gevolg” de mededinging verhindert, beperkt of vervalst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, slechts kan worden vrijgesteld krachtens lid 3 van dat artikel indien zij voldoet aan de daar gestelde cumulatieve voorwaarden."
- "189 Uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 3, VWEU volgt dat alle overeenkomsten, alle besluiten van ondernemersverenigingen of alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU omdat zij de mededinging verstoren, hetzij naar strekking, hetzij naar gevolg, kunnen worden vrijgesteld van het in deze laatste bepaling neergelegde verbod indien zij aan alle daartoe gestelde voorwaarden voldoen (zie in die zin arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punt 38, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 230). Daarbij moet erop worden gewezen dat die voorwaarden strikter zijn dan die welke in punt 183 van het onderhavige arrest zijn genoemd.
190 Volgens artikel 101, lid 3, VWEU moet voor die vrijstelling in een concreet geval cumulatief aan vier voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid worden aangetoond (arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 95) dat de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie efficiëntieverbeteringen mogelijk maken, doordat zij bijdragen tot een verbetering van de productie of van de verdeling van de betrokken producten of diensten, of tot een verbetering van de technische of economische vooruitgang. Ten tweede moet in dezelfde mate worden aangetoond dat een billijk aandeel in de voordelen die uit die efficiëntieverbeteringen voortvloeien, aan de gebruikers ten goede komt. Ten derde mogen de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie de deelnemende ondernemingen geen beperkingen opleggen die niet onmisbaar zijn om dergelijke efficiëntieverbeteringen te behalen. Ten vierde mogen die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen de deelnemende ondernemingen niet de mogelijkheid geven om daadwerkelijke mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten uit te schakelen.
191 Het staat aan de partij die zich op die vrijstelling beroept om met afdoende argumenten en bewijzen aan te tonen dat alle voorwaarden daartoe zijn vervuld (zie in die zin arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punt 45, en 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 82). Wanneer die argumenten en bewijzen van dien aard zijn dat de andere partij verplicht is ze op een afdoende manier te weerleggen en deze partij daar niet in slaagt, mag worden geconcludeerd dat aan de bewijsplicht van de partij die zich op artikel 101, lid 3, VWEU beroept, is voldaan (zie in die zin arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 79, en 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 83).
192 Wat met name de eerste in punt 190 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarde betreft, vallen de efficiëntieverbeteringen die dankzij de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten kunnen worden gerealiseerd, niet samen met om het even welke voordelen die de deelnemende ondernemingen daaruit behalen in het kader van hun economische activiteit, maar alleen met de merkbare objectieve voordelen die met die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen, specifiek bezien, kunnen worden gerealiseerd in de betrokken sector(en) of markt(en). Om deze eerste voorwaarde als vervuld te kunnen beschouwen, moeten bovendien niet alleen het bestaan en de omvang van efficiëntieverbeteringen worden aangetoond, maar moet ook worden bewezen dat die verbeteringen de op het vlak van de concurrentie optredende nadelen compenseren die de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie met zich brengen (zie in die zin arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 522, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 232, 234 en 236, alsook, naar analogie, 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 43).
193 Volgens de tweede in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde moet worden aangetoond dat de efficiëntieverbeteringen die met de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie moeten kunnen worden gerealiseerd, een gunstige weerslag hebben op alle gebruikers, zowel beroepsbeoefenaren, tussenconsumenten als eindconsumenten in de verschillende betrokken sectoren of markten (zie in die zin arresten van 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado, C‑238/05, EU:C:2006:734, punt 70, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 236 en 242).
194 Hieruit volgt dat in een situatie als die in het hoofdgeding waarin de gedraging die inbreuk maakt op artikel 101, lid 1, VWEU mededingingsverstorend is naar strekking, dat wil zeggen voldoende schadelijk is voor de mededinging, en bovendien verschillende groepen gebruikers of consumenten kan treffen, moet worden uitgemaakt of, en, in voorkomend geval, in hoeverre, die gedraging niettegenstaande het schadelijke karakter ervan een gunstige uitwerking heeft op elk van die groepen.
195 In het hoofdgeding is het dus de taak van de verwijzende rechter om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties een gunstige invloed kunnen hebben op de verschillende groepen „gebruikers”, waaronder met name de nationale voetbalbonden, de professionele of amateurclubs, de professionele of amateurspelers, jonge spelers en, meer in het algemeen, de consumenten, ongeacht of het daarbij om toeschouwers of televisiekijkers gaat.
196 In dit verband mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat dergelijke regels weliswaar in beginsel gerechtvaardigd kunnen lijken, doordat zij bijdragen tot het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen, de waarden en de spelregels die aan het professionele voetbal ten grondslag liggen, met name de openheid van de betrokken competities en het feit dat deze op verdienste gebaseerd zijn, en doordat zij een bepaalde vorm van solidaire herverdeling binnen het voetbal verzekeren, maar dat het bestaan van deze doelstellingen, hoe lovenswaardig zij ook mogen zijn, de verenigingen die deze regels hebben vastgesteld niet ontslaat van de verplichting om voor de verwijzende rechter aan te tonen dat het nastreven van deze doelstellingen leidt tot reële en kwantificeerbare efficiëntieverbeteringen en voorts dat deze efficiëntieverbeteringen de nadelen compenseren die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels voor de mededinging met zich brengen.
197 De derde in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde, volgens welke de betrokken gedraging onmisbaar of noodzakelijk moet zijn, vereist dat wordt nagegaan wat de weerslag is van enerzijds die gedraging en anderzijds de werkelijk denkbare alternatieve maatregelen, en dat die weerslag wordt vergeleken, teneinde te bepalen of de van die gedraging te verwachten efficiëntieverbeteringen kunnen worden gerealiseerd met maatregelen die de mededinging minder beperken. Deze voorwaarde kan er echter niet toe leiden dat uit opportuniteitsoverwegingen wordt gekozen tussen een dergelijke gedraging en zulke alternatieve maatregelen wanneer deze laatste niet minder restrictief voor de mededinging blijken te zijn.
198 Om na te gaan of in een concreet geval is voldaan aan de vierde in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde, moeten de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten worden onderzocht die kenmerkend zijn voor de werking van de mededinging in de betrokken sectoren of markten, teneinde te bepalen of de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie de deelnemende ondernemingen de mogelijkheid bieden om daadwerkelijke mededinging volledig uit te schakelen voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten. In het geval van een besluit van een ondernemersvereniging of een overeenkomst waartoe ondernemingen collectief zijn toegetreden, kan het zeer grote marktaandeel van deze ondernemingen, naast andere relevante omstandigheden die aan een alomvattende analyse moeten worden onderworpen, een aanwijzing vormen dat dit besluit of deze overeenkomst, gelet op de inhoud en de strekking of de gevolgen ervan, de deelnemende ondernemingen mogelijkerwijs in staat stelt om effectieve mededinging volledig uit te schakelen. Deze grond sluit als zodanig de toepassing van de vrijstelling van artikel 101, lid 3, VWEU uit. Een andere mogelijke omstandigheid kan verband houden met het feit dat een dergelijk besluit of een dergelijke overeenkomst weliswaar één vorm van daadwerkelijke mededinging of één toegangskanaal tot de markt uitschakelt, maar andere mededingingsvormen of toegangskanalen wel laat voortbestaan (zie in die zin arrest van 22 oktober 1986, Metro/Commissie, 75/84, EU:C:1986:399, punten 64, 65 en 88).
199 Om na te gaan of in casu aan deze vierde voorwaarde is voldaan, moet de verwijzende rechter in de eerste plaats rekening houden met het feit dat, zoals met name in de punten 174 tot en met 179 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties niet worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig en niet-discriminerend zijn. Aangenomen moet worden dat een dergelijke situatie de entiteiten die deze regels hebben vastgesteld in staat kan stellen om elke mededinging op de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie te verhinderen.
200 Meer algemeen kan het voor het onderzoek van de verschillende in punt 190 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden nodig zijn om de kenmerken en de specificiteit van de sector(en) of markt(en) die onder de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie valt (vallen), in aanmerking te nemen indien deze kenmerken en specificiteit beslissend zijn voor de uitkomst van dit onderzoek (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 103, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 236)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "230 Om al deze redenen kunnen regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor zover zij op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities in de plaats stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen, worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging op de verschillende betrokken markten te verhinderen of te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en worden beschouwd als „misbruik” van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, tenzij kan worden aangetoond dat zij gerechtvaardigd zijn. Dit geldt te meer wanneer dergelijke regels gepaard gaan met regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties, zoals die welke waarop de vorige vragen betrekking hebben.
231 Met betrekking tot de vraag of deze regels kunnen voldoen aan alle in de punten 190 en 204 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden om voor een vrijstelling krachtens artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking te kunnen komen en om als gerechtvaardigd te kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU, moet worden opgemerkt dat het aan de verwijzende rechter staat om zich hierover uit te spreken nadat de partijen in het hoofdgeding in de gelegenheid zijn gesteld om hun respectievelijke bewijsplicht na te komen.
232 In de eerste plaats zij evenwel opgemerkt dat verweersters in het hoofdgeding, verschillende regeringen en de Commissie voor het Hof hebben aangevoerd dat deze regels efficiëntieverbeteringen mogelijk maken, doordat zij bijdragen aan de verbetering van zowel de productie als de verdeling. Door huidige of potentiële kopers in staat te stellen met twee exclusieve verkopers te onderhandelen over de aankoop van rechten voordat elk van de door deze verkopers georganiseerde internationale of Europese competities plaatsvinden, zouden deze regels namelijk leiden tot een aanzienlijke verlaging van de transactiekosten van de kopers en ook tot een aanzienlijke vermindering van de onzekerheid waarmee zij zouden worden geconfronteerd indien zij per geval zouden moeten onderhandelen met de deelnemende clubs, die uiteenlopende standpunten en belangen zouden kunnen hebben wat betreft de vermarkting van deze rechten. Bovendien – en bovenal – zouden deze regels ervoor zorgen dat deze huidige of potentiële kopers onder specifieke voorwaarden die consequent op internationaal of Europees niveau worden toegepast, toegang krijgen tot rechten die oneindig veel aantrekkelijker zijn dan de rechten die hun gezamenlijk zouden kunnen worden aangeboden door de clubs die aan een of andere bepaalde wedstrijd deelnemen, rekening houdend met het feit dat deze rechten de reputatie van de FIFA of de UEFA genieten en betrekking hebben op, zo niet een volledige door hen georganiseerde competitie, dan toch een aanzienlijk aantal wedstrijden in de verschillende fasen van deze competitie (kwalificatiewedstrijden, groepswedstrijden en eindfase).
233 Het is evenwel de taak van de verwijzende rechter om, in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen argumenten en bewijzen, de omvang van deze efficiëntieverbeteringen te bepalen en, indien het bestaan en de omvang van deze efficiëntieverbeteringen worden aangetoond, te oordelen of deze efficiëntieverbeteringen de nadelen kunnen compenseren die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels voor de mededinging met zich brengen.
234 In de tweede plaats hebben verweersters in het hoofdgeding, verschillende regeringen en de Commissie aangevoerd dat een billijk aandeel in de voordelen die lijken voort te vloeien uit de efficiëntieverbeteringen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels teweegbrengen, ten goede komt aan de gebruikers. De voordelen uit de gecentraliseerde verkoop van de verschillende rechten in verband met de door de FIFA en de UEFA georganiseerde clubvoetbalcompetities zouden dus in aanzienlijke mate worden bestemd voor financieringen of projecten die moeten zorgen voor een bepaalde vorm van solidaire herverdeling binnen het voetbal, die niet alleen ten goede komt aan de professionele voetbalclubs die aan deze competities deelnemen, maar ook aan clubs die er niet aan deelnemen, amateurclubs, professionele spelers, het vrouwenvoetbal, jonge spelers en andere groepen actoren in het voetbal. Op dezelfde manier zouden de verbetering van de productie en verdeling als gevolg van deze gecentraliseerde verkoop en de solidaire herverdeling van de voordelen die uit die verkoop voortvloeien uiteindelijk ten goede komen aan de supporters, de verbruikers – namelijk de televisiekijkers – en, in bredere zin, alle burgers van de Unie die op amateurniveau voetbal spelen.
235 Op het eerste gezicht lijken deze argumenten overtuigend, gezien de essentiële kenmerken van de clubvoetbalcompetities die op mondiaal of Europees niveau worden georganiseerd. De goede werking, de duurzaamheid en het welslagen van deze competities hangen immers af van de handhaving van een evenwicht en van het behoud van een zekere gelijkheid van kansen tussen de professionele voetbalclubs die eraan deelnemen, gelet op de onderlinge afhankelijkheid die hen verbindt, zoals volgt uit punt 143 van het onderhavige arrest. Bovendien zijn deze competities afhankelijk van kleinere professionele voetbalclubs en amateurvoetbalclubs die weliswaar niet aan deze competities deelnemen, maar op lokaal niveau investeren in de indienstneming en opleiding van talentvolle jonge spelers, van wie sommigen beroepsvoetballer zullen worden en ernaar zullen streven zich aan te sluiten bij een club die aan deze competities deelneemt (zie in die zin arrest van 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punten 41‑45). Ten slotte zal de solidaire werking van het voetbal, mits deze reëel is, de educatieve en sociale rol ervan in de Unie versterken.
236 Hoe dan ook moet worden aangetoond dat de voordelen die de gecentraliseerde verkoop van rechten in verband met voetbalcompetities oplevert voor elke groep gebruikers – waaronder niet alleen professionele en amateurclubs en andere actoren in het voetbal, maar ook toeschouwers en televisiekijkers – reëel en concreet zijn.
237 Het is dus uiteindelijk de taak van de verwijzende rechter om in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen bewijzen, met name boekhoudkundige en financiële bewijzen, te beoordelen in hoeverre de betrokken argumenten, ongeacht of zij verband houden met de „horizontale” solidariteit tussen de aan deze competities deelnemende clubs dan wel de „verticale” solidariteit met de verschillende andere actoren in het voetbal, daadwerkelijk gegrond zijn met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels.
238 In de derde plaats is het eveneens de taak van de verwijzende rechter om, in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen bewijzen, te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels onmisbaar zijn om de bovengenoemde efficiëntieverbeteringen te kunnen behalen en te zorgen voor een solidaire herverdeling van een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen ten gunste van alle gebruikers, ongeacht of het gaat om actoren in het professionele of amateurvoetbal, dan wel om toeschouwers of televisiekijkers.
239 In de vierde plaats moet met betrekking tot de vraag of de aan de orde zijnde regels voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten een daadwerkelijke mededinging laten voortbestaan, worden opgemerkt dat deze regels de mededinging aan de aanbodzijde weliswaar volledig uitschakelen, maar daarentegen op zich de mededinging aan de vraagzijde niet lijken uit te schakelen. Hoewel deze regels ertoe kunnen leiden dat de huidige of potentiële kopers een hogere prijs voor rechten moeten betalen en er daardoor minder kopers zijn die daartoe in staat zijn, of deze kopers er zelfs toe kunnen aanzetten zich te verenigen, verschaffen zij de kopers in ruil daarvoor toegang tot een qua inhoud en imago aantrekkelijker product, waarvoor sterke mededinging bestaat gezien de prominente plaats die het inneemt in de programmering die kan worden aangeboden aan klanten en, meer in het algemeen, aan televisiekijkers.
240 De verwijzende rechter kan het concrete bestaan en belang van deze mededinging echter enkel beoordelen door rekening te houden met de daadwerkelijke juridische en economische omstandigheden waarin de FIFA op basis van de artikelen 67 en 68 van haar statuten de exploitatie en vervolgens de vermarkting van de verschillende (audiovisuele, multimedia-, marketing- of andere) rechten in verband met de competities regelt. Bij gebreke van mededinging tussen verkopers en dus „uitgaande van de producten” kan deze mededinging onder andere worden gewaarborgd door een open, transparante en niet-discriminerende veiling-, selectie- of biedprocedure die leidt tot een onpartijdige besluitvorming en zo de huidige of potentiële kopers in staat stelt een daadwerkelijke en onvervalste mededinging „voor de producten” aan te gaan. De mededinging kan ook afhangen van de duur waarvoor deze rechten worden aangeboden, van de exclusieve of niet-exclusieve aard en de geografische reikwijdte ervan, van het aantal wedstrijden (pakketten) en het type wedstrijden (kwalificatiefase, groepsfase of knock-outfase) dat kan worden uitgezonden, alsmede van alle andere juridische, technische en financiële voorwaarden waaronder deze rechten kunnen worden aangekocht. Afgezien van deze juridische parameters kan de mededinging ook afhangen van het aantal huidige of potentiële kopers, hun respectieve posities op de markt en eventuele banden tussen hen alsook met andere actoren in het voetbal, zoals professionele voetbalclubs, andere ondernemingen of de FIFA en de UEFA zelf."
"3) Artikel 101, lid 3, en artikel 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat regels waarmee verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting, op het grondgebied van de Unie, van clubvoetbalcompetities door een derde onderneming en die de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities op straffe van sancties controleren, slechts van de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU kunnen worden vrijgesteld of als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU indien met afdoende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "129 Met betrekking tot de eerste van die voorwaarden, volgens welke een gedraging die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, het mogelijk moet maken om merkbare objectieve voordelen te behalen in de betrokken sector(en) of markt(en), zij erop gewezen dat de regels aan de orde in het hoofdgeding een stimulans kunnen vormen voor de profvoetbalclubs om jonge spelers te contracteren en op te leiden, en dus om de concurrentie middels opleiding op te voeren. Het is evenwel uitsluitend de taak van de verwijzende rechter om zich in het licht van de argumenten van partijen en de concrete economische, statistische of andere bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, uit te spreken over de vraag of de betrokken regels daadwerkelijk een dergelijke stimulerende werking hebben, over de omvang van de efficiencywinsten die er op het gebied van opleiding uit voortvloeien en over de vraag of die efficiencywinsten de nadelen kunnen compenseren die de regels in kwestie voor de mededinging met zich brengen.
130 Met betrekking tot de tweede voorwaarde, volgens welke de betrokken gedraging een gunstige weerslag moet hebben op de gebruikers in de verschillende betrokken sectoren of markten, ongeacht of het daarbij gaat om beroepsbeoefenaren, tussenconsumenten dan wel eindconsumenten, moet worden benadrukt dat in casu de „gebruikers” in de eerste plaats de profvoetbalclubs en de spelers zelf zijn. Meer algemeen komen daar de toeschouwers of de tv-kijkers bij, als „eindconsumenten” in de economische betekenis van het woord. Wat deze laatsten betreft, valt niet zonder meer uit te sluiten dat het belang dat sommigen van hen hechten aan de clubcompetities, naast andere factoren afhangt van de plaats waar de deelnemende clubs zijn gevestigd en van het feit dat in de ploegen die door deze clubs worden opgesteld HGP’s aantreden. Het staat bijgevolg aan de verwijzende rechter om zich in het licht van de argumenten van partijen en de concrete bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, met name uit te spreken over de vraag of de regels in het hoofdgeding op de markt waar hun impact in de allereerste plaats voelbaar is, namelijk die voor het aantrekken van spelers door die clubs, een reële gunstige weerslag hebben, niet alleen op de spelers maar ook op het geheel van de clubs alsook op de toeschouwers en de tv-kijkers, dan wel of die regels, zoals voor het Hof is betoogd, in de praktijk bepaalde groepen clubs bevoordelen ten opzichte van sommige andere.
131 Met betrekking tot de derde voorwaarde, volgens welke de regels aan de orde in het hoofdgeding strikt noodzakelijk moeten zijn, staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de argumenten van partijen en de concrete bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, na te gaan of alternatieve maatregelen als die welke voor het Hof zijn genoemd, die inhouden dat met inachtneming van het Unierecht vereisten op het gebied van de opleiding van spelers worden gesteld met het oog op de toekenning van licenties aan de profvoetbalclubs, met name ten behoeve van kleine clubs financieringsregelingen of financiële stimulansen worden ingevoerd, of een systeem wordt opgezet waarbij de kosten van de opleidende clubs rechtstreeks worden vergoed (zie in dat verband arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 108 en 109, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punten 41‑45), de mededinging mogelijkerwijs minder beperken.
132 Met betrekking tot de vierde voorwaarde, volgens welke de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels de concurrentie die de profvoetbalclubs kunnen voeren door reeds opgeleide spelers aan te trekken weliswaar kunnen beperken, maar niet volledig mogen uitschakelen, is het beslissende element gelegen in het niveau waarop de minimale verhoudingen zijn vastgesteld tussen de HGP’s die op het wedstrijdblad moeten worden ingeschreven en het totale aantal spelers dat daarop moet staan. De Commissie heeft met name uiteengezet dat deze minimale verhoudingen haar, in vergelijking met soortgelijke regels die haar zijn voorgelegd, niet onevenredig lijken, zelfs indien er rekening mee wordt gehouden dat de profvoetbalclubs in werkelijkheid mogelijkerwijs een groter aantal HGP’s moeten of willen contracteren om bepaalde risico’s, zoals ongevallen of ziekte, te ondervangen. Het staat echter uiteindelijk uitsluitend aan de verwijzende rechter om zich over deze kwestie uit te spreken.
133 Bij dit onderzoek moet voor zover mogelijk de situatie die het gevolg is van de betrokken mededingingsbeperkingen worden vergeleken met de situatie die op de betrokken markt zou bestaan indien de mededinging daar niet door die beperkingen was verhinderd, beperkt of vervalst.
134 De omstandigheid dat de regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn gelden voor alle clubcompetities die door de UEFA en de KBVB worden georganiseerd alsook voor alle profvoetbalclubs en alle spelers die eraan deelnemen, is daarentegen niet doorslaggevend. Dat gegeven is namelijk noodzakelijk eigen aan het bestaan zelf van verenigingen die binnen een bepaald territoriaal gebied over regelgevende bevoegdheid beschikken waaraan alle ondernemingen die er lid van zijn en alle personen die bij deze laatste zijn aangesloten, onderworpen zijn."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
Verbetering van de productie of distributie, verbetering technische of economische vooruitgang
- "230 (...) Wanneer een primaire transactie of activiteit onmogelijk kan worden losgekoppeld van een besluit van een ondernemersvereniging dat daarmee verband houdt, zonder dat het bestaan of de doelstellingen van die transactie of die activiteit in het gedrang zouden komen, moet de verenigbaarheid van dit besluit met artikel 81 EG samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waaraan het accessoir is, zoals uit de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest blijkt.
231 Wanneer echter wordt vastgesteld dat een dergelijk besluit niet objectief noodzakelijk is voor de uitvoering van een bepaalde transactie of activiteit, mogen enkel de objectieve voordelen die specifiek uit dat besluit voortvloeien in aanmerking worden genomen in het kader van artikel 81, lid 3, EG (zie naar analogie arrest Remia e.a./Commissie, EU:C:1985:327, punt 47).
(...)
234 Wat het argument betreft dat het Gerecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tweeledigheid van het systeem en de voordelen die de MFA’s hebben voor de kaarthouders, moet allereerst worden opgemerkt dat de in artikel 81, lid 3, EG bedoelde verbetering volgens vaste rechtspraak niet mag worden gelijkgesteld met om het even welk productie‑ of distributievoordeel dat partijen aan de overeenkomst in kwestie ontlenen. Deze verbetering moet met name zodanige merkbare voordelen met zich brengen dat zij de op het vlak van de concurrentie optredende nadelen compenseert (zie arrest Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 522).
235 Vervolgens moet in herinnering worden geroepen dat het onderzoek van een overeenkomst dat ertoe strekt vast te stellen of deze bijdraagt tot de verbetering van de productie of de distributie van de producten, dan wel tot de verbetering van de technische of economische vooruitgang, en of zij merkbare objectieve voordelen oplevert, moet gebeuren in het licht van de feitelijke argumenten die de ondernemingen hebben aangevoerd en de bewijzen die zij hebben aangedragen (zie in die zin, betreffende een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG, arrest GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 102).
236 Bij een dergelijk onderzoek kan het nodig zijn de aard en de eventuele specifieke kenmerken van de sector waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft in aanmerking te nemen, indien deze aard en kenmerken beslissend zijn voor de uitkomst van het onderzoek (zie arrest GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., EU:C:2009:610, punt 103). Voor de toepassing van artikel 81, lid 3, EG moet bovendien rekening worden gehouden met het feit dat de gevolgen voor alle gebruikers in de relevante markten gunstig zijn (zie in die zin arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado, EU:C:2006:734, punt 70).
237 Wanneer in het kader van een tweeledig systeem als het MasterCard-systeem wordt onderzocht of een maatregel die in beginsel in strijd is met het verbod van artikel 81, lid 1, EG, omdat hij beperkende gevolgen heeft ten aanzien van een van beide consumentengroepen die bij dit systeem betrokken zijn, kan voldoen aan de eerste voorwaarde van artikel 81, lid 3, EG, moet dus rekening worden gehouden met het systeem waar die maatregel deel van uitmaakt, in voorkomend geval met inbegrip van alle objectieve voordelen die uit die maatregel voortvloeien, niet alleen voor de markt waarop de beperking is vastgesteld, maar ook voor de markt waarop de andere bij dit systeem betrokken consumentengroep actief is, in het bijzonder wanneer – zoals in casu – vaststaat dat er tussen die twee zijden van het betrokken systeem interactie bestaat. Bij dat onderzoek moet in voorkomend geval ook worden beoordeeld of die voordelen opwegen tegen de nadelen die de betrokken maatregel meebrengt op het vlak van de mededinging.
(...)
242 Zoals in punt 234 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, stelt het onderzoek van de eerste voorwaarde van artikel 81, lid 3, EG evenwel de vraag aan de orde of de voordelen van de betrokken maatregel de daaruit voortvloeiende nadelen compenseren. Zo kunnen in gevallen zoals het onderhavige, waarin beperkende gevolgen zijn vastgesteld op één markt van een tweeledig systeem, de voordelen van de beperkende maatregel voor een onderscheiden maar verwante markt die ook deel uitmaakt van dit systeem, op zich de nadelen van die maatregel niet compenseren, wanneer niets erop wijst dat deze maatregel merkbare objectieve voordelen heeft voor de relevante markt, met name wanneer op die markten in wezen niet dezelfde consumenten actief zijn (...)."
HvJ EU 11 september 2014, nr . C-382/12 P, ECLI:EU:C:2014:2201 (Mastercard tegen Commissie).
Literatuur
Louis Vogel, "European Competition Law", 3e druk, Brussel 2020.
Weijer VerLoren van Themaat en Berend Reuder (red.), "European Competition Law. A Case Commentary" ,2e druk, Cheltenham 2018.
EU Competition Law. Handbook. 2019 Edition, Sweet & Maxwell, London 2019.
Luc Desaunettes-Barbero, Etienne Thomas, "Droit matériel européen de concurrence Textes et commentaires" Bruxelles, 2019.
Verticale overeenkomsten:
Frank Wijckmans en Filip Tuytschaever, "Vertical Agreements in EU Competition Law, Oxford, 2016"
Mededingingsbeperking:
Giordana Aquilea, "La saga de l'Avanstin et du Lucentisarrive devant la Cour: épilogue ou étape intermédiaire?, in: Revue des Affaires européennes 2018/1, blz. 185-197
Anne C. Witt, "The enforcement of Articke 101TFEU. What has happened to the effects analysis?", CMLRev. 2018, blz. 417)448
Luchtvervoer:
Vincent Correia, Ententes dans le secteur de transit aérien international, in: Revue des Affaires européennes 2018/1, blz. 209-214
Inzake leerstukken als rechten van de verdediging, huisrecht, positie advocat, handhaving, zie ook het Handvest van de Grondrechtn van de Euriopese Unie::
- H.M.H. Speyart, 'A Tale of three cities': Grondrechtelijke aandachtspunten bij de toepassing van het mededingingsrecht', NTER 2010, nr 10.
- J.M. Veenbrink, 'Het Handvest en de bescherming van nationale fundamentele recten: een analyse in het licht van het Europees mededingingsrecht', SEW 2015, afl. 3, blz. 116.
Abus de position dominante en matière de rabais de fidélité: une jurisprudence "précisée" en termes de compétence de procédure et, surtout, d'analyse économique", Revue des Affaires Eurioéennes 2017/3, p. 583-588.
Lid 3
Or Brook, "Struggling with Article 101 (3) TFEU: Diverging approaches of the Commission, EU Courts and Five Competition Authorities", CMLRev. 2019, blz. 121-156
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Lexplicatie, commentaar op art. 101 VWEU
Bronnen en citaten
mr. T.P.J.N. van Rijn, actueel t/m 08-05-2026
08-05-2026
01-12-2009 tot: -
mr. T.P.J.N. van Rijn
Lexplicatie, commentaar op art. 101 VWEU
JCDI:ADS4594:1
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
Mededingingsrecht / EU-mededingingsrecht
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 101
Jurisprudentie
Algemeen
NB De artikelen 85 en 86 EEG zijn inmiddels onveranderd vervangen door de artikelen 101 en 102 VWEU.
"De vraag of artikel 85 toepasselijk is geweest vanaf het ogenblik van de totstandkoming van het Verdrag moet in beginsel bevestigend worden beantwoord."
HvJ EG 6 april 1962, nr. 13/61 (De Geus en Uitdenbogerd tegen Bosch en Van Rijn), Jurispr. VIII (1962), p. 105.
"Artikel 85, lid 1, is van toepassing op verenigingen, voor zover haar eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de in die bepaling bedoelde gevolgen teweeg te brengen. Een uitlegging in andere zin zou aan artikel 85, lid 1, iedere reële betekenis ontnemen."
HvJ EG 15 mei 1975, nr. 71/74 (Nederlandse Vereniging voor de Fruit- en Groentenimporthandel e.a. tegen Commissie), Jurispr. 1975, p. 583.
"63 Die stelling miskent evenwel , dat het ingevolge artikel 85 EEG-verdrag en de ter uitvoering van dat artikel vastgestelde verordeningen de taak van de Commissie is , erop toe te zien dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen niet ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt beperkt of vervalst ; aan deze bevoegdheid van de Commissie wordt geen afbreuk gedaan doordat particulieren of ondernemingen die door dergelijke beperkingen worden getroffen , zich op de verdragsbepalingen betreffende het vrije goederenverkeer kunnen beroepen om zich van die beperkingen te bevrijden."
HvJ EG 8 juni 1982, nr. 258/78 (Nungesser tegen Commissie), Jurispr. 1982, p. 2070.
"37 Het feit dat een prijsbindingssysteem eventueel tot gevolg kan hebben dat een oneerlijke praktijk (...) wordt verhinderd , is echter geen voldoende reden om een gehele marktsector , zoals de boekenmarkt , uit te sluiten van de toepassing van artikel 85 , lid 1 . Het is zaak voor de eventueel door oneerlijke handelspraktijken gelaedeerde ondernemingen , een beroep te doen op de wettelijke regelingen inzake handelsgebruiken die in een of andere vorm in alle lid-staten bestaan en de misbruiken (...) , kunnen tegengaan . Daarentegen kan het bestaan van dergelijke misbruiken in geen geval een inbreuk op de mededingingsregels van de Gemeenschap rechtvaardigen."
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 63.
« 40 (...) dat nationale wetgevingen of rechtspraak , zelfs wanneer ze aan alle Lid-Staten gemeen zijn , niet de doorslag mogen geven bij de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag . Dit geldt te meer voor wat de praktijken van particuliere ondernemingen betreft , zelfs indien deze worden gedoogd of goedgekeurd door de overheid van een Lid-Staat . »
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 64.
« 10 Het bestaan van een taalgemeenschap, gevormd door een Lid-Staat en een gedeelte van een andere Lid-Staat, staat niet in de weg aan de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag, dat uitdrukkelijk het oog heeft op de ‘handel tussen Lid-Staten’. »
HvJ EG 17 januari 1984, nrs. 43 en 63/82 (VBVB en VBBB tegen Commissie), Jurispr. 1984, p. 19.
« 27 Eventuele punten van overeenkomst tussen de wettelijke regeling van een Lid-Staat inzake mededinging en het stelsel van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag kunnen immers in geen geval afdoen aan de autonomie waarover de Commissie bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 beschikt , noch haar ertoe verplichten om zich op hetzelfde standpunt te plaatsen als de instanties die met de toepassing van die nationale wettelijke regeling zijn belast . »
HvJ EG 28 maart 1985, nr. 298/83 (CICCE tegen Commissie), Jurispr. 1985, p. 1124.
« 34 Ofschoon het Hof in het algemeen een volledig onderzoek instelt naar de vraag , of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 85 , lid 1 , is voldaan , vereist de vaststelling van de toelaatbare duur van een concurrentieverbod , vervat in een overeenkomst tot overdracht van een onderneming , een ingewikkelde economische beoordeling zijdens de Commissie . bij de toetsing van die beoordeling dient het Hof zich derhalve te beperken tot de vraag , of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen , of de motivering afdoende is , of de feiten juist zijn weergegeven en of geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling dan wel van misbruik van bevoegdheid . »
HvJ EG 11 juli 1985, nr. 42/85 (Remia tegen Commissie), Jurispr. 1985, p. 2575.
"41 Ter zake van het vervoer kent het Verdrag geen bepaling die evenals artikel 42 de toepassing van de mededingingsregels uitsluit of afhankelijk stelt van een besluit van de Raad.
42 Mitsdien moet worden geconcludeerd dat de Verdragsregels betreffende de mededinging, en inzonderheid die van de artikelen 85 tot en met 90, van toepassing zijn op de vervoersector."
HvJ EG 30 april 1986, nrs. 209-213/84 (Asjes e.a.), Jurispr. 1986, p. 1466.
"14 Mitsdien moet worden geconcludeerd, dat de communautaire mededingingsregels, inzonderheid de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag en de bepalingen van verordening nr.*17, onbeperkt gelden voor de verzekeringssector ."
HvJ EG 27 januari 1987, nr. 45/85 (Verband der Sachversicherer tegen Commissie), Jurispr. 1987, p. 453.
« 23 (...) dat het de Lid-Staten weliswaar vrij staat, de toepassing van het mededingingsrecht en het toezicht op het verzekeringswezen nauw met elkaar te verbinden, doch dat het gemeenschapsrecht de tenuitvoerlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag niet afhankelijk stelt van de manier waarop in een Lid-Staat het toezicht op bepaalde economische sectoren wettelijk is geregeld . «
HvJ EG 27 januari 1987, nr. 45/85 (Verband der Sachversicherer tegen Commissie), Jurispr. 1987, p. 451.
- "78 In de vijfde overweging van de considerans van verordening (EG) nr. 1/2003 van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1) heeft de Raad zeer recent nog beklemtoond dat het bewijs van een inbreuk op de mededingingsregels moet worden geleverd door de partij of de autoriteit die de inbreuk aanvoert, en dat de onderneming of ondernemersvereniging die verweer voert tegen een bewezen inbreuk, het bewijs moet leveren dat aan de voorwaarden is voldaan om dat verweer te laten gelden, zodat die autoriteit andere bewijzen moet aanvoeren.
79 Hoewel de wettelijke bewijslast volgens die beginselen op de Commissie of op de betrokken onderneming of vereniging rust, kunnen de door een partij aangevoerde feiten van dien aard zijn dat zij de andere partij verplichten een verklaring of rechtvaardiging te geven, zonder welke mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd."
HvJEG 7 januari 2004, nrs. C-204/00, C-205/00, C-211/00, C-213/00, C-217/00 en C-219/00 (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6.
- "71 Vooraf moet worden vastgesteld dat, anders dan rekwirante lijkt te opperen, het bewijsniveau dat vereist is voor het vaststellen van een mededingingsbeperkende overeenkomst in het kader van een verticale verhouding in beginsel niet hoger is dan het niveau dat is vereist in het kader van een horizontale verhouding.
72 Het klopt weliswaar dat elementen op basis waarvan bij horizontale verhoudingen in voorkomend geval tot het bestaan van een mededingingsbeperkende overeenkomst tussen concurrenten kan worden geconcludeerd, soms ongeschikt zijn om in het kader van verticale verhoudingen tussen fabrikant en distributeur tot het bestaan van een dergelijke overeenkomst te concluderen, aangezien in zulke verhoudingen bepaalde contacten geoorloofd zijn. Dit doet evenwel niet af aan het feit dat het bestaan van een onrechtmatige overeenkomst moet worden beoordeeld in het licht van alle relevante elementen en van de economische en juridische context, die van geval tot geval verschilt. Of de totstandkoming van een met artikel 81, lid 1, EG strijdige overeenkomst kan worden vastgesteld op grond van een bepaald bewijselement, kan dus niet abstract worden beoordeeld aan de hand van het feit of het om een verticale of een horizontale verhouding gaat, waarbij dit element los wordt gezien van de context en van de andere factoren die het concrete geval kenmerken."
HvJ EU 11 februari 2011, nr. C-260/09 P (Activision Blizzard Germany tegen Commissie), ECLI:EU:C:2011:62.
"18 Artikel 101 VWEU is immers niet uitsluitend bedoeld om de belangen van de concurrenten of van de consumenten te beschermen, maar ook om de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen (arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, Jurispr. blz. I‑9291, punt 63)."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
" 1) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een onderneming die wordt benadeeld door een kartelovereenkomst die tot doel heeft de mededinging te beperken, op het tijdstip van de sluiting van die kartelovereenkomst illegaal actief zou zijn geweest op de betrokken markt, irrelevant is voor de vraag of die kartelovereenkomst een inbreuk op deze bepaling vormt."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
- "58 In dit verband zij eraan herinnerd dat de Commissie tijdens de administratieve procedure de grondrechten van de betrokken ondernemingen moet eerbiedigen. Daartoe behoort het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde recht op behoorlijk bestuur. Krachtens die bepaling heeft eenieder er onder meer recht op dat zijn zaken onpartijdig worden behandeld door de instellingen van de Unie. Dit vereiste van onpartijdigheid omvat enerzijds subjectieve onpartijdigheid, in die zin dat met de zaak belaste leden van de betrokken instelling geen blijk mogen geven van vooringenomenheid of persoonlijke vooroordelen, en anderzijds objectieve onpartijdigheid, in die zin dat de instelling voldoende waarborgen moet bieden om elke gerechtvaardigde twijfel daarover uit te sluiten (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punten 154 en 155).
59 Het beginsel van onpartijdigheid, dat deel uitmaakt van het recht op behoorlijk bestuur, moet worden onderscheiden van het beginsel van het vermoeden van onschuld dat – gelet op de aard van de inbreuken in kwestie alsook op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties – van toepassing is op procedures betreffende schendingen van de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden (arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punt 150, en 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 73).
60 Het vermoeden van onschuld is een in artikel 48, lid 1, van het Handvest neergelegd algemeen beginsel van het Unierecht (arrest van 22 november 2012, E.ON Energie/Commissie, C‑89/11 P, EU:C:2012:738, punt 72).
61 Artikel 48 van het Handvest komt overeen met artikel 6, leden 2 en 3, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”), zoals blijkt uit de toelichtingen bij die bepaling van het Handvest. Derhalve dient overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest bij de uitlegging van artikel 48 van het Handvest rekening te worden gehouden met artikel 6, leden 2 en 3, EVRM als minimumbeschermingsniveau [arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 41].
62 In herinnering moet dan ook worden gebracht dat het beginsel van het vermoeden van onschuld wordt geschonden wanneer een rechterlijke beslissing of een officiële verklaring betreffende een verdachte een duidelijke verklaring bevat dat de betrokkene het strafbare feit in kwestie heeft gepleegd, terwijl hij niet definitief is veroordeeld. In dit verband moet de aandacht worden gevestigd op het belang van de keuze van de door de gerechtelijke autoriteiten gebezigde bewoordingen, alsmede op de bijzondere omstandigheden waarin deze zijn geformuleerd en op de aard en de context van de betreffende procedure [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 43; zie in die zin ook EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, § 63].
63 In complexe strafrechtelijke procedures met meerdere verdachten die niet samen kunnen worden berecht, komt het bijvoorbeeld voor dat de bevoegde rechter voor de beoordeling van de schuld van de verdachten genoodzaakt is om gewag te maken van de deelname van derden, die mogelijkerwijs vervolgens afzonderlijk zullen worden berecht. Indien melding moet worden gemaakt van feiten met betrekking tot de betrokkenheid van derden, moet de betrokken rechterlijke instantie evenwel vermijden dat meer informatie wordt verstrekt dan noodzakelijk is voor het onderzoek van de juridische aansprakelijkheid van de personen die voor haar terechtstaan. Bovendien moet de motivering van rechterlijke beslissingen worden geformuleerd in bewoordingen die kunnen voorkomen dat over de schuld van de betrokken derden een mogelijk voorbarig oordeel wordt geveld, wat het billijke onderzoek van de hun ten laste gelegde feiten in het kader van een afzonderlijke procedure in het gedrang zou kunnen brengen [zie in die zin arrest van 5 september 2019, AH e.a. (Vermoeden van onschuld), C‑377/18, EU:C:2019:670, punt 44; zie in die zin ook EHRM, 27 februari 2014, Karaman tegen Duitsland, CE:ECHR:20140227JUD001710310, §§ 64 en 65]."
HvJ EU 18 maart 2021, nr. C-440/19 P (Pomelon tegen de Commissie), ECLI:EU:C:2021:214.
- "95 Zoals de advocaat-generaal in de punten 60 tot en met 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt een schending door de Commissie van het beginsel van onpartijdigheid en van het onschuldvermoeden in het kader van de in casu aan de orde zijnde „hybride” procedure immers een voldoende ernstige schending die de gehele procedure die tot de vaststelling van het litigieuze besluit heeft geleid, ongeldig kan maken. Een dergelijke onregelmatigheid, die tot gevolg heeft dat de in het kader van deze procedure gewaarborgde grondrechten van de betrokken ondernemingen worden geschonden, kan niet worden vergeleken met minder ernstige fouten, die maar weinig invloed kunnen hebben op het uiteindelijke besluit, zoals het soort fouten dat aan de orde was in de zaak Suiker Unie, die overigens geen „hybride” procedure betrof.
96 Daarom kon het Gerecht zich niet op de grond dat niet was aangetoond dat het litigieuze besluit zonder het schikkingsbesluit anders zou hebben geluid, onttrekken aan de verplichting om het schikkingsbesluit te onderzoeken om na te gaan of het in overeenstemming was met dat beginsel, aangezien het onschuldvermoeden anders inhoudsloos zou worden."
HvJ EU 12 januari 2023, nr. C-883/19P (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:11.
Verhouding mededingingsrecht en overheidsmaatregelen
"30 (…) Een nationale prijsstop voor onder de gemeenschapsregelingen vallende produkten die niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst tussen ondernemingen , een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen valt dus niet onder de werkingssfeer van artikel 85 ."
HvJ EG 18 oktober 1979, nr. 5/79 (Strafgeding tegen Buys e.a.), Jurispr. 1979, p. 3232.
"14 Ofschoon die bepalingen (Bew.: artikelen 3, sub f en 85) het gedrag van ondernemingen betreffen en niet de wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de Lid-Staten , zijn deze laatste niettemin ingevolge artikel 5 , tweede alinea , EEG-Verdrag gehouden , door hun nationale wetgeving geen afbreuk te doen aan de volledige en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en aan de werking van handelingen tot uitvoering ervan , en geen maatregelen , zij het ook van wettelijke of bestuursrechtelijke aard , te nemen of te handhaven , welke aan de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels hun nuttig effect kunnen ontnemen ( zie de arresten van 13 februari 1969 , zaak 14/68 , Wilhelm , Jurispr . 1969 , blz . 1 , en 16 november 1977 , zaak 13/77 , Inno , Jurispr . 1977 , blz . 2115 ).
15 Een wettelijke regeling als thans in geding dwingt evenwel niet tot overeenkomsten tussen uitgevers en detailhandelaars of tot andere gedragingen als waarop artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag het oog heeft , doch verlangt de eenzijdige vaststelling , krachtens een wettelijke verplichting , van de detailhandelsprijzen door de uitgevers of importeurs . In deze omstandigheden rijst de vraag , of een nationale wettelijke regeling die het bij artikel 85 , lid 1 , verboden soort gedragingen van ondernemingen overbodig maakt door de uitgevers of importeurs van boeken de verantwoordelijkheid voor de vrije vaststelling van bindende detailhandelsprijzen op te dragen , afbreuk doet aan het nuttig effect van artikel 85 en bijgevolg in strijd is met artikel 5 , tweede alinea, EEG-Verdrag .
20 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat er , met betrekking tot zuiver nationale stelsels of praktijken in de boekensector , tot op heden geen communautair mededingingsbeleid bestaat dat de Lid-Staten op grond van hun verplichting zich te onthouden van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag in gevaar kunnen brengen , in acht zouden moeten nemen . bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn derhalve de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3 , sub f , en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen niet zo duidelijk bepaald , dat het hun verboden zou zijn om een wettelijke regeling als de onderhavige inzake de detailhandelsprijs van boeken uit te vaardigen , op voorwaarde evenwel dat die wettelijke regeling de andere specifieke bepalingen van het Verdrag , inzonderheid die betreffende het vrije verkeer van goederen , in acht neemt."
HvJ EG 10 januari 1985, nr. 229/83 (Leclerc e.a. tegen Au Blé Vert e.a.,), Jurispr. 1985, p. 32-33.
"17 Een wettelijke regeling als thans in geding dwingt evenwel niet tot overeenkomsten tussen leveranciers en detailhandelaars of tot andere gedragingen zoals die waarop artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag het oog heeft . zij legt integendeel de verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de prijzen bij de overheid , die zich daarbij baseert op een aantal elementen van verschillende aard . het enkele feit dat tot die bij het vaststellen van de detailhandelsprijs in aanmerking te nemen elementen overnameprijzen behoren welke door de leveranciers worden bepaald , en die overigens naar boven zijn begrensd door de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde plafondprijs , ontneemt aan een regeling als de onderhavige niet haar overheidskarakter en kan het nuttig effect van de voor de ondernemingen geldende mededingingsregels niet teniet doen."
HvJ EG 29 januari 1985, nr. 231/83 (Cullet e.a. tegen Leclercc.), Jurispr. 1985, p. 320.
"Het is in strijd met de ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag , junctis de artikelen 3 , sub f , en 85 , met name lid 1 , op de Lid-Staten rustende verplichtingen , om luchtvaarttarieven goed te keuren en dusdoende de werking ervan te versterken , wanneer , bij ontstentenis van een door de Raad op grond van artikel 87 vastgestelde regeling , in de vorm en volgens de procedures genoemd in artikel 88 of artikel 89 , lid 2 , wordt vastgesteld dat die tarieven het resultaat zijn van een overeenkomst , een besluit van een ondernemersvereniging of een met artikel 85 strijdige onderling afgestemde feitelijke gedraging."
HvJ EG 30 april 1986, nrs. 209-213/84 (Strafzaken tegen Lucas Asjes e.a.), Jurispr. 1986, p. 1473.
"23 Een bepaling als artikel 22 van het Koninklijk Besluit van 1966 (Bew.: die reisagenten verplicht de door de touroperators vastgestelde prijzen en tarieven te eerbiedigen, die hun verbiedt de over de verkoop van die reizen geïnde commissies met de cliënten te delen of aan deze cliënten ristorno’s toe te kennen, en die een dergelijke handelwijze als een daad van oneerlijke mededinging aanmerkt) versterkt de werking van de betrokken overeenkomsten tussen partijen in de eerste plaats, doordat het een oorspronkelijk louter contractueel verbod in een bestuursrechtelijke bepaling omzet; daardoor krijgt het voorschrift immers een blijvend karakter en kan het niet meer door de wil van partijen worden afgeschaft . In de tweede plaats, door het niet eerbiedigen van de overeengekomen prijzen en tarieven en van het verbod om de geinde commissies met de clienten te delen, te bestempelen als een met de eerlijke gebruiken inzake handel strijdige daad, opent een dergelijke bepaling voor reisagenten die zich aan de binnen de beroepsvereniging overeengekomen regeling houden, de mogelijkheid een vordering tot staking in te stellen tegen reisagenten die, geen partij bij de mededingingsregeling zijnde, zich daarnaar niet wensen te voegen . In de derde plaats vormt de mogelijkheid om wanneer de regeling niet wordt nageleefd, de vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van reisagent in te trekken, zowel ten aanzien van de partijen bij de overeenkomsten als ten aanzien van derden een wel uiterst doeltreffende sanctie."
HvJ EG 1 oktober 1987, nr. 311/85 (Vereniging van Vlaamse Reisbureaus tegen Sociale Dienst van de plaatselijke en gewestelijke overheidsdiensten), Jurispr. 1987, p. 3829.
"Een overeenkomst tussen twee groepen van economische subjecten, gesloten in het kader en volgens de procedure van een lichaam als het BNIC, welke overeenkomst voorziet in de betaling van een bijdrage ingeval een productiequotum voor zuivere alcohol per hectare wordt overschreden, is in strijd met artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.
Een ministerieel besluit waarbij een dergelijke overeenkomst algemeen verbindend wordt verklaard, is in strijd met de verplichtingen die op de Lid-Staten rusten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, gelezen in samenhang met de artikelen 3, sub f, en 85, van dat Verdrag."
HvJ EG 3 december 1987, nr. 136/86 (BNIC tegen Aubert), Jurispr. 1987, p. 4816.
"16 (...)Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt evenwel uit de samenhang van de artikelen 85 en 86 met artikel 5 EEG-Verdrag, dat de Lid-Staten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, mogen nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken . Volgens die zelfde rechtspraak is dat bij voorbeeld het geval, wanneer een Lid-Staat het tot stand komen van met artikel 85 strijdige afspraken oplegt of begunstigt dan wel de werking ervan versterkt of aan haar eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere ondernemingen over te dragen."
HvJ EG 21 september 1988, nr. 267/86 (Van Eycke tegen ASPA), Jurispr. 1988, p. 4791, 4794-4795.
"Een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling die de vrijstelling van inkomstenbelasting voor de rente over een bepaalde categorie spaardeposito’s beperkt tot die deposito’s waarvoor een basisrente en premies worden toegekend die de door de overheid vastgestelde maxima niet overschrijden, is niet onverenigbaar met de krachtens artikel 5 junctis de artikelen 3, sub f, en 85 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rustende verplichtingen, voor zover deze nationale bepaling niet enkel maar een bekrachtiging vormt van de op grond van eerdere afspraken en praktijken gehanteerde methode tot beperking van de vergoeding voor deposito’s en het volgens die afspraken of praktijken toegepaste maximale renteniveau."
HvJ EG 21 september 1988, nr. 267/86 (Van Eycke tegen ASPA), Jurispr. 1988, p. 4791, 4792.
"Artikel 85 van het Verdrag heeft geen betrekking op concessie-overeenkomsten, gesloten tussen gemeenten handelend in hun hoedanigheid van overheid, en ondernemingen belast met de uitvoering van een openbare dienst."
HvJ EG 4 mei 1988, nr. 30/87 (Bodson tegen Pompes, Funèbres des Régions Libérées), Jurispr. 1988, p. 2518.
"49 Hieruit volgt, dat de goedkeuring door de luchtvaartautoriteiten van met artikel 85, lid 1, of eventueel artikel 86 strijdige tariefovereenkomsten onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, met name met artikel 5 EEG-Verdrag, en dat zowel de luchtvaartautoriteiten als de gemeenschapsinstellingen zich moeten onthouden van alles wat beschouwd zou kunnen worden als een aansporing voor het sluiten van dergelijke overeenkomsten door de luchtvaartmaatschappijen."
HvJ EG 11 april 1989, nr. 66/86 (Ahmed Saeed Flugreisen e.a. tegen Zentrale für bekämpfung unlauteren Wettbewerbs), Jurispr. 1989, p. 852.
"De artikelen 3, sub f, 5, tweede alinea, en 85 EEG-Verdrag staan er niet aan in de weg, dat indien elk verband met gedragingen van ondernemingen als bedoeld in artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag ontbreekt, een overheidsregeling aan verzekeringstussenpersonen verbiedt, de door de verzekeringsmaatschappijen betaalde provisies geheel of gedeeltelijk aan hun klanten af te staan."
HvJ EG 17 november 1993, nr. C-2/91 (Meng,), Jurispr. 1993, p. I-5751. Zie ook HvJ EG 17 november 1993, nr. C-245/91 (Ohra), Jurispr. 1993, p. I-5851.
"De artikelen 3, sub f, 5, tweede alinea, en 85 van het Verdrag staan niet eraan in de weg, dat een regeling van een Lid-Staat bepaalt, dat de tarieven voor het goederenvervoer over de weg over lange afstand (Güterfernverkehr) door tariefcommissies worden vastgesteld en, na goedkeuring door de overheid, voor alle marktdeelnemers algemeen verbindend worden, indien de leden van deze commissies, hoewel zij door de overheid op voordracht van de betrokken organisaties worden benoemd, niet als vertegenwoordigers van deze beroepsorganisaties over de prijzen dienen te onderhandelen en ter zake een overeenkomst dienen te sluiten, doch onafhankelijke deskundigen zijn, die de tarieven op basis van overwegingen van algemeen belang dienen vast te stellen, en indien de overheid geen afstand doet van haar bevoegdheden, doch in het bijzonder erop toeziet, dat de commissies de tarieven op basis van overwegingen van algemeen belang vaststellen en, zo nodig, haar eigen besluit in de plaats stelt van het besluit van deze commissies."
HvJ EG 17 november 1993, nr. C-185/91 (Bundesanstalt für den Güterfernvrekehr tegen Reiff), Jurispr. 1993, p. I-5801. Zie ook HvJ EG 19 februari 2002, nr. C-35/99 (strafzaak tegen Manuele Arduino), Jurispr. 2002, p. I-1529.
"1) De artikelen 3, sub g, 5, 85, 86 en 90 alsmede artikel 30 EG-Verdrag verzetten er zich niet tegen, dat een regeling van een Lid-Staat bepaalt, dat de tarieven voor goederenvervoer over de weg door de overheid worden goedgekeurd en verbindend verklaard op basis van voorstellen van een comité, indien dit is samengesteld uit een meerderheid van vertegenwoordigers van de overheid naast een minderheid van vertegenwoordigers van de belanghebbende marktdeelnemers, en in zijn voorstellen een aantal criteria van openbaar belang in acht moet nemen, en indien de overheid verder geen afstand doet van haar prerogatieven, in die zin dat zij, alvorens de voorstellen goed te keuren, rekening houdt met de opmerkingen van andere openbare en particuliere organisaties, ja zelfs de tarieven ambtshalve vaststelt."
HvJ EG 5 oktober 1995, nr. C-96/94 (Centro Servici Spediporto tegen Spedicioni Marritima del Golfo), Jurispr. 1995, p. I-2900. Zie ook HvJ EG 1 oktober 1998, nr. C-38/97 (Autotrasporti Librandi v. Cuttica), Jurispr. 1998, p. I-5955.
“24 Er zij aan herinnerd dat artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, de lidstaten verplicht, geen maatregelen van wettelijke of bestuursrechtelijke aard te nemen of te handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (zie met name arrest Albany, reeds aangehaald, punt 65, arresten van 21 september 1999, Brentjens, C‑115/97–C‑117/97, Jurispr. blz. I‑6025, punt 65, en Drijvende Bokken, C‑219/97, Jurispr. blz. I‑6121, punt 55).
(...)
37 (...) Daarvan is sprake wanneer een lidstaat het tot stand komen van met artikel 101 VWEU strijdige mededingingsregelingen oplegt of begunstigt of de werking ervan versterkt, dan wel aan zijn eigen regeling het overheidskarakter ontneemt door de verantwoordelijkheid voor het nemen van besluiten tot interventie op economisch gebied aan particuliere marktdeelnemers te delegeren (zie in die zin arresten van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C‑35/96, Jurispr. blz. I‑3851, punten 53 en 54, en Corsica Ferries France, C‑266/96, Jurispr. blz. I‑3949, punten 35, 36 en 49, en arrest Albany, reeds aangehaald, punt 65).”
HvJ EU 3 maart 2011, nr. C-437/09, Jur. 2011, p. 973 (AG2R Prévoyance).
- "33 Overigens besluit het Osservatorio bij meerderheid van zijn leden zonder dat een vertegenwoordiger van de Staat beschikt over een vetorecht of over een doorslaggevende stem waarmee de krachtsverhoudingen tussen de overheid en de particuliere sector kunnen worden hersteld, anders dan in de zaken die hebben geleid tot de arresten Reiff (C‑185/91, EU:C:1993:886, punt 22), Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft (C‑153/93, EU:C:1994:240, punt 21), Centro Servizi Spediporto (EU:C:1995:308, punt 27) en Librandi (EU:C:1998:454, punt 35).
34 Het door een dergelijke beroepsorganisatie vastgestelde tarief kan niettemin het karakter van een overheidsregeling hebben, met name als de leden van deze organisatie deskundigen zijn die onafhankelijk zijn van de betrokken marktdeelnemers en die wettelijk verplicht zijn bij de vaststelling van de tarieven niet alleen rekening te houden met de belangen van de ondernemingen of ondernemersverenigingen in de sector die hen benoemd heeft, maar ook met het algemeen belang en met de belangen van ondernemingen in andere sectoren of van hen die van de betrokken diensten gebruikmaken (zie in deze zin arresten Reiff, EU:C:1993:886, punten 17‑19 en 24; Delta Schiffahrts- und Speditionsgesellschaft, EU:C:1994:240, punten 16‑18 en 23; DIP e.a., C‑140/94–C‑142/94, EU:C:1995:330, punten 18 en 19; Commissie/Italië, C‑35/96, EU:C:1998:303, punt 44, en Arduino, EU:C:2002:97, punt 37).
(...)
41 Uit het voorgaande vloeit voort dat het Osservatorio, gelet op de samenstelling en de werking ervan, maar ook op het ontbreken van zowel wettelijke criteria van algemeen belang die nauwkeurig genoeg zijn om te waarborgen dat de vertegenwoordigers van vervoerders en opdrachtgevers daadwerkelijk handelen in het algemeen belang dat de wet beoogt te verwezenlijken, als effectieve controle en beslissingsbevoegdheid in laatste instantie door de Staat, moet worden beschouwd als een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101 VWEU wanneer het bij besluit de minimumbedrijfskosten voor het wegvervoer vaststelt, zoals in de hoofdgedingen.
(...)
45 Gelet op een en ander moet worden geconstateerd dat het vaststellen van minimumbedrijfskosten voor het wegvervoer die krachtens een nationale regeling bindend worden verklaard, zoals in de hoofdgedingen, de mededinging binnen de interne markt kan beperken.
(...)
48 In die context moet worden nagegaan of de beperkingen die bij de regels in de hoofdgedingen worden opgelegd, niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van legitieme doelstellingen (zie in die zin arresten Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 47, en Consiglio nazionale dei geologi en Autorità garante della concorrenza e del mercato, EU:C:2013:489, punt 54).
(...)
51 Hoewel niet kan worden ontkend dat de bescherming van de verkeersveiligheid een legitieme doelstelling kan zijn, is de vaststelling van minimumbedrijfskosten geen passend middel om deze doelstelling direct dan wel indirect te verwezenlijken.
(...)
53 Bovendien is een nationale wettelijke regeling slechts geschikt om de verwezenlijking van het gestelde doel te verzekeren, wanneer zij de verwezenlijking ervan werkelijk coherent en systematisch nastreeft (zie arresten Hartlauer, C‑169/07, EU:C:2009:141, punt 55, en Attanasio Group, C‑384/08, EU:C:2010:133, punt 51).
'...)
Artikel 101 VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, uit hoofde waarvan de prijs voor het vervoer van goederen over de weg voor rekening van derden niet lager mag zijn dan minimumbedrijfskosten die worden vastgesteld door een orgaan dat hoofdzakelijk wordt gevormd door vertegenwoordigers van de betrokken marktdeelnemers."
HvJ EU 4 september 2014, nrs. C-184/13 - C-187/12, C-194/12, C-195/13 en C-208/13 (API e.a.), ECLI:EU:C:2014:2147.
- "48 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de Bulgaarse overheidsinstanties hun bevoegdheden op het gebied van de vaststelling van de minimumbedragen voor de vergoeding van de advocaat hebben gedelegeerd aan particuliere marktdeelnemers, blijkt uit de aan het Hof ter beschikking staande stukken dat de enige controle die door een overheidsinstantie wordt uitgeoefend op de verordeningen van de hoge raad voor de advocatuur waarbij die minimumbedragen zijn vastgesteld, die door de Varhoven administrativen sad is, die beperkt is tot de vraag of die verordeningen in overeenstemming zijn met de Bulgaarse grondwet en wetten.
49 Uit het bovenstaande volgt dat een beroepsorganisatie als de hoge raad voor de advocatuur, gezien het ontbreken van bepalingen waarmee kan worden gewaarborgd dat hij zich gedraagt als een verlengstuk van het openbaar gezag dat in het algemeen belang handelt, onder effectieve controle van de staat, die in laatste instantie beslissingsbevoegd is, moet worden beschouwd als een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101 VWEU wanneer hij de verordeningen tot bepaling van de minimumbedragen voor de vergoeding van de advocaat vaststelt."
Dictum:
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan de advocaat en zijn cliënt, op straffe van een tuchtrechtelijke procedure voor de advocaat, geen lagere vergoeding mogen overeenkomen dan het minimumbedrag dat is vastgesteld bij een verordening van een beroepsorganisatie van advocaten, zoals de Vissh advokatski savet (hoge raad voor de advocatuur, Bulgarije), en de rechter niet mag gelasten dat een lagere vergoeding voor het honorarium dan dit minimumbedrag moet worden betaald, de mededinging binnen de interne markt kan beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijke regeling, afgaand op de wijze waarop zij concreet wordt toegepast, daadwerkelijk beantwoordt aan legitieme doelstellingen en niet verder gaat dan voor het verwezenlijken van die legitieme doelstellingen noodzakelijk is.'
HvJ EU 23 november 2017, nrs. C- 427/16 en C-428/16, (CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International), ECLI:EU:C:2017:890.
- "39 Voor zover een nationale rechter zou vaststellen dat de beperkingen van de mededinging, die voortvloeien uit een verordening inzake minimumbedragen voor advocatenhonoraria, niet kunnen worden geacht inherent te zijn aan het nastreven van legitieme doelstellingen, is de nationale regeling die bindende kracht aan deze verordening verleent, onverenigbaar met artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU.
40 In een dergelijk geval is deze rechter verplicht de litigieuze nationale regel buiten toepassing te laten. Hoewel artikel 101 VWEU slechts betrekking heeft op het gedrag van ondernemingen en niet op wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen van de lidstaten, neemt dit namelijk niet weg dat dit artikel juncto artikel 4, lid 3, VEU, dat een verplichting tot samenwerking tussen de Unie en de lidstaten in het leven roept, voorschrijft dat de lidstaten geen maatregelen, zelfs niet van wettelijke of bestuursrechtelijke aard, nemen of handhaven die het nuttig effect van de op de ondernemingen toepasselijke mededingingsregels ongedaan kunnen maken (arrest van 21 september 2016, Etablissements Fr. Colruyt, C‑221/15, EU:C:2016:704, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
Dictum:
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat ingeval een nationale rechter zou vaststellen dat een bij een nationale regeling verbindend verklaarde verordening tot vaststelling van minimumbedragen voor advocatenhonoraria in strijd is met artikel 101, lid 1, VWEU, deze rechter moet weigeren om deze nationale regeling toe te passen ten aanzien van de partij die is verwezen in de kosten van de advocatenhonoraria, ook wanneer deze partij geen overeenkomst voor advocatendiensten en voor de betaling van advocatenhonoraria heeft gesloten."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Motiveringsplicht
"De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld. Het ontbreken van een motivering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de gerechtelijke instanties van de Unie kennis krijgt van de redenen van het besluit (reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 In het bijzonder moet een beschikking houdende toepassing van de regels van de Unie op het gebied van het mededingingsrecht, wanneer zij meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekening van de inbreuk, een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, inzonderheid van degenen die volgens de bewoordingen van deze beschikking aansprakelijk zijn voor de inbreuk. Zo dient een dergelijke beschikking ten aanzien van een moedermaatschappij die zij aansprakelijk stelt voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter in beginsel omstandig de redenen uiteen te zetten die de toerekening van de inbreuk aan deze onderneming rechtvaardigen.”
HvJ EU 19 juli 2012, nr. C-628/10 P en C-14/11 P, ECLI:EU:C:2012:479 (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie).
"54 Vooraf zij eraan herinnerd dat de motivering van een arrest van het Gerecht volgens vaste rechtspraak diens redenering duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen (zie met name arrest ENI/Commissie, reeds aangehaald, punt 74).
55 De motiveringsplicht houdt echter niet in dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen bij het geding volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten niet heeft aanvaard en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (zie met name arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, punt 82).
56 Bovendien kan de Unierechter in het kader van de rechtmatigheidstoetsing krachtens artikel 263 VWEU zijn eigen motivering in geen geval in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht (zie met name arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 Het Gerecht kan evenwel niet worden verweten dat het zijn eigen motivering over de toerekenbaarheid van de door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie, indien de overwegingen van het betrokken arrest betrekking hebben op argumenten die de verzoekende partijen voor het Gerecht hebben aangevoerd ter weerlegging van het vermoeden dat zij een beslissende invloed hebben uitgeoefend, en die het Gerecht in het kader van zijn toezicht op de rechtmatigheid van de litigieuze beschikking dient te onderzoeken (zie in die zin reeds aangehaalde beschikkingen van 7 februari 2012, Total en Elf Aquitaine/Commissie, punt 65, en 13 september 2012, Total en Elf Aquitaine/Commissie, punt 60)."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
Lid 1
NB artikel 85 en 86 EEG zijn hernummerd tot artikel 81 en 82 EG bij het Verdrag van AMsterdam en vervolgens tot artikel 101 en 102 VWEU bij het Verdarg van Lissabon.
Toepasselijkheid
"59 Hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, zou de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociale politiek ernstig worden belemmerd indien de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan artikel 85, lid 1, van het Verdrag moesten houden.
60 Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve, dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag te vallen."
HvJ EG 21 september 1999, nr. C-67/96, ECLI:EU:C:1999:430, Jurispr. 1999, p. I-5882 (Albany International/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie).
“29 Dienaangaande zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat het Hof heeft geoordeeld dat overeenkomsten die in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden, wegens hun aard en doel moeten worden geacht niet onder artikel 101, lid 1, VWEU te vallen (zie in die zin arresten Albany, punt 60; Brentjens, punt 57, en Drijvende Bokken, punt 47, alsook arresten van 12 september 2000, Pavlov e.a., C‑180/98–C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451, punt 67, en 21 september 2000, Van der Woude, C‑222/98, Jurispr. blz. I‑7111, punt 22).
(...)
31 Uit de vaststellingen van de verwijzende rechter blijkt enerzijds dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst is gesloten in de vorm van een aanvullende overeenkomst bij een collectieve overeenkomst en bijgevolg het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen de werkgevers‑ en werknemersorganisaties voor de ambachtelijke bakkerijsector in Frankrijk.
32 Wat anderzijds het doel ervan betreft, voert deze overeenkomst in een bepaalde sector een stelsel van aanvullende vergoeding van zorgkosten in, welk stelsel bijdraagt tot de verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers, niet alleen door hun de nodige middelen te garanderen om de kosten te kunnen betalen die gepaard gaan met ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte of zwanger‑ en moederschap, maar ook door een verlaging van de kosten die zonder collectieve overeenkomst ten laste van de werknemers zouden komen.
33 Hieraan wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de toetreding tot een dergelijke overeenkomst verplicht is voor alle ondernemingen van de betrokken bedrijfstak van een lidstaat en dat daarin, anders dan in de overeenkomst waarover het ging in het hoofdgeding dat tot het arrest Albany heeft geleid, niet is voorzien in een vrijstelling van aansluiting.
34 In dat arrest heeft het Hof immers, enerzijds, bij de uitlegging van artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag (thans artikel 101, lid 1, VWEU) geen rekening gehouden met de mogelijkheden van vrijstelling van aansluiting bij dat pensioenfonds.
35 Anderzijds vloeit uit de punten 26 en 27 van het reeds aangehaalde arrest van der Woude voort, dat een collectieve overeenkomst betreffende een stelsel van ziektekostenverzekering waarin één enkel orgaan wordt aangewezen in geval van aansluiting bij dat stelsel, en aldus elke mogelijkheid van aansluiting bij concurrerende instellingen wordt uitgesloten, buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU valt.
36 Bijgevolg valt een overeenkomst zoals aanvullende overeenkomst nr. 83 wegens de aard of het doel ervan niet onder artikel 101, lid 1, VWEU.”
HvJ EU 3 maart 2011, nr. C-437/09, Jurispr. 2011, p. 973 (AG2R Prévoyance).
- "40 Hieruit volgt dat de krachtens artikel 83, lid 1, EG vastgestelde bepalingen, wat de mededingingsbeperkingen betreft die rechtstreekse gevolgen hebben voor de markt van luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van derde landen, pas op 1 mei 2004 in werking zijn getreden.
41 Bij gebreke van dergelijke bepalingen waren vóór die datum dus alleen de regelingen voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 84 en 85 EG op deze diensten van toepassing (zie in die zin arresten van 30 april 1986, Asjes e.a., 209/84–213/84, EU:C:1986:188, punt 52, en 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 21).
42 In het onderhavige geval vielen de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde gedragingen, voor zover die om te beginnen hebben plaatsgevonden tussen 1999 en 1 mei 2004, voorts rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en derde landen en tevens de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden in de zin van artikel 81, lid 1, EG – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan –, niet onder de krachtens artikel 83 EG vastgestelde bepalingen, maar enkel onder de regelingen voor de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 84 en 85 EG.
43 Hetzelfde geldt voor de gedragingen in de hoofdgedingen die hebben plaatsgevonden tussen 1999 en de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer, te weten 1 juni 2002, voor zover zij rechtstreeks betrekking hadden op luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van Zwitserland en de handel tussen de lidstaten ongunstig konden beïnvloeden, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, van deze overeenkomst, gelezen in samenhang met de bijlage erbij, worden de luchthavens op het Zwitserse grondgebied sinds de inwerkingtreding van deze overeenkomst immers beschouwd als „luchthavens van de [Unie]” in de zin van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 3975/87 en artikel 1 van verordening nr. 3976/87, en niet meer als luchthavens van derde landen.
44 Verweersters in de hoofdgedingen hebben zowel in hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen als ter terechtzitting in essentie betoogd dat de sector luchtvervoer tot de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 op 1 mei 2004 buiten de toepassing van artikel 81 EG is gebleven. Deze partijen en de Commissie hebben eveneens betoogd dat artikel 81, lid 1, EG onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hoe dan ook geen rechtstreekse werking heeft, aangezien de nationale rechterlijke instanties artikel 81, lid 1, EG niet konden toepassen zonder dat de bevoegde nationale autoriteiten of de Commissie in een besluit een inbreuk op deze bepaling hadden vastgesteld. Door in artikel 6 van verordening nr. 1/2003 te bepalen dat de nationale rechterlijke instanties voortaan de artikelen 81 en 82 EG ten volle konden toepassen, is bij deze verordening een nieuwe materiële regeling ingevoerd die niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast op gedragingen zoals in de hoofdgedingen, die vóór de inwerkingtreding van deze verordening en onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hebben plaatsgevonden.
45 In dit verband is het ten eerste van belang eraan te herinneren dat het Hof reeds voor recht heeft verklaard dat het luchtvervoer, evenals de andere takken van vervoer, sinds de inwerkingtreding van de Verdragen onderworpen is aan de algemene regels van de Verdragen, waaronder de mededingingsregels (zie in die zin arrest van 30 april 1986, Asjes e.a., 209/84–213/84, EU:C:1986:188, punten 35‑45).
46 Bovendien heeft de Raad, zoals de advocaat-generaal in de punten 72 tot en met 77 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, geen gebruik gemaakt van zijn uit artikel 83, lid 2, onder c), EG voortvloeiende bevoegdheid om de materiële werkingssfeer van artikel 81 EG in de sector luchtvervoer te beperken.
47 Ten tweede moet worden benadrukt dat het Unierecht volgens vaste rechtspraak, evenzeer als het ten laste van particulieren verplichtingen in het leven roept, ook rechten schept die zij uit eigen hoofde kunnen doen gelden. Deze rechten ontstaan niet alleen wanneer de Verdragen ze uitdrukkelijk toekennen, maar ook als weerslag van duidelijk bepaalde verplichtingen die de Verdragen zowel aan particulieren als aan de lidstaten en de instellingen van de Unie opleggen (arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 19, en 6 juni 2013, Donau Chemie e.a., C‑536/11, EU:C:2013:366, punt 20).
48 In dit verband heeft het Hof reeds voor recht verklaard dat artikel 81, lid 1, EG rechtstreekse gevolgen teweegbrengt in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doet ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (zie in die zin arresten van 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Eenieder kan zich immers in rechte op schending van artikel 81, lid 1, EG beroepen en bijgevolg de nietigheid inroepen van een door deze bepaling verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging als bedoeld in artikel 81, lid 2, EG (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a., C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 59), en vergoeding van de geleden schade vorderen wanneer er een causaal verband bestaat tussen die schade en die mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging (arrest van 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Bovendien heeft het Hof, wat meer in het bijzonder schadevorderingen betreft die bij de nationale rechterlijke instanties wegens schending van de mededingingsregels van de Unie worden ingesteld, geoordeeld dat deze vorderingen de volle werking van artikel 81 EG en met name het nuttige effect van het in lid 1 daarvan neergelegde verbod waarborgen en dat de mededingingsregels van de Unie aldus gemakkelijker toepasbaar worden, aangezien de – vaak verborgen – overeenkomsten of feitelijke gedragingen die de mededinging kunnen beperken of vervalsen daardoor minder aantrekkelijk worden (zie in die zin arresten van 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punten 25, 43 en 44; 12 december 2019, Otis Gesellschaft e.a., C‑435/18, EU:C:2019:1069, punten 22, 24 en 26, en 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punten 33 en 35).
51 De nationale rechterlijke instanties zijn dus bevoegd om artikel 81 EG in met name privaatrechtelijke geschillen toe te passen en ontlenen deze bevoegdheid aan de rechtstreekse werking van dit artikel (zie in die zin arrest van 30 januari 1974, BRT en Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, 127/73, EU:C:1974:6, punt 15).
52 Volgens vaste rechtspraak dient de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het Unierecht, immers niet alleen de volle werking van dat recht te verzekeren maar ook de daarin aan particulieren toegekende rechten te beschermen (arrest van 6 juni 2013, Donau Chemie e.a., C‑536/11, EU:C:2013:366, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat aan deze rechterlijke instanties om te zorgen voor de rechtsbescherming die voor de justitiabelen voortvloeit uit de rechtstreekse werking van Unierechtelijke bepalingen (zie in die zin arrest van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral, 33/76, EU:C:1976:188, punt 5).
53 Ten derde moet worden benadrukt dat, zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 43 en 44 van zijn conclusie, de in punt 51 van dit arrest bedoelde bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties niet wordt aangetast door de toepassing van de artikelen 84 en 85 EG, aangezien geen van deze twee bepalingen – die betrekking hebben op de administratieve uitvoering van de mededingingsregels van de Unie door respectievelijk de autoriteiten van de lidstaten en de Commissie – de toepassing van artikel 81 EG door de nationale rechterlijke instanties, met name in privaatrechtelijke geschillen, beperkt.
54 Uit de overwegingen in de punten 45 tot en met 53 van dit arrest volgt dat niet geoordeeld kan worden dat er bij verordening nr. 1/2003, door in artikel 6 daarvan te bepalen dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om de artikelen 81 en 82 EG toe te passen, een nieuw stelsel van materiaal recht is ingevoerd dat van toepassing is op de economische sectoren waarin vóór de inwerkingtreding van deze verordening geen op grond van artikel 83 EG vastgestelde bepalingen bestonden. Dit artikel 6 herhaalt immers slechts de bevoegdheid waarover deze rechterlijke instanties op grond van de rechtstreekse werking van de artikelen 81 en 82 EG beschikken.
55 Niettemin moet worden verduidelijkt dat de uitoefening van de aldus aan de nationale rechterlijke instanties verleende bevoegdheid kan worden beperkt door met name het rechtszekerheidsbeginsel, en wel in het bijzonder doordat moet worden voorkomen dat die rechterlijke instanties en de instanties die zijn belast met de administratieve uitvoering van de mededingingsregels van de Unie, tegenstrijdige beslissingen vaststellen, alsook door de noodzaak de besluitvormings‑ of wetgevende bevoegdheden van de instellingen van de Unie die zijn belast met de uitvoering van die regels – met name artikel 81, lid 3, EG – te beschermen, en de bindende werking van hun handelingen te verzekeren.
56 Gelet op dergelijke overwegingen heeft het Hof met name geoordeeld dat de nationale rechterlijke instanties, wanneer zij zich uitspreken over overeenkomsten of feitelijke gedragingen waarover de Commissie nog een besluit kan nemen, beslissingen moeten voorkomen die in tegenspraak zijn met een besluit dat de Commissie ter uitvoering van artikel 81, lid 1, EG, artikel 82 EG en artikel 81, lid 3, EG beoogt te geven (zie in die zin arresten van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 47, en 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 51), en dat zij, wanneer zij zich uitspreken over overeenkomsten of feitelijke gedragingen waarover de Commissie reeds een besluit heeft genomen, a fortiori geen beslissingen mogen nemen die indruisen tegen dat besluit (arrest van 14 december 2000, Masterfoods en HB, C‑344/98, EU:C:2000:689, punt 52).
57 Deze rechtspraak is overigens thans gecodificeerd in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arresten van 6 november 2012, Otis e.a., C‑199/11, EU:C:2012:684 punt 50, en 9 december 2020, Groupe Canal +/Commissie, C‑132/19 P, EU:C:2020:1007, punt 112).
(...)
59 Op grond van de in punt 55 van dit arrest in herinnering gebrachte overwegingen heeft het Hof ook de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties beperkt om bepaalde overeenkomsten en besluiten krachtens artikel 81, lid 2, EG van rechtswege nietig te verklaren in een situatie waarin die overeenkomsten en besluiten al bestonden vóór de inwerkingtreding van de bepalingen van artikel 83, lid 1, EG, die later daarop van toepassing werden.
60 et Hof heeft immers geoordeeld dat overeenkomsten die vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 17 bestonden en overeenkomstig de bepalingen van deze verordening bij de Commissie waren aangemeld, voorlopig geldig waren, zodat de nationale rechterlijke instanties deze overeenkomsten niet van rechtswege nietig konden verklaren op grond van artikel 81, lid 2, EG wanneer de Commissie of de autoriteiten van de lidstaten geen besluit overeenkomstig deze verordening hadden vastgesteld (zie in die zin arresten van 6 april 1962, de Geus, 13/61, EU:C:1962:11, blz. 108; 6 februari 1973, Brasserie de Haecht, 48/72, EU:C:1973:11, punten 8 en 9; 10 juli 1980, Lancôme en Cosparfrance Nederland, 99/79, EU:C:1980:193, punt 16, en 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 48).
61 Het is van belang erop te wijzen dat deze voorlopige geldigheid noodzakelijk was geworden doordat artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 2, van verordening nr. 17, in hun onderlinge samenhang gelezen, de Commissie de mogelijkheid boden om artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag (vervolgens artikel 81, lid 1, EG) ingevolge artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag (vervolgens artikel 81, lid 3, EG) met terugwerkende kracht niet van toepassing op deze overeenkomsten te verklaren, en dat het in strijd zou zijn geweest met het algemene rechtszekerheidsbeginsel om die overeenkomsten van rechtswege nietig te verklaren nog voordat de mogelijkheid heeft bestaan om vast te stellen of artikel 85 EEG-Verdrag daar al dan niet op van toepassing was (zie in die zin arrest van 6 april 1962, de Geus, 13/61, EU:C:1962:11, blz. 107).
62 In het onderhavige geval vereisen overwegingen zoals die bedoeld in punt 55 van dit arrest echter niet dat de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om artikel 81 EG toe te passen op gedragingen van ondernemingen die, net als de gedragingen van de ondernemingen in de hoofdgedingen, vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 hebben plaatsgevonden onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG, wordt beperkt op een wijze die analoog is aan de in punt 60 van dit arrest bedoelde rechtspraak, onverminderd, in voorkomend geval, de toepasselijke verjaringsregels.
63 Verordening nr. 1/2003, die van toepassing is geworden op de sector waarin de gedragingen in de hoofdgedingen hebben plaatsgevonden, bevat immers geen bepaling op grond waarvan overeenkomsten of feitelijke gedragingen van vóór de inwerkingtreding van deze verordening met terugwerkende kracht kunnen worden goedgekeurd. Overigens bepaalt artikel 34, lid 1, van deze verordening dat de aanmeldingen van overeenkomsten die op grond van met name verordening nr. 17 bij de Commissie zijn gedaan, met ingang van 1 mei 2004 vervallen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat verweersters in de hoofdgedingen de in die gedingen aan de orde zijnde gedragingen hoe dan ook niet hadden aangemeld.
64 De in punt 55 van dit arrest in herinnering gebrachte overwegingen hebben het Hof bovendien ertoe gebracht, de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties te beperken om bepaalde overeenkomsten nietig te verklaren voor de inwerkingtreding van de in artikel 83, lid 1, EG bedoelde bepalingen die daarop van toepassing zouden worden. (...)
66 Anders dan bij de in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak, die betrekking heeft op de mogelijkheid voor de nationale rechterlijke instanties om bepaalde overeenkomsten nietig te verklaren vóór de inwerkingtreding van de in artikel 83, lid 1, EG bedoelde bepalingen die daarop van toepassing zouden worden, hebben de hoofdgedingen, zoals uit de verwijzingsbeslissing volgt, betrekking op na de inwerkingtreding van verordening nr. 1/2003 verricht onderzoek naar de verenigbaarheid met artikel 81, lid 1, EG van gedragingen die voor de inwerkingtreding van deze verordening onder vigeur van de artikelen 84 en 85 EG hebben plaatsgevonden. Toen de beroepen in de hoofdgedingen werden ingesteld, had de Uniewetgever door de vaststelling van deze verordening en verordening nr. 411/2004 zijn in punt 65 van dit arrest bedoelde bevoegdheid ten aanzien van de sector van de luchtvervoersdiensten tussen luchthavens van de Unie en die van derde landen dus al uitgeoefend, zodat het niet gerechtvaardigd zou zijn om de mogelijkheid van de verwijzende rechter te beperken om artikel 81, lid 1, EG toe te passen op de gedragingen in de hoofdgedingen.
67 Tegen die achtergrond belet de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheid dat met betrekking tot deze gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG of artikel 85 EG is vastgesteld, deze rechter niet om artikel 81 EG op die gedragingen toe te passen teneinde te beoordelen of er sprake is van een inbreuk op laatstgenoemd artikel en, in voorkomend geval, vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade te gelasten."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "68 Wat in de tweede plaats de uitlegging van artikel 53 EER‑Overeenkomst betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit artikel in dezelfde bewoordingen als artikel 81 EG een verbod instelt op overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de EER wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
69 Bovendien moet worden benadrukt dat de EER‑Overeenkomst een integrerend bestanddeel vormt van het Unierecht (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 49).
70 Deze overeenkomst bevestigt opnieuw de bevoorrechte relatie tussen de Unie, haar lidstaten en de staten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit. Tegen de achtergrond van deze bevoorrechte relatie moet een van de belangrijkste doelstellingen van de EER‑Overeenkomst worden begrepen, namelijk de uitbreiding van de op het grondgebied van de Unie tot stand gebrachte interne markt tot de EVA-staten. In deze optiek beogen meerdere bepalingen van deze Overeenkomst een zo uniform mogelijke interpretatie ervan te waarborgen in de gehele EER. Het is de taak van het Hof om er in dit kader over te waken dat de regels van de EER‑Overeenkomst die in wezen gelijk zijn aan die van het VWEU, in alle lidstaten uniform worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Hieruit volgt dat artikel 53 van de EER‑Overeenkomst, dat in essentie identiek is aan artikel 81 EG, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als dit laatste artikel.
72 Voorts zijn verordening nr. 1/2003 en verordening nr. 411/2004 in het kader van de EER‑Overeenkomst van toepassing geworden na de inwerkingtreding op 19 mei 2005 van besluit nr. 130/2004 van het Gemengd Comité van de EER van 24 september 2004 (...)
73 In die omstandigheden zijn de in de punten 47 tot en met 67 van dit arrest uiteengezette overwegingen, voor zover de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde gedragingen de handel tussen de partijen bij de EER‑Overeenkomst ongunstig kunnen beïnvloeden – hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan – mutatis mutandis van toepassing op de uitlegging van artikel 53 van deze Overeenkomst in de hoofdgedingen.
74 Zoals de Noorse regering en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in essentie hebben opgemerkt en zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft uiteengezet, kan in dat verband het ontbreken van een met artikel 84 EG gelijkwaardige bepaling in de EER‑Overeenkomst niet afdoen aan deze gevolgtrekking, aangezien deze bepaling, zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is gepreciseerd, niet van invloed is op de bevoegdheid waarover de nationale rechterlijke instanties krachtens de rechtstreekse werking van artikel 81 EG beschikken."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "De artikelen 81, 84 en 85 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter bevoegd is om in een privaatrechtelijk geschil betreffende een na de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] bij hem ingestelde vordering tot schadevergoeding, artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte toe te passen op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en een ander derde land dan Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 mei 2004, op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een lidstaat en Zwitserland die hebben plaatsgevonden vóór 1 juni 2002, en op gedragingen van ondernemingen in de sector van het luchtvervoer tussen een tot de Europese Economische Ruimte behorend land dat geen lidstaat is en een derde land die hebben plaatsgevonden vóór 19 mei 2005, ook al is met betrekking tot die gedragingen geen besluit krachtens artikel 84 EG dan wel artikel 85 EG vastgesteld, voor zover die gedragingen de handel tussen lidstaten respectievelijk de handel tussen de partijen bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte ongunstig konden beïnvloeden."
HvJ EU 11 november 2021, nr. 819/19 (Stichting Cartel Compensation en Equilib tegen KLM e.a.), ECLI:EU:C:2021:904.
- "91 In so far as it constitutes an economic activity, the practice of sport is subject to the provisions of EU law applicable to such activity (see, to that effect, judgments of 12 December 1974, Walrave and Koch, 36/74, EU:C:1974:140, paragraph 4, and of 16 March 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, paragraph 27).
92 Only certain specific rules which were adopted solely on non-economic grounds and which relate to questions of interest solely to sport per se must be regarded as being extraneous to any economic activity. That is the case, in particular, of those on the exclusion of foreign players from the composition of teams participating in competitions between teams representing their country or the determination of ranking criteria used to select the athletes participating individually in competitions (see, to that effect, judgments of 12 December 1974, Walrave and Koch, 36/74, EU:C:1974:140, paragraph 8; of 15 December 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, paragraphs 76 and 127; and of 11 April 2000, Deliège, C‑51/96 and C‑191/97, EU:C:2000:199, paragraphs 43, 44, 63, 64 and 69).
93 Apart from those specific rules, the rules issued by sporting associations and, more broadly, the conduct of the associations which adopted them come within the scope of the FEU Treaty provisions on competition law where the conditions of application of those provisions are met (see, to that effect, judgment of 18 July 2006, Meca-Medina and Majcen v Commission, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, paragraphs 30 to 33), which means that those associations may be categorised as ‘undertakings’ within the meaning of Articles 101 and 102 TFEU or that the rules at issue may be categorised as ‘decisions by associations of undertakings’ within the meaning of Article 101 TFEU.
94 That may be the case, in particular, regarding rules on a sporting association’s exercise of powers governing prior approval for sporting competitions, the organisation and marketing of which constitute an economic activity for the undertakings involved or planning to be involved therein, including such an association (see, to that effect, judgment of 1 July 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, paragraph 28). The same may also apply to rules that seek to cover the participation of athletes in such events, which constitutes an economic activity where they practise the sport concerned as a professional or semi-professional.
95 That being so, a sporting activity undeniably has specific characteristics which, whilst relating especially to amateur sport, may also be found in the pursuit of sport as an economic activity (see, to that effect, judgment of 13 April 2000, Lehtonen and Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, paragraph 33).
96 The specific characteristics of an economic sector may potentially be taken into account, along with other elements and provided that they are relevant, in the application of Article 101 TFEU and more especially when examining the question whether a particular type of conduct should be considered as having as its ‘object’ or, failing that, ‘effect’, the prevention, restriction or distortion of competition, in the light of the economic and legal context of which it forms a part and the ‘actual conditions’ or ‘actual context’ that characterise the structure and functioning of the sectors or markets concerned (see, to that effect, judgment of 15 December 1994, DLG", C‑250/92, EU:C:1994:413, paragraph 31). Such an assessment may involve taking into account, for example, the nature, organisation or functioning of the sport concerned and, more specifically, how professionalised it is, the manner in which it is practised, the manner of interaction between the various participating stakeholders and the role played by the structures and bodies responsible for it at all levels, with which the Union is to foster cooperation, in accordance with Article 165(3) TFEU.
(...)
112 Meer bepaald heeft het Hof op het gebied van de sport, gelet op de gegevens waarover het beschikte, geoordeeld dat de antidopingregelgeving die is vastgesteld door het IOC, niet valt onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, ook al beperkt zij de handelingsvrijheid van de atleten en heeft zij tot onvermijdelijk gevolg dat de mogelijke concurrentie tussen hen wordt beperkt doordat zij een grenswaarde bepaalt waarboven de aanwezigheid van nandrolon als doping wordt beschouwd, teneinde het eerlijke, integere en objectieve verloop van de sportcompetitie veilig te stellen, de gelijke kansen van de atleten te waarborgen, hun gezondheid te beschermen, en de ethische waarden die de kern van de sport vormen, te doen naleven, waaronder de verdienste (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 43‑55).
113 De in punt 111 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak kan daarentegen niet worden toegepast op gedragingen die niet gewoon tot onvermijdelijk „gevolg” hebben dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt doordat zij de handelingsvrijheid van bepaalde ondernemingen beknotten, maar zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat het gerechtvaardigd is om ze aan te merken als gedragingen die er juist „toe strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Enkel indien het onderzoek van de gedraging die in een concreet geval aan de orde is, uitwijst dat die gedraging er niet toe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, dient bijgevolg aansluitend te worden nagegaan of zij onder die rechtspraak kan vallen (zie in die zin arresten van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69; 4 september 2014, API e.a., C‑184/13–C‑187/13, C‑194/13, C‑195/13 en C‑208/13, EU:C:2014:2147, punt 49, en 23 november 2017, CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International, C‑427/16 en C‑428/16, EU:C:2017:890, punten 51, 53, 56 en 57)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "83 In dit verband moet in herinnering worden geroepen dat sportbeoefening, voor zover het daarbij gaat om een economische activiteit, onder de Unierechtelijke bepalingen valt die op een dergelijke activiteit van toepassing zijn (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 4, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 27).
84 Enkel bepaalde specifieke regels die uitsluitend zijn vastgesteld om niet-economische redenen en die betrekking hebben op kwesties waarbij het uitsluitend om de sport als zodanig gaat, kunnen worden beschouwd als regels die niets te maken hebben met een economische activiteit. Dat is met name het geval bij regels op grond waarvan buitenlandse spelers worden uitgesloten van deelname aan competities tussen teams die elk hun land vertegenwoordigen of waarbij criteria worden vastgesteld voor de selectie van atleten die individueel aan competities deelnemen (zie in die zin arresten van 12 december 1974, Walrave en Koch, 36/74, EU:C:1974:140, punt 8; 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 76 en 127, en 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 43, 44, 63, 64 en 69).
(...)
87 Tot slot vallen deze regels en, meer algemeen, het gedrag van de verenigingen die deze regels hebben vastgesteld, onder de VWEU-bepalingen betreffende het mededingingsrecht wanneer de voorwaarden voor toepassing van die bepalingen zijn vervuld (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 30‑33), wat betekent dat die verenigingen kunnen worden aangemerkt als „ondernemingen” in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU of dat de regels in kwestie kunnen worden gekwalificeerd als „besluiten van ondernemersverenigingen” in de zin van artikel 101 VWEU.
(...)
89 De regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn, ongeacht of zij uitgaan van de FIFA dan wel van de UEFA, behoren niet tot de regels waarop de in punt 84 van het onderhavige arrest bedoelde uitzondering kan worden toegepast, met betrekking waartoe het Hof herhaaldelijk in herinnering heeft geroepen dat zij beperkt moet blijven tot haar eigenlijke doel en dat zij niet kan worden aangewend om elke sportactiviteit van de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen betreffende het economische recht van de Unie uit te sluiten (zie in die zin arresten van 14 juli 1976, Donà, 13/76, EU:C:1976:115, punten 14 en 15, en 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 26).
90 Integendeel, ten eerste vallen de regels inzake de uitoefening door een sportvereniging van bevoegdheden betreffende de voorafgaande toestemming voor sportcompetities, waarvan de organisatie en het in de markt zetten, zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, een economische activiteit vormen voor de ondernemingen die zich daarmee bezighouden of voornemens zijn zich daarmee te bezig te houden, als zodanig binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake het mededingingsrecht (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 28). Om dezelfde reden vallen die regels ook binnen de werkingssfeer van de VWEU-bepalingen inzake vrij verkeer.
91 Ten tweede vallen ook de regels van de FIFA en de UEFA tot vaststelling van een kader voor de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan internationale clubvoetbalcompetities binnen de werkingssfeer van deze bepalingen. Hoewel deze regels niet voorzien in een formele regeling van de voorwaarden waaronder spelers werken of diensten verrichten of van de voorwaarden waaronder professionele voetbalclubs diensten verrichten of, meer in het algemeen, hun economische activiteit uitoefenen, moeten zij namelijk toch worden geacht een directe uitwerking te hebben op, naargelang het geval, deze arbeid, deze dienstverrichting of de uitoefening van deze economische activiteit, aangezien zij noodzakelijkerwijs van invloed zijn op de mogelijkheid voor spelers en clubs om aan de betrokken competities deel te nemen.
92 Ten derde hebben de regels die de FIFA heeft vastgesteld met betrekking tot de exploitatie van de verschillende rechten in verband met internationale voetbalcompetities, juist tot doel de voorwaarden te regelen waaronder de ondernemingen die eigenaar zijn van deze rechten, deze kunnen exploiteren of de exploitatie ervan aan derde ondernemingen kunnen delegeren, daar deze activiteiten van economische aard zijn. Bovendien hebben deze regels een directe uitwerking op de voorwaarden waaronder deze derde ondernemingen of andere ondernemingen kunnen verwachten dat zij de genoemde rechten exploiteren of dat die rechten aan hen worden overgedragen of toegewezen, in welke vorm dan ook, teneinde bemiddelingsactiviteiten (zoals de doorverkoop van de desbetreffende rechten aan televisieomroepen en andere aanbieders van mediadiensten) of eindactiviteiten (zoals de uitzending of wederdoorgifte van bepaalde wedstrijden op televisie of via internet) te ontplooien die eveneens economisch van aard zijn.
93 Deze verschillende economische activiteiten voor de organisatie van sportcompetities, het in de markt zetten van sportevenementen, de uitzending ervan en de plaatsing van reclame, vullen elkaar overigens aan en zijn zelfs met elkaar verweven, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 56 en 57, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 33).
94 Bijgevolg vallen alle regels van de FIFA en de UEFA waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt binnen de werkingssfeer van de artikelen 45, 49, 56, 63, 101 en 102 VWEU."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "101 Hieruit volgt dat de bevoegde instellingen van de Unie weliswaar rekening moeten houden met de verschillende aspecten en doelstellingen die in artikel 165 VWEU zijn opgesomd wanneer zij op basis van dat artikel en onder de daarin gestelde voorwaarden stimuleringsmaatregelen of aanbevelingen op het gebied van de sport aannemen, maar dat die aspecten, doelstellingen, stimuleringsmaatregelen en aanbevelingen niet dwingend moeten worden geïntegreerd of in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van de regels waarover de verwijzende rechter het Hof om uitlegging vraagt, ongeacht of deze het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal (artikel 45, 49, 56 en 63 VWEU) dan wel de mededingingsregels (artikelen 101 en 102 VWEU) betreffen. Meer algemeen kan artikel 165 VWEU evenmin worden beschouwd als een bijzondere regel die de sport zou onttrekken aan alle of een deel van de andere bepalingen van het primaire Unierecht die erop kunnen worden toegepast, of die de verplichting zou opleggen om de sport bij die toepassing een speciale behandeling toe te kennen.
102 Ten derde blijft het een feit dat sport, zoals het Hof meermaals heeft vastgesteld, zowel voor de Unie als voor haar burgers een aanzienlijk maatschappelijk en educatief belang heeft, dat thans wordt weerspiegeld in artikel 165 VWEU (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 106, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punten 33 en 34).
103 Bovendien vertoont sport onmiskenbaar specifieke kenmerken die weliswaar met name eigen zijn aan amateursport, maar die niettemin ook kunnen worden aangetroffen waar het gaat om sportbeoefening als economische activiteit (zie in die zin arrest van 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 33).
104 Tot slot kunnen dergelijke specifieke kenmerken, naast andere aspecten en voor zover zij relevant zijn, eventueel in aanmerking worden genomen bij de toepassing van de artikelen 45 en 101 VWEU, doch enkel binnen het kader en met inachtneming van de voorwaarden en de toepassingscriteria waarin elk van deze artikelen voorziet. Dezelfde beoordeling gaat op voor de artikelen 49, 56, 63 en 102 VWEU.
105 In het bijzonder moet, wanneer wordt betoogd dat een regel die door een sportvereniging is vastgesteld een belemmering van het vrije verkeer van werknemers of een mededingingsverstorende regeling vormt, deze kwalificatie in elk geval zijn gebaseerd op een concreet onderzoek van de inhoud van die regel binnen de feitelijke context waarin deze moet worden uitgevoerd (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 98‑103; 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 61‑64, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punten 48‑50). Een dergelijk onderzoek kan vereisen dat rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld de aard, de organisatie of de werking van de betrokken sport en, meer bepaald, de mate waarin die sport beroepsmatig wordt uitgeoefend, de wijze waarop zij wordt uitgeoefend, de wisselwerking tussen de verschillende actoren die eraan deelnemen en de rol van de verantwoordelijke structuren of organismen op alle niveaus waarmee de Unie overeenkomstig artikel 165, lid 3, VWEU de samenwerking bevordert."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "119 In de derde en laatste plaats moet, voor zover de door de verwijzende rechter gestelde vragen betrekking hebben op zowel artikel 101 VWEU als artikel 102 VWEU, in herinnering worden gebracht dat een en dezelfde gedraging aanleiding kan geven tot een inbreuk op zowel het ene als het andere artikel, ook al hebben beide bepalingen onderscheiden doelstellingen en hebben zij een verschillende werkingssfeer. Deze artikelen kunnen derhalve gelijktijdig worden toegepast wanneer aan hun respectieve toepassingsvoorwaarden is voldaan [zie in die zin arresten van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 37; 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punt 33, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 146]. Deze artikelen moeten derhalve op coherente wijze worden uitgelegd en toegepast, doch met inachtneming van de specifieke kenmerken van elk ervan."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "60 Uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter blijkt meer bepaald dat de profvoetbalclubs die aan die competities deelnemen, op grond van die regels in wezen een minimumaantal HGP’s op het wedstrijdblad moeten inschrijven, en dat zij een sanctie krijgen opgelegd indien zij dat vereiste niet naleven. In de regels van de UEFA wordt met de uitdrukking „HGP’s” in feite zowel verwezen naar spelers die zijn opgeleid door de club waarvoor zij spelen, als naar spelers die zijn opgeleid door een andere club die bij dezelfde nationale voetbalbond is aangesloten. In de regels van de KBVB verwijst die uitdrukking uitsluitend naar spelers die zijn opgeleid door „een Belgische club”, dat wil zeggen om het even welke club die bij de KBVB is aangesloten. Dat dergelijke regels aldus de mogelijkheid van de clubs beperken om spelers op het wedstrijdblad in te schrijven en dus voor de betreffende wedstrijd op te stellen, maar niet formeel afdoen aan de mogelijkheid om de betrokken spelers aan te trekken, doet er niet toe, aangezien deelname aan wedstrijden en competities de essentie van de activiteit van de spelers uitmaakt, en die kans op werkgelegenheid bijgevolg eveneens wordt beperkt (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 120, en 13 april 2000, Lehtonen en Castors Braine, C‑176/96, EU:C:2000:201, punt 50).
61 Bovendien vormt de samenstelling van de ploegen een van de essentiële parameters van de competities waarin de profvoetbalclubs het tegen elkaar opnemen en geven deze competities aanleiding tot een economische activiteit, zodat de regels aan de orde in het hoofdgeding ook moeten worden geacht een directe uitwerking te hebben op die economische activiteit en op de concurrentie tussen de profvoetbalclubs die deze activiteit uitoefenen."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
Extraterritoriale werking
"72 (...) volgt uit de rechtspraak van het Hof dat buiten de EER gevestigde ondernemingen die goederen produceren die in de EER aan derden worden verkocht, wanneer zij de aan hun klanten in de EER in rekening te brengen prijzen onderling afstemmen en aan die afstemming uitvoering geven door tegen daadwerkelijk gecoördineerde prijzen te verkopen, deelnemen aan een onderlinge afstemming die ertoe strekt en tot gevolg heeft dat de mededinging op de interne markt in de zin van artikel 101 VWEU wordt beperkt, en dat de Commissie territoriaal bevoegd is om hiertegen op te treden (zie in die zin arrest Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, EU:C:1993:120, punten 13 en 14)."
HvJ EU 9 juli 2015, nr. C-231/14 P, ECLI:EU:C:2015:451 (InnoLux/Commissie).
Onderneming
"9 (…) Voor de toepassing van artikel 85 van het Verdrag leidt de wijziging van rechtsvorm en naam van een onderneming er niet toe dat er een nieuwe onderneming ontstaat , die voor met de mededinging strijdige gedragingen van eerstgenoemde onderneming niet heeft op te komen , wanneer beide ondernemingen , economisch-rechtelijk gezien , als een en dezelfde onderneming zijn te beschouwen ."
HvJ EG 28 maart 1984, nr. 29 en 30/83, ECLI:EU:C:1984:130, Jurispr. 1984, p. 1699 (Compagnie royale asturienne des mines en Rheinzink/Commissie).
"11 In het kader van het mededingingsrecht moet onder het begrip onderneming worden verstaan een met betrekking tot het voorwerp van de desbetreffende overeenkomst bestaande economische eenheid , ook al wordt deze economische eenheid gevormd door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen . (...)"
HvJ EG 12 juli 1984, nr. 170/83, ECLI:EU:C:1984:271, Jurispr. 1984, p. 3016 (Hydrotherm Gerätebau/Compact).
Zie ook HvJ EG 14 december 2006, nr. C-217/05, Jurispr. 2006, p. I-11987 (Confederación Española de Empresarios de Estaciones de Servicio).
"21 In de context van het mededingingsrecht moet worden gepreciseerd, dat enerzijds het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, en dat anderzijds arbeidsbemiddeling een economische activiteit is.
22 De omstandigheid dat de arbeidsbemiddeling gewoonlijk is toevertrouwd aan publiekrechtelijke organen, doet niets af aan het economisch karakter van deze activiteit . (...)"
HvJ EG 23 april 1991, nr. C-41/90, ECLI:EU:C:1991:161, Jurispr. 1991, p. I-2016 (Höfner en Elser/Macrotron).
Zie ook: HvJ EG 11 december 1997, nr. C-55/96, Jurispr. 1997, p. I-7119 (Job Centre).
"78 Voorts sloot het Hof in het arrest Poucet en Pistre (Bew.: 17 februari 1993, nr. C-159/91 en C-160/91, Jurispr. 1993, p. I-637) organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte, op het solidariteitsbeginsel gebaseerde socialezekerheidsstelsels, van dat begrip (Bew.: het begrip onderneming) uit. In het stelsel van ziekte- en moederschapsverzekering waarover het in die zaak moest oordelen, waren de uitkeringen immers voor alle aangeslotenen gelijk, doch waren de bijdragen evenredig aan het inkomen; in het stelsel van ouderdomsverzekering werd de financiering van de ouderdomspensioenen verzekerd door de actieve werknemers en waren de wettelijk vastgestelde pensioenrechten bovendien niet evenredig aan de aan het stelsel betaalde bijdragen; ten slotte droegen de stelsels met een overschot bij aan de financiering van stelsels met structurele financiële problemen. Voor deze solidariteit was noodzakelijk, dat de verschillende stelsels door één orgaan werden beheerd en dat de aansluiting bij die stelsels verplicht was.
79 In het arrest Fédération française des sociétés d’assurance e.a. (Bew.: 16 november 1995, nr. C-244/94, Jurispr. 1995, p. I-4013) daarentegen verklaarde het Hof voor recht, dat een orgaan zonder winstoogmerk, dat is belast met het beheer van een als aanvulling van een verplicht basisstelsel bedoeld stelsel van ouderdomsverzekering, dat bij wet als facultatief stelsel is ingevoerd en, met inachtneming van de door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde bepalingen, met name inzake aansluitingsvoorwaarden, bijdragen en uitkeringen, werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, een onderneming is in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag. De facultatieve deelneming, de toepassingvan het kapitalisatiebeginsel en het feit dat de uitkeringen uitsluitend afhingen van de hoogte van de door de rechthebbenden betaalde premies en van de opbrengsten van de door het beheersorgaan verrichte beleggingen, betekenden dat dit orgaan een economische activiteit uitoefende en daarbij concurreerde met
levensverzekeringsmaatschappijen. Noch het nastreven van een sociaal doel, noch het ontbreken van winstoogmerk, noch de vereisten van solidariteit, noch de andere regels met name betreffende de door het beheersorgaan bij beleggingen in acht te nemen beperkingen, ontnamen aan de door het beheersorgaan verrichte activiteit haar economisch karakter.
(…)
84 (…) dat een bedrijfspensioenfonds als waarom het in het hoofdgeding gaat, een economische activiteit verricht en daarbij met verzekeringsmaatschappijen concurreert.
85 In die omstandigheden zijn het ontbreken van winstoogmerk, alsmede de solidariteitsaspecten waarop het Pensioenfonds en de regeringen zich hebben beroepen, niet voldoende om het bedrijfspensioenfonds zijn hoedanigheid van onderneming in de zin van de mededingingsregels van het Verdrag te ontnemen.
86 Weliswaar zou door het nastreven van een sociaal doel, de eerdergenoemde solidariteitsaspecten en de beperkingen of controles op de investeringen van het bedrijfspensioenfonds de door dit fonds verrichte dienst minder concurrerend kunnen zijn dan de vergelijkbare dienstverrichting van de verzekeringsmaatschappijen, maar dergelijke voorwaarden beletten niet, dat de activiteit van het fonds als een economische activiteit is te beschouwen. Wel zouden zij het uitsluitend recht van een dergelijk orgaan om een aanvullende pensioenregeling te beheren, kunnen rechtvaardigen.
87 Mitsdien is een pensioenfonds dat belast is met het beheer van een aanvullende pensioenregeling, dat is opgericht bij collectieve overeenkomst tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties in een bedrijfstak en waarin deelneming voor alle werknemers in de bedrijfstak door de overheid verplicht is gesteld, een onderneming in de zin van de artikelen 85 en volgende van het Verdrag."
HvJ EG 21 september 1999, nr. C-67/96, ECLI:EU:C:1999:430, Jurispr. 1999, p. I-5886-5889 (Albany International/Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie).
Zie voor de problematiek m.b.t. de positie van entiteiten belast met sociale verzekeringstaken, ziekenfondsen e.d. tevens HvJ EG 22 januari 2002, nr. C-218/00, Jurispr. 2002, p. I-691 (Cisal dì Battistello Venanzio & C. Sas v. INAIL), en Gerecht EG 4 maart 2003, nr. T-319/99, Jurispr. 2003, p. II-357 (FENIN).
"2) Een pensioenfonds als in de hoofdgedingen aan de orde is, dat zelf de hoogte van de premies en de uitkeringen bepaalt en dat werkt volgens het kapitalisatiebeginsel, dat belast is met het beheer van een door een representatieve organisatie van beoefenaren van een vrij beroep getroffen aanvullende pensioenregeling waarin deelneming door de overheid voor alle beroepsgenoten verplicht is gesteld, is een onderneming in de zin van de artikelen 85 van het Verdrag, 86 en 90 EG-Verdrag (...)."
HvJ EG 12 september 2000, nr. C-180/98-C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, Jurispr. 2000, p. I-6451 (Pavlov e.a./Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten).
"23 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak eveneens, dat onder een economische activiteit wordt verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt (…)."
HvJ EG 22 januari 2002, nr. C-218/00, ECLI:EU:C:2002:36, Jurispr. 2002, p. I-727 (Cisal).
"48 Advocaten bieden tegen beloning diensten aan op het gebied van de rechtshulp, bestaande uit het geven van adviezen, het redigeren van contracten en andere stukken alsmede de vertegenwoordiging van de cliënt in rechte. Bovendien dragen zij de aan de uitoefening van deze activiteiten verbonden financiële risico's, omdat zij in geval van een verschil tussen uitgaven en inkomsten zelf het tekort dienen te dragen.
49 Hieruit volgt dat (…) advocaten een economische activiteit uitoefenen en derhalve ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 85, 86 en 90 van het Verdrag; daaraan doet niet af dat hun diensten complex en technisch van aard zijn, noch dat de uitoefening van hun beroep aan regels gebonden is (...)."
HvJ EG 19 februari 2002, nr. C-309/99, ECLI:EU:C:2002:98, Jurispr. 2002, p. I-1577 (Wouters e.a./Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten).
"51 Vastgesteld moet worden dat de ziekenfondsen van het Duitse wettelijk ziektekostenverzekeringsstelsel, net als de organen die in de zaken Poucet en Pistre in het geding waren, meewerken aan het beheer van het socialezekerheidsstelsel. Zij vervullen dienaangaande een taak van zuiver sociale aard, die berust op het beginsel van solidariteit en ieder winstoogmerk mist.
52 In het bijzonder moet worden benadrukt dat de ziekenfondsen wettelijk verplicht zijn hun verzekerden verplichte verstrekkingen te verlenen, die in wezen identiek zijn en niet afhangen van het bedrag van de premies. De ziekenfondsen hebben geen enkele invloed op deze verstrekkingen.
53 (...) dat de ziekenfondsen een soort op solidariteit gebaseerde gemeenschap vormen ('Solidargemeinschaft') waardoor zij onderling tot een evenwichtige verdeling van kosten en risico’s kunnen komen. (...)
54 De ziekenfondsen concurreren dus niet met elkaar, noch met particuliere instellingen, ter zake van de verplichte wettelijke verstrekkingen op het gebied van zorg of geneesmiddelen, hun belangrijkste taak.
55 Uit deze kenmerken volgt dat de ziekenfondsen veel weg hebben van de organen die aan de orde waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten Poucet en Pistre, en Cisal, en dat moet worden aangenomen dat zij geen activiteiten van economische aard verrichten.
56 De vrijheid waarover de ziekenfondsen beschikken bij de vaststelling van de hoogte van de premie en bij de onderlinge concurrentie om verzekerden aan te trekken, doet aan deze beoordeling niet af. Zoals uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt, heeft de wetgever immers met betrekking tot de premies een element van concurrentie ingevoerd om in het belang van de goede werking van het Duitse socialezekerheidsstelsel de ziekenfondsen ertoe aan te zetten, hun activiteiten te organiseren volgens de beginselen van goed beheer, namelijk zo efficiënt en goedkoop mogelijk. Dat dit het doel is, verandert niets aan de aard van de activiteiten van de ziekenfondsen.
57 Nu de activiteiten van organen zoals de ziekenfondsen niet van economische aard zijn, volgt daaruit dat deze organen geen ondernemingen zijn in de zin van de artikelen 81 EG en 82 EG."
HvJ EG 16 maart 2004, nr. C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01, ECLI:EU:C:2004:150, Jurispr. 2004, p. I-2493 (AOK Bundesverband e.a.).
"42 Zoals evenwel uit de rechtspraak van het Hof volgt, is het sociale doel van een verzekeringsregeling op zich niet voldoende om uit te sluiten dat de betrokken activiteit als economische activiteit wordt aangemerkt (zie in die zin arresten van 21 september 1999, Albany, (...), punt 86 en 12 september 2000, Pavlov e.a., C‑180/98–C‑184/98, Jurispr. blz. I‑6451, punt 118, alsook voormeld arrest Cisal, punt 37).
43 In het bijzonder dient nog te worden nagegaan enerzijds of deze regeling kan worden geacht het solidariteitsbeginsel ten uitvoer te leggen, en anderzijds in hoever zij aan staatstoezicht is onderworpen, hetgeen het economisch karakter van een bepaalde activiteit kan uitsluiten (zie in die zin voormeld arrest Cisal, punten 38‑44)."
HvJ EG 5 maart 2009, nr. C-350/07, ECLI:EU:C:2009:127, Jurispr. 2009, p. I-1513 (Kattner Stahlbau).
"37 Verder zij eraan herinnerd dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof enerzijds gepreciseerd dat in deze context onder het begrip onderneming moet worden verstaan een economische eenheid, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en anderzijds dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor moet dragen (zie arresten van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 95)."
HvJ EU 29 september 2011, nr. C-520/09, ECLI:EU:C:2011:619 (Arkema/ Commissie).
"25 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU geen handelen of zelfs kennis van de vennoten of de voornaamste beheerders van de betrokken onderneming vereist is, maar het handelen van iemand die gerechtigd is om voor rekening van de onderneming te handelen, volstaat (arrest van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 97)."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
"27 (...) Activiteiten in het kader van de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag hebben echter geen economisch karakter dat de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag rechtvaardigt (zie arrest van 12 juli 2012, Compass-Datenbank, C‑138/11, punt 36)."
HvJ EU 12 december 2013, nr. 327/12 (Ministero dello Sviluppo economice e.a. tegen SOA Nazionale Costruttori), ECLI:EU:C:2013:827.
"35 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat, net zoals een autofabrikant door het Hof als een onderneming is erkend, voor zover hij op de markt van de certificering van auto’s conformiteitscertificaten afgeeft die noodzakelijk zijn voor de registratie van die voertuigen (arrest van 11 november 1986, British Leyland/Commissie, 226/84, Jurispr. blz. 3263), de OA’s in het kader van hun certificeringsactiviteit moeten worden beschouwd als „ondernemingen” in de zin van de artikelen 101 VWEU, 102 VWEU en 106 VWEU."
HvJ EU 12 december 2013, nr. 327/12 (Ministero dello Sviluppo economice e.a. tegen SOA Nazionale Costruttori), ECLI:EU:C:2013:827.
- “30 In die omstandigheden moet worden geconstateerd dat de bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals die in het hoofdgeding, doordat zij door een werknemersorganisatie is gesloten namens en voor rekening van de bij deze organisatie aangesloten zelfstandigen, niet het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners en niet op grond van haar aard buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU kan vallen.
31 Deze constatering neemt echter niet weg dat een dergelijke bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst kan worden geacht het resultaat te zijn van een sociale dialoog ingeval bedoelde dienstverleners, namens en voor rekening van wie de werknemersorganisatie onderhandelingen heeft gevoerd, in werkelijkheid „schijnzelfstandigen” vormen, dat wil zeggen dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers.
(…-)
37 Gelet op deze beginselen is het derhalve aan de verwijzende rechterlijke instantie – teneinde de zelfstandige remplaçanten in het hoofdgeding niet als „werknemers” in de zin van het recht van de Unie, maar als echte „ondernemingen” in de zin van dat recht te kunnen aanmerken – om te verifiëren dat die remplaçanten zich, ook al zijn zij werkzaam op basis van een overeenkomst van opdracht, niet in de omstandigheden bedoeld in de punten 33 tot en met 36 van het onderhavige arrest bevinden, meer in het bijzonder dat zij zich niet in een ondergeschiktheidsrelatie met het betrokken orkest bevinden tijdens de duur van de contractuele verhouding en dus vergeleken met werknemers die hetzelfde werk verrichten over meer zelfstandigheid en flexibiliteit beschikken voor wat betreft de bepaling van het tijdschema, de plaats en de wijze van uitvoering van de toevertrouwde taken, te weten de repetities en concerten.
38 Aangaande in de tweede plaats het doel van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde collectieve arbeidsovereenkomst moet worden vastgesteld dat het onderzoek aan de hand van de rechtspraak die in de punten 22 en 23 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht op dit punt slechts gerechtvaardigd is voor het geval de verwijzende rechterlijke instantie de remplaçanten in het hoofdgeding niet als „ondernemingen”, maar als „schijnzelfstandigen” mocht aanmerken.
39 Vervolgens moet worden opgemerkt dat het bij de bepaling in bijlage 5 bij de collectieve arbeidsovereenkomst ingevoerde stelsel van minimumtarieven rechtstreeks bijdraagt tot verbetering van de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden van die – als „schijnzelfstandigen” aangemerkte – remplaçanten.
40 Niet alleen immers waarborgt een dergelijk stelsel die dienstverrichters een hogere basisbezoldiging dan die waar zij zonder de betrokken bepaling recht op zouden hebben gehad, maar bovendien kan de zelfstandige remplaçant aldus, zoals de verwijzende rechterlijke instantie opmerkt, aan een pensioenverzekering bijdragen overeenkomstig de pensioenbijdrage voor de werknemers in loondienst, waardoor hem de noodzakelijke middelen worden gewaarborgd om in de toekomst een zeker pensioenniveau te genieten.
41 Voor zover een bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst minimumtarieven vastlegt voor dienstverrichters die „schijnzelfstandigen” zijn, kan zij bijgevolg op grond van de aard en het doel ervan niet onder de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen.”
“Het recht van de Unie moet aldus worden uitgelegd dat de bepaling in een collectieve arbeidsovereenkomst zoals die in het hoofdgeding, die minimumtarieven vastlegt voor zelfstandigen – leden van een van de aangesloten werknemersorganisaties – die voor een werkgever op basis van een overeenkomst van opdracht hetzelfde werk verrichten als werknemers in loondienst van die werkgever, slechts buiten de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU valt indien die dienstverleners „schijnzelfstandigen” zijn, dat wil zeggen dienstverleners die zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van die werknemers. Het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om te verifiëren of dit het geval is.”
HvJ EU 4 december 2014, nr. C-413/13 (FNV Kunsten Informatie en Media tegen Staat der Nederlanden) ECLI:EU:C:2014:2
Verhouding moeder-dochtermaatschappij
“42 In herinnering zij gebracht dat het begrip onderneming elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd. Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen (zie arresten van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, Jurispr. blz. I-1, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 53).
43 In het bijzonder kan het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij worden toegerekend, met name wanneer deze dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, Jurispr. blz. I‑8237, punt 58; reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 54, en arrest van 29 september 2011, Arkema/Commissie, C‑520/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 38).
44 In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming namelijk deel uit van één economische eenheid en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG, zodat de Commissie een beschikking houdende oplegging van geldboeten aan de moedermaatschappij kan richten, zonder dat hoeft te worden aangetoond dat deze zelf bij de inbreuk betrokken was (zie reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 59; General Química e.a./Commissie, punt 38, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 55).
45 Teneinde uit te maken of een dochteronderneming autonoom haar marktgedrag bepaalt, moet de Commissie in beginsel rekening houden met alle relevante factoren betreffende de economische, organisatorische en juridische banden tussen de dochteronderneming en haar moedermaatschappij, die in elk geval anders kunnen zijn en waarvan dus geen uitputtende lijst kan worden opgesteld (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punten 73 en 74, en Elf Aquitaine/Commissie, punt 58).
46 Het Hof heeft gepreciseerd dat een moedermaatschappij, in het bijzondere geval waarin zij 100% van het kapitaal bezit van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie heeft gepleegd, beslissende invloed op het gedrag van deze dochteronderneming kan uitoefenen en dat er in dat geval een weerlegbaar vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij ook daadwerkelijk dergelijke invloed uitoefent (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 97, en reeds aangehaald arrest Elf Aquitaine/Commissie, punt 56).
47 In die omstandigheden volstaat het dat de Commissie bewijst dat de moedermaatschappij het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit, om aan te nemen dat de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij de moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, afdoende bewijzen overlegt dat haar dochteronderneming zich autonoom gedraagt op de markt (reeds aangehaalde arresten Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 61; Elf Aquitaine/Commissie, punt 57, en Arkema/Commissie, punt 41).
(...)
49 Bovendien houdt deze rechtspraak niet in dat de Commissie zich uitsluitend op dat vermoeden moet baseren. Niets belet deze instelling immers om door middel van andere bewijselementen of een combinatie van dergelijke elementen en het voormelde vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed op haar dochteronderneming uitoefent.
(...)
59 Aangezien de toerekening van een door een dochteronderneming begane inbreuk aan haar moedermaatschappij overeenkomstig de door de Commissie gehanteerde berekeningsmethode grote invloed kan uitoefenen op het bedrag van de geldboete die hoofdelijk aan deze ondernemingen kan worden opgelegd, heeft het Gerecht in punt 156 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat diezelfde logica geldt wanneer de Commissie binnen het door de rechtspraak vastgestelde kader een specifieke methode voor een mededingingsregeling hanteert om vast te stellen of de bedoelde moedermaatschappijen aansprakelijk moeten worden gesteld voor de door hun dochters begane inbreuken."
HvJ EU 19 juli 2012, nrs. C-628/10 P en C-14/11 P (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie), ECLI:EU:C:2012:479.
- "101 Ten gronde heeft het Hof reeds geoordeeld dat de uitoefening van gezamenlijke zeggenschap door twee onderling onafhankelijke moedermaatschappijen over hun dochteronderneming in beginsel niet in de weg staat aan de vaststelling door de Commissie dat tussen één van deze moedermaatschappijen en de betrokken dochteronderneming een economische eenheid bestaat, en dat dit zelfs het geval is wanneer deze moedermaatschappij een kleiner aandeel heeft in het kapitaal van de dochter dan de andere moedermaatschappij (zie in die zin reeds aangehaald arrest AceaElectrabel Produzione/Commissie, punt 64). Bijgevolg geldt a fortiori dat een moedermaatschappij en haar dochter, die zelf de moedermaatschappij van de inbreukmakende onderneming is, kunnen worden geacht om samen een economische eenheid met deze laatste onderneming te vormen."
HvJ EU 19 juli 2012, nrs. C-628/10 P en C-14/11 P (Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie), ECLI:EU:C:2012:479.
"50 Met betrekking tot de eerste grief, ontleend aan de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven door de mogelijkheden voor een moedermaatschappij te hebben beperkt om het vermoeden van beslissende invloed op het gedrag van haar dochteronderneming te weerleggen waarvan zij het volledige aandelenkapitaal in handen heeft, moet erop worden gewezen dat het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat het aan de moedermaatschappij staat om hem het bewijsmateriaal over te leggen betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen haar dochteronderneming en haarzelf waaruit kan blijken dat zij geen economische eenheid vormen.
51 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat een moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, ter weerlegging van het vermoeden dat zij daadwerkelijk beslissende invloed op deze laatste uitoefent, elk gegeven betreffende de organisatorische, economische en juridische banden tussen haarzelf en haar dochter waaruit blijkt dat zij geen economische eenheid vormen, aan de rechter van de Unie ter beoordeling dient over te leggen (zie arrest Akzo Nobel e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
52 Anders dan rekwirantes betogen, moet voorts worden opgemerkt dat dit vermoeden, aangezien het weerlegbaar is en dus in elk individueel geval kan worden weerlegd met een beroep op alle door het Gerecht vermelde factoren, niet automatisch leidt tot het toerekenen van de aansprakelijkheid aan de moedermaatschappij die het volledige aandelenkapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid waarop het mededingingsrecht van de Unie is gebaseerd."
HvJ EU 20 januari 2011, nr. C-90/09 P (Geneal Química e.a. tegen Commissie),ECLI:EU:C:2011:21.
- "50 Met betrekking tot het betoog van Eni dat dit vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed in strijd is met het legaliteitsbeginsel, het persoonlijke karakter van de straffen, de persoonlijke aansprakelijkheid en de rechtszekerheid, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat dit vermoeden juist een evenwicht beoogt te scheppen tussen het belang van, enerzijds, de doelstelling om gedrag dat inbreuk maakt op de mededingingsregels, en met name op artikel 101 VWEU, te beteugelen en te voorkomen dat het zich opnieuw voordoet en, anderzijds, eisen die sommige algemene beginselen van het recht van de Unie stellen, zoals onder meer het vermoeden van onschuld, het persoonlijke karakter van straffen en de rechtszekerheid, alsook de rechten van de verdediging, waaronder het beginsel van equality of arms. Met name om die reden is het vermoeden weerlegbaar (zie in die zin met name arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 59)."
HvJ EU 8 mei 2013, nr. C-508/11 (Eni tegen Commissie), ECLI:EU:C:2013:289.
"86 Gelet op deze overwegingen kan derhalve niet worden uitgesloten dat een houdstermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie die zijn begaan door een dochteronderneming van haar groep waarvan zij het aandelenkapitaal niet rechtstreeks in handen heeft, voor zover deze houdstermaatschappij beslissende invloed over die dochter uitoefent, zelfs indirect via een tussenliggende vennootschap. Dit is met name het geval wanneer een dochteronderneming haar marktgedrag niet zelfstandig bepaalt ten aanzien van deze tussenliggende onderneming, die zelf evenmin autonoom op de markt optreedt, maar in hoofdzaak de haar door de houdstermaatschappij gegeven instructies uitvoert.
87 In een dergelijke situatie behoren de houdstermaatschappij, de tussenliggende vennootschap en laatstgenoemde dochteronderneming van het concern tot eenzelfde economische eenheid, en vormen zij dus één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.
88 Zoals de advocaat-generaal in de punten 62 en 63 van zijn conclusie heeft aangegeven, volgt hieruit dat in het bijzondere geval waarin een houdstermaatschappij alle aandelen van een tussenliggende vennootschap bezit die op haar beurt het volledige kapitaal van een dochteronderneming van het concern in handen heeft die een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie heeft gepleegd, het weerlegbare vermoeden rijst dat deze houdstermaatschappij beslissende invloed op het gedrag van de tussenliggende vennootschap uitoefent, en indirect, via deze laatste, ook op het gedrag van voornoemde dochteronderneming.
89 In die specifieke situatie heeft de Commissie dan ook het recht om de houdstermaatschappij hoofdelijk te verplichten tot betaling van de geldboete die aan laatstgenoemde dochteronderneming van het concern is opgelegd, tenzij deze houdstermaatschappij dit vermoeden weerlegt door aan te tonen dat hetzij de tussenliggende vennootschap hetzij bedoelde dochteronderneming zich op de markt autonoom gedraagt (zie, naar analogie, arresten Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie, punt 29, en Akzo Nobel e.a./Commissie, punt 61, beide reeds aangehaald)."
HvJ EU 20 januari 2011, nr. C-90/09 P (Geneal Química e.a. tegen Commissie),ECLI:EU:C:2011:21.
"41 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, betekent de enkele omstandigheid dat een entiteit in een gegeven geval geen bewijs overlegt ter weerlegging van het vermoeden van de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar dochteronderneming, nog niet dat dit vermoeden in geen enkel geval kan worden weerlegd (arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I‑8947, punt 66)."
HvJ EU 26 november 2013; nr. C-58/12 P (Groupe Gascogne tegen Commissie), ECLI:EU:C:2013:770.
- "45 In dit verband zij eraan herinnerd dat een rechtspersoon die geen inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, in bepaalde omstandigheden niettemin kan worden bestraft voor het inbreukmakende gedrag van een andere rechtspersoon, wanneer beide personen deel uitmaken van dezelfde economische entiteit en aldus de onderneming vormen die artikel 81 EG heeft geschonden.
46 Zo is het vaste rechtspraak dat het gedrag van een dochteronderneming aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend, met name wanneer de dochteronderneming, hoewel zij een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt maar in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen (zie met name arrest Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, reeds aangehaald, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 De betrokken moedermaatschappij wordt in het kader van een dergelijke verticale kapitaalsverhouding weliswaar geacht zelf de inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht te hebben gepleegd, maar haar aansprakelijkheid voor de inbreuk is volledig afgeleid van die van haar dochteronderneming (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C‑286/11 P, punten 43 en 49, en 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C‑50/12 P, punt 55).
48 De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete (zie met name arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, Jurispr. blz. I‑2239, punt 98).
49 Het Gerecht heeft dus in punt 150 van het bestreden arrest terecht vastgesteld dat wanneer meerdere personen persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de deelname aan een inbreuk die door één en dezelfde onderneming is gepleegd in de zin van het mededingingsrecht, zij volgens de rechtspraak hoofdelijk aansprakelijk moeten worden geacht voor deze inbreuk."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-231/11 P en C-233/11 P (Commissie tegen Siemens AG Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution Ltd e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:256
"34 Wanneer een beschikking waarbij de mededingingsregels van de Unie worden toegepast, meer dan één adressaat heeft en betrekking heeft op de toerekenbaarheid van de inbreuk, moet zij bovendien een toereikende motivering bevatten ten aanzien van alle adressaten, in het bijzonder van degenen die volgens deze beschikking de financiële gevolgen van deze inbreuk moeten dragen. Zo dient een dergelijke beschikking ten aanzien van een moedermaatschappij die aansprakelijk wordt gesteld voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter, in beginsel de redenen uiteen te zetten die de toerekening van de inbreuk aan deze vennootschap rechtvaardigen (arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., reeds aangehaald, punt 75).
35 Wat meer bepaald een beschikking van de Commissie betreft waarin deze zich ten aanzien van bepaalde adressaten uitsluitend beroept op het vermoeden dat zij daadwerkelijk een beslissende invloed hebben uitgeoefend, moet worden vastgesteld dat de Commissie hoe dan ook gehouden is om deze adressaten afdoende de redenen uiteen te zetten waarom de aangevoerde gegevens, feitelijk en rechtens, niet volstonden om dit vermoeden te weerleggen, omdat dit vermoeden anders de facto onweerlegbaar wordt (arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, Jurispr. blz. I‑8947, punt 153).
(...)
42 Met betrekking tot een beschikking zoals de onderhavige, waarbij, zoals reeds is opgemerkt in punt 37 van het onderhavige arrest, een door een dochteronderneming gepleegde inbreuk aan de moedermaatschappij wordt toegerekend op grond van een methode die op een dubbele basis berust, waarbij het vermoeden dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend wordt gecombineerd met bewijzen die uitvoerig in deze beschikking worden uiteengezet, zij opgemerkt dat een dergelijke globale beoordeling in beginsel voldoet aan de door de Commissie te verstrekken motivering, aangezien zij de moedermaatschappij inzicht verschaft in de redenen waarom de Commissie heeft besloten om haar aansprakelijk te stellen voor de door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk.
(...)
91 Voorts kan de Commissie, zoals zij zelf terecht heeft gesteld, niet gehouden zijn om in een situatie waarin het vermoeden geldt dat daadwerkelijk een beslissende invloed is uitgeoefend, aan te tonen dat de moedermaatschappij daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de organisatorische, economische en juridische banden met haar dochterondernemingen in het kader van concrete omstandigheden die verband houden met daadwerkelijke gedragingen op de betrokken markt, in voorkomend geval door dit vermoeden te laten spelen in het kader van de toepassing van de methode van de dubbele basis, zoals in casu is gebeurd, aangezien een dergelijke verplichting dit vermoeden elk nut zou ontnemen."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
"49 Volgens vaste rechtspraak kan immers worden aangenomen dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming gedurende de periode van de inbreuk deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en aldus één enkele onderneming in de zin van het Unierecht vormen, indien het inbreukmakende gedrag van de dochter aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend. In die omstandigheden kan de Commissie de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor het inbreukmakende gedrag van haar dochter tijdens die periode en dus voor de betaling van de aan deze laatste opgelegde geldboete (zie in die zin met name arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie en Commissie/Alliance One International e.a., reeds aangehaald, punten 44 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Gelet op dit stevig gevestigde beginsel heeft het Gerecht in punt 200 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat de Commissie zich in de litigieuze beschikking op het standpunt kon stellen dat de loutere omstandigheid dat de dochteronderneming die de inbreuk heeft gepleegd en de moedermaatschappij waaraan deze inbreuk kan worden toegerekend, ten tijde van de vaststelling van de inbreukbeschikking van de Commissie geen deel meer uitmaken van dezelfde economische eenheid en dus van één enkele onderneming in de zin van artikel 81 EG, niet verhindert dat de Commissie gebruikmaakt van de mogelijkheid om deze vennootschappen hoofdelijk een geldboete op te leggen, zodat geen specifieke motivering op dit punt vereist was."
HvJ EU 10 april 2014, nrs. C-247/11 P en C-253/11 P (Areva en Alstom e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257
"28 Wat vervolgens het argument betreft dat de concrete toepassing van dit vermoeden, zoals deze is verricht door de Commissie en is bevestigd door het Gerecht, van dit vermoeden een onweerlegbaar vermoeden maakt, behoeft er slechts aan te worden herinnerd dat het feit dat het moeilijk is om het tegenbewijs te leveren dat voor de weerlegging van een vermoeden noodzakelijk is, op zich niet impliceert dat het vermoeden de facto onweerlegbaar is (zie met name arrest ENI/Commissie, C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 68 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
30 Wat vervolgens het feit betreft dat T., een lid van de raad van bestuur van FLSmidth, tussen de jaren 1994 en 1999 verantwoordelijke functies binnen de raden van bestuur van de twee betrokken vennootschappen cumuleerde, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 32 van het bestreden arrest te oordelen dat dit aantoonde dat de directies van deze twee vennootschappen met elkaar verweven waren en dat Trioplast Wittenheim zich niet onafhankelijk van haar moedermaatschappij kon gedragen. Zoals het Gerecht eveneens heeft beklemtoond, brengt de functie van lid van de raad van bestuur van een vennootschap naar de aard ervan een wettelijke aansprakelijkheid mee voor alle activiteiten van die vennootschap, daaronder begrepen het marktgedrag ervan, en zou de door FLSmidth geponeerde stelling dat deze functie louter formeel is, impliceren dat deze functie elke wettelijke inhoud verliest."
HvJ EU 30 april 2014, nr.C-238/12 P (FLSmidt tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:284.
- "27 Wat ten eerste het vermeende onrechtmatige vermoeden betreft, dat in het mededingingsrecht van de Unie wordt toegepast wanneer een onderneming rechtstreeks of indirect het volledige kapitaal van een andere onderneming in handen heeft en dat inhoudt dat zij beslissende invloed uitoefent op deze onderneming, hoeft enkel in herinnering te worden gebracht dat de gegrondheid van dit vermoeden voortvloeit uit vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arrest The Dow Chemical Company/Commissie, C‑179/12 P, EU:C:2013:605, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts is de toepassing van dit vermoeden, zoals het Hof eveneens reeds heeft geoordeeld, geenszins in strijd met het in artikel 48 van het Handvest en artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld, gelet met name op het weerlegbare karakter ervan (zie met name arrest Eni/Commissie, C‑508/11 P, EU:C:2013:289, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 19 juni 2014, nr. C-243/12 P (FLS Plast tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2006.
- "96 Voor zover Del Monte opmerkt dat uit alle bewijsstukken die betrekking hebben op haar contacten met Weichert blijkt dat het gedrag van deze laatste niet voldeed aan haar verwachtingen, zij eraan herinnerd dat het, zoals de advocaat-generaal in de punten 101, 103 en 104 van haar conclusie heeft opgemerkt, niet nodig is dat de dochteronderneming alle instructies van haar moedermaatschappij opvolgt om het bestaan van een beslissende invloed aan te tonen, zolang het maar niet de regel is dat de instructies niet worden opgevolgd."
HvJ EU 24 juni 2015n nrs. C-293/13 P en C-294/13 P (Fresh Del Monte Produce tegen Commissie en Commissie tegen Fresh Del Monte Produce), ECLI:EU:C:2015:416.
"211 Het Gerecht constateert in dat verband dat de Unierechter zich tot op heden nog niet heeft uitgesproken over de vraag naar de voorwaarden waaronder de Commissie een dochteronderneming aansprakelijk kan houden wanneer die dochteronderneming, zoals in casu, rechtstreeks heeft deelgenomen aan het inbreukmakende gedrag van haar moedermaatschappij.
212 Het is vaste rechtspraak dat het begrip onderneming elke eenheid omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die eenheid en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. In dit verband heeft het Hof gepreciseerd dat in die context onder het begrip onderneming een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze economische eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd, en dat wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid voor die inbreuk moet dragen (zie arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C‑90/09 P, EU:C:2011:21, punten 34‑36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
213 In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij in het bezit is van het gehele kapitaal van haar dochteronderneming die de mededingingsregels heeft geschonden, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming (arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punt 60). Het volstaat dus dat de Commissie aantoont dat het gehele kapitaal van een dochteronderneming in bezit is van haar moedermaatschappij om te veronderstellen dat laatstgenoemde beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van deze dochteronderneming (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C‑201/09 P en C‑216/09 P, EU:C:2011:190, punt 98).
214 Dit is in casu het geval. Biogaran was een volle dochteronderneming van Servier toen de Biogaran-overeenkomst werd gesloten en het uit deze vaststelling voortvloeiende vermoeden is niet weerlegd (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C‑97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60‑65). Benadrukt moet immers worden dat Biogaran niet heeft aangetoond dat zij haar commerciële beleid autonoom ten opzichte van Servier bepaalde. De hierboven besproken bewijzen van het bestaan van een onlosmakelijk verband tussen de twee overeenkomsten bevestigen dat Servier beslissende invloed op het gedrag van Biogaran had en dat zij die macht ook heeft gebruikt. Om de autonomie van Biogaran ten opzichte van Servier te bewijzen, geeft verzoekster te kennen dat de bestuurders van Biogaran nooit een functie binnen Servier hebben vervuld. Aan de hand van dat gegeven kan het vermoeden dat Servier beslissende invloed op Biogaran heeft uitgeoefend, echter niet worden weerlegd (zie in die zin arrest van 16 september 2013, Roca/Commissie, T‑412/10, EU:T:2013:444, punt 76). De andere door verzoekster gestelde omstandigheden, inhoudende dat zij zelfstandig op de markt opereerde via bedrijfsruimten, merken en activa die zich van die van Servier onderscheidden en bovendien nog als generieke onderneming, laten alleen zien dat Biogaran een van Servier onderscheiden rechtspersoon is, maar kunnen niet het vermoeden weerleggen dat Servier beslissende invloed op Biogaran uitoefende.
215 Biogaran was ten tijde van de sluiting van de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche dus de dochteronderneming van Servier en zij vormde met haar moedermaatschappij één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht.
216 De Commissie kon dus op goede op goede gronden op basis van het begrip „onderneming” tot het oordeel komen dat Servier en Biogaran hoofdelijk aansprakelijk waren voor het hun verweten gedrag, zodat de handelingen van de ene of de andere van hen moeten worden geacht door één en dezelfde onderneming te zijn verricht (zie in die zin arresten van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie, T‑9/99, EU:T:2002:70, punten 524 en 525, en 12 december 2007, Akzo Nobel e.a./Commissie, T‑112/05, EU:T:2007:381, punt 62; zie in die zin en naar analogie ook arresten van 6 maart 1974, Istituto Chemioterapico Italiano en Commercial Solvents/Commissie, 6/73 en 7/73, EU:C:1974:18, punt 41, en 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C‑294/98 P, EU:C:2000:632, punten 26‑28).
217 De omstandigheid dat de door de Commissie geconstateerde inbreuk op artikel 101 VWEU in het onderhavige geval ten dele het gevolg is van het gedrag van de moedermaatschappij en ten dele het gevolg van het gedrag van de dochteronderneming, terwijl de situaties van hoofdelijke aansprakelijkheid van een moedermaatschappij en haar dochteronderneming die het vaakst aan de Unierechter worden voorgelegd het gevolg zijn van het gedrag van alleen de dochteronderneming, kan aan die conclusie niet afdoen.
218 Indien het mogelijk is om de moedermaatschappij de verantwoordelijkheid voor een door haar dochteronderneming gepleegde inbreuk toe te kennen en dus om die twee vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de inbreuk die is gepleegd door de onderneming die zij samen vormen, zonder in strijd met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid te handelen, geldt dat a fortiori immers ook voor de situatie waarin de inbreuk die is gepleegd door de economische eenheid die de moedermaatschappij en haar dochteronderneming met elkaar vormen, het gevolg is van het samenspel van de gedragingen van die twee vennootschappen.
219 Zoals de Commissie terecht opmerkt, had het bestreden besluit tot Servier kunnen worden gericht voor zover het de door Biogaran als medepleger begane inbreuk betreft, zelfs wanneer uit niets zou zijn gebleken dat Servier bij de inbreuk betrokken was. Het bestreden besluit had al helemaal tot Servier kunnen worden gericht als een met haar dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijke moedermaatschappij, aangezien elk van beide ondernemingen rechtstreeks deel had aan de inbreuk.
220 De Commissie heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche door dezelfde ondernemingen waren gesloten, namelijk de groep Servier, enerzijds, en de vennootschap Niche, anderzijds, en dat de inbreuk op artikel 101 VWEU kon worden toegerekend aan de groep Servier. Dit rechtvaardigde de hoofdelijke aansprakelijkheid van Servier als moedermaatschappij en haar dochteronderneming Biogaran, aangezien het samenspel van hun respectieve heimelijke gedragingen tot de totstandbrenging van de inbreuk had bijgedragen. Dit geldt temeer daar de heimelijke gedragingen van de twee vennootschappen nauw met elkaar verbonden waren, aangezien er onlosmakelijke verbanden tussen de Biogaran-overeenkomst en de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche waren, zoals de Commissie heeft aangetoond.
(...)
225 In de derde plaats zou afbreuk worden gedaan aan het begrip economische eenheid indien de Commissie, zoals verzoekster stelt, zou moeten bewijzen dat de dochteronderneming wist van de heimelijke gedragingen van de moedermaatschappij om de inbreuk aan de groep toe te rekenen. Dan zou voor elk bestanddeel van de inbreuk als gevolg van het handelen van de ene of de andere van die twee vennootschappen moet worden bewezen dat de dochteronderneming wist van de door haar moedermaatschappij nagestreefde doelstellingen, terwijl er bij het begrip onderneming in de zin van het mededingingsrecht van wordt uitgegaan, op basis van het vermoeden van de uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar volle dochteronderneming, dat de dochteronderneming binnen het kader van de door haar moedermaatschappij nagestreefde doelstellingen handelt, onder het bestuur en de zeggenschap van die laatste. Zoals het Hof heeft geoordeeld, is de voorwaarde voor toerekening aan de betrokken onderneming van de verschillende inbreukmakende gedragingen die tezamen de mededingingsregeling vormen, vervuld wanneer de onderneming, zelfs op ondergeschikte, accessoire of passieve wijze, aan de tenuitvoerlegging ervan heeft deelgenomen (zie in die zin arresten van 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punten 117‑126, en 8 juli 2008, AC-Treuhand/Commissie, T‑99/04, EU:T:2008:256, punt 133).
226 Indien verzoeksters stelling werd aanvaard, zou de vaststelling van inbreuken op het mededingingsrecht binnen groepen van vennootschappen moeilijker worden gemaakt, terwijl het vermoeden van zeggenschap van de moedermaatschappij over de volle dochteronderneming bedoeld is om te voorkomen dat inbreukmakende gedragingen alleen worden toegerekend aan de dochterondernemingen die rechtstreeks daarvoor verantwoordelijk zijn en dus aan handhavend optreden op het niveau van de groep ontsnappen. Het zou voor een moedermaatschappij immers volstaan om de inbreukmakende gedragingen tussen haarzelf en haar dochteronderneming te verdelen en dan te stellen dat de dochteronderneming niet wist van de heimelijke gedragingen van de moedermaatschappij opdat het bestanddeel van de inbreuk als gevolg van de rechtstreekse deelname van de dochteronderneming aan de inbreuk aan alleen de dochteronderneming zou worden toegerekend. Dat zou betekenen dat de strijd tegen mededingingsverstorende gedragingen minder doeltreffend wordt, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging kan worden gevonden in de eerbiediging van het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid voor inbreuken.
(...)
230 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het mogelijk is dat een onderneming slechts aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortdurende inbreuk bestaat, rechtstreeks heeft deelgenomen, maar dat zij wel kennis had van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op diezelfde doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie deze onderneming aansprakelijk houden voor alle mededingingsverstorende gedragingen die samen deze inbreuk vormen, en dus voor de inbreuk in zijn geheel (zie arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 119).
231 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk houden voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arresten van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 26 januari 2017, Duravit e.a./Commissie, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, punt 120)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegrn Commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
- "32 Uit vaste rechtspraak volgt tevens dat in het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij direct of indirect in het bezit is van het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming die een inbreuk op de mededingingsregels heeft begaan, deze moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het gedrag van deze dochteronderneming en bovendien het weerlegbare vermoeden bestaat dat die moedermaatschappij daadwerkelijk dergelijke invloed uitoefent. Dat de Commissie bewijst dat het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van een dochteronderneming in handen is van haar moedermaatschappij, levert dan ook op zichzelf reeds het vermoeden op dat deze moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het commerciële beleid van die dochteronderneming. De Commissie kan de moedermaatschappij vervolgens hoofdelijk aansprakelijk stellen voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete, tenzij die moedermaatschappij, die dat vermoeden moet weerleggen, voldoende bewijs overlegt om aan te tonen dat haar dochteronderneming haar marktgedrag zelfstandig bepaalt (arrest van 28 oktober 2020, Pirelli & C./Commissie, C‑611/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:868, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Tenzij dat vermoeden wordt weerlegd, impliceert het dus dat de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar dochteronderneming wordt geacht vast te staan en de Commissie het recht geeft om deze moedermaatschappij verantwoordelijk te houden voor het gedrag van haar dochteronderneming, zonder dat de Commissie aanvullend bewijs hoeft aan te dragen. De toepassing van het vermoeden van daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed hangt bijgevolg niet af van de overlegging van aanvullende aanwijzingen betreffende de daadwerkelijke uitoefening van invloed door de moedermaatschappij (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P–C‑461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
35 Uit de in de punten 31 tot en met 33 van dit arrest aangehaalde rechtspraak blijkt echter dat niet het feit dat de moedermaatschappij het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming bezit als zodanig ten grondslag ligt aan het vermoeden dat zij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent, maar wel de mate waarin zij zeggenschap heeft over haar dochteronderneming ten gevolge van dat bezit. Derhalve heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 50 van het bestreden arrest in wezen te oordelen dat een moedermaatschappij die alle aan de aandelen in haar dochteronderneming verbonden stemrechten kan uitoefenen, zich in dat opzicht bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met die van een vennootschap die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van de dochteronderneming in handen heeft, zodat de moedermaatschappij in staat is om de economische en commerciële strategie van de dochteronderneming te bepalen. Een moedermaatschappij die alle aan de aandelen in haar dochteronderneming verbonden stemrechten kan uitoefenen, kan immers net zoals een moedermaatschappij die het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming in handen heeft, beslissende invloed uitoefenen op het gedrag van die dochteronderneming.
37 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door rekwirantes overige argumenten.
38 Ten eerste moet het vermoeden dat een moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming namelijk in het bijzonder een evenwicht tot stand brengen tussen enerzijds het belang van de doelstelling om gedrag dat inbreuk maakt op de mededingingsregels en meer bepaald op artikel 101 VWEU te beteugelen alsook te voorkomen dat het zich opnieuw voordoet, en anderzijds de vereisten die voortvloeien uit bepaalde algemene beginselen van Unierecht, zoals met name het beginsel van het vermoeden van onschuld, het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en het rechtszekerheidsbeginsel alsook de rechten van de verdediging, waaronder het beginsel van processuele gelijkheid (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C‑501/11 P, EU:C:2013:522, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Het is juist dat – zoals rekwirante aanvoert – de identificatie van de personen die de aan de aandelen in een vennootschap verbonden stemrechten kunnen uitoefenen, in voorkomend geval moeilijker kan blijken te zijn dan de vaststelling aan welke personen die aandelen toebehoren. Niets wijst er echter op dat dergelijke moeilijkheden de rechtszekerheid kunnen aantasten. Het ligt namelijk voor de hand dat een moedermaatschappij die weliswaar niet alle of nagenoeg alle aandelen in haar dochteronderneming in handen heeft, maar zich alle aan die aandelen verbonden stemrechten heeft voorbehouden of deze stemrechten heeft verworven, er niet onkundig van kan zijn dat dit het geval is.
40 Daarnaast zij eraan herinnerd dat de Commissie geenszins verplicht is om zich uitsluitend op vorenbedoeld vermoeden te baseren. Niets belet die instelling namelijk om door middel van andere bewijzen of een combinatie van dergelijke bewijzen en dat vermoeden aan te tonen dat een moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming (arrest van 26 oktober 2017, Global Steel Wire e.a./Commissie, C‑457/16 P en C‑459/16 P–C‑461/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:819, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73.
- "67 Wat de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak van het Hof is dat bij het onderzoek of een moedermaatschappij beslissende invloed kan uitoefenen op het marktgedrag van haar dochteronderneming, rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden die verband houden met de economische, organisatorische en juridische banden tussen de moederonderneming en haar dochteronderneming, en dus met de economische realiteit. Voorts kan uit een reeks onderling overeenstemmende gegevens worden afgeleid dat de moedermaatschappij daadwerkelijk beslissende invloed uitoefent op het gedrag van de dochteronderneming, ook al volstaat geen van die gegevens op zichzelf beschouwd om van een dergelijke invloed te kunnen spreken (arrest van 18 januari 2017, Toshiba/Commissie, C‑623/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:21, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 Uit de rechtspraak volgt eveneens dat het Gerecht in dat verband zijn beoordeling moet baseren op feiten die zich tijdens de inbreukperiode hebben voorgedaan, hetgeen evenwel onverlet laat dat het Gerecht rekening kan houden met gegevens die betrekking hebben op een eerdere periode, voor zover het kan aantonen dat deze gegevens relevant zijn voor de inbreukperiode en het de uit de beoordeling van die oudere gegevens voortvloeiende conclusies niet automatisch toepast op de inbreukperiode (arrest van 16 juni 2016, Evonik Degussa en AlzChem/Commissie, C‑155/14 P, EU:C:2016:446, punt 34)."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73
- "93 Ten vierde moet met betrekking tot rekwirantes argument dat uit de rechtspraak volgt dat enkel een gelijktijdige uitoefening van functies de moedermaatschappij noodzakelijkerwijs in een positie brengt waarin zij beslissende invloed kan uitoefenen op het marktgedrag van haar dochteronderneming, en dat dit in casu niet het geval was, in herinnering worden gebracht dat – zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 107 van het bestreden arrest – uit de rechtspraak volgt dat een economische eenheid tussen de moedermaatschappij en haar dochteronderneming niet alleen kan voortvloeien uit de formele betrekking tussen beide, maar ook op informele wijze kan ontstaan, met name doordat er sprake is van een personele vervlechting tussen de juridische entiteiten die een dergelijke economische eenheid vormen (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje, C‑440/11 P, EU:C:2013:514, punt 68).
94 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter niet dat de personele vervlechting tussen twee vennootschappen in dit verband alleen relevant kan zijn wanneer functies gelijktijdig worden uitgeoefend. De relevantie van een dergelijke personele vervlechting is immers gelegen in het feit dat deze erop kan wijzen dat een persoon weliswaar werkzaam is voor een bepaalde vennootschap, maar in werkelijkheid de belangen van een andere vennootschap nastreeft, gelet op zijn banden met die andere vennootschap. Dat kan ook het geval zijn wanneer een persoon die deel uitmaakt van de raad van bestuur van een vennootschap, met een andere vennootschap banden heeft via „eerdere diensten van adviesverlening” of „adviesverleningsovereenkomsten”, zoals het Gerecht heeft opgemerkt in punt 106 van het bestreden arrest."
HvJ EU 27 januari 2021, nr. C-595/18 P (The Goldman Sachs Group tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:73.
Overeenkomsten, onderling afgestemde gedragingen, besluiten van ondernemersverenigingen
Algemeen
"Dat, terwijl uit de algemene aard der gebezigde bewoordingen het oogmerk blijkt om alle in die bepaling omschreven categorieen van afspraken zonder onderscheid te treffen, anderzijds haar restrictief karakter zich er tegen verzet het daarin vervatte verbod uit te breiden buiten de drie limitatief opgesomde categorieen van afspraken;"
HvJ EG 27 februari 1968, nr. 24/67, ECLI:EU:C:1968:11, Jur. XIV (1968), p. 106 (Parke, Davis/Probel e.a.).
"Overwegende dat artikel 85, lid 1, allereerst het raam vaststelt binnen hetwelk het verbod toepassing zal vinden en dan overeenkomsten, besluiten en feitelijke gedragingen noemt;
dat waar in dit verband gelijkelijk overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen alsook onderling afgestemde feitelijke gedragingen - waarbij een groot aantal deelnemers betrokken kan zijn - worden genoemd, zulks impliceert dat op alle bestanddelen dier overeenkomsten, besluiten en gedragingen mag worden gelet;"
HvJ EG 12 december 1967, nr. 23/67, ECLI:EU:C:1967:54, Jur. 1967, p. 523 (Brasserie De Haecht/Wilkin en Jansen).
"(...) (Bew.: 12 Overwegende dat,) wanneer ondernemersafspraken vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot stand kwamen, het nodig - en voldoende - is dat zij hun werking nog na bedoeld tijdstip uitoefenen."
HvJ EG 18 februari 1971, nr. 40/70, ECLI:EU:C:1979:236, Jur. 1971, p. 83 (Sirena/Eda e.a.).
"64 Overwegende dat zo artikel 85 het begrip 'onderling afgestemde feitelijke gedraging' van die der 'overeenkomsten tussen ondernemingen' of 'besluiten van ondernemersverenigingen' onderscheidt, daarbij de bedoeling voorzit onder de verboden van dit artikel een vorm van coördinatie tussen ondernemingen te begrijpen, die, zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt, de risico's der onderlinge concurrentie welbewust vervangt door een feitelijke samenwerking;"
HvJ EG 14 juli 1972, nr. 48/69, ECLI:EU:C:1972:70, Jur. 1972, p. 620 (Imperial Chemical Industries/Commissie).
Zie ook HvJ EU 11 september 2014, nr. C-382/12 P, ECLI:EU:C:2014:2201 (Mastercard/Commissie).
"30 Overwegende dat wanneer , gelijk in casu , ondernemersafspraken niet meer van kracht zijn , het voor de toepasselijkheid van artikel 85 voldoende is dat zij na hun formele beëindiging hun werking nog uitoefenen ;
31 dat een ondernemersafspraak slechts dan wordt geacht haar werking nog uit te oefenen , indien de handelwijze der betrokkenen implicite van de aan ondernemersafspraken eigen afstemmings- en coördinatie-elementen doet blijken en hetzelfde resultaat oplevert als met de ondernemersafspraak werd beoogd ;"
HvJ EG 15 juni 1976, nr. 51/75, ECLI:EU:C:1976:85, Jur. 1976, p. 847, 905, 947 (EMI Records/CBS).
"85 (...) betogen dat de Commissie de artikelen 85 en 190 EEG-Verdrag heeft geschonden , doordat zij de aanbeveling ten onrechte als een overeenkomst tussen ondernemingen , als besluit van een ondernemersvereniging of als verbindend voor verzoekers heeft beschouwd . Om een dergelijke overeenkomst te vormen zou de aanbeveling de kenmerken van een naar nationaal recht gesloten verplicht contract moeten vertonen . In het onderhavige geval zou het echter niet om een dergelijk contract gaan , aangezien de bindende werking ontbreekt .
86 Dit argument kan niet worden aanvaard . verzoekers - leden van FEDETAB - hebben de Commissie in casu laten weten dat zij zich bij de aanmelding van de aanbeveling aansloten en hebben tijdens de procedure voor het hof toegegeven dat zij deze sedert 1 december 1975 hebben opgevolgd . Hieruit volgt dat de aanbeveling de getrouwe uitdrukking van de wil van verzoekers vormt om zich op de Belgische sigarettenmarkt overeenkomstig de bewoordingen van de aanbeveling te gedragen . aan de voor toepassing van artikel 85 , lid 1 , noodzakelijke voorwaarden is derhalve voldaan ."
HvJ EG 29 oktober 1980, nr. 209-215 en 218/78, ECLI:EU:C:1980:248, Jur. 1980, p. 3249 (Heintz van Landewijck e.a./Commissie).
Zie ook: HvJ EG 11 januari 1990, nr. C-277/87, ECLI:EU:C:1989:363, Jur. 1990, p. I-45 (Sandoz/Commissie).
"77 (…) (Bew.: zijn) het juridisch kader waarin dergelijke overeenkomsten (...) worden gesloten en dergelijke besluiten (...) worden vastgesteld , alsmede de juridische kwalificatie die in de verschillende nationale rechtsordes aan dit kader worden gegeven , niet van invloed (...) voor de toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels en inzonderheid van artikel 85 EEG-Verdrag."
HvJ EG 30 januari 1985, nr. 123/83, ECLI:EU:C:2001:390, Jur. 1985, p. 423 (Bureau national interprofessionnel du cognac/Guy Clair).
"17 Artikel 85 zou overigens ook van toepassing zijn geweest indien de uitgevers na de beëindiging van de oude overeenkomst hun parallel gedrag zouden hebben voortgezet zonder dat een nieuwe overeenkomst tot stand was gekomen . (...) Het mededingingsstelsel van de artikelen 85 e.v . EEG-Verdrag is meer geïnteresseerd in de economische gevolgen van overeenkomsten - en van iedere vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie - dan in de rechtsvorm ervan ."
HvJ EG 3 juni 1985, nr. 243/83, ECLI:EU:C:1985:284, Jur. 1985, p. 2040 (Binon/Agence et messageries de la presse).
"125 Met betrekking tot de vraag, of de Commissie mocht concluderen dat er sprake was van één enkele inbreuk, in artikel 1 van de beschikking gekwalificeerd als 'een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen', zij eraan herinnerd, dat de verschillende waargenomen onderling afgestemde feitelijke gedragingen en de verschillende gesloten overeenkomsten, waar zij alle hetzelfde doel hadden, stelsels vormden van regelmatige bijeenkomsten en van vaststellingen van richtprijzen en quota.
126 Deze stelsels pasten in het kader van een aantal door de betrokken ondernemingen ondernomen stappen die waren gericht op één economisch doel, te weten het verstoren van de normale ontwikkeling van de prijzen op de polypropyleenmarkt. Het zou derhalve kunstmatig zijn, deze voortgezette gedraging, die wordt gekenmerkt door één enkel doel, op te splitsen in verschillende gedragingen en als even zovele inbreuken te beschouwen. Verzoekster is immers jarenlang betrokken geweest bij een geïntegreerd complex van stelsels, die één enkele inbreuk uitmaken, waaraan geleidelijk gestalte is gegeven door zowel verboden overeenkomsten als verboden onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
127 De Commissie was bovendien gerechtigd, die inbreuk als 'een (...) overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen' te kwalificeren, aangezien sommige elementen als 'overeenkomst' en andere als 'onderling afgestemde feitelijke gedraging' moesten worden aangemerkt. Gezien het complexe karakter van de inbreuk moet de dubbele kwalificatie in artikel 1 van de beschikking van de Commissie niet worden opgevat als een kwalificatie ten aanzien waarvan gelijktijdig en cumulatief moet worden bewezen dat elk van deze feitelijke bestanddelen zowel de karakteristieken van een overeenkomst als van een onderling afgestemde gedraging vertoont, doch als een kwalificatie die een complex geheel van feitelijke bestanddelen aanduidt, waarvan sommige zijn aangemerkt als overeenkomst en andere als onderling afgestemde feitelijke gedraging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, dat voor dit soort complexe inbreuken niet in een specifieke kwalificatie voorziet."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-1/89, ECLI:EU:T:1991:56, Jur. 1991, p. II-868 (Rhône-Poulenc/Commissie).
"231 Bovendien mocht de Commissie, waar zij rechtens genoegzaam heeft bewezen dat de gevolgen van de prijsinitiatieven zich tot november 1983 deden gevoelen, zich op het standpunt stellen, dat de inbreuk in elk geval tot in november 1983 heeft voortgeduurd. Volgens de rechtspraak van het Hof is artikel 85 namelijk ook van toepassing op overeenkomsten die niet meer van kracht zijn, doch na hun formele beëindiging effect blijven sorteren (...)."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-2/89, ECLI:EU:T:1991:75, Jur. 1991, p. II-1087 (Petrofina/Commissie).
"211 Derhalve mocht de Commissie zich op het standpunt stellen, dat verzoekster, door (...) deel te nemen aan de periodieke bijeenkomsten van polypropyleenproducenten, zich heeft aangesloten bij de polypropyleenproducenten die wilsovereenstemming hebben bereikt met betrekking tot (...) (Bew.: concurrentiebeperkende gedragingen), en dat zij daarmee in strijd met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag heeft deelgenomen aan een overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen."
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-3/89 (Atochem/Commissie), ECLI:EU:T:1991:58, Jur. 1991, p. II-1177
"155 Daar de Commissie echter was geslaagd in het bewijs, dat Hüls had deelgenomen aan bijeenkomsten van ondernemingen met een duidelijk mededingingsbeperkend karakter, stond het aan Hüls om aanwijzingen te verstrekken waaruit bleek dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam. (...)"
HvJ EG 8 juli 1999, nr. C-199/92 P (Hüls/Commissie), ECLI:EU:C:1999:358, Jur. 1999, p. I-4385 .
"57. In de meeste gevallen moet het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448.
"81 Volgens vaste rechtspraak volstaat het dat de Commissie aantoont dat de betrokken onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten tijdens welke mededingingsverstorende overeenkomsten zijn gesloten, en zich daar niet duidelijk tegen heeft verzet, om de deelneming van die onderneming aan de mededingingsregeling genoegzaam te bewijzen. Wanneer de deelneming aan dergelijke bijeenkomsten is aangetoond, dient die onderneming aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen mededingingsbeperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam (zie arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 155, en Commissie/Anic Partecipazioni, C-42/92 P, Jurispr. blz. I-4125, punt 96).
82 Aan dit rechtsbeginsel ligt de redenering ten grondslag dat een onderneming die aan die bijeenkomst heeft deelgenomen zonder zich publiekelijk van de inhoud daarvan te distantiëren, bij de andere deelnemers de indruk heeft gewekt dat zij het eens was met het resultaat daarvan en dat zij zich daaraan zou houden.
83 De beginselen die zijn ontwikkeld in de rechtspraak waaraan in punt 81 van dit arrest is herinnerd, gelden ook voor de deelneming aan de uitvoering van één enkele overeenkomst. Om de deelneming van een onderneming aan een dergelijke overeenkomst vast te stellen, dient de Commissie aan te tonen, dat deze onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de materiële gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of in praktijk brachten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (zie arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 87).
84 In dat verband leidt de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen en dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, ertoe dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk waarvoor de onderneming in het kader van één enkele overeenkomst aansprakelijk kan worden gesteld.
85 Bovendien ontslaat de omstandigheid dat een onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van een vergadering met een mededingingsverstorend doel, haar niet van haar aansprakelijkheid voor haar deelneming aan een mededingingsregeling, tenzij zij zich publiekelijk van de inhoud daarvan heeft gedistantieerd (zie arrest van 16 november 2000, Sarrió/Commissie, C-291/98 P, Jurispr. blz. I-9991, punt 50)."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448 .
- "258. Een schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging. Deze uitlegging kan niet worden betwist met het argument, dat een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of voortgezette gedraging op zich ook afzonderlijk een schending van die bepaling kunnen opleveren (zie in die zin arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 81). Wanneer de verschillende handelingen, wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie de verantwoordelijkheid voor die handelingen bepalen aan de hand van de deelneming aan de betrokken inbreuk in haar geheel."
HvJ EG 7 januari 2004, nr. C-204/00 P, C-205/00 P, C-211/00 P, C-213/00 P, C-217/00 P en C-219/00 P (Aalborg Portland e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2004:6, Jur. 2004, p. I-447-448.
- "41 Volgens vaste rechtspraak kan een schending van artikel 81, lid 1, EG niet alleen voortvloeien uit een op zichzelf staande handeling, maar eveneens uit een reeks handelingen of een voortgezette gedraging, ook al zouden een of meer onderdelen van deze reeks handelingen of van deze voortgezette gedraging ook op zich, afzonderlijk, een schending van deze bepaling kunnen opleveren. Wanneer de verschillende handelingen wegens hun identieke doel, de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verstoren, deel uitmaken van een „totaalplan”, mag de Commissie bijgevolg de aansprakelijkheid voor die handelingen toerekenen naargelang van de deelname aan de betrokken inbreuk in zijn geheel (arrest Commissie/Anic Partecipazioni, reeds aangehaald, punt 81, en arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 258).
42 Een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkend doel in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, kan aldus voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dit is het geval wanneer vast komt te staan dat de betrokken onderneming met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van alle deelnemers en dat zij de inbreukmakende gedragingen die de andere ondernemingen met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (reeds aangehaalde arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punten 87 en 203, en Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 83).
43 Een onderneming kan aldus rechtstreeks hebben deelgenomen aan alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, in welk geval de Commissie haar aansprakelijk mag stellen voor al deze gedragingen en dus voor de inbreuk in zijn geheel. Een onderneming kan ook slechts rechtstreeks hebben deelgenomen aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar kennis hebben gehad van alle inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze redelijkerwijs hebben kunnen voorzien en bereid zijn geweest het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit een dergelijke inbreuk bestaat, en dus voor de inbreuk in zijn geheel.
44 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan één of meer mededingingsverstorende gedragingen waaruit de enkele voortgezette inbreuk bestaat, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, kan de Commissie haar uitsluitend aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor die gedragingen welke de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde als de door haar nagestreefde doelstellingen en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden.
45 Dat mag evenwel niet tot gevolg hebben dat deze onderneming wordt bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de gedragingen ten aanzien waarvan haar deelname vaststaat of waarvoor zij daadwerkelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Het feit dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij heeft deelgenomen, is immers niet relevant voor de vaststelling dat zij een inbreuk heeft gepleegd, daar die elementen slechts in aanmerking dienen te worden genomen bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van de geldboete (arresten Commissie/Anic Partecipazioni, punt 90, en Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 86).
46 Een dergelijke opsplitsing van een beschikking van de Commissie waarbij een globaal kartel wordt aangemerkt als één enkele voortgezette inbreuk is echter slechts mogelijk indien die onderneming tijdens de administratieve procedure in staat werd gesteld te begrijpen dat haar tevens elk van de gedragingen waaruit die inbreuk bestond, ten laste werd gelegd, en dus dienaangaande verweer te voeren, én indien die beschikking op dit punt voldoende duidelijk is.
47 Hieruit volgt dat wanneer is voldaan aan de in het vorige punt van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden, de rechter van de Unie, indien hij vaststelt dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat een onderneming, toen zij deelnam aan een van de mededingingsverstorende gedragingen waaruit één enkele voortgezette inbreuk bestaat, de andere mededingingsverstorende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, daaraan geen andere gevolgtrekking dient te verbinden dan dat deze onderneming niet aansprakelijk kan worden gesteld voor die andere gedragingen en dus evenmin voor de enkele voortgezette inbreuk in zijn geheel, en dat de bestreden beschikking slechts in zoverre ongegrond moet worden geacht."
HvJ EU 6 december 2012, nr. C-441/11 P (Commissie tegen Verhuizingen Coppens), ECLI:EU:C:2012:778.
- "70 In dat verband zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 57, en arrest van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725, punt 94).
71 Wanneer zij algemeen worden beoordeeld, kunnen dergelijke aanwijzingen en samenloop van omstandigheden niet enkel uitsluitsel geven over het bestaan van mededingingsverstorende gedragingen of overeenkomsten, maar tevens over de duur van een voortgezette mededingingsverstorende gedraging of over het tijdvak waarin een in strijd met de mededingingsvoorschriften gesloten overeenkomst werd toegepast (zie in die zin arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, punten 95 en 96).
72 Wat het ontbreken van bewijs voor het bestaan van een overeenkomst gedurende bepaalde perioden betreft, of althans voor de tenuitvoerlegging ervan door een onderneming in een welbepaalde periode, zij eraan herinnerd dat het feit dat dit bewijs niet is geleverd voor welbepaalde tijdvakken er niet aan in de weg staat dat de inbreuk wordt aangemerkt als bestaand gedurende een totale periode die langer is dan deze tijdvakken mits een dergelijke vaststelling op objectieve en overeenstemmende aanwijzingen berust. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, heeft het feit dat zich in verschillende tijdvakken, met langere of kortere tussenpozen, manifestaties van het kartel voordoen, geen invloed op het bestaan van dit kartel, voor zover met de verschillende handelingen die deel uitmaken van de inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele voortgezette inbreuk (zie in die zin arrest Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, punten 97 en 98).
73 Uit de rechtspraak volgt tevens dat de stilzwijgende goedkeuring van een onrechtmatig initiatief, waarvan niet publiekelijk afstand wordt genomen of dat niet bij de administratieve instanties wordt aangegeven, tot gevolg heeft dat het voortbestaan van de inbreuk wordt bevorderd en de ontdekking ervan wordt bemoeilijkt. Deze medeplichtigheid vormt een passieve deelneming aan de inbreuk, waarvoor de betrokken onderneming aansprakelijk is (arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 84)."
HvJ EU 6 december 2012, nr. C-441/11 P (Commissie tegen Verhuizingen Coppens), ECLI:EU:C:2012:778.
"22 Volgens de rechtspraak van het Hof is derhalve slechts in situaties waarin een onderneming heeft deelgenomen aan mededingingsverstorende bijeenkomsten, vereist dat zij zich daarvan publiekelijk distantieert en daarmee het onontbeerlijke bewijs levert ter weerlegging van het in het voorgaande punt bedoelde vermoeden, maar is een dergelijke distantiëring niet in alle gevallen vereist om de deelname aan de inbreuk te beëindigen.
23 Voor zover het niet gaat om de deelname aan afzonderlijke mededingingsverstorende bijeenkomsten, maar om de deelname aan een inbreuk die zich uitstrekt over verschillende jaren, vloeit uit de rechtspraak van het Hof namelijk voort dat het feit dat een onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd, slechts één van de elementen is die in aanmerking moeten worden genomen met het oog op de vaststelling of een onderneming daadwerkelijk is blijven deelnemen aan een inbreuk of die deelname juist heeft stopgezet (zie in deze zin arrest Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 75).
(...)
26 Er zij aan herinnerd dat het bestaan van een mededingingsverstorende gedraging of overeenkomst in de meeste gevallen moet worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie arresten Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57, alsmede Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 70).
27 Wat met name een inbreuk betreft die zich over verschillende jaren uitstrekt, heeft het Hof geoordeeld dat het feit dat er geen rechtstreeks bewijs is dat een onderneming gedurende een bepaald tijdvak heeft deelgenomen aan deze inbreuk, er niet aan in de weg staat dat die deelname ook voor dit tijdvak wordt vastgesteld, mits deze vaststelling op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen berust (zie in deze zin arresten Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie, C‑105/04 P, EU:C:2006:592, punten 97 en 98, en Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 72).
28 Immers, ook al is een publieke distantiëring niet het enige middel voor een bij een kartel betrokken onderneming om te bewijzen dat zij haar deelname aan dat kartel heeft beëindigd, dat laat onverlet dat een dergelijke distantiëring een belangrijk gegeven is waaruit kan blijken dat een mededingingsverstorende gedraging is beëindigd. Het feit dat een onderneming zich niet publiekelijk heeft gedistantieerd, vormt een feitelijke situatie die de Commissie kan aanvoeren als bewijs dat een onderneming het mededingingsverstorende gedrag heeft voortgezet. Ingeval er in de loop van een periode van enige omvang verschillende heimelijke bijeenkomsten zijn gehouden waaraan de vertegenwoordigers van de betrokken onderneming niet hebben deelgenomen, moet de Commissie haar oordeel echter ook op ander bewijsmateriaal baseren."
HvJ EU 17 september 2015, nr. C-634/13 P (Total Marketing Services tegen Commissie), ECLI:EU:C:2015:614.
"172 Volgens de rechtspraak van het Hof kan een onderneming die aan een dergelijke enkele en complexe inbreuk heeft deelgenomen door middel van voor haar kenmerkende gedragingen die een overeenkomst of onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormden en die een bijdrage aan de verwezenlijking van de inbreuk in zijn geheel beoogden te leveren, voor de gehele duur van haar deelneming aan die inbreuk eveneens aansprakelijk zijn voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van diezelfde inbreuk. Dat is het geval wanneer vaststaat dat deze onderneming door haar eigen gedrag wilde bijdragen aan de door alle deelnemers nagestreefde gemeenschappelijke doelstellingen en dat zij kennis had van de inbreukmakende gedragingen die door andere ondernemingen werden overwogen of verricht in hun streven naar dezelfde doelstellingen, of dat zij ze redelijkerwijs kon voorzien of bereid was het risico daarvan te aanvaarden (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 42, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 157).
173 Wanneer een onderneming daarentegen rechtstreeks heeft deelgenomen aan een of meerdere van de mededingingsverstorende gedragingen die één enkele voortdurende inbreuk vormen, maar niet is bewezen dat zij met haar eigen gedrag heeft willen bijdragen aan alle gemeenschappelijke doelstellingen van de andere karteldeelnemers en dat zij alle andere inbreukmakende gedragingen die deze deelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden, mag de Commissie haar enkel aansprakelijk stellen voor de gedragingen waaraan zij rechtstreeks heeft deelgenomen en voor de gedragingen die de andere deelnemers planden of verrichtten met het oog op dezelfde doelstellingen als die welke zij nastreefde en waarvoor is bewezen dat zij deze kende of redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden (arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 44, en 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce, C‑293/13 P en C‑294/13 P, EU:C:2015:416, punt 159)."
TvR EU 26 september 2018, nr. C-99/17 P (Infineon Technologies v Commission), ECLI:EU:C:2018:773.
"243 Selon une jurisprudence constante, une violation de l’article 101 TFUE peut résulter non seulement d’un acte isolé, mais également d’une série d’actes ou bien encore d’un comportement continu, quand bien même un ou plusieurs éléments de cette série d’actes ou de ce comportement continu pourraient également constituer, en eux-mêmes et pris isolément, une violation de ladite disposition. Ainsi, lorsque les différentes actions des entreprises concernées s’inscrivent dans un « plan d’ensemble », en raison de leur objet identique faussant le jeu de la concurrence à l’intérieur du marché commun, la Commission est en droit d’imputer la responsabilité de ces actions en fonction de la participation à l’infraction considérée dans son ensemble (voir arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 41 et jurisprudence citée).
244 En effet, une entreprise peut n’avoir directement participé qu’à une partie des comportements anticoncurrentiels composant l’infraction unique et continue, mais avoir eu connaissance de l’ensemble des autres comportements infractionnels envisagés ou mis en œuvre par les autres participants à l’entente dans la poursuite des mêmes objectifs, ou avoir pu raisonnablement les prévoir et avoir été prête à en accepter le risque, mais également les éventuels bénéfices. Dans un tel cas, la Commission est en droit d’imputer à cette entreprise la responsabilité de l’ensemble des comportements anticoncurrentiels composant une telle infraction et, par la suite, de celle‑ci dans son ensemble (arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 43 ; voir, également, arrêt du 26 janvier 2017, Duravit e.a./Commission, C‑609/13 P, EU:C:2017:46, point 119 et jurisprudence citée).
245 Il s’ensuit, d’abord, que, pour constater l’existence d’une infraction unique, il appartient à la Commission d’établir que les accords ou les pratiques concertées dont il s’agit, tout en portant sur des biens, des services ou des territoires distincts, s’inscrivent dans un plan d’ensemble mis en œuvre sciemment par les entreprises concernées, en vue de la réalisation d’un objectif anticoncurrentiel unique (arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 168).
246 Or, des liens de complémentarité entre des accords ou des pratiques concertées constituent des indices objectifs de l’existence d’un plan d’ensemble. Il existe de tels liens, par exemple, lorsque lesdits accords ou lesdites pratiques visent à faire face à une ou à plusieurs conséquences du jeu normal de la concurrence et contribuent, par leur interaction, à la réalisation d’un objectif unique anticoncurrentiel (voir arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 169).
247 La Commission est en tout cas tenue d’examiner tous les éléments factuels susceptibles d’établir ou de remettre en cause un plan d’ensemble (arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 169 ; voir également, en ce sens, arrêt du 28 avril 2010, Amann & Söhne et Cousin Filterie/Commission, T‑446/05, EU:T:2010:165, point 92 et jurisprudence citée). À cette fin, elle doit tenir compte notamment de la période d’application, du contenu, y compris des méthodes employées, et, corrélativement, de l’objectif des différents agissements en question (arrêt du 23 janvier 2014, Gigaset/Commission, T‑395/09, non publié, EU:T:2014:23, point 103). En outre, le fait que les mêmes personnes aient été impliquées dans l’ensemble des agissements anticoncurrentiels tend à montrer la complémentarité de ces derniers (voir, en ce sens, arrêt du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 197).
248 Ensuite, s’agissant de l’élément intentionnel permettant d’établir la participation d’une entreprise à une infraction unique et continue, il convient de rappeler que l’existence d’une telle infraction ne signifie pas nécessairement qu’une entreprise participant à l’une ou à l’autre de ses activités collusoires puisse être tenue pour responsable de l’ensemble de cette infraction. Encore faut-il que la Commission démontre d’abord que cette entreprise devait connaître l’ensemble des opérations anticoncurrentielles mises en œuvre, à l’échelle de l’EEE, par les autres entreprises parties à l’entente ou, en tout état de cause, qu’elle pouvait raisonnablement prévoir de tels comportements. Autrement dit, la seule identité d’objet entre un accord auquel a participé une entreprise et une entente globale ne suffit pas pour imputer à cette entreprise la participation à l’entente dans son ensemble. En effet, l’article 101 TFUE ne s’applique que s’il y a une concordance de volontés entre les parties concernées (voir, en ce sens, arrêts du 10 octobre 2014, Soliver/Commission, T‑68/09, EU:T:2014:867, point 62, et du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 172).
249 Dès lors, il appartient à la Commission d’établir que l’entreprise ayant participé à une infraction par des comportements spécifiques qui lui étaient propres entendait néanmoins s’associer, par ces comportements, aux objectifs poursuivis par l’ensemble des participants et qu’elle avait connaissance des comportements infractionnels envisagés ou mis en œuvre par les autres entreprises dans la poursuite de ces mêmes objectifs ou qu’elle pouvait raisonnablement les prévoir, de sorte qu’elle était prête à accepter le risque d’une telle participation dans la perspective d’obtenir, le cas échéant, des bénéfices importants, quoique illégaux, d’une telle participation (voir, en ce sens, arrêt du 6 décembre 2012, Commission/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, point 42)."
Gerecht EU 28 maart 2019, nr. T-433/16 (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:201.
"30 Wat de beëindiging van de deelname van een onderneming aan een dergelijke inbreuk betreft, is het vaste rechtspraak dat in het mededingingsstelsel van de artikelen 101 en 102 VWEU meer gewicht wordt toegekend aan de economische gevolgen van overeenkomsten of elke vergelijkbare vorm van onderlinge afstemming of coördinatie dan aan de juridische vorm ervan. Wanneer mededingingsregelingen niet meer van kracht zijn, is het voor de toepasselijkheid van artikel 101 VWEU dan ook voldoende dat zij na de formele beëindiging van de heimelijke contacten effect blijven sorteren. Hieruit volgt dat de duur van de inbreukperiode kan worden beoordeeld aan de hand van de periode waarin de beschuldigde ondernemingen zich op een met die bepaling strijdige wijze hebben gedragen. Zo kan de duur van de inbreuk zich uitstrekken tot de gehele periode waarin de onrechtmatig afgesproken prijzen zijn toegepast, ook al zou de mededingingsregeling formeel gesproken reeds hebben opgehouden te bestaan (zie in die zin arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie, C‑70/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:351, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
35 Wanneer er sprake is van op grond van artikel 101, lid 1, VWEU verboden gedragingen die bestaan in de manipulatie van een openbare aanbestedingsprocedure door middel van een overeenkomst tussen concurrenten over de in het kader van die procedure in te dienen prijzen en/of over de gunning van de betreffende opdracht, verdwijnen de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling in beginsel uiterlijk op het tijdstip waarop de wezenlijke kenmerken van de opdracht – met name de totale prijs die moet worden betaald voor de goederen, de werkzaamheden of de diensten waarop de aanbesteding betrekking heeft – definitief zijn vastgesteld, in voorkomend geval doordat een overeenkomst is gesloten tussen de geselecteerde inschrijver en de aanbestedende dienst. Vanaf dat tijdstip is de aanbestedende dienst immers definitief de mogelijkheid ontnomen om de goederen, werkzaamheden of diensten in kwestie onder normale marktvoorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten. In casu staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht – met name de totale prijs die voor de aanleg van de hoogspanningslijn in kwestie moet worden betaald – definitief zijn vastgesteld.
36 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument dat de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse, de Duitse en de Letse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, te weten dat de schadelijke economische gevolgen van de mededingingsregeling voor de in de overeenkomst tussen Eltel en Fingrid afgesproken prijs zich manifesteerden totdat de laatste tranche van deze prijs was betaald en dat dit op de downstream markt schadelijke economische gevolgen kon hebben, met name in de vorm van hogere elektriciteitsdistributietarieven voor de klanten van Fingrid.
37 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 39 van zijn conclusie, moet een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de mededingingsbeperkende gevolgen van de mededingingsregeling – die bestaan in de uitsluiting van concurrerende inschrijvers en/of de eventueel kunstmatige beperking van de keuze van de klant, en die afbreuk doen aan de mogelijkheid waarover de aanbestedende dienst beschikt om de overeengekomen goederen, werkzaamheden of diensten onder concurrerende voorwaarden te verwerven respectievelijk te doen verrichten – en anderzijds de uit die mededingingsregeling voortvloeiende ruimere economische gevolgen die schadelijk zijn voor de overige marktdeelnemers, die daarvoor – zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt – bij de nationale rechter schadevergoeding kunnen vorderen.
38 Voorts zijn de kwesties betreffende de verjaringstermijn van een dergelijke vordering tot schadevergoeding en van een eventuele vordering van de aanbestedende dienst die ertoe strekt de rechtmatigheid van de aanbesteding te betwisten of de overeenkomst te doen ontbinden, juridische kwesties die losstaan van de kwesties betreffende de datum waarop een inbreuk op de mededingingsregels is beëindigd en de termijn waarbinnen een sanctie voor deze inbreuk kan worden opgelegd vóór het verstrijken van de verjaringstermijn.
39 Evenmin kan worden ingestemd met het door de mededingings- en consumentenautoriteit alsook de Finse en de Duitse regering in hun respectieve schriftelijke opmerkingen aangevoerde argument dat het met het doeltreffendheidsvereiste van artikel 101 VWEU in strijd zou zijn om in een situatie als in het hoofdgeding een te korte duur van de inbreuk in aanmerking te nemen, omdat de toepassing van de verjaringsregels tot gevolg zou hebben dat een groter aantal inbreuken onbestraft blijft.
40 Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 45 en 46 van zijn conclusie, is in het Unierecht – overeenkomstig beginselen die kenmerkend zijn voor een rechtsunie – als beginsel aanvaard dat er een verjaringstermijn geldt voor het optreden van de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om inbreuken op artikel 101 VWEU te vervolgen en te bestraffen, zodat de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze bepaling geen rechtvaardiging kan vormen om de duur van de inbreukperiode kunstmatig te verlengen teneinde de vervolging ervan mogelijk te maken."
"Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een onderneming aan één enkele voortdurende inbreuk op deze bepaling zou hebben deelgenomen waarbij het meest recente bestanddeel van deze inbreuk bestond in het feit dat die onderneming in het kader van een aanbestedingsprocedure met het oog op de gunning van een overheidsopdracht voor werkzaamheden een offerte heeft ingediend die was afgestemd op die van haar concurrenten, deze aanbestedingsprocedure heeft gewonnen en met de aanbestedende dienst een overeenkomst voor de uitvoering van die werkzaamheden heeft gesloten waarin de wezenlijke kenmerken van deze opdracht worden vastgesteld – met name de totale prijs die voor de betreffende werkzaamheden moet worden betaald – en waarbij zowel de uitvoering van de werkzaamheden als de betaling van de prijs in de tijd is gespreid, de inbreukperiode eindigt op het tijdstip van ondertekening van de overeenkomst die tussen de betrokken onderneming en de aanbestedende dienst is gesloten op basis van de door die onderneming ingediende, op de offerte van haar concurrenten afgestemde offerte. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan op welk tijdstip de wezenlijke kenmerken van de betreffende opdracht – met name de totale prijs die voor de werkzaamheden moet worden betaald – definitief zijn vastgesteld."
HvJ EU 14 januari 2021, nr. C-450/19 (Kilpailu- ja kuluttajavirasto), ECLI:EU:C:2021:10.
- "114 Uit deze rechtspraak volgt dat de Commissie, ook al beschikt zij niet over bewijzen van de inbreuk voor welbepaalde tijdvakken, zich op het standpunt kan stellen dat de inbreuk of de deelname van een onderneming daaraan niet onderbroken is wanneer de verschillende van deze inbreuk deel uitmakende handelingen hetzelfde doel dienen en kunnen passen in het kader van één enkele voortdurende inbreuk, en wanneer de betrokken onderneming zich niet heeft beroepen op aanwijzingen of bewijzen waaruit blijkt dat zij de inbreuk of haar deelname daaraan juist niet heeft voortgezet tijdens die tijdvakken."
HvJ EU 18 maart 2021, nr. 440/19 P (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:214.
- "112 In dit verband moet worden benadrukt dat het mogelijk is dat een onderneming slechts aan een deel van de mededingingsverstorende gedragingen die samen één enkele voortdurende inbreuk vormen, rechtstreeks heeft deelgenomen, maar op de hoogte was van alle andere inbreukmakende gedragingen die de andere karteldeelnemers met het oog op die doelstellingen planden of verrichtten, of deze gedragingen redelijkerwijs kon voorzien en bereid was het risico ervan te aanvaarden. Ook in een dergelijk geval mag de Commissie die onderneming aansprakelijk stellen voor alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit die inbreuk bestaat, en dus voor die inbreuk in haar geheel (arrest van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens, C‑441/11 P, EU:C:2012:778, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
113 Hieruit volgt ook dat in een dergelijk geval met de omstandigheid dat een onderneming niet aan alle bestanddelen van een kartel heeft deelgenomen of een zeer kleine rol heeft gespeeld bij de onderdelen waaraan zij wel heeft deelgenomen, slechts rekening mag worden gehouden bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk en zo nodig bij de bepaling van het bedrag van de geldboete (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C‑99/17 P, EU:C:2018:773, punt 54).
114 In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling bovendien niet ter zake dat deze regeling met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken aan het licht treedt, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk (arrest van 21 september 2006, Technische Unie/Commissie, C‑113/04 P, EU:C:2006:593, punt 169)
(...)
122 In dergelijke omstandigheden kan een tijdsverloop van ongeveer acht maanden tussen twee van de contacten waaraan rekwirantes hebben deelgenomen, zelfs indien dit zou vaststaan, niet afdoen aan hun deelname aan de betrokken enkele voortdurende inbreuk.
123 Hoe dan ook kunnen rekwirantes zich niet beroepen op het arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie (C‑99/17 P, EU:C:2018:773), om te beweren dat het Gerecht had moeten nagaan of de deelname van rekwirantes aan de gestelde enkele voortdurende inbreuk door een periode van ongeveer acht maanden zonder bewezen mededingingsbeperkende contacten ter discussie kwam te staan. Terwijl de punten 50 tot en met 52 van dat arrest betrekking hebben op een analyse van de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, heeft het Hof in punt 53 van dat arrest omtrent een inbreuk die zich over een bepaalde periode uitstrekt, immers in herinnering gebracht dat het feit dat de mededingingsregeling zich heeft voorgedaan in verschillende perioden die door een korter of langer tijdsverloop kunnen zijn gescheiden, geen invloed heeft op het bestaan van deze mededingingsregeling, aangezien met de verschillende handelingen die deel uitmaakten van deze inbreuk één enkel doel werd nagestreefd en deze handelingen pasten in het kader van één enkele voortdurende inbreuk."
HvJ Eu 16 juni 2022, nr. C-697/19 P (Sony tegen Europese Commissie), ECLI:EU:C:2022:478.
Overeenkomst
- « dat in het Verdrag in het geheel niet wordt onderscheiden naar gelang partijen in hetzelfde stadium dan wel in verschillende stadia van het proces van voortbrenging en verdeling werkzaam zijn ( horizontale onderscheidenlijk verticale overeenkomsten ); »
HvJ EG 30 juni 1966, nr. 56-65 (LTM tegen MBU), Jurispr. 1966, p. 413.
- ‘Overwegende dat zowel de tekst van artikel 85 als die van artikel 86 zich verzetten tegen een onderscheiding tussen beide bepalingen, naar gelang van de plaats welke partijen in de verschillende fasen van het economische proces innemen; dat artikel 85, hetwelk in het algemeen spreekt van alle overeenkomsten welke de mededinging op de gemeenschappelijke markt vervalsen, deze niet onderscheidt naar gelang zij zijn gesloten tussen concurrenten die zich in dezelfde economische fase, dan wel in verschillende fasen bevinden; dat men zich in beginsel van het maken van onderscheidingen dient te onthouden waar het Verdrag zulks niet doet’
HvJ EG 13 juli 1966 (Consten en Grundig tegen Commissie, 56 en 58/64), Jurispr. XII (1966), p. 512.
- ‘110 Overwegende dat het gentlemen's agreement, (...)een beperking van de mededinging op de gemeenschappelijke markt ten doel had;
111 dat partijen bij de exportovereenkomst zich over en weer bereid hadden verklaard het gentlemen's agreement in acht te nemen en erkennen zulks (...) te hebben gedaan;
112 dat bedoelde handeling dus de getrouwe weergave bevatte van de gezamenlijke wil der leden van het kartel ten aanzien van hun gedrag op de gemeenschappelijke markt;
113 dat zij bovendien het beding bevatte dat schending van het gentlemen's agreement ipso facto een schending van de exportovereenkomst zou opleveren;
114 dat voor de beslissing of, en zo ja, tot welke der categorieen van bij artikel 85, paragraaf 1, verboden handelingen, het gentlemen's agreement behoort, derhalve met deze samenhang rekening moet worden gehouden;’
HvJ EG 15 juli 1970 (ACF Chemiefarma tegen Commissie), 41/69), Jur. XVI (1970), p. 696.
- « 29 dat volgens hen (Bew. Verzoeksters) een overeenkomst tussen verenigingen slechts onder deze bepaling (Bew.: artikel 85 lid 1) kan vallen, als daaruit dadelijk tussen de aangesloten ondernemingen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen ontstaan, hetgeen in casu niet het geval is, omdat de uit hoofde van de overeenkomst aan de leden opgelegde verplichtingen slechts door de verenigingen zelve kunnen worden afgedwongen;
30 verwegende dat artikel 85, lid 1, van toepassing is op verenigingen, voor zover haar eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de in die bepaling bedoelde gevolgen teweeg te brengen; »
HvJ EG 15 mei 1975 ("Frubo" tegen Commissie, 71/74), Jurispr. 1975, p. 583.
- «41 dat deze mondelinge afspraken tussen beide firma ' s overeenkomsten in de zin van artikel 85 , lid 1, vormden , die meebrachten dat Theal in Nederland absolute gebiedsbescherming werd verleend ;»
HvJ EG 20 juni 1978 (Tepea tegen Commissie, 28/77), Jurispr. 1978, p. 1416.
- « 30 De Belgische concessiehouders , met inbegrip van de leden van de adviescommissie , die hun instemming met de circulaire van BMW Belgium van 29 september 1975 hebben betuigd , zijn , door van hun instemming blijk te geven , een dergelijke overeenkomst aangegaan , waarvan de inhoud door genoemde circulaires nauwkeurig is bepaald .
(…)
36 Voor wat betreft het medeplegen van deze inbreuk door de Belgische concessiehouders die de circulaire van BMW Belgium van 29 september 1975 hebben ondertekend , moge het waar zijn dat hun economische afhankelijkheid van BMW Belgium hen in hun ondernemings- en beslissingsvrijheid kon beknotten , doch dit neemt niet weg dat het hun daardoor niet onmogelijk werd gemaakt instemming met de hun voorgestelde overeenkomst te weigeren , hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat een groot aantal concessiehouders zich van een akkoordverklaring heeft onthouden . »
HvJ EG 12 juli 1979 (BMW Belgium e.a. tegen Commissie, 32/78 en 36/78 tot 82/78), Jurispr. 1979, p. 2477-2478.
- « 38 Een dergelijke gedraging van de producent (Bew.: de weigering om distributeurs toe te laten tot een selectief verkoopsysteem, hoewel zij voldoen aan de kwalitatieve criteria ervan) is geen eenzijdige handeling die , gelijk AEG meent , aan het verbod van artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag ontsnapt . Zij valt veeleer binnen de sfeer van de contractuele betrekkingen die de onderneming met haar wederverkopers onderhoudt . Immers , wanneer een handelaar in het distributiestelsel wordt opgenomen , berust zijn toelating op de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding door de contractanten van de door AEG gevoerde politiek , die onder meer inhoudt dat handelaren die wel aan de toelatingsvoorwaarden voldoen doch niet bereid zijn met deze politiek in te stemmen , van het dealernet worden uitgesloten .
39 Derhalve moeten zelfs beslissingen waarbij een toelating wordt geweigerd , als tot de contractuele betrekkingen met erkende handelaren behorende handelingen worden beschouwd , aangezien zij ertoe strekken , de naleving te waarborgen van de concurrentiebeperkende afspraken die de grondslag vormen van de overeenkomsten tussen fabrikanten en erkende handelaren . Gevallen van niet-toelating van handelaren die aan voornoemde kwalitatieve vereisten voldoen , leveren dan ook het bewijs van een onrechtmatige toepas sing van het stelsel , wanneer het gezien hun aantal kan worden uitgesloten , dat het gaat om sporadische , niet tot een stelselmatige gedraging terug te brengen gevallen . »
HvJ EG 25 oktober 1983 (AEG tegen Commissie, 107/82), Jurispr. 1983, p. 3195.
- « 19 (...) Artikel 85 moet aldus worden uitgelegd , dat het van toepassing is op een dergelijke overeenkomst , wanneer daarover is onderhandeld en zij is gesloten door personen die , ofschoon door de overheid benoemd , afgezien van de twee rechtstreeks door de minister benoemde personen , door de desbetreffende beroepsorganisaties zijn voorgedragen en derhalve moeten worden geacht bij het onderhandelen en sluiten van deze overeenkomst deze organisaties te vertegenwoordigen .
20 Hieraan moet worden toegevoegd , dat een overeenkomst tussen twee groepen economische subjecten , zoals de ' ' groep ' ' wijnbouw en de ' ' groep ' ' handel , als een overeenkomst tussen ondernemers of ondernemersverenigingen moet worden aangemerkt . De omstandigheid dat deze groepen zich in het kader van een lichaam als het BNIC verenigen , heeft niet tot gevolg dat hun overeenkomst aan de toepassing van artikel 85 EEG-Verdrag wordt onttrokken . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 423.
- « 23 (...) dat een handeling van de overheid , die erop is gericht de overeenkomst verbindend te maken voor alle betrokken economische subjecten , ook indien zij geen partij waren bij de overeenkomst , niet tot gevolg kan hebben , dat de overeenkomst aan de toepassing van artikel 85 , lid 1 , wordt onttrokken . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 424.
- « 25 De omstandigheid dat een overeenkomst die ertoe strekt de vrije mededinging te verhinderen , is ondertekend door de voorzitter of de directeur van de organisatie waarbinnen zij is gesloten , zonder dat zulks door de nationale wet is voorgeschreven , is niet van invloed op de toepasselijkheid van de bepalingen van artikel 85 , lid 1 , EEG-Verdrag . »
HvJ EG 30 januari 1985 (Bureau national interprofessionnel du cognac tegen Guy Clair, 123/83), Jurispr. 1985, p. 424.
_ « 15 (…) Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verbiedt bepaalde "overeenkomsten" en maakt daarbij geen enkel onderscheid tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen, en overeenkomsten die een ander doel nastreven . Hierbij zij aangetekend, dat het oordeel over een dergelijke minnelijke regeling niet vooruitloopt op de vraag, of en in hoeverre een voor een nationaal gerecht tot standgekomen gerechtelijke schikking, die een rechterlijke uitspraak vormt, nietig kan zijn wegens schending van het communautaire mededingingsrecht . »
HvJ EG 27 september 1988 (Bayer en Hennecke tegen Sülhofer, 65/89), Juerispr. 1988, p. 5286.
- ‘De systematische toezending door een leverancier aan zijn afnemers van een factuur met de vermelding ‘uitvoer verboden’ is een door artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verboden overeenkomst en geen eenzijdige gedraging, wanneer die toezending plaatsvindt in het kader van een geheel van vaste handelsbetrekkingen die worden geregeld door een tevoren gesloten algemene overeenkomst, blijkende uit het feit dat de leverancier, voordat enige levering heeft plaatsgevonden, het aangaan van handelsbetrekkingen met ieder van zijn afnemers heeft goedgekeurd, en dat de afnemers de gedragslijn van de leverancier te hunnen aanzien stilzwijgend aanvaarden, wat blijkt uit het feit dat zij zonder protest telkens nieuwe bestellingen onder identieke voorwaarden plaatsen.’
HvJ EG 11 januari 1990 (Sandoz tegen Commissie, C-277/87), Jurispr. 1990, p. I-45.
- ‘120 Waar blijkens de rechtspraak van het Hof het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag reeds kan worden aangenomen indien de betrokken ondernemingen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen (...…)
GvEA EG 24 oktober 1991 (Rhône-Poulenc tegen Commissie , T-1/89), Jurispr. 1991, p. II-868.
- « 30Volgens vaste rechtspraak volstaat het voor het bestaan van een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, dat de betrokken ondernemingen hun gemeenschappelijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (...).
31 Wat de vorm van deze gemeenschappelijke wilsuiting betreft, volstaat het dat een beding de uitdrukking vormt van de wil van partijen om zich op de markt overeenkomstig de bewoordingen ervan te gedragen (...).
32 Het wezenlijk element van het begrip overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG, zoals uitgelegd in de rechtspraak, is dus het bestaan van wilsovereenstemming tussen ten minste twee partijen, ongeacht de vorm die daaraan wordt gegeven, mits deze de getrouwe weergave van die wilsovereenstemming is (...).
33 Uit de rechtspraak volgt eveneens, dat een besluit van de fabrikant, dat een eenzijdige handelwijze van de onderneming vormt, ontsnapt aan het verbod van artikel 81, lid 1, EG (...).
34 In bepaalde omstandigheden zijn schijnbaar eenzijdig door de fabrikant vastgestelde of opgelegde maatregelen in het kader van de betrekkingen van lange duur die deze onderhoudt met zijn dealers, aangemerkt als een overeenkomst in de zin van artikel 81, lid 1, EG (...).
35 Uit deze rechtspraak volgt, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het geval waarin een onderneming een werkelijk eenzijdige maatregel heeft vastgesteld, dus zonder de uitdrukkelijke of stilzwijgende medewerking van een andere onderneming, en dat waarin de maatregel slechts schijnbaar eenzijdig is. De eerste categorie maatregelen valt buiten het bestek van artikel 81, lid 1, EG, maar de maatregelen van de tweede categorie moeten worden geacht een overeenkomst tussen ondernemingen te behelzen, en kunnen dus binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Dit geldt met name voor mededingingsbeperkende praktijken en maatregelen, waartoe de fabrikant schijnbaar eenzijdig heeft besloten in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, maar waarmee deze laatste, althans stilzwijgend, hebben ingestemd (...).
36 Uit deze rechtspraak volgt echter eveneens, dat de Commissie zich niet op het standpunt kan plaatsen dat een schijnbaar eenzijdige gedraging van een fabrikant in het kader van zijn contractuele betrekkingen met zijn wederverkopers, in werkelijkheid de grondslag vormt van een overeenkomst tussen ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG, indien zij niet het bewijs levert dat de andere partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend met de handelwijze van de fabrikant hebben ingestemd (...)."
GvEA EG 3 december 2003 (Volkswagen tegen Commissie, T208/01), Jurispr. 2003, p. II-5154-5156.
- "81 Voorts zij opgemerkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 67 van het bestreden arrest te concluderen dat aan het bestaan van wilsovereenstemming niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat CD-Contact Data in de praktijk heeft deelgenomen aan de passieve parallelhandel door producten uit te voeren naar klanten buiten België en Luxemburg.
82 Hoewel deze omstandigheid inderdaad in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling van de eventuele instemming van CD-Contact Data met de uitnodiging van Nintendo, is zij op zich echter niet doorslaggevend en sluit zij het bestaan van een dergelijke instemming niet zonder meer uit. Zo kan een exclusieve distributeur er, anders dan rekwirante betoogt, niet enkel belang bij hebben om met de fabrikant afspraken te maken ter beperking van de parallelhandel om zijn eigen distributiegebied beter te beschermen, maar eveneens om heimelijk in strijd met deze overeenkomst te verkopen en aldus te proberen de overeenkomst uitsluitend in zijn voordeel aan te wenden. (...)"
HvJ EU 11 februari 2011, nr. C-260/09 P (Activision Blizzard Germany tegen Commissie), ECLI:EU:C:2011:62.
- "123 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de opstellers van de Verdragen ervoor hebben geopteerd om ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op de mededingingsregels die op grond van de artikelen 81 EG en 82 EG kan worden bestraft, het begrip onderneming te gebruiken en geen andere begrippen, zoals het begrip vennootschap of rechtspersoon (arrest Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 42).
124 De wetgever van de Unie heeft overigens in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 hetzelfde begrip onderneming gebruikt om de entiteit te omschrijven waaraan de Commissie een geldboete kan opleggen om een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie te bestraffen.
125 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht van de Unie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke of rechtspersonen gevormd (zie met name arrest Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 43)."
HvJ EG 10 april 2014, nr. 214/11 P (Areva e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:257.
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat voor de vaststelling dat er sprake is van een mededingingsbeperkende overeenkomst, een persoonlijke handelwijze van de statutaire vertegenwoordiger van een onderneming of diens persoonlijke toestemming in de vorm van een mandaat voor de handelwijze van een werknemer die aan een mededingingsbeperkende bijeenkomst heeft deelgenomen, niet moet worden bewezen."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
- "47 Na deze voorafgaande precisering zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak van het Hof reeds sprake is van een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen (arrest van 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Een overeenkomst kan dus niet worden gebaseerd op de uitdrukking van een zuiver eenzijdig beleid van een partij bij een distributieovereenkomst (zie in die zin arrest van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punten 101 en 102).
49 Een schijnbaar eenzijdige handeling of gedraging vormt echter een overeenkomst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer zij uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, waarbij de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen, C‑74/04 P, EU:C:2006:460, punt 37).
50 Deze overeenstemmende wil van partijen kan zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomst, wanneer deze een uitdrukkelijk verzoek bevat om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen, of althans de leverancier toestaat dergelijke prijzen op te leggen, als uit het gedrag van partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen (zie in die zin arresten van 6 januari 2004, BAI en Commissie/Bayer, C‑2/01 P en C‑3/01 P, EU:C:2004:2, punten 100 en 102, en 13 juli 2006, Commissie/Volkswagen, C‑74/04 P, EU:C:2006:460, punten 39, 40 en 46).
51 Het staat aan de verwijzende rechter om de omstandigheden van het hoofdgeding in het licht van deze rechtspraak te beoordelen.
52 In deze context kunnen het feit dat een leverancier de distributeurs regelmatig lijsten toezendt met de door hem vastgestelde minimumprijzen en de distributiemarges, alsmede het feit dat hij hun verzoekt deze onder zijn toezicht in acht te nemen, op straffe van vergeldingsmaatregelen en met het risico dat bij niet-naleving van deze maatregelen negatieve distributiemarges worden toegepast, tot de conclusie leiden dat deze leverancier zijn distributeurs minimumwederverkoopprijzen wil opleggen. Deze feiten wijzen op zich weliswaar op een schijnbaar eenzijdig gedraging van die leverancier, maar dit ligt anders wanneer de distributeurs deze prijzen in acht hebben genomen. In dit verband kunnen de omstandigheden dat de minimumwederverkoopprijzen in de praktijk door de distributeurs worden gevolgd of dat de distributeurs om een opgave ervan verzoeken, en dat zij zich bij de leverancier beklagen over de vermelde prijzen, maar tegelijkertijd niet het initiatief nemen om andere prijzen toe te passen, erop wijzen dat de distributeurs hebben ingestemd met de vaststelling van minimumwederverkoopprijzen door de leverancier."
"2)Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een „overeenkomst” in de zin van dat artikel wanneer een leverancier zijn distributeurs minimumwederverkoopprijzen oplegt voor de door hem op de markt gebrachte producten, voor zover de oplegging van deze prijzen door de leverancier en de inachtneming ervan door de distributeurs de overeenstemmende wil van deze partijen tot uitdrukking brengen. Deze overeenstemmende wil kan zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomst, wanneer deze een uitdrukkelijk verzoek bevat om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen, of althans de leverancier toestaat dergelijke prijzen op te leggen, als uit het gedrag van partijen en met name uit de eventuele uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de distributeurs met een verzoek om minimumwederverkoopprijzen in acht te nemen.
3) Artikel 101 VWEU, gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat het bestaan van een „overeenkomst” in de zin van dat artikel tussen een leverancier en zijn distributeurs niet alleen aan de hand van rechtstreeks bewijs kan worden vastgesteld, maar ook aan de hand van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen waaruit het bestaan van een dergelijke overeenkomst kan worden afgeleid."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas), ECLI:EU:C:2023:529.
- "118 Voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU op entiteiten zoals de FIFA of de UEFA moet worden aangetoond dat er sprake is van „overeenkomsten”, „onderling afgestemde feitelijke gedragingen” of „besluiten van ondernemersverenigingen”, die zelf van uiteenlopende aard kunnen zijn en verschillende vormen kunnen aannemen. Met name het besluit van een vereniging tot vaststelling of uitvoering van een reglement dat een rechtstreekse uitwerking heeft op de voorwaarden waaronder de ondernemingen die er al dan niet direct lid van zijn, hun economische activiteit uitoefenen, kan een dergelijk „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van deze bepaling vormen (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 64, en 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 42‑45). In casu verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van artikel 101, lid 1, VWEU met betrekking tot dergelijke besluiten, te weten besluiten waarbij de FIFA en de UEFA regels hebben vastgesteld betreffende de voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities, het toezicht op de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities en de sancties die kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van deze regels betreffende voorafgaande toestemming en deelname."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
Overeenkomsten binnen een economische eenheid
"7 overwegende dat artikel 85, lid 1, de ondernemersafspraken verbiedt, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt belemmerd;
8 dat deze voorwaarde ontbreekt in geval van een alleenverkoopovereenkomst welke door een moedervennootschap in feite voor een deel wordt overgedragen aan een dochteronderneming die wel een eigen rechtspersoonlijkheid doch geen enkele economische onafhankelijkheid bezit;
9 dat deze verhouding derhalve niet in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling van de geldigheid van een alleenverkoopovereenkomst tussen de dochteronderneming en een derde; "
HvJ EG 25 november 1971, nr. 22/71 (Béguelin Import tegen G.L. Import Export), Jurispr. 1971, p. 959.
"132 overwegende dat de omstandigheid dat de dochtermaatschappij eigen rechtspersoonlijkheid bezit, niet voldoende is om de mogelijkheid uit te sluiten dat haar gedrag aan de moedermaatschappij mag worden toegerekend;
133 dat zulks met name het geval kan zijn wanneer de dochtermaatschappij, haar eigen rechtspersoonlijkheid ten spijt, niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, doch in hoofdzaak de haar door de moedermaatschappij verstrekte instructies volgt;
134 dat wanneer de dochtermaatschappij bij het uitzetten van haar gedragslijn op de markt niet over werkelijke zelfstandigheid beschikt, de verboden van artikel 85, lid 1 , kunnen worden geacht niet te gelden voor de verhouding tussen haar en de moedermaatschappij, waarmede zij een economische eenheid vormt;
135 dat deze eenheid - als concern - medebrengt dat de handelingen der dochtermaatschappij in bepaalde omstandigheden aan de moedermaatschappij mogen worden aangerekend; "
HvJ EG 14 juli 1972, nr. 48/69 (Imperial Chemical Industries tegen Commissie), Jkurspr. 1972, p. 666.
"Artikel 85 van het Verdrag ziet niet op overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen tussen ondernemingen die als moedermaatschappij en dochteronderneming tot een en hetzelfde concern behoren, indien de ondernemingen een economische eenheid vormen, waarin de dochteronderneming haar optreden op de markt niet werkelijk zelfstandig kan bepalen, en indien die overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen een interne taakverdeling tussen de ondernemingen ten doel hebben."
HvJ EG 31 oktober 1974, nr. 15/74 (Centrafarm tegen Sterling Drug), Jur. 1974, p. 1168.
"Een vennootschap waarvan het doel is de import en de organisatie van de verkoop van produkten, en die daartoe in elke betrokken Lid-Staat een dealer zoekt, hem een alleen-verkoopovereenkomst aanbiedt, de geïmporteerde produkten over de nationale dealers verdeelt en hun verkoopinspanningen onder meer door regelmatige vergadering probeert te coördineren, is wegens haar centrale positie verplicht, een bijzondere waakzaamheid te betrachten ten einde te voorkomen dat onderlinge afstemmingen van dien aard zouden leiden tot feitelijke gedragingen die in strijd zijn met de mededingingsregels, ook al geven deze activiteiten de vennootschap niet noodzakelijkrwijze een beslissende invloed op het gedrag van elk van de dealers."
HvJ EG 7 juni 1983, nr. 100-103/80 (Musique Diffusion Française e.a. tegen Commissie), Jurispr. 1983, p. 1826.
"50 Nu AEG niet heeft betwist , dat zij in staat was de afzet- en prijspolitiek van haar dochtermaatschappijen op beslissende wijze te beinvloeden , dient nog te worden onderzocht of zij van deze mogelijkheid daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt . Dit onderzoek is echter overbodig ten aanzien van TFR ; als 100 % dochtermaatschappij van AEG voert zij noodzakelijkerwijs een politiek die door dezelfde statutaire organen wordt bepaald als de politiek van AEG zelf . "
HvJ EG 25 oktober 1983, nr. 107/82 (AEG-Telefunken tegen Commissie), Jurispr. 1983, p. 3199.
"84 (...) dat (...) Metro geen bewijsmateriaal heeft aangebracht waaruit het Hof zou kunnen afleiden , dat er tussen de ondernemingen van de groep Thomson-Brandt niet slechts een financiele band bestaat , doch dat zij ook een gecoordineerd marktbeleid voeren overeenkomstig instructies van de moedermaatschappij of volgens een door hen zelf in onderling overleg opgesteld plan . Bij gebreke van dergelijk bewijsmateriaal moet het Hof ervan uitgaan , dat SABA voor de verdeling van haar produkten onafhankelijk is van de moedermaatschappij en van de andere ondernemingen van de groep . "
HvJ EG 22 oktober 1986, nr. 75/84 (Metro SB-Grossmärkte tegen Commissie), Jurispr. 1986, p. 3094.
"235 Het Gerecht is van oordeel, wat waar artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag de ondernemingen met name verbiedt overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, het ziet op economische eenheden bestaande uit een samenstel van materiële en menselijke factoren die kunnen bijdragen aan het begaan van een van de in deze bepaling bedoelde inbreuken.
236 Wanneer het bestaan van een dergelijke inbreuk is bewezen, moet worden bepaald, welke natuurlijke of rechtspersoon de onderneming exploiteerde op het ogenblik waarop de inbreuk is begaan, ten einde deze aansprakelijk te stellen.
237 Wanneer de exploitant van deze onderneming evenwel tussen het ogenblik van de inbreuk en het ogenblik waarop verantwoording wordt gevraagd, juridisch heeft opgehouden te bestaan, moet eerst worden uitgemaakt met behulp van welk samenstel van materiële en menselijke factoren de inbreuk is begaan om vervolgens te bepalen wie de exploitatie van dit samenstel heeft overgenomen ten einde te vermijden dat de onderneming aan elke aansprakelijkstelling ontsnapt door de omstandigheid dat degene die haar op het moment van de inbreuk exploiteerde, niet meer bestaat. "
GvEA EG 24 oktober 1991, nr. T-6/89 (Enichem Anic tegen Commissie), Jurispr. 1991, p. II-1623.
"29 (…) Aangezien de moedermaatschappij het volledige kapitaal van de dochtermaatschappij bezat, mocht het Gerecht terecht aannemen dat, zoals de Commissie heeft gesteld, de moedermaatschappij metterdaad een beslissende invloed had op het gedrag van haar dochter (...)"
HvJ EG 16 november 2000, nr. C-286/98 P (Stora Kopparbergs Berglags tegen Commissie), Jurispr. 2000, p. I-9978.
"37 Dienaangaande zij opgemerkt, dat voor de inbreuk in beginsel de natuurlijke of rechtspersoon aansprakelijk moet worden gehouden, die de betrokken onderneming leidde toen de inbreuk werd gepleegd, ook al wordt deze onderneming onder verantwoordelijkheid van een andere persoon geëxploiteerd op het tijdstip van goedkeuring van de beschikking waarin de inbreuk wordt vastgesteld. "
HvJ EG 16 november 2000, nr. C-286/98 P (Stora Kopparbergs Berglags tegen Commissie), Jurispr. 2000, p. I-9978.
Mededingingsbeperking
- “dat deze voorwaarde blijkens het gebruik van het voegwoord „of" niet een cumulatief, doch een alternatief karakter draagt, zodat men in de eerste plaats de strekking der overeenkomst in verband met de economische omstandigheden, waarbinnen zij moet worden toegepast, heeft na te gaan;
dat de in artikel 85, lid 1, bedoelde verstoringen van de mededinging moeten voortvloeien uit alle of sommige van de clausules der overeenkomst zelve;
dat wanneer een onderzoek van bedoelde clausules echter niet aan het licht mocht brengen, dat in voldoende mate van benadeling der concurrentie sprake is, ware na te gaan tot welke gevolgen de overeenkomst leidt, waarbij het voor de toepasselijkheid van het verbod noodzakelijk is, dat uit de gezamenlijke bestanddelen der overeenkomst valt af te leiden, dat de mededinging in feite in merkbare mate is verhinderd dan wel beperkt of vervalst;
dat de mededinging in dit verband moet worden bezien in samenhang met de omstandigheden, waarin zij zich zonder de litigieuze overeenkomst zou afspelen;
dat met name in twijfel kan worden getrokken of van verstoring van mededinging sprake is wanneer de overeenkomst juist noodzakelijk blijkt te zijn om een onderneming in staat te stellen zich een plaats te veroveren op een voor haar nieuwe markt"
HvJ EG 30 juni 1966 (LTM tegen MBU, 56/65), Jurispr. 1966, p. 414-415
- “Overwegende dat het beginsel van de vrije concurrentie alle fasen en aspecten van de mededinging beheerst;
dat weliswaar de concurrentie tussen producenten in het algemeen duidelijker aan de dag treedt dan die tussen de verkopers van eenzelfde merk, doch dat hieruit nog niet volgt dat een overeenkomst waarmede een beperking van deze laatste vorm van mededinging wordt beoogd aan het verbod van artikel 85, paragraaf 1, is onttrokken op grond van het enkele feit, dat zij de eerstgenoemde concurrentie zou kunnen versterken;
Overwegende voorts dat bij de toepassing van artikel 85, paragraaf 1 op de concrete gevolgen ener overeenkomst geen acht meer behoeft te worden geslagen, wanneer eenmaal is gebleken dat zij ten doel heeft de concurrentie te verhinderen, te beperken of te vervalsen;”
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 56/64 (Consten en Grundig tehen Commissie), Jurispr. 1866, p. 515-516.
- “Overwegende dat verweerster terecht acht heeft geslagen op alle aspecten van het aldus door Grundig opgezette stelsel;
dat toch de aard der contractuele verhoudingen slechts kan worden bepaald indien men deze ziet in verband met de economische en juridische overwegingen welke partijen tot het sluiten der overeenkomst hebben geleid en een zodanige beoordeling niet beschouwd mag worden als een inmenging in rechtshandelingen en rechtsbetrekkingen welke buiten het bereik van de administratieve procedure voor, de Commissie vallen;”
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 56/64 (Consten en Grundig tehen Commissie), Jurispr. 1866, p. 516-517.
- “dat van mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, (...) niet slechts tussen partijen, doch ook tussen één hunner en derden sprake kan zijn ;"
HvJ EG 13 juli 1966, nr. 32/65 (Italië tegen Raad en Commissie), Jurispr. 1966, p. 609.
- “dat een overeenkomst (...) - ter beoordeling of zij onder de verbodsbepaling valt - niet geisoleerd mag worden bezien, dat wil zeggen niet mag worden beoordeeld zonder dat tevens wordt gelet op de feitelijke en juridische omstandigheden welke medebrengen, dat zij tot verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging leidt;
dat in verband hiermede het feit, dat meer dergelijke overeenkomsten werden gesloten in aanmerking mag worden genomen, voor zoveel zulke overeenkomsten te zamen tot beperking van de vrije handel kunnen leiden;"
HvJ EG 12 december 1967, nr. 23/67 (Brasserie De Haecht tegen Wilkin en Jansen), Jurispr. 1967, p. 523.
- “7 dat deze voorwaarden moeten worden bezien in het licht van de feitelijke omstandigheden van de overeenkomst; dat een overeenkomst dan ook aan het verbod van artikel 85 ontkomt wanneer zij, wegens de zwakke positie welke belanghebbenden op de markt voor de betrokken produkten innemen, de markt slechts in zeer geringe mate beïnvloedt;”
HvJ EG 9 juli 1969, nr. 5/69 (Völk tegen Vervaecke), Jurispr. 1989, p. 302.
- "dat ter beoordeling van de vraag in hoeverre marktpenetratie door afspraken als bedoeld wordt verhinderd, slechts met de litigieuze overeenkomst — met uitzondering van alle andere — rekening mag worden gehouden (men zie met name het arrest van 15 maart 1967, 8 tot 11-66, Cimenteries, Jurisprudentie, Deel XIII, blz. 115); dat ten deze met kwalitatieve criteria dient te worden gewerkt, zoals de aard van de betrokken waren, de distributiemethoden en de aan detaillisten gestelde technische eisen, het belang van de markt „bezien van de zijde der verbruikers en de meerdere of mindere vrijheid welke hun wordt gelaten"; dat het „aantal der overeenkomsten" ook hier niet ter zake doet zodra het ondernemingen in andere Lid-Staten mogelijk is zich tot de desbetreffende markt toegang te verschaffen, zich aldaar een plaats te verzekeren, er hun verkooporganisaties op te bouwen en de afnemers metterdaad tot keuze in staat te stellen, zulks voor zoveel marktsectoren betreft waarin noch al te zeer gespecialiseerde produkten worden verhandeld noch de distributie een al te technisch karakter draagt; dat overeenkomsten als het brouwerijcontract derhalve slechts bij wijze van uitzondering kunnen vallen onder artikel 85, lid 1, dat blijkens Verordening no. 67-67 normaliter buiten toepassing blijft;"
HvJ 12 december 1967, nr. 23/67, De Haecht v. Wilkin en Janssen, ECLI:EU:C:1967:54.
- "Een alleenverkoopovereenkomst valt niet onder het verbod van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag door het enkele feit dat het alleenverkooprecht door een moedervennootschap is overgedragen aan een dochteronderneming die wel een eigen rechtspersoonlijkheid, doch geen enkele economische onafhankelijkheid bezit."
HvJ 25 november 1971, nr. 22/71 (Béguelin Import Co. v. G.L. Import, Export), Jur. XVII (1971), p. 959, ECLI:EU:C:1971:113.
- “23 Overwegende dat de in de litigieuze beschikking bedoelde afspraak naast de vaststelling van de prijzen in engere zin nog een aantal beperkende bepalingen betreffende andere contractuele voorwaarden bevat;
24 dat zulks met name het geval is met de bepalingen die ertoe strekken de afzet van cement aan andere handelaren dan leden der vereniging of door haar erkende wederverkopers te verhinderen, de voorraadvorming van cement bij derden die niet aan de regeling der vereniging zijn onderworpen, te voorkomen, eventuele handelsvoordelen voor kopers strikt te beperken en het verlenen
aan afnemers van diensten die hetgeen „normaal" wordt geacht, te buiten zouden gaan, te verhinderen;
25 dat aldus bij onderzoek van het geheel der in de litigieuze beschikking bedoelde regelingen blijkt dat deze een sluitend en strak opgezet systeem vormen dat ten doel heeft de mededinging tussen de leden der vereniging te beperken;”
HvJ EG 17 oktober 1972 (Vereeniging van Cementhandelaren tegen Commissie, 8/72), Jurispr. 1972, p. 990-991.
- "De in artikelen 3 en 85 van het EEG-Verdrag gestelde voorwaarden dat de mededinging niet wordt vervalst, gaat uit van het bestaan van een werkzame mededinging (workable competition) op de markt, dat wil zeggen de mate van mededinging die noodzakelijk is voor de naleving van de fundamentele vereisten en het bereiken van de doelstellingen van het Verdrag, inzonderheid de totstandkoming van één markt met soortgelijke voorwaarden als een interne markt. Dit vereiste gaat ervan uit dat de aard en de intensiteit van de mededinging kunnen variëren naar gelang van de betrokken produkten of diensten en de economische structuur van de betrokken marktsectoren."
Zaak 26/76, Metro v. Commissie van de Europese Gemeenschap Jur. 1977, p. 1876.
"Het moge juist zijn dat een overeenkomst buiten de werkingssfeer van het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan vallen wanneer het, gelet op het geringe aandeel van de belanghebbenden op de markt van de betrokken produkten, een onbeduidende invloed heeft op deze markt; deze overwegingen gelden evenwel niet wanneer het gaat om een produkt waarvan de gehele produktie in handen is van één grote onderneming."
HvJ 10 juli 1980, nr. 30/78 (Distillers tegen.Commissie), Jur. 1980, p. 2229.
- "De statutaire bepalingen van een produktiecoöperatie, die de leden verplichten zich volledig bij haar te bevoorraden voor wat betreft bepaalde door hen benodigde produkten en die deze verplichting nog verzwaren door betaling van een niet onaanzienlijk bedrag te eisen bij uittreding of uitsluiting, hebben duidelijk ten doel te verhinderen dat de leden zich bij andere leveranciers van de betrokken produkten bevoorraden of deze zelf gaan vervaardigen, ingeval deze alternatieven een prijs- of kwaliteitsvoordeel zouden opleveren. Nu het een coöperatie betreft die praktisch als enige leverancier van de betrokken produkten op de markt van een Lid-Staat optreedt, zijn genoemde bepalingen van dien aard, dat de mededinging op het niveau van de bevoorrading tussen producenten die een belangrijk deel van de communautaire markt bestrijken, erdoor wordt verhinderd en strekken zij tevens tot uitsluiting van de mogelijkheid dat er op de gehele nationale markt een concurrentiesituatie ontstaat voor deze produkten."
HvJ 25 maart 1981, nr. 61/80 (Coöperatieve Stremsel- en Kleurselfabriek tegen Commissie), Jur. 1981, p. 851.
- "Voor zover de verleende uitsluitende licentie een open licentie is, en dus uitsluitend de contractuele betrekking tussen de houder van het recht en de licentiehouder betreft, in dier voege dat de houder zich enkel ertoe verbindt geen andere licentie voor hetzelfde gebied te verlenen en de licentiehouder in dit gebied niet zelf concurrentie aan te doen, is de verlening van een uitsluitende licentie voor een kwekersrecht op bepaalde, in een Lid-Staat nieuw ontwikkelde zaadrassen, gelet op het specifieke karakter van de betrokken produkten, op zichzelf niet onverenigbaar met artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, wanneer zij de verspreiding van een nieuwe technologie en de concurrentie tussen het nieuwe produkt en bestaande soortgelijke produkten in de Gemeenschap bevordert."
HvJ 8 juni 1982, nr. 258/78 (Nungesser e.a. v. Commissie) Jur. 1982, p. 2016.
– “26 (...) Wie wenst vast te stellen of een overeenkomst tot beperking van de mededinging strekt, behoeft niet te weten wie van beide contractanten het initiatief tot opneming van deze of gene clausule kan hebben genomen, noch ook na te gaan of er op het tijdstip waarop de overeenkomst werd aangegaan van een gemeenschappelijke intentie der partijen kon worden gesproken. Daarentegen moet worden onderzocht welke doeleinden men met de overeenkomst als zodanig, bezien in verband met de economische context waarin zij toepassing moet vinden, heeft willen verwezenlijken.”
HvJ 28 maart 1984 (CRAM en Rheinzink tegen Commissie, 29 en 30/83), Jurispr. 1984, p. 1703-1704.
- "22 IN DIT VERBAND DIENT EROP TE WORDEN GEWEZEN , DAT VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 85 , LID 1 , DE CONCRETE GEVOLGEN VAN EEN OVEREENKOMST NIET IN AANMERKING BEHOEVEN TE WORDEN GENOMEN , WANNEER ZIJ ERTOE STREKT DE VRIJE MEDEDINGING TE BEPERKEN , TE VERHINDEREN OF TE VERVALSEN . WELNU , EEN OVEREENKOMST WAARBIJ VOOR EEN PRODUKT EEN MINIMUMPRIJS WORDT VASTGESTELD EN DIE AAN DE OVERHEID TER BEKRACHTIGING VAN DIE MINIMUMPRIJS IS VOORGELEGD OM DIE MINIMUMPRIJS VERBINDEND TE MA KEN VOOR AL DEGENEN DIE OP DE BETROKKEN MARKT AAN HET ECONOMISCH VERKEER DEELNEMEN , STREKT UITERAARD ERTOE , DE MEDEDINGING OP DIE MARKT TE VERVALSEN ."
HvJ 30 januari 1985, nr. 123/83 (BNIC/Clair), ECLI:EU:C:1985:33.
- "De clausules van de overeenkomsten inzake verkoopfranchising die onmisbaar zijn voor de werking van het franchisestelsel vormen geen beperkingen van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Dit is het geval voor de clausules die beletten dat de door de franchisegever overgedragen know-how en verleende bijstand aan concurrenten ten goede komen, evenals voor de clausules die het toezicht regelen dat onmisbaar is voor het behoud van de identiteit en de reputatie van de door de handelsnaam van de franchisegever gesymboliseerde verkooporganisatie.
De clausules die de markt tussen franchisegever en franchisenemers of tussen franchisenemers onderling verdelen, vormen daarentegen wel beperkingen van de mededinging in de zin van voornoemde bepaling."
HvJ 28 januari 1986, nr. 161/84 (Pronuptia de Paris v. Pronuptia de Paris Irmgard Schillgallis), Jur. 1986, p. 354, ECLI:EU:C:1986:41.
- "Een netwerk van exclusieve afnameovereenkomsten is niet door het enkele feit dat de in de bekendmaking van de Commissie inzake overeenkomsten van geringe betekenis genoemde drempels worden overschreden, automatisch van dien aard dat het de mededinging merkbaar kan verhinderen, beperken of vervalsen. Het is goed mogelijk, dat in bepaalde gevallen tussen ondernemingen gesloten overeenkomsten die boven die drempels liggen, slechts in zo geringe mate afbreuk doen aan de handel tussen Lid-Staten of de mededinging, dat zij niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen."
Ger. EG 8 juni 1995, nr. T-7/93 (Langnese-Iglo tegen Commissie), Jur. 1995, p. II-1533, ECLI:EU:T:1995:98.
- ‘11Teneinde te bepalen of een zogenoemde ‘uittreeregeling’, volgens welke een lid bij vertrek of uitsluiting een schadeloosstelling verschuldigd is berekend over de als tegenprestatie voor zijn leveranties ontvangen bedragen, verenigbaar is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag moeten door de nationale rechter de volgende criteria worden bezien, te weten het doel van de overeenkomst, de gevolgen ervan en de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer, met inachtneming daarbij van de economische context waarin de ondernemingen opereren, de produkten of diensten waarop de overeenkomsten betrekking hebben, de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert.
12 Wat in de eerste plaats het doel van de overeenkomsten of statutaire bepalingen betreft, is de organisatie van een onderneming in de bijzondere rechtsvorm van een coöperatie op zich niet aan te merken als een mededingingsbeperkende gedraging.
13 Dit betekent echter niet, dat de statutaire bepalingen die de verhoudingen tussen de vereniging en de leden regelen, met name die betreffende de beëindiging van de contractsband en die welke de leden verplichten de geproduceerde melk aan de coöperatie voor te behouden, automatisch onttrokken zijn aan het verbod van artikel 85, lid 1, van het Verdrag.
14 Om daaraan te ontsnappen, mogen de beperkingen die de statuten van coöperatieve verenigingen aan de leden opleggen teneinde hun trouw te garanderen, niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de goede werking van de coöperatie veilig te stellen en in het bijzonder om haar te verzekeren van een voldoende brede commerciële basis en van een zekere duurzaamheid in het lidmaatschap van de vereniging.
15 Wat in de tweede plaats de gevolgen van de overeenkomsten of statutaire bepalingen betreft, kan een combinatie van bedingen als een exclusieve leveringsverplichting en de verplichting tot betaling van een buitensporig uittreegeld, waardoor de leden gedurende lange tijd aan de coöperatie worden gebonden en hun aldus de mogelijkheid wordt ontnomen om zich tot concurrenten te wenden, een beperking van de mededinging tot gevolg hebben.
16 Deze bedingen kunnen namelijk enerzijds een markt die gekenmerkt wordt door een klein aantal ondernemingen die een sterke concurrentiepositie innemen en soortgelijke bedingen hanteren, extreem rigide maken, en anderzijds die sterke positie consolideren of continueren en zodoende de toegang voor andere concurrenten tot die markt beletten.’
"1) Bij de toetsing van de verenigbaarheid van een uittreeregeling in de statuten van een coöperatieve vereniging met artikel 85, lid 1,EEG-Verdrag dient de verwijzende rechter als criteria in aanmerking te nemen het doel van de overeenkomst waarin die regeling is opgenomen, de gevolgen van deze overeenkomst en de ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer, met inachtneming daarbij van de economische context waarin de ondernemingen opereren, de produkten of diensten waarop die overeenkomst betrekking heeft alsmede de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert."
Hvj EG 12 december 1995, nr.C-399/93, (Oude Luttikhuis v. Coberco), Jur. 1995, p. I-4525-26, ECLI:EU:C:1995:434.
- 106 "Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat een systeem van selectieve distributie een factor van concurrentie kan vormen, die in overeenstemming is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, indien aan vier voorwaarden wordt voldaan:1). de eigenschappen van het betrokken produkt maken een systeem van selectieve distributie noodzakelijk, in die zin dat een dergelijk systeem een rechtmatig vereiste is, gelet op de aard van de betrokken produkten, en in het bijzonder de technische hoogwaardigheid van deze produkten, teneinde de kwaliteit ervan te behouden en het goed gebruik ervan te verzekeren (...);2). de keuze van de wederverkopers geschiedt op grond van objectieve kwalitatieve criteria die uniform zijn vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en op niet discriminerende wijze worden toegepast (...); 3). het betrokken systeem beoogt een resultaat te bereiken waardoor de mededinging wordt verbeterd, en dus de beperking van de mededinging die inherent is aan de selectieve distributiesystemen, in het bijzonder op het gebied van de prijs, te compenseren (...), en 4). de voorgeschreven criteria gaan niet verder dan hetgeen noodzakelijk is.Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet op objectieve wijze worden beoordeeld, gelet op het belang van de consument.
(...)
107 Weliswaar heeft het Hof onder meer verklaard, dat dergelijke op kwalitatieve criteria gebaseerde selectieve distributiesystemen die hun rechtvaardiging vinden in het bijzondere karakter van de produkten of de vereisten van de verkoop ervan, in andere economische sectoren dan de sector van technisch hoogwaardige en duurzame consumptiegoederen van hoge kwaliteit in het leven kunnen worden geroepen, zonder inbreuk te maken op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, in het bijzonder om een gespecialiseerde verkoop in stand te houden, die in staat is bijzondere diensten te verlenen voor dergelijke produkten. (...)
108 Bij luxe kosmetische produkten en inzonderheid luxe parfums, de voornaamste produkten uit deze categorie, staat in de eerste plaats vast dat het verfijnde, hoog waardige produkten zijn die worden verkregen na een bijzonder onderzoek waar bij kwalitatief hoogwaardige materialen worden gebruikt, vooral voor hun verpak king; in de tweede plaats dat deze produkten een imago van luxe hebben, dat hen dient te onderscheiden van andere vergelijkbare produkten die niet een dergelijk imago hebben, en in de derde plaats dat dit imago van luxe belangrijk is in de ogen van de consument, die er prijs op stelt om luxe kosmetische produkten en in het bijzonder luxe parfums te kunnen kopen. In de ogen van de consument bestaat namelijk slechts een geringe mate van substitueerbaarheid tussen luxe kosmetische produkten en overeenkomstige produkten die tot een ander marktsegment behoren (...).
109 Bijgevolg is het Gerecht van mening, dat het begrip „eigenschappen" van luxe kosmetische produkten in de zin van het arrest L'Oréal (reeds aangehaald) niet kan worden beperkt tot hun materiële kenmerken, maar eveneens het bijzondere beeld omvat dat de consument daarvan heeft en meer in het bijzonder hun „uitstraling van luxe".In casu gaat het dus om produkten die enerzijds intrinsiek hoogwaardig zijn en anderzijds een luxe karakter hebben dat tot de aard van het produkt zelf behoort.
(...)
113 Dienaangaande is het Gerecht van oordeel, dat de consument die dergelijke produkten wenst, heft er belang bij heeft dat dergelijke produkten in de verkooppunten onder goede voorwaarden worden gepresenteerd en dat aldus hun imago van luxe in stand wordt gehouden. Bij produkten van hoge kwaliteit waarvan het imago van luxe door de consument op prijs wordt gesteld, wordt met criteria die slechts dienen te verzekeren dat deze produkten worden gepresenteerd op een wijze die hun karakter doet uitkomen, een resultaat nagestreefd dat de mededinging kan verbeteren door de instandhouding van dit imago van luxe en dus de beperking van de mededinging die inherent is aan selectieve distributie systemen kan compenseren. Dergelijke criteria vormen dus een rechtmatig vereiste in de zin van de vorengenoemde rechtspraak (...).
Daaruit volgt dat in de sector luxe kosmetische produkten, in het bijzonder luxe parfums, kwalitatieve criteria voor de selectie van kleinhandelaren, die niet verder gaan dan hetgeen noodzakelijk is om de verkoop van deze produkten onder goede voorwaarden van presentatie te verzekeren, in beginsel niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen, voor zover dit objectieve criteria zijn die uniform zijn vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en op niet-discriminerende wijze worden toegepast.
Ofschoon ‘eenvoudige’ selectieve distributiesystemen een met artikel 85, lid 1, van het Verdrag verenigbare concurrentiefactor kunnen vormen, kan er toch sprake zijn van een beperking of uitschakeling van de mededinging, wanneer er zo veel systemen van dit type bestaan, dat er geen ruimte overblijft voor andere, op een ander mededingingsbeleid gebaseerde distributievormen of dat er een rigiditeit in de prijsstructuur ontstaat die niet wordt gecompenseerd door andere factoren van mededinging tussen produkten van hetzelfde merk en door een doeltreffende mededinging tussen verschillende merken.
Derhalve laat het feit dat er een groot aantal selectieve distributiesystemen voor een bepaald produkt bestaat, op zichzelf niet de conclusie toe, dat de mededinging wordt beperkt of vervalst in de zin van artikel 85, lid 1, maar moet de relevante markt bovendien zo rigide en zo sterk gestructureerd zijn, dat er geen werkzame mededinging meer bestaat op het gebied van de prijzen. Artikel 85, lid 1, van het Verdrag is niet automatisch van toepassing enkel en alleen omdat alle fabrikanten in de betrokken sector met betrekking tot hun distributiemethoden dezelfde keuze hebben gemaakt. Indien bepaalde selectiecriteria van een fabrikant, afzonderlijk beschouwd, niet onder artikel 85, lid 1, van het Verdrag vallen, kan het cumulatieve effect van andere netten slechts aan deze conclusie afdoen, indien in de eerste plaats wordt aangetoond dat er belemmeringen bestaan voor de toegang tot de markt van nieuwe concurrenten die de betrokken produkten kunnen verkopen, zodat de betrokken selectieve distributiesystemen ertoe leiden dat de distributie ten gunste van bepaalde bestaande kanalen wordt gefixeerd, of, in de tweede plaats dat er, gelet op de aard van de betrokken produkten, geen werkzame mededinging bestaat, in het bijzonder op het gebied van de prijzen."
Gerecht EG, 12 december 1996 nr. T-88/92, Leclerc v. Commissie van de Europese Gemeenschap, Jur. 1996, p. II-1961, ECLI:EU:T:1996:192.
"Een overeenkomst tussen een producent en een wederverkoper, die voor toepassing binnen de Gemeenschap is gesloten en die de economische vrijheid van de wederverkoper om zijn klanten te kiezen beoogt te beperken, door hem te verplichten alleen aan in het contractgebied gevestigde klanten te verkopen, is een beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Een overeenkomst die de wederverkoper verbiedt de contractproducten buiten het contractgebied te verkopen, heeft bovendien tot doel de parallelinvoer binnen de Gemeenschap te beletten en aldus de mededinging op de gemeenschappelijke markt te beperken. Dergelijke bepalingen in overeenkomsten voor distributie binnen de Gemeenschap, leveren dus naar hun aard een beperking van de mededinging op."
Zaak C-306/96, Javico v. YSLP, Jur. 1998, p. I-1983
- "169 In dit verband dient te worden gepreciseerd dat het Gerecht in punt 406 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie het bewijs had geleverd voor het bestaan van een voortdurende inbreuk tussen 1986 en 1994. Dat een dergelijk bewijs voor bepaalde tijdvakken niet is geleverd, staat er niet aan in de weg dat ervan uit wordt gegaan dat de inbreuk bestond in een totale periode die langer is dan die tijdvakken, zolang een dergelijke vaststelling op objectieve en overeenstemmende aanwijzingen berust. In het kader van een inbreuk die zich over verschillende jaren uitstrekt, doet het voor het bestaan van een mededingingsregeling niet ter zake dat manifestaties van deze regeling zich met meer of minder lange tussenpozen in verschillende tijdvakken voordoen, zolang met de verschillende handelingen die deel uitmaken van deze inbreuk, hetzelfde doel wordt nagestreefd en deze handelingen passen in het kader van één enkele, voortdurende inbreuk."
HvJEG 21 september 2006, nr. C-113/04 P (Technische Unie tegen Commissie), ECLI:EU:C:2006:593.
- "21 Om vast te stellen of een overeenkomst onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt, moet immers worden gelet op de bewoordingen en objectieve oogmerken ervan. Zelfs zo zou worden aangetoond dat de partijen bij een overeenkomst hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk, de mededinging te beperken, maar met het oogmerk, de gevolgen van een sectoriële crisis te boven te komen, zijn dergelijke overwegingen niet relevant voor de toepassing van die bepaling. Een overeenkomst kan immers ook dan als beperkend worden aangemerkt wanneer zij niet alleen tot doel heeft de mededinging te beperken, maar ook andere, legitieme doelstellingen nastreeft (arrest General Motors/Commissie, reeds aangehaald, punt 64 en aangehaalde rechtspraak). Slechts in het kader van artikel 81, lid 3, EG kan in voorkomend geval rekening worden gehouden met elementen zoals die welke door BIDS zijn aangevoerd, met het oog op het verkrijgen van een vrijstelling van het verbod van lid 1 van dit artikel."
HvJEG 20 november 2008, nr. C-209/07 (Beef Industry), ECLI:EU:C:2008:643.
- "21 Het Hof heeft geoordeeld dat het bestaan van een dergelijke beperking moet worden beoordeeld in het feitelijke kader van een dergelijke overeenkomst (zie arrest van 6 mei 1971, Cadillon, 1/71, Jurispr. blz. 351, punt 8). Er moet met name worden gelet op de bewoordingen en oogmerken ervan, alsmede op de economische en juridische context van de overeenkomst (zie arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie, C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, Jurispr. blz. I‑9291, punt 58). Bovendien moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten, en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie in die zin arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado, reeds aangehaald, punt 49)."
HvJ EU 13 december 2012, nr. C-226/11 (Expedia tegen Autorité de la concurrence), ECLI:EU:C:2012:795.
- "43 In dit verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat, anders dan Allianz en Generali lijken aan te nemen, de omstandigheid dat het in beide gevallen om verticale relaties gaat, geenszins uitsluit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst „naar haar strekking” mededingingsbeperkend is. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen zij niettemin onder bepaalde omstandigheden immers ook een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben. Het Hof heeft dan ook reeds herhaaldelijk geoordeeld dat een verticale overeenkomst een mededingingsbeperkende strekking had (zie arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, Jurispr. blz. 450; 1 februari 1978, Miller International Schallplatten/Commissie, 19/77, Jurispr. blz. 131, en 3 juli 1985, Binon, 243/83, Jurispr. blz. 2015, en arrest Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, reeds aangehaald)."
HvJ EU 20 maart 2013, nr. 32/11 (Allianz Hungária Biztosító e.a.), ECLI:EU:C:2013:160.
- "78 Volgens de in punt 53 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak moet bij de beoordeling of een coördinatie tussen ondernemingen naar haar aard de goede werking van de normale mededinging aantast, immers rekening worden gehouden met alle relevante elementen van de economische en de juridische context van deze coördinatie, met name de aard van de betrokken diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de markten. Daarbij is het irrelevant of die elementen tot de relevante markt behoren.
79 Dat moet in het bijzonder het geval zijn wanneer dit element er nu juist in bestaat dat rekening wordt gehouden met het bestaan van interactie tussen de relevante markt en een verwante doch onderscheiden markt (zie naar analogie arresten Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punten 17‑23, en Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 42) en a fortiori wanneer er, zoals in het onderhavige geval, interactie tussen de twee onderdelen van een tweeledig systeem bestaat."
HvJ EU 11 september 2014, nr. 67/13 P (CB tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2204.
"17 Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging dus niet te worden onderzocht. Wanneer uit de analyse van de inhoud van de overeenkomst evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten vervolgens de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34; zie in die zin arresten CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 52, en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 116).
18 Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 58). Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, kunnen worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, C‑61/13, EU:C:2014:2204, punt 51).
20 Gelet op de rechtspraak waaraan hierboven is herinnerd, valt het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperkende „strekking” heeft, dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57)."
HvJEU 26 november 2015, nr. C-345/14 (Maxima Latvija) EU:C:2015:784.
- "103 Er zij aan herinnerd dat het begrip mededingingsbeperking „naar strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen immers naar de aard ervan worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie met name arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17, en 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 26).
104 Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperking „naar strekking” bevat, is de vaststelling dat deze overeenkomst op zich in die mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie met name arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 20).
105 In dit verband dient te worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen van de betrokken overeenkomst alsook op de economische en de juridische context ervan (zie met name arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 27).
107 Voor dergelijke overeenkomsten, die bijzonder ernstige inbreuken op de mededinging opleveren, kan de analyse van de economische en juridische context van de praktijk dus worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om tot de slotsom te kunnen komen dat er sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking (zie, naar analogie met de marktverdelingsovereenkomsten, arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 29). "
HvJ EU 27 april 2017, nr. C-469/15 P (FSL Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2017:30.
"181 The concept of restriction of competition by object can be applied only to certain types of coordination between undertakings that reveal, by their very nature, a sufficient degree of harm to the proper functioning of normal competition that it may be found that there is no need to examine their effects (see, to that effect, judgments of 30 June 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, p. 249; of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 49, 50 and 58 and the case-law cited; of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 31; and of 26 November 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, paragraph 20).
182 According to the case-law of the Court of Justice, in order to determine whether an agreement between undertakings reveals a sufficient degree of harm that it may be considered a ‘restriction of competition by object’ within the meaning of Article 101(1) TFEU, regard must be had to the content of its provisions, its objectives and the economic and legal context of which it forms part (see judgment of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 33 and the case-law cited). When determining the economic and legal context, it is also necessary to take into consideration the nature of the goods or services affected, as well as the real conditions of the functioning and structure of the market or markets in question (see judgment of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 117 and the case-law cited). Nevertheless, it must be borne in mind that, contrary to what the applicants suggest (see paragraph 165 above), the examination of the real conditions of the functioning and structure of the market in question — as complex as the context in question may be — cannot lead the General Court to assess the effects of the coordination concerned (see, to that effect, judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 72 to 82), since otherwise the distinction established in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness.
183 In addition, although the parties’ intention is not a necessary factor in determining whether a type of coordination between undertakings is restrictive, there is nothing prohibiting the competition authorities, the national courts or the Courts of the European Union from taking that factor into account (see judgment of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 118 and the case-law cited). However, the mere fact that an agreement also pursues legitimate objectives is not sufficient to preclude a finding of restriction of competition by object (judgment of 20 November 2008, Beef Industry Development Society and Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, paragraph 21; see also, to that effect, judgments of 8 November 1983, IAZ International Belgium and Others v Commission, 96/82 to 102/82, 104/82, 105/82, 108/82 and 110/82, EU:C:1983:310, paragraph 25, and of 6 April 2006, General Motors v Commission, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, paragraph 64).
184 Article 101(1) TFEU provides that all agreements between undertakings, decisions by associations of undertakings and concerted practices which have ‘as their object or effect’ the prevention, restriction or distortion of competition within the internal market are to be prohibited as incompatible with the internal market. According to settled case-law established by the judgment of 30 June 1966, LTM (56/65, EU:C:1966:38, p. 249), the alternative nature of those requirements, indicated by the use of the conjunction ‘or’, leads to the need to consider, in the first place, the precise purpose of the agreement at issue, in the economic context in which it is to be applied. Where, however, an analysis of the terms of the agreement at issue does not reveal a sufficient degree of harm to competition, the effects of the agreement should then be considered and, for it to be caught by the prohibition, it is necessary to find that factors are present which show that competition has in fact been prevented, restricted or distorted to an appreciable extent (see judgments of 19 March 2015, Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe v Commission, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, paragraph 116 and the case-law cited, and of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 30 and the case-law cited). However, where the anticompetitive object of an agreement is established, it is not necessary to examine its effects on competition (see judgment of 20 January 2016, Toshiba Corporation v Commission, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, paragraph 25 and the case-law cited).
185 Furthermore, the presence of an anticompetitive object cannot be rebutted by the absence, in a specific case, of negative effects on the operation of the market, since doing so would confuse the prohibition on collusions with an anticompetitive object with the prohibition on collusive practices with an anticompetitive effect. The specific capability of an agreement to produce competition-restricting effects characteristic of agreements with an anticompetitive object does not depend on the real and specific effects of that agreement (see, to that effect, judgments of 13 December 2012, Expedia, C‑226/11, EU:C:2012:795, paragraph 37; of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 38; of 16 July 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, paragraph 55; of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 252 and the case-law cited; and the Opinion of Advocate General Kokott in T-Mobile Netherlands and Others, C‑8/08, EU:C:2009:110, paragraph 45). Thus, contrary to the applicants’ submissions (see paragraph 166 above), the fact that the Agreement does not generate anticompetitive effects, or even that it generates pro-competitive effects, if such effects were established, could not call into question the finding that the Agreement has an anticompetitive object. It may be added that, in any event, contrary to the applicants’ submissions, Teva’s market entry in July 2007 after the invalidation of the UK 947 patent by the High Court of Justice (England & Wales), Chancery Division (Patents Court) cannot be regarded as an early entry or entry at the earliest date on which Teva’s entry was lawful in the light of Servier’s patents (see paragraph 272 below).
186 However, the Commission and the Courts of the European Union cannot, when examining whether an agreement restricts competition by object and, in particular, in assessing the economic and legal context of that agreement, completely ignore its potential effects (Opinion of Advocate General Wahl in ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:272, paragraph 84). It should be borne in mind that agreements which are restrictive of competition by object are those which reveal a sufficient degree of harm to the proper functioning of normal competition that it may be found that there is no need to examine their specific effects on the market (see judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 49 and 51 and the case-law cited; see, also, paragraph 185 above). However, it is apparent from the case-law that establishing the existence of a restriction of competition by object cannot, under the guise, inter alia, of the examination of the economic and legal context of the agreement at issue, lead to the assessment of the effects of that agreement, since otherwise the distinction between a restriction of competition by object and by effect laid down in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness (see paragraph 182 above). For the purposes of verifying the specific capability of an agreement to produce competition-restricting effects characteristic of agreements with an anticompetitive object, the analysis of the potential effects of an agreement must therefore be limited to those resulting from information objectively foreseeable at the time of the conclusion of that agreement (see, to that effect, judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraphs 80 to 82, and the Opinion of Advocate General Wahl in ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:272, paragraph 84).
(...)
193 Likewise, contrary to the applicants’ submissions, restrictions by object are not limited to restrictions which experience has shown to be flagrant or obvious (see paragraph 165 above). It follows from the case-law that, even though experience may undoubtedly show that certain types of cooperation are inherently harmful to competition (judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51), the fact that the Commission has not, in the past, considered that a certain type of agreement was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future following an individual and detailed examination of the measures in question (see judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 438 and the case-law cited).
194 Nor does the case-law require that an agreement be considered to be prima facie or undoubtedly sufficiently harmful to competition, without an individual and concrete examination of its content, its purpose and its legal and economic context being carried out by the Commission or the Courts of the European Union, in order to be regarded as a restriction of competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU (see, to that effect, judgments of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 51, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 775)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie), ECLI:EU:T:2018:919.
"79 It should also be noted that the practices listed in Article 101(1)(a) to (e) TFEU do not constitute an exhaustive list of prohibited collusion (judgment of 20 November 2008, Beef Industry Development Society and Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, paragraph 23) and that, even though experience may undoubtedly show that certain types of cooperation are inherently harmful to competition (judgment of 11 September 2014, CB v Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51), the fact that the Commission has not, in the past, considered that a certain type of agreement was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future following an individual and detailed examination of the measures in question (see judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 438 and the case-law cited).
80 Similarly, the mere fact that a case-by-case approach is necessary in order to identify a restriction of competition by object does not preclude such a classification. The case-law does not require that an agreement be considered to be prima facie or undoubtedly sufficiently harmful to competition, without a concrete and individual of its content, its purpose, and its legal and economic context by the Commission or the EU judicature, in order to be regarded as a restriction on competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU (see, to that effect, judgments of 14 March 2013, Allianz Hungária Biztosító and Others, C‑32/11, EU:C:2013:160, paragraph 51, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 775)."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-680/14 (Lupin tegen Commissie), ECLI:EU:T:2018:908.
- "277 Certes, il ressort de la jurisprudence invoquée par la requérante (voir point 269 ci-dessus) que, dans certaines circonstances, pour déterminer si un accord a pour objet de restreindre la concurrence, il convient d’analyser la nature des biens ou des services affectés ainsi que les conditions réelles du fonctionnement et de la structure du ou des marchés en question (voir, en ce sens, arrêts du 14 mars 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, point 36 ; du 11 septembre 2014, CB/Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, point 53, et du 26 novembre 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, point 21). Tel est, en principe, le cas lorsque l’accord présente des caractéristiques le rendant atypique ou complexe (conclusions de l’avocat général Wathelet dans l’affaire Toshiba Corporation/Commission, C‑373/14 P, EU:C:2015:427, points 90 et 91).
278 Cependant, il est acquis que certains comportements collusoires, tels que ceux conduisant à la fixation horizontale des prix par des cartels, peuvent en principe être considérés comme étant susceptibles d’avoir des effets tellement négatifs sur le prix, sur la quantité ou sur la qualité des produits et des services, qu’il peut être considéré inutile, aux fins de l’application de l’article 101 TFUE, de démontrer qu’ils ont des effets concrets sur le marché. Par ailleurs, l’expérience montre que de tels comportements entraînent en général des réductions de la production et des hausses de prix aboutissant à une mauvaise répartition des ressources au détriment, en particulier, des consommateurs (arrêts du 11 septembre 2014, CB/Commission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, point 51 ; du 26 novembre 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, point 19, et du 15 décembre 2016, Philips et Philips France/Commission, T‑762/14, non publié, EU:T:2016:738, point 56).
279 Pour de tels accords, qui constituent des violations particulièrement graves de la concurrence, l’analyse du contexte économique et juridique dans lequel la pratique s’insère peut, dès lors, se limiter à ce qui s’avère strictement nécessaire en vue de conclure à l’existence d’une restriction de la concurrence par objet (voir arrêt du 27 avril 2017, FSL e.a./Commission, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, point 107 et jurisprudence citée)."
Gerecht EU 28 maart 2019, nr. T-433/16 (Pometon tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:201.
- “154 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, met uitzondering van nevenrestricties bij een primaire transactie (arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak), eventuele mededingingsbevorderende gevolgen enkel in het kader van de beoordeling van artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking kunnen worden genomen. Het is immers vaste rechtspraak dat een „rule of reason”, dat wil zeggen een onderzoek waarbij een afweging wordt gemaakt tussen de gunstige en ongunstige gevolgen van de overeenkomst in het kader van de kwalificatie ervan overeenkomstig artikel 101, lid 1, VWEU, niet bestaat in het mededingingsrecht van de Unie (arrest van 29 juni 2012, E.ON Ruhrgas en E.ON/Commissie, T‑360/09, EU:T:2012:332, punt 65; zie in die zin ook arrest van 23 oktober 2003, Van den Bergh Foods/Commissie, T‑65/98, EU:T:2003:281, punt 106).”
Gerecht EU 24 september 2019, nr. T-105/17 (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:675.
- "68 Bij de beoordeling van die context moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "52 Aangaande het in aanmerking nemen van de doelstellingen van een maatregel die op grond van artikel 101, lid 1, VWEU wordt beoordeeld, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het feit dat een maatregel wordt geacht een legitiem doel na te streven, niet uitsluit dat die maatregel, gelet op het bestaan van een daarmee nagestreefd ander doel dat daarentegen als onrechtmatig moet worden beschouwd, en gelet op de inhoud en de context van die maatregel, kan worden geacht naar strekking de mededinging te beperken (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 70)."
HvJ EU 2 april 2020, nr. C-228/18 (Budapest Bank), ECLI:EU:C:2020:265.
- "130 Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het immers niet vereist dat de Commissie reeds overeenkomsten van hetzelfde soort heeft veroordeeld om deze overeenkomsten als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken, ook al vinden deze overeenkomsten plaats in een specifieke context zoals die van de intellectuele-eigendomsrechten.
131 Ten behoeve van de kwalificatie als „beperking naar strekking” van een bepaalde overeenkomst, tellen alleen de eigen kenmerken ervan [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 84 en 85] waaruit de mogelijke bijzondere schadelijkheid voor de mededinging moet worden afgeleid, zo nodig na een gedetailleerde analyse van die overeenkomst, de doelstellingen ervan en de economische en juridische context waarin zij is gesloten.
132 Evenzo kunnen tegenstrijdige standpunten – waarvan sommige louter in verslagen zijn genoemd – van de Commissie en een nationale mededingingsautoriteit met betrekking tot een overeenkomst, zoals de standpunten bedoeld in de punten 747 tot en met 751 van het bestreden arrest, verondersteld dat deze bewezen zijn, niet leiden tot de uitsluiting van elke mogelijkheid om die overeenkomst als een „beperking naar strekking” aan te merken, aangezien geenszins vaststaat dat die standpunten het resultaat zijn van een analyse als bedoeld in het vorige punt.
(...)
139 Wat in de tweede plaats het derde onderdeel van het eerste middel tegen de punten 472 en 473 van het bestreden arrest betreft, waarin het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat het niet verplicht was het „contrafeitelijke scenario” te onderzoeken om een gedraging als „beperking naar strekking” aan te merken, zij erop gewezen dat dit onderzoek toelaat de gevolgen van een collusie in het licht van artikel 101 VWEU te kunnen beoordelen wanneer uit de analyse van die praktijk niet blijkt dat deze voldoende schadelijk is voor de mededinging om te worden gekwalificeerd als „beperking naar strekking” [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 115 en 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
140 Bijgevolg, en tenzij het duidelijke onderscheid tussen de begrippen „beperking naar strekking” en „beperking naar gevolg”, dat voortvloeit uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 1, VWEU, wordt ontkend [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 63], kan het „contrafeitelijke scenario”, dat tot doel heeft de gevolgen van een bepaalde collusie aan het licht te brengen, niet verplicht zijn met het oog op de kwalificatie van een collusie als een „beperking naar strekking”.
141 Derhalve en zoals het Gerecht in punt 472 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, is het voor de kwalificatie van een dergelijke praktijk als „beperking naar strekking” alleen van belang aan te tonen dat die, gezien de strekking van de daarin vervatte bepalingen, de doelstellingen die daarmee moeten worden bereikt en de economische en juridische context waarin die praktijk te plaatsen valt, een voldoende nadelige invloed op de mededinging heeft, zonder dat de Commissie ook nog eens de gevolgen daarvan hoeft te onderzoeken."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "86 While it is true that the characterisation as a ‘restriction by object’ may be applied as regards concerted practices, experience of which shows that they lead to falls in production and price increases, resulting in poor allocation of resources to the detriment, in particular, of consumers (judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraph 64 and the case-law cited), the fact that the Commission has not, in the past, considered that an agreement similar to the agreement at issue was, by its very object, restrictive of competition is not, in itself, such as to prevent it from doing so in the future, as the General Court correctly noted in paragraph 272 of the judgment under appeal. Indeed, as the General Court correctly held in that paragraph, all that matters is an individual and detailed examination of the practice concerned, which must demonstrate that that practice presents a sufficient degree of harm, in the present case the voluntary substitution of practical cooperation for the risks of competition on the merits, experience of such substitution having proven particularly harmful to free competition."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 586/16 P (Sun Pharmaceutical Industries en Ranbaxy tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:241.
- "110 Bovendien kan de omstandigheid dat mededingingsverstorend gedrag voor een onderneming mogelijk de meest winstgevende of de minst risicovolle oplossing is, evenmin de kwalificatie als „beperking naar strekking” uitsluiten."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 611/16 P (Xellia Pharmaceuticals en Alpharma), ECLI:EU:C:2021:245.
- "89 Accordingly, contrary, in essence, to Merck’s submissions, in particular in relation to its preliminary observations and the first, second and sixth parts of the present ground of appeal, an agreement may not be characterised as a ‘restriction by object’ principally or, a fortiori, exclusively in the light of the wording of that agreement, even where that wording may be a significant factor in that regard.
90 In addition, contrary to Merck’s submissions, the need to analyse the agreements at issue for the purposes of characterising them is not such as to preclude characterisation as a ‘restriction by object’, which is therefore not reserved solely for agreements which prima facie, or solely in the light of their wording, reveal a sufficient degree of harm to competition.
91 Similarly, the fact that a particular agreement may fall within a more general category of agreements which, as the General Court pointed out in paragraph 195 of the judgment under appeal, were considered by the Commission in particular, not to be characterised as a ‘restriction by object’, or not even to involve any difficulties in terms of competition law, cannot preclude the characterisation of a particular agreement as a ‘restriction by object’.
92 Contrary to Merck’s assertions in relation to the fifth part of the present ground of appeal, characterisation as a ‘restriction by object’ does not require that parties to those agreements pursue an anticompetitive objective, even though such an objective may nevertheless be taken into consideration, (…)."
HvJ EU, 25 maart 2021 nr. C-614/16 P (Merck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:246.
- "96 Hieruit volgt dat de vraag of er sprake is van een op grond van artikel 101, lid 1, VWEU verboden overeenkomst principieel verschilt van de kwestie van de toerekening van de aansprakelijkheid voor de inbreuk en het opleggen van een straf aan een partij bij die overeenkomst, ook al kunnen bepaalde feiten relevant zijn voor de beoordeling van beide vraagstukken.
97 Het eerste vraagstuk heeft namelijk betrekking op de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU, terwijl het tweede verband houdt met de gevolgen van een inbreuk op die bepaling. Dit laatste vraagstuk is in beginsel pas aan de orde wanneer eerst een inbreuk op die bepaling is vastgesteld.
98 Aangezien het bestaan van een overeenkomst die inbreuk maakt op artikel 101, lid 1, VWEU overeenkomstig de in die bepaling geformuleerde voorwaarden wordt vastgesteld, kan de wijze waarop de met de toepassing van die bepaling belaste autoriteit de verantwoordelijkheid voor de inbreuk toerekent aan de partijen bij die overeenkomst, in beginsel geen invloed hebben op de vaststelling van die inbreuk.
99 Het vraagstuk betreffende de toepassingsvoorwaarden van artikel 101, lid 1, VWEU verschilt voorts van de vraag of een met de toepassing van deze bepaling belaste autoriteit slechts een van de partijen bij de overeenkomst aansprakelijk kan stellen voor de door die overeenkomst gevormde inbreuk, welke vraag in het hoofdgeding niet is gesteld."
HvJ EU 18 november 2021 (Visma Enterprise), ECLI:EU:C:2021:935.
- "1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat overeenkomsten tussen een leverancier en een distributeur op grond waarvan de distributeur die als eerste een potentiële transactie met de eindgebruiker registreert, gedurende zes maanden vanaf die registratie „voorrang [krijgt] om de verkoop [...] tot stand te brengen” mits die gebruiker geen bezwaar daartegen maakt, niet kunnen worden aangemerkt als overeenkomsten die „ertoe strekken” de mededinging te verhinderen, beperken of vervalsen in de zin van die bepaling, tenzij die overeenkomsten, gelet op de voorwaarden, de doelen en de context ervan, als dermate schadelijk voor de mededinging kunnen worden beschouwd dat zij wel zo kunnen worden gekwalificeerd.
Als dergelijke overeenkomsten de mededinging niet „naar strekking” beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, moet de nationale rechter nagaan of, in het licht van alle relevante omstandigheden van het hoofdgeding, te weten onder meer de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen opereren, de aard van de betrokken goederen of diensten en de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd, die overeenkomsten kunnen worden beschouwd als voldoende merkbare beperking van de mededinging op grond van de werkelijke of potentiële gevolgen ervan.
(...)
3) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het bestaan van een door deze bepaling verboden overeenkomst niet kan worden uitgesloten op de enkele grond dat de met de toepassing van deze bepaling belaste autoriteit de partijen bij die overeenkomst gedifferentieerd aansprakelijk stelt voor de inbreuk."
HvJ EU 18 november 2021 (Visma Enterprise), ECLI:EU:C:2021:935.
- "107 In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat ter beantwoording van de vraag of verschillende gedragingen als één enkele voortdurende inbreuk kunnen worden aangemerkt, bovendien niet hoeft te worden nagegaan of zij complementair zijn, in die zin dat elk van die gedragingen is bedoeld om aan een of meer gevolgen van de normale mededinging te ontkomen en dat die gedragingen door hun wisselwerking ertoe bijdragen het geheel van de mededingingsbeperkende gevolgen te verwezenlijken dat degenen die ze verrichtten ermee beoogden in het kader van een globaal plan met één enkel doel. De voorwaarde in verband met het begrip „één enkel doel” houdt juist in dat moet worden nagegaan of de verschillende bestanddelen van de inbreuk geen kenmerken vertonen die erop kunnen wijzen dat de overige deelnemers met hun materiële gedragingen niet hetzelfde doel of hetzelfde mededingingsverstorende gevolg nastreefden en dus of die geen deel uitmaken van een „totaalplan” wegens hun identieke doel om de mededinging binnen de interne markt te verstoren (arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑644/13 P, EU:C:2017:59, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
108 Uit deze rechtspraak van het Hof kan niet worden afgeleid dat zij slechts van toepassing is op situaties waarin er een rechtstreeks bewijs is van een formeel plan dat de verschillende bestanddelen van een inbreuk met elkaar verbindt, en dat bij gebreke van dergelijk bewijs een dergelijk complementair verband een noodzakelijke voorwaarde is om het bestaan van een dergelijke inbreuk vast te stellen. In de in punt 103 van het onderhavige arrest bedoelde arresten heeft het Hof immers integendeel verduidelijkingen van algemene strekking gegeven die zich uitstrekken tot alle enkele voortdurende inbreuken, ongeacht de feitelijke wijze waarop die zijn uitgevoerd."
HvJ EU 16 juni 2022, nr. C-700/19 (Toshiba Samsung Storage Technology tegen Commissie), ECLI:EU:C:2022:484.
- "32 Het begrip „beperking van de mededinging naar strekking” moet restrictief worden uitgelegd. Dit begrip kan dus uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die dermate schadelijk zijn voor de mededinging dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 De omstandigheid dat het om een verticale overeenkomst gaat, sluit echter niet uit dat zij de „mededinging naar haar strekking” beperkt. Ofschoon verticale overeenkomsten naar hun aard vaak minder schadelijk voor de mededinging zijn dan horizontale overeenkomsten, kunnen ook zij onder bepaalde omstandigheden een zeer groot mededingingsbeperkend potentieel hebben (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 43, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 61).
34 Het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst, of zij nu horizontaal of verticaal is, een „mededingingsbeperkende strekking” heeft, valt dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich voldoende schadelijk is voor de mededinging (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Bij de beoordeling of aan dat criterium is voldaan moet worden gelet op de bewoordingen en de doelen ervan, alsmede op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 14 maart 2013, Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Wanneer de partijen bij de overeenkomst zich beroepen op de mededingingsbevorderende gevolgen ervan, moeten deze elementen bovendien in aanmerking worden genomen als elementen van de context van deze overeenkomst. Op grond van dergelijke gevolgen kan namelijk redelijkerwijs worden betwijfeld of de overeenkomst voldoende schadelijk is voor de mededinging, mits deze gevolgen bewezen, relevant, specifiek voor de betrokken overeenkomst en voldoende groot zijn [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 103, 105 en 107]."
Dicrum;
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
pas kan worden bepaald dat een verticale overeenkomst tot vaststelling van minimumwederverkoopprijzen een „mededingingsbeperking naar strekking” bevat nadat is vastgesteld dat deze overeenkomst, gelet op de bewoordingen en doelen ervan, alsmede op alle elementen die kenmerkend zijn voor de economische en juridische context ervan, voldoende schadelijk is voor de mededinging."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas); ECLI:EU:C:2023:529.
- "113 Moreover, for the purpose of characterising various instances of conduct as a single and continuous infringement, it is not necessary to ascertain whether they present a link of complementarity, in the sense that each of them is intended to deal with one or more consequences of the normal pattern of competition, and, through interaction, contribute to the attainment of the set of anticompetitive effects desired by those responsible, within the framework of a global plan having a single objective. By contrast, the condition relating to a single objective requires that it be ascertained whether there are any elements characterising the various instances of conduct forming part of the infringement which are capable of indicating that the instances of conduct in fact implemented by other participating undertakings do not have an identical object or identical anticompetitive effect and, consequently, do not form part of an ‘overall plan’ as a result of their identical object distorting the normal pattern of competition within the internal market (judgment of 26 January 2017, Villeroy & Boch v Commission, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, paragraph 58 and the case-law cited)."
HvJ EU 13 juli 2023, nr. C-759/21 P (Nippon Chemi-Con Corporation tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:577.
- "100 Tot die collusiepraktijken, die onder de categorie beperkingen naar strekking kunnen vallen, behoren onder meer marktverdelingsovereenkomsten. Dergelijke overeenkomsten vormen namelijk bijzonder ernstige schendingen van het mededingingsrecht (zie in die zin arresten van 5 december 2013, Solvay Solexis/Commissie, C‑449/11 P, EU:C:2013:802, punt 82, en 4 september 2014, YKK e.a./Commissie, C‑408/12 P, EU:C:2014:2153, punt 26), aangezien zij op zich een mededingingsbeperkend doel hebben en behoren tot een groep overeenkomsten die uitdrukkelijk door artikel 101, lid 1, VWEU zijn verboden. Een dergelijk doel kan immers niet worden gerechtvaardigd op basis van een analyse van de economische context waarin de betrokken mededingingsverstorende gedragingen worden verricht (zie in die zin arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Hetzelfde geldt voor marktuitsluitingsovereenkomsten, die tot doel hebben de potentiële mededinging uit te schakelen en de vrije mededinging te verhinderen door een potentiële concurrent buiten de betrokken markt te houden.
102 In een dergelijk geval kan de analyse van de economische en juridische context van een dergelijke overeenkomst worden beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te kunnen besluiten dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking (zie in die zin arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punt 29). In dit verband kan de mededingingsbeperkende strekking van die overeenkomst dus worden bevestigd door de omstandigheid dat zij tot stand is gekomen in de specifieke context van liberalisering van de markt, hetgeen het wegnemen van belangrijke toetredingsdrempels impliceert.
103 Voorts heeft het Hof ook geoordeeld dat wanneer de partijen bij een overeenkomst zich beroepen op de mededingingsbevorderende gevolgen van de overeenkomst, met deze gevolgen voor de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking” naar behoren rekening moet worden gehouden als aspecten van de context van deze overeenkomst, aangezien zij de algehele beoordeling van de mate waarin de collusie de mededinging nadelig heeft beïnvloed, en bijgevolg de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking”, op de helling kunnen zetten (arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 139 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 Het loutere bestaan van mededingingsbevorderende gevolgen volstaat echter niet om een dergelijke kwalificatie uit te sluiten. Enkel indien deze gevolgen bewezen, relevant, specifiek voor de overeenkomst in kwestie en voldoende groot zijn, zodat er redelijkerwijs kan worden betwijfeld of die overeenkomst in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging, moet de kwalificatie als beperking naar strekking terzijde worden geschoven [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 103, 105‑107]."
Fictum:
"4) Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
een in een zakelijke partnerschapsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding waarbij het een van de partijen bij deze overeenkomst met name wordt verboden om toe te treden tot de nationale markt voor de levering van elektriciteit waarop de wederpartij bij die overeenkomst een belangrijke marktdeelnemer is, en waarbij dit verbod geldt in de laatste fasen van de liberalisering van die markt, een overeenkomst vormt die ertoe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, ook al behalen de consumenten bepaalde voordelen uit die overeenkomst en is dat concurrentiebeding beperkt in de tijd, voor zover uit een analyse van de inhoud van dat beding en de economische en juridische context ervan blijkt dat het beding dermate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "101 Blijkens vaste rechtspraak van het Hof, zoals die in het bijzonder is samengevat in de arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67), vormt het begrip mededingingsverstorende „strekking” weliswaar geen uitzondering ten opzichte van het begrip mededingingsverstorend „gevolg”, zoals blijkt uit de punten 98 en 99 van het onderhavige arrest, maar moet het toch strikt worden uitgelegd.
102 Bijgevolg moet dat begrip aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging [zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 417; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67].
103 Tot de soorten gedrag die als zodanig moeten worden beschouwd, behoren in de eerste plaats bepaalde kartelafspraken die bijzonder schadelijk zijn voor de mededinging, zoals horizontale kartels die leiden tot prijsbepaling, beperking van de productiecapaciteit of verdeling van de klanten. Dergelijke soorten gedrag kunnen er namelijk in resulteren dat de prijzen stijgen of dat de productie, en daarmee het aanbod, wordt verlaagd, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat in het nadeel speelt van zowel de ondernemingen die er gebruik van maken als de consument (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 17 en 33; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 32).
104 Andere soorten gedrag zijn niet noodzakelijk even schadelijk voor de mededinging, maar kunnen in bepaalde gevallen eveneens worden geacht een mededingingsverstorende strekking te hebben. Dat is onder meer het geval bij bepaalde soorten horizontale overeenkomsten die geen kartels zijn, zoals die welke ertoe leiden dat concurrerende ondernemingen van de markt worden uitgesloten [zie in die zin arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 76, 77, 83‑87 en 101, alsook 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punten 113 en 114], of bepaalde soorten besluiten van ondernemersverenigingen die erop zijn gericht het gedrag van hun leden te coördineren, met name op het gebied van prijzen (zie in die zin arrest van 27 januari 1987, Verband der Sachversicherer/Commissie, 45/85, EU:C:1987:34, punt 41).
105 Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen uit hun aard zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat zij kunnen worden geacht ertoe te strekken deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 79).
106 Wat om te beginnen de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 80). Het is daarentegen geenszins noodzakelijk om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen dat gedrag teweegbrengt voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn, zoals volgt uit de rechtspraak die in de punten 98 en 99 van het onderhavige arrest is aangehaald.
107 Wat vervolgens de doelstellingen van het betrokken gedrag betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met dat gedrag worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punten 64 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21).
108 Ten slotte moeten bij het in overweging nemen van al de in de drie voorgaande punten van het onderhavige arrest genoemde aspecten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom het betrokken gedrag zodanig schadelijk is voor de mededinging dat het kan worden geacht „ertoe te strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 69)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "125 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat onvervalste handhaving of ontwikkeling van de mededinging op de interne markt slechts kan worden gewaarborgd indien wordt gezorgd voor gelijke kansen voor ondernemingen. Wanneer aan een onderneming die een bepaalde economische activiteit uitoefent de bevoegdheid wordt toegekend tot aanwijzing, rechtens of zelfs feitelijk, van andere ondernemingen die deze activiteit ook mogen uitoefenen, en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder die activiteit kan worden uitgeoefend, ontstaat voor die onderneming een conflictsituatie en wordt haar ten opzichte van haar concurrenten een duidelijk voordeel toegekend doordat zij hen de toegang tot de betrokken markt kan ontzeggen of haar eigen activiteit kan begunstigen (zie in die zin arresten van 13 december 1991, GB-Inno-BM, C‑18/88, EU:C:1991:474, punt 25; 12 februari 1998, Raso e.a., C‑163/96, EU:C:1998:54, punten 28 en 29, en 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 38, 49, 51 en 52) en zodoende ten nadele van de consument de ontwikkeling van op verdienste gebaseerde mededinging kan verhinderen door de productie, de ontwikkeling van alternatieve producten of diensten of de innovatie op die markt te beperken.
126 Bijgevolg kan een dergelijke bevoegdheid slechts aan een welbepaalde onderneming worden verleend indien de uitoefening ervan beperkt, gebonden en aan controle onderworpen is, ongeacht of die bevoegdheid voortvloeit uit de toekenning door een lidstaat van uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming waaraan zij wordt verleend, een machtspositie op de betrokken markt verschaffen (zie in die zin arrest van du 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 50 en 53), uit autonoom gedrag van een onderneming met een machtspositie die haar in staat stelt potentieel concurrerende ondernemingen de toegang tot die markt of tot verwante of naburige markten te ontzeggen (zie in die zin arrest van 13 december 1991, GB-Inno-BM, C‑18/88, EU:C:1991:474, punten 17‑20 en 24), of uit een besluit van een ondernemersvereniging, a fortiori wanneer de vereniging waarvan dat besluit uitgaat, tegelijkertijd als een „onderneming” moet worden beschouwd vanwege de economische activiteit die zij op die markt uitoefent (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 39, 44, 45, 59, 91 en 92).
127 Om die reden heeft het Hof reeds vastgesteld dat wanneer een dergelijke bevoegdheid wordt verleend aan een onderneming met een machtspositie, zij door het bestaan zelf ervan in strijd is met artikel 102 VWEU, in voorkomend geval gelezen in samenhang met artikel 106 VWEU, tenzij de uitoefening van die bevoegdheid zodanig beperkt, gebonden en aan controle onderworpen is dat het risico van misbruik van machtspositie wordt uitgesloten (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punten 50 en 53).
128 Evenzo moet worden geoordeeld dat een dergelijke bevoegdheid kan worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien de artikelen 101 en 102 VWEU, ook al worden er onderscheiden doelstellingen mee nagestreefd en hebben ze een verschillende werkingssfeer, tegelijkertijd op een en dezelfde gedraging kunnen worden toegepast indien voldaan is aan de respectieve voorwaarden voor de toepassing ervan [zie in die zin arresten van 11 april 1989, Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro, 66/86, EU:C:1989:140, punt 32; 16 maart 2000, Compagnie maritime belge transports e.a./Commissie, C‑395/96 P en C‑396/96 P, EU:C:2000:132, punt 33, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 146], en die artikelen bijgevolg samenhangend moeten worden uitgelegd met inachtneming evenwel van hun specifieke kenmerken.
129 Ervan uitgaand dat dit niet het geval is, kan die bevoegdheid op zijn minst worden geacht „ten gevolge te hebben” dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, zoals ook reeds door het Hof is vastgesteld (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69).
(...)
131 Voor het antwoord op de vraag of een besluit van een ondernemersvereniging waarbij aan die vereniging regelgevings-, toezichts-, en sanctiebevoegdheden worden toegekend die haar in staat stellen potentieel concurrerende ondernemingen de toegang toe te staan of te ontzeggen tot een bepaalde markt waarop die vereniging zelf een economische activiteit uitoefent, moet worden geacht ertoe te strekken of, als dat niet het geval is, ten gevolge te hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, dient om te beginnen te worden nagegaan of die bevoegdheid wordt afgebakend door transparante, duidelijke en precieze materiële criteria (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 84‑86, 90, 91 en 99), zodat kan worden voorkomen dat zij willekeurig kan worden uitgeoefend. Voorts moeten die criteria uiteraard zijn vastgelegd in een toegankelijke vorm alvorens de bevoegdheid die erdoor moet worden afgebakend, wordt uitgeoefend.
132 Daartoe kunnen met name criteria worden gerekend die het houden van sportwedstrijden op basis van gelijke kansen en verdienste adequaat en daadwerkelijk bevorderen.
133 Criteria die daaraan beantwoorden, moeten bovendien kunnen waarborgen dat een dergelijke bevoegdheid op non-discriminatoire basis wordt uitgeoefend (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 99) en dat de sancties die kunnen worden opgelegd, zowel objectief als evenredig zijn (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 48 en 55). Opdat die criteria in het algemeen als niet-discriminatoir zouden kunnen worden beschouwd, mogen ze aan de organisatie en commercialisatie van externe wedstrijden en de deelname van atleten daaraan geen voorwaarden verbinden die hetzij verschillen van die welke gelden voor wedstrijden die worden georganiseerd en gecommercialiseerd door de entiteit die daarover beslist, hetzij identiek of vergelijkbaar zijn, maar waaraan in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk kan worden voldaan door een onderneming die niet dezelfde hoedanigheid van vereniging of dezelfde bevoegdheden heeft als die entiteit en zich derhalve in een andere situatie bevindt dan die entiteit. Daarenboven moeten meer specifiek de criteria voor de vaststelling van mogelijke sancties waarborgen dat deze in elk concreet geval worden vastgesteld met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, waarbij met name rekening wordt gehouden met de aard, de duur en de ernst van de vastgestelde inbreuk.
134 Ten slotte moeten die criteria daadwerkelijk kunnen worden geverifieerd (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 99).
135 Voor de betrokken bevoegdheid moeten er bovendien transparante en niet-discriminatoire procedureregels gelden, zoals die betreffende de termijnen voor de indiening van een verzoek om voorafgaande toestemming en voor de vaststelling van een besluit daarover, die niet in het nadeel van potentieel concurrerende ondernemingen kunnen werken door hun daadwerkelijke toegang tot de markt te ontzeggen (zie in die zin arrest van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 86 en 92) en dus uiteindelijk de productie niet kunnen beperken."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "144 (...) Ofschoon uit die rechtspraak volgt dat het een sportfederatie zoals de ISU vrijstaat om voor de betrokken sportdiscipline regels inzake de organisatie en het verloop van internationale wedstrijden vast te stellen, toe te passen en via sancties te doen naleven (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68; 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punt 44, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), volstaan die overwegingen immers geenszins om regels, zoals de toestemmings- en toelatingsregels, waarvan de toepassing niet afdoend beperkt, gebonden of aan controle onderworpen is, rechtmatig te verklaren.
145 Integendeel, dergelijke regels moeten, gelet op de in de punten 125 tot en met 128 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, worden geacht ertoe te strekken de mededinging te beperken. De entiteit die deze regels heeft vastgesteld en mag toepassen, krijgt op grond van die regels immers de macht om de toegang tot de markt van elke potentieel concurrerende onderneming toe te staan, te controleren of afhankelijk te stellen van voorwaarden en om zowel de eventuele mate van mededinging op die markt als de voorwaarden waaronder die eventuele mededinging kan plaatsvinden, te bepalen.
146 Als dusdanig maken die regels het mogelijk om elke concurrerende onderneming – zelfs al is deze even efficiënt – van de markt te weren of op zijn minst de organisatie en commercialisatie van wedstrijden die qua format of inhoud een alternatief vormen of nieuw zijn, te beperken. Bovendien wordt aan atleten daardoor elke mogelijkheid ontnomen om aan dergelijke wedstrijden deel te nemen, ook al zou hun interesse erdoor kunnen worden gewekt wegens bijvoorbeeld een innoverend format dat tegelijkertijd strookt met alle beginselen, waarden en spelregels die aan de betrokken sportdiscipline ten grondslag liggen. Ten slotte zijn die regels van dien aard dat toeschouwers en televisiekijkers geen enkele mogelijkheid krijgen om die wedstrijden bij te wonen of de uitzending ervan te bekijken."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "189 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de door de ISU opgelegde arbitrageregels, zoals tussen partijen vaststaat en het Gerecht in de punten 156, 159 en 160 van het bestreden arrest heeft aangegeven, met name zijn gericht op twee soorten geschillen die zich kunnen voordoen bij economische activiteiten waarvan de ene bestaat in het streven om internationale wedstrijden hardrijden op de schaats te organiseren en te commercialiseren, en de andere in het streven om als beroepsatleet aan dergelijke wedstrijden deel te nemen. Derhalve gelden die regels voor geschillen betreffende sportbeoefening als economische activiteit en vallen zij als zodanig binnen de werkingssfeer van het mededingingsrecht van de Unie. Om de in de punten 91 tot en met 96 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen dienen die regels dan ook, in zoverre ze worden toegepast op het grondgebied waarop het VEU en het VWEU van toepassing zijn, in overeenstemming te zijn met het mededingingsrecht van de Unie, ongeacht waar de entiteiten die deze regels hebben vastgesteld zijn gevestigd (arresten van 25 november 1971, Béguelin Import, 22/71, EU:C:1971:113, punt 11; 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, 89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85–129/85, EU:C:1988:447, punt 16, en 6 september 2017, Intel/Commissie, C‑413/14 P, EU:C:2017:632, punten 43‑45).
190 In casu gaat het derhalve enkel om de toepassing van die regels in het kader van dergelijke geschillen en op het grondgebied van de Unie, en niet om de toepassing van die regels op een ander grondgebied dan dat van de Unie, noch om de toepassing ervan in het kader van andere soorten geschillen, zoals geschillen die uitsluitend verband houden met de sport als zodanig en dus niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, laat staan om de toepassing van arbitrageregels op andere gebieden.
191 Bovendien zijn die regels blijkens de punten 181 en 184 van het onderhavige arrest in casu niet aan de orde omdat op grond daarvan besluiten van de ISU in eerste aanleg worden getoetst door een arbitrageorgaan, namelijk het CAS, maar enkel omdat de toetsing van de arbitrale beslissingen van het CAS en de toetsing in laatste aanleg van de besluiten van de ISU worden verricht door de tribunal fédéral, namelijk een rechter van een derde land.
192 Dienaangaande heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de artikelen 101 en 102 VWEU bepalingen met rechtstreekse werking zijn die voor de justitiabelen rechten in het leven roepen die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd (arresten van 30 januari 1974, BRT en Belgische Vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, 127/73, EU:C:1974:6, punt 16, en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punt 24), en die onder de openbare orde van de Unie vallen (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punten 36 en 39).
193 Om die reden heeft het Hof weliswaar vastgesteld dat een particulier een overeenkomst kan sluiten waarin in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen wordt bepaald dat alle of sommige daarop betrekking hebbende geschillen worden voorgelegd aan een arbitrageorgaan in plaats van aan de nationale rechter die volgens de toepasselijke nationaalrechtelijke regels bevoegd zou zijn geweest om over die geschillen uitspraak te doen, en dat de vereisten die verband houden met de doeltreffendheid van de arbitrale rechtspleging kunnen rechtvaardigen dat de rechterlijke toetsing van arbitrale beslissingen een beperkt karakter draagt (zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 35, en 26 oktober 2006, Mostaza Claro, C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 34), maar heeft het niettemin erop gewezen dat bij een dergelijke rechterlijke toetsing hoe dan ook moet kunnen worden nagegaan of die arbitrale beslissingen in overeenstemming zijn met de fundamentele bepalingen van openbare orde van de Unie, waartoe de artikelen 101 en 102 VWEU behoren (zie in die zin arrest van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 37). Aan dat vereiste dient a fortiori te zijn voldaan wanneer een dergelijk arbitragemechanisme moet worden geacht in de praktijk te zijn opgelegd door een privaatrechtelijk rechtssubject, zoals een internationale sportfederatie, aan een ander privaatrechtelijk rechtssubject, zoals een atleet.
194 Bij gebreke van een dergelijke rechterlijke toetsing zou gebruikmaking van een arbitragemechanisme immers ten koste kunnen gaan van de bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht en aan de daadwerkelijke eerbiediging van de artikelen 101 en 102 VWEU, zoals deze door de nationale regels betreffende de rechtsmiddelen moeten worden gewaarborgd, en bij gebreke van een dergelijk mechanisme dus zouden worden gewaarborgd.
195 In het bijzonder arbitrageregels zoals die welke worden opgelegd door de ISU moeten aan dat vereiste van effectieve rechterlijke toetsing voldoen.
196 Het Hof heeft er immers reeds op gewezen dat sportfederaties weliswaar over een juridische autonomie beschikken die hen in staat stelt regels vast te stellen met betrekking tot met name de organisatie van wedstrijden, het goede verloop daarvan en de deelname van sporters daaraan (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), maar dat zij daarbij geen beperkingen mogen stellen aan de uitoefening van de door het Unierecht aan particulieren verleende rechten en vrijheden (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 81 en 83, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 52), waartoe de rechten behoren die in het leven zijn geroepen door de artikelen 101 en 102 VWEU.
197 Om die reden moeten regels zoals de toestemmings- en toelatingsregels gepaard gaan met een effectieve rechterlijke toetsing, zoals volgt uit de punten 127 en 134 van het onderhavige arrest.
198 Dit vereiste van effectieve rechterlijke toetsing impliceert dat wanneer dergelijke regels vergezeld gaan van bepalingen op grond waarvan aan een arbitrageorgaan een dwingende en exclusieve bevoegdheid wordt toegekend, de rechter die bevoegd is voor de toetsing van de door dat orgaan gegeven beslissingen moet kunnen nagaan of die beslissingen in overeenstemming zijn met de artikelen 101 en 102 VWEU. Voorts impliceert dit vereiste dat die rechter moet voldoen aan alle voorwaarden van artikel 267 VWEU, zodat hij zich tot het Hof kan of, in voorkomend geval, moet wenden wanneer een uitspraak van het Hof over een Unierechtelijke kwestie die in een bij hem aanhangige zaak aan de orde wordt gesteld, naar zijn oordeel noodzakelijk is (zie in die zin arresten van 23 maart 1982, Nordsee, 102/81, EU:C:1982:107, punten 14 en 15, en 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 40).
199 Het Gerecht heeft derhalve blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door louter op ongedifferentieerde en abstracte wijze te oordelen dat de arbitrageregels, in zoverre toezicht op geschillen over de toepassing van de toestemmings- en toelatingsregels op grond daarvan werd toevertrouwd aan een „gespecialiseerde rechter”, „[konden] worden gerechtvaardigd door legitieme belangen die verband houden met de specifieke kenmerken van sport”, zonder zich ervan te vergewissen of die arbitrageregels voldeden aan alle in de vorige punten van het onderhavige arrest genoemde vereisten, en dus een effectieve toetsing van de naleving van de mededingingsregels van de Unie mogelijk maakten, ondanks dat de Commissie zich in de overwegingen 270 tot en met 277, 282 en 283 van het litigieuze besluit op goede gronden op die vereisten had gebaseerd ter onderbouwing van haar slotsom dat die regels de in artikel 1 van dat besluit gekwalificeerde inbreuk versterkten.
200 Ten tweede heeft het Gerecht eveneens blijk gegeven van onjuiste rechtsopvattingen door in de punten 157 tot en met 161 van het bestreden arrest te oordelen dat de volle werking van het mededingingsrecht van de Unie werd gewaarborgd, aangezien adressaten van een niet-toelatingsbesluit of van een besluit houdende weigering van toestemming voor het houden van een wedstrijd, rechtsmiddelen kunnen aanwenden om bij de bevoegde nationale rechter vergoeding te vorderen van de door hen vanwege een dergelijk besluit geleden schade, en bij de Commissie of een nma een klacht kunnen indienen.
201 Dat personen vergoeding kunnen vorderen van de schade die zij hebben geleden door gedrag dat de mededinging kan verhinderen, beperken of vervalsen, hoe essentieel dat ook is (zie in dat verband arresten van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punten 26 en 27, en 14 maart 2019, Skanska Industrial Solutions e.a., C‑724/17, EU:C:2019:204, punten 25, 43 en 44), kan immers het feit niet ondervangen dat een rechtsmiddel ontbreekt waarmee zij zich tot de bevoegde nationale rechter kunnen wenden teneinde te bekomen dat dit gedrag wordt gestaakt, in voorkomend geval na toekenning van voorlopige maatregelen, of, wanneer het uit een handeling bestaat, dat die handeling wordt getoetst en nietig wordt verklaard, in voorkomend geval na een voorafgaande arbitrageprocedure die werd gevoerd krachtens een overeenkomst die in de toepassing van een dergelijke procedure voorziet. Dit klemt des te meer voor beroepssporters, wier loopbaan relatief kort kan zijn, met name in het geval van sportbeoefening op hoog niveau.
202 Bovendien is die omstandigheid geen reden om dat recht weliswaar formeel te behouden, maar in de praktijk van een wezenlijk deel van zijn inhoud te ontdoen, zoals dat het geval is wanneer de rechterlijke toetsing die ten aanzien van het gedrag of de handeling in kwestie kan worden verricht, rechtens of feitelijk uiterst beperkt blijkt te zijn, met name omdat toetsing aan de bepalingen van openbare orde van het Unierecht niet mogelijk is.
203 De mogelijkheid tot indiening van een klacht bij de Commissie of een nma kan a fortiori niet worden ingeroepen ter rechtvaardiging van het ontbreken van een rechtsmiddel als bedoeld in punt 201 van het onderhavige arrest. Bovendien moet er met betrekking tot de Commissie op worden gewezen, zoals terecht wordt opgemerkt door die instelling en degenen die de incidentele hogere voorziening hebben ingesteld, dat artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1) degene die krachtens dat artikel een verzoek bij haar indient niet het recht geeft om een definitief besluit over het al dan niet bestaan van de door hem gestelde inbreuk te verlangen (zie in die zin arrest van 19 september 2013, EFIM/Commissie, C‑56/12 P, EU:C:2013:575, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-124/21 P (International Skating Union tegen Commissie), ECLI:EU:C:2023:1012.
- "169 Het begrip gedrag met mededingingsverstorende „gevolgen” omvat elk gedrag dat niet kan worden beschouwd als gedrag met een mededingingsverstorende „strekking”, mits wordt aangetoond dat het daadwerkelijk of potentieel ten gevolge heeft dat de mededinging aanzienlijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst [zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 77, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 117].
170 Te dien einde moet de mededinging worden onderzocht binnen het feitelijke kader waarin die zich zou afspelen zonder de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie [arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 415, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 118]. Daarbij moet(en) de markt(en) worden bepaald waarop dat gedrag zijn gevolgen moet teweegbrengen, en dienen die gevolgen vervolgens te worden gekwalificeerd, ongeacht of zij reëel dan wel potentieel zijn. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "173 Zoals in de verwijzingsbeslissing is uiteengezet, bepalen de regels van de UEFA in de eerste plaats dat alleen deze entiteit beslist over de instelling en de opheffing van internationale competities binnen haar territoriale bevoegdheidsgebied waaraan de bij de UEFA aangesloten nationale voetbalbonden of de tot die bonden behorende clubs deelnemen, met dien verstande dat deze regels niet gelden voor de door de FIFA georganiseerde competities. In de tweede plaats moet voor de internationale wedstrijden, competities en toernooien die binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de UEFA worden gespeeld, maar niet door haar zijn georganiseerd, vooraf door de FIFA, de UEFA en/of de betrokken aangesloten bonden toestemming worden verleend, overeenkomstig het reglement van de FIFA betreffende internationale wedstrijden. In de derde plaats kunnen zonder toestemming van de UEFA geen groepen of allianties van competities of clubs die direct of indirect zijn aangesloten bij verschillende bij de UEFA aangesloten nationale voetbalbonden worden gevormd.
174 Bovendien heeft de verwijzende rechter verklaard dat geen van deze bevoegdheden van de FIFA en de UEFA wordt afgebakend door materiële criteria of procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief en niet-discriminerend zijn, zoals die welke in punt 151 van het onderhavige arrest zijn genoemd.
175 Vervolgens volgt uit de punten 142 tot en met 149 van het onderhavige arrest dat de specifieke aard van internationale voetbalcompetities en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van deze competities op het grondgebied van de Unie het dan wel mogelijk maken om aan te nemen dat regels betreffende voorafgaande toestemming zoals die welke zo-even zijn genoemd, in beginsel gerechtvaardigd zijn, maar deze contextuele elementen kunnen daarentegen geen rechtvaardiging vormen voor het ontbreken van materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat deze regels transparant, objectief, nauwkeurig en niet-discriminerend zijn.
176 Ten slotte kunnen deze regels betreffende voorafgaande toestemming weliswaar zijn ingegeven door het nastreven van bepaalde legitieme doelstellingen, zoals het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen, de waarden en de spelregels die aan het professionele voetbal ten grondslag liggen, maar het blijft een feit dat zij de organisatie en het in de markt zetten van elke andere internationale voetbalcompetitie dan die welke deze twee entiteiten in het kader van de uitoefening van een economische activiteit parallel daaraan organiseren, onderwerpen aan de bevoegdheden betreffende voorafgaande toestemming en sancties van de entiteiten die deze regels in hun hoedanigheid van ondernemersverenigingen hebben vastgesteld. Aldus verlenen deze regels deze entiteiten de bevoegdheid om de toegang van elke potentieel concurrerende onderneming tot de betrokken markt toe te staan, te controleren of aan voorwaarden te onderwerpen, en de bevoegdheid om zowel de mate van mededinging op de markt te bepalen als de voorwaarden waaronder deze eventuele mededinging kan plaatsvinden. Deze regels zijn dan ook van dien aard dat zij zo niet elke concurrerende onderneming, ook al is deze even efficiënt, van deze markt kunnen uitsluiten, dan toch de organisatie en het in de markt zetten van alternatieve of nieuwe competities qua format en inhoud kunnen beperken. Voorts kunnen zij professionele voetbalclubs en spelers elke mogelijkheid tot deelname aan deze competities ontnemen, ook al zouden deze competities bijvoorbeeld een innovatief format kunnen bieden, waarbij alle aan deze sport ten grondslag liggende beginselen, waarden en spelregels in acht worden genomen. Uiteindelijk kunnen zij toeschouwers en televisiekijkers elke mogelijkheid ontnemen om deze competities bij te wonen of de uitzending ervan te bekijken.
177 Voor zover de regels betreffende voorafgaande toestemming voor internationale clubvoetbalcompetities gepaard gaan met regels betreffende de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities en betreffende de sancties waartoe die deelname aanleiding kan geven, moet daaraan overigens worden toegevoegd dat deze regels duidelijk kunnen leiden tot een versterking van de mededingingsverstorende strekking die inherent is aan elk stelsel van voorafgaande toestemming dat niet gepaard gaat met beperkingen, verplichtingen of toezicht waarmee de transparante, objectieve, nauwkeurige en niet-discriminerende aard ervan kan worden gewaarborgd. In feite versterken zij de uit dit stelsel voortvloeiende toetredingsdrempel, doordat zij elke onderneming die een potentieel concurrerende competitie organiseert, verhinderen om op zinvolle wijze gebruik te maken van de op de markt beschikbare middelen, namelijk clubs en spelers, die zich bij deelname aan een competitie waarvoor de FIFA en de UEFA geen voorafgaande toestemming hebben verleend, blootstellen aan sancties die – zoals in punt 148 van het onderhavige arrest is aangegeven – niet worden afgebakend door materiële criteria of procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig, niet-discriminerend en evenredig zijn.
178 Om al deze redenen moet worden geoordeeld dat regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, wanneer zij niet worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig, niet-discriminerend en evenredig zijn, zoals die welke in punt 151 van het onderhavige arrest zijn genoemd, naar hun aard voldoende schadelijk zijn voor de mededinging en er dus toe strekken deze te verhinderen. Zij vallen dus onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, zonder dat de daadwerkelijke of potentiële gevolgen ervan hoeven te worden onderzocht."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "183 Volgens vaste rechtspraak van het Hof valt niet elke overeenkomst tussen ondernemingen die, of elk besluit van een ondernemersvereniging dat de handelingsvrijheid beperkt van de ondernemingen die partij zijn bij die overeenkomst of die dat besluit moeten naleven, automatisch onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU. Uit het onderzoek van de economische en juridische context waarin bepaalde van die overeenkomsten en besluiten moeten worden geplaatst, kan namelijk naar voren komen, ten eerste, dat deze worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen van algemeen belang die als zodanig niet mededingingsverstorend zijn, ten tweede, dat de concrete middelen waarmee die doelstellingen worden nagestreefd, daar werkelijk toe noodzakelijk zijn en, ten derde, dat ook als die middelen er onvermijdelijk toe leiden dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt of vervalst, dit onvermijdelijk gevolg niet verder gaat dan noodzakelijk is, wat met name wél het geval zou zijn wanneer de mededinging volledig zou worden uitgeschakeld. Deze rechtspraak kan in het bijzonder toepassing vinden op overeenkomsten of besluiten die de vorm aannemen van regels die een bond, zoals een beroeps- of een sportbond, vaststelt om bepaalde ethische of deontologische doelstellingen na te streven en, meer algemeen, om de uitoefening van een beroepsactiviteit te regelen, indien de betrokken bond aantoont dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan (zie in die zin arresten van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97; 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 42‑48, en 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punten 93, 96 en 97).
184 Meer bepaald heeft het Hof op het gebied van sport, gelet op de gegevens waarover het beschikte, geoordeeld dat de antidopingregelgeving die is vastgesteld door het Internationaal Olympisch Comité (IOC), niet valt onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU, ook al beperkt zij de handelingsvrijheid van de atleten en heeft zij tot onvermijdelijk gevolg dat de mogelijke concurrentie tussen hen wordt beperkt doordat zij een grenswaarde bepaalt waarboven de aanwezigheid van nandrolon als doping wordt beschouwd, teneinde het eerlijke, integere en objectieve verloop van de sportcompetitie veilig te stellen, de gelijke kansen van de atleten te waarborgen, hun gezondheid te beschermen, en de ethische waarden die de kern van de sport vormen te doen naleven, waaronder de verdienste (zie in die zin arrest van 18 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C‑519/04 P, EU:C:2006:492, punten 43‑55).
185 De in punt 183 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak is daarentegen niet van toepassing op gedragingen die, ongeacht of zij al dan niet van een dergelijke bond uitgaan en ongeacht de legitieme doelstellingen van algemeen belang die ter rechtvaardiging van die gedragingen kunnen worden aangevoerd, naar hun aard inbreuk maken op artikel 102 VWEU, zoals reeds impliciet maar noodzakelijkerwijs blijkt uit de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, MOTOE, C‑49/07, EU:C:2008:376, punt 53).
186 Daar het ontbreken van een subjectief oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het nastreven van eventueel legitieme doelstellingen ook niet doorslaggevend zijn voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU, en voorts de artikelen 101 en 102 VWEU op coherente wijze moeten worden uitgelegd en toegepast, moet worden geoordeeld dat de in punt 183 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak evenmin kan worden toegepast op gedragingen die niet gewoon tot onvermijdelijk „gevolg” hebben dat de mededinging althans potentieel wordt beperkt doordat zij de handelingsvrijheid van bepaalde ondernemingen beknotten, maar voor de mededinging zodanig schadelijk zijn dat het gerechtvaardigd is om ze aan te merken als gedragingen die er juist „toe strekken” deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Enkel indien het onderzoek van de gedraging die in een concreet geval aan de orde is, uitwijst dat die gedraging er niet toe strekt de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, dient bijgevolg aansluitend te worden nagegaan of zij onder die rechtspraak kan vallen (zie in die zin arresten van 28 februari 2013, Ordem dos Técnicos Oficiais de Contas, C‑1/12, EU:C:2013:127, punt 69; 4 september 2014, API e.a., C‑184/13–C‑187/13, C‑194/13, C‑195/13 en C‑208/13, EU:C:2014:2147, punt 49, en 23 november 2017, CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International, C‑427/16 en C‑428/16, EU:C:2017:890, punten 51, 53, 56 en 57).
187 Gedragingen die ertoe strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, kunnen dus alleen op grond van artikel 101, lid 3, VWEU en voor zover aan alle voorwaarden van die bepaling is voldaan, worden vrijgesteld van het verbod dat door artikel 101, lid 1, VWEU wordt opgelegd (zie in die zin arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21)."
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat sprake is van een besluit van een ondernemersvereniging dat ertoe strekt dat de mededinging wordt verhinderd wanneer verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, rechtstreeks of via de aangesloten nationale voetbalbonden regels hebben vastgesteld en uitvoeren die bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting, op het grondgebied van de Unie, van een nieuwe clubvoetbalcompetitie door een derde onderneming en die de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competitie op straffe van sancties controleren, zonder dat deze verschillende bevoegdheden worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, niet-discriminerend en evenredig zijn."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "213 In artikel 345 VWEU is bepaald dat het VEU en VWEU de regeling van het eigendomsrecht in de lidstaten onverlet laten.
214 Hieruit volgt dat de artikelen 101 en 102 VWEU niet kunnen worden geacht zich in beginsel te verzetten tegen regels als de artikelen 67 en 68 van de FIFA-statuten, voor zover deze regels deze entiteit en de UEFA aanwijzen als oorspronkelijke houder van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de professionele clubvoetbalcompetities die zij op het grondgebied van de Unie organiseren, met de onontbeerlijke medewerking van de professionele voetbalclubs en de spelers die aan deze competities deelnemen.
215 Integendeel, wanneer het Hof de artikelen 101 en 102 VWEU uitlegt en de verwijzende rechter deze artikelen toepast, moet worden uitgegaan van de omstandigheid dat naargelang de lidstaat een andere regeling van het eigendomsrecht kan gelden voor de rechten waarop deze regels van toepassing zijn en dat de vraag naar de betekenis die moet worden gegeven aan het begrip „oorspronkelijke eigendom” waarop deze regels betrekking hebben, dus in de eerste plaats moet worden onderzocht in het licht van het toepasselijke recht inzake eigendom en intellectuele eigendom, zoals in wezen is opgemerkt door een groot aantal regeringen die in de procedure voor het Hof hebben geïntervenieerd. Sommige van deze regeringen hebben verklaard dat dit begrip, voor wat hen betreft en wil het verenigbaar zijn met de bepalingen van hun toepasselijke nationale recht inzake eigendom en intellectuele eigendom, moet worden geanalyseerd als een „vrijwillige overdracht” of een „gedwongen overdracht” van rechten door de professionele voetbalclubs aan de nationale voetbalbonden die plaatsvindt wanneer zij zich bij hen aansluiten, gevolgd door een latere overdracht van dezelfde rechten aan de FIFA en de UEFA wanneer de aangesloten bonden lid worden van die entiteiten.
216 In casu gaat het evenwel niet om deze kwestie. Bij de beoordeling daarvan zou ook rekening moeten worden gehouden met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat een rechtsregel is die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen door het recht op eigendom en het recht op intellectuele eigendom te beschermen, zonder dat deze rechten evenwel een absoluut of onaantastbaar karakter krijgen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 56), zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de rechten die in de onderhavige zaak specifiek aan de orde zijn (arresten van 18 juli 2013, FIFA/Commissie, C‑204/11 P, EU:C:2013:477, punt 110, en UEFA/Commissie, C‑201/11 P, EU:C:2013:519, punt 102).
217 Wat betreft de vraag of artikel 101, lid 1, en artikel 102 VWEU zich verzetten tegen de regels waarnaar de verwijzende rechter verwijst, voor zover deze geen betrekking hebben op de oorspronkelijke eigendom van rechten die kunnen voortvloeien uit door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities, maar op het in de markt zetten van die rechten, volgt om te beginnen uit de punten 115, 117, 118, 139 en 140 van het onderhavige arrest dat dergelijke regels tegelijkertijd kunnen worden beschouwd als ten eerste een „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU en ten tweede een gedraging van een „onderneming” met een „machtspositie” die voortvloeit uit de uitoefening van een regelgevende bevoegdheid, wat dus een ander middel is dan die welke bij een op verdienste gebaseerde mededinging tussen ondernemingen gebruikelijk zijn.
218 Voorts verbieden artikel 101, lid 1, onder b), en artikel 102,tweede alinea, onder b), VWEU uitdrukkelijk besluiten van ondernemersverenigingen en misbruikpraktijken die erin bestaan de mededinging te verhinderen of te beperken door, naast andere mededingingsparameters, de productie en de afzet te beperken of te controleren ten nadele van de verbruikers.
219 Zoals met name een aantal regeringen die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, en de Commissie hebben opgemerkt, hebben de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels blijkens het onderzoek van de inhoud ervan juist tot doel om op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve en collectieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities, in al hun vormen, in de plaats te stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen door de professionele voetbalclubs die deelnemen aan de in het kader van deze competities georganiseerde wedstrijden, ongeacht of deze exploitatiewijze individueel, bilateraal dan wel zelfs multilateraal is.
220 Krachtens regels als genoemd in de artikelen 67 en 68 van de FIFA-statuten wordt aan deze vereniging immers in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen de uitsluitende bevoegdheid voorbehouden om door middel van reglementen vast te stellen onder welke voorwaarden deze rechten door haarzelf of door een derde kunnen worden geëxploiteerd en gebruikt. Voorts behouden deze regels de FIFA en de UEFA de uitsluitende bevoegdheid voor om toestemming te verlenen voor de uitzending van wedstrijden of evenementen, met inbegrip van die in verband met clubvoetbalcompetities, via audiovisuele of andere media, zonder beperking ten aanzien van plaats, inhoud, datum of technische middelen.
221 Verder bepalen deze regels in eveneens ondubbelzinnige bewoordingen dat al deze rechten, of het nu gaat om vermogensrechten, audiovisuele opname-, reproductie- en uitzendrechten, multimediarechten, marketing- en promotierechten of intellectuele-eigendomsrechten, aan deze bevoegdheden onderworpen zijn.
222 Aldus stellen deze regels de FIFA en de UEFA in staat om het volledige aanbod van rechten in verband met de door hen georganiseerde competities tussen clubs te controleren en bijgevolg elke mededinging tussen professionele voetbalclubs betreffende de rechten op de wedstrijden waaraan zij deelnemen, te verhinderen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de mededinging op de markt geenszins alleen in theorie, maar ook in reële en concrete gevallen zo werkt, en dat de mededinging bijvoorbeeld in Spanje tot 2015 zo heeft gewerkt wat betreft de audiovisuele rechten in verband met de door de betrokken nationale voetbalbond georganiseerde competities.
223 Wat ten slotte de economische en juridische context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreft, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de verschillende rechten die uit de professionele clubvoetbalcompetities kunnen voortvloeien, de belangrijkste bron van inkomsten uit deze competities zijn voor met name de FIFA en de UEFA, als organisatoren van deze competities, en voor de professionele voetbalclubs, zonder wier deelname deze competities niet zouden kunnen plaatsvinden. Deze rechten staan dus centraal in de economische activiteit waartoe dergelijke competities aanleiding geven, en de verkoop ervan is daarom intrinsiek verbonden met de organisatie ervan.
224 In zoverre geldt dat het monopolie met betrekking tot de exploitatie en het in de markt zetten van de rechten dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels verlenen aan de entiteit die deze regels heeft vastgesteld, namelijk de FIFA, en aan de UEFA, naadloos aansluit bij de absolute controle die deze entiteiten uitoefenen op de organisatie en het in de markt zetten van de competities dankzij de regels waarop de eerste drie vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben, en dat het de juridische, economische en praktische draagwijdte van deze regels versterkt.
225 In de tweede plaats vormen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechten, los van de economische activiteit waartoe zij aanleiding geven, als zodanig een essentieel onderdeel van het stelsel van onvervalste mededinging dat het VEU en het VWEU willen vestigen en handhaven, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld met betrekking tot de merkrechten van professionele voetbalclubs (zie in die zin arrest van 12 november 2002, Arsenal Football Club, C‑206/01, EU:C:2002:651, punten 47 en 48). Het betreft namelijk wettelijk beschermde rechten – met een eigen economische waarde – om een reeds bestaand product of een reeds bestaande dienst in verschillende vormen in de markt te zetten, in dit geval een wedstrijd of een reeks wedstrijden waarin een bepaalde club tegen een of meer andere clubs aantreedt.
226 Het gaat dus om een mededingingsparameter die door de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels wordt onttrokken aan de controle van de professionele voetbalclubs die deelnemen aan de door de FIFA en de UEFA georganiseerde competities tussen clubs.
227 In de derde plaats, en anders dan de organisatie van clubvoetbalcompetities, die een „horizontale” economische activiteit is waarbij alleen die entiteiten of ondernemingen betrokken zijn die dergelijke competities op dat moment of potentieel organiseren, is het in de markt zetten van de verschillende rechten in verband met deze competities van „verticale” aard, aangezien daarbij aan de aanbodzijde diezelfde entiteiten of ondernemingen betrokken zijn en aan de vraagzijde ondernemingen optreden die deze rechten wensen te kopen, hetzij om ze door te verkopen aan televisieomroepen en andere aanbieders van mediadiensten (handel), hetzij om zelf wedstrijden uit te zenden via verschillende elektronischecommunicatienetwerken en verschillende media, zoals lineaire televisie of televisie op aanvraag, radio, internet, mobiele toestellen en andere opkomende media. Bovendien is het mogelijk dat deze verschillende omroepen zelf ruimte of tijd voor reclame- of sponsordoeleinden verkopen aan ondernemingen die actief zijn in andere economische sectoren, opdat zij hun producten of diensten tijdens de uitzending van competities kunnen promoten.
228 Regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn kunnen dus, gezien de inhoud ervan, de doelstellingen die zij op mededingingsgebied objectief beogen te bereiken en de economische en juridische context ervan niet alleen elke mededinging tussen de professionele voetbalclubs die zijn aangesloten bij de nationale voetbalbonden die lid zijn van de FIFA en de UEFA verhinderen in het kader van de vermarkting van de verschillende rechten in verband met de wedstrijden waaraan zij deelnemen, maar ook de werking van de mededinging aantasten ten nadele van derde ondernemingen die actief zijn op een aantal media- of dienstenmarkten verderop in de keten van deze vermarkting, hetgeen uiteindelijk ten koste gaat van de consumenten en televisiekijkers.
229 Meer bepaald kunnen deze regels de twee entiteiten waaraan zij op dit gebied een monopolie verlenen, bestaande in de volledige controle over het aanbod, in staat stellen te hoge en dus onrechtmatige verkoopprijzen te vragen (zie in die zin arresten van 14 februari 1978, United Brands en United Brands Continentaal/Commissie, 27/76, EU:C:1978:22, punt 250, en 11 december 2008, Kanal 5 en TV 4, C‑52/07, EU:C:2008:703, punten 28 en 29). Wanneer van dergelijke prijzen sprake is, bevinden de huidige of potentiële kopers van rechten zich a priori in een zwakke onderhandelingspositie, gelet op de fundamentele en niet te negeren plek die door de professionele clubvoetbalcompetities en -wedstrijden – als lokproducten die het hele jaar door een groot publiek kunnen aantrekken en behouden – wordt ingenomen in de programmering die de omroepen aan hun klanten en, meer in het algemeen, aan de televisiekijkers kunnen aanbieden. Door alle huidige of potentiële kopers van rechten te verplichten zaken te doen met twee verkopers die elk, zonder alternatief aanbod, een productassortiment op exclusieve basis aanbieden dat een zeer sterk imago en een zeer sterke reputatie geniet, kunnen deze regels er bovendien toe leiden dat deze huidige of potentiële kopers zich op dezelfde manier gaan gedragen op de markt en hun eigen klanten hetzelfde aanbod gaan bieden, wat dus tot gevolg kan hebben dat verbruikers en televisiekijkers het met minder keuze en minder innovatie moeten stellen.
230 Om al deze redenen kunnen regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor zover zij op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities in de plaats stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen, worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging op de verschillende betrokken markten te verhinderen of te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en worden beschouwd als „misbruik” van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, tenzij kan worden aangetoond dat zij gerechtvaardigd zijn. Dit geldt te meer wanneer dergelijke regels gepaard gaan met regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties, zoals die welke waarop de vorige vragen betrekking hebben."
"4) De artikelen 101 en 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat:
– zij zich niet verzetten tegen regels die zijn vastgesteld door verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen, voor zover op grond daarvan die verenigingen worden aangewezen als oorspronkelijke houders van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de competities die onder hun respectieve „bevoegdheid” vallen, wanneer deze regels uitsluitend van toepassing zijn op de door deze verenigingen georganiseerde competities, met uitsluiting van die welke eventueel door derde entiteiten of ondernemingen worden georganiseerd;
– zij zich verzetten tegen dergelijke regels voor zover op grond daarvan aan diezelfde verenigingen de uitsluitende bevoegdheid wordt verleend om de betrokken rechten in de markt te zetten, tenzij met afdoende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat deze regels voldoen aan alle voorwaarden om krachtens artikel 101, lid 3, VWEU van de toepassing van lid 1 van dat artikel te kunnen worden vrijgesteld en als gerechtvaardigd te kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "95 In het bijzonder heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat overeenkomsten tot afscherming van de markten volgens de nationale grenzen, waarmee wordt beoogd de barrières tussen de nationale markten te herstellen, of overeenkomsten die de interpenetratie van de nationale markten moeilijker maken, in de weg kunnen staan aan de doelstelling van het VEU en het VWEU om die markten te integreren door de vestiging van een interne markt, en om die reden in beginsel moeten worden beschouwd als overeenkomsten die „ertoe strekken” de mededinging te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punt 139).
96 Deze rechtspraak, die ook is toegepast op andere gedragingen dan overeenkomsten, ongeacht of deze uitgaan van ondernemingen dan wel van ondernemersverenigingen (zie in die zin arresten van 17 oktober 1972, Vereeniging van Cementhandelaren/Commissie, 8/72, EU:C:1972:84, punten 23‑25 en 29, en 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 66), is erop gebaseerd dat de vaststelling van mededingingsregels die voor de werking van de interne markt nodig zijn, blijkens artikel 3, lid 1, onder b), VWEU een integrerend deel vormt van de doelstelling om die markt tot stand te brengen, een taak die artikel 3, lid 3, VEU opdraagt aan, onder andere, de Unie (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Servizio Elettrico Nazionale e.a., C‑377/20, EU:C:2022:379, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijk gedrag, waarmee de markten worden afgeschermd volgens de nationale grenzen, de barrières ertussen worden hersteld, of waardoor de interpenetratie van de nationale markten moeilijker wordt gemaakt, doet immers de voordelen teniet die een daadwerkelijke en onvervalste mededinging in de interne markt de consument zou kunnen verschaffen (zie in die zin arrest van 16 september 2008, Sot. Lélos kai Sia e.a., C‑468/06–C‑478/06, EU:C:2008:504, punt 66).
97 Verschillende vormen van afspraken waarmee werd beoogd of die ertoe strekten de mededinging volgens de nationale grenzen te beperken, zijn aldus gekwalificeerd als afspraken met een mededingingsverstorende „strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, waaronder met name afspraken om de parallelhandel te verhinderen of te beperken, absolute territoriale bescherming te bieden aan houders van exclusieve rechten dan wel grensoverschrijdende mededinging in de interne markt onder andere vormen te beperken (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 61, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punten 139‑142)."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
- "101 In casu moet met betrekking tot de inhoud van de regels van de UEFA en de KBVB waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, in herinnering worden gebracht dat deze regels aan de profvoetbalclubs die deelnemen aan clubcompetities die door die entiteiten worden georganiseerd, de verplichting opleggen om op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat voldoet aan de vereisten om te worden beschouwd als HGP’s, zoals door die regels gedefinieerd. Doen zij dat niet, dan krijgen zij een sanctie opgelegd. Aldus beperken die regels uit hun aard de mogelijkheid van die clubs om op dat blad spelers te zetten die niet aan dergelijke vereisten voldoen.
102 Voorts blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter dat de mogelijkheid voor de clubs om vrij hun ploegen samen te stellen in twee verschillende opzichten wordt beperkt. De regels van de UEFA en de KBVB verplichten die clubs namelijk om op het wedstrijdblad een bepaald minimum aan spelers in te schrijven die weliswaar worden aangemerkt als HGP’s, maar in werkelijkheid niet noodzakelijk zijn opgeleid door de club waarvoor zij spelen, maar door een club die bij dezelfde nationale bond is aangesloten, welke club dat ook is en los van waar zij binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond gelegen is. In zoverre speelt de beperking die de regels in kwestie inhouden in werkelijkheid op het niveau van de betrokken bond, dat wil zeggen op nationaal niveau. Parallel daaraan verplichten de regels van de UEFA die clubs ook om ervoor te zorgen dat een minimumaantal van de HGP’s die zij op het wedstrijdblad moeten inschrijven, daadwerkelijk is opgeleid door de club waarvoor zij werken. De beperking die zij meebrengen speelt bijgevolg op het niveau van de betrokken club.
103 Wat betreft de economische en juridische context van de regels waarover de verwijzende rechter het Hof vragen stelt, blijkt om te beginnen uit de rechtspraak van het Hof dat het entiteiten die verantwoordelijk zijn voor een sportdiscipline, zoals de UEFA en de KBVB, gelet op de specifieke aard van de „producten” die sportcompetities in economisch opzicht zijn, in het algemeen vrijstaat om regels vast te stellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in die discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (zie in die zin arresten van 11 april 2000, Deliège, C‑51/96 en C‑191/97, EU:C:2000:199, punten 67 en 68, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 60), voor zover die entiteiten de uitoefening van de rechten en vrijheden die het Unierecht aan particulieren verleent daarmee niet beperkt (zie in die zin arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 81 en 83, en 13 juni 2019, TopFit en Biffi, C‑22/18, EU:C:2019:497, punt 52).
104 Voorts kan op grond van de specifieke kenmerken van het profvoetbal en de economische activiteiten waartoe de beoefening van die sport aanleiding geeft, worden aangenomen dat entiteiten als de UEFA en de KBVB alle reden hebben om met name de voorwaarden te regelen waaronder de profvoetbalclubs de ploegen kunnen samenstellen die in hun territoriale bevoegdheidsgebied deelnemen aan clubcompetities.
105 Die sport, die in de Unie niet alleen in maatschappelijk en cultureel opzicht (arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 106, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punt 40), maar ook uit het oogpunt van de media erg belangrijk is, wordt er namelijk onder meer door gekenmerkt dat zij aanleiding geeft tot het organiseren van tal van competities op zowel Europees als nationaal niveau, waaraan tal van clubs en spelers deelnemen. Verder wordt die sport er, net als sommige andere sporten, door gekenmerkt dat deelname aan die competities voorbehouden is aan ploegen die bepaalde sportresultaten hebben behaald (zie in die zin arrest van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punt 132), waarbij die competities zo verlopen dat de ploegen elkaar in verschillende fasen tegenkomen en uitschakelen. Zij berust bijgevolg in hoofdzaak op de sportieve verdienste, die zich slechts kan openbaren indien alle aantredende ploegen zijn samengesteld met inachtneming van homogene reglementaire en technische voorwaarden, waardoor een zekere gelijkheid van kansen wordt gewaarborgd.
106 Ten slotte verklaren de feitelijke omstandigheden die typerend zijn voor de werking van de „markt” die de profvoetbalcompetities uit economisch oogpunt vormen, dat de regels die mogelijkerwijs worden vastgesteld door entiteiten zoals de UEFA en de KBVB, en meer bepaald de regels betreffende de organisatie en het goede verloop van de competities die door hen worden georganiseerd, op bepaalde punten en in zekere mate mogelijkerwijs blijven verwijzen naar een vereiste of een criterium van nationale aard. In functioneel opzicht wordt deze sport namelijk gekenmerkt door het naast elkaar bestaan van nationale clubcompetities en internationale competities tussen clubs die nationale voetbalbonden vertegenwoordigen, waarbij de samenstelling van de ploegen rechtmatig kan worden onderworpen aan de inachtneming van „nationaliteitsclausules”, gelet op de specifieke aard van deze wedstrijden (zie in die zin arrest van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 127 en 128 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
107 Wat het doel betreft dat met de regels in het hoofdgeding objectief wordt nagestreefd ten aanzien van de mededinging, blijkt uit de uiteenzettingen van de verwijzende rechter over de inhoud van die regels dat zij een van de essentiële aspecten beperken of controleren met betrekking waartoe de profvoetbalclubs elkaar kunnen beconcurreren, namelijk het contracteren van talentvolle spelers, ongeacht door welke club en waar zij zijn opgeleid, die hun ploeg in staat kunnen stellen om te winnen van de tegenstander. De Belgische regering heeft daar in dit opzicht terecht aan toegevoegd dat deze beperking impact kan hebben op de concurrentie tussen de clubs op zowel de „upstream- of bevoorradingsmarkt”, die vanuit economisch oogpunt wordt gevormd door de contractering van spelers, als de „downstream-markt”, die vanuit datzelfde oogpunt wordt gevormd door de clubcompetities.
(...)
1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan regels die zijn vastgesteld door een entiteit die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op Europees niveau en worden uitgevoerd door die entiteit zelf en de erbij aangesloten nationale voetbalbonden, en die aan elke club die aan die competities deelneemt de verplichting opleggen om op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers in te schrijven dat ofwel door die club zelf, ofwel binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de nationale bond waarbij die club is aangesloten, is opgeleid, alsook aan regels die zijn vastgesteld door een bond die verantwoordelijk is voor de organisatie van voetbalcompetities op nationaal niveau, op grond waarvan elke club die aan die competities deelneemt op haar spelerslijst en op het wedstrijdblad een minimumaantal spelers moet inschrijven dat is opgeleid binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van die bond, indien wordt aangetoond dat die besluiten van ondernemersverenigingen de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, en dat zij hetzij ertoe strekken, hetzij ten gevolge hebben dat de mededinging tussen de profvoetbalclubs wordt beperkt, tenzij, in het tweede van deze gevallen, uit afdoende argumenten en bewijzen blijkt dat zij worden gerechtvaardigd door het nastreven van een of meer legitieme doelstellingen en dat zij daar strikt noodzakelijk toe zijn."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
- "48 Bepaalde vormen van coördinatie, en dus ook daarvan deel uitmakende overeenkomsten, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, kunnen mogelijkerwijs immers alleen als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging worden beschouwd als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In gevallen waarin een vorm van overeenkomst, besluit van ondernemersverenigingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen naar zijn aard alleen onder bepaalde omstandigheden schadelijk is voor de mededinging, welke omstandigheden met name verband houden met de aard van de betrokken goederen of diensten, de wijze waarop de betrokken markt daadwerkelijk functioneert en is gestructureerd, moet derhalve, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie in wezen heeft gesteld, de economische en juridische context waarin deze vormen van coördinatie plaatsvinden, worden onderzocht om na te gaan of die omstandigheden aanwezig zijn. Het in aanmerking nemen van die context dient dus om ervoor te zorgen dat geen enkele bijzondere omstandigheid van de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie het vermoeden kan weerleggen dat de mededinging ongunstig wordt beïnvloed door de vorm van coördinatie waarvan zij deel uitmaken."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "134 Wat in de eerste plaats de inhoud betreft van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP, volgt uit de punten 87 tot en met 90 van het onderhavige arrest dat deze verschillende regels, die zich aandienen als een onlosmakelijk geheel en bijgevolg als zodanig moeten worden beschouwd, allereerst bepalen dat elke voetballer, en dus in het bijzonder elke in de Unie in dienst genomen voetballer, die zijn contract met zijn oude club verbreekt op ongeacht welk tijdstip tijdens de looptijd ervan, ertoe gehouden is om, mocht de FIFA achteraf besluiten dat die verbreking van het contract zonder gerechtvaardigde reden heeft plaatsgevonden, aan die oude club een schadevergoeding te betalen waarvan het bedrag, bij gebreke van contractuele bepalingen ter zake, wordt berekend aan de hand van een aantal criteria.
135 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het eerste van deze criteria, dat betrekking heeft op het „in het betrokken land geldende recht”, in de praktijk tot op heden nagenoeg dode letter is gebleven, zoals in punt 106 van dit arrest is opgemerkt, en dat het tweede van die criteria, dat betrekking heeft op de „specificiteit van de sport”, in zeer algemene en vage bewoordingen is geformuleerd die, zoals eveneens in datzelfde punt 106 is benadrukt, zich lenen voor een discretionaire en dus onvoorzienbare en moeilijk te controleren toepassing. Wat de overige criteria betreft, deze lijken op het eerste gezicht de mogelijkheid te bieden om zeer hoge en afschrikkende schadevergoedingen vast te stellen, zoals is opgemerkt in punt 107 van dit arrest. Daartegenover staat dat artikel 4 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars (Belgisch Staatsblad van 9 maart 1978, blz. 2606), waarnaar BZ in zijn schriftelijke opmerkingen verwijst, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt te bepalen dat het bedrag van de schadevergoeding in een vergelijkbare – maar door het Belgische recht beheerste – situatie beperkt is tot het bedrag van het nog verschuldigde loon tot aan het verstrijken van het verbroken contract en dus geen rekening houdt met elementen die vreemd zijn aan de uit dat contract voortvloeiende arbeidsverhouding, zoals die welke in datzelfde punt zijn genoemd.
136 Vervolgens wordt aan elke speler die door zijn oude club voor de DRC wordt gedaagd met het oog op het verkrijgen van diens veroordeling tot betaling van de betrokken schadevergoeding, op grond dat het tussen hen gesloten contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, alleen al om die reden en onder voorbehoud van uitzonderlijke omstandigheden waarvan de beoordeling uitsluitend toekomt aan de FIFA, automatisch de mogelijkheid ontnomen om afgifte te verkrijgen van het ITC dat, in geval van een transfer naar een nieuwe club die gevestigd is in een andere lidstaat dan die waarin zijn oude club gevestigd is, onontbeerlijk is voor zijn inschrijving bij deze nieuwe club en bij de nationale voetbalbond waarbij die club is aangesloten. In een dergelijke situatie wordt aan deze speler bijgevolg overeenkomstig artikel 5, lid 1, en artikel 9, lid 1, RSTP elke mogelijkheid ontzegd om deel te nemen aan georganiseerd voetbal.
137 Tot slot wordt elke nieuwe club die een dergelijke speler in dienst zou nemen, ten eerste, alleen al op grond daarvan hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de betaling van de schadevergoeding waartoe deze speler is of zou kunnen worden veroordeeld, ten tweede, tot bewijs van het tegendeel vermoed die speler te hebben aangezet tot verbreking van het contract met zijn oude club en, ten derde, wanneer de verbreking van het contract heeft plaatsgevonden gedurende een krachtens dat contract beschermde periode, op grond van dat vermoeden en zonder dat de specifieke omstandigheden van elk geval in aanmerking kunnen worden genomen, veroordeeld tot een sportsanctie in de vorm van een algemeen geldend verbod op inschrijving van nieuwe spelers, nationaal of internationaal, gedurende twee volledige en opeenvolgende inschrijvingsperioden.
138 Ten eerste blijkt, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 52 tot en met 55 van zijn conclusie, uit de gezamenlijke lezing van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP dat deze regels de mededinging in materieel opzicht op algemene en drastische wijze kunnen beperken, welke mededinging bij afwezigheid van die regels onbelemmerd zou kunnen plaatsvinden tussen elke in een lidstaat gevestigde profvoetbalclub en elke andere in een andere lidstaat gevestigde profvoetbalclub met betrekking tot het aantrekken van spelers die reeds door een bepaalde club in dienst zijn genomen, waarbij zij opgemerkt dat deze spelers getalsmatig het leeuwendeel uitmaken van het bestand aan reeds opgeleide of in opleiding zijnde spelers die op een bepaald moment voor een dergelijke grensoverschrijdende transfer in aanmerking zouden kunnen komen, ook al zijn er op elk moment wel spelers die om een of andere reden niet langer onder contract staan. Zoals in de punten 81 en 129 van dit arrest is opgemerkt, vormt de kans om dergelijke spelers aan te trekken een essentieel mededingingsaspect in de sector van het profvoetbal.
139 Tenzij de nieuwe club van de oude club daartoe toestemming verkrijgt in het kader van een transfer na onderhandelingen, stelt het enkele feit van contractering van een dergelijke speler haar immers bloot aan het risico om hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor de betaling van een schadevergoeding, die bijzonder hoog kan zijn. Bovendien is het bedrag van deze schadevergoeding voor deze nieuwe club hoogst onvoorspelbaar, gelet op de aard van de criteria aan de hand waarvan dat bedrag wordt berekend. Daarbij komt dat deze speler, zolang er tussen hem en zijn oude club een geschil bestaat over de voortijdige verbreking van het tussen hen gesloten contract en dus zolang het ITC voor die contractering niet is afgegeven, niet bij die nieuwe club kan worden aangesloten en evenmin voor haar kan deelnemen aan de competities die vallen onder de bevoegdheid van de FIFA, de daarbij aangesloten nationale voetbalbonden of de door haar erkende continentale confederaties, waaronder de UEFA. Tot slot loopt de nieuwe club daarenboven het risico dat haar, wanneer de speler in dienst wordt genomen gedurende de krachtens het contract met zijn oude club beschermde periode en zij er niet in slaagt om het vermoeden te weerleggen dat zij tot contractverbreking heeft aangezet, een sportsanctie wordt opgelegd. Zoals eerder is opgemerkt, neemt deze sportsanctie voor deze nieuwe club de vorm aan van een automatisch geldend verbod op inschrijving van nieuwe spelers gedurende twee volledige en opeenvolgende inschrijvingsperioden. In de praktijk komt deze sportsanctie erop neer dat nieuwe spelers die de gesanctioneerde club zou willen aantrekken, niet voor een wedstrijd mogen worden opgesteld, waardoor het aantrekken van die spelers elk praktisch nut wordt ontnomen.
140 Ten tweede strekt deze algehele en drastische beperking van de tussen clubs spelende grensoverschrijdende mededinging in de vorm van het eenzijdig aantrekken van reeds onder contract staande spelers, en bijgevolg van de toegang van clubs tot hun essentiële „hulpbron”, namelijk spelers, zich geografisch uit tot het gehele grondgebied van de Unie en is zij qua tijdsbestek permanent van aard, aangezien zij de volledige looptijd bestrijkt van elk contract dat een speler achtereenvolgens met een club en vervolgens, in geval van een transfer, na onderhandelingen, naar een andere club, met laatstgenoemde club kan sluiten, zoals tevens volgt uit artikel 13 RSTP.
141 Gelet op al deze kenmerken zorgt deze beperking er in de praktijk dan ook voor dat elke club er zeker of nagenoeg zeker van is dat zij haar eigen spelers kan behouden zolang het contract of de opeenvolgende contracten die met hen zijn gesloten, niet ten einde zijn gelopen of zolang zij, vóór het verstrijken daarvan, niet beslist om deze spelers te laten vertrekken middels een door hen geaccepteerde contractbeëindiging of een transfer, na onderhandelingen, naar een andere club, in ruil voor betaling van een transfervergoeding door laatstgenoemde.
142 Wat in de tweede plaats de economische en juridische context betreft waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels van de RSTP deel uitmaken, moet om te beginnen in herinnering worden gebracht dat het organisaties die verantwoordelijk zijn voor een sportdiscipline, gelet op de specifieke aard van de „producten”, wat sportcompetities in economisch opzicht zijn, in het algemeen vrijstaat om regels vast te stellen met het oog op onder meer de organisatie van de competities in die discipline, het goede verloop daarvan en de deelname van de sportbeoefenaren eraan (arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 142, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 103 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
143 Wat meer specifiek het voetbal betreft en de economische activiteiten waartoe de beoefening van die sport aanleiding geeft, heeft een organisatie als de FIFA alle reden om de organisatie en het verloop van internationale competities te onderwerpen aan gemeenschappelijke regels die tot doel hebben de homogeniteit en de coördinatie van deze competities binnen een algemene jaar- of seizoenskalender te waarborgen en, meer in het algemeen, de organisatie van sportcompetities op basis van gelijkheid van kansen en verdienste te bevorderen. In het bijzonder heeft een dergelijke organisatie alle reden om door middel van dergelijke gemeenschappelijke regels de voorwaarden vast te stellen waaronder de profvoetbalclubs de ploegen kunnen samenstellen die aan dergelijke competities deelnemen alsook waaronder de spelers zelf daaraan kunnen deelnemen. Tot slot is er alle reden om ervoor te zorgen dat die gemeenschappelijke regels daadwerkelijk worden nageleefd door middel van regels op grond waarvan sancties kunnen worden opgelegd (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punten 144‑146, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 104).
144 Tegen die achtergrond kan een organisatie als de FIFA – aangezien deze clubvoetbalcompetities in de Unie elk jaar of seizoen zo verlopen dat de ploegen in verschillende fasen tegen elkaar aantreden en elkaar uitschakelen, en bijgevolg in hoofdzaak berusten op de sportieve verdienste, die slechts kan worden gewaarborgd indien alle ploegen tegen elkaar aantreden onder homogene reglementaire en technische voorwaarden, waardoor een zekere gelijkheid van kansen wordt gewaarborgd (zie in die zin arresten van 21 december 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, punt 143, en 21 december 2023, Royal Antwerp Football Club, C‑680/21, EU:C:2023:1010, punt 105) – alle reden hebben om te willen zorgen voor een zekere stabiliteit in de samenstelling van de spelersbestanden die als „visvijver” fungeren voor de ploegen die door deze clubs in de loop van een bepaald seizoen worden opgesteld, bijvoorbeeld door het instellen van het in artikel 16 RSTP opgenomen verbod op een eenzijdige verbreking van contracten in de loop van een bepaald seizoen of zelfs jaar.
145 Daartegenover staat dat de specifieke kenmerken van het voetbal en de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren van de markt, die vanuit economisch oogpunt bestaat in de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities, niet kunnen rechtvaardigen dat clubs op het gehele grondgebied van de Unie op algehele, drastische en permanente wijze worden beperkt in de mogelijkheid, of zelfs worden verhinderd, om grensoverschrijdend te concurreren door het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan bij een in een andere lidstaat gevestigde club of van wie het contract met een dergelijke club zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken. Onder het mom van voorkoming van agressieve wervingspraktijken vertonen deze regels namelijk gelijkenissen met zogenoemde „niet-afsnoep”-overeenkomsten tussen clubs, die in wezen leiden tot een kunstmatige afscherming van nationale en lokale markten ten voordele van alle clubs. In dit verband moet erop worden gewezen dat de klassieke mechanismen van het contractenrecht, zoals het recht van een club op schadevergoeding in geval van contractverbreking door een van haar spelers in strijd met de bepalingen van dat contract, in voorkomend geval daartoe aangespoord door een andere club, volstaan om enerzijds te garanderen dat die speler bij eerstgenoemde club aangesloten blijft in overeenstemming met die bepalingen, en anderzijds ervoor te zorgen dat de marktmechanismen tussen clubs hun normale werking blijven behouden, zodat die speler bij het verstrijken van de normale looptijd van zijn contract of, mocht er tussen de betrokken clubs een financieel akkoord worden bereikt, op een vroeger tijdstip kan worden aangetrokken.
146 Uiteindelijk komen dergelijke regels, ook al dienen zij beweerdelijk ter voorkoming van het „afsnoepen” van spelers door clubs met meer financiële middelen, neer op een algeheel, absoluut en permanent verbod op het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan, dat bij besluit van een ondernemersvereniging is opgelegd aan alle daartoe behorende ondernemingen (de profvoetbalclubs) en dat alle werknemers (de spelers) daarvan treft. Zodoende bevriezen deze regels de verdeling van hulpbronnen tussen deze clubs, behoudens in geval van transfers waarover onderling is onderhandeld. Als zodanig vormen die regels een duidelijke beperking van de mededinging die, mochten zij niet bestaan, genoemde clubs onderling zouden kunnen aangaan en resulteren zij in een afscherming van de markt ten voordele van al die clubs.
147 Wat in de derde en laatste plaats de objectieve doelstelling betreft die met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels wordt nagestreefd ten aanzien van de mededinging, volgt uit de bovenstaande overwegingen dat deze regels, ongeacht de subjectieve intentie of legitieme doelen die de betrokken entiteit met de vaststelling daarvan kan hebben gehad dan wel beoogd, moeten worden geacht ervoor te zorgen dat het, behalve in gevallen waarin contracten van spelers met gerechtvaardigde reden worden verbroken dan wel met wederzijds goedvinden van hun oude club worden beëindigd, profvoetbalclubs bijzonder moeilijk wordt gemaakt om, gelet op de daarmee samenhangende juridische, financiële en sportgerelateerde risico’s, elkaar te beconcurreren voor toegang tot een essentiële hulpbron, te weten reeds onder contract staande spelers, door het eenzijdig aantrekken van een speler die reeds bij een andere club onder contract staat of van wie het contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, aangezien een dergelijke aanwerving alleen kan plaatsvinden door middel van een transfer waarover tussen de oude club en de nieuwe club is onderhandeld.
148 Bijgevolg wijst het onderzoek van de inhoud van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels, van de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en van de ermee beoogde objectieve doelstellingen uit dat deze regels naar hun aard zeer schadelijk zijn voor de mededinging die profvoetbalclubs onderling zouden kunnen aangaan door het eenzijdig aantrekken van spelers die reeds onder contract staan bij een club of van wie het contract zonder gerechtvaardigde reden zou zijn verbroken, in een poging om toegang te krijgen tot een essentiële hulpbron voor succes, te weten talentvolle spelers. In die omstandigheden moeten die regels worden geacht ertoe te strekken deze mededinging te beperken en zelfs te verhinderen, en wel op het gehele grondgebied van de Unie. Derhalve hoeven de gevolgen ervan niet te worden onderzocht."
(...)
Dictum:
"1) Artikel 45 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen regels die zijn vastgesteld door een privaatrechtelijke organisatie die onder meer tot doel heeft het voetbal op mondiaal niveau te reglementeren, te organiseren en er controle op uit te oefenen, en waarin is bepaald dat:
– ten eerste, een profvoetbalspeler die partij is bij een contract en aan wie wordt verweten dat contract zonder gerechtvaardigde reden te hebben verbroken, en de nieuwe club die hem na die contractverbreking in dienst neemt, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de betaling van een schadevergoeding aan de oude club waarvoor die speler was uitgekomen en die moet worden vastgesteld aan de hand van criteria waarvan er sommige onnauwkeurig of discretionair zijn, sommige elk objectief verband met de betrokken arbeidsverhouding ontberen en sommige onevenredig zijn;
– ten tweede, wanneer deze profvoetbalspeler in dienst wordt genomen tijdens een krachtens het verbroken contract beschermde periode, aan de nieuwe club een sportsanctie wordt opgelegd in de vorm van een verbod op inschrijving van nieuwe spelers voor een bepaalde periode, tenzij die club kan aantonen die speler niet te hebben aangezet tot verbreking van dat contract, en
– ten derde, het bestaan van een geschil over die contractverbreking eraan in de weg staat dat de nationale voetbalbond waarbij de oude club is aangesloten, het internationaal transfercertificaat afgeeft dat noodzakelijk is voor de inschrijving van de speler bij de nieuwe club, met als gevolg dat deze speler niet voor die nieuwe club aan voetbalcompetities kan deelnemen,
tenzij wordt aangetoond dat deze regels, zoals die op het grondgebied van de Unie worden uitgelegd en toegepast, niet verder gaan dan noodzakelijk is ter bereiking van het nagestreefde doel, namelijk de waarborging van de regelmatigheid en het goede verloop van clubvoetbalcompetities door het behoud van een zekere mate van stabiliteit in het spelersbestand van profvoetbalclubs.
2) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat dergelijke regels een besluit van een ondernemersvereniging vormen dat op grond van lid 1 van dat artikel is verboden en dat niet in aanmerking komt voor de vrijstelling als bedoeld in lid 3 van genoemd artikel, tenzij met overtuigende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat alle daartoe gestelde voorwaarden zijn vervuld."
HvJ EU 4 oktober 2024, nr. C-650/22 (FIFA), ECLI:EU:C:2024:824.
- "28 In dat verband is het vaste rechtspraak dat het begrip gedrag met mededingingsbeperkende „gevolgen” elk gedrag omvat dat niet kan worden beschouwd als gedrag met een mededingingsbeperkende „strekking”, mits wordt aangetoond dat het daadwerkelijk of potentieel tot gevolg heeft dat de mededinging aanzienlijk wordt verhinderd, beperkt of vervalst (arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 109 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Daartoe moet de mededinging worden onderzocht binnen het feitelijke kader waarin zij zich zou afspelen zonder de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging in kwestie (arresten van 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 74, en 21 december 2023, International Skating Union/Commissie, C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij moet worden bepaald op welke markt of markten dat gedrag zijn gevolgen moet teweegbrengen, en dienen die gevolgen vervolgens te worden gekwalificeerd, ongeacht of die gevolgen reëel dan wel potentieel zijn. Bij dit onderzoek moet rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden.
30 Bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen in het licht van artikel 101 VWEU moet dus rekening worden gehouden met het concrete kader van deze overeenkomst, met name de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en zijn opgebouwd. Hieruit volgt dat het contrafeitelijke scenario waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokken overeenkomst niet zou bestaan, realistisch en geloofwaardig moet zijn (arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C‑176/19 P, EU:C:2024:549, punt 341 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Het Hof heeft in dit verband reeds kunnen verduidelijken dat de vaststelling van het contrafeitelijke scenario tot doel heeft om te bepalen wat de realistische gedragsmogelijkheden van de economische actoren zouden zijn zonder de betrokken overeenkomst, en aldus te bepalen wat de waarschijnlijke werking en de structuur van de markt zouden zijn indien de betrokken overeenkomst niet zou zijn gesloten [arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 120, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 76].
32 Het feit dat het contrafeitelijke scenario zowel realistisch als geloofwaardig moet zijn, doet echter geen afbreuk aan de mogelijkheid om rekening te houden met de zuiver potentiële gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen bij het onderzoek of deze een mededingingsbeperking naar gevolg vormt. Het Hof heeft in dit verband met name geoordeeld dat de opvatting dat zodra een overeenkomst ten uitvoer is gelegd, geen rekening meer mag worden gehouden met de potentiële gevolgen ervan om de mededingingsbeperkende gevolgen ervan te beoordelen, zowel voorbijgaat aan de kenmerken van de contrafeitelijke methode, die inherent is aan de beoordeling van een mededingingsbeperking naar gevolg, als aan de rechtspraak waarin is bepaald dat mededingingsbeperkende gevolgen zowel actueel als potentieel kunnen zijn, maar voldoende merkbaar moeten zijn (zie in die zin arrest van 27 juni 2024, Commissie/Servier e.a., C‑176/19 P, EU:C:2024:549, punten 345‑353).
33 Het volstaat dus dat er, na een passend onderzoek van de mededinging binnen het feitelijke kader waarin zij zich zonder de betrokken overeenkomst zou afspelen, potentiële mededingingsbeperkende gevolgen kunnen worden vastgesteld die voldoende merkbaar zijn (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punten 77 en 78, en New Holland Ford/Commissie, C‑8/95 P, EU:C:1998:257, punten 91 en 92).
34 In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de mededingingsautoriteit op de juiste wijze heeft onderzocht hoe de mededinging zich binnen het feitelijke kader zou afspelen zonder de gevolgen van de betrokken overeenkomst, door de markten af te bakenen waarop deze overeenkomst gevolgen sorteert, en door deze merkbare gevolgen aan te wijzen, ongeacht of dit reële dan wel potentiële gevolgen zijn."
(...)
Dictum:
"Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het de mededingingsautoriteit van een lidstaat die onderzoekt of een overeenkomst die voorziet in beperkingen op autogaranties die auto-eigenaren verplichten of ertoe aanzetten om hun auto enkel door erkende vertegenwoordigers van de autofabrikant te laten repareren en onderhouden en om bij het periodieke onderhoud de originele reserveonderdelen van de autofabrikant te gebruiken opdat de autogarantie geldig blijft, als mededingingsbeperkend naar gevolg kan worden aangemerkt in de zin van die bepaling, niet verplicht om het bestaan van concrete en reële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen. Deze autoriteit kan er overeenkomstig deze bepaling mee volstaan om het bestaan van potentiële mededingingsbeperkende gevolgen aan te tonen, mits deze voldoende merkbaar zijn."
HvJ Eu 5 december 2024, nr. C-606/23 (allinna Kaubamaja Grupp en KIA Auto), ECLI:EU:C:2024:1004.
- "179 In that regard, Article 101(1)(c) TFEU does not contain any specific condition providing that the prohibition which it lays down is to be limited solely to agreements which establish a ‘hermetic’ division between those markets, by means, for example, of provisions reserving access to some of those markets to one of those undertakings, to the exclusion of the other, or prohibiting exports from one market to another. Thus, in the absence of any specific provision in that regard, there is no need to distinguish between market-sharing agreements on the basis of a condition which Article 101(1) TFEU does not lay down and which no consideration relating to the purpose or general scheme of that provision makes it possible to envisage.
(...)
201 However, as has been pointed out in paragraphs 60 and 61 of the present judgment, and as the Commission rightly points out, as regards practices classified as restrictions of competition by object, there is no need to investigate or, a fortiori, to demonstrate their effects on competition. Experience shows that certain behaviour is in itself likely to have negative consequences on markets (see, to that effect, judgments of 11 September 2014, CB vCommission, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, paragraph 51, and of 21 December 2023, European Superleague Company, C‑333/21, EU:C:2023:1011, paragraph 162). In addition, it is apparent from the case-law referred to in paragraph 64 of the present judgment that agreements which aim to share markets have, in themselves, an object restrictive of competition and fall within a category of agreements expressly prohibited by Article 101(1) TFEU, and that that prohibition cannot be called into question by an analysis of the economic context of the anticompetitive conduct concerned.
202 Therefore, as the General Court itself noted in paragraphs 124 and 225 of the judgment under appeal, it is apparent from the case-law of the Court of Justice referred to in paragraphs 199 to 201 of the present judgment that establishing the existence of a restriction of competition by object cannot, under the guise, inter alia, of the examination of the economic and legal context of the agreement at issue, lead to the assessment of the effects of that agreement, since otherwise the distinction between a restriction of competition by object and by effect laid down in Article 101(1) TFEU would lose its effectiveness. "
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "338 Zoals de advocaat-generaal in punt 292 van haar conclusie heeft benadrukt, kan een overeenkomst tussen ondernemingen niet alleen wegens haar strekking, maar ook wegens de gevolgen ervan voor de mededinging binnen de werkingssfeer van artikel 101, lid 1, VWEU vallen, ook wanneer die gevolgen een aantasting betekenen van de potentiële mededinging door een of meer ondernemingen die weliswaar niet tot de relevante markt behoren, maar wel tot die markt kunnen toetreden en daardoor het gedrag van de reeds op die markt aanwezige ondernemingen beïnvloeden. De bewijslast voor dergelijke gevolgen voor de potentiële mededinging rust op de Commissie.
339 Volgens vaste rechtspraak van het Hof, waaraan het Gerecht in punt 1076 van het bestreden arrest heeft herinnerd, moet voor de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen mededingingsverstorende gevolgen heeft, de door deze overeenkomst ontstane mededingingssituatie worden vergeleken met de situatie zoals die zonder die overeenkomst zou bestaan (zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 415; 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 161, en 18 november 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, punt 74).
340 Deze zogenoemde „contrafeitelijke” methode heeft tot doel om in het kader van de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU vast te stellen of er een causaal verband bestaat tussen enerzijds een overeenkomst tussen ondernemingen en anderzijds de structuur of de werking van de mededinging op de markt waarop deze overeenkomst gevolgen sorteert. Op die manier kan dus worden verzekerd dat de kwalificatie als mededingingsbeperking naar gevolg alleen van toepassing is op overeenkomsten waarbij niet enkel sprake is van een verband met een verslechtering van de mededingingssituatie op deze markt, maar waarbij deze verslechtering door deze overeenkomsten is veroorzaakt.
341 Het gebruik van de contrafeitelijke methode is nodig omdat het in de praktijk onmogelijk is om ter vaststelling van een dergelijk oorzakelijk verband op hetzelfde tijdstip de toestand van de markt met en zonder de betrokken overeenkomst vast te stellen. Die twee toestanden sluiten elkaar immers per definitie uit. De waarneembare situatie, oftewel de situatie die uit deze overeenkomst voortvloeit, moet dus worden vergeleken met de situatie die zich zou hebben voorgedaan indien die overeenkomst niet was gesloten. Deze methode vereist dus dat een waarneembare situatie wordt vergeleken met een scenario dat per definitie hypothetisch is, in die zin dat het niet tot stand is gekomen. Bij de beoordeling van de gevolgen van een overeenkomst tussen ondernemingen moet in het licht van artikel 101 VWEU rekening worden gehouden met het concrete kader van deze overeenkomst, met name de economische en juridische context waarin de betrokken ondernemingen actief zijn, de aard van de betrokken goederen of diensten, en de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en zijn opgebouwd. Het contrafeitelijke scenario waarbij ervan wordt uitgegaan dat de betrokken overeenkomst niet zou bestaan, moet bijgevolg realistisch en geloofwaardig zijn [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 115‑120].
342 Voor een correcte toepassing van de contrafeitelijke methode moet er dus beslist voor worden gezorgd dat de gemaakte vergelijking op een deugdelijke en controleerbare grondslag berust, zowel wat betreft de waargenomen situatie – dus de situatie die het gevolg is van de overeenkomst tussen ondernemingen – als het contrafeitelijke scenario. Daartoe moet het tijdstip dat bij een dergelijke vergelijking als referentiepunt dient voor de waargenomen situatie en voor het contrafeitelijke scenario hetzelfde zijn, aangezien de mededingingsverstorende aard van een handeling moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop zij is verricht (zie in die zin arrest van 6 december 2012, AstraZeneca/Commissie, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, punt 110).
343 Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 318 van haar conclusie heeft opgemerkt, dat het contrafeitelijke scenario dat bedoeld is om een realistisch beeld te geven van de marktsituatie zoals die zich zonder de gesloten overeenkomst zou hebben voorgedaan, daardoor niet kan berusten op gebeurtenissen van na de datum van sluiting van die overeenkomst en wel juist omdat die gebeurtenissen zich op die datum niet hebben voorgedaan en zich, wat de omstandigheden van de onderhavige zaak betreft, in de toekomst niet konden voordoen wegens het bestaan van de Krka-overeenkomsten.
344 In tegenstelling tot het contrafeitelijke scenario, gaat het bij de waargenomen situatie om de situatie die overeenkomt met de ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestaande en uit deze overeenkomst voortvloeiende mededingingsvoorwaarden. Dit is een daadwerkelijk bestaande situatie en voor de beoordeling ervan hoeft dus niet te worden uitgegaan van realistische hypotheses. Voor de vaststelling van een inbreuk op artikel 101 VWEU kunnen bij de beoordeling van die waargenomen situatie dus gebeurtenissen van na de sluiting van die overeenkomst in aanmerking worden genomen. Overeenkomstig de in punt 342 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak zijn dergelijke gebeurtenissen echter slechts relevant voor zover mede aan de hand daarvan de op het tijdstip van de inbreuk bestaande mededingingsvoorwaarden zoals die rechtstreeks uit het bestaan van die overeenkomst voortvloeien, zijn vast te stellen.
(...)
350 Indien het aantal ondernemingen dat reeds op een en dezelfde markt aanwezig was, of hun gedrag, door de uitvoering van een overeenkomst wordt gewijzigd, kan de toepassing van de contrafeitelijke methode in de praktijk en naargelang van de feitelijke omstandigheden inderdaad neerkomen op een vergelijking tussen enerzijds de mededingingssituatie zoals die vóór de sluiting van die overeenkomst voor deze ondernemingen bestond en anderzijds de coördinatie tussen die ondernemingen zoals die door de uitvoering van die overeenkomst plaatsvond en die in voorkomend geval kan blijken uit gebeurtenissen die dateren van na de sluiting ervan.
351 Wanneer een overeenkomst er daarentegen niet toe leidt dat het aantal reeds op die markt aanwezige concurrerende ondernemingen, of hun gedrag, wordt gewijzigd, maar dit aantal en gedrag juist niet verandert doordat de toetreding van een nieuwe concurrent op die markt wordt uitgesteld of vertraagd, volstaat een eenvoudige vergelijking van de vóór en ná de uitvoering van die overeenkomst op die markt geconstateerde situaties niet om vast te kunnen stellen dat er geen sprake is van mededingingsverstorende gevolgen. In een dergelijke situatie houdt het mededingingsverstorende gevolg immers ermee verband dat het zeker is dat wegens deze overeenkomst een bron van mededinging wordt uitgeschakeld die bij de sluiting van die overeenkomst potentieel blijft, aangezien die mededinging wordt uitgeoefend door een onderneming die, hoewel zij nog niet aanwezig is op de betrokken markt, het gedrag van de reeds op die markt aanwezige ondernemingen kan beïnvloeden wegens de geloofwaardige dreiging dat zij tot die markt zal toetreden."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Commissie tegen Servier e.a.), ECLI:EU:C:2024:549.
Mededingingsbeperking - strekking
- "63 Hieruit volgt dat deze bepaling, zoals zij door het Hof is uitgelegd, een duidelijk onderscheid hanteert tussen het begrip beperking naar strekking en beperking naar gevolg, waarbij elk van beide aan een ander bewijsregime is onderworpen.
64 Voor de als „beperkingen naar strekking” aangemerkte praktijken hoeft aldus niet te worden onderzocht en a fortiori aangetoond wat de gevolgen ervan zijn voor de mededinging met het oog op de kwalificatie ervan als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, aangezien de ervaring leert dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Het enige vereiste is dat wordt aangetoond dat deze praktijken daadwerkelijk onder de kwalificatie „beperking naar strekking” vallen, waarbij eenvoudige niet-gestaafde beweringen in dat verband onvoldoende zijn.
66 Wanneer daarentegen niet is aangetoond dat een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging een mededingingsverstorende strekking heeft, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht om het bewijs te leveren dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie in die zin arrest van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 17).
67 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het begrip „beperking naar strekking” strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden toegepast op bepaalde collusiepraktijken tussen ondernemingen, waaruit op zich en gelet op de bewoordingen, de doelstellingen en de economische en juridische context ervan blijkt dat zij in voldoende mate schadelijk zijn voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht, aangezien bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arresten van 26 november 2015, Maxima Latvija, C‑345/14, EU:C:2015:784, punt 20, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punten 78 en 79).
68 Bij de beoordeling van die context moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EU 30 januari 2010, nr. C-307/18 (Generics (UK) e.a.), ECLI:EU:C:2020:52.
- "49 In dit verband volgt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (zie in die zin met name arrest LTM, 56/65, EU:C:1966:38, punten 359 en 360; arrest BIDS, punt 15, en arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (zie in die zin met name arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, beschouwd kunnen worden als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt.
52 Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan deze vorm van coördinatie slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (zie arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een overeenkomst tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten (zie in die zin arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Voorts hoeven de bedoelingen van partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een overeenkomst tussen ondernemingen beperkend is, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om rekening te houden met deze bedoelingen (zie arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., EU:C:2013:160, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
58 Ten tweede heeft het Gerecht – gelet op die rechtspraak – in punt 124 van het bestreden arrest, en nadien in punt 146 van dat arrest, ten onrechte geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” niet „restrictief” hoeft te worden uitgelegd. Dit begrip kan uitsluitend worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht. Anders zou de Commissie immers worden ontslagen van haar verplichting om de concrete effecten op de markt aan te tonen van overeenkomsten waarvan niet is bewezen dat zij naar hun aard zelf schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging. Het feit dat de in artikel 81, lid 1, EG bedoelde soorten overeenkomsten geen exhaustieve lijst van verboden gedragingen vormen, is in dit verband irrelevant."
HvJ EU 11 september 2014, nr. 67/13 P (CB tegen Commissie), ECLI:EU:C:2014:2204.
- "113 Dienaangaande blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer hoeven te worden onderzocht (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114 Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
115 Zo staat vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, beschouwd kunnen worden als afspraken die een zodanig groot risico inhouden dat inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten negatief zullen worden beïnvloed dat het voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG overbodig is om aan te tonen dat zij concrete effecten op de markt hebben. De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Wanneer uit de analyse van een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten de gevolgen ervan worden onderzocht en kan dit gedrag slechts vallen onder artikel 81, lid 1, EG indien alle factoren waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst, aanwezig zijn (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
117 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende „strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, met name worden gelet op de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de wijze waarop de betrokken markt of markten daadwerkelijk functioneren en gestructureerd zijn (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Voorts hoeven de bedoelingen van de partijen weliswaar niet in aanmerking te worden genomen bij het onderzoek of een bepaalde vorm van coördinatie tussen ondernemingen een beperkende werking heeft, maar niets belet de mededingingsautoriteiten of de nationale rechter en de Unierechter om daarmee rekening te houden (zie in die zin arrest CB/Commissie, EU:C:2014:2204, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak)."
HvJ EG 19 maart 2015, nr. C-286/13 P (Dole Food and Dole Fresh Fruit Europe tegen Commissie), ECLI:EU:C:2015:184.
"17 Wanneer de mededingingsbeperkende strekking van een overeenkomst vaststaat, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging dus niet te worden onderzocht. Wanneer uit de analyse van de inhoud van de overeenkomst evenwel niet blijkt dat de mededinging daardoor in voldoende mate wordt verstoord, moeten vervolgens de gevolgen ervan worden onderzocht en kan de overeenkomst slechts worden verboden indien alle factoren aanwezig zijn waaruit blijkt dat de mededinging daadwerkelijk merkbaar is verhinderd, beperkt of vervalst (arrest Allianz Hungária Biztosító e.a., C‑32/11, EU:C:2013:160, punt 34; zie in die zin arresten CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 52, en Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 116).
18 Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip mededingingsbeperkende „strekking” restrictief moet worden uitgelegd en uitsluitend kan worden toegepast op bepaalde soorten van coördinatie tussen ondernemingen, die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 58). Die rechtspraak is ingegeven door het feit dat bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging (arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Zo staat het vast dat bepaalde kartelafspraken, zoals die welke tot horizontale prijsbepaling door kartels leiden, kunnen worden beschouwd als afspraken die een zodanig groot risico op negatieve beïnvloeding van inzonderheid de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten en diensten inhouden, dat het overbodig kan worden geacht voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU aan te tonen dat zij concrete effecten hebben op de markt (zie in die zin met name arrest Clair, 123/83, EU:C:1985:33, punt 22). De ervaring leert namelijk dat dergelijke gedragingen leiden tot productieverminderingen en prijsstijgingen, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, hetgeen inzonderheid de consumenten schaadt (arrest CB/Commissie, C‑61/13, EU:C:2014:2204, punt 51).
20 Gelet op de rechtspraak waaraan hierboven is herinnerd, valt het essentiële juridische criterium om uit te maken of een overeenkomst een mededingingsbeperkende „strekking” heeft, dus samen met de vraag of deze overeenkomst op zich in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging dat de gevolgen ervan niet hoeven te worden onderzocht (zie in die zin arrest CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 57)."
HvJEU 26 november 2015, nr. C-345/14 (Maxima Latvija) EU:C:2015:784.
- "161 Blijkens de vaste rechtspraak van het Hof, zoals die in het bijzonder is samengevat in de arresten van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a. (C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78), en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67), vormt het begrip mededingingsverstorende „strekking” weliswaar geen uitzondering ten opzichte van het begrip mededingingsverstorend „gevolg”, zoals blijkt uit de punten 158 en 159 van het onderhavige arrest, maar moet het toch strikt worden uitgelegd.
162 Bijgevolg moet dat begrip aldus worden opgevat dat het uitsluitend verwijst naar bepaalde soorten coördinatie tussen ondernemingen, die in een zodanige mate schadelijk blijken te zijn voor de mededinging dat hun gevolgen niet hoeven te worden onderzocht. Bepaalde vormen van coördinatie tussen ondernemingen kunnen namelijk naar hun aard reeds worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging [zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 417; 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 78, en 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 67].
163 Tot de soorten gedrag die als zodanig moeten worden beschouwd behoren in de eerste plaats bepaalde kartelafspraken die bijzonder schadelijk zijn voor de mededinging, zoals horizontale kartels die leiden tot prijsbepaling, beperking van de productiecapaciteit of verdeling van de klanten. Dergelijke soorten gedrag kunnen er namelijk in resulteren dat de prijzen stijgen of dat de productie, en daarmee het aanbod, wordt verlaagd, waardoor de middelen inefficiënt worden ingezet, wat in het nadeel speelt van zowel de ondernemingen die er gebruik van maken als de consument (zie in die zin arresten van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 17 en 33; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 51, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 32).
164 Andere soorten gedrag zijn niet noodzakelijkerwijs even schadelijk voor de mededinging, maar kunnen in bepaalde gevallen eveneens worden geacht een mededingingsverstorende strekking te hebben. Dat is onder meer het geval bij bepaalde soorten horizontale overeenkomsten die geen kartels zijn, zoals die welke ertoe leiden dat concurrerende ondernemingen van de markt worden uitgesloten [zie in die zin arresten van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 76, 77, 83‑87 en 101, en 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punten 113 en 114], of bepaalde soorten besluiten van ondernemersverenigingen (zie in die zin arrest van 27 januari 1987, Verband der Sachversicherer/Commissie, 45/85, EU:C:1987:34, punt 41).
165 Om in een bepaald geval uit te maken of een overeenkomst, een besluit van een ondernemersvereniging of onderling afgestemde feitelijke gedragingen naar hun aard zodanig schadelijk zijn voor de mededinging dat zij kunnen worden geacht ertoe te strekken deze te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden gekeken naar, ten eerste, de bewoordingen van de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie, ten tweede, de economische en juridische context waarvan zij deel uitmaken en, ten derde, de doelstellingen ervan (zie in die zin arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 79).
166 Wat om te beginnen de economische en juridische context betreft waarin het betrokken gedrag plaatsvindt, moet rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken sector(en) of markt(en) (arresten van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 53, en 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 80). Het is daarentegen geenszins noodzakelijk om te onderzoeken, laat staan om aan te tonen, welke gevolgen dat gedrag teweegbrengt voor de mededinging, ongeacht of die gevolgen reëel of potentieel en negatief of positief zijn, zoals volgt uit de rechtspraak die in de punten 158 en 159 van het onderhavige arrest is aangehaald.
167 Wat vervolgens de doelstellingen van het betrokken gedrag betreft, moeten de objectieve doelstellingen worden bepaald die met dat gedrag worden nagestreefd ten aanzien van de mededinging. De omstandigheid dat de betrokken ondernemingen hebben gehandeld zonder het subjectieve oogmerk om de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen en het feit dat zij bepaalde legitieme doelstellingen hebben nagestreefd, zijn niet doorslaggevend voor de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arresten van 6 april 2006, General Motors/Commissie, C‑551/03 P, EU:C:2006:229, punten 64 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punt 21).
168 Ten slotte moeten bij het onderzoek van alle in de drie voorgaande punten van het onderhavige arrest genoemde aspecten hoe dan ook de precieze redenen worden uiteengezet waarom het aan de orde zijnde gedrag zodanig schadelijk is voor de mededinging dat het kan worden geacht ertoe te strekken de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen (zie in die zin arrest van 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 69)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "216 Zoals de advocaat-generaal in de punten 182 tot en met 194 van haar conclusie heeft opgemerkt, staat de omstandigheid dat een overeenkomst tot verdeling van de markten niet „waterdicht” is, geenszins in de weg aan de kwalificatie ervan als mededingingsbeperking naar strekking. Artikel 101, lid 1, onder c), VWEU verbiedt immers uitdrukkelijk overeenkomsten die bestaan in het verdelen van de markten. Uit de in punt 97 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen inzake de verdeling van de markten, gezien de bijzondere ernst daarvan, als mededingingsbeperking naar strekking moeten worden aangemerkt.
217 Artikel 101, lid 1, onder c), VWEU bevat in dit verband geen bijzondere voorwaarde op grond waarvan het daarin neergelegde verbod beperkt is tot overeenkomsten waarmee een „waterdichte” verdeling tussen die markten tot stand komt, bijvoorbeeld doordat daarin bepalingen zijn opgenomen die de toegang tot bepaalde van deze markten voorbehouden aan een van deze ondernemingen, met uitsluiting van de andere, of de uitvoer van de ene markt naar de andere verbieden. Bij gebreke van enige specifieke bepaling dienaangaande hoeft bij marktverdelingsovereenkomsten dus geen onderscheid te worden gemaakt op basis van een voorwaarde die artikel 101, lid 1, VWEU niet stelt en bij geen enkele overweging die verband houdt met het doel of de opzet van deze bepaling, in aanmerking komt.
218 Overigens zou de uitlegging van het Gerecht erop neerkomen dat overeenkomsten die erin bestaan markten te verdelen, met name door bepaalde markten aan een onderneming voor te behouden in ruil voor de verlening door die onderneming van een octrooilicentie aan een andere onderneming die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief is, niet als mededingingsbeperking naar strekking worden aangemerkt. Daardoor zou deze tweede onderneming, gelet op het duidelijk mededingingsverstorende karakter van dergelijke overeenkomsten, tot andere markten kunnen toetreden zonder dat haar een inbreuk dreigt te worden verweten, hetgeen afbreuk zou doen aan de volle werking van het verbod van artikel 101, lid 1, onder c), VWEU en de toepassing van het mededingingsrecht van de Unie ernstig zou ondermijnen.
(...)
224 Overeenkomstig hetgeen in de punten 102 en 132 van het onderhavige arrest is geoordeeld, moet worden vastgesteld dat de erkenning van de geldigheid van een octrooi dat het voorwerp is van een geding tussen twee partijen, weliswaar een relevante factor kan zijn ter beoordeling of de uit een schikkingsovereenkomst van dat geschil voortvloeiende mededingingsbeperkingen op een en dezelfde markt afgezwakt of zelfs geneutraliseerd kunnen worden doordat dezelfde partijen een licentieovereenkomst voor dat octrooi sluiten, maar dat die erkenning op zich geen beslissende, of zelfs relevante, factor is om te bepalen of collusie als die die volgens het litigieuze besluit tussen Servier en Krka heeft plaatsgevonden – en die bestaat in de verdeling van markten door middel van een op een octrooigeschil betrekking hebbende schikkingsovereenkomst die met name geldt voor markten die binnen de geografische werkingssfeer van de inbreuk vallen, en een octrooilicentieovereenkomst betreffende markten die daar niet binnen vallen – kan worden aangemerkt als een mededingingsbeperking naar strekking.
(...)
226 Bovendien is het juist dat een schikkingsovereenkomst inzake een octrooigeschil en een licentieovereenkomst voor dat octrooi met een legitiem doel en volledig rechtmatig kunnen worden gesloten op basis van de erkenning door de partijen dat dat octrooi geldig is, als er geen andere omstandigheid is die een inbreuk op artikel 101 VWEU oplevert. Het feit dat met dergelijke overeenkomsten een legitiem doel wordt nagestreefd, kan er echter niet toe leiden dat die overeenkomsten niet onder de toepassing van artikel 101 VWEU vallen indien blijkt dat zij er ook toe strekken markten te verdelen of andere beperkingen van de mededinging tot stand te brengen (zie in die zin arresten van 30 januari 1985, BAT Cigaretten-Fabriken/Commissie, 35/83, EU:C:1985:32, punt 33, en 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 70)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Commissie tegen Servier e.a.), ECLI:EU:C:2024:549.
- "124 In so far as the appellants submit that it is necessary to establish that an agreement is sufficiently harmful in order to characterise it as a restriction of competition by object, it is sufficient to point out that a commercial arrangement such as that at issue in the present case is non- legitimate from a competition standpoint precisely because a reverse payment such as that paid by Servier to Matrix can only be explained, according to the General Court’s factual findings in that regard, by the commercial interest of Servier and Matrix not to engage in competition on the merits."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-197/19 P (Mylan tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:550.
- "108 Moreover, paragraph 186 of the judgment under appeal contains an error of law in so far as the statement that the Commission and the Courts of the European Union cannot, when examining whether an agreement restricts competition by object, completely ignore its potential effects is contrary to the case-law referred to in paragraph 91 of the present judgment, according to which, as regards practices characterised as restrictions of competition by object, there is no need to investigate nor a fortiori to demonstrate their effects on competition, be they actual or potential, or negative or positive.
109 In so doing, the General Court confused the exercise of ascertaining whether conduct is capable, by its very nature, of systematically harming competition by reason of its particular characteristics and whether it therefore reveals a sufficient degree of harm to be characterised as a restriction of competition by object, on the one hand, with the exercise of analysing the actual or potential effects of specific conduct in a particular case, which is relevant solely for the assessment of the existence of a possible restriction of competition by effect, on the other.
110 It must therefore be held that, in holding, in paragraph 186 of the judgment under appeal, on the basis of contradictory reasoning, that, when examining whether an agreement restricts competition by object, the potential effects of that agreement must be taken into account in so far as they are foreseeable, the General Court erred in law."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-198/19 P (Teva UK e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:551.
Mededingingsbeperking - prijzen
- "144 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat onderscheid kan worden gemaakt tussen enerzijds concurrenten die op onafhankelijke wijze informatie verzamelen of met klanten en derden de toekomstige prijzen bespreken, en anderzijds concurrenten die met andere concurrenten prijsfactoren en de evolutie van de prijzen bespreken, alvorens hun referentieprijzen vast te stellen. Eerstgenoemd gedrag doet immers geen problemen rijzen uit het oogpunt van een vrije en onvervalste mededinging, terwijl dat wel geldt voor laatstgenoemd gedrag, dat indruist tegen het vereiste dat iedere ondernemer zelfstandig bepaalt welk beleid hij op de interne markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid staat onverbiddelijk in de weg aan enigerlei al dan niet rechtstreeks contact tussen ondernemers dat tot doel of tot gevolg heeft dat het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent wordt beïnvloed, of dat een dergelijke concurrent verneemt wat het aangenomen of voorgenomen marktgedrag van de betrokkene is (zie arrest van 14 maart 2013, Dole Food en Dole Germany/Commissie, T‑588/08, EU:T:2013:130, punten 291 en 292 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
145 Bovendien is een uitwisseling tussen concurrenten van niet-openbare, voor de prijsbepaling relevante informatie vanuit het oogpunt van de mededinging des te gevoeliger wanneer zij plaatsvindt tussen traders die als „marktmakers” optreden, gelet op de belangrijke rol die zij spelen op de EIRD-markt. Zoals in de punten 106 en 107 hierboven is benadrukt, zijn „marktmakers” algemeen en continu actief en sluiten zij dus een groter aantal transacties dan de andere marktspelers. Ter waarborging van de mededinging op de markt is het des te fundamenteler dat zij hun prijzen op autonome wijze bepalen.”
Gerecht EU 24 september 2019, nr. T-105/17 (HSBC Holdings e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:T:2019:675.
- "52 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan de advocaat en zijn cliënt, op straffe van een tuchtrechtelijke procedure voor de advocaat, geen lagere vergoeding mogen overeenkomen dan het minimumbedrag dat is vastgesteld bij een verordening van een beroepsorganisatie van advocaten, zoals de hoge raad voor de advocatuur, en de rechter niet mag gelasten dat een lagere vergoeding voor het honorarium dan dit minimumbedrag moet worden betaald, de mededinging binnen de interne markt kan beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
(...)
61 Derhalve verzet artikel 101, lid 1, VWEU zich niet tegen een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan rechtspersonen en ondernemers met een eenmanszaak in aanmerking komen voor een door de nationale rechter gelaste vergoeding ter hoogte van de kosten voor een advocaat wanneer zij door een juridisch adviseur zijn bijgestaan."
Dictum:
"2) Artikel 101, lid 1, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU en richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling als die in de hoofdgedingen, op grond waarvan rechtspersonen en ondernemers met een eenmanszaak in aanmerking komen voor een door de nationale rechter gelaste vergoeding ter hoogte van de kosten voor een advocaat wanneer zij door een juridisch adviseur zijn bijgestaan."
HvJ EU 23 november 2017, nrs. C- 427/16 en C-428/16, (CHEZ Elektro Bulgaria en FrontEx International), ECLI:EU:C:2017:890.
- "2) Artikel 101, lid 1, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die de advocaat en zijn cliënt niet toestaat een vergoeding overeen te komen die lager is dan het minimumbedrag dat is vastgesteld in een door een beroepsorganisatie van advocaten – zoals de hoge raad voor de advocatuur – vastgestelde verordening, en die voorts de rechter niet toestaat de vergoeding te gelasten van een bedrag dat lager is dan dat minimumbedrag, moet worden aangemerkt als een mededingingsbeperking „naar strekking” in de zin van die bepaling. Wanneer er sprake is van een dergelijke beperking kunnen de legitieme doelstellingen die met de nationale regeling zouden worden nagestreefd, niet worden ingeroepen om de betrokken gedraging vrij te stellen van het in artikel 101, lid 1, VWEU, neergelegde verbod van mededingingsbeperkende overeenkomsten en praktijken."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Mededingingsbeperking - informatieuitwisseling
- "51 Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, moet worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie tussen concurrenten, zelfs zonder een samenwerkingsovereenkomst, een mededingingsbeperking kan vormen, ook naar strekking, in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU. Zoals uit de punten 43 tot en met 49 van het onderhavige arrest blijkt, moet het bij deze uitwisseling immers gaan om een vorm van coördinatie die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging in het kader van die uitwisseling.
52 Wat de inhoud ervan betreft, betekent dit om te beginnen dat de informatie-uitwisseling zodanige kenmerken vertoont dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die aanleiding geeft tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normale voorwaarden van de betrokken markt overeenkomen.
53 De goede werking van normale mededinging op een markt veronderstelt echter een zekere transparantie van de situatie die momenteel op die markt heerst. Alleen onder deze voorwaarde kan een markt efficiënt functioneren. Zo heeft het Hof reeds erkend dat transparantie tussen marktdeelnemers – althans op een niet-oligopolistische markt – in beginsel de concurrentie tussen de aanbieders verscherpt (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, EU:C:2003:527, punt 84).
54 Een markt kan evenwel slechts onder normale omstandigheden functioneren wanneer iedere ondernemer ten eerste verplicht is zelfstandig te bepalen welk beleid hij op de interne markt zal voeren (zie in die zin arrest van 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 119) en ten tweede in het ongewisse verkeert over het tijdstip waarop, de mate waarin en de wijze waarop zijn concurrenten hun marktgedrag in de toekomst zullen aanpassen (zie in die zin arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punt 41, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 116).
55 Vervolgens is het met betrekking tot de context waarin de betrokken informatie-uitwisseling plaatsvindt noodzakelijk dat binnen die context elke coördinatie die kenmerken heeft welke vergelijkbaar zijn met die van die uitwisseling, slechts kan leiden tot mededingingsvoorwaarden die – gelet op de aard van de betrokken producten of verleende diensten, de feitelijke marktomstandigheden en de structuur van de markt – niet met de normale voorwaarden voor de werking van de betreffende markt overeenkomen (zie in die zin arresten van 28 mei 1998, Deere/Commissie, C‑7/95 P, EU:C:1998:256, punt 87; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punt 33, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punt 120).
56 Wat ten slotte de „objectieve doelstellingen” van die uitwisseling betreft, moet worden benadrukt dat dit begrip in de juridische zin ervan verwijst naar de voornaamste bestaansreden voor de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen, dat wil zeggen naar de onmiddellijk en rechtstreeks door de coördinatie nagestreefde doelstellingen die de betrokken ondernemingen ertoe hebben gebracht eraan deel te nemen. Indien voor een informatie-uitwisseling, ook al lijkt zij formeel geen mededingingsverstorend doel na te streven, gelet op de vorm ervan en de context waarin zij plaatsvindt, geen andere verklaring kan worden gegeven dan het nastreven van een doel dat strijdig is met een van de wezenlijke bestanddelen van het beginsel van vrije mededinging, moet zij worden beschouwd als mededingingsbeperkend naar strekking.
57 Gelet op het voorgaande, en aangezien elke marktdeelnemer verplicht is zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren, moet een informatie-uitwisseling worden geacht zodanige kenmerken te vertonen dat zij een vorm van coördinatie tussen ondernemingen oplevert die naar zijn aard moet worden beschouwd als schadelijk voor de goede werking van de normale mededinging, wanneer de inhoud ervan betrekking heeft op inlichtingen die, ongeacht of zij gevoelig of vertrouwelijk zijn, in de context waarin zij worden uitgewisseld ertoe kunnen leiden dat de partijen bij de uitwisseling, zo zij voldoende actief en commercieel redelijk zijn, zich stilzwijgend op dezelfde wijze gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
58 Bij een dergelijke beoordeling moet niet alleen rekening worden gehouden met de aard van de uitgewisselde informatie, maar ook met de economische context waarin de uitwisseling plaatsvindt. Weliswaar moet worden aangenomen dat de ondernemingen die aan een uitwisseling deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun marktgedrag rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie (zie in die zin arresten van 8 juli 1999, Hüls/Commissie, C‑199/92 P, EU:C:1999:358, punten 161 en 162; 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a., C‑8/08, EU:C:2009:343, punten 51 en 52, en 19 maart 2015, Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, C‑286/13 P, EU:C:2015:184, punten 126 en 127), maar dit neemt niet weg dat voldoende actieve en commercieel rationele ondernemingen zich slechts op dezelfde wijze zullen gedragen onder meer wanneer zij, gelet op de context waarin deze overeenkomst is gesloten, de reactie van hun huidige en potentiële concurrenten en van de consumenten niet hoeven te vrezen. Dit is in beginsel het geval wanneer de uitwisseling plaatsvindt tussen de belangrijkste spelers op een oligopolistische of althans sterk geconcentreerde markt en er drempels voor de toetreding tot die markt bestaan (zie in die zin arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C‑194/99 P, EU:C:2003:527, punten 86 en 87).
59 In dit verband moet, met name in laatstgenoemd geval, de omstandigheid dat de markt een zekere mate van concentratie en toetredingsdrempels vertoont, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beklemtoond, als relevant worden beschouwd.
60 Om aan te tonen dat een uitwisseling van informatie een beperking naar strekking vormt, hoeft evenwel niet altijd te worden aangetoond dat deze uitwisseling betrekking heeft op informatie van dien aard dat, in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers aan de uitwisseling er noodzakelijkerwijs toe worden gebracht om zich, zo zij voldoende actief en commercieel rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de betrokken markt tot stand komt, hetgeen in strijd is met de verplichting van iedere marktdeelnemer om zelfstandig het beleid te bepalen dat hij op de interne markt wil voeren.
61 Zoals blijkt uit punt 54 van het onderhavige arrest, kan een markt slechts worden geacht onder normale omstandigheden te functioneren wanneer de marktdeelnemers niet alleen zelfstandig het beleid bepalen dat zij op de interne markt willen voeren, maar ook, en meer in het algemeen, in het ongewisse blijven over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers op die markt.
62 Bijgevolg kan een uitwisseling van informatie, wanneer zij het mogelijk maakt dat ongewisse karakter weg te nemen, worden beschouwd als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van de normale mededinging, zonder dat zelfs maar hoeft te worden aangetoond dat de uitgewisselde informatie in de context waarin deze uitwisseling plaatsvindt, de deelnemers er noodzakelijkerwijs toe brengt om zich, zo zij voldoende actief en economisch rationeel zijn, stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt. Daartoe is het voldoende dat de uitgewisselde informatie zowel vertrouwelijk als strategisch is.
63 Onder „vertrouwelijke informatie” moet worden verstaan alle informatie die niet reeds bekend is bij elke op de betrokken markt actieve speler, terwijl onder „strategische informatie” moet worden verstaan informatie die, na eventueel te zijn gecombineerd met andere informatie die reeds bekend is bij de deelnemers aan een informatie-uitwisseling, licht kan werpen op de strategie die sommige van de deelnemers voornemens zijn ten uitvoer te leggen met betrekking tot een of meer parameters op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 117).
64 Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 en 70 van zijn conclusie heeft gesteld, is bovendien elke informatie-uitwisseling over toekomstige tarieven of over sommige tariefbepalende factoren op zich mededingingsbeperkend, met name gelet op het risico van schade aan de mededinging dat zij met zich brengt. Het begrip „strategische informatie” is echter ruimer en omvat alle gegevens die de marktdeelnemers nog niet bekend zijn en die in het kader van een dergelijke uitwisseling de onzekerheid van de deelnemers over het toekomstige gedrag van de andere deelnemers kunnen verminderen met betrekking tot aspecten die wegens de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke omstandigheden op de markt en de structuur ervan, een of meer parameters vormen op basis waarvan de mededinging op de relevante markt tot stand komt.
65 Ten slotte moet, wanneer de uitgewisselde informatie geen betrekking heeft op intenties van deelnemers aan de uitwisseling om hun gedrag op de relevante markt te wijzigen, maar op een actuele of vroegere situatie, die informatie niettemin als strategisch worden beschouwd indien een deelnemer daaruit met voldoende nauwkeurigheid het toekomstige gedrag van de andere deelnemers aan die uitwisseling of hun reacties op een mogelijke strategische marktbeweging kan afleiden, met name op basis van de aard van de betrokken goederen of diensten, de feitelijke marktomstandigheden, de kostenstructuur of de productie- en beheermethoden van de deelnemers aan die uitwisseling."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "67 In deze zaak heeft de verwijzende rechter in zijn vraag verwezen naar een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op sterk geconcentreerde markten met toetredingsdrempels en betrekking had op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, in het bijzonder kredietspreads en risicovariabelen, alsook op de geïndividualiseerde productiecijfers van ieder van hen.
68 Ten eerste blijkt uit de beschrijving van de verwijzende rechter dat de informatie over de kredietspreads, die vertrouwelijk tussen de deelnemende kredietinstellingen werd uitgewisseld, op het tijdstip van de uitwisseling niet even volledig en gesystematiseerd voor het publiek beschikbaar was en dat deze informatie hoofdzakelijk betrekking had op mogelijke toekomstige maatregelen. Meer in het bijzonder blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat deze informatie betrekking had op hun intenties om de commerciële voorwaarden op de betrokken markt te wijzigen, of althans op wijzigingen waartoe was besloten maar die nog niet waren toegepast.
69 Ten tweede verwijst het begrip „spread” naar het verschil tussen de rentevoet die de kredietinstelling aan een kredietnemer aanrekent en de rentevoet waartegen de kredietinstelling zich in principe herfinanciert, en is deze tweede rentevoet in beginsel bekend, zodat een kredietspread informatie kan verstrekken over de rentevoeten die kredietinstellingen aan hun klanten aanbieden als uitgangspunt voor onderhandelingen.
70 Aangezien de spreads een van de parameters zijn op basis waarvan de mededinging op de drie in het hoofdgeding aan de orde zijnde markten tot stand komt, moet alle informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen om deze spreads te wijzigen, als strategische informatie worden beschouwd.
71 Hieruit volgt dat, gelet op de vaststellingen in punt 62 van dit arrest, een informatie-uitwisseling die, zoals de verwijzende rechter in zijn vraag heeft beschreven, op vertrouwelijke basis plaatsvindt en betrekking heeft op de toekomstige intenties van kredietinstellingen met betrekking tot de kredietspreads die worden gebruikt om de aan hun klanten aangeboden rentevoet te bepalen, een vorm van coördinatie tussen ondernemingen is die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging en dus een mededingingsbeperkende strekking heeft in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
72 Hetzelfde geldt voor de informatie over toekomstige veranderingen in de risicoparameters die worden toegepast op de kredietspreads op basis van het individuele risicoprofiel van de cliënten, aangezien deze, in combinatie met de informatie over de toekomstige intenties van de kredietinstellingen met betrekking tot kredietspreads, de deelnemers aan de uitwisseling waarschijnlijk een nauwkeuriger beeld zal geven van de tariefstrategieën die de andere deelnemers van plan zijn toe te passen.
73 Wat de informatie over de „productiehoeveelheden” betreft, zij erop gewezen dat dergelijke informatie in beginsel elk gedrag van een marktdeelnemer aan het licht kan brengen dat afwijkt van het evenwicht dat op de markt kan heersen, met name wanneer deze informatie, zoals in het hoofdgeding, door deze marktdeelnemers in niet-geaggregeerde en geïndividualiseerde vorm wordt verstrekt.
74 Het bestaan van een uitwisseling van dergelijke informatie kan dus in bepaalde omstandigheden een vorm van coördinatie – waarvan die uitwisseling een component vormt – aan het licht brengen die naar zijn aard schadelijk moet worden geacht voor de goede werking van de normale mededinging.
75 In het hoofdgeding blijkt evenwel uit de toelichting van de verwijzende rechter dat de AdC verzoeksters heeft verweten te hebben deelgenomen aan een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie en niet aan een uitwisseling die bijkomstig is ten opzichte van mededingingsbeperkende onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
76 In het geval van een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie, waarbij deze informatie, zoals in het onderhavige geval, betrekking heeft op verkoopvolumen in het verleden, is het evenwel onwaarschijnlijk dat deze informatie op zich en bij gebreke van bijzondere omstandigheden de toekomstige intenties van de betrokken kredietinstellingen kan onthullen of de deelnemers aan de uitwisseling die voldoende actief en economisch rationeel zijn, ertoe kan aanzetten zich stilzwijgend op dezelfde wijze te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een van de betrokken markten tot stand komt.
77 Bij de beoordeling van de schadelijkheid van een vorm van informatie-uitwisseling moet echter ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid om de verschillende categorieën van uitgewisselde informatie aan elkaar te koppelen.
78 Zo kan een „opzichzelfstaande” uitwisseling van informatie, voor zover deze onder meer betrekking heeft op productiehoeveelheden, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard moet worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging, indien die informatie met name zou worden gecombineerd met andere soorten uitgewisselde informatie en, in voorkomend geval, met andere informatie die reeds vrij beschikbaar is, zodanig dat een onderneming die voldoende actief en economisch rationeel is, gelet op de aard, de feitelijke omstandigheden en de structuur van de relevante markten, de toekomstige intenties van de andere deelnemers zou kunnen afleiden of ertoe gebracht zou kunnen worden om zich stilzwijgend op dezelfde wijze als de andere deelnemers te gaan gedragen met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op die markten tot stand komt.
79 Hoe dan ook moet een uitwisseling van informatie zoals die welke de verwijzende rechter in zijn vraag beschrijft, worden beschouwd als een beperking naar strekking wanneer de uitgewisselde informatie onder meer betrekking heeft op toekomstige intenties van de deelnemers aan die uitwisseling om hun kredietspreads te wijzigen.
80 Deze conclusie kan worden bevestigd door de objectieve doelstellingen te onderzoeken die met de uitwisseling van dergelijke informatie worden nagestreefd, hetgeen, zoals blijkt uit punt 49 van dit arrest, eveneens relevant is voor de beoordeling van het bestaan van een beperking naar strekking. De uitwisseling van informatie over de toekomstige intenties van de deelnemers daaraan met betrekking tot een van de parameters op basis waarvan de mededinging op een markt tot stand komt, zoals kredietspreads, kan geen ander objectief doel nastreven dan de mededinging op die markt te vervalsen.
(...)
89 Zoals de advocaat-generaal in de punten 74 en 75 van zijn conclusie heeft benadrukt, is het evenwel niet noodzakelijk dat onderling afgestemde feitelijke gedragingen betrekking hebben op alle parameters op basis waarvan de mededinging op de markt tot stand komt, of, wat tariefinformatie betreft, op alle bestanddelen van de uiteindelijk toegepaste prijs, om onder het begrip „beperking naar strekking” te vallen. Derhalve kan de informatie-uitwisseling, zelfs indien deze slechts één van deze parameters betreft, worden aangemerkt als een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die naar zijn aard schadelijk is voor de goede werking van een normale mededinging (zie in die zin arrest van 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie, C‑883/19 P, EU:C:2023:11, punt 204).
90 De rentevoet die wordt gebruikt als uitgangspunt voor individuele onderhandelingen met de individuele klant op basis van zijn risicoprofiel, weerspiegelt een van de mededingingsparameters op de betrokken markten, aangezien potentiële klanten aan de hand van deze rentevoet een eerste selectie zullen maken uit de kredietaanbiedingen van kredietinstellingen om met bepaalde kredietinstellingen in onderhandeling te treden.
(...)
92 In dit verband zij eraan herinnerd dat het enkele feit dat informatie over de kredietspreads werd uitgewisseld voordat deze effectief of openbaar werden, echter voldoende is om aan te tonen dat deze uitwisseling de onzekerheid bij de deelnemers aan de informatie-uitwisseling over het toekomstige gedrag van de andere betrokken kredietinstellingen kon verminderen, ook al zou de onzekerheid die bij de andere concurrenten kan hebben bestaan, kort daarna zijn verdwenen. Zelfs als het voor de deelnemers aan een dergelijke uitwisseling onmogelijk zou zijn om deze informatie onmiddellijk in aanmerking te nemen om hun marktgedrag onmiddellijk te wijzigen, zou elke uitwisseling van toekomstige intenties die nog niet openbaar zijn gemaakt, deze deelnemers in ieder geval in staat stellen sneller te reageren dan bij een normale werking van de relevante markt mogelijk zou zijn.
(...)
Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een grootschalige maandelijkse en wederzijdse informatie-uitwisseling tussen concurrerende kredietinstellingen die plaatsvond op markten die worden gekenmerkt door een hoge mate van concentratie en toetredingsdrempels, en die ziet op de op die markten gangbare huidige en toekomstige commerciële voorwaarden, met name de kredietspreads en risicovariabelen, alsook de geïndividualiseerde productiecijfers van de aan die uitwisseling deelnemende instellingen, moet worden aangemerkt als mededingingsbeperking naar strekking, althans voor zover de aldus uitgewisselde kredietspreads de spreads zijn die deze instellingen voornemens zijn in de toekomst toe te passen"
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
- "83 In dit verband moet stellig worden benadrukt dat een uitwisseling van informatie waarvan de verstrekking overigens door een nationale regeling is voorgeschreven, geen inbreuk kan maken op artikel 101 VWEU, aangezien een dergelijke uitwisseling geen effect op de markt kan hebben dat verder gaat dan het effect dat reeds voortvloeit uit de naleving van die regeling, en de betrokken ondernemingen daarvoor niet aansprakelijk kunnen worden gesteld (zie naar analogie arresten van 11 november 1997, Commissie en Frankrijk/Ladbroke Racing, C‑359/95 P en C‑379/95 P, EU:C:1997:531, punt 33, en 9 september 2003, CIF, C‑198/01, EU:C:2003:430, punten 52 en 53).
84 Een dergelijke situatie kan echter niet worden ingeroepen door de deelnemers aan de uitwisseling wanneer de uitgewisselde informatie verder gaat dan de informatie die elke kredietinstelling die op de drie betrokken markten actief is, krachtens haar wettelijke verplichtingen openbaar moet maken en wanneer deze informatie is uitgewisseld voordat deze verplichtingen die deelnemers dwongen om deze informatie openbaar te maken; het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan."
HvJ EU 29 juli 2024, nr. C-298/22 (Banco BPN/BIC Português e.a.), ECLI:EU:C:2024:638.
potentiële mededinging
- "31 Om onder het principiële verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen, moet een gedraging van ondernemingen dus niet alleen het bestaan van collusie tussen hen onthullen – namelijk een overeenkomst tussen ondernemingen, een besluit van een ondernemersvereniging of een onderling afgestemde feitelijke gedraging – maar deze afstemming moet ook de mededinging binnen de interne markt ongunstig en merkbaar beïnvloeden (zie in die zin arrest van 13 december 2012, Expedia, C‑226/11, EU:C:2012:795, punten 16 en 17).
32 In het geval van horizontale samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productie- of distributieketen actief zijn, veronderstelt dit laatste vereiste dat deze collusie plaatsvindt tussen ondernemingen die met elkaar concurreren, althans minstens potentieel.
(...)
36 Om te beoordelen of een onderneming die niet op een markt aanwezig is, in een verhouding staat van potentiële mededinging met een of meer andere reeds op die markt aanwezige ondernemingen, moet worden nagegaan of er reële en concrete mogelijkheden bestaan dat eerstgenoemde onderneming tot die markt toetreedt in concurrentie met de laatstgenoemde(n) (zie in die zin arrest van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 21).
37 Wanneer het gaat om een overeenkomst die tot gevolg heeft dat een onderneming tijdelijk van de markt wordt gehouden, moet dus worden nagegaan of er zonder die overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zouden zijn geweest dat deze onderneming tot die markt zou toetreden en met de op die markt gevestigde ondernemingen zou concurreren.
38 Een dergelijk criterium sluit uit dat de vaststelling van een potentiële concurrentieverhouding kan voortvloeien uit de louter hypothetische mogelijkheid van een dergelijke toetreding of uit de loutere wil van de fabrikant van generieke geneesmiddelen in die zin. Omgekeerd vereist die vaststelling geenszins dat met zekerheid wordt aangetoond dat deze fabrikant daadwerkelijk tot de betrokken markt zal toetreden of nog meer dat hij vervolgens in staat zal zijn zich op de betrokken markt te handhaven.
39 De beoordeling van het bestaan van potentiële mededinging moet plaatsvinden in het licht van de structuur van de markt en de economische en juridische context die de werking ervan beheerst.
40 Aangaande – ten eerste – de in het hoofdgeding aan de orde zijnde farmaceutische sector, waarvan het Hof de specifieke kenmerken voor de toepassing van het Europese mededingingsrecht reeds heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punten 65 en 80), en meer in het bijzonder de openstelling van de markt van een geneesmiddel met een werkzame stof die recentelijk tot het publieke domein is gaan behoren voor de fabrikanten van generieke geneesmiddelen, waarvan de gevolgen voor de prijzen door de verwijzende rechter zijn benadrukt, moet naar behoren rekening worden gehouden met de voor de geneesmiddelensector specifieke reglementaire beperkingen. Daartoe behoort artikel 6 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 (PB 2007, L 324, blz. 121, met rectificatie in PB 2009, L 87, blz. 174), waarin is bepaald dat een geneesmiddel in een lidstaat slechts in de handel mag worden gebracht wanneer door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat een VHB is afgegeven, of wanneer een vergunning is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB 2004, L 136, blz. 1, met rectificatie in PB 2005, L 201, blz. 46), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 219/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 (PB 2009, L 87, blz. 109) (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 53).
41 Ten tweede moet ten volle rekening worden gehouden met de intellectuele-eigendomsrechten, in het bijzonder de octrooien van de fabrikanten van oorspronkelijke geneesmiddelen betreffende een of meer tot het publieke domein behorende werkwijzen voor de vervaardiging van een werkzame stof, welke rechten op de interne markt een hoog niveau van bescherming genieten krachtens richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB 2004, L 157, blz. 45, met rectificatie in PB 2004, L 195, blz. 16, en in PB 2007, L 204, blz. 27), en artikel 17, lid 2, van het Handvest van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, punt 57).
42 Zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de perceptie van de aanwezige marktdeelnemer voorts een relevante factor om te beoordelen of er een concurrentieverhouding bestaat tussen hem en een externe onderneming, aangezien deze laatste, indien zij wordt beschouwd als een potentiële nieuwkomer op de markt, door haar loutere bestaan concurrentiedruk op de op die markt aanwezige marktdeelnemer kan uitoefenen.
43 Gelet op het voorgaande moet, om te beoordelen of er een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen, enerzijds, een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van een werkwijzeoctrooi voor een tot het publieke domein behorende werkzame stof, en anderzijds, een fabrikant van generieke geneesmiddelen die zich voorbereidt om toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof, die een overeenkomst hebben gesloten als aan de orde in het hoofdgeding, worden nagegaan, ten eerste, of de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen op de datum van sluiting van die overeenkomst voldoende voorbereidende stappen had gezet om toe te treden tot de betrokken markt binnen een termijn die hem in staat zou hebben gesteld concurrentiedruk uit te oefenen op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen.
44 Tot die stappen kunnen behoren de maatregelen die de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen heeft genomen om binnen die termijn te beschikken over de administratieve vergunningen die vereist zijn voor het in de handel brengen van een generieke versie van het betrokken geneesmiddel, en over een voldoende voorraad van dit generieke geneesmiddel, afkomstig van eigen productie dan wel van toeleveringscontracten met derden. In dit verband zijn ook relevant alle gerechtelijke stappen die deze fabrikant daadwerkelijk heeft ondernomen om primair of incidenteel de werkwijzeoctrooien van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen ter discussie te stellen, en ook de commerciële inspanningen van de fabrikant van generieke geneesmiddelen om zijn geneesmiddel in de handel te brengen. Dergelijke stappen maken het mogelijk om vast te stellen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen het vaste voornemen heeft en in staat is om toegang te krijgen tot de markt van een geneesmiddel dat een tot het publieke domein behorende werkzame stof bevat, zelfs wanneer de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen over werkwijzeoctrooien beschikt.
45 Ten tweede dient de verwijzende rechter na te gaan of de markttoetreding van een dergelijke fabrikant van generieke geneesmiddelen niet op onoverkomelijke toetredingsdrempels stuit.
46 Dienaangaande kan het bestaan van een octrooi ter bescherming van de werkwijze voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof niet als zodanig worden beschouwd als een onoverkomelijke drempel en staat het niet eraan in de weg dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt aangemerkt als een „potentiële concurrent” van de fabrikant van het betrokken geneesmiddel wanneer hij daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om tot de markt toe te treden en zich door zijn stappen bereid heeft getoond om de geldigheid van dat octrooi te betwisten en het risico op zich te nemen dat hij bij toetreding tot de markt geconfronteerd wordt met een door de houder van dit octrooi ingeleide inbreukprocedure.
47 De argumenten van de ondernemingen waaraan de CMA een sanctie heeft opgelegd, betreffende het vermoeden van geldigheid van een aan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen toebehorend werkwijzeoctrooi, de onzekere afloop van een geschil inzake de geldigheid van dit octrooi en het bestaan van door een nationale rechter uitgesproken rechterlijke bevelen waardoor aan de fabrikanten van generieke geneesmiddelen tijdelijk kan worden verboden om de generieke versie van het betrokken oorspronkelijke geneesmiddel te verkopen, kunnen geen afbreuk doen aan deze beoordeling.
48 Wat om te beginnen het argument inzake het vermoeden van geldigheid van het betrokken octrooi betreft, staat vast dat een dergelijk vermoeden het automatische gevolg is van de indiening van de octrooiaanvraag en vervolgens de afgifte van een octrooi aan de houder ervan. Dit vermoeden verschaft met het oog op de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU derhalve geen enkele informatie over de uitkomst van een eventueel geding over de geldigheid van dat octrooi, waarvan de rechter overigens niet meer kennis kan nemen als gevolg van het feit dat de houder van het octrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen de overeenkomst hebben gesloten.
49 Wanneer zou worden aanvaard dat het vermoeden van geldigheid van een werkwijzeoctrooi voor een tot het publieke domein behorende werkzame stof uitsluit dat de houder van dat octrooi potentieel concurreert met elke vermeende inbreukmaker op de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof, zou dit tot gevolg hebben dat, wanneer het gaat om overeenkomsten als in het hoofdgeding, artikel 101 VWEU elke betekenis verliest en daardoor de doeltreffendheid van het Europese kartelrecht kan worden uitgehold (zie naar analogie arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 520).
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 83 van haar conclusie heeft opgemerkt, betekent dit weliswaar niet dat de betrokken mededingingsautoriteit elke octrooirechtelijke kwestie die van invloed kan zijn op de vaststelling van het bestaan van een dergelijke concurrentieverhouding, buiten beschouwing moet laten. Eventuele octrooien ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen ervan maken immers onbetwistbaar deel uit van de economische en juridische context die kenmerkend is voor de concurrentieverhoudingen tussen de houders van dergelijke octrooien en de fabrikanten van generieke geneesmiddelen. De beoordeling door de mededingingsautoriteit van door een octrooi verleende rechten mag echter niet bestaan in een onderzoek naar de kracht van het octrooi of de waarschijnlijkheid waarmee een geschil tussen de houder ervan en een fabrikant van generieke geneesmiddelen zou kunnen uitmonden in de vaststelling dat het octrooi geldig is en dat er sprake is van een inbreuk. Deze beoordeling moet eerder betrekking hebben op de vraag of de fabrikant van generieke geneesmiddelen, ondanks het bestaan van dit octrooi, over reële en concrete mogelijkheden beschikt om op het relevante tijdstip tot de markt toe te treden.
51 Daarbij moet met name rekening worden gehouden met het feit dat de onzekerheid over de geldigheid van octrooien voor geneesmiddelen een fundamenteel kenmerk van de farmaceutische sector is; dat het vermoeden van geldigheid van een octrooi op een oorspronkelijk geneesmiddel niet gelijkstaat met een vermoeden van onrechtmatigheid van een generieke versie van dit geneesmiddel dat op geldige wijze in de handel is gebracht; dat een octrooi geen bescherming tegen vorderingen tot nietigverklaring waarborgt; dat dergelijke vorderingen, en met name de zogenoemde „risicovolle” lancering van een generiek geneesmiddel, alsmede de daarmee gepaard gaande gerechtelijke procedures, doorgaans plaatsvinden in de fase vóór of onmiddellijk volgend op de marktintroductie van een dergelijk generiek geneesmiddel; dat voor het verkrijgen van een VHB voor een generiek geneesmiddel niet hoeft te worden aangetoond dat dit in de handel brengen geen inbreuk maakt op eventuele door het octrooi verleende rechten van het oorspronkelijke geneesmiddel, en dat in de farmaceutische sector potentiële mededinging kan plaatsvinden lang vóór het verstrijken van een octrooi dat de werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel beschermt, aangezien de fabrikanten van generieke geneesmiddelen klaar willen zijn om op het moment van dat verstrijken tot de markt toe te treden.
52 Wat vervolgens het argument betreft dat er sprake is van een ernstig geschil met een onzekere uitkomst tussen de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel en een fabrikant van de generieke versie van dit geneesmiddel die toegang wenst tot de markt van dit geneesmiddel, sluit de ernst van hun geschil, zeker wanneer het voor de rechterlijke instanties wordt gebracht, geenszins uit dat er tussen hen sprake is van mededinging maar dit vormt een aanwijzing van het bestaan van een potentiële concurrentieverhouding tussen hen.
53 Wat ten slotte het argument inzake het bestaan van door een nationale rechterlijke instantie gelaste voorlopige rechterlijke bevelen betreft, waarbij een fabrikant van generieke geneesmiddelen wordt verboden tot de markt toe te treden van een geneesmiddel met een tot het publieke domein behorende werkzame stof, moet worden opgemerkt dat het gaat om een voorlopige maatregel die geenszins vooruitloopt op de gegrondheid van een door de octrooihouder ingestelde vordering wegens inbreuk, hetgeen des te meer het geval is wanneer, zoals in het hoofdgeding, een dergelijk bevel wordt uitgesproken als tegenprestatie voor een door deze houder aangegane „cross-undertaking in damages”.
54 Ten derde kan het bewijs dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen het vaste voornemen heeft en in staat is om toe te treden tot de markt van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, hetwelk niet ter discussie wordt gesteld door het bestaan van onoverkomelijke drempels voor toetreding tot die markt, worden bevestigd door aanvullende gegevens.
55 In dit verband heeft het Hof reeds erkend dat het sluiten van een overeenkomst tussen verschillende ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn en waarvan sommige niet op de betrokken markt aanwezig waren, een sterke aanwijzing vormt dat er tussen die ondernemingen een concurrentieverhouding bestaat (zie naar analogie arrest van 20 januari 2016, Toshiba Corporation/Commissie, C‑373/14 P, EU:C:2016:26, punten 33 en 34).
56 De door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen uitgedrukte wil, waarnaar vervolgens ook is gehandeld, om over te gaan tot waardeoverdrachten ten voordele van een fabrikant van generieke geneesmiddelen als tegenprestatie voor het uitstel van zijn markttoetreding, vormt ook een dergelijke aanwijzing, ook al verwijt eerstgenoemde fabrikant de laatstgenoemde fabrikant inbreuk te hebben gemaakt op een of meer van zijn werkwijzeoctrooien. Een dergelijke aanwijzing is des te sterker naarmate de waardeoverdracht groter is.
57 Uit deze wil blijkt immers de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt en, zoals in punt 42 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is deze perceptie relevant om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt.
58 Gelet op het voorgaande moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van een werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof, en fabrikanten van generieke geneesmiddelen die zich klaar maken om toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met die werkzame stof, waarbij deze fabrikanten in geschil zijn over de geldigheid van dat octrooi of over het inbreukmakende karakter van de betrokken generieke geneesmiddelen, zich in een situatie van potentiële mededinging bevinden wanneer vaststaat dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om toe te treden tot de markt en hij niet stoot op onoverkomelijke toetredingsdrempels, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "64 In het arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a. (C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 58), heeft het Hof aldus rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de geneesmiddelenmarkt en met de economische en juridische context van die markt, om in wezen te oordelen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen moet worden beschouwd als een potentiële concurrent van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen die houder is van farmaceutische octrooien op het betreffende geneesmiddel, wanneer hij het vaste voornemen heeft en zelf in staat is om de markt in kwestie te betreden.
65 Zoals de advocaat-generaal in punt 55 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan, anders dan verzoeksters in het hoofdgeding betogen, de uitlegging van het begrip „potentiële mededinging” die het Hof in het in het vorige punt genoemde arrest heeft gegeven, niet worden geacht algemeen toepasselijk te zijn. Een dergelijk bewijsniveau vereisen om aan te tonen dat de betrokken onderneming zonder de overeenkomst reële en concrete mogelijkheden zou hebben gehad om tot de markt in kwestie toe te treden, berust immers op een analyse die specifiek is voor de geneesmiddelenmarkten die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
"87 As regards, in the second place, the criteria for assessing potential competition, it should be noted that, according to settled case-law, also cited by the applicants, an undertaking is a potential competitor if there are real concrete possibilities for it to enter the market in question and compete with established undertakings. Such a demonstration must not be based on a mere hypothesis, but must be supported by evidence or an analysis of the structures of the relevant market. Accordingly, an undertaking cannot be described as a potential competitor if its entry into a market is not an economically viable strategy (judgment of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 86; see also, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 166 and 167 and the case-law cited). It necessarily follows that, while the intention of an undertaking to enter a market may be of relevance in order to determine whether it can be considered to be a potential competitor in that market, nonetheless the essential factor on which such a description must be based is whether it has the ability to enter that market (judgments of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T461/07, EU:T:2011:181, paragraph 168; of 29 June 2012, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 87; and judgment delivered today, Servier and Others v Commission, T691/14, paragraph 318 to 321).
(...)
91 Contrary to the intervener’s submission, it is irrelevant that the launch of development of commercially viable technologies is ultimately unsuccessful. To take into account only a launch which was successful, and thus enabled market entry, at the time of assessing potential competition would amount to denying the distinction between potential competition, which implies an absence of market entry, and actual competition, which implies that that entry has taken place (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 159). It is therefore also irrelevant that that launch does not by itself lead to a fall in prices, since such a fall in prices is not inherent in potential competition, but rather occurs as a result of a competitor entering the market and thus as a result of actual competition.
(...)
94 It should be added that the use of the criterion of the incumbent’s perception as one of a number of criteria for assessing potential competition is consistent with the case-law applicable in the present case, according to which that criterion is relevant, but not sufficient, for assessing the existence of potential competition. As the applicants rightly submit, given its subjective, and thus variable nature — which depends on the operators in question, their knowledge of the market and their contacts with their possible competitors — the perception of these operators, even experienced ones, cannot by itself lead to the conclusion that another operator is one of their potential competitors. However, that perception may support the conclusion that an operator has the ability to enter a market and, accordingly, may contribute to its classification as a potential competitor (see, to that effect, judgments of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 103 and 104, and of 8 September 2016, Sun Pharmaceutical Industries and Ranbaxy (UK) v Commission, T‑460/13, not published, under appeal, EU:T:2016:453, paragraph 88).
95 Thus, contrary to the applicants’ assertions, the General Court clearly took account of the criterion of the incumbent’s perception in the judgment of 12 July 2011, Hitachi and Others v Commission (T‑112/07, EU:T:2011:342) in order to establish the existence of potential competition. It follows in particular from paragraphs 90, 226 and 319 of that judgment, referred to in recital 1160 of the contested decision, that not only did the agreements at issue in that case between the European and Japanese producers constitute serious indicators that the Japanese producers were perceived by the European producers as potential credible competitors, they also showed that there were possibilities for the Japanese producers to penetrate the European market (see also, to that effect, judgment of 21 May 2014, Toshiba v Commission, T‑519/09, not published, EU:T:2014:263, paragraph 231). It is true that the General Court also carried out an objective analysis of potential competition, by examining inter alia the ability of the Japanese producers to enter the European market (judgment of 12 July 2011, Hitachi and Others v Commission, T‑112/07, EU:T:2011:342, paragraphs 157, 160 and 319 to 332), as, moreover, the Commission pointed out in recital 1160 of the contested decision. However, that objective analysis only serves to demonstrate that the subjective criterion of the incumbent’s perception is only one criterion among others for assessing the existence of potential competition."
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:919.
"52 Secondly, it must be held, in that regard, that, contrary to the applicants’ assertions, that criterion of efforts to develop a generic product, as set out and applied in the contested decision, is consistent with the criterion of real concrete possibilities of market entry.
53 Efforts to develop a generic product, which the Commission specifies as concerning the manufacture of the product, compliance with the originator undertaking’s patents and the obtention of a marketing authorisation (see inter alia recitals 1125 and 1181 of the contested decision), clearly show an intention to enter the market. They are also indicative of an ability to enter the market, since they involve active steps taken to produce and market the generic medicinal product and since, as regards steps which have not yet been completed, such as an ongoing marketing authorisation procedure, they are taken into account, as the Commission states (see inter alia recital 1181 of the contested decision), only if they do not face insurmountable problems and therefore have a chance of succeeding. It should be pointed out, in that respect, that the Commission’s use of the insurmountable problems criterion in its analysis does not amount to basing that analysis on that criterion alone, but rather is intended solely and appropriately, for the purposes of establishing the real and concrete nature of the possibilities in question, to supplement the examination of the ability to obtain the marketing authorisation applied for based on the steps completed by the applicant.
54 Moreover, contrary to the applicants’ assertions, it is irrelevant (see paragraph 44 above) whether the efforts in question were ultimately successful. To take into account only efforts which were successful, and thus enabled market entry, at the time of assessing potential competition would amount to denying the distinction between potential competition, which implies an absence of market entry, and actual competition, which implies that that entry has taken place (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 159). It must also be borne in mind that the mere existence of an undertaking outside the market with the ability to enter it may, in certain cases, give rise to competitive pressure on the undertakings currently operating in that market, a pressure represented by the likelihood that a new competitor will enter the market if the market becomes more attractive (judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 169).
(...)
56 According to settled case-law cited by the Commission in the contested decision (recital 1158), an operator cannot be described as a potential competitor unless its potential entry could take place sufficiently quickly to form a constraint on market participants and thus exert competitive pressure on them (judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 189; see also, to that effect, E.ON Ruhrgas and E.ON v Commission, T‑360/09, EU:T:2012:332, paragraph 114). That case-law refers to the Guidelines on the applicability of Article [101 TFEU] to horizontal co‑operation agreements (OJ 2001, C 3, p. 2; ‘the 2001 Guidelines on horizontal co‑operation agreements’) (see also the Guidelines on the applicability of Article 101 [TFEU] to horizontal co-operation agreements (OJ 2011, C 11, p. 1; ‘the 2011 Guidelines on horizontal co-operation agreements’)), which not only affirm the need for a sufficiently fast entry, but also set out indicative periods — of no more than one or three years, depending on the circumstances — that may constitute a sufficiently fast entry, on the basis on other guidelines as well as the Block Exemption Regulations.
57 However, as stated in both those guidelines (footnote 9 of the Guidelines on horizontal co‑operation agreements of 2001 and footnote 3 of the Guidelines on horizontal co‑operation agreements of 2011) and the case-law (see, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 171 and 189), these periods are indicative only and the concept of ‘sufficiently fast’ entry depends on the facts of the case at hand and its legal and economic context, which must be taken into account in order to determine whether the undertaking outside the market exerts competitive pressure on the undertakings currently operating in that market (see, to that effect, judgment of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraph 169).
(...)
65 (...) that among the factors capable of demonstrating the incumbent’s perception that there is potential competition, the very fact that an undertaking already present on the market seeks to enter into agreements with undertakings with similar activities in the same sector but which are not present on that market, and a fortiori the conclusion of such agreements, is particularly strong evidence (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 144). (...).
(...)
88 (...)that the classification of an undertaking as a potential competitor cannot be rejected merely because it is not able to enter a given market by itself, where it has the possibility of finding business partners through which it can access that market, or has already concluded an agreement with those business partners (see, to that effect, judgments of 14 April 2011, Visa Europe and Visa International Service v Commission, T‑461/07, EU:T:2011:181, paragraphs 82 and 83 and the case-law cited, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 197 and 204).(...)"
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Mylan tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:907.
"113 Contrary to the applicants’ assertions, in the absence of any decisions finding an infringement and, a fortiori, of any final decisions in that respect and, thus, in the absence of any insurmountable barriers arising from those patents, the Commission rightly took account of the parties’ subjective perceptions of the patent litigation in order to determine whether the generic companies had real concrete possibilities of overcoming the patent-related barriers and entering the market (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 141). The assessments of the parties themselves concerning the possibilities of those patents being declared invalid or being infringed are liable to shed light on those parties’ intentions as regards, amongst other things, litigation. In particular, when those assessments are made by generic companies, they may contribute to establishing their intention — taking into account their subjective perception of the patents concerned — of entering the market, but not their ability to enter as such, since establishing the infringement and invalidity of patents falls within the exclusive competence of the national courts and the EPO (see paragraph 107 above and paragraph 172 below). Since intention is regarded as a relevant criterion for determining whether there are real concrete possibilities of entering the market (see paragraph 46 above), it follows that the parties’ subjective assessments may validly be taken into account for the purpose of establishing those possibilities. It must nevertheless be pointed out that, inasmuch as the intention of entering a market, while relevant for the purposes of verifying whether a company may be classified as a potential competitor, is used only on a supplementary basis (see also paragraph 46 above), those assessments are also used only on a supplementary basis in determining whether that company constitutes a potential competitor. They must therefore be compared with elements on the basis of which the ability to enter the market can be assessed as well as, where appropriate, other elements also capable of showing a company’s intentions as regards market entry, in order to determine whether it may be concluded that there are real concrete possibilities of overcoming the patent-related barriers (judgment delivered today, Servier and Others v Commission, T‑691/14, paragraph 384)."
HvJ EU 12 december 2018, nr. T-679/14 (Mylan tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:907.
- "61 Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.
62 Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.
63 Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden.
(...)
74 In dit verband moet worden opgemerkt dat, hoewel het bestaan van potentiële mededinging tussen twee ondernemingen die op hetzelfde niveau van de productieketen actief zijn, moet worden beoordeeld in het licht van de in punt 57 van dit arrest genoemde objectieve factoren, dit toch kan worden bevestigd door aanvullende gegevens [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 54], met inbegrip van subjectieve elementen [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 42], voor zover die gegevens niet doorslaggevend zijn voor de uitgevoerde beoordeling.
75 Hieruit volgt dat de inaanmerkingneming van subjectieve gegevens om het bestaan van een relatie van potentiële mededinging tussen twee of meer ondernemingen vast te stellen, niet kan worden uitgesloten, mits deze relatie niet uitsluitend of hoofdzakelijk door middel van dergelijke gegevens wordt aangetoond.
76 Dit geldt met name voor de perceptie bij de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen van het risico dat de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen voor zijn commerciële belangen meebrengt, die relevant is om te beoordelen of er sprake is van potentiële mededinging, aangezien die perceptie het marktgedrag van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen beïnvloedt [arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punten 42 en 57]."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "123 It follows that punishing conduct covered in particular by Article 101(1) TFEU in no way presupposes that the undertakings concerned intended to infringe those competition rules. All that matters is knowing whether, objectively, they could, where necessary by taking appropriate advice (see, to that effect, judgment of 28 June 2005, Dansk Rørindustri and Others v Commission", C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P to C‑208/02 P and C‑213/02 P, EU:C:2005:408, paragraph 219), determine whether their conduct was anticompetitive.
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "69 Wat in de eerste plaats de relevantie van subjectief bewijsmateriaal betreft, heeft het Hof, overeenkomstig hetgeen in punt 63 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, reeds geoordeeld dat het bewijs van potentiële mededinging moet worden onderbouwd met een geheel van onderling overeenstemmende feitelijke gegevens, waarbij er rekening wordt gehouden met de structuur van de markt en met de economische en juridische context die de werking ervan beheerst. Een subjectieve aanwijzing, zoals de loutere wil van de onderneming die niet op de markt in kwestie aanwezig is om deze markt te betreden of het beeld over die onderneming dat leeft bij de reeds op die markt actieve onderneming, kan dus geen autonome, beslissende of onmisbare aanwijzing vormen om potentiële mededinging aan te tonen.
70 Zoals de advocaat-generaal in punt 66 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, staat er niettemin niets aan in de weg dat subjectief bewijsmateriaal in aanmerking wordt genomen om objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te onderbouwen, en aldus het bewijs te versterken dat er reële en concrete mogelijkheden bestaan om de markt in kwestie te betreden.
71 Wat meer in het bijzonder de perceptie betreft die een reeds op de markt aanwezige onderneming heeft van de onderneming waarmee zij een overeenkomst heeft gesloten die erin voorziet dat laatstgenoemde onderneming buiten die markt wordt gehouden, zij opgemerkt, zoals de advocaat-generaal dit heeft gedaan in punt 73 van zijn conclusie, dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst een sterke aanwijzing vormt dat er sprake is van potentiële mededinging. Mochten de partijen bij een niet-concurrentieovereenkomst elkaar niet beschouwen als potentiële concurrenten, zouden zij in beginsel geen enkele reden hebben om een dergelijke overeenkomst te sluiten. Deze aanwijzing kan dus nuttig zijn om objectieve gegevens te staven die aantonen dat er voor de niet op de markt aanwezige onderneming reële en concrete mogelijkheden zijn om die markt te betreden.
72 Wat in de tweede plaats de activiteiten – vóór de ondertekening van de aan de orde zijnde overeenkomst – betreft van de entiteiten van de groep waarvan deze onderneming deel uitmaakt, alsook de activiteiten van deze onderneming op de markt in kwestie en op de upstream- en aanverwante markten, moet worden geoordeeld dat dergelijke factoren ook in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van potentiële mededinging. Het is juist dat het bestaan van reële en concrete mogelijkheden om de markt in kwestie te betreden, moet worden beoordeeld ten tijde van de sluiting van de betreffende overeenkomst, zodat aanwijzingen over omstandigheden die zich na het sluiten van die overeenkomst hebben voorgedaan, logischerwijs zijn uitgesloten. Hetzelfde geldt echter niet voor de eerdere economische activiteiten op de markt in kwestie of op de upstream- of aanverwante markten van entiteiten van de groep waartoe de niet op die markt aanwezige onderneming behoort of van deze onderneming op deze markten. Dergelijke activiteiten kunnen met name relevant zijn om eventuele toetredingsdrempels of de structuur van de markt te bepalen, of aanwijzingen vormen voor een potentiële levensvatbare economische strategie om de markt in kwestie te betreden.
73 In casu merkt de verwijzende rechter op dat Sodesa, waarover de Sonae-groep en Endesa – de gevestigde onderneming op de Spaanse markt voor de productie en levering van elektriciteit – gezamenlijk zeggenschap hadden, in Portugal actief was op de markt voor de levering van elektriciteit van 2002 tot en met 2008. Voorts heeft de Sonae-groep via een van haar entiteiten een onderneming verworven die eigenaar en exploitant was van een warmte-krachtkoppelingscentrale. Bovendien produceerde Modelo Continente ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst elektriciteit door middel van mini- en micro-installaties op het dak van haar verkoopruimten en verkocht zij deze elektriciteit aan de noodleverancier. Wat ten slotte verwante markten betreft, wijst de rechter er ook op dat Modelo Continente met een distributeur van vloeibare brandstoffen een overeenkomst voor wederzijdse kortingen heeft gesloten die vergelijkbaar is met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst.
74 Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet in dit verband worden geoordeeld dat er rekening kan worden gehouden met de economische activiteiten van de verschillende entiteiten van de groep op de markt in kwestie van vóór de ondertekening van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde partnerschapsovereenkomst, aangezien zij relevante feitelijke elementen vormen die kunnen duiden op potentiële mededinging, los van de vraag of de Sonae-groep als één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht kon worden beschouwd. Naast het feit dat er sprake is van de mogelijke ontwikkeling of overdracht van knowhow die nuttig is om de markt in kwestie te betreden, kunnen dergelijke gegevens met name relevant zijn om te beoordelen of het voor de betrokken onderneming economisch haalbaar zou kunnen zijn om die markt te betreden. Dit kan met name het geval zijn wanneer de onderneming reeds heeft aangetoond dat zij in staat is haar sterke aanwezigheid op een bepaalde geografische markt te gebruiken om nieuwe activiteitensectoren te betreden via partnerschappen met ondernemingen die reeds actief zijn op de productmarkten in kwestie. In dezelfde zin kan rekening worden gehouden met de activiteiten van de betrokken onderneming op markten die verwant zijn met de markt in kwestie, indien daarmee kan worden aangetoond dat er voor die onderneming reële en concrete mogelijkheden zijn om die markt te betreden.
75 Wat in de derde plaats de relevantie betreft van de voorbereidende stappen van de betrokken onderneming om de markt in kwestie te betreden, is het zo dat deze, zoals de advocaat-generaal in punt 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, geen opzichzelfstaand vereiste kunnen vormen om aan te tonen dat er sprake is van potentiële mededinging. Dergelijke stappen zijn namelijk enkel relevant voor zover zij nuttig kunnen zijn om aan te tonen dat de betrokken onderneming reële en concrete mogelijkheden had om de markt in kwestie te betreden. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat het noodzakelijk is dat wordt aangetoond dat de betrokken onderneming voorbereidende stappen heeft ondernomen om als potentiële concurrent op de markt in kwestie te worden beschouwd.
76 Hoe dan ook hangt het eventuele belang van dergelijke stappen om de markt in kwestie te betreden met name af van de structuur van deze markt en van de economische en juridische context die de werking ervan beheerst. Zo heeft het Hof in wezen geoordeeld dat dergelijke stappen belangrijk kunnen zijn wanneer deze markt, net als de geneesmiddelenmarkt, talrijke toetredingsdrempels heeft [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 43].
1) Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
een onderneming die een netwerk van detailhandelaars in consumentengoederen beheert, op de elektriciteitsmarkt moet worden beschouwd als een potentiële concurrent van een elektriciteitsleverancier met wie zij een partnerschapsovereenkomst met een concurrentiebeding heeft gesloten, ook al is die onderneming ten tijde van de sluiting van die overeenkomst niet actief op die markt, wanneer aan de hand van een geheel van onderling overeenstemmende feitelijke gegevens, waarbij er rekening wordt gehouden met de structuur van de markt en met de economische en juridische context die de werking ervan beheerst, wordt aangetoond dat er voor die onderneming reële en concrete mogelijkheden bestaan om tot die markt toe te treden en de concurrentie aan te gaan met die leverancier."
HvJ EU 26 oktober 2023, nr. C-331/21 (EDP - Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "132 Indien de geldigheid van een octrooi ter bescherming van een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging daarvan definitief zou zijn vastgesteld voor alle rechterlijke instanties die met deze vraag zijn belast, zou het inderdaad moeilijk voorstelbaar zijn dat aan andere elementen van de economische en juridische context die objectief kenmerkend zijn voor de concurrentieverhoudingen tussen de houder van die octrooien en een fabrikant van generieke geneesmiddelen, de gevolgtrekking kan worden ontleend dat zij nog in een potentiële concurrentieverhouding met elkaar staan. Wanneer geschillen over de geldigheid van het betrokken octrooi nog aanhangig zijn, staat het evenwel aan de administratieve autoriteit of de bevoegde rechter om alle relevante gegevens te onderzoeken alvorens tot de slotsom te komen dat die houder en die fabrikant geen potentiële concurrenten zijn, zoals volgt uit de in punt 102 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
(...)
178 Het feit dat ondernemingen een schikkingsovereenkomst inzake een octrooigeschil aangaan met daaraan gekoppeld een licentieovereenkomst die op datzelfde octrooi betrekking heeft, vormt op zich geen mededingingsbeperkende gedraging. Afhankelijk van hun inhoud en hun economische context kunnen dergelijke overeenkomsten echter een middel vormen dat het commerciële gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig kan beïnvloeden dat de mededinging op de markt waarop deze twee ondernemingen actief zijn, wordt beperkt of vervalst (zie naar analogie arrest van 17 november 1987, British American Tobacco en Reynolds Industries/Commissie, 142/84 en 156/84, EU:C:1987:490, punt 37).
179 Collusie valt alleen onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer aan verschillende voorwaarden is voldaan, die niet afhangen van het rechtskarakter ervan of van de juridische instrumenten voor de uitvoering ervan, maar van de verhouding tussen deze collusie en de mededinging. Aangezien de toepassing van deze bepaling berust op de beoordeling van de economische gevolgen van de betrokken gedragingen, mag in deze bepaling niet enig vooroordeel met betrekking tot een door haar rechtskarakter bepaalde groep overeenkomsten worden gelezen, aangezien elke overeenkomst moet worden beoordeeld aan de hand van haar specifieke inhoud en haar economische context, en met name in het licht van de situatie op de betrokken markt (zie in die zin arresten van 30 juni 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, blz. 413, en 17 november 1987, British American Tobacco en Reynolds Industries/Commissie, 142/84 en 156/84, EU:C:1987:490, punt 40). Zoals de advocaat-generaal met name in punt 127 van haar conclusie heeft benadrukt, zou de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie ernstig worden ondermijnd indien de partijen bij mededingingsverstorende overeenkomsten zich aan de toepassing van artikel 101 VWEU zouden kunnen onttrekken door die overeenkomsten eenvoudigweg een bepaalde vorm te geven.
180 Naast het feit dat de schikkings- en licentieovereenkomsten met Krka in casu betrekking hebben op afzonderlijke markten en het feit dat de markten waarop de licentieovereenkomst met Krka betrekking heeft niet binnen de werkingssfeer van de inbreuk op artikel 101 VWEU vallen, moet worden benadrukt dat hoewel de sluiting door de octrooihouder van een schikkingsovereenkomst met betrekking tot een geschil met een fabrikant van generieke geneesmiddelen die van een inbreuk wordt beschuldigd, inderdaad de uitdrukking vormt van het intellectuele-eigendomsrecht van deze houder en deze sluiting hem in staat stelt zich met name tegen elke inbreuk te verzetten, neemt dit immers niet weg dat dit octrooi de houder ervan niet toestaat overeenkomsten te sluiten die in strijd zijn met artikel 101 VWEU [zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Generics (UK) e.a., C‑307/18, EU:C:2020:52, punt 97]."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-176/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:549.
- "110 In het licht van die rechtspraak en de rechtspraak die in punt 81 van het onderhavige arrest wordt aangehaald moet worden vastgesteld dat uit de in punt 108 hierboven samengevatte redenering van het Gerecht geen onjuiste rechtsopvatting blijkt. Uit die rechtspraak volgt immers met name dat het bestaan van een octrooi dat een oorspronkelijk geneesmiddel of een van de werkwijzen voor de vervaardiging ervan beschermt en waarvan de geldigheid niet definitief door de rechter is vastgesteld – ook al maakt het ontegenzeglijk deel uit van de relevante context –, en dus a fortiori de perceptie die een fabrikant van generieke geneesmiddelen kan hebben van de kracht van dat octrooi, op zich niet doorslaggevend is bij de beoordeling of er een potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen die fabrikant en de houder van dat octrooi.
111 Bovendien is de perceptie door een fabrikant van generieke geneesmiddelen van de kracht van een octrooi, zoals die blijkt uit actueel en betrouwbaar bewijs en niet uit zijn eigen beweringen, weliswaar een van de relevante factoren naast andere factoren – zoals de genomen voorbereidende stappen voor markttoetreding – om de intenties van die fabrikant en dus zijn eventueel vast voornemen om de markt te betreden te beoordelen, maar is die perceptie, die per definitie subjectief blijft, in beginsel niet relevant voor de vraag of hij in staat is om die markt daadwerkelijk te betreden, en evenmin voor de vraag of die toetreding objectief gezien op onoverkomelijke obstakels stoot.
(...)
118 Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, kan, anders dan Servier stelt, het feit dat administratieve stappen zijn ondernomen om een VHB voor een generiek geneesmiddel te verkrijgen, in aanmerking worden genomen om aan te tonen dat de fabrikant van dit geneesmiddel reële en concrete mogelijkheden had om de markt van het oorspronkelijke geneesmiddel te betreden. Gelet op de in punt 80 van het onderhavige arrest genoemde elementen zijn dergelijke stappen immers relevant voor het bewijs dat die fabrikant het vaste voornemen had en in staat was om tot die markt toe te treden.
(...)
120 Zoals in wezen blijkt uit dat punt 340 en zoals de advocaat-generaal in punt 103 van haar conclusie in essentie opmerkt, volstaat een uitstel van de toetreding als gevolg van dergelijke vertragingen op zich echter niet om eraan te twijfelen dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen de hoedanigheid van potentiële concurrent heeft, met name wanneer hij stappen onderneemt om de moeilijkheden die de vertragingen hebben veroorzaakt, op te lossen. Wat van belang is, is namelijk of die fabrikant vanwege zijn vaste voornemen en zijn eigen vermogen om toe te treden, concurrentiedruk op de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen blijft uitoefenen. Zoals uit punt 80 van het onderhavige arrest blijkt, moet, om te achterhalen of aan deze voorwaarden is voldaan, worden nagegaan of de fabrikant van generieke geneesmiddelen voldoende voorbereidende stappen heeft ondernomen om de betrokken markt te kunnen betreden binnen een zodanige periode dat de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen onder druk komt te staan. Zoals het Hof reeds heeft verduidelijkt, is het daarbij niet van belang of deze stappen daadwerkelijk tijdig zullen worden afgerond of dat zij succesvol zullen zijn (arrest van 25 maart 2021, Lundbeck/Commissie, C‑591/16 P, EU:C:2021:243, punt 84)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
- "124 Volgens deze rechtspraak is het zo dat wanneer de Commissie erin slaagt potentiële mededinging tussen twee ondernemingen aan te tonen op basis van een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen en zonder voorbij te gaan aan eventuele tegenbewijzen waarvan zij daadwerkelijk kennis heeft gekregen in het kader van het belastende en ontlastende onderzoek – met name tegenbewijzen van mogelijke belemmeringen voor toetreding tot de markt –, het aan die ondernemingen staat om het bestaan van een dergelijke mededinging te weerleggen door het tegenbewijs te leveren, hetgeen zij kunnen doen hetzij in de administratieve procedure, hetzij voor het eerst in het kader van het beroep voor het Gerecht (zie, wat dit laatste betreft, arrest van 21 januari 2016, Galp Energía España e.a./Commissie, C‑603/13 P, EU:C:2016:38, punt 72). Een dergelijke bewijslast vormt geen ongerechtvaardigde omkering van de bewijslast en evenmin een probatio diabolica, aangezien het volstaat dat de betrokken ondernemingen het bewijs leveren van een positief feit, namelijk het bestaan van technische, reglementaire, commerciële of financiële moeilijkheden die naar hun mening voor een van hen onoverkomelijke obstakels vormen voor de toegang tot de markt. Wanneer dergelijk bewijs wordt geleverd, staat het aan de Commissie om na te gaan of haar analyse dat er sprake is van potentiële mededinging daardoor wordt ontkracht.
125 Indien de Commissie daarentegen zou moeten aantonen dat dergelijke moeilijkheden zich niet voordoen en er dus geen enkele onoverkomelijke hinderpaal is voor de toegang van een van de betrokken ondernemingen tot de markt, zou zij een probatio diabolica moeten leveren. Het Gerecht heeft overigens in punt 386 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat het bewijs van potentiële mededinging vaak bestaat uit interne gegevens van de betrokken ondernemingen, die het best door hen zelf kunnen worden verzameld.
(...)
126 Evenzo kan niet worden geoordeeld dat de in punt 124 van het onderhavige arrest beschreven bewijslast schending van het beginsel van behoorlijk bestuur oplevert op grond dat die bewijslast impliceert dat van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen wordt verlangd dat hij voor zijn verdediging bewijs overlegt dat niet in zijn bezit is maar berust bij de fabrikanten van generieke geneesmiddelen. Deze grief houdt immers geen rekening met het recht op toegang tot het dossier in mededingingszaken, dat tot doel heeft de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen vanaf de administratieve procedure kennis te nemen van het bewijsmateriaal in het dossier van de Commissie, zodat zij zich kunnen verdedigen. Dat recht op toegang tot het dossier impliceert dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid biedt om alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die relevant kunnen zijn voor haar verdediging. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (arrest van 14 mei 2020, NKT Verwaltungs en NKT/Commissie, C‑607/18 P, EU:C:2020:385, punten 261 en 262 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aldus moeten alle gegevens waarvan de Commissie in het stadium van de administratieve procedure kennis krijgt, met inbegrip van die welke door de fabrikanten van generieke geneesmiddelen worden overgelegd en die potentieel ontlastend zijn, worden opgenomen in het dossier waartoe de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen in beginsel toegang heeft, zodat deze de eventuele onoverkomelijke obstakels voor die fabrikanten van generieke geneesmiddelen kan vaststellen en zich daarop kan beroepen tijdens de administratieve procedure of voor het Gerecht."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
- "207 Volgens hetgeen in de punten 80 en 120 van het onderhavige arrest is uiteengezet met betrekking tot de relevantie – bij de beoordeling van potentiële mededinging – van de stappen voor het verkrijgen van VHB’s, heeft het Gerecht in punt 479 van het bestreden arrest terecht in herinnering gebracht dat de Commissie zich voor de vaststelling van het bestaan van potentiële mededinging kan baseren op het feit dat de fabrikant van het generieke geneesmiddel een VHB had aangevraagd en actief had deelgenomen aan de verleningsprocedure daarvoor. Het staat daarentegen aan die fabrikant om te bewijzen dat bepaalde problemen objectief gezien in de weg staan aan het verkrijgen van die vergunning.
208 Zoals de advocaat-generaal in punt 103 van haar conclusie opmerkt, staat het echter – op dezelfde wijze als de waarschijnlijke uitkomst van een lopend geding over de geldigheid van een octrooi niet doorslaggevend is voor de vraag of er sprake is van een potentiële concurrentieverhouding, zoals blijkt uit de in punt 81 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak – niet aan de Commissie om de kans van slagen of de waarschijnlijke uitkomst van een door een dergelijke fabrikant bij de nationale autoriteiten ingeleide procedure voor het verlenen van een VHB te beoordelen op een tijdstip waarop die procedure loopt of nog liep. Bij gebreke van een beslissing die een einde maakt aan een dergelijke procedure, kunnen eventuele problemen die objectief gezien in de weg staan aan het verkrijgen van de aangevraagde vergunning, bijgevolg niet worden aangetoond met bewijzen aangaande twijfels die de bevoegde nationale autoriteiten, onverminderd hun eindbeslissing, hebben geuit over de kansen dat de procedure tot een vergunning leidt."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
nevenrestricties
89 Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat wanneer een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt omdat zij geen invloed of een positieve invloed heeft op de mededinging, een beperking van de commerciële autonomie van één of meer partijen bij die transactie of die activiteit evenmin onder dit verbod valt indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is met de doelstelling ervan (zie in die zin met name arresten Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punten 19 en 20; Pronuptia de Paris, 161/84, EU:C:1986:41, punten 15‑17; DLG, C‑250/92, EU:C:1994:413, punt 35, en Oude Luttikhuis e.a., C‑399/93, EU:C:1995:434, punten 12‑15).
90 Wanneer het bestaan of de doelstellingen van de primaire transactie of activiteit in het gedrang komen bij gebreke van die beperking, moet de verenigbaarheid van die beperking met artikel 81 EG namelijk samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waarvan zij de nevenrestrictie vormt, ook al kan die restrictie – afzonderlijk beschouwd – op het eerste gezicht onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG lijken te vallen.
91 Ter bepaling of een mededingingsverstorende restrictie aan het in artikel 81, lid 1, EG neergelegde verbod kan ontsnappen omdat zij een nevenrestrictie vormt van een primaire transactie die de mededinging niet beperkt, moet worden nagegaan of deze transactie nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder de betrokken beperking. Anders dan rekwirantes betogen, leidt het feit dat die transactie bij gebreke van de beperking in kwestie gewoon moeilijker te realiseren is of minder winstgevend is er niet toe dat die beperking „objectief noodzakelijk” is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou immers erop neerkomen dat dit begrip wordt uitgebreid tot beperkingen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de primaire transactie. Een dergelijk resultaat zou afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 81, lid 1, EG vervatte verbod.
92 Deze uitlegging leidt niet tot verwarring tussen enerzijds de in de rechtspraak gestelde voorwaarden om een restrictie als nevenrestrictie te kunnen aanmerken voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG, en anderzijds het onmisbaarheidscriterium van artikel 81, lid 3, EG, op grond waarvan een verboden restrictie kan worden vrijgesteld.
93 Dienaangaande hoeft er enkel aan te worden herinnerd dat deze twee bepalingen andere doelstellingen nastreven en dat het laatstbedoelde criterium ziet op de vraag of een coördinatie tussen ondernemingen die duidelijk ongunstige gevolgen heeft voor de mededingingsparameters – zoals met name de prijs, de hoeveelheid en de kwaliteit van de producten of diensten – en die dus onder het in artikel 81, lid 1, EG bedoelde verbod valt, op grond van artikel 81, lid 3, EG niettemin onmisbaar kan worden geacht om de productie of de verdeling te verbeteren of de technische of economische vooruitgang te bevorderen, waarbij tegelijkertijd een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de consumenten ten goede komt. Zoals uit de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest blijkt, heeft het criterium van de objectieve noodzakelijkheid in de zin van diezelfde punten daarentegen betrekking op de vraag of het gevaar bestaat dat een primaire transactie of activiteit die niet onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt en waaraan een bepaalde restrictie van de commerciële autonomie ondergeschikt is, zonder die restrictie niet meer kan worden gerealiseerd of voortgezet.
HvJEU 11 september 2014, nr. C-382/12P, ECLI:EU:C:2014:2201 (MasterCard tegen Commissie)
108 Dienaangaande moet worden beklemtoond dat het van belang is dat de contrafeitelijke hypothese, ongeacht in welke context of met welk doel zij wordt gebezigd, afgestemd is op de kwestie die zij geacht wordt op te helderen en dat de aanname waarop zij berust niet irrealistisch is.
109 De Commissie mag zich ter weerlegging van de stelling dat een bepaalde restrictie een nevenrestrictie is in de zin van de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest, dus baseren op het bestaan van realistische alternatieven die de mededinging minder beperken dan de restrictie in kwestie.
HvJEU 11 september 2014, nr. C-382/12P, ECLI:EU:C:2014:2201 (MasterCard tegen Commissie)
- "316 According to the settled case-law of the Court of Justice, recalled by the General Court in paragraph 315 of the judgment under appeal, in order to assess the existence of anticompetitive effects caused by an agreement between undertakings, it is necessary to compare the competitive situation resulting from that agreement and the situation that would exist in its absence (see, to that effect, judgments of 30 June 1966, LTM, 56/65, EU:C:1966:38, p. 250; of 11 September 2014, MasterCard and Others v Commission, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, paragraph 161; and 18 November 2021, Visma Enterprise, C‑306/20, EU:C:2021:935, paragraph 74).
317 The purpose of that ‘counterfactual’ method is to identify, in the context of the application of Article 101(1) TFEU, the existence of a causal link between, on the one hand, an agreement between undertakings and, on the other, the structure or functioning of competition on the market within which that agreement produces its effects. That method thus makes it possible to ensure that characterisation as a restriction of competition by effect is reserved for agreements displaying not a mere correlation to a deterioration in the competitive situation of that market, but for those agreements that are the cause of that deterioration.
318 The raison d’être of the counterfactual method is that any attempt to identify such a relationship of cause and effect runs up against the fact that it is impossible, in practice, to observe the state of the market at the same time with and without the agreement concerned, as those two states are, by definition, mutually exclusive. It is therefore necessary to compare the observable situation, namely that resulting from that agreement, with the situation which would have arisen had that agreement not been adopted. That method therefore requires an observable situation to be compared with a scenario which, by definition, is hypothetical, in the sense that it has not materialised. When appraising the effects of an agreement between undertakings in the light of Article 101 TFEU, it is necessary to take into consideration the actual context in which that agreement is situated, in particular the economic and legal context in which the undertakings concerned operate, the nature of the goods or services affected, as well as the real conditions of the functioning and the structure of the market or markets in question. It follows that the counterfactual scenario, envisaged on the basis of the absence of that agreement, must be realistic and credible (see, to that effect, judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraphs 115 to 120).
319 It is therefore essential, for the correct application of the counterfactual method, to ensure that the comparison made is based on sound and verifiable grounds, as regards both the observed situation – that resulting from the agreement between undertakings – and the counterfactual scenario. In order to do so, the time reference point for making such a comparison must be the same for the situation observed and for the counterfactual scenario, since the anticompetitive nature of an act must be evaluated at the time when it was committed (see, to that effect, judgment of 6 December 2012, AstraZeneca v Commission, C‑457/10 P, EU:C:2012:770, paragraph 110).
320 It follows that, in so far as the counterfactual scenario is intended to give a realistic picture of the market situation as it would have occurred in the absence of the agreement that was concluded, that scenario cannot be based on events subsequent to the date of conclusion of that agreement precisely because, on that date, those events had not occurred and, in the circumstances of the present case, could not occur in the future due to the existence of the Krka agreements (today’s judgment, Commission v Servier and Others, C‑176/19 P, paragraph 343).
321 Unlike the counterfactual scenario, the situation observed is that corresponding to the competitive conditions which exist at the time of conclusion of the agreement and which result from it. That situation is what actually occurred and it is therefore not necessary to rely on realistic assumptions in order to assess it. Accordingly, for the purposes of establishing an infringement of Article 101 TFEU, events subsequent to the conclusion of that agreement may be taken into account in order to assess that situation. However, in accordance with the case-law referred to in paragraph 319 of the present judgment, such events are relevant only in so far as they help to determine the competitive conditions obtaining at the time when that infringement was committed, as they result directly from the existence of that agreement.
(...)
327 It is true that, in the case of an agreement the implementation of which has changed the number or conduct of undertakings already present within the same market, the application of the counterfactual method may, from a practical point of view and depending on the factual circumstances, amount to a comparison between, on the one hand, the state of competition between those undertakings before the conclusion of that agreement and, on the other, the coordination between those undertakings brought about by the implementation of that agreement, which may be evidenced, where applicable, by events subsequent to its conclusion.
328 However, where an agreement leads not to a change but, on the contrary, to keeping unchanged the number or the conduct of competing undertakings already present within that market by postponing or delaying the entry of a new competitor to that market, a mere comparison between the situations found to exist on that market before and after the implementation of that agreement would be insufficient to support the conclusion that there has been no anticompetitive effect. In such a situation, the anticompetitive effect arises from the certain disappearance, as a result of that agreement, of a source of competition which, at the time that agreement was concluded, remains potential, in so far as it is exerted by an undertaking which, although not yet present on the market concerned, is nevertheless capable of affecting the conduct of the undertakings already present on that market because of the credible threat of its entering that market."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "148 In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer een bepaalde transactie of activiteit niet onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU valt omdat zij geen invloed heeft op de mededinging – in die zin dat zij niet mededingingsbeperkend werkt – een nevenrestrictie van de commerciële autonomie van een of meer partijen bij die transactie of die activiteit evenmin onder dit verbod valt indien die beperking objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die transactie of activiteit en evenredig is met de doelstelling ervan (zie in die zin arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
149 Wanneer het bestaan of de doelstellingen van de primaire transactie of activiteit in het gedrang komen zonder die nevenrestrictie, moet de verenigbaarheid van die beperking met artikel 101 VWEU namelijk samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waarvan zij de nevenrestrictie vormt, ook al kan die restrictie – afzonderlijk beschouwd – op het eerste gezicht onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU lijken te vallen (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 70).
150 Om te bepalen of een mededingingsverstorende restrictie aan het in artikel 101, lid 1, VWEU neergelegde verbod kan ontsnappen omdat zij een nevenrestrictie vormt van een primaire transactie die de mededinging niet beperkt, moet worden nagegaan of deze transactie nog zou kunnen worden uitgevoerd zonder de betrokken beperking. De omstandigheid dat die transactie zonder de restrictie in kwestie gewoon moeilijker te realiseren is of minder winstgevend is, leidt er niet toe dat die restrictie objectief noodzakelijk is, hetgeen zij moet zijn om als nevenrestrictie te kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke uitlegging zou er immers op neerkomen dat dit begrip wordt uitgebreid tot beperkingen die niet strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de primaire transactie. Een dergelijk resultaat zou afdoen aan de nuttige werking van het in artikel 101, lid 1, VWEU vervatte verbod (arrest van 23 januari 2018, F. Hoffmann-La Roche e.a., C‑179/16, EU:C:2018:25, punt 71)."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
Intellectuele eigendom - octrooi
- "26 DE COMMISSIE IS WELISWAAR NIET BEVOEGD OM DE OMVANG VAN EEN OCTROOI TE BEPALEN , DOCH ZULKS BETEKENT NIET DAT ZIJ LIJDELIJK MAG TOEZIEN , WANNEER DE OMVANG VAN HET OCTROOI VAN BELANG IS OM UIT TE MAKEN OF ER EEN INBREUK IS GEPLEEGD OP DE ARTIKELEN 85 OF 86 EEG-VERDRAG . OOK IN GEVALLEN WAARIN DE DOOR EEN OCTROOI VERLEENDE BESCHERMING HET VOORWERP VORMT VAN EEN PROCEDURE VOOR DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES , MOET DE COMMISSIE HAAR BEVOEGDHEDEN KUNNEN UITOEFENEN OVEREENKOMSTIG DE BEPALINGEN VAN VERORDENING NR . 17 .27 OVERIGENS WORDT DE POSITIE VAN EEN ONDERNEMING WAARTEGEN EEN PROCEDURE OP GROND VAN VERORDENING NR . 17 IS INGELEID , NIET GESCHAAD DOOR DE BEVINDINGEN VAN DE COMMISSIE . IN DE EERSTE PLAATS PREJUDICIEREN DIE BEVINDINGEN NIET OP DE LATERE UITSPRAKEN VAN NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES IN BIJ HEN AANHANGIG GEMAAKTE GESCHILLEN OVER OCTROOIRECHTEN ; IN DE TWEEDE PLAATS IS DE BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE VATBAAR VOOR TOETSING DOOR HET HOF VAN JUSTITIE .28 BIJ DEZE TOETSING DIENT HET HOF ZICH TE BEPALEN TOT DE VRAAG OF , GELET OP DE SITUATIE RECHTENS IN DE STAAT WAAR HET OCTROOI IS VERLEEND , DE COMMISSIE DE OMVANG VAN DAT OCTROOI OP REDELIJKE WIJZE HEEFT BEOORDEELD . BIJGEVOLG MOET IN CASU WORDEN NAGEGAAN , OF DE COMMISSIE ZICH TERECHT OP HET STANDPUNT HEEFT GESTELD , DAT HET AAN WSI VERLEENDE DUITSE OCTROOI ENKEL BETREKKING HAD OP TUIG VOOR EEN ZEILPLANK , EN NIET OP EEN ZEILPLANKROMP ."
HvJ 25 februari 1986, nr. 193/83 (Windsurfing tegen Commissie), ECLI:EU:C:1986:75.
- "14 Volgens de Commissie moet een beding in een licentieovereenkomst betreffende de niet-betwisting van een recht van industriële eigendom in beginsel worden aangemerkt als een beperking van de mededinging. Een dergelijk beding zou echter verenigbaar zijn met artikel 85, lid 1, indien het voorkwam in een overeenkomst die een einde beoogt te maken aan een voor een rechterlijke instantie aanhangig geding, mits er aan het bestaan van het litigieuse industriële eigendomsrecht gerede twijfel bestaat, de overeenkomst geen andere bedingen bevat die de mededinging beperken, en het niet-betwistingsbeding betrekking heeft op het betwiste recht.
15 Het standpunt van de Commissie kan niet worden aanvaard. Artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag verbiedt bepaalde „overeenkomsten" en maakt daarbij geen enkel onderscheid tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen, en overeenkomsten die een ander doel nastreven. Hierbij zij aangetekend, dat het oordeel over een dergelijke minnelijke regeling niet vooruitloopt op de vraag, of en in hoeverre een voor een nationaal gerecht tot standgekomen gerechtelijke schikking, die een rechterlijke uitspraak vormt, nietig kan zijn wegens schending van het communautaire mededingingsrecht.
16 Een niet-betwistingsbeding in een octrooi-licentieovereenkomst kan op grond van de juridische en economische context het karakter hebben van een mededingingsbeperking in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
17 Met betrekking tot die context zij aangetekend, dat er geen sprake is van een mededingingsbeperking, wanneer de licentie om niet is verleend, aangezien de licentienemer in dat geval niet te lijden heeft van de concurrentienadelen die samenhangen met de betaling van een vergoeding.
18 Een niet-betwistingsbeding in een overeenkomst betreffende een licentie onder bezwarende titel is evenmin beperkend voor de mededinging, indien de licentie betrekking heeft op een technisch achterhaald procédé waarvan de betrokken onderneming geen gebruik heeft gemaakt.
19 Mocht de nationale rechter tot de slotsom komen, dat het niet-betwistingsbeding in de overeenkomst betreffende de licentie onder bezwarende titel de handelingsvrijheid van de licentienemer beperkt, dan dient hij nog na te gaan of dit beding, gelet op de positie die de onderhavige ondernemingen op de markt voor de betrokken produkten innemen, de mededinging merkbaar kan beïnvloeden.
20 Ten slotte moet worden gepreciseerd, dat indien aan deze voorwaarde is voldaan, een overeenkomst waarbij wederzijds licenties worden verleend voor industriële eigendomsrechten die in verschillende Lid-Staten van de Gemeenschap zijn beschermd, de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden zelfs indien de partijen bij de overeenkomst in dezelfde Lid-Staat zijn gevestigd.
(…)
Een niet-betwistingsbeding in een octrooi-licentieovereenkomst kan, naar gelang de juridische en economische context waarin het voorkomt, het karakter hebben van een beperking van de mededinging in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Dit is echter niet het geval, wanneer bij de overeenkomst die het beding bevat, een licentie om niet is verleend en de licentienemer dus niet te lijden heeft van de concurrentienadelen die samenhangen met de betaling van een vergoeding, of indien de licentie onder bezwarende titel is verleend, maar betrekking heeft op een technisch achterhaald procédé waarvan geen gebruik werd gemaakt door de onderneming die zich heeft verbonden om het octrooi niet te betwisten."
HvJ 27 september 1988, nr. 65/86 (Bayer en Maschinenfabrik Hennecke tegen Heinz Süllhöfer), ECLI:EU:C:1988:448.
"124 Although the exclusive right conferred by a patent normally has the effect of keeping competitors away, since public regulations require them to respect that exclusive right (judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission, T‑321/05, EU:T:2010:266, paragraph 362), that competition-excluding effect concerns the actual competitors selling infringing products. A patent confers on its holder the exclusive right to use an invention with a view to manufacturing industrial products and putting them into circulation for the first time, as well as the right to oppose infringements (judgments of 31 October 1974, Centrafarm and de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, paragraph 9; of 14 July 1981, Merck, 187/80, EU:C:1981:180, paragraph 9; and of 16 July 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, paragraph 46), but does not, by itself, preclude operators from taking the necessary steps to be in a position to enter the relevant market following the expiry of the patent and, thus, exerting competitive pressure on the patent holder characteristic of the existence of potential competition before that expiry. Nor does it preclude operators from carrying out the actions necessary for the manufacture and marketing of a non-infringing product, as a result of which they may be regarded as actual competitors of the patent holder upon their market entry and, as the case may be, as potential competitors until that market entry (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 164).
125 Ruling on the appeal brought against the judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission (T‑321/05, EU:T:2010:266), the Court of Justice itself acknowledged, in its judgment of 6 December 2012, AstraZeneca v Commission (C‑457/10 P, EU:C:2012:770, paragraph 108), that potential competition could exist in a market even before the expiry of a patent. More specifically, the Court of Justice held, in paragraph 108 of that judgment — which, contrary to the intervener’s submissions at the hearing, is not merely obiter dictum, and to which the Commission referred in recitals 1165 and 1169 of the contested decision — that supplementary protection certificates which are intended to extend the protection conferred by a patent lead to significant exclusionary effects after the expiry of the patents, but that they were ‘also liable to alter the structure of the market by adversely affecting potential competition even before that expiry’, and that finding concerning the exertion of potential competition before the expiry of the patents was independent of the fact that the supplementary protection certificates at issue in that judgment had been obtained fraudulently or irregularly.
126 That is particularly the case in the pharmaceutical sector, in which, under the legislation governing the grant of the marketing authorisations required in order to market a medicinal product, the competent authorities may grant a marketing authorisation for a generic product even if the reference product is protected by a patent. It follows from Directive 2001/83/EC of the European Parliament and of the Council of 6 November 2001 on the Community code relating to medicinal products for human use (OJ 2001 L 311, p. 67), as amended, that marketing authorisation applications for generic products may be dealt with in a shortened procedure based on the results of tests and trials submitted in the marketing authorisation application for the originator product and that the data relating to these results may be used and allow, consequently, the grant of a marketing authorisation before the expiry of the patent on the originator product (Article 10 of Directive 2001/83; see also recitals 74 and 75 of the contested decision). Thus, the legislation on the marketing of pharmaceutical products itself states that a generic company can enter the market with a lawfully granted marketing authorisation or, at the very least, begin the procedure for obtaining the marketing authorisation, during the protection period of the originator undertaking’s patent.
127 Furthermore, the system of protection of patents is designed in such a way that, although patents are presumed to be valid from the date of their registration (judgment of 1 July 2010, AstraZeneca v Commission, T‑321/05, EU:T:2010:266, paragraph 362), that presumption of validity does not automatically imply that all products placed on the market are infringing (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 121 and 122). As the Commission rightly points out in the contested decision (recitals 1169 to 1171 of that decision), there is no presumption of infringement, since infringement must be established by a court. As can be seen from the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75, paragraph 52), if a private operator which holds a patent could substitute its own discretion for that of the competent authority as regards the existence of an infringement of its patent, it could use that discretion in order to extend the protection of its patent (see also recital 1171 and footnote 1642 of the contested decision).
128 Contrary to the intervener’s assertions, the Commission’s approach in that respect does not overturn the presumption of validity enjoyed by patents. The intervener relies on an erroneous reading of the contested decision, since the Commission indicated in that decision, in essence and correctly (see paragraphs 124 to 127 above), not that the patent was presumed invalid until the adoption of a court decision relating to its validity and to the existence of an infringement, but that, until the adoption of such a decision, the presumption of validity of the patent did not prevent an at risk market entry (see recitals 1171 and 1176 of the contested decision).
129 It should be noted that the same lack of a presumption of infringement applies where the patent in question has been declared valid by a competent authority. Since a patent does not, as such, prevent the market entry of actual or potential competitors, the declaration of validity of that patent, if it is not accompanied by a declaration of infringement, does not preclude such competition.
130 It is therefore possible for an operator to take the risk of entering the market with a product, including a product that potentially infringes the patent in force, and that at risk entry or launch (see inter alia recitals 75 and 1176 of the contested decision) could be successful, if the patent holder decides not to bring an infringement action or, in the event that such an action is brought, if that infringement action is dismissed (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraphs 128 and 165).
131 It may also be noted in that regard that, contrary to the intervener’s assertions, the Commission was entitled to take the view, in recitals 1132 and 1169 of the contested decision, that patent challenges and decisions in relation to these patents constituted an ‘expression of competition’ as regards patents. In view of the risk of infringement to which all generic companies are exposed and the fact that private operators are not competent to determine whether infringement has occurred (see paragraph 127 above), litigation is one of the means by which generic companies can reduce that risk and enter the market, either by obtaining a declaration of non-infringement or by having the potentially infringed patent declared invalid (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 122). It also follows that, as long as the generic company has the possibility to bring litigation to challenge the patents concerned and thus clear a path to the market, it may be considered that those patents do not constitute insurmountable barriers to access and, accordingly, do not prevent potential competition from taking place."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"203 The Court of Justice has developed case-law in relation to various types of intellectual property rights intended to reconcile the competition rules with the exercise of these rights, without affecting their substance, by using the same reasoning as that which allows it to reconcile those rights and the free movement of goods. Thus, for the Court of Justice, the misuse of intellectual property rights must be penalised, but not the lawful exercise of those rights, which it defines on the basis of their specific subject matter, a concept which is used synonymously in the Court’s case-law with the concepts of the actual substance of those rights and the essential prerogatives of their proprietor. According to the Court of Justice, the exercise of the rights which form part of the specific subject matter of an intellectual property right thus concerns the existence of that right (see, to that effect, the Opinion of Advocate General Gulmann in RTE and ITP v Commission, C‑241/91 P, EU:C:1994:210, points 31 and 32 and the case-law cited). Nevertheless, the Court considers that the exercise of the exclusive right by the proprietor may, in exceptional circumstances, also give rise to conduct contrary to the competition rules (judgment of 6 April 1995, RTE and ITP v Commission, C‑241/91 P and C‑242/91 P, EU:C:1995:98, paragraph 50; see also, to that effect, judgment of 17 September 2007, Microsoft v Commission, T‑201/04, EU:T:2007:289, paragraph 691).
204 As regards patents, the Court of Justice has ruled that it is possible that the provisions of Article 101 TFEU may apply if the use of one or more patents, in concert between undertakings, should lead to the creation of a situation which may come within the concepts of agreements between undertakings, decisions of associations of undertakings or concerted practices within the meaning of Article 101(1) TFEU (judgment of 29 February 1968, Parke, Davis and Co., 24/67, EU:C:1968:11, p.110). It further considered, in 1974, that although the existence of rights recognised under the industrial property legislation of a Member State is not affected by Article 101 TFEU, the conditions under which those rights may be exercised may nevertheless fall within the prohibitions contained in that article and that this may be the case whenever the exercise of such a right appears to be the object, the means or the consequences of a restrictive agreement (judgment of 31 October 1974, Centrafarm and de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, paragraphs 39 and 40).
(...)
206 While it is not for the Commission or the General Court to rule on the validity of a patent, the existence of the patent must nevertheless be taken into account in the analysis carried out in the framework of the EU competition rules. The Court of Justice has already stated that although the Commission is not competent to determine the scope of a patent, it is still the case that it may not refrain from all action when the scope of the patent is relevant for the purposes of determining whether there has been an infringement of Article 101 or 102 TFEU, since even in cases where the protection afforded by a patent is the subject of proceedings before the national courts, the Commission must be able to exercise its powers in accordance with the provisions of Regulation No 1/2003, the Commission’s findings do not in any way pre-empt the determinations made later by national courts in disputes brought before them on the subject of patent rights and the Commission’s decision is subject to review by the EU judicature (judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission, 193/83, EU:C:1986:75, paragraphs 26 and 27).
207 Lastly, it must be noted that intellectual property rights are protected by the Charter of Fundamental Rights. Under Article 17(1) of the Charter of Fundamental Rights, to which the Treaty of Lisbon has conferred the same legal value as the Treaties (Article 6(1) TEU), ‘[e]veryone has the right to own, use, dispose of and bequeath his or her lawfully acquired possessions’, ‘[n]o one may be deprived of his or her possessions, except in the public interest and in the cases and under the conditions provided for by law, subject to fair compensation being paid in good time for their loss’ and ‘[t]he use of property may be regulated by law in so far as is necessary for the general interest’. Article 17(2) of the Charter of Fundamental Rights states, moreover, that ‘[i]ntellectual property shall be protected’. Consequently, the guarantees provided for in Article 17(1) of the Charter of Fundamental Rights, apply also to intellectual property. The Court of Justice has held that the recognition of intellectual property rights in the Charter of Fundamental Rights entails a need for a high level of protection of those rights and that it is necessary to strike a balance between maintaining free competition — in respect of which primary law and, in particular, Articles 101 and 102 TFEU prohibit abuses of a dominant position — and the requirement to safeguard intellectual-property rights, guaranteed by Article 17(2) the Charter of Fundamental Rights (see, to that effect, judgment of 16 July 2015, Huawei Technologies, C‑170/13, EU:C:2015:477, paragraphs 42 and 58)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"209 First of all, it should be noted that, as the applicants and the intervener submit, it is a priori legitimate for the parties to a dispute relating to a patent to conclude a settlement agreement rather than pursuing litigation before a court. As the Commission rightly stated in recital 1102 of the contested decision, companies are generally entitled to settle litigation, including patent litigation, and those settlements often benefit the parties to the dispute and allow for a more efficient allocation of resources than if litigation were to be pursued to judgment. An applicant is not required to pursue litigation which it voluntarily initiated. It should be added that the judicial settlement of disputes, in addition to the fact that it generates a cost to society, cannot be regarded as the preferred and ideal route for conflict resolution. An increase in litigation before the courts may reflect failures or shortcomings which could be remedied in other ways or be dealt with by appropriate prevention actions. If the national systems for granting patents or that of the EPO were experiencing such difficulties, for example by being too liberal in granting protection to processes which are devoid of inventive character, those problems could not justify an obligation or even an incentive for undertakings to pursue patent disputes until a judicial outcome is reached.
(...)
214 It follows from all of the foregoing that, for the purposes of reconciling patent law and competition law in the particular context of settlements between parties to a patent dispute, a balance must be struck between, on the one hand, the need to allow undertakings to make settlements, the growth of which is favourable to society and, on the other hand, the need to prevent the risk of misuse of settlement agreements, contrary to competition law, leading to entirely invalid patents being maintained and, especially in the medicinal products sector, an unjustified financial burden for public budgets."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919. Zie ook Beschikking Commissie van 26 november 2020 (Cephalon), PbEU 2021 C 32/9.
"286 In order to establish whether or not a reverse payment, that is to say a transfer of value from the originator company to the generic company, constitutes an inducement to accept non-marketing and non-challenge clauses, it is necessary to examine, taking into account its nature and its justification, whether the transfer of value covers only costs inherent in the settlement of the dispute. In the contested decision, the Commission therefore rightly examined whether the value transfer corresponded to the specific costs of the settlement for the generic company (see recitals 1592 to 1599 of the contested decision).
287 If a reverse payment provided for in a settlement agreement containing clauses restrictive of competition is aimed at compensating costs borne by the generic company that are inherent in that settlement, that payment cannot in principle be regarded as an inducement. Because they are inherent in the settlement agreement, there is an implication that those costs are, as such, based on the recognition of the validity of the disputed patents which that settlement is intended to affirm by bringing to an end the challenges to that validity and the potential infringement of those patents. It therefore cannot be considered that such a reverse payment creates doubts as to whether that settlement is based on the parties’ recognition of the validity of the patent in question (see paragraphs 226 and 227 above). Nevertheless, a finding of an inducement and of a restriction of competition by object is not ruled out in such a case. It means however that the Commission must prove that the amounts corresponding to those costs inherent in the settlement, even if they are established and precisely quantified by the parties to that settlement, are excessive (see, to that effect, recitals 1338, 1465, 1600 and 1973 of the contested decision). Such a disproportion would demonstrate that the costs concerned are not inherently linked with the settlement and, accordingly, it could not be inferred from the reimbursement of those costs that the settlement agreement is based on the recognition of the validity of the patents at issue.
288 It may be considered that the costs inherent in the settlement of the dispute include, in particular, litigation expenses incurred by the generic undertaking in the context of the dispute between it and the originator company. These expenses were incurred solely for the purposes of the litigation concerning the validity or the infringement of the patents in question, which the settlement is intended to bring to an end on the basis of an agreement acknowledging the validity of the patents. The compensation of those costs is therefore directly linked to that settlement. Consequently, where the litigation expenses of the generic company are established by the parties to the settlement, the Commission can find them to be inducive only by showing that they are disproportionate. In that respect, amounts corresponding to litigation expenses which have not been proved, on the basis of specific and detailed documents, to be objectively indispensable for the conduct of the litigation — having regard inter alia to the legal and factual complexity of the issues dealt with and the generic company’s financial interest in the dispute — must be regarded as disproportionate.
289 By contrast, some costs incumbent upon the generic company are, a priori, too extraneous to the dispute and to its settlement to be regarded as inherent in the settlement of a patent dispute. Those include, for example, the costs of manufacturing the infringing products, corresponding to the value of the stock of those products, and research and development expenses incurred in developing those products. Such costs and expenses are a priori incurred independently of the occurrence of litigation and its settlement and do not represent losses because of that settlement, as is clear from, in particular, the fact that, despite the marketing of the products in question being prohibited under the settlement agreement in question, they are often sold on markets not covered by that agreement and the fact that the research in question may be used to develop other products. The same is true of sums which must be paid by the generic undertaking to third parties as a result of contractual commitments which were not undertaken in the context of the dispute (for example supply contracts). Such costs incurred in terminating contracts concluded with third parties or in compensating third parties are usually imposed by the contracts in question or are directly connected with those contracts, which, moreover, were concluded by the generic company concerned independently of any dispute with the originator company or its settlement. It is therefore for the parties to the agreement in question, if they do not wish the payment of those costs to be regarded as an inducement, and indicative of a restriction of competition by object, to demonstrate that those costs are inherent in the dispute or in its settlement, and then to justify the amount. They could also, to the same end, invoke the insignificant amount of the repayment of those costs which are a priori not inherent in the settlement of the dispute, showing that that amount is insufficient to constitute a significant inducement to accept the clauses restricting competition stipulated in the settlement agreement in question (see, to that effect, judgment of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 360)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie,, ECLI:EU:T:2018:919.
"110 Allereerst moet worden benadrukt dat de Commissie de Biogaran-overeenkomst in het bestreden besluit heeft beschouwd als een door Servier aan Niche aangeboden stimulans, boven op de stimulans die van de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche uitging, om Niche ervan te overtuigen dat zij zou afzien van haar inspanningen om de markt van perindopril te betreden. De Biogaran-overeenkomst is volgens de Commissie een bestanddeel van de inbreuk die deze schikkingsovereenkomst vertegenwoordigt, die een mededingingsbeperking naar strekking vormt. Er kan dus pas sprake zijn van een inbreukmakend karakter indien de schikkingsovereenkomst tussen Servier en Niche hetzelfde karakter vertoont. In die omstandigheden is het voor het onderzoek van het onderhavige beroep noodzakelijk om uiteen te zetten wat de juridische context is van de schikkingsovereenkomst waarmee de Biogaran-overeenkomst zou zijn verbonden.
111 In dat verband moet erop worden gewezen dat het ook mogelijk is dat een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil geen negatieve gevolgen voor de mededinging heeft. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de partijen het erover eens worden dat het litigieuze octrooi niet geldig is en in de onmiddellijke markttoetreding van de generieke onderneming voorzien.
112 In de onderhavige zaak valt de overeenkomst tussen Servier en Niche niet binnen deze categorie, aangezien daarin een niet-betwistingsbeding en een verhandelingsverbod zijn opgenomen, die ipso facto mededingingsbeperkend zijn. Het niet-betwistingsbeding doet immers afbreuk aan het algemene belang bij opheffing van alle belemmeringen van de economische activiteit die het gevolg kunnen zijn van een ten onrechte verleend octrooi (zie in die zin arrest van 25 februari 1986, Windsurfing International/Commissie, 193/83, EU:C:1986:75, punt 92), en het verhandelingsverbod leidt tot marktuitsluiting van één van de concurrenten van de octrooihouder.
113 Het kan echter geoorloofd zijn dat dergelijke bedingen worden opgenomen, maar alleen wanneer dit erop is gebaseerd dat de partijen erkennen dat het octrooi in kwestie geldig is (en eventueel ook dat de generieke producten in kwestie inbreuk maken).
114 Wanneer een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding zijn opgenomen waarvan de draagwijdte beperkt is tot die van het octrooi in kwestie, is dit dan weer problematisch wanneer blijkt dat de generieke onderneming niet aan die bedingen is onderworpen omdat zij erkent dat het octrooi geldig is. Zo heeft de Commissie terecht opgemerkt dat „[z]elfs wanneer de beperkingen van de commerciële autonomie van de generieke ondernemingen in de overeenkomst niet verder gaan dan de materiële beschermingsomvang van het octrooi, [...] zij een inbreuk op artikel 101 [VWEU vormen] wanneer die beperkingen niet gerechtvaardigd kunnen worden of niet het resultaat zijn van de analyse van de partijen van de gegrondheid van het uitsluitende recht zelf” (overweging 1137 van het bestreden besluit).
115 In dit verband moet erop worden gewezen dat wanneer in het kader van een schikkingsovereenkomst sprake is van een „betaling in omgekeerde richting”, dat wil zeggen een betaling door de originatoronderneming aan de generieke onderneming, die onder dubbele verdenking staat. In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat het octrooi bedoeld is om de creatieve inspanning van de uitvinder te belonen door het voor hem mogelijk te maken passende winst uit zijn investering te halen. Een geldig octrooi moet dus in beginsel een waardeoverdracht aan de houder ervan mogelijk maken – bijvoorbeeld door een licentieovereenkomst – en niet een waardeoverdracht in omgekeerde richting. In de tweede plaats is er in geval van een betaling in omgekeerde richting een verdenking wat de vraag betreft of de minnelijke regeling erop is gebaseerd dat de partijen bij de overeenkomst de geldigheid van het octrooi in kwestie erkennen.
116 Uit het loutere voorhanden zijn van een betaling in omgekeerde richting kan echter niet worden opgemaakt dat sprake is van een beperking naar strekking. Het is namelijk niet uitgesloten dat sommige betalingen in omgekeerde richting gerechtvaardigd zijn wanneer zij inherent zijn aan de minnelijke regeling van het geschil in kwestie. Wanneer echter in het kader van een minnelijke regeling in een niet-gerechtvaardigde betaling in omgekeerde richting wordt voorzien, moet de generieke onderneming worden geacht er door deze betaling toe te zijn aangezet om zich aan het verhandelingsverbod en het niet-betwistingsbeding te onderwerpen, en is de conclusie op zijn plaats dat van een beperking naar strekking sprake is. In dat geval houden de mededingingsbeperkingen als gevolg van het verhandelingsverbod en het niet-betwistingsbeding niet langer verband met het octrooi en de minnelijke regeling, maar worden zij verklaard door de toekenning van een voordeel dat de generieke onderneming ertoe aanzet om van zijn inspanningen op concurrentiegebied af te zien.
117 Opgemerkt moet worden dat, hoewel noch de Commissie noch de Unierechter bevoegd is om over de geldigheid van het octrooi uitspraak te doen, dit niet wegneemt dat deze instellingen in het kader van hun respectieve bevoegdheden mogen vaststellen, zonder zich over de intrinsieke geldigheid van het octrooi uit te spreken, dat sprake is van abnormaal gebruik daarvan, dat geen verband houdt met het specifieke voorwerp ervan (zie in die zin arresten van 29 februari 1968, Parke, Davis and Co., 24/67, EU:C:1968:11, blz. 106 en 107, en 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punten 7 en 8; zie naar analogie ook arresten van 6 april 1995, RTE en ITP/Commissie, C‑241/91 P en C‑242/91 P, EU:C:1995:98, punt 50, en 4 oktober 2011, Football Association Premier League e.a., C‑403/08 en C‑429/08, EU:C:2011:631, punten 104‑106).
118 Het feit dat een concurrent wordt gestimuleerd om verhandelingsverboden en niet-betwistingsbedingen te aanvaarden, in de zin die hierboven in punt 116 is beschreven, of – de logische tegenhanger ervan – het feit dat een concurrent zich aan dergelijke bedingen onderwerpt omdat er een stimulans daartoe is, houden abnormaal gebruik van het octrooi in.
119 Zoals de Commissie terecht heeft uiteengezet in overweging 1137 van het bestreden besluit, „[voorziet] het octrooirecht [...] niet in een recht om zijn daadwerkelijke of potentiële concurrenten te betalen om buiten de markt te blijven of ervan af te zien om een octrooi vóór de markttoetreding aan te vechten”. Nog steeds volgens de Commissie „[mogen] octrooihouders [...] de generieke ondernemingen niet betalen om hen van de markt te houden en de risico’s op concurrentiegebied te beperken, of dit nu in een overeenkomst tot schikking van een octrooigeschil is of op andere wijze” (overweging 1141 van het bestreden besluit). Tot slot heeft de Commissie daar op goede gronden aan toegevoegd dat „het betalen of anderszins stimuleren van potentiële concurrenten om buiten de markt te blijven, geen onderdeel uitmaakt[e] van de middelen waarin het octrooirecht voorziet om de octrooien te doen eerbiedigen” (overweging 1194 van het bestreden besluit).
120 Wanneer wordt vastgesteld dat er een stimulans is, kunnen de partijen zich er niet langer op beroepen dat zij in het kader van de minnelijke regeling erkennen dat het octrooi geldig is. Het is in dat verband van geen belang dat de geldigheid van het octrooi door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd.
121 In dat geval is het de stimulans en niet de erkenning van de geldigheid van het octrooi door de partijen bij de minnelijke regeling die als de werkelijke oorzaak van de mededingingsbeperkingen als gevolg van een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding moet worden gezien (zie punt 112 hierboven), die, aangezien zij in dat geval in het geheel niet geoorloofd zijn, zodanig schadelijk zijn voor de normale marktwerking dat dit volstaat om van de kwalificatie van beperking naar strekking uit te gaan.
122 Wanneer er een stimulans is, moeten de overeenkomsten in kwestie worden beschouwd als marktuitsluitingsovereenkomsten, waarin de blijvers de wegtrekkers een vergoeding betalen. Dergelijke overeenkomsten houden in werkelijkheid in dat de concurrentie wordt afgekocht en moeten dus als mededingingsbeperkingen naar strekking worden aangemerkt, zoals blijkt uit het arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers (C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 8 en 31‑34), en de conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Beef Industry Development Society en Barry Brothers (C‑209/07, EU:C:2008:467, punt 75), die onder meer in de overwegingen 1139 en 1140 van het bestreden besluit zijn aangehaald. Bovendien is de uitsluiting van concurrenten van de markt een extreme vorm van marktverdeling en productiebeperking (arrest van 8 september 2016, Lundbeck/Commissie, T‑472/13, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:449, punt 435), die in een context als die van de litigieuze overeenkomsten nog schadelijker is omdat de uitgesloten ondernemingen generieke ondernemingen zijn waarvan de markttoetreding in beginsel bevorderend voor de mededinging is en bijdraagt tot het algemene belang bij zorg tegen de laagste kosten. Tot slot wordt die uitsluiting in de litigieuze overeenkomsten nog verstrekt (bedoeld is: versterkt", bew.) door de onmogelijkheid voor de generieke onderneming om het litigieuze octrooi aan te vechten.
123 Uit een en ander volgt dat de kwalificatie als mededingingsbeperking naar strekking in de context van overeenkomsten tot schikking van octrooigeschillen veronderstelt dat er in de schikkingsovereenkomst zowel een voordeel is opgenomen dat als stimulans voor de generieke onderneming werkt als een daarmee samenhangende beperking van de inspanningen van die laatste om de originatoronderneming te beconcurreren. Wanneer aan die twee voorwaarden is voldaan, moet worden vastgesteld dat sprake is van een mededingingsbeperking naar strekking, gelet op de mate waarin een aldus gesloten overeenkomst schadelijk is voor de normale marktwerking.
124 Bij arresten van heden, Servier e.a./Commissie (T‑691/14) en Niche Generics/Commissie (T‑701/14), heeft het Gerecht geoordeeld dat aan die beide voorwaarden was voldaan. Meer in het bijzonder had de Commissie op goede gronden geoordeeld dat het bedrag van 11,8 miljoen GBP dat door Servier aan Niche is betaald op grond van de schikkingsovereenkomst tussen die twee ondernemingen, een stimulans was die bedoeld was om Niche van de markt te weren en dat deze overeenkomst een mededingingsbeperking naar strekking vormde.
(...)
131 De Commissie moet dus, om het bestaan van de inbreuk aan te tonen, nauwkeurige en onderling overeenstemmende bewijzen aandragen die de vaste overtuiging kunnen schragen dat de gestelde inbreuken beperkingen van de mededinging in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU vormen (zie arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Beklemtoond moet worden dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het volstaat dat het door deze instelling aangevoerde samenstel van aanwijzingen, in zijn geheel beschouwd, aan dit vereiste kan voldoen (zie arrest van 12 april 2013, CISAC/Commissie, T‑442/08, EU:T:2013:188, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 Het bestaan van een mededingingsbeperkende gedraging of overeenkomst moet soms worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en aanwijzingen die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P ent C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 57).
134 Ofschoon bijvoorbeeld een parallellie in de gedragingen op zichzelf niet met een onderling afgestemde feitelijke gedraging mag worden gelijkgesteld, kan zij nochtans een ernstige aanwijzing voor een zodanige gedraging opleveren wanneer zij leidt tot mededingingsvoorwaarden die niet met de normaal te achten marktvoorwaarden overeenkomen (arrest van 14 juli 1972, Farbenfabriken Bayer/Commissie, 51/69, EU:C:1972:72, punt 25).
135 Ook wanneer er een nevenovereenkomst is, (...), kan dit bij de minnelijke regeling van een octrooigeschil een ernstige aanwijzing zijn dat sprake is van een stimulans en dus een mededingingsbeperking naar strekking.
(...)
137 Verduidelijkt moet worden dat een nevenovereenkomst een gangbare commerciële overeenkomst is die „hoort” bij een overeenkomst tot minnelijke regeling van een geschil die bedingen bevat die zelf beperkend van aard zijn. Twee dergelijke overeenkomsten horen bij elkaar wanneer zij dezelfde dag zijn ondertekend, wanneer daar een juridisch verband tussen bestaat, wanneer de verbindende aard van een van de overeenkomsten afhankelijk is gesteld van de sluiting van de andere overeenkomst of wanneer de Commissie, gelet op de context waarin zij zijn gesloten, kan bewijzen dat zij onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Daaraan kan worden toegevoegd dat hoe dichter bij elkaar de overeenkomsten in de tijd worden gesloten, hoe eenvoudiger het voor de Commissie zal zijn om het bewijs te leveren dat zij onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het feit dat de schikkingsovereenkomst en de nevenovereenkomst op dezelfde dag worden gesloten of dat er een contractueel verband daartussen bestaat, is een aanwijzing die erop duidt dat deze overeenkomsten binnen een en hetzelfde contractuele geheel passen. Indien deze overeenkomsten niet op dezelfde dag werden gesloten (en er geen contractueel verband daartussen was), zou een van de partijen in de onderhandelingen de andere partij immers alles wat zij verlangt kunnen toekennen, zonder dat zij de zekerheid heeft dat de verwachte tegenpresentatie haar uiteindelijk ook zal toekomen. Dit temporele dan wel juridische verband tussen de twee overeenkomsten vormt ook een aanwijzing dat daar gezamenlijk over is onderhandeld."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
"254 In deze context had Biogaran, ook al hadden de rechterlijke instanties van de Unie zich ten tijde van de inbreuk nog niet specifiek kunnen uitspreken over de schikkingsovereenkomst en een licentie van de soort die Servier, Niche en Biogaran zijn overeengekomen, zo nodig na deskundig advies te hebben ingewonnen, zich moeten realiseren dat het gedrag van de onderneming, waaraan zij met de Biogaran-overeenkomst heeft bijgedragen, onverenigbaar met de mededingingsregels van het Unierecht kon worden verklaard, met name gelet op de ruime draagwijdte die in de rechtspraak van het Hof aan de begrippen „overeenkomst” en „onderling afgestemde feitelijke gedraging” wordt gegeven (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 43).
255 Biogaran had meer bepaald kunnen verwachten dat het feit dat haar moedermaatschappij Niche aan een verhandelingsverbod en een niet-betwistingsbeding had onderworpen, die ipso facto mededingingsbeperkend zijn, elke legitimiteit aan het opnemen van dergelijke bedingen in een schikkingsovereenkomst op octrooigebied ontnam. Het opnemen van dergelijke bedingen berustte immers niet op de erkenning door de partijen bij de overeenkomst dat het octrooi geldig was en wees derhalve op abnormaal gebruik van het octrooi dat geen verband met het specifieke voorwerp ervan hield (arrest van heden, Servier e.a./Commissie, T‑691/14). Bovendien had verzoekster ook kunnen verwachten dat het feit dat Niche een extra stimulans via de Biogaran-overeenkomst werd gegeven, de beperkende gevolgen van de met haar moedermaatschappij gesloten overeenkomst nog versterkte. Verzoekster had dus redelijkerwijs kunnen voorzien dat haar gedrag onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU viel (zie in die zin arresten van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 46, en 8 september 2016, Lundbeck/Commissie, T‑472/13, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:449, punt 764).
256 Daarenboven moet erop worden gewezen dat reeds ruim voor de datum van de sluiting van de twee overeenkomsten in de rechtspraak uitspraak was gedaan over de mogelijkheid om het mededingingsrecht toe te passen in omstandigheden die door de aanwezigheid van intellectuele-eigendomsrechten worden gekenmerkt (zie in die zin arrest van 8 september 2016, Xellia Pharmaceuticals en Alpharma/Commissie, T‑471/13, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2016:460, punten 314 en 315).
257 Zo heeft het Hof reeds in 1974 geoordeeld dat de in een wettelijke regeling van een lidstaat op het gebied van de industriële eigendom erkende rechten door artikel 101 VWEU weliswaar niet in hun bestaan worden geraakt, maar dat hun uitoefening niettemin onder de verboden van dit artikel kan vallen, en dat dit het geval kan zijn, telkens wanneer de uitoefening van zodanig recht te zien is als voorwerp, middel of gevolg van een mededingingsregeling (arrest van 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punten 39 en 40).
258 Vervolgens is het sinds het arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke (65/86, EU:C:1988:448), duidelijk dat minnelijk regelingen van octrooigeschillen als overeenkomsten in de zin van artikel 101 VWEU kunnen worden gekwalificeerd.
259 Bovendien moet worden benadrukt dat Niche, Servier en Biogaran bij de litigieuze overeenkomsten in werkelijkheid hebben beslist marktuitsluitingsovereenkomsten te sluiten (arrest van heden, Servier e.a./Commissie, T‑691/14). Hoewel het juist is dat het Hof pas in een na de sluiting van de litigieuze overeenkomsten gewezen arrest heeft geoordeeld dat marktuitsluitingsovereenkomsten waarbij de blijvers de vertrekkers schadeloos stellen een mededingingsbeperking naar strekking vormde, heeft het niettemin gepreciseerd dat dit type overeenkomsten „duidelijk” strijdt met de in de mededingingsbepalingen van het Verdrag besloten voorstelling, volgens welke iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de markt zal voeren (arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:643, punten 8 en 32‑34). Verzoekster kon er dus niet onkundig van zijn dat haar gedrag mededingingsverstorend was toen zij een overeenkomst als de Biogaran-overeenkomst sloot.
260 Hoewel het voor een buitenstaander als de Commissie inderdaad niet duidelijk kon zijn dat die overeenkomsten een inbreuk vormden, als gevolg van het feit dat de overeenkomst tussen Niche en Servier in de vorm van een minnelijke regeling betreffende een octrooi was gesloten en de Biogaran-overeenkomst zich liet aanzien als een licentie- en bevoorradingsovereenkomst, gold dat echter niet voor de partijen bij de overeenkomsten.
261 Gelet op de voorgaande overwegingen moet de conclusie luiden dat Biogaran, ook al was zij niet actief op de markt van perindopril die door de mededingingsbeperking is aangetast, redelijkerwijs kon voorzien dat het verbod van artikel 101 VWEU op haar kon worden toegepast."
Gerecht EU 12 december 2018, nr. T-677/14 (Biogaran tegen commissie), ECLI:EU:T:2018:910.
- "80 Hieruit volgt dat artikel 101, lid 1, VWEU, door bepaalde „overeenkomsten” tussen ondernemingen te verbieden, geen onderscheid maakt tussen overeenkomsten die een geding beogen te beëindigen en overeenkomsten die een ander doel nastreven (arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 15).
81 Zo kunnen schikkingsovereenkomsten waarbij een fabrikant van generieke geneesmiddelen die tot een markt wenst toe te treden, op zijn minst tijdelijk de geldigheid van een octrooi van een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen erkent en zich daardoor ertoe verbindt om deze niet te betwisten en ook niet tot die markt toe te treden, mededingingsbeperkende gevolgen hebben (zie naar analogie arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 16), aangezien de betwisting van de geldigheid en de draagwijdte van een octrooirecht deel uitmaakt van de normale werking van de mededinging in sectoren waarin exclusieve rechten op technologie bestaan.
82 Evenzo kan een niet-betwistingsbeding met betrekking tot een octrooi, afhankelijk van de juridische en economische context waarvan het deel uitmaakt, de mededinging beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (arrest van 27 september 1988, Bayer en Maschinenfabrik Hennecke, 65/86, EU:C:1988:448, punt 16).
83 Bovendien heeft het Hof ook geoordeeld dat overeenkomsten waarbij concurrenten onderlinge feitelijke samenwerking welbewust in de plaats stellen van de risico’s van de mededinging, als „beperking naar strekking” zijn aan te merken (zie in die zin arrest van 20 november 2008, Beef Industry Development Society en Barry Brothers, C‑209/07, EU:C:2008:64, punt 34).
84 Niettemin is het stellig mogelijk dat een fabrikant van generieke geneesmiddelen die zich bevindt in de door de verwijzende rechter in de derde tot en met de vijfde vraag bedoelde situatie, na een inschatting van zijn kansen om in het gelijk te worden gesteld in de gerechtelijke procedure tussen hem en de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel, besluit om af te zien van toetreding tot de betrokken markt en in die context met de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel een schikkingsovereenkomst betreffende die procedure te sluiten. Een dergelijke overeenkomst kan echter niet in alle gevallen worden aangemerkt als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
85 Het feit dat een dergelijke overeenkomst gepaard gaat met monetaire of niet-monetaire waardeoverdrachten door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen ten gunste van een fabrikant van generieke geneesmiddelen, vormt geen voldoende reden om deze overeenkomst aan te merken als een „beperking naar strekking”, aangezien die waardeoverdrachten gerechtvaardigd kunnen blijken, namelijk specifiek en strikt noodzakelijk in het licht van de legitieme doelstellingen van de partijen bij de overeenkomst.
86 Dit kan met name het geval zijn wanneer de fabrikant van generieke geneesmiddelen van de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel bedragen ontvangt die daadwerkelijk overeenkomen met de vergoeding voor kosten of verstoringen van de normale bedrijfsgang in verband met hun geschil, of die overeenkomen met een vergoeding voor de onmiddellijke of latere daadwerkelijke levering van goederen of diensten aan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen. Dit kan eveneens het geval zijn wanneer de fabrikant van generieke geneesmiddelen afziet van de met name financiële verplichtingen die de octrooihouder jegens hem is aangegaan, zoals in het kader van een cross-undertaking in damages.
87 De kwalificatie als „beperking naar strekking” moet echter worden aanvaard wanneer uit de analyse van de betrokken schikkingsovereenkomst blijkt dat de waardeoverdrachten waarin die overeenkomst voorziet, uitsluitend worden verklaard door het commerciële belang van zowel de octrooihouder als de vermeende inbreukmaker om niet te concurreren op basis van verdienste.
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 114 van haar conclusie heeft opgemerkt, komt het sluiten van een overeenkomst waarbij een concurrent van de octrooihouder zich ertoe verbindt om niet tot de markt toe te treden en zijn betwisting van het octrooi stop te zetten in ruil voor de betaling van een aanzienlijk bedrag dat geen andere tegenprestatie heeft dan die verbintenis, er juist op neer dat deze houder bescherming wordt geboden tegen vorderingen tot nietigverklaring van zijn octrooi en dat een vermoeden wordt gecreëerd dat de producten die door zijn concurrent op de markt kunnen worden gebracht, onrechtmatig zijn. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat het sluiten van een dergelijke overeenkomst onder de uitoefening door de octrooihouder van zijn uit het voorwerp van het octrooi voortvloeiende prerogatieven valt. Dit geldt temeer daar het aan de overheid en niet aan particuliere ondernemingen staat om de naleving van de wettelijke voorschriften te verzekeren.
89 Van de sluiting van een dergelijke overeenkomst kan dus niet worden gezegd dat dit uitsluitend neerkomt op een erkenning vanwege de fabrikanten van generieke geneesmiddelen van de beweerdelijk geldige octrooirechten van de octrooihouder. Hoewel laatstgenoemde in hun voordeel een aanzienlijke waardeoverdracht verricht die geen andere tegenprestatie heeft dan hun verbintenis om niet tot de markt toe te treden en het octrooi niet meer te betwisten, wijst dit er bij gebreke van een andere plausibele verklaring op dat niet hun perceptie van de kracht van het octrooi, maar het vooruitzicht van die waardeoverdracht hen ertoe heeft aangezet af te zien van een markttoetreding en van betwisting van het octrooi.
90 Om te beoordelen of de waardeoverdrachten in een schikkingsovereenkomst als in het hoofdgeding, uitsluitend kunnen worden verklaard door het commerciële belang van de partijen bij die overeenkomst om geen mededinging op basis van verdienste te voeren, moet om te beginnen, zoals de advocaat-generaal in punt 120 van haar conclusie opmerkt, rekening worden gehouden met alle waardeoverdrachten tussen de partijen, ongeacht of zij monetair of niet-monetair zijn geweest.
91 Zoals de verwijzende rechter en de advocaat-generaal in de punten 120 en 170 tot en met 172 van haar conclusie overwegen, kan dit veronderstellen dat rekening wordt gehouden met indirecte overdrachten die voortvloeien uit bijvoorbeeld de voordelen die de fabrikant van generieke geneesmiddelen moet halen uit een met de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen gesloten distributieovereenkomst, die deze eerste fabrikant de mogelijkheid biedt om een eventueel gecontingenteerde hoeveelheid door de fabrikant van de oorspronkelijke geneesmiddelen vervaardigde generieke geneesmiddelen te verkopen.
92 Vervolgens moet worden beoordeeld of het positieve saldo van de waardeoverdrachten van de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen, zoals is overwogen in punt 86 van het onderhavige arrest, kan worden gerechtvaardigd door eventuele bewezen en rechtmatige tegenprestaties of toezeggingen van die fabrikant van generieke geneesmiddelen.
93 Indien dit niet het geval is, moet tot slot worden nagegaan of dit positieve saldo groot genoeg is om de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen daadwerkelijk ertoe aan te zetten van toetreding tot de betrokken markt af te zien.
94 Dienaangaande is, gelet op de onzekerheid over de uitkomst van die procedure, geenszins vereist dat de waardeoverdracht noodzakelijkerwijze groter is dan de winst die deze fabrikant van generieke geneesmiddelen zou hebben gerealiseerd indien hij in de octrooiprocedure in het gelijk zou zijn gesteld. Van belang is alleen het feit dat deze waardeoverdrachten voldoende voordelig zijn om de fabrikant van generieke geneesmiddelen ertoe aan te zetten af te zien van de toetreding tot de betrokken markt en om de betrokken fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen niet op basis van verdienste te beconcurreren.
95 Indien dat het geval is, moet de betrokken overeenkomst in beginsel worden aangemerkt als een „beperking naar strekking” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU.
96 Een dergelijke conclusie kan niet van de hand worden gewezen op grond dat, ten eerste, de ondernemingen die dergelijke overeenkomsten hebben gesloten, zich beroepen ofwel op het feit dat schikkingsovereenkomsten als in het hoofdgeding de draagwijdte en de resterende geldigheidsduur van het octrooi waarop zij betrekking hebben niet overschrijden, en dus niet mededingingsverstorend zijn, ofwel op het feit dat de uit dergelijke overeenkomsten voortvloeiende beperkingen louter bijkomstig zijn in de zin van het arrest van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie (42/84, EU:C:1985:327).
97 Hoewel de sluiting door de octrooihouder van een schikkingsovereenkomst met een vermeende inbreukmaker die de draagwijdte en de resterende geldigheidsduur van het octrooi niet overschrijdt, inderdaad de uitdrukking vormt van het intellectuele-eigendomsrecht van de houder ervan en hem in staat stelt zich met name tegen elke inbreuk te verzetten (zie in die zin arrest van 31 oktober 1974, Centrafarm en de Peijper, 15/74, EU:C:1974:114, punt 9), neemt dit immers niet weg dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 114 van haar conclusie heeft opgemerkt en zoals in punt 79 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dit octrooi de houder ervan niet toestaat overeenkomsten te sluiten die in strijd zijn met artikel 101 VWEU.
98 Ten tweede is het feit dat er onzekerheid bestaat over de geldigheid van het octrooi, ongeacht of deze voortvloeit uit het bestaan van een ernstig geschil tussen de houder van dat octrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen, uit het bestaan van een gerechtelijke procedure die voorafgaat aan de sluiting van de betrokken schikkingsovereenkomst of uit het feit dat een nationale rechter een voorlopig bevel heeft uitgesproken waarbij de vermeende inbreukmaker wordt verboden om tot de markt toe te treden in ruil voor een door de betrokken octrooihouder aangegane cross-undertaking in damages, evenmin relevant om de kwalificatie als „beperking naar strekking” van de hand te wijzen.
99 Wanneer zou worden aanvaard dat op basis van dergelijke elementen de kwalificatie als „beperking naar strekking” terzijde wordt geschoven wanneer het gaat om een praktijk die in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging, zou dit de draagwijdte van dat begrip al te zeer beperken, ook al moet dit begrip strikt worden uitgelegd, zoals in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht.
100 Het is immers juist de onzekerheid over de uitkomst van de gerechtelijke procedure over de geldigheid van het octrooi van de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel en over het inbreukmakende karakter van de generieke versie van dit geneesmiddel, die, zolang zij duurt, bijdraagt tot het bestaan van een minstens potentiële mededingingssituatie tussen de twee partijen bij die procedure.
101 Zoals blijkt uit de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest, kan de onzekerheid over de uitkomst van deze procedure bovendien niet volstaan om een schikkingsovereenkomst waarvan niet is uitgesloten dat zij de in punt 67 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte mate van schadelijkheid voor de mededinging kan bereiken, uit te sluiten van de kwalificatie als „beperking naar strekking”.
102 Zoals in punt 48 van het onderhavige arrest reeds is aangegeven, zeggen het aan een octrooi verbonden vermoeden van geldigheid, net als het bestaan van een gerechtelijke procedure voorafgaand aan de sluiting van een schikkingsovereenkomst en het geven van een voorlopige gerechtelijke bevel door een nationale rechter, voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU niets over de uitkomst van een eventueel geschil over de geldigheid van dat octrooi, waarvan de rechter overigens niet meer kennis kan nemen als gevolg van het feit dat de houder van het werkwijzeoctrooi en de betrokken fabrikant van generieke geneesmiddelen de overeenkomst hebben gesloten.
103 Ten slotte en in antwoord op de vijfde vraag, dient te worden opgemerkt dat wanneer de partijen bij deze overeenkomst zich beroepen op de voor de mededinging gunstige gevolgen van de overeenkomst, met deze gevolgen voor de kwalificatie ervan als „beperking naar strekking” naar behoren rekening moet worden gehouden als elementen van de context van deze overeenkomst, zoals dit in punt 67 van het onderhavige arrest en in punt 158 van de conclusie van de advocaat-generaal in herinnering is gebracht, aangezien zij de algehele beoordeling van de mate van schadelijkheid van de collusie voor de mededinging en bijgevolg de kwalificatie als „beperking naar strekking” op de helling kunnen zetten.
104 Wanneer deze mededingingsbevorderende gevolgen in aanmerking worden genomen, niet met het doel om de kwalificatie als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU uit te sluiten, maar enkel om de objectieve ernst van de betrokken praktijk te vatten en bijgevolg de bewijsregels ervan af te bakenen, is dit geenszins in strijd met de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke het Europese mededingingsrecht geen „rule of reason” kent, op grond waarvan de mededingingsverstorende en mededingingsbevorderende gevolgen van een overeenkomst tegen elkaar moeten worden afgewogen bij de kwalificatie ervan als „beperking van de mededinging” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU (zie in die zin arrest van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, bladzijden 516 en 517).
105 Deze inaanmerkingneming veronderstelt echter dat de mededingingsbevorderende gevolgen niet alleen bewezen en relevant zijn, maar ook specifiek zijn voor de betrokken overeenkomst, zoals met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomsten is vermeld door de advocaat-generaal in punt 144 van haar conclusie.
106 Zoals de advocaat-generaal in punt 166 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de loutere aanwezigheid van dergelijke mededingingsbevorderende gevolgen op zich bovendien niet leiden tot de uitsluiting van de kwalificatie als „beperking naar strekking”.
107 Gesteld dat deze gevolgen bewezen, relevant en specifiek voor de betrokken overeenkomst zijn, dan moeten zij nog voldoende groot zijn, zodat redelijkerwijs kan worden betwijfeld of de betrokken schikkingsovereenkomst in voldoende mate schadelijk is voor de mededinging en dus of zij naar strekking mededingingsverstorend is.
(...)
111 Gelet op het voorgaande, dient op de derde tot en met vijfde vraag te worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat als een overeenkomst die tot doel heeft de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen, moet worden beschouwd een overeenkomst tot schikking van een aanhangige gerechtelijke procedure tussen een fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen en een fabrikant van generieke geneesmiddelen die potentiële concurrenten zijn, over de geldigheid van een werkwijzeoctrooi voor de vervaardiging van een tot het publieke domein behorende werkzame stof van een oorspronkelijk geneesmiddel waarvan de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen houder is, en over het inbreukmakende karakter van een generieke versie van dit geneesmiddel, waarbij de fabrikant van generieke geneesmiddelen zich ertoe verbindt om gedurende de looptijd van de overeenkomst niet toe te treden tot de markt van het geneesmiddel met deze werkzame stof en zijn vordering tot nietigverklaring van dit octrooi niet voort te zetten, in ruil voor waardeoverdrachten te zijnen gunste vanwege de fabrikant van het oorspronkelijke geneesmiddel:
– wanneer uit het geheel van beschikbare gegevens blijkt dat het positieve saldo van de waardeoverdrachten vanwege de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen aan de fabrikant van generieke geneesmiddelen uitsluitend wordt verklaard door het commerciële belang van de partijen bij de overeenkomst om geen mededinging op basis van verdienste te voeren,
– tenzij de betrokken schikkingsovereenkomst aangetoonde mededingingsbevorderende gevolgen heeft die redelijkerwijs twijfel kunnen doen rijzen over de vraag of die overeenkomst voldoende schadelijk is voor de mededinging."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "119 Hieruit volgt dat in een situatie als in het hoofdgeding de vaststelling van het contrafeitelijke scenario niet veronderstelt dat de verwijzende rechter een definitieve vaststelling doet met betrekking tot de kans dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen in de octrooiprocedure in het gelijk zou worden gesteld, of met betrekking tot de waarschijnlijkheid dat een minder beperkende overeenkomst zou worden gesloten.
120 Het contrafeitelijke scenario heeft immers enkel tot doel de realistische gedragsmogelijkheden van deze fabrikant zonder de betrokken overeenkomst vast te stellen. Hoewel dat contrafeitelijke scenario dus niet onverschillig mag zijn voor de kans dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen in de octrooiprocedure in het gelijk wordt gesteld of voor de waarschijnlijkheid dat een minder beperkende overeenkomst zal worden gesloten, vormen deze factoren slechts enkele van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen wat de waarschijnlijke werking van de markt en de structuur van de markt zouden zijn indien de betrokken overeenkomst niet zou zijn gesloten.
121 Om aan te tonen dat schikkingsovereenkomsten als in het hoofdgeding potentiële of reële merkbare gevolgen voor de mededinging hebben, hoeft de verwijzende rechter bijgevolg niet vast te stellen hetzij dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen die partij was bij die overeenkomst, waarschijnlijk in het gelijk zou zijn gesteld in de octrooiprocedure, hetzij dat de partijen bij die overeenkomst waarschijnlijk een minder beperkende schikkingsovereenkomst zouden hebben gesloten.
122 Gelet op het voorgaande moet op de zesde vraag worden geantwoord dat artikel 101, lid 1, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat voor het bewijs dat een schikkingsovereenkomst als in het hoofdgeding potentiële of reële merkbare gevolgen voor de mededinging heeft, en dus als „beperking naar gevolg” kan worden gekwalificeerd, niet wordt verondersteld dat wordt vastgesteld dat zonder die overeenkomst hetzij de fabrikant van generieke geneesmiddelen die partij was bij die overeenkomst waarschijnlijk in het gelijk zou zijn gesteld in de octrooiprocedure, hetzij de partijen bij die overeenkomst waarschijnlijk een minder beperkende schikkingsovereenkomst zouden hebben gesloten."
HvJ EU 30 januari 2020, nr. C-307/18 (Generics (UK) Ltd e.a. tegen Competition and Markets Authority), ECLI:EU:C:2020:52.
- "85 In any event, paragraphs 26 and 28 of the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75), cannot be understood as requiring the Commission to carry out the same analysis as that of the courts called upon to rule on the merits of patent actions, since paragraph 27 of that judgment states that the findings which the Commission may make do not in any way pre-empt the determinations made later by national courts in disputes brought before them on the subject of patent rights.
86 When deciding whether to characterise the agreements at issue as ‘restrictions by object’, it is also important to note that, contrary to what is argued by GUK, the General Court was entitled to take into account how the parties perceived their position with regard to patents and their chances of success in the event of litigation at the time they concluded the agreements at issue, as it did in paragraph 214 of the judgment under appeal, in accordance with both the principle that evidence may be freely adduced under EU law (judgment of 27 April 2017, FSL and Others v Commission, C‑469/15 P, EU:C:2017:308, paragraph 38 and the case-law cited) and also with paragraph 26 of the judgment of 25 February 1986, Windsurfing International v Commission (193/83, EU:C:1986:75), as is apparent from paragraph 250 of the judgment under appeal."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 588/16 P (Generics tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:242.
- "61 Hieruit volgt dat het Gerecht in het onderhavige geval, en anders dan Lundbeck stelt, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, en in het bijzonder zonder inbreuk te maken op het vermoeden van geldigheid dat met name aan Lundbecks nieuwe werkwijzeoctrooien is verbonden, noch op de regels die van toepassing zijn op de bewijslast van de in artikel 101 VWEU bedoelde praktijken, heeft kunnen oordelen dat het niet aan de Commissie stond om positief te bewijzen dat de citalopram die de fabrikanten van generieke geneesmiddelen op de markt wilden brengen geen inbreuk maakte op de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck, en dat het bezit van dergelijke octrooien door Lundbeck niet in de weg stond aan de vaststelling dat er sprake was van potentiële mededinging tussen Lundbeck en deze fabrikanten, zoals in wezen blijkt uit de punten 117 tot en met 132, 157 tot en met 167 en 195 van het bestreden arrest.
62 Het Gerecht, dat in de punten 117, 119 en 129 van het bestreden arrest naar behoren rekening heeft gehouden met de fundamentele kenmerken van zowel de octrooien als de specifieke concurrentieverhoudingen op de relevante markt en met de situatie in het onderhavige geval waarin ten eerste de oorspronkelijke octrooien van Lundbeck, die betrekking hadden op zowel het WFB citalopram als de werkwijzen voor de productie van alkylering en cyanering, waren verstreken, en ten tweede er andere werkwijzen bestonden waarmee generieke citalopram kon worden geproduceerd waarvan niet was aangetoond dat die inbreuk maakten op andere Lundbeck-octrooien, heeft in punt 124 van dat arrest immers geoordeeld dat de Commissie niet ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de nieuwe werkwijzeoctrooien van Lundbeck niet noodzakelijkerwijs onoverkomelijke drempels vormden voor generieke fabrikanten, die tegelijkertijd bereid en in staat waren de markt voor citalopram te betreden en die daartoe ten tijde van het sluiten van de litigieuze overeenkomsten reeds aanzienlijke investeringen hadden gedaan.
63 Bovendien heeft het Gerecht in punt 159 van datzelfde arrest terecht opgemerkt dat, tenzij elk onderscheid tussen daadwerkelijke en potentiële mededinging zou worden ontkend, het bestaan van potentiële mededinging niet vereist dat wordt aangetoond dat de fabrikanten van generieke geneesmiddelen met zekerheid tot de markt zouden zijn toegetreden en dat een dergelijke toetreding onvermijdelijk met succes zou zijn bekroond, maar alleen dat die fabrikanten daartoe reële en concrete mogelijkheden hadden."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "130 Zoals het Gerecht in de punten 438 en 774 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, is het immers niet vereist dat de Commissie reeds overeenkomsten van hetzelfde soort heeft veroordeeld om deze overeenkomsten als mededingingsbeperkend naar strekking te kunnen aanmerken, ook al vinden deze overeenkomsten plaats in een specifieke context zoals die van de intellectuele-eigendomsrechten."
HvJ EU,, 25 maart 2021, nr. 591/16 P (Lundbeck tegen Commissie), ECLI:EU:C:2021:243.
- "3) Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
een concurrentiebeding dat is opgenomen in een zakelijke partnerschapsovereenkomst tussen twee op verschillende productmarkten actieve ondernemingen waarmee wordt beoogd om de verkoop van de producten van die beide ondernemingen verder uit te bouwen door een systeem van promoties en wederzijdse kortingen, niet kan worden beschouwd als een nevenrestrictie bij die partnerschapsovereenkomst, tenzij de uit dat beding voortvloeiende beperking objectief noodzakelijk is voor de uitvoering van die partnerschapsovereenkomst en evenredig is aan de doelstellingen ervan."
HvJ EU, 28 oktober 2023, nr. 331/21 (Energias de Portugal e.a.), ECLI:EU:C:2023:812.
- "59 Consequently, wherever an agreement to settle a dispute relating to the validity of a patent between a manufacturer of generic medicines and a manufacturer of originator medicines that holds that patent involves transfers of value by the manufacturer of originator medicines in favour of the manufacturer of generic medicines, it is necessary to ascertain, first, whether the net gain from those transfers may be fully justified by the need to compensate for the costs of or disruption caused by that dispute, such as the expenses and fees of the latter manufacturer’s advisers, or by the need to provide remuneration for the actual and proven supply of goods or services from the manufacturer of generic medicines to the manufacturer of the originator medicine (see, to that effect, judgment of 30 January 2020, Generics (UK) and Others, C‑307/18, EU:C:2020:52, paragraph 92).
60 The settlement of such a dispute implies that the manufacturer of generic medicines recognises the validity of the patent in question, since it waives its right to challenge it. It follows that it is only where a ‘reverse’ payment, by the manufacturer of originator medicines to the manufacturer of generic medicines, is by way of the reimbursement of such costs or of remuneration for the supply of such goods or services that it can be regarded as consistent with such recognition and, therefore, as capable of being justified in terms of competition.
(...)
64 Characterisation as a restriction of competition by object does not depend either on the form of the contracts or other legal instruments intended to implement such a collusive practice or on the subjective perception that the parties may have of the outcome of the dispute between them as to the validity of a patent. Only the assessment of the degree of economic harm of that practice to the proper functioning of competition in the market concerned is relevant.
(...)
67 It therefore follows from those principles that, in order to determine whether an agreement such as the Lupin agreement may be characterised as a restriction of competition by object, it is necessary, not to analyse each of its clauses separately, but to assess whether that agreement, taken as a whole, reveals a degree of economic harm to the proper functioning of competition in the market concerned which justifies such a characterisation. On account of the close links between the non-challenge and non-marketing clauses and those providing for a payment by Servier to Lupin in respect of the assignment and licensing of intellectual property rights, it was therefore essential to examine those clauses as forming a whole.
(...)
78 It must be observed, in that regard, that the concepts of the ‘normal value’ of the goods or services remunerated ‘at arm’s length’ by the manufacturer of originator medicines, on which the General Court relied in paragraphs 168 and 169 of the judgment under appeal, are intended, in essence, to distinguish between transfers of value which may be fully justified by the need to provide remuneration for the actual and proven supply of goods or services by the manufacturer of generic medicines, on the one hand, and transfers of value which, under the guise of providing remuneration for such supply of goods or services, in reality constitute consideration for the latter manufacturer’s decision not to enter the market, on the other, in accordance, in essence, with the case-law referred to in paragraphs 58 to 61 of the present judgment."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-144/19 P (Lupin tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:545.
- "147 However, instead of carrying out such an assessment of the collusive practice implemented by means of the Krka settlement and licence agreements in the light of its specific content and its economic impacts, the General Court, in paragraphs 179 to 199 of the judgment under appeal, developed criteria to identify, in a general and abstract manner, the conditions under which a combination of a patent dispute settlement agreement and a licence agreement relating to that patent may, in view of the legal characteristics of those agreements alone, be classified as a restriction of competition by object within the meaning of Article 101(1) TFEU. Applying those criteria to the Krka settlement and licence agreements, the General Court focused its analysis on the form and legal characteristics of those agreements, rather than examining their actual relationship with competition. It thus disregarded the principles governing the application and interpretation of Article 101(1) TFEU referred to in paragraphs 142 and 146 of the present judgment and vitiated paragraphs 179 to 208 of the judgment under appeal with illegality.
(...)
187 It must be held, in accordance with what has been held in paragraphs 69 and 94 of the present judgment, that, although the recognition of the validity of a patent which is the subject of a dispute between two parties may constitute a relevant factor in assessing whether, on the same market, the restrictions of competition brought about by a settlement agreement in that dispute may be mitigated or even neutralised by the conclusion, between those parties, of an agreement licensing that patent, that recognition is not, in itself, a decisive, or even relevant, factor in determining whether a collusive practice such as that attributed, by the decision at issue, to Servier and Krka, consisting of market sharing by means of a patent dispute settlement agreement which relates, inter alia, to markets covered by the geographic scope of the infringement, and of a licence agreement for that patent relating to markets which are not covered by it, may be classified as a restriction of competition by object."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-151/19 P (Commissie tegen KRKA), ECLI:EU:C:2024:546.
- "106 Admittedly, an agreement to settle a patent dispute may be concluded, with a legitimate aim and entirely lawfully, on the basis of the parties’ recognition of the validity of the patent in question, in the absence of any other circumstance constituting an infringement of Article 101 TFEU. Such an agreement can even include non-challenge and non-marketing clauses, the scope of which is limited to that of the patent in question, as the General Court held in paragraphs 257 and 262 of the judgment under appeal. Nevertheless, as can be seen from the next part of the General Court’s reasoning, in particular from paragraphs 258 to 275 of the judgment under appeal, characterisation of such an agreement as a restriction of competition by object also depends on other characteristics of that agreement and on the circumstances in which it was concluded, as a result of which the agreement can, if applicable, be regarded as revealing a sufficient degree of harm to competition.
(...)
119 The settlement of such a dispute implies that the manufacturer of generic medicines recognises the validity of the patent in question, because it waives the right to challenge it. It follows that it is only where a ‘reverse’ payment, by the manufacturer of originator medicines to the manufacturer of generic medicines, is by way of the reimbursement of such costs or of remuneration for the supply of such goods or services that it can be regarded as consistent with such recognition and, therefore, as capable of being justified in terms of competition.
(...)
125 It is also apparent from paragraph 294 of the judgment under appeal that, although the reimbursement by a manufacturer of originator medicines of the litigation expenses borne by a manufacturer of generic medicines in connection with a dispute between them that has been settled may be justified by the fact that those expenses are ‘inherent’ in that settlement, provided they are not excessive and therefore disproportionate, other expenses that are too ‘extraneous’ to the dispute and to its settlement cannot, in contrast, be regarded as inherent in that dispute and its settlement. The General Court found that it is for those undertakings, if they do not wish the payment of those costs by the patent holder ‘to be regarded as an inducement, and indicative of a restriction of competition by object, to demonstrate that those costs are inherent in the dispute or in its settlement, and then to justify the amount’.
126 As regards the reimbursement by the manufacturer of originator medicines of the value of the stock of infringing medicines, of the research and development costs incurred in developing those medicines and of any compensation that the manufacturer of generic medicines might possibly have to pay to third parties, as can be seen from paragraph 167 of today’s judgment in Servier and Others v Commission (C‑201/19 P), payments of that kind are the direct consequence not of the intention of the manufacturers of medicines to settle disputes between them concerning patents, but of the decision of the manufacturer of generic medicines not to enter the market for the medicinal product concerned. It follows that the General Court did not err in law, in paragraph 294 of the judgment under appeal by holding, in essence, that such a reimbursement cannot be regarded as being inherent in a settlement agreement such as the Niche agreement."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-164/19 P (Niche Generics tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:547.
- "167 Wat specifiek de vergoeding door de fabrikant van oorspronkelijke geneesmiddelen betreft van de bedragen die de fabrikant van generieke geneesmiddelen eventueel aan derden zou moeten betalen, moet worden opgemerkt dat een dergelijke betaling, zoals de advocaat-generaal in punt 159 van haar conclusie in het gedeelte over de situatie van Niche heeft uiteengezet, niet het rechtstreekse gevolg is van de wil van de geneesmiddelenfabrikanten om hun octrooigeschillen in der minne te regelen, maar van het feit dat de fabrikant van generieke geneesmiddelen ervan afziet om tot de markt van het betrokken geneesmiddel toe te treden. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 280 van het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in wezen te oordelen dat de terugbetaling van dergelijke vergoedingen niet kan worden geacht inherent te zijn aan een schikkingsovereenkomst als de litigieuze overeenkomsten."
HvJ EU 27 juni 2024, nr. C-201/19 P (Servier e.a. tegen Commissie), ECLI:EU:C:2024:552
Ongunstige beïnvloeding handel tussen lidstaten
- "60 Wil sprake zijn van een ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, dan moet een overeenkomst volgens vaste rechtspraak op grond van een reeks van feitelijke en juridische gegevens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, invloed kan uitoefenen op het handelsverkeer tussen de lidstaten, en wel zo dat men moet vrezen dat zij de totstandkoming van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten kan belemmeren. Die invloed mag voorts niet van zeer geringe betekenis zijn (arresten van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Een beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de lidstaten is in de regel het gevolg van een combinatie van verschillende factoren, die, elk afzonderlijk, niet per se beslissend hoeven te zijn. Om te onderzoeken of een mededingingsregeling de handel tussen lidstaten merkbaar beïnvloedt, moet zij worden onderzocht in haar economische en juridische context (arrest van 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 In dit verband sluit het feit dat een mededingingsregeling alleen de verhandeling van producten in één enkele lidstaat betreft, als zodanig niet uit dat de handel tussen lidstaten ongunstig kan worden beïnvloed. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een mededingingsregeling die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijkt, naar haar aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg heeft, hetgeen de in het VWEU beoogde economische vervlechting doorkruist (zie in die zin arresten van 26 november 1975, Groupement des fabricants de papiers peints de Belgique e.a./Commissie, 73/74, EU:C:1975:160, punten 25 en 26, en 16 juli 2015, ING Pensii, C‑172/14, EU:C:2015:484, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat een mededingingsregeling die slechts een deel van het grondgebied van een lidstaat bestrijkt, in bepaalde omstandigheden de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden (zie in die zin arrest van 3 december 1987, Aubert, 136/86, EU:C:1987:524, punt 18)."
"4) Artikel 101, lid 1, VWEU
moet aldus worden uitgelegd dat
de omstandigheid dat een verticale overeenkomst tot vaststelling van minimumwederverkoopprijzen bijna het gehele, maar dus niet het volledige grondgebied van een lidstaat bestrijkt, er niet aan in de weg staat dat deze overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden."
HvJEU 29 juni 2023, nr. C-211/22 (Super Bock Bebidas-), ECLI:EU:C:2023:529.
Lid 2
Algemeen
- "3) Artikel 101, lid 2, VWEU juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die vaststelt dat een bij een nationale regeling verbindend verklaarde verordening tot vaststelling van minimumbedragen voor advocatenhonoraria, in strijd is met het in artikel 101, lid 1, VWEU neergelegde verbod, moet weigeren om die nationale regeling toe te passen, ook wanneer de in deze verordening vastgestelde bedragen de reële marktprijzen van advocatendiensten weergeven."
HvJ EU 25 janauari 2024, nr. C-438/22 (Em akaunt BG), ECLI:EU:C:2024:71.
Schadevordering
"NB Zie Richtsnoeren voor de nationale rechterlijke instanties over de wijze waarop het aan de indirecte afnemer doorberekende aandeel van de meerkosten wordt geraamd, PbEU 2019, C 267/4."
“23. In de derde plaats heeft het Hof reeds geoordeeld, dat de artikelen 85, lid 1, van het Verdrag en 86 EG-Verdrag (thans artikel 82 EG) rechtstreekse gevolgen teweegbrengen in de betrekkingen tussen particulieren en voor de justitiabelen rechten doen ontstaan die de nationale rechter dient te handhaven (zie arresten van 30 januari 1974, BRT en SABAM, „BRT I”, 127/73, Jurispr. blz. 51, punt 16, en 18 maart 1997, Guérin automobiles/Commissie, C-282/95 P, Jurispr. blz. I-1503, punt 39).
24. Uit bovenstaande overwegingen volgt, dat elke particulier zich in rechte op schending van artikel 85, lid 1, van het Verdrag kan beroepen, ook wanneer hij partij is bij een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen in de zin van deze bepaling.
25. Aangaande de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, zij er allereerst aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheden belast is met de toepassing van het gemeenschapsrecht, de volle werking van dat recht dient te verzekeren en de daarin aan particulieren toegekende rechten dient te beschermen (zie met name arresten van 9 maart 1978, Simmenthal, 106/77, Jurispr. blz. 629, punt 16, en 19 juni 1990, Factortame e.a., C-213/89, Jurispr. blz. I-2433, punt 19).
26 Aan de volle werking van artikel 85 van het Verdrag, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 neergelegde verbod, zou worden afgedaan indien niet eenieder vergoeding kon vorderen van schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen.
27. Een dergelijk recht maakt de communautaire mededingingsregels immers gemakkelijker toepasbaar, waardoor - vaak verborgen - overeenkomsten of praktijken die de mededinging kunnen beperken of vervalsen, minder aantrekkelijk worden. In zoverre kunnen bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen wezenlijk bijdragen tot de handhaving van een daadwerkelijke mededinging in de Gemeenschap.
28. In die omstandigheden kan niet a priori worden uitgesloten, dat een dergelijke vordering wordt ingediend door een partij bij een overeenkomst die in strijd met de mededingingsregels zou worden geacht.
29. Bij gebreke van een communautaire regelgeving ter zake is het echter een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen krachtens nationaal rechtgelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C-261/95, Jurispr. blz. I-4025, punt 27).
30. Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld, dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op een ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (zie met name arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/Raad en Commissie, 238/78, Jurispr. blz. 2955, punt 14; 27 februari 1980, Just, 68/79, Jurispr. blz. 501, punt 26, en 21 september 2000, Michaïlidis, C-441/98 en C-442/98, Jurispr. blz. I-7145, punt 31).
31 Mits de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd (zie arrest Palmisani, (…) (Bew.: arrest van 10 juli 1997, nr. C-261/95, Jurispr. p. I-4025), punt 27) staat het gemeenschapsrecht er evenmin aan in de weg dat het nationale recht een partij ten aanzien waarvan is vastgesteld dat zij in aanzienlijke mate verantwoordelijk is voor de verstoring van de mededinging, het recht ontzegt schadevergoeding te vorderen van haar contractpartij. Overeenkomstig een beginsel dat in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten wordt erkend en door het Hof reeds is toegepast (zie arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië, 39/72, Jurispr. blz. 101, punt 10) mag een justitiabele niet profiteren van zijn eigen onrechtmatig handelen, wanneer dit is komen vast te staan.
32 Tot de beoordelingsfactoren die in dit verband door de bevoegde nationale rechter in aanmerking kunnen worden genomen, behoren de economische en de juridische context waarin de contractpartijen zich bevinden alsmede, zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht opmerkt, de respectieve onderhandelingspositie en het respectieve gedrag van beide contractpartijen.
33 Inzonderheid moet de bevoegde nationale rechter nagaan, of de partij die schade beweert te hebben geleden door het sluiten van een overeenkomst die de mededinging kan beperken of vervalsen, zich ten opzichte van de wederpartij in een duidelijk zwakkere positie bevond, zodat haar vrijheid om over de clausules van bedoelde overeenkomst te onderhandelen alsmede haar vermogen om de schade te voorkomen of de omvang daarvan te beperken, met name door tijdig alle beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden, uiterst beperkt zo niet nihil zouden zijn geweest.
34 (...) de mogelijkheid, dat een overeenkomst in strijd is met artikel 85, lid 1, van het Verdrag enkel op grond dat zij deel uitmaakt van een netwerk van soortgelijke overeenkomsten die een cumulatief effect op de mededinging hebben. In een dergelijk geval is het mogelijk dat de wederpartij van de houder van het netwerk niet in aanzienlijke mate verantwoordelijkis voor de schending van artikel 85, met name wanneer de voorwaarden van de overeenkomst haar in feite door de houder van het netwerk zijn opgelegd.”
HvJ 20 september 2001, nr. C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage en Crehan).
"60 Wat voorts de mogelijkheid betreft om vergoeding te vorderen van schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, zij eraan herinnerd dat afbreuk zou worden afgedaan aan de volle werking van artikel 81 EG, in het bijzonder het nuttig effect van het in lid 1 daarvan neergelegde verbod, indien niet eenieder vergoeding zou kunnen vorderen van de schade die hem is berokkend door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen (zie arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 26).
61 Bijgevolg kan eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een door artikel 81 EG verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging.
62 Bij gebreke van communautaire regelgeving ter zake is het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het gemeenschapsrecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie arrest van 10 juli 1997, Palmisani, C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 27, en arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 29).
(...)
78 Een nationale bepaling krachtens welke de verjaringstermijn voor het indienen van een schadevordering begint te lopen op de dag waarop de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand is gekomen, zou de uitoefening van het recht om vergoeding te vorderen van de door die mededingingsregeling of gedraging veroorzaakte schade in de praktijk onmogelijk maken, met name wanneer de in deze nationale bepaling neergelegde termijn tevens kort is en deze termijn niet kan worden geschorst.
79 In een dergelijke situatie is het in geval van doorlopende of herhaalde inbreuken immers niet uitgesloten dat de verjaringstermijn al verstrijkt voordat de inbreuk is beëindigd, in welk geval het eenieder die schade heeft geleden na het verstrijken van de verjaringstermijn onmogelijk is beroep in te stellen.
80 Het is aan de nationale rechter om na te gaan of dit het geval is met de nationale bepaling in de hoofdgedingen. (...)
82 In dat verband is het aan de nationale rechter om na te gaan of een nationale bepaling krachtens welke de verjaringstermijn voor het indienen van een vordering tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een ingevolge artikel 81 EG verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging, begint te lopen op de dag waarop deze mededingingsregeling of gedraging tot stand is gekomen, de uitoefening van het recht vergoeding van de geleden schade te vorderen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, inzonderheid wanneer de in deze nationale bepaling neergelegde termijn tevens kort is en niet kan worden geschorst.
(...)
93 In dat verband moeten allereerst, in overeenstemming met het gelijkwaardigheidsbeginsel, bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, in het kader van vorderingen uit hoofde van de communautaire mededingingsregels kunnen worden toegekend, voorzover zulks in het kader van soortgelijke, op het nationale recht gebaseerde vorderingen mogelijk is (zie in die zin arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 90).
94 Het is evenwel vaste rechtspraak dat het gemeenschapsrecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet uitloopt op ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden (zie met name arresten van 4 oktober 1979, Ireks-Arkady/Raad en Commissie, 238/78, Jurispr. blz. 2955, punt 14, en 21 september 2000, Michaïlidis, C‑441/98 en C‑442/98, Jurispr. blz. I‑7145, punt 31, en arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald punt 30).
95 In de tweede plaats volgt uit het doeltreffendheidsbeginsel en het recht van eenieder om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, dat personen die schade hebben geleden niet alleen vergoeding moeten kunnen vorderen van de reële schade (damnum emergens), maar ook van gederfde winst (lucrum cessans), alsmede van rente.
96 De totale uitsluiting van winstderving als voor vergoeding in aanmerking komende schade kan immers in geval van schending van het gemeenschapsrecht niet worden aanvaard, omdat inzonderheid bij geschillen van economische of commerciële aard een dergelijke volledige uitsluiting van winstderving herstel van de schade feitelijk onmogelijk zou maken (zie arrest Brasserie du pêcheur en Factortame, reeds aangehaald, punt 87, en arrest van 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C‑397/98 en C‑410/98, Jurispr. blz. I‑1727, punt 91).
97 Aangaande de betaling van rente heeft het Hof in punt 31 van het arrest van 2 augustus 1993, Marshall (C‑271/91, Jurispr. blz. I‑4367), eraan herinnerd dat de toekenning daarvan volgens de toepasselijke nationale regels een wezenlijk bestanddeel van schadeloosstelling vormt.
(...)
99 Overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel moeten derhalve in de eerste plaats, indien in het kader van nationale vorderingen die vergelijkbaar zijn met vorderingen op grond van de communautaire mededingingsregels bijzondere vergoedingen, zoals exemplaire of punitieve schadevergoeding, kunnen worden toegekend, deze vergoedingen ook kunnen worden toegekend in het kader van deze laatste vorderingen. Het gemeenschapsrecht belet de nationale rechter echter niet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde rechten niet leidt tot ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden.
100 In de tweede plaats volgt uit het doeltreffendheidsbeginsel en het recht van particulieren om vergoeding te vorderen van de schade die is veroorzaakt door een overeenkomst of een gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, dat de personen die schade hebben geleden niet alleen vergoeding moeten kunnen vorderen van de reële schade (damnum emergens), maar ook van gederfde winst (lucrum cessans), alsmede van rente."
HvJ 13 juli 2006, nr. C-295/04 en C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi e.a.).
"23 Al kunnen de richtsnoeren van de Commissie gevolgen hebben voor de praktijk van de nationale mededingingsautoriteiten, het staat bij gebreke van een dwingende Unierechtelijke regeling ter zake dus aan de lidstaten om de nationale regels over het recht van toegang van gelaedeerden van een kartel tot documenten betreffende clementieprocedures vast te stellen en toe te passen.
24 Hoewel de lidstaten bevoegd zijn om deze regels vast te stellen en toe te passen, moeten zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid het Unierecht in acht nemen (zie in die zin arrest van 12 november 2009, Commissie/Spanje, C‑154/08, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het bijzonder mogen zij de toepassing van het Unierecht niet onmogelijk of overdreven moeilijk maken (zie in die zin arrest van 16 juli 1998, Oelmühle en Schmidt Söhne, C‑298/96, Jurispr. blz. I‑4767, punten 23 en 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en moeten zij specifiek op het gebied van het mededingingsrecht ervoor zorgen dat de regels die zij vaststellen en toepassen, de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU onverlet laten (zie in die zin arrest VEBIC, reeds aangehaald, punt 57).
25 Clementieprogramma’s zijn, zoals wordt betoogd door de Commissie en de lidstaten die opmerkingen hebben ingediend, nuttige instrumenten bij de doeltreffende bestrijding teneinde inbreuken op de mededingingsregels op te sporen en te beëindigen, en zij dienen dus het doel van doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU.
26 De doeltreffendheid van deze programma’s kan evenwel worden aangetast wanneer documenten betreffende een clementieprocedure worden meegedeeld aan personen die een schadeactie wensen in te stellen, ook al verlenen de nationale mededingingsautoriteiten de clementieverzoeker volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de boete die zij hadden kunnen opleggen.
27 Het lijkt namelijk redelijk aan te nemen dat de mogelijkheid van een dergelijke mededeling degene die bij een schending van het mededingingsrecht is betrokken, ervan zal weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke clementieprogramma’s geboden mogelijkheid, met name gelet op de mogelijke uitwisseling van door hem vrijwillig verstrekte inlichtingen tussen de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten krachtens de artikelen 11 en 12 van verordening nr. 1/2003.
(...)
30 Bij het onderzoek van een verzoek om toegang tot documenten betreffende een clementieprogramma van een persoon die schadevergoeding wenst te krijgen van een andere persoon die een dergelijk programma geniet, is het dus noodzakelijk ervoor te zorgen dat de toepasselijke nationale regels niet minder gunstig zijn dan voor soortgelijke interne vorderingen en niet aldus werken dat de verkrijging van een dergelijke vergoeding in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (zie in die zin arrest Courage en Crehan, reeds aangehaald, punt 29) en de belangen die de mededeling van de inlichtingen rechtvaardigen, worden afgewogen tegen de bescherming van de door de clementieverzoeker vrijwillig verstrekte inlichtingen.
31 Een dergelijke afweging kunnen de nationale rechters in het kader van het nationale recht slechts per geval verrichten met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak."
HvJ EU 14 juni 2011, nr. C-360/09, ECLI:EU:C:2011:389 (Pfleiderer).
4.10. Het feit dat een moedervennootschap aansprakelijk is gesteld en een geldboete is opgelegd voor verboden gedragingen, die mogelijk geheel of ten dele zijn uitgevoerd door een dochtervennootschap, omdat zij alle aandelen houdt in die dochtervennootschap en die dochtervennootschap niet zelf haar marktgedrag bepaalt, impliceert niet zonder meer dat die dochtervennootschap ook zelf civielrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van die verboden gedragingen. In het bijzonder dwingt daartoe niet het Europeesrechtelijk beginsel dat de nationale wetgever en rechter bij schending van artikel 101 lid 1 VwEU ten behoeve van de gelaedeerden de volle werking van het in die bepaling gegeven recht op schadevergoeding dienen te verzekeren. De gelaedeerden kunnen immers voor die schadevergoeding de veroordeelde moeder aanspreken en zich vervolgens, zo nodig, via beslag op aandelen verhalen op de vermogensbestanddelen van de dochter.
Voor een eigen civielrechtelijke aansprakelijkheid is in beginsel vereist dat de dochtervennootschap ook zelfstandig een verwijt kan worden gemaakt. Dit is het geval indien kan worden aangenomen dat die dochter bekend was of geacht kan worden (globaal) bekend te zijn geweest met het bestaan van het kartel en de daar gemaakte afspraken, alsmede met het feit dat zij werd ingezet om die afspraken te implementeren.
Rechtbank Oost-Nederland 16 januari 2013, (Tennet/ABB), ECLI:NL:RBONE:2013:BZ0403; AB 2013/55 m.n. B.J. Drijber
"30 (...) dat de nationale rechter, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid de nationale regels toe te passen die gelden voor het recht van inzage in de documenten van nationale procedures met betrekking tot een kartel door personen die menen dat zij door dit kartel zijn benadeeld, de belangen die de mededeling van de inlichtingen dan wel de bescherming ervan rechtvaardigen, tegen elkaar af moet wegen (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 30).
31 Deze afweging is noodzakelijk omdat elke strikte regel, zowel een absolute weigering inzage in de betrokken documenten te verlenen als algemene inzage in deze documenten – zeker op het vlak van de mededinging – de doeltreffende toepassing van met name artikel 101 VWEU en de rechten die daarbij aan particulieren worden verleend, kan aantasten.
32 Enerzijds moet worden geconstateerd dat een regel volgens welke inzage in elk stuk van een mededingingsprocedure moet worden geweigerd, de bescherming van het recht op vergoeding van personen die door een schending van artikel 101 VWEU zijn benadeeld, onmogelijk of ten minste uiterst moeilijk kan maken. Dat geldt met name indien deze personen enkel door middel van inzage in de stukken van het dossier van de procedure voor de bevoegde nationale mededingingsautoriteit over de bewijsmiddelen kunnen beschikken die nodig zijn om hun schadevordering te onderbouwen. Als deze personen geen enkele andere mogelijkheid hebben om zich deze bewijsmiddelen te bezorgen, verliest het recht op vergoeding dat zij rechtstreeks aan het Unierecht ontlenen door de weigering om inzage in het dossier te verlenen immers elk nuttig effect.
33 Anderzijds is een regel van algemene toegang volgens welke elk stuk uit een mededingingsprocedure aan een verzoeker moet worden verstrekt op de enkele grond dat deze voornemens is een schadevordering in te stellen, om te beginnen niet nodig om een doeltreffende bescherming te verzekeren van het recht op schadevergoeding waarover de verzoeker beschikt. Het is immers weinig waarschijnlijk dat de schadevordering gegrond moet worden op alle gegevens in het procesdossier. Bovendien zou deze regel kunnen leiden tot schending van andere rechten die het Unierecht toekent aan onder meer de betrokken ondernemingen, zoals het recht op bescherming van beroeps- of bedrijfsgeheimen, of aan de betrokken particulieren, zoals het recht op bescherming van persoonsgegevens. Tot slot zou een dergelijke algemene inzage ook schade kunnen toebrengen aan openbare belangen, zoals een doeltreffend beleid ter onderdrukking van schendingen van het mededingingsrecht, doordat het personen die bij een schending van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU zijn betrokken, ervan zou kunnen weerhouden samen te werken met de mededingingsautoriteiten (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 27).
34 Zoals het Hof al heeft uitgemaakt, volgt daaruit dat de nationale rechter de belangen die mededeling van de inlichtingen dan wel bescherming ervan rechtvaardigen in het kader van het nationale recht slechts per geval tegen elkaar kan afwegen, met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak (arrest Pfleiderer, punt 31).
35 Zoals de Oostenrijkse regering opmerkt, moet deze afweging weliswaar in het kader van het nationale recht plaatsvinden, maar mag dat recht niet aldus werken dat elke mogelijkheid deze belangen van geval tot geval te wegen voor de nationale rechter is uitgesloten.
36 Uit de verwijzingsbeslissing en alle bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat de enige voorwaarde voor inzage in het dossier van het kartelgerecht krachtens § 39, lid 2, KartG is dat geen van de partijen bij de procedure zich daartegen verzet.
37 In een dergelijke situatie beschikt de nationale rechter die moet beslissen op een verzoek om inzage in het dossier, over geen enkele mogelijkheid om de belangen die door het Unierecht worden beschermd tegen elkaar af te wegen. Deze rechter, die enkel bevoegd is om kennis te nemen van de toestemming of weigering van de partijen bij de procedure om de gegevens in dat dossier te verspreiden, kan niets doen om hogere algemene belangen of zwaarder wegende, gerechtvaardigde belangen van andere personen te beschermen, bijvoorbeeld om verstrekking van de gevraagde stukken toe te staan als slechts een van de partijen zich daartegen verzet.
38 Overigens blijkt uit de verwijzingsbeslissing tevens dat partijen bij een procedure voor het kartelgerecht zich zonder rechtvaardiging tegen inzage in het dossier kunnen verzetten. Daardoor blijft in de praktijk een risico bestaan dat elk verzoek om inzage stelselmatig wordt afgewezen, vooral indien het verzoek ziet op stukken waarvan de verspreiding in strijd is met de belangen van de partijen bij de procedure, waaronder stukken die bewijsmiddelen kunnen bevatten die kunnen dienen als grond voor een schadevordering en waarop de verzoeker niet langs andere wegen de hand kan leggen.
39 Daaruit volgt dat de regel van nationaal recht die in het hoofdgeding aan de orde is, de uitoefening van het recht op vergoeding dat benadeelden aan het Unierecht ontlenen, uiterst moeilijk kan maken, voor zover deze regel aan de procespartijen die inbreuk hebben gemaakt op artikel 101 VWEU, de mogelijkheid laat te verhinderen dat personen die stellen dat zij door de schending van deze bepaling zijn benadeeld, inzage krijgen in de betrokken documenten, zonder rekening te houden met de omstandigheid dat deze personen mogelijk enkel door middel van inzage de nodige bewijsmiddelen kunnen verkrijgen om hun schadevordering te onderbouwen.
40 Deze uitlegging kan niet in twijfel worden getrokken door het argument van de Oostenrijkse regering dat een dergelijke regel onder meer noodzakelijk is voor stukken die door partijen in het dossier van de procedure zijn gevoegd in het kader van een clementieprogramma, om te waarborgen dat een dergelijk programma, en dus de toepassing van artikel 101 VWEU, doeltreffend is.
41 Zoals in punt 33 van het onderhavige arrest is opgemerkt, mogen de lidstaten de inzage in het dossier niet aldus regelen dat openbare belangen, zoals een doeltreffend beleid ter onderdrukking van schendingen van het mededingingsrecht, worden aangetast.
42 In dat verband heeft het Hof erkend dat clementieprogramma’s nuttige instrumenten zijn bij de doeltreffende bestrijding teneinde inbreuken op de mededingingsregels op te sporen en te beëindigen, en dus het doel van doeltreffende toepassing van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU dienen, maar dat de doeltreffendheid van deze programma’s kan worden aangetast wanneer documenten betreffende een clementieprocedure worden meegedeeld aan personen die een schadevordering wensen in te stellen. Het lijkt namelijk redelijk aan te nemen dat de mogelijkheid van een dergelijke mededeling degene die bij een schending van het mededingingsrecht is betrokken, ervan zal weerhouden gebruik te maken van de door dergelijke clementieprogramma’s geboden mogelijkheid (arrest Pfleiderer, punten 25‑27).
43 Hoewel deze overwegingen kunnen rechtvaardigen dat inzage in bepaalde stukken in het dossier van een nationale mededingingsprocedure wordt geweigerd, impliceren zij niet dat inzage stelselmatig kan worden geweigerd. Elk verzoek om inzage in de betrokken stukken moet per geval, met inachtneming van alle relevante gegevens van de zaak, worden beoordeeld (zie in die zin arrest Pfleiderer, punt 31).
44 In het kader van deze beoordeling is het aan de nationale rechter om enerzijds het belang te toetsen dat de verzoeker heeft bij inzage in de stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding, waarbij inzonderheid rekening wordt gehouden met de andere mogelijkheden die eventueel te zijner beschikking staan.
45 Anderzijds moet deze rechter rekening houden met de concrete nadelige gevolgen voor de openbare belangen of de gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden.
46 Inzonderheid met betrekking tot het openbare belang van een doeltreffend clementieprogramma, dat de Oostenrijkse regering in casu noemt, moet worden opgemerkt dat – gelet op het belang van de bij de nationale rechter ingediende schadevorderingen voor de handhaving van daadwerkelijke mededinging in de Europese Unie (zie arrest Courage en Crehan, punt 27) – het enkele inroepen van een risico dat een clementieprogramma, in het kader waarvan deze documenten aan de bevoegde mededingingsautoriteit zijn verstrekt, aan doeltreffendheid zou inboeten door inzage in bewijsmiddelen in het dossier van een mededingingsprocedure die nodig zijn om vorderingen te onderbouwen, niet volstaat om weigering van inzage in deze gegevens te rechtvaardigen.
47 Aangezien een dergelijke weigering kan verhinderen dat deze vorderingen worden ingesteld, met als gevolg dat de betrokkenen ondernemingen, die mogelijk al (ten minste gedeeltelijke) immuniteit tegen geldboeten genieten, zich tevens kunnen onttrekken aan hun verplichting de schade te vergoeden die door de schending van artikel 101 VWEU is veroorzaakt, en dat ten koste van de benadeelden, moet deze weigering evenwel berusten op dwingende redenen die verband houden met de bescherming van het ingeroepen belang en van toepassing zijn op elk stuk waarin inzage is geweigerd.
48 Enkel het risico dat een bepaald stuk in concreto het openbare belang van een doeltreffend nationaal clementieprogramma aantast, kan rechtvaardigen dat dit document niet wordt verspreid."
HvJ EU 6 juni 2013, nr. C-536/11, ECLI:EU:C:2013:366 (Bundeswettbewerbsbehörde tegen Donau Chemie e;a.).
"27 In het hoofdgeding voert ÖBB-Infrastruktur aan dat de door haar geleden schade gedeeltelijk door het betrokken kartel is veroorzaakt, doordat de marktprijs door dit kartel op een zodanig hoog peil kon worden gehandhaafd dat de concurrenten die niet tot dat kartel behoorden, zelf profijt uit die hogere marktprijs hebben kunnen trekken voor zover die meer bedroeg dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, hetzij met betrekking tot hun winstmarge, hetzij wat simpelweg hun overleving betreft, ingeval hun kostenstructuur van dien aard was dat normale concurrentievoorwaarden tot hun verwijdering van de markt hadden kunnen leiden.
28 Niemand van de belanghebbenden die opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, betwist dat dit fenomeen van prijsafscherming („umbrella pricing”) in bepaalde omstandigheden als een van de mogelijke gevolgen van een kartel wordt erkend. Verzoeksters in het hoofdgeding betwisten daarentegen in hoofdzaak dat het recht van de Unie aldus kan worden uitgelegd dat op „umbrella pricing” gebaseerde schadevorderingen door dit recht worden aanvaard.
29 In dit verband moet erop worden gewezen dat de marktprijs een van de voornaamste gegevens is die door een onderneming in aanmerking worden genomen om de prijs vast te stellen waartegen zij haar producten of diensten aanbiedt. Wanneer een kartel erin slaagt om voor bepaalde producten een kunstmatig hoge prijs te handhaven en tegelijk is voldaan aan sommige marktvoorwaarden, die onder meer verband houden met de aard van het product of met de omvang van de markt waarover dit kartel zich uitstrekt, kan niet worden uitgesloten dat de concurrerende onderneming – als kartelbuitenstaander – ervoor kiest om de prijs van haar aanbiedingen op een hoger niveau vast te stellen dan zij in normale mededingingsvoorwaarden zou hebben gedaan, dat wil zeggen wanneer dit kartel niet bestond. Zelfs indien de vaststelling van de prijs waartegen een product wordt aangeboden, als een louter zelfstandige beslissing van de niet aan het kartel deelnemende onderneming moet worden beschouwd, dient in die context niettemin te worden geconstateerd dat deze beslissing mogelijkerwijs op basis van een door dit kartel vervalste marktprijs is genomen, en bijgevolg indruist tegen de mededingingsregels.
30 Anders dan Schindler Aufzüge und Fahrtreppen en Schindler Liegenschaftsverwaltung betogen, volgt hieruit dat het feit dat de afnemer van een onderneming die geen lid van een kartel is maar die economisch in staat wordt gesteld om een afgeschermde prijs vast te stellen, schade lijdt doordat hij een hogere koopprijs moet betalen dan de prijs die zonder dit kartel zou zijn toegepast, een van de mogelijke gevolgen van dat kartel is, waarvan de kartelleden niet onwetend kunnen zijn."
HvJ EU 5 juni 2014, nr. C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e;a./ÖBB-Infrastruktur AG).
"32 Het is juist dat het in beginsel, zoals in punt 24 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, aan de interne rechtsorde van elke lidstaat staat om de regels betreffende de toepassing van het begrip causaal verband vast te stellen. Uit de in punt 26 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof volgt evenwel dat deze nationale regels de volle werking van het mededingingsrecht van de Unie dienen de garanderen (zie in die zin arrest VEBIC, EU:C:2010:739, punt 63). Aldus dienen deze regels specifiek rekening te houden met het doel dat door artikel 101 VWEU wordt nagestreefd, namelijk te waarborgen dat een doeltreffende en niet vervalste mededinging in de interne markt behouden blijft en de prijzen dus op basis van de vrije mededinging tot stand komen. In die omstandigheden heeft het Hof geoordeeld dat de nationale regels, zoals in punt 22 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, eenieder het recht moeten verlenen om vergoeding van de geleden schade te vorderen.
33 Aan de volle werking van artikel 101 VWEU wordt echter afbreuk gedaan indien het nationale recht het recht van eenieder om vergoeding van de geleden schade te vorderen op categorische wijze en los van de specifieke omstandigheden van het concrete geval afhankelijk stelt van het bestaan van een rechtstreeks causaal verband en het dit recht volledig uitsluit wanneer de betrokkene geen contractuele band met een lid van het kartel had, maar wel met een niet aan dat kartel deelnemende onderneming waarvan het prijsbeleid nochtans het resultaat van dit kartel is en dat tot de vervalsing van de voor concurrerende markten geldende prijsvormingsmechanismen heeft bijgedragen.
34 Bijgevolg kan de benadeelde van een beschermde prijs („umbrella pricing”) vergoeding van de geleden schade van de leden van een kartel vorderen, ook al heeft hij geen contractuele band met hen, wanneer vaststaat dat dit kartel in de concrete omstandigheden van de zaak en met name gelet op de specifieke kenmerken van de betrokken markt ertoe kon leiden dat autonoom optredende derden een beschermde prijs toepasten en de kartelleden niet onwetend konden zijn van die omstandigheden en kenmerken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze voorwaarden zijn vervuld.
37 Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de voorgelegde vraag te worden geantwoord dat artikel 101 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een uitlegging en toepassing van het interne recht van een lidstaat volgens welke het om juridische redenen categorisch is uitgesloten dat de ondernemingen die bij een kartel zijn betrokken, civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor schade die voortvloeit uit het feit dat een niet aan dit kartel deelnemende onderneming, gelet op de praktijken van dat kartel, hogere prijzen heeft toegepast dan de prijzen die zij zonder kartel had kunnen hanteren."
HvJEU 5 juni 2014, nr. C-557/12, ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone e;a. tegen ÖBB-Infrastruktur AG).HvJ EU 14 maart 2019; nrC-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska Industrial Solutions e.a.).
"24 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat een vordering zoals in het hoofdgeding, die ertoe strekt vergoeding te verkrijgen van schade als gevolg van vermeende inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 valt, en bijgevolg binnen de werkingssfeer van deze verordening (zie in die zin arrest van 23 oktober 2014, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑302/13, ECLI:EU:C:2014:2319, punt 38).
25 In de derde plaats dient er eveneens aan te worden herinnerd dat het Hof in zijn rechtspraak over artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 meermaals heeft geoordeeld dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden, als op de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat, zodat de verweerder naar keuze van de eiser voor het gerecht van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen (arresten van 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 45; 16 juni 2016, Universal Music International Holding, C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 28, en 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(...)
30 Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt en onder voorbehoud van de feitelijke beoordeling die aan de verwijzende rechter toekomt, bestaat de door Tibor-Trans aangevoerde schade uit de extra kosten wegens kunstmatig hoge prijzen die voor vrachtwagens worden gehanteerd als gevolg van heimelijke afspraken die één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU vormen, welke inbreuk in de gehele EER plaatsvond tussen 17 januari 1997 en 18 januari 2011 en waar vijftien internationale vrachtwagenfabrikanten, waaronder DAF Trucks, aan deelnamen. Uit dat dossier blijkt ook dat Tibor-Trans de vrachtwagens niet rechtstreeks bij de deelnemers aan het betreffende kartel kocht, aangezien deze eerst werden verkocht aan Hongaarse vrachtwagendealers, die de prijsverhogingen aan de eindgebruikers, zoals Tibor-Trans, doorberekenden.
31 Wat de aard van de gestelde schade betreft, moet worden opgemerkt dat deze schade niet slechts een financieel gevolg is van de schade die de rechtstreekse kopers, zoals de Hongaarse dealers, hadden kunnen lijden, en die had kunnen bestaan in een daling van de verkoop als gevolg van de prijsverhogingen. In het hoofdgeding vloeit de schade daarentegen hoofdzakelijk voort uit de extra kosten als gevolg van de kunstmatig hoge prijzen en is de schade dan ook het rechtstreekse gevolg van de inbreuk op artikel 101 VWEU, waardoor er dus sprake is van rechtstreekse schade die in beginsel kan leiden tot bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die schade is ingetreden.
(...)
33 Wanneer de markt die wordt beïnvloed door de mededingingsbeperkende gedragingen zich bevindt in de lidstaat op het grondgebied waarvan de gestelde schade zich zou hebben voorgedaan, moet de plaats waar de schade is ingetreden voor de toepassing van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 worden geacht zich in die lidstaat te bevinden (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 40).
34 Deze oplossing beantwoordt namelijk aan de doelstellingen van nabijheid en voorspelbaarheid van de bevoegdheidsregels, aangezien, ten eerste, de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de betrokken markt zich bevindt, het best geplaatst zijn om dergelijke vorderingen tot schadevergoeding te onderzoeken en, ten tweede, een marktdeelnemer die zich schuldig maakt aan concurrentiebeperkende gedragingen, redelijkerwijs mag verwachten te zullen worden vervolgd voor de rechterlijke instanties van de plaats waar zijn gedragingen de regels van gezonde mededinging hebben verstoord (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, flyLAL-Lithuanian Airlines, C‑27/17, EU:C:2018:533, punt 40)."
HvJ EU 29 jli 2019, nr. C-451/18, ECLI:EU:C:2019:635 (Tibor Trans)
"27 Het is eveneens van belang te benadrukken dat, zoals ook de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, zowel het waarborgen van de volle werking en het nuttig effect van artikel 101 VWEU als de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels aanzienlijk zou worden aangetast, als de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van schade die door een kartel is ontstaan beperkt zou zijn tot leveranciers of afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. Hierdoor zouden immers potentiële slachtoffers op voorhand worden uitgesloten van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.
(...)
31 Zoals ook de advocaat-generaal in punt 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, is het in dit verband niet nodig dat de door de betrokken persoon geleden schade daarenboven een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde „beschermingsdoelstelling”, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij hebben kunnen veroorzaken.
32 Bijgevolg moeten personen die niet als leverancier of afnemer op de door het kartel beïnvloede markt actief zijn, vergoeding kunnen vorderen van schade die voortvloeit uit het feit dat zij wegens dat kartel hogere subsidies hebben moeten toekennen dan wanneer dat kartel niet had bestaan, en zij dit verschil dus niet voor meer lucratieve investeringen hebben kunnen gebruiken."
Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door een kartel beïnvloede markt, maar die subsidies hebben verstrekt in de vorm van stimuleringsleningen aan afnemers van op die markt aangeboden producten, kunnen vorderen dat de ondernemingen die aan dit kartel hebben deelgenomen, worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die deze personen hebben geleden omdat zij, aangezien het bedrag van deze subsidies hoger was dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, dit verschil niet voor andere, meer lucratieve doeleinden hebben kunnen gebruiken."
HvJ EU 12 december 2019, nr. C-435/18 (Otis e.a. tegen Land Österreich e.a.); ECLI:EU:C:2019:1069.
"Artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat op de markt die wordt beïnvloed door heimelijke afspraken over prijzen en prijsverhogingen van goederen, de internationale en relatieve bevoegdheid om op grond van de plaats waar schade is ingetreden, kennis te nemen van een schadevordering wegens die met artikel 101 VWEU strijdige afspraken berust bij de rechter in wiens rechtsgebied de onderneming die stelt schade te hebben geleden, de goederen waarop die afspraken betrekking hebben, heeft gekocht, dan wel, wanneer die onderneming de goederen op verschillende plaatsen heeft gekocht, bij de rechter in wiens rechtsgebied de zetel van de onderneming is gevestigd."
HvJ EU 15 juli 2021, nr. C-30/20 (Volvo), ECLI:EU:C:2021:604.
"36 Naast de daadwerkelijke vergoeding van de gestelde schade draagt het ontstaan van een dergelijk recht namelijk bij tot de afschrikkende werking die de kern vormt van het optreden van de Commissie, die de verplichting heeft om een algemeen beleid te voeren dat erop is gericht op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de door het VWEU vastgelegde beginselen en het gedrag van de ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen (zie in die zin arrest van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, EU:C:1983:158, punt 105). Met dit recht kan dus niet alleen de door de betrokken persoon gestelde rechtstreekse schade worden hersteld, maar ook de indirecte schade die is toegebracht aan de structuur en de werking van de markt, die niet haar volle economische werking heeft kunnen ontplooien, met name ten gunste van de betrokken consumenten."
HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumai tegen Mercedes Benz Trucks Espana).
"44 Om die reden leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat (zie in die zin betreffende de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot boeten, arresten van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 150, en 25 november 2020, Commissie/GEA Group, C‑823/18 P, EU:C:2020:955, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Niettemin moet ook worden opgemerkt dat de organisatie van ondernemingsgroepen die een economische eenheid kunnen vormen, zeer verschillend kan zijn, afhankelijk van de groep. Meer bepaald bestaan er ondernemingsgroepen van het type „conglomeraat”, die actief zijn in verschillende economische sectoren waartussen geen verband bestaat.
46 Bijgevolg kan het recht van het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging om in het kader van een schadevordering een dochteronderneming in plaats van de moedermaatschappij aansprakelijk te stellen, niet automatisch worden ingeroepen tegen elke dochteronderneming van de moedermaatschappij waarvan het inbreukmakende gedrag bij besluit van de Commissie wordt bestraft. Zoals de advocaat-generaal in punt 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het in artikel 101 VWEU gebruikte begrip „onderneming” immers een functioneel begrip, waarbij de economische eenheid die de onderneming vormt, moet worden bepaald op basis van het voorwerp van de betrokken overeenkomst (zie in die zin arresten van 12 juli 1984, Hydrotherm Gerätebau, 170/83, EU:C:1984:271, punt 11, en 26 september 2013, The Dow Chemical Company/Commissie, C‑179/12 P, EU:C:2013:605, punt 57).
47 Een en dezelfde moedermaatschappij kan dus deel uitmaken van meerdere economische eenheden die, naargelang van de betrokken economische activiteit, bestaan uit haarzelf en verschillende combinaties van haar dochterondernemingen die alle tot dezelfde ondernemingsgroep behoren. Anders zou een dochteronderneming die tot een dergelijke groep behoort, aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken die zijn gepleegd in het kader van economische activiteiten die geen verband houden met haar eigen activiteit en waarbij zij op geen enkele wijze, zelfs niet indirect, betrokken was.
48 Gelet op een en ander kan in het kader van een schadevordering die is gebaseerd op het bestaan van een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU die door de Commissie bij besluit is vastgesteld, een juridische entiteit die in dat besluit niet is aangeduid als inbreukmaker op het mededingingsrecht, op die grond niettemin aansprakelijk worden gesteld voor het inbreukmakende gedrag van een andere juridische entiteit wanneer beide personen deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en aldus een onderneming vormen die de inbreuk heeft gepleegd in de zin van artikel 101 VWEU (zie in die zin arresten van 10 april 2014, Commissie/Siemens Österreich e.a. en Siemens Transmission & Distribution e.a./Commissie, C‑231/11 P–C‑233/11 P, EU:C:2014:256, punt 45, en 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie, C‑625/13 P, EU:C:2017:52, punt 145).
(...)
50 Bijgevolg staat in beginsel niets eraan in de weg dat het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging een schadevordering instelt tegen een van de juridische entiteiten die de economische eenheid, en dus de onderneming, vormen die de door dat slachtoffer geleden schade heeft veroorzaakt door inbreuk te maken op artikel 101, lid 1, VWEU.
51 Wanneer is aangetoond dat een moedermaatschappij artikel 101, lid 1, VWEU heeft geschonden, kunnen slachtoffers van die inbreuk overeenkomstig de in punt 42 van het onderhavige arrest dus, in plaats van haar zelf, een dochteronderneming ervan civiel aansprakelijk laten stellen. Dat kan echter maar slagen indien het slachtoffer, hetzij op basis van een eerder door de Commissie krachtens artikel 101 VWEU vastgesteld besluit, hetzij met elk ander middel, in het bijzonder wanneer de Commissie in dat besluit op dat punt het stilzwijgen bewaart of nog geen besluit heeft genomen, bewijst dat die dochteronderneming en haar moedermaatschappij een economische eenheid vormden, gezien de economische, organisatorische en juridische banden als bedoeld in de punten 43 en 47 van het onderhavige arrest en het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld.
52 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat een dergelijke schadevordering tegen een dochteronderneming veronderstelt dat de verzoeker, teneinde te doen vaststellen dat de moedermaatschappij en de dochteronderneming een economische eenheid vormen in de zin van de punten 41 en 46 van het onderhavige arrest, het bewijs levert van de in het vorige punt genoemde banden tussen deze vennootschappen en het in hetzelfde punt bedoelde concrete verband tussen de economische activiteit van deze dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld. In omstandigheden als die van het hoofdgeding moet het slachtoffer dus in beginsel aantonen dat de mededingingsverstorende overeenkomst die de moedervennootschap heeft gesloten en waarvoor zij is veroordeeld, dezelfde producten betreft als die welke de dochteronderneming verkoopt. Daarmee bewijst het slachtoffer dat juist de economische eenheid waartoe de dochteronderneming en haar moedermaatschappij samen behoren, de onderneming vormt die de door de Commissie eerder vastgestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU daadwerkelijk heeft begaan, overeenkomstig de in punt 46 van het onderhavige arrest gehanteerde functionele opvatting van het begrip „onderneming”.
53 Hieraan moet worden toegevoegd dat de vereisten van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht zoals gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aan de verweerder ten goede moeten komen in het kader van een schadevordering, die ertoe kan leiden dat deze partij ertoe wordt veroordeeld het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging schadeloos te stellen. De betrokken dochteronderneming moet haar rechten dan ook kunnen verdedigen overeenkomstig het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, dat een grondbeginsel van het Unierecht vormt (zie naar analogie arresten van 5 maart 2015, Commissie e.a./Versalis e.a., C‑93/13 P en C‑123/13 P, EU:C:2015:150, punt 94, en 29 april 2021, Banco de Portugal e.a., C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 57). Die dochteronderneming moet bij de betrokken nationale rechter dan ook alle middelen kunnen aanwenden die nodig zijn om haar rechten van verdediging op een zinvolle wijze uit te oefenen, met name om aan te vechten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als haar moedermaatschappij.
54 In dit verband moet die dochteronderneming haar aansprakelijkheid voor de gestelde schade kunnen weerleggen, met name door elke reden aan te voeren die zij had kunnen opwerpen indien zij betrokken was geweest bij de procedure die de Commissie tegen haar moedermaatschappij heeft ingeleid en die heeft geresulteerd in een besluit van de Commissie waarbij met artikel 101 VWEU strijdig inbreukmakend gedrag is vastgesteld (public enforcement).
55 In een situatie waarin een schadevordering echter berust op het feit dat de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft vastgesteld bij een besluit dat zij heeft gericht aan de moedermaatschappij van de verwerende dochteronderneming, kan deze laatste de aldus door de Commissie vastgestelde inbreuk echter niet betwisten voor de nationale rechter. Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen nationale rechterlijke instanties, wanneer zij artikel 101 VWEU toepassen op overeenkomsten, besluiten of gedragingen die reeds het voorwerp uitmaken van een besluit van de Commissie, immers geen beslissingen nemen die in strijd zijn met het door de Commissie vastgestelde besluit.
59 (...) Voor zover een besluit waarbij een door een onderneming gepleegde inbreuk wordt vastgesteld, is gericht aan een van de vennootschappen die op het moment dat de inbreuk werd gepleegd, deze onderneming reeds vormden, zodat die vennootschap en – via haar – deze onderneming in de gelegenheid zijn gesteld om die inbreuk te betwisten, kunnen de rechten van verdediging van de andere vennootschappen die deze onderneming vormden dus niet worden geschonden doordat het bestaan van die inbreuk in aanmerking wordt genomen in het kader van een latere schadevordering die wordt ingesteld door een persoon die schade heeft geleden ten gevolge van dat inbreukmakende gedrag, aangezien een dergelijke vordering er niet toe kan leiden dat aan die andere vennootschappen een straf zoals een geldboete wordt opgelegd.
60 Wanneer de Commissie het inbreukmakende gedrag niet heeft vastgesteld in een besluit op grond van artikel 101 VWEU, heeft de dochteronderneming van een moedermaatschappij waaraan een inbreuk wordt verweten daarentegen vanzelfsprekend het recht om niet alleen te betwisten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als haar moedermaatschappij, maar ook om te weerleggen dat de gestelde inbreuk werkelijk is begaan.
61 In de lijn van hetgeen in punt 51 van dit arrest is benadrukt, zij er voorts op gewezen dat, zoals de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag van het Hof heeft aangegeven en de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de mogelijkheid voor de betrokken nationale rechter om vast te stellen dat de dochteronderneming aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade niet wordt uitgesloten door het enkele feit dat de Commissie in voorkomend geval geen besluit heeft genomen of in het besluit waarbij de inbreuk is vastgesteld haar geen administratieve sanctie heeft opgelegd.
63 Overeenkomstig de in punt 42 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak kan de Commissie dus elke juridische entiteit van een onderneming die aan een inbreuk op artikel 101 VWEU heeft deelgenomen, vrijelijk aansprakelijk stellen voor een inbreuk en haar een geldboete opleggen. Uit het feit dat de Commissie een moedermaatschappij aanmerkt als de rechtspersoon die aansprakelijk kan worden gesteld voor de door een onderneming begane inbreuk, kan bijgevolg niet worden afgeleid dat een van haar dochterondernemingen geen deel uitmaakt van diezelfde onderneming die de verantwoordelijkheid voor die inbreuk moet dragen."
"1) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het slachtoffer van een mededingingsverstorende gedraging van een onderneming zonder onderscheid een schadevordering kan instellen tegen een moedermaatschappij die bij besluit van de Europese Commissie voor die gedraging is bestraft of tegen een dochteronderneming van deze maatschappij waartegen dat besluit niet is gericht, voor zover zij samen een economische eenheid vormen. De betrokken dochteronderneming moet haar rechten van verdediging op een zinvolle wijze kunnen uitoefenen om aan te tonen dat zij niet tot die onderneming behoort, en wanneer de Commissie geen besluit op grond van artikel 101 VWEU heeft vastgesteld, heeft zij tevens het recht om te betwisten dat het gestelde inbreukmakende gedrag zich heeft voorgedaan.
2) Artikel 101, lid 1, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke een vennootschap uitsluitend aansprakelijk kan worden gesteld voor de gedragingen van een andere vennootschap indien zij over deze laatste zeggenschap heeft."
HvJEU 6 oktober 2021, nr. C-882/19 (Sumai tegen Mercedes Benz Trucks Espana), ECLI:EU:C:2021:800.
- "62 Teneinde de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU te waarborgen – met name in het kader van vorderingen tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU en schadevorderingen wegens inbreuk op de mededingingsregels die zijn ingesteld na een besluit van een nationale mededingingsautoriteit waartegen bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring is ingesteld, maar dat definitief is geworden na door deze rechterlijke instanties te zijn bevestigd en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat – moet dan ook meer bepaald in het kader van procedures betreffende dergelijke vorderingen die zijn ingesteld bij een rechter van dezelfde lidstaat als die waar deze autoriteit haar bevoegdheden uitoefent worden geoordeeld dat de vaststelling van een inbreuk op het mededingingsrecht door die autoriteit het bestaan van die inbreuk aantoont tot bewijs van het tegendeel, dat de verwerende partij dient aan te leveren, voor zover de aard en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer ervan overeenstemmen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
63 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat voor de behandeling van dergelijke procedures het bestaan van een in een dergelijk besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie moet worden geacht te zijn aangetoond door de verzoekende partij tot het bewijs van het tegendeel, waardoor de in het artikel 2 van verordening nr. 1/2003 omschreven bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd, mits de aard en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale draagwijdte van de vermeende inbreuken waarop de door verzoekster ingestelde vorderingen betrekking hebben, overeenkomen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk.
64 Wanneer de inbreukpleger, de aard, de juridische kwalificatie, de duur en de territoriale omvang van de in dit soort besluit vastgestelde inbreuk slechts gedeeltelijk samenvallen met de inbreuk waartegen de betrokken vordering is ingesteld, zijn de vaststellingen in een dergelijk besluit bovendien niet noodzakelijkerwijs irrelevant, maar vormen zij een aanwijzing voor het bestaan van de feiten waarop die vaststellingen betrekking hebben, zoals de advocaat-generaal in punt 97 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt.
(...)
1) Artikel 101 VWEU, zoals uitgewerkt in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] en gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat de inbreuk op het mededingingsrecht die is vastgesteld in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit waartegen bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties beroep tot nietigverklaring is ingesteld, maar dat definitief is geworden na door deze rechterlijke instanties te zijn bevestigd, zowel in het kader van een vordering tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU als in het kader van een schadevordering wegens een inbreuk op artikel 101 VWEU, moet worden geacht door de verzoekende partij te zijn aangetoond tot bewijs van het tegendeel, waardoor de in dat artikel 2 omschreven bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd, mits de aard van de vermeende inbreuk waarop die vorderingen betrekking hebben en de materiële, persoonlijke, temporele en territoriale werkingssfeer ervan, samenvallen met die van de in dat besluit vastgestelde inbreuk."
HvJ EU 20 april 2023, nr. C-25/21 (Repsol Comercial de Productos Petrolíferos), ECLI:EU:C:2023:298.
- "70 Deze nietigheid, die door eenieder kan worden ingeroepen, is voor de rechter bindend wanneer de voorwaarden voor toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU vervuld zijn en de betrokken overeenkomst een vrijstelling krachtens artikel 101, lid 3, VWEU niet kan rechtvaardigen. Aangezien de in artikel 101, lid 2, VWEU bedoelde nietigheid absoluut is, heeft een krachtens deze bepaling nietige - "overeenkomst geen gevolgen in de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen en kan zij aan derden niet worden tegengeworpen. Deze nietigheid kan bovendien alle gevolgen, voor het verleden en voor de toekomst, van de overeenkomst of het besluit treffen (arrest van 20 september 2001, Courage en Crehan, C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 22).
71 De in artikel 101, lid 2, VWEU bepaalde nietigheid van rechtswege treft slechts de bedingen van de overeenkomst die onverenigbaar zijn met artikel 101, lid 1, VWEU. De gevolgen van deze nietigheid voor alle andere onderdelen van de overeenkomst worden niet door het Unierecht beheerst. Deze gevolgen dienen door de nationale rechter naar zijn nationale recht te worden beoordeeld (zie in die zin arrest van 14 december 1983, Société de vente de ciments et bétons de l’Est, 319/82, EU:C:1983:374, punt 12).
72 De nationale rechter dient naar nationaal recht te beoordelen wat de draagwijdte en de gevolgen voor het geheel van de contractuele betrekkingen zijn indien sommige bepalingen van de overeenkomst op grond van artikel 101, lid 2, VWEU nietig zouden zijn (arrest van 18 december 1986, VAG France, 10/86, EU:C:1986:502, punt 15).
73 De door artikel 101, lid 2, VWEU opgelegde nietigheid van rechtswege strekt zich alleen uit tot de onderdelen van de overeenkomst die ingevolge artikel 101, lid 1, VWEU verboden zijn. De gehele overeenkomst is slechts nietig wanneer die onderdelen niet van de overeenkomst zelf kunnen worden losgemaakt (zie in die zin arrest van 28 februari 1991, Delimitis, C‑234/89, EU:C:1991:91, punt 40).
(...)
2) Artikel 101 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat voor zover een verzoekende partij erin slaagt het bestaan aan te tonen van een inbreuk op dat artikel die het voorwerp is van haar uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU ingestelde vordering tot nietigverklaring en van haar schadevordering wegens die inbreuk, de nationale rechter daaruit alle consequenties moet trekken en hieruit met name, uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU, de nietigheid van rechtswege van de met artikel 101, lid 1, VWEU onverenigbare bedingen van de overeenkomst moet afleiden, waarbij de betreffende overeenkomst slechts in haar geheel nietig is wanneer die onderdelen niet van de overeenkomst zelf kunnen worden losgemaakt."
HvJ EU 20 april 2023, nr. C-25/21 (Repsol Comercial de Productos Petrolíferos), ECLI:EU:C:2023:298.
- "53 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat een nationale regeling waarin wordt vastgelegd vanaf welke datum de verjaringstermijn gaat lopen en hoe lang en onder welke voorwaarden de schorsing of stuiting ervan plaatsvindt, afgestemd moet zijn op het specifieke karakter van het mededingingsrecht en de doelstellingen die aan de uitvoering van dit recht door de betrokken personen zijn verbonden, teneinde de volle werking van de artikelen 101 en 102 VWEU niet teniet te doen (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 47).
54 De instelling van schadevorderingen wegens inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie vereist immers in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse (arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 46).
55 Ook moet rekening worden gehouden met het feit dat geschillen over inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie en op het nationale mededingingsrecht in beginsel worden gekenmerkt door een informatieasymmetrie ten nadele van degene die schade heeft geleden, zoals in herinnering is gebracht in overweging 47 van richtlijn 2014/104. Daardoor wordt het voor diegene moeilijker gemaakt om de informatie te verkrijgen die noodzakelijk is om een schadevordering in te stellen dan voor de mededingingsautoriteiten om de informatie te verkrijgen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun bevoegdheid om het mededingingsrecht toe te passen.
56 In deze context moet worden geoordeeld dat – anders dan de voor de Commissie geldende regel in artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003, volgens welke de verjaringstermijn voor het opleggen van sancties begint te lopen op de dag waarop de inbreuk is gepleegd of, bij voortdurende of voortgezette inbreuken, vanaf de dag waarop de inbreuk is beëindigd – de verjaringstermijnen die gelden voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Unie pas in kunnen gaan wanneer de inbreuk is beëindigd en de benadeelde kennis heeft genomen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben genomen van de noodzakelijke informatie om een schadevordering in te stellen.
57 Anders zou de uitoefening van het recht om schadevergoeding te vorderen in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt.
58 Wat de voor het instellen van een schadevordering noodzakelijke informatie betreft, kan volgens vaste rechtspraak van het Hof eenieder vergoeding van de geleden schade vorderen indien er een causaal verband bestaat tussen die schade en een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie (zie in die zin arresten van 5 juni 2014, Kone e.a., C‑557/12, EU:C:2014:1317, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 40).
59 Voorts volgt uit de rechtspraak van het Hof dat het, om een schadevordering te kunnen indienen, noodzakelijk is dat de benadeelde persoon weet wie verantwoordelijk is voor de inbreuk op het mededingingsrecht (arrest van 28 maart 2019, Cogeco Communications, C‑637/17, EU:C:2019:263, punt 50).
60 Hieruit volgt dat het bestaan van een inbreuk op het mededingingsrecht, het bestaan van schade en een causaal verband tussen die schade en deze inbreuk, alsmede de identiteit van de pleger van de inbreuk, deel uitmaken van de noodzakelijke gegevens waarover de benadeelde moet beschikken om een schadevordering te kunnen instellen.
61 Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de verjaringstermijnen voor schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Unie niet kunnen ingaan voordat de inbreuk is beëindigd en de benadeelde persoon kennis heeft genomen of redelijkerwijs kan worden geacht kennis te hebben genomen van het feit dat hij door die inbreuk schade heeft geleden alsmede van de identiteit van de pleger ervan.
(....)
64 Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de benadeelde, zelfs in een kartelzaak, ruim vóór de bekendmaking van de samenvatting van een besluit van de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, of zelfs vóór de publicatie van het persbericht over dat besluit, weet kan hebben van de noodzakelijke gegevens voor het instellen van een schadevordering, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat dit in casu het geval is.
(...)
71. In die omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat in casu RM op de datum van publicatie van het persbericht over besluit C(2016) 4673 final, te weten 19 juli 2016, weet had van de noodzakelijke gegevens om zijn schadevordering in te stellen. Daarentegen kan redelijkerwijs wel worden aangenomen dat RM daarvan weet had op de datum van publicatie van de samenvatting van besluit C(2016) 4673 final in het Publicatieblad van de Europese Unie, te weten 6 april 2017."
HvJ EU 22 juni 2022, nr. C-267/20 (Volvo et DAF Trucks), ECLI:EU:C:2022:494.
- "1) L’article 101 TFUE et le principe d’effectivité doivent être interprétés en ce sens qu’ils ne s’opposent pas à une réglementation nationale, telle qu’interprétée par la jurisprudence nationale, selon laquelle le délai de prescription applicable à un recours en dommages et intérêts pour une infraction aux dispositions du droit de la concurrence de l’Union européenne intenté par un consommateur commence à courir le jour de la publication au Journal officiel de l’Union européenne du résumé de la décision définitive de la Commission européenne par laquelle cette infraction a été constatée, dès lors qu’il peut raisonnablement être considéré que la personne lésée a pris connaissance des éléments indispensables lui permettant d’introduire son action en dommages et intérêts à la date de cette publication."
HvJ EU 6 maart 2023, C-198/22 (Deutsche Bank (Entente - Produits dérivés de taux d’intérêt en euro)), ECLI:EU:C:2023:166.
Lid 3
Algemeen
"3) Artikel 101, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het slechts van toepassing is op een krachtens artikel 101, lid 1, VWEU verboden overeenkomst wanneer de onderneming die zich op deze bepaling beroept, het bewijs heeft geleverd dat is voldaan aan de in deze bepaling gestelde vier cumulatieve voorwaarden."
HvJ EU 7 februari 2013, nr. C-68/12 (Protimonopoly), ECLI:EU:C:2013:71.
"331 The Court of Justice — relying on Regulation No 1/2003 and, in particular, on recital 5 thereof, according to which, first, it is for the party or the authority alleging an infringement of the competition rules to prove the existence thereof and, secondly, it is for the undertaking or association of undertakings invoking the benefit of a defence against a finding of an infringement to demonstrate to the required legal standard that the conditions for applying that defence are satisfied — has held that, although according to those principles the legal burden of proof is borne either by the Commission or by the undertaking or association concerned, the factual evidence on which a party relies may be of such a kind as to require the other party to provide an explanation or justification, failing which it is permissible to conclude that the burden of proof has been discharged (judgment of 7 January 2004, Aalborg Portland and Others v Commission, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P and C‑219/00 P, EU:C:2004:6, paragraphs 78 and 79).
332 Thus, in some cases, the facts relied on by the undertaking invoking the benefit of the exemption under Article 101(3) TFEU may be such as to oblige the Commission to provide an explanation or justification, failing which it is permissible to conclude that the burden of proof has been discharged (judgments of 6 October 2009, GlaxoSmithKline Services and Others v Commission and Others, C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P and C‑519/06 P, EU:C:2009:610, paragraph 83, and of 8 September 2016, Lundbeck v Commission, T‑472/13, under appeal, EU:T:2016:449, paragraph 711).
333 Lastly, it must also be noted that any agreement which restricts competition, whether by its effects or by its object, may in principle benefit from an exemption under Article 101(3) TFEU (judgments of 13 July 1966, Consten and Grundig v Commission, 56/64 and 58/64, EU:C:1966:41, pp. 342 and 343 and 347 to 350; of 13 October 2011, Pierre Fabre Dermo-Cosmétique, C‑439/09, EU:C:2011:649, paragraphs 49 and 57; and of 15 July 1994, Matra Hachette v Commission, T‑17/93, EU:T:1994:89, paragraph 85)."
Gerecht EU, 12 december 2018, nr. T-679/14 (Teva tegen Commissie, ECLI:EU:T:2018:919.
-"2) Artikel 101, lid 3, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst tussen een leverancier en een distributeur op grond waarvan de distributeur die als eerste een potentiële transactie met de eindgebruiker registreert, gedurende zes maanden vanaf die registratie „voorrang [krijgt] om de verkoop [...] tot stand te brengen” mits die gebruiker geen bezwaar daartegen maakt, in het geval dat die overeenkomst „naar strekking” of „naar gevolg” de mededinging verhindert, beperkt of vervalst in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, slechts kan worden vrijgesteld krachtens lid 3 van dat artikel indien zij voldoet aan de daar gestelde cumulatieve voorwaarden."
HvJ EU 18 november 2021 (Visma Enterprise), ECLI:EU:C:2021:935.
- "189 Uit de bewoordingen zelf van artikel 101, lid 3, VWEU volgt dat alle overeenkomsten, alle besluiten van ondernemersverenigingen of alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die in strijd zijn met artikel 101, lid 1, VWEU omdat zij de mededinging verstoren, hetzij naar strekking, hetzij naar gevolg, kunnen worden vrijgesteld van het in deze laatste bepaling neergelegde verbod indien zij aan alle daartoe gestelde voorwaarden voldoen (zie in die zin arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punt 38, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 230). Daarbij moet erop worden gewezen dat die voorwaarden strikter zijn dan die welke in punt 183 van het onderhavige arrest zijn genoemd.
190 Volgens artikel 101, lid 3, VWEU moet voor die vrijstelling in een concreet geval cumulatief aan vier voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid worden aangetoond (arrest van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 95) dat de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie efficiëntieverbeteringen mogelijk maken, doordat zij bijdragen tot een verbetering van de productie of van de verdeling van de betrokken producten of diensten, of tot een verbetering van de technische of economische vooruitgang. Ten tweede moet in dezelfde mate worden aangetoond dat een billijk aandeel in de voordelen die uit die efficiëntieverbeteringen voortvloeien, aan de gebruikers ten goede komt. Ten derde mogen de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie de deelnemende ondernemingen geen beperkingen opleggen die niet onmisbaar zijn om dergelijke efficiëntieverbeteringen te behalen. Ten vierde mogen die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen de deelnemende ondernemingen niet de mogelijkheid geven om daadwerkelijke mededinging voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten uit te schakelen.
191 Het staat aan de partij die zich op die vrijstelling beroept om met afdoende argumenten en bewijzen aan te tonen dat alle voorwaarden daartoe zijn vervuld (zie in die zin arresten van 11 juli 1985, Remia e.a./Commissie, 42/84, EU:C:1985:327, punt 45, en 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 82). Wanneer die argumenten en bewijzen van dien aard zijn dat de andere partij verplicht is ze op een afdoende manier te weerleggen en deze partij daar niet in slaagt, mag worden geconcludeerd dat aan de bewijsplicht van de partij die zich op artikel 101, lid 3, VWEU beroept, is voldaan (zie in die zin arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punt 79, en 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 83).
192 Wat met name de eerste in punt 190 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarde betreft, vallen de efficiëntieverbeteringen die dankzij de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten kunnen worden gerealiseerd, niet samen met om het even welke voordelen die de deelnemende ondernemingen daaruit behalen in het kader van hun economische activiteit, maar alleen met de merkbare objectieve voordelen die met die overeenkomst, dat besluit of die gedragingen, specifiek bezien, kunnen worden gerealiseerd in de betrokken sector(en) of markt(en). Om deze eerste voorwaarde als vervuld te kunnen beschouwen, moeten bovendien niet alleen het bestaan en de omvang van efficiëntieverbeteringen worden aangetoond, maar moet ook worden bewezen dat die verbeteringen de op het vlak van de concurrentie optredende nadelen compenseren die de overeenkomst, het besluit of de gedragingen in kwestie met zich brengen (zie in die zin arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 522, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 232, 234 en 236, alsook, naar analogie, 27 maart 2012, Post Danmark, C‑209/10, EU:C:2012:172, punt 43).
193 Volgens de tweede in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde moet worden aangetoond dat de efficiëntieverbeteringen die met de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie moeten kunnen worden gerealiseerd, een gunstige weerslag hebben op alle gebruikers, zowel beroepsbeoefenaren, tussenconsumenten als eindconsumenten in de verschillende betrokken sectoren of markten (zie in die zin arresten van 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado, C‑238/05, EU:C:2006:734, punt 70, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punten 236 en 242).
194 Hieruit volgt dat in een situatie als die in het hoofdgeding waarin de gedraging die inbreuk maakt op artikel 101, lid 1, VWEU mededingingsverstorend is naar strekking, dat wil zeggen voldoende schadelijk is voor de mededinging, en bovendien verschillende groepen gebruikers of consumenten kan treffen, moet worden uitgemaakt of, en, in voorkomend geval, in hoeverre, die gedraging niettegenstaande het schadelijke karakter ervan een gunstige uitwerking heeft op elk van die groepen.
195 In het hoofdgeding is het dus de taak van de verwijzende rechter om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties een gunstige invloed kunnen hebben op de verschillende groepen „gebruikers”, waaronder met name de nationale voetbalbonden, de professionele of amateurclubs, de professionele of amateurspelers, jonge spelers en, meer in het algemeen, de consumenten, ongeacht of het daarbij om toeschouwers of televisiekijkers gaat.
196 In dit verband mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat dergelijke regels weliswaar in beginsel gerechtvaardigd kunnen lijken, doordat zij bijdragen tot het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen, de waarden en de spelregels die aan het professionele voetbal ten grondslag liggen, met name de openheid van de betrokken competities en het feit dat deze op verdienste gebaseerd zijn, en doordat zij een bepaalde vorm van solidaire herverdeling binnen het voetbal verzekeren, maar dat het bestaan van deze doelstellingen, hoe lovenswaardig zij ook mogen zijn, de verenigingen die deze regels hebben vastgesteld niet ontslaat van de verplichting om voor de verwijzende rechter aan te tonen dat het nastreven van deze doelstellingen leidt tot reële en kwantificeerbare efficiëntieverbeteringen en voorts dat deze efficiëntieverbeteringen de nadelen compenseren die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels voor de mededinging met zich brengen.
197 De derde in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde, volgens welke de betrokken gedraging onmisbaar of noodzakelijk moet zijn, vereist dat wordt nagegaan wat de weerslag is van enerzijds die gedraging en anderzijds de werkelijk denkbare alternatieve maatregelen, en dat die weerslag wordt vergeleken, teneinde te bepalen of de van die gedraging te verwachten efficiëntieverbeteringen kunnen worden gerealiseerd met maatregelen die de mededinging minder beperken. Deze voorwaarde kan er echter niet toe leiden dat uit opportuniteitsoverwegingen wordt gekozen tussen een dergelijke gedraging en zulke alternatieve maatregelen wanneer deze laatste niet minder restrictief voor de mededinging blijken te zijn.
198 Om na te gaan of in een concreet geval is voldaan aan de vierde in punt 190 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarde, moeten de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten worden onderzocht die kenmerkend zijn voor de werking van de mededinging in de betrokken sectoren of markten, teneinde te bepalen of de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie de deelnemende ondernemingen de mogelijkheid bieden om daadwerkelijke mededinging volledig uit te schakelen voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten. In het geval van een besluit van een ondernemersvereniging of een overeenkomst waartoe ondernemingen collectief zijn toegetreden, kan het zeer grote marktaandeel van deze ondernemingen, naast andere relevante omstandigheden die aan een alomvattende analyse moeten worden onderworpen, een aanwijzing vormen dat dit besluit of deze overeenkomst, gelet op de inhoud en de strekking of de gevolgen ervan, de deelnemende ondernemingen mogelijkerwijs in staat stelt om effectieve mededinging volledig uit te schakelen. Deze grond sluit als zodanig de toepassing van de vrijstelling van artikel 101, lid 3, VWEU uit. Een andere mogelijke omstandigheid kan verband houden met het feit dat een dergelijk besluit of een dergelijke overeenkomst weliswaar één vorm van daadwerkelijke mededinging of één toegangskanaal tot de markt uitschakelt, maar andere mededingingsvormen of toegangskanalen wel laat voortbestaan (zie in die zin arrest van 22 oktober 1986, Metro/Commissie, 75/84, EU:C:1986:399, punten 64, 65 en 88).
199 Om na te gaan of in casu aan deze vierde voorwaarde is voldaan, moet de verwijzende rechter in de eerste plaats rekening houden met het feit dat, zoals met name in de punten 174 tot en met 179 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties niet worden afgebakend door materiële criteria en procedurele regelingen die kunnen waarborgen dat zij transparant, objectief, nauwkeurig en niet-discriminerend zijn. Aangenomen moet worden dat een dergelijke situatie de entiteiten die deze regels hebben vastgesteld in staat kan stellen om elke mededinging op de markt voor de organisatie en het in de markt zetten van clubvoetbalcompetities op het grondgebied van de Unie te verhinderen.
200 Meer algemeen kan het voor het onderzoek van de verschillende in punt 190 van het onderhavige arrest vermelde voorwaarden nodig zijn om de kenmerken en de specificiteit van de sector(en) of markt(en) die onder de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde feitelijke gedragingen in kwestie valt (vallen), in aanmerking te nemen indien deze kenmerken en specificiteit beslissend zijn voor de uitkomst van dit onderzoek (zie in die zin arresten van 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 103, en 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie, C‑382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 236)."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "230 Om al deze redenen kunnen regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voor zover zij op dwingende en omvattende wijze een stelsel van exclusieve exploitatie van alle rechten die kunnen voortvloeien uit de door de FIFA en de UEFA georganiseerde professionele clubvoetbalcompetities in de plaats stellen van elke andere exploitatiewijze die zonder deze regels vrij zou kunnen worden gekozen, worden geacht „ertoe te strekken” de mededinging op de verschillende betrokken markten te verhinderen of te beperken in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU, en worden beschouwd als „misbruik” van een machtspositie in de zin van artikel 102 VWEU, tenzij kan worden aangetoond dat zij gerechtvaardigd zijn. Dit geldt te meer wanneer dergelijke regels gepaard gaan met regels betreffende voorafgaande toestemming, deelname en sancties, zoals die welke waarop de vorige vragen betrekking hebben.
231 Met betrekking tot de vraag of deze regels kunnen voldoen aan alle in de punten 190 en 204 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden om voor een vrijstelling krachtens artikel 101, lid 3, VWEU in aanmerking te kunnen komen en om als gerechtvaardigd te kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU, moet worden opgemerkt dat het aan de verwijzende rechter staat om zich hierover uit te spreken nadat de partijen in het hoofdgeding in de gelegenheid zijn gesteld om hun respectievelijke bewijsplicht na te komen.
232 In de eerste plaats zij evenwel opgemerkt dat verweersters in het hoofdgeding, verschillende regeringen en de Commissie voor het Hof hebben aangevoerd dat deze regels efficiëntieverbeteringen mogelijk maken, doordat zij bijdragen aan de verbetering van zowel de productie als de verdeling. Door huidige of potentiële kopers in staat te stellen met twee exclusieve verkopers te onderhandelen over de aankoop van rechten voordat elk van de door deze verkopers georganiseerde internationale of Europese competities plaatsvinden, zouden deze regels namelijk leiden tot een aanzienlijke verlaging van de transactiekosten van de kopers en ook tot een aanzienlijke vermindering van de onzekerheid waarmee zij zouden worden geconfronteerd indien zij per geval zouden moeten onderhandelen met de deelnemende clubs, die uiteenlopende standpunten en belangen zouden kunnen hebben wat betreft de vermarkting van deze rechten. Bovendien – en bovenal – zouden deze regels ervoor zorgen dat deze huidige of potentiële kopers onder specifieke voorwaarden die consequent op internationaal of Europees niveau worden toegepast, toegang krijgen tot rechten die oneindig veel aantrekkelijker zijn dan de rechten die hun gezamenlijk zouden kunnen worden aangeboden door de clubs die aan een of andere bepaalde wedstrijd deelnemen, rekening houdend met het feit dat deze rechten de reputatie van de FIFA of de UEFA genieten en betrekking hebben op, zo niet een volledige door hen georganiseerde competitie, dan toch een aanzienlijk aantal wedstrijden in de verschillende fasen van deze competitie (kwalificatiewedstrijden, groepswedstrijden en eindfase).
233 Het is evenwel de taak van de verwijzende rechter om, in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen argumenten en bewijzen, de omvang van deze efficiëntieverbeteringen te bepalen en, indien het bestaan en de omvang van deze efficiëntieverbeteringen worden aangetoond, te oordelen of deze efficiëntieverbeteringen de nadelen kunnen compenseren die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels voor de mededinging met zich brengen.
234 In de tweede plaats hebben verweersters in het hoofdgeding, verschillende regeringen en de Commissie aangevoerd dat een billijk aandeel in de voordelen die lijken voort te vloeien uit de efficiëntieverbeteringen die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels teweegbrengen, ten goede komt aan de gebruikers. De voordelen uit de gecentraliseerde verkoop van de verschillende rechten in verband met de door de FIFA en de UEFA georganiseerde clubvoetbalcompetities zouden dus in aanzienlijke mate worden bestemd voor financieringen of projecten die moeten zorgen voor een bepaalde vorm van solidaire herverdeling binnen het voetbal, die niet alleen ten goede komt aan de professionele voetbalclubs die aan deze competities deelnemen, maar ook aan clubs die er niet aan deelnemen, amateurclubs, professionele spelers, het vrouwenvoetbal, jonge spelers en andere groepen actoren in het voetbal. Op dezelfde manier zouden de verbetering van de productie en verdeling als gevolg van deze gecentraliseerde verkoop en de solidaire herverdeling van de voordelen die uit die verkoop voortvloeien uiteindelijk ten goede komen aan de supporters, de verbruikers – namelijk de televisiekijkers – en, in bredere zin, alle burgers van de Unie die op amateurniveau voetbal spelen.
235 Op het eerste gezicht lijken deze argumenten overtuigend, gezien de essentiële kenmerken van de clubvoetbalcompetities die op mondiaal of Europees niveau worden georganiseerd. De goede werking, de duurzaamheid en het welslagen van deze competities hangen immers af van de handhaving van een evenwicht en van het behoud van een zekere gelijkheid van kansen tussen de professionele voetbalclubs die eraan deelnemen, gelet op de onderlinge afhankelijkheid die hen verbindt, zoals volgt uit punt 143 van het onderhavige arrest. Bovendien zijn deze competities afhankelijk van kleinere professionele voetbalclubs en amateurvoetbalclubs die weliswaar niet aan deze competities deelnemen, maar op lokaal niveau investeren in de indienstneming en opleiding van talentvolle jonge spelers, van wie sommigen beroepsvoetballer zullen worden en ernaar zullen streven zich aan te sluiten bij een club die aan deze competities deelneemt (zie in die zin arrest van 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punten 41‑45). Ten slotte zal de solidaire werking van het voetbal, mits deze reëel is, de educatieve en sociale rol ervan in de Unie versterken.
236 Hoe dan ook moet worden aangetoond dat de voordelen die de gecentraliseerde verkoop van rechten in verband met voetbalcompetities oplevert voor elke groep gebruikers – waaronder niet alleen professionele en amateurclubs en andere actoren in het voetbal, maar ook toeschouwers en televisiekijkers – reëel en concreet zijn.
237 Het is dus uiteindelijk de taak van de verwijzende rechter om in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen bewijzen, met name boekhoudkundige en financiële bewijzen, te beoordelen in hoeverre de betrokken argumenten, ongeacht of zij verband houden met de „horizontale” solidariteit tussen de aan deze competities deelnemende clubs dan wel de „verticale” solidariteit met de verschillende andere actoren in het voetbal, daadwerkelijk gegrond zijn met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels.
238 In de derde plaats is het eveneens de taak van de verwijzende rechter om, in het licht van de door de partijen in het hoofdgeding over te leggen bewijzen, te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels onmisbaar zijn om de bovengenoemde efficiëntieverbeteringen te kunnen behalen en te zorgen voor een solidaire herverdeling van een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen ten gunste van alle gebruikers, ongeacht of het gaat om actoren in het professionele of amateurvoetbal, dan wel om toeschouwers of televisiekijkers.
239 In de vierde plaats moet met betrekking tot de vraag of de aan de orde zijnde regels voor een wezenlijk deel van de betrokken producten of diensten een daadwerkelijke mededinging laten voortbestaan, worden opgemerkt dat deze regels de mededinging aan de aanbodzijde weliswaar volledig uitschakelen, maar daarentegen op zich de mededinging aan de vraagzijde niet lijken uit te schakelen. Hoewel deze regels ertoe kunnen leiden dat de huidige of potentiële kopers een hogere prijs voor rechten moeten betalen en er daardoor minder kopers zijn die daartoe in staat zijn, of deze kopers er zelfs toe kunnen aanzetten zich te verenigen, verschaffen zij de kopers in ruil daarvoor toegang tot een qua inhoud en imago aantrekkelijker product, waarvoor sterke mededinging bestaat gezien de prominente plaats die het inneemt in de programmering die kan worden aangeboden aan klanten en, meer in het algemeen, aan televisiekijkers.
240 De verwijzende rechter kan het concrete bestaan en belang van deze mededinging echter enkel beoordelen door rekening te houden met de daadwerkelijke juridische en economische omstandigheden waarin de FIFA op basis van de artikelen 67 en 68 van haar statuten de exploitatie en vervolgens de vermarkting van de verschillende (audiovisuele, multimedia-, marketing- of andere) rechten in verband met de competities regelt. Bij gebreke van mededinging tussen verkopers en dus „uitgaande van de producten” kan deze mededinging onder andere worden gewaarborgd door een open, transparante en niet-discriminerende veiling-, selectie- of biedprocedure die leidt tot een onpartijdige besluitvorming en zo de huidige of potentiële kopers in staat stelt een daadwerkelijke en onvervalste mededinging „voor de producten” aan te gaan. De mededinging kan ook afhangen van de duur waarvoor deze rechten worden aangeboden, van de exclusieve of niet-exclusieve aard en de geografische reikwijdte ervan, van het aantal wedstrijden (pakketten) en het type wedstrijden (kwalificatiefase, groepsfase of knock-outfase) dat kan worden uitgezonden, alsmede van alle andere juridische, technische en financiële voorwaarden waaronder deze rechten kunnen worden aangekocht. Afgezien van deze juridische parameters kan de mededinging ook afhangen van het aantal huidige of potentiële kopers, hun respectieve posities op de markt en eventuele banden tussen hen alsook met andere actoren in het voetbal, zoals professionele voetbalclubs, andere ondernemingen of de FIFA en de UEFA zelf."
"3) Artikel 101, lid 3, en artikel 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat regels waarmee verenigingen die verantwoordelijk zijn voor het voetbal op mondiaal en Europees niveau en die tegelijkertijd verschillende economische activiteiten in verband met de organisatie van competities uitoefenen bepalen dat hun voorafgaande toestemming vereist is voor de oprichting, op het grondgebied van de Unie, van clubvoetbalcompetities door een derde onderneming en die de deelname van professionele voetbalclubs en spelers aan deze competities op straffe van sancties controleren, slechts van de toepassing van artikel 101, lid 1, VWEU kunnen worden vrijgesteld of als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd in het licht van artikel 102 VWEU indien met afdoende argumenten en bewijzen wordt aangetoond dat aan alle daartoe gestelde voorwaarden is voldaan."
HvJ EU 21 december 2023; nr. C-333/21 P (European Superleague Company) ECLI:EU:C:2023:1011,
- "129 Met betrekking tot de eerste van die voorwaarden, volgens welke een gedraging die ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst, het mogelijk moet maken om merkbare objectieve voordelen te behalen in de betrokken sector(en) of markt(en), zij erop gewezen dat de regels aan de orde in het hoofdgeding een stimulans kunnen vormen voor de profvoetbalclubs om jonge spelers te contracteren en op te leiden, en dus om de concurrentie middels opleiding op te voeren. Het is evenwel uitsluitend de taak van de verwijzende rechter om zich in het licht van de argumenten van partijen en de concrete economische, statistische of andere bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, uit te spreken over de vraag of de betrokken regels daadwerkelijk een dergelijke stimulerende werking hebben, over de omvang van de efficiencywinsten die er op het gebied van opleiding uit voortvloeien en over de vraag of die efficiencywinsten de nadelen kunnen compenseren die de regels in kwestie voor de mededinging met zich brengen.
130 Met betrekking tot de tweede voorwaarde, volgens welke de betrokken gedraging een gunstige weerslag moet hebben op de gebruikers in de verschillende betrokken sectoren of markten, ongeacht of het daarbij gaat om beroepsbeoefenaren, tussenconsumenten dan wel eindconsumenten, moet worden benadrukt dat in casu de „gebruikers” in de eerste plaats de profvoetbalclubs en de spelers zelf zijn. Meer algemeen komen daar de toeschouwers of de tv-kijkers bij, als „eindconsumenten” in de economische betekenis van het woord. Wat deze laatsten betreft, valt niet zonder meer uit te sluiten dat het belang dat sommigen van hen hechten aan de clubcompetities, naast andere factoren afhangt van de plaats waar de deelnemende clubs zijn gevestigd en van het feit dat in de ploegen die door deze clubs worden opgesteld HGP’s aantreden. Het staat bijgevolg aan de verwijzende rechter om zich in het licht van de argumenten van partijen en de concrete bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, met name uit te spreken over de vraag of de regels in het hoofdgeding op de markt waar hun impact in de allereerste plaats voelbaar is, namelijk die voor het aantrekken van spelers door die clubs, een reële gunstige weerslag hebben, niet alleen op de spelers maar ook op het geheel van de clubs alsook op de toeschouwers en de tv-kijkers, dan wel of die regels, zoals voor het Hof is betoogd, in de praktijk bepaalde groepen clubs bevoordelen ten opzichte van sommige andere.
131 Met betrekking tot de derde voorwaarde, volgens welke de regels aan de orde in het hoofdgeding strikt noodzakelijk moeten zijn, staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de argumenten van partijen en de concrete bewijzen die zij hebben overgelegd of nog moeten overleggen, na te gaan of alternatieve maatregelen als die welke voor het Hof zijn genoemd, die inhouden dat met inachtneming van het Unierecht vereisten op het gebied van de opleiding van spelers worden gesteld met het oog op de toekenning van licenties aan de profvoetbalclubs, met name ten behoeve van kleine clubs financieringsregelingen of financiële stimulansen worden ingevoerd, of een systeem wordt opgezet waarbij de kosten van de opleidende clubs rechtstreeks worden vergoed (zie in dat verband arresten van 15 december 1995, Bosman, C‑415/93, EU:C:1995:463, punten 108 en 109, en 16 maart 2010, Olympique Lyonnais, C‑325/08, EU:C:2010:143, punten 41‑45), de mededinging mogelijkerwijs minder beperken.
132 Met betrekking tot de vierde voorwaarde, volgens welke de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regels de concurrentie die de profvoetbalclubs kunnen voeren door reeds opgeleide spelers aan te trekken weliswaar kunnen beperken, maar niet volledig mogen uitschakelen, is het beslissende element gelegen in het niveau waarop de minimale verhoudingen zijn vastgesteld tussen de HGP’s die op het wedstrijdblad moeten worden ingeschreven en het totale aantal spelers dat daarop moet staan. De Commissie heeft met name uiteengezet dat deze minimale verhoudingen haar, in vergelijking met soortgelijke regels die haar zijn voorgelegd, niet onevenredig lijken, zelfs indien er rekening mee wordt gehouden dat de profvoetbalclubs in werkelijkheid mogelijkerwijs een groter aantal HGP’s moeten of willen contracteren om bepaalde risico’s, zoals ongevallen of ziekte, te ondervangen. Het staat echter uiteindelijk uitsluitend aan de verwijzende rechter om zich over deze kwestie uit te spreken.
133 Bij dit onderzoek moet voor zover mogelijk de situatie die het gevolg is van de betrokken mededingingsbeperkingen worden vergeleken met de situatie die op de betrokken markt zou bestaan indien de mededinging daar niet door die beperkingen was verhinderd, beperkt of vervalst.
134 De omstandigheid dat de regels die in het hoofdgeding aan de orde zijn gelden voor alle clubcompetities die door de UEFA en de KBVB worden georganiseerd alsook voor alle profvoetbalclubs en alle spelers die eraan deelnemen, is daarentegen niet doorslaggevend. Dat gegeven is namelijk noodzakelijk eigen aan het bestaan zelf van verenigingen die binnen een bepaald territoriaal gebied over regelgevende bevoegdheid beschikken waaraan alle ondernemingen die er lid van zijn en alle personen die bij deze laatste zijn aangesloten, onderworpen zijn."
HvJ EU 21 december 2023, nr. C-680/21 (Royal Antwerp Football Club), ECLI:EU:C:2023:1010.
Verbetering van de productie of distributie, verbetering technische of economische vooruitgang
NB Artikel 81 EG is bij het Verdrag van Amsterdam vervangen door artikel 101 VWEU
- "230 (...) Wanneer een primaire transactie of activiteit onmogelijk kan worden losgekoppeld van een besluit van een ondernemersvereniging dat daarmee verband houdt, zonder dat het bestaan of de doelstellingen van die transactie of die activiteit in het gedrang zouden komen, moet de verenigbaarheid van dit besluit met artikel 81 EG samen worden onderzocht met de verenigbaarheid van de primaire transactie of activiteit waaraan het accessoir is, zoals uit de punten 89 en 90 van het onderhavige arrest blijkt.
231 Wanneer echter wordt vastgesteld dat een dergelijk besluit niet objectief noodzakelijk is voor de uitvoering van een bepaalde transactie of activiteit, mogen enkel de objectieve voordelen die specifiek uit dat besluit voortvloeien in aanmerking worden genomen in het kader van artikel 81, lid 3, EG (zie naar analogie arrest Remia e.a./Commissie, EU:C:1985:327, punt 47).
(...)
234 Wat het argument betreft dat het Gerecht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de tweeledigheid van het systeem en de voordelen die de MFA’s hebben voor de kaarthouders, moet allereerst worden opgemerkt dat de in artikel 81, lid 3, EG bedoelde verbetering volgens vaste rechtspraak niet mag worden gelijkgesteld met om het even welk productie‑ of distributievoordeel dat partijen aan de overeenkomst in kwestie ontlenen. Deze verbetering moet met name zodanige merkbare voordelen met zich brengen dat zij de op het vlak van de concurrentie optredende nadelen compenseert (zie arrest Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 522).
235 Vervolgens moet in herinnering worden geroepen dat het onderzoek van een overeenkomst dat ertoe strekt vast te stellen of deze bijdraagt tot de verbetering van de productie of de distributie van de producten, dan wel tot de verbetering van de technische of economische vooruitgang, en of zij merkbare objectieve voordelen oplevert, moet gebeuren in het licht van de feitelijke argumenten die de ondernemingen hebben aangevoerd en de bewijzen die zij hebben aangedragen (zie in die zin, betreffende een verzoek om vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG, arrest GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punt 102).
236 Bij een dergelijk onderzoek kan het nodig zijn de aard en de eventuele specifieke kenmerken van de sector waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft in aanmerking te nemen, indien deze aard en kenmerken beslissend zijn voor de uitkomst van het onderzoek (zie arrest GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., EU:C:2009:610, punt 103). Voor de toepassing van artikel 81, lid 3, EG moet bovendien rekening worden gehouden met het feit dat de gevolgen voor alle gebruikers in de relevante markten gunstig zijn (zie in die zin arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado, EU:C:2006:734, punt 70).
237 Wanneer in het kader van een tweeledig systeem als het MasterCard-systeem wordt onderzocht of een maatregel die in beginsel in strijd is met het verbod van artikel 81, lid 1, EG, omdat hij beperkende gevolgen heeft ten aanzien van een van beide consumentengroepen die bij dit systeem betrokken zijn, kan voldoen aan de eerste voorwaarde van artikel 81, lid 3, EG, moet dus rekening worden gehouden met het systeem waar die maatregel deel van uitmaakt, in voorkomend geval met inbegrip van alle objectieve voordelen die uit die maatregel voortvloeien, niet alleen voor de markt waarop de beperking is vastgesteld, maar ook voor de markt waarop de andere bij dit systeem betrokken consumentengroep actief is, in het bijzonder wanneer – zoals in casu – vaststaat dat er tussen die twee zijden van het betrokken systeem interactie bestaat. Bij dat onderzoek moet in voorkomend geval ook worden beoordeeld of die voordelen opwegen tegen de nadelen die de betrokken maatregel meebrengt op het vlak van de mededinging.
(...)
242 Zoals in punt 234 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, stelt het onderzoek van de eerste voorwaarde van artikel 81, lid 3, EG evenwel de vraag aan de orde of de voordelen van de betrokken maatregel de daaruit voortvloeiende nadelen compenseren. Zo kunnen in gevallen zoals het onderhavige, waarin beperkende gevolgen zijn vastgesteld op één markt van een tweeledig systeem, de voordelen van de beperkende maatregel voor een onderscheiden maar verwante markt die ook deel uitmaakt van dit systeem, op zich de nadelen van die maatregel niet compenseren, wanneer niets erop wijst dat deze maatregel merkbare objectieve voordelen heeft voor de relevante markt, met name wanneer op die markten in wezen niet dezelfde consumenten actief zijn (...)."
HvJ EU 11 september 2014, nr . C-382/12 P, ECLI:EU:C:2014:2201 (Mastercard tegen Commissie).
Literatuur
Louis Vogel, "European Competition Law", 3e druk, Brussel 2020.
Weijer VerLoren van Themaat en Berend Reuder (red.), "European Competition Law. A Case Commentary" ,2e druk, Cheltenham 2018.
EU Competition Law. Handbook. 2019 Edition, Sweet & Maxwell, London 2019.
Luc Desaunettes-Barbero, Etienne Thomas, "Droit matériel européen de concurrence Textes et commentaires" Bruxelles, 2019.
Verticale overeenkomsten:
Frank Wijckmans en Filip Tuytschaever, "Vertical Agreements in EU Competition Law, Oxford, 2016"
Mededingingsbeperking:
Giordana Aquilea, "La saga de l'Avanstin et du Lucentisarrive devant la Cour: épilogue ou étape intermédiaire?, in: Revue des Affaires européennes 2018/1, blz. 185-197
Anne C. Witt, "The enforcement of Articke 101TFEU. What has happened to the effects analysis?", CMLRev. 2018, blz. 417)448
Luchtvervoer:
Vincent Correia, Ententes dans le secteur de transit aérien international, in: Revue des Affaires européennes 2018/1, blz. 209-214
Inzake leerstukken als rechten van de verdediging, huisrecht, positie advocat, handhaving, zie ook het Handvest van de Grondrechtn van de Euriopese Unie::
- H.M.H. Speyart, 'A Tale of three cities': Grondrechtelijke aandachtspunten bij de toepassing van het mededingingsrecht', NTER 2010, nr 10.
- J.M. Veenbrink, 'Het Handvest en de bescherming van nationale fundamentele recten: een analyse in het licht van het Europees mededingingsrecht', SEW 2015, afl. 3, blz. 116.
Abus de position dominante en matière de rabais de fidélité: une jurisprudence "précisée" en termes de compétence de procédure et, surtout, d'analyse économique", Revue des Affaires Eurioéennes 2017/3, p. 583-588.
Lid 3
Or Brook, "Struggling with Article 101 (3) TFEU: Diverging approaches of the Commission, EU Courts and Five Competition Authorities", CMLRev. 2019, blz. 121-156