Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.4.1
6.4.1 Partijautonomie
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583419:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 2.
In paragraaf 6.4.3 wordt – mede in het licht van X/Gemeente Amsterdam – nader stilgestaan bij de rol die deze algemene verwijzingen in de rechtspraak hebben gespeeld.
Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:183, r.o. 4.10.3, onderstreping SS.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.2. Zie tevens: Olbers, SMA 1980/1, p. 57-59.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.2.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.3.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.3.Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.3.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 2.3, toevoeging SS.
Rb. Maastricht 14 december 2005, ECLI:NL:RBMAA:2005:BG0240, tevens RAR 2006, 34, r.o. 4.3.
Zie: paragraaf 5.2.
Overigens houdt deze omstandigheid in zekere zin ook verband met het beginsel ongelijkheidscompensatie: bewust kunnen (onder)handelen impliceert immers ook een sterkere onderhandelingspositie, en (dus) dat partijen zich gelijkwaardig(er) tot elkaar verhouden. In paragraaf 6.4.2 wordt onder ‘ongelijkheidscompensatie’ nader stilgestaan bij de onderhandelingspositie van de werkende. Zie ook: Verhulp, SR 2005, 16;Bennaars, position paper Bennaars 2018.
Als betoogd door A-G De Bock in: ECLI:NL:PHR:2020:698, onder 9.69-9.75, zie verder: paragraaf 4.2.3.
Hier wordt overigens uitsluitend gedoeld op de verhouding tussen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie binnen de kaders van dit onderzoek. Uiteraard wordt niet miskend dat ook andere beginselen (zoals kort aangestipt in paragraaf 2.1) binnen het arbeidsrecht van belang zijn, en dat die beginselen (ook) onderling met elkaar kunnen ‘concurreren’.
Hierbij zijn de volgende zoektermen gebruikt: (on)bewust, (onder)handelen, geaccepteerd, gehandeld, gerealiseerd, gevolgen, geweten, weten, wist. Tevens is in de onderzochte uitspraken ‘handmatig’ bekeken of op een andere wijze werd stilgestaan bij dit onderdeel.
Zie: Rb. Oost-Brabant 12 januari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:83, r.o. 4.21 en 4.22; Rb. Amsterdam 11 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4521, r.o. 9. Zie anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 17 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6621, waarin het hof overwoog dat uit de afwijzing van het aanbod om op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te gaan verrichten, geen aanwijzing kan worden afgeleid voor wat betreft de wijze waarop de rechtsverhouding vóór dat aanbod dient te worden gekwalificeerd (r.o. 5.17). In de media werd hierover bericht dat de financiële consequenties van het aangaan van een arbeidsovereenkomst, mede vanwege de reeds gedane investeringen, dermate groot was dat men hier in de regel van af zag. Uit een van de PostNL-uitspraken van de rechtbank Amsterdam volgde echter dat PostNL (althans, in dat specifieke geval) had aangeboden de bezorgbus over te nemen om te voorkomen dat de pakketbezorger een schuld zou overhouden aan de overstap naar het werknemerschap: Rb. Amsterdam 11 juli 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:4521, r.o. 9. Zie o.a.: http://nos.nl/artikel/2040888-postnl-biedt-zzp-ers-na-kritiek-vaste-baan-aan.html.
Rb. Rotterdam 23 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6155, tevens JAR 2019/212, r.o. 5.4.3.
Ktr. Middelburg 23 augustus 1999, ECLI:NL:KTGMID:1999:AG2554, tevens JAR 1999/200, r.o. 3.
Hof Amsterdam 10 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2384, tevens JAR 2018/198 m.nt. S. Said, r.o. 3.9.
Rb. Noord-Holland 18 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11226, r.o. 4.8.
Deze categorie vertoont dan ook enige overlap met de categorie ‘(On)gelijkwaardige onderhandelingspositie’ die in paragraaf 6.4.2 aan bod komt. Deze overlap zal in die betreffende paragraaf nader worden toegelicht.
Als eerste is in kaart gebracht hoe vaak het beginsel partijautonomie in de onderzochte uitspraken terugkwam en of in dat verband sprake was van een algemene of specifieke verwijzing. Een algemene verwijzing (categorie i) is aan de orde wanneer in de uitspraak melding wordt gemaakt van het beginsel ‘partijautonomie’ en/of het nauw verwante beginsel ‘contractsvrijheid’.1 Tot deze categorie zijn ook niet nader omklede verwijzingen naar de partijbedoeling gerekend. Hoewel kan worden betoogd dat dit een meer specifieke uitwerking van het beginsel partijautonomie is, meen ik dat een dergelijke categorisering weinig reëel is wanneer die verwijzing niet nader wordt toegelicht. De (term) partijbedoeling komt immers ook terug in de kwalificatieformule uit Groen/Schoevers, die door rechters geregeld (al dan niet woordelijk) werd herhaald. De enkele vermelding van de partijbedoeling is in die context niet aan te merken als een (voldoende) specifieke uitwerking van het beginsel partijautonomie.
Een en ander leidt tot het volgende overzicht:
Bevat de uitspraak een vermelding van het beginsel ‘partijautonomie’?
Aantal uitspraken
a.
Ja, de uitspraak bevat een vermelding van het beginsel ‘partijautonomie’
182
i.
De uitspraak bevat een algemene vermelding van het beginsel ‘partijautonomie’ (177 uitspraken)
ii.
De uitspraak bevat een specifieke uitwerking van het beginsel ‘partijautonomie’ (74 uitspraken)
b.
Nee, de uitspraak bevat geen vermelding van het beginsel ‘partijautonomie’
60
Het beginsel partijautonomie kwam in de onderzochte rechtspraak hoofdzakelijk in algemene vorm voor. De 177 uitspraken met een algemene vermelding van het beginsel partijautonomie bevatten veelal een verwijzing naar de partijbedoeling als onderdeel van de Groen/Schoevers-formule.2 Een explicietere (algemene) verwijzing naar het beginsel partijautonomie kwam slechts in twee uitspraken terug: in één uitspraak werden zowel de begrippen ‘partijautonomie’ en ‘contractsvrijheid’ genoemd, en in een andere uitspraak enkel het begrip ‘contractsvrijheid’. Een specifieke uitwerking van het beginsel partijautonomie kwam in 74 uitspraken voor. 60 uitspraken bevatten geen verwijzing naar het beginsel partijautonomie.
i. Algemene vermelding van het beginsel partijautonomie
Zoals hiervoor is toegelicht kwam een algemene vermelding van het beginsel partijautonomie in 177 uitspraken terug. In het merendeel van die uitspraken ging het om een verwijzing naar de partijbedoeling als onderdeel van de Groen/Schoevers-formule, die als gezegd in paragraaf 6.4.3 aan bod zullen komen. Slechts twee uitspraken bevatten een specifiekere ‘algemene’ verwijzing naar het beginsel partijautonomie: een uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch, en een uitspraak van de kantonrechter te Heerlen. Gezien het zeer beperkte aantal uitspraken waarin een letterlijke verwijzing naar de beginselen contractsvrijheid en/of partijautonomie terugkwam, geldt dat deze uitspraken slechts een anekdotisch doel kunnen dienen. Deze uitspraken zijn niettemin het bespreken waard.
In de uitspraak van het hof ’s-Hertogenbosch kwam de term ‘contractsvrijheid’ voor in het kader van de waardering van een door de werkende overgelegde VAR. Door de werkende werd aangevoerd dat partijen voor ogen hadden om civielrechtelijk een arbeidsovereenkomst aan te gaan, maar fiscaalrechtelijk niet. Volgens hem was de VAR enkel aangevraagd met het oog op het risico dat de Belastingdienst de rechtsverhouding alsnog als dienstbetrekking zou aanmerken. Het hof maakte korte metten met deze redenering:
‘Begrijpt het hof het goed, dan meent [appellant] dat het mogelijk is om civielrechtelijk een arbeidsovereenkomst aan te gaan zonder de fiscale gevolgen daarvan. Het hof is van oordeel dat de contractsvrijheid van partijen niet zo ver reikt. Indien partijen civielrechtelijk een arbeidsovereenkomst voor ogen stond en daar feitelijk ook uitvoering aan hebben gegeven, dan is loonbelasting verschuldigd. Die verplichting kan niet weg gecontracteerd worden.’3
Het hof onderstreepte hier in feite het dwingendrechtelijke – en daarmee beschermende – karakter van het arbeidsrecht.
De kantonrechter te Heerlen stond uitvoerig stil bij zowel de partijautonomie als de contractsvrijheid. Zo haalde de kantonrechter onder meer een bijdrage van Olbers uit 1980 in SMA aan, waarin wordt betoogd dat ook in arbeidsrechtelijke context in beginsel sprake is van contractsvrijheid en partijautonomie. Partijen zouden volgens Olbers vrij zijn te beslissen op welke wijze zij hun rechtsbetrekking juridisch vormgeven:
‘Pas nadat die keuze is gemaakt kan sprake zijn van beperking van de contractsvrijheid bij de verdere invulling van wederzijdse rechten en plichten tussen partijen en dat alleen indien hun keuze is gevallen op de arbeidsovereenkomst.’4
Vervolgens haalde de kantonrechter het volgende deel van het betoog van Olbers aan, waaruit volgt dat de hiervoor beschreven partijautonomie echter niet onbegrensd is:
‘Nu kan het zo zijn, dat partijen hun overeenkomst, hoewel die alle kenmerken van de arbeidsovereenkomst bezit, op een andere wijze benoemen. (…) In zo’n geval zal de rechter zich niet enkel moeten laten leiden door woordgebruik in de overeenkomst als ‘uitzendkracht’ of ‘freelancebasis’, maar zal hij moeten toetsen of de feitelijke verhouding tussen partijen die benaming dekt. Zou hij dit niet doen, dan zouden partijen te gemakkelijk de dwingendrechtelijke bescherming die de wetgever toekent aan hem, die op arbeidsovereenkomst werkzaam is, opzij kunnen zetten.’5
De kantonrechter overwoog vervolgens dat het ‘correctiemechanisme’ – de ‘gezagsverhouding in combinatie met de maatschappelijke positie van de betrokken arbeidskracht’ – er enkel toe kan leiden dat een overeenkomst in weerwil van partijen als arbeidsovereenkomst wordt gekwalificeerd, wanneer de gezagsverhouding tussen partijen van zodanige aard is dat deze ‘(onmiskenbaar) onverenigbaar is met de primaire kwalificatie, waarbij dus ook gelet moet worden op de maatschappelijke positie van de betrokken arbeidskracht.’6 De kantonrechter wees in dit verband op werkenden met een ‘zwakke sociaal-economische positie’, die niet daadwerkelijk hebben kunnen meebeslissen over de aard van de overeenkomst. Indien de werkende wel daadwerkelijk een ‘medekeuzerecht’ heeft gehad, dan dient juist wel ‘louter op grond van de partijbedoeling te worden gekwalificeerd’, aldus de kantonrechter.7Voor partijen met een sterke maatschappelijke positie zou aldus geen ruimte voor het begrenzen van de partijautonomie bestaan:
‘als iemand in vrijheid kiest voor de ‘lusten’ van het ondernemerschap — denk bijvoorbeeld aan de ZZP-er met VAR wuo of de franchisenemer —, dan dient toepassing van het [Groen/Schoevers-]criterium in beginsel niet tot ingrijpen in de partijautonomie te leiden.’8
Het zal wellicht niet verrassen dat de rechter in deze kwestie tot het oordeel kwam dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst, mede nu de werkende welbewust met de gekozen werkvorm had ingestemd.9Wat mogelijk wel zal verrassen is het feit dat het hier geen bestuurder, medisch specialist, of advocaat betrof: het ging in deze zaak om een kantinemedewerker die aanvankelijk als vrijwilliger werkzaam was, en later – nadat de fiscus de rechtsverhouding als dienstbetrekking had aangemerkt – een uurloon van € 6,81 ontving. Hoewel de beslissing uiteraard ook op andere omstandigheden gegrond is, is het opmerkelijk dat juist in deze kwestie de nadruk zo sterk op de partijbedoeling lag. In de literatuur wordt – of: werd – juist aangenomen dat voor het toekennen van betekenis aan de partijbedoeling, meer ruimte bestaat naarmate sprake is van een sterkere maatschappelijke positie. Kennelijk werd het relatief lage salaris van de werkende door de kantonrechter niet als indicatie van een zwakkere maatschappelijke positie gezien.
ii. Specifieke uitwerking van het beginsel partijautonomie
Voor de nadere concretisering van het beginsel partijautonomie is in dit onderzoek slechts één bruikbaar aanknopingspunt gevonden: de mate waarin partijen bewust hebben gehandeld dan wel onderhandeld bij het aangaan van de rechtsverhouding. Dit aanknopingspunt is mede ontleend aan het arrest Groen/Schoevers, waarin betekenis werd toegekend aan het feit dat de (op een zelfstandige arbeidsverhouding wijzende) betalingswijze op initiatief van Groen tot stand was gekomen.10 Hierin lees ik dat de bewuste handelswijze van Groen een rol speelt bij de waardering van de door hem gedane wilsverklaringen bij het aangaan van de rechtsverhouding. Een werkende die een bewuste keuze maakt voor een bepaalde samenwerkingsvorm, toont zich immers bij uitstek als autonome contractspartij, die gebruik maakt van de vrijheid waar het contractenrecht in beginsel van uitgaat.11 Een soortgelijke redenering komt terug in de literatuur over het gezagscriterium als besproken in hoofdstuk 4. Daarin werd onder meer betoogd dat bij de toetsing van het gezagscriterium ook moet worden onderzocht in hoeverre een werkende (daadwerkelijk) kenmerken van ondernemerschap toont, bijvoorbeeld door te onderzoeken in welke mate de werkende heeft kunnen onderhandelen over de hoogte van zijn beloning.12
Dat dit onderzoek op dit onderdeel geen andere concrete aanknopingspunten bevat, betekent overigens niet dat het beginsel partijautonomie voor het overige ‘dus’ geen rol speelde. Zoals in hoofdstuk 2 is toegelicht, wordt de ruimte voor het beginsel partijautonomie bepaald door de ruimte die het beginsel ongelijkheidscompensatie inneemt. De beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie vormen in wezen twee zijden van dezelfde medaille: de partijautonomie houdt op waar ongelijkheidscompensatie begint, en andersom.13 In gevallen waarin werd geoordeeld dat ongelijkheidscompensatie niet aan de orde was, bleef de partijautonomie dus intact, zodat dit beginsel in die gevallen eveneens – zij het impliciet – een rol speelde. Deze verdekte verschijningsvorm laat zich echter niet vertalen in een concrete zoekterm.
Indien de uitspraak een specifieke uitwerking van het beginsel ‘partijautonomie’ bevat, hoe werd dit beginsel dan geconcretiseerd?
Aantal uitspraken
Bewust (onder)handelen
74
De mate van bewust (onder)handelen van partijen is in 74 uitspraken aan bod gekomen.14 Van de 74 uitspraken waarin dit element aan bod kwam, werd in (slechts) 13 gevallen geoordeeld dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
Het hier bedoelde ‘bewust (onder)handelen’ kwam in de onderzochte rechtspraak op verschillende manieren terug. In sommige gevallen werd uitdrukkelijk overwogen dat de werkende in de gegeven omstandigheden kennelijk bewust was of had kunnen zijn van de gevolgen van zijn handelen. Dit kon bijvoorbeeld blijken uit correspondentie waarin de juridische consequenties van de aangegane rechtsverhouding werden besproken, en/of uit het feit dat de werkende zich bij de onderhandelingen had laten adviseren. Ook het feit dat op enig moment is gesproken over een andere juridische vormgeving van de samenwerking of het daadwerkelijk wijzigen daarvan, kon hier een rol spelen.15 Een dergelijke ‘switch’ zou bij uitstek een moment van bezinning zijn: partijen moeten begrijpen dat een andere invulling van hun rechtsverhouding ook andere rechtsgevolgen met zich zal brengen. Zo overwoog de kantonrechter Rotterdam:
‘[verzoekster] was zich terdege bewust van het feit dat niet langer sprake was van het verrichten van arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst, maar op basis van een opdrachtovereenkomst, waarbij [verzoekster] zelfstandig ondernemer was. Zij was voorts bekend met de (sociaalzekerheidsrechtelijke) consequenties daarvan. (…) Indien [verzoekster] bezwaar had tegen het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2014, had het op haar weg gelegen om daar niet mee in te stemmen.’16
De werknemer in kwestie werd dus verantwoordelijk gehouden voor haar keuzes, nu zij zich – mede vanwege haar juridische achtergrond – ten volle bewust was van de (juridische) consequenties van de overeengekomen samenwerkingsvorm. Dat de werkende verantwoordelijk kon worden gehouden voor diens uitingen rondom de gewenste samenwerkingsvorm werd niet alleen aangenomen indien sprake was van juridische voorkennis, maar ook wanneer anderszins werd uitgegaan van een sterkere positie aan de zijde van de werkende. In een geschil tussen een medisch adviseur en verzekeringsmaatschappij overwoog de Middelburgse kantonrechter:
‘De kantonrechter is van oordeel dat in een geval als het onderhavige de bedoeling van partijen voorop behoort te staan. Hier is immers geen sprake van een ondergeschikte werknemer die volledig afhankelijk is van wat een werkgever hem biedt, maar van gelijkwaardige partijen die in vrijheid met elkaar hebben onderhandeld. (…) Voorshands acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat ZLM tevoren duidelijk heeft gemaakt geen arbeidsverhouding te wensen maar een overeenkomst tussen een opdrachtgever en een zelfstandig adviseur. Stierum heeft naar het zich laat aanzien daarmee volledig ingestemd en ZLM mocht er vervolgens op vertrouwen dat Stierum wist wat hij deed.’17
Ook uit deze overweging valt op te maken dat de kantonrechter uitging van gelijkwaardige partijen, die in volle vrijheid met elkaar hebben kunnen onderhandelen over de voorwaarden waaronder de werkende de werkzaamheden zou gaan verrichten. In dit geval bestond dus geen aanleiding voor ongelijkheidscompensatie, en kon de partijautonomie intact blijven.
Niet alleen bewust (onder)handelen, maar ook het gebrek daaraan droeg in sommige gevallen bij aan het oordeel dat geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zo achtte het hof Amsterdam in een geschil tussen De Persgroep en een aantal krantenbezorgers van belang dat nergens uit was gebleken dat de krantenbezorgers wel hadden bedoeld een arbeidsovereenkomst aan te gaan:
‘Het hof acht aannemelijk dat voor [X] c.s. bij het aangaan van de rechtsverhouding voorop heeft gestaan dat zij betaald werk zochten en dat zij op dat moment weinig belang hebben gehecht aan de aard van de rechtsverhouding die zij op het punt stonden aan te gaan. (…) [X] c.s. hebben (…) niets aangevoerd waaruit blijkt dat hun destijds, ondanks dat zij de duidelijk andersluidende overeenkomsten hebben ondertekend, voor ogen heeft gestaan dat zij een arbeidsovereenkomst aangingen voor hun bezorgwerkzaamheden.’18
De vaststelling dat de werkende niet bewust voor een zelfstandige samenwerkingsvorm had gekozen, droeg in andere uitspraken juist bij aan het oordeel dat wel sprake was van een arbeidsovereenkomst. Zo overwoog de rechtbank Noord-Holland ten aanzien van de stelling van PostNL dat de bezorger in kwestie bewust zou hebben gekozen voor het zzp-schap, dat onduidelijk was of partijen ook gesproken hadden over de mogelijkheid van een dienstverband en de verschillen tussen beide constructies:
‘Het gaat daarbij om aanspraken in geval van beëindiging van het contract (WW/WIA), een eventueel door [verzoeker] af te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekering en/of een pensioenvoorziening.’19
De grootste gemene deler in de hiervoor aangehaalde uitspraken is gelegen in het feit dat op enigerlei wijze betekenis werd toegekend aan de wijze waarop de werkende zich had opgesteld in de onderhandelingen over de gekozen samenwerkingsvorm.20 Hoe bewuster partijen waren van de juridische consequenties van hun overeenkomst, des te eerder werd betekenis toegekend aan de partijbedoeling, en vice versa. Het arrest X/Gemeente Amsterdam brengt als gezegd mee dat de partijbedoeling geen rol (meer) speelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit roept vragen op over de verhouding tussen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie bij de beantwoording van de kwalificatievraag. De beperkende werking van het beginsel ongelijkheidscompensatie wordt immers enkel gerechtvaardigd geacht wanneer kan worden aangenomen dat sprake is van een ongelijkheid tussen partijen die via artikel 7:610 BW dient te worden gecompenseerd. Het is de vraag of die ongelijkheid (voldoende) aanwezig is wanneer beide partijen zich ten volle bewust zijn van de consequenties van hun (rechts)handelingen. Die vraag wordt overigens niet zonder meer ontkennend beantwoord. Zoals in de volgende paragraaf zal blijken, kan de ongelijkheid tussen partijen eveneens in andere aspecten besloten liggen.