De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3.2.2:3.3.2.2 De overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7A:1637b BW)
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3.2.2
3.3.2.2 De overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7A:1637b BW)
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583336:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1907, 193, zie tevens Bles 1907, Deel I, p. 330-331. De wijzigingen die gedurende de parlementaire behandeling in deze begripsbepaling zijn aangebracht, waren louter redactioneel van aard.
Bles 1907, Deel I,p.330-331 (Memorie van Toelichting).
Bles 1907, Deel I,p.330-331 (Memorie van Toelichting).
Bles 1907, Deel I, p. 313-314 (Memorie van Toelichting).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De definitie van de overeenkomst van aanneming van werk was in het BW 1909 opgenomen in artikel 7A:1637b, en luidde:
‘De aanneming van werk is de overeenkomst, waarbij de eene partij, de aannemer, zich verbindt, voor de andere partij, den aanbesteder, tegen eenen bepaalden prijs een bepaald werk tot stand te brengen.’1
Uit deze definitie vloeide onder meer voort dat in het kader van een overeenkomst van aanneming van werk vereist was dat een beloning – de ‘prijs’ – voor het tot stand te brengen werk werd overeengekomen. Dit betekende overigens niet dat partijen steeds bij het aangaan van de overeenkomst de totale prijs moesten hebben bepaald: ook afspraken over eenheidsprijzen kwalificeerden als prijsafspraken in hier bedoelde zin.2 Voorts kon een overeenkomst van aanneming van werk alleen zien op het tot stand brengen van een bepaald werk, zodat zowel de hoeveelheid als de hoedanigheid vooraf bepaald moest zijn.3 De overeenkomst van aanneming van werk was dus niet bedoeld voor verhoudingen die uitsluitend strekten tot het verrichten van arbeid.
Voorts volgt uit de wetsgeschiedenis dat de overeenkomst van aanneming van werk was bedoeld om zelfstandige arbeidsverhoudingen te reguleren. Dit bracht onder meer met zich dat van een gezagsverhouding in het kader van de overeenkomst van aanneming van werk geen sprake kon zijn. In de definitie van aanneming van werk in het BW 1909 kwam dit laatste niet expliciet tot uitdrukking. Dat sprake was van zelfstandige arbeid, zou reeds voortvloeien uit het karakter van de overeenkomst van aanneming van werk. Nu het ‘voorwerp’ van de aannemingsovereenkomst het tot stand te brengen werk was, lag de eindverantwoordelijkheid – en daarmee: het economisch risico – voor het tot stand te brengen werk bij de aannemer. Onder die omstandigheden lag het voor de hand dat de aannemer ook zelf de regie moest kunnen hebben over de wijze waarop hij dit werk tot stand bracht.4