De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3.2.3:3.3.2.3 De overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten (artikel 7A:1637)
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.3.2.3
3.3.2.3 De overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten (artikel 7A:1637)
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583390:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten werden genoemd in het eerder aangehaalde artikel 7A:1637 BW, dat aanving met de bewoordingen ‘Behalve overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten’. Uit deze formulering valt op te maken dat deze overeenkomsten een restcategorie vormden: wanneer een overeenkomst op grond waarvan arbeid werd verricht niet kon worden gekwalificeerd als arbeids- of aannemingsovereenkomst, dan behoorde deze overeenkomst tot de overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten. Het restkarakter van de regeling werd nog eens onderstreept doordat niet werd gesproken van ‘een’ of ‘de’ overeenkomst, maar van overeenkomsten. Het feit dat deze overeenkomsten zagen op het verrichten van ‘enkele diensten’, toonde voorts dat deze regeling bedoeld was voor rechtsverhoudingen met een niet-duurzaam karakter. Zo is in de Memorie van Toelichting opgemerkt:
‘Partijen hebben bij het sluiten der overeenkomst eenen bepaalden dienst, eene enkele praestatie, op het oog. Met de vervulling van dien dienst is aan de overeenkomst gevolg gegeven.’1
De overeenkomsten tot het verrichten van enkele diensten zijn in het BW 1909 niet inhoudelijk gereguleerd. Artikel 7A:1637 BW bepaalde dat deze overeenkomsten werden geregeld ‘door de aan dezelve eigene bepalingen en bedongen voorwaarden, en bij gebreke van deze door het gebruik’. Gezien het restkarakter van deze regeling lag nadere regulering hiervan overigens ook niet voor de hand. Hoewel Drucker zich kon voorstellen dat deze categorie overeenkomsten op enig moment wel nader zou worden geregeld, bestond daartoe op dat moment nog geen aanleiding. In de rechtspraak kwamen dergelijke rechtsverhoudingen slechts sporadisch aan bod, waaruit kennelijk werd opgemaakt dat voor nadere regulering van deze rechtsverhoudingen geen noodzaak bestond. Met andere woorden:
‘hier gelden niet die klemmende redenen voor wettelijke behandeling (…); hier staan geene groote maatschappelijke belangen op het spel.’2