Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.5
14.4.4.3.5 Cumulatie van boetes en maatregelen
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940705:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 9.4.6, waar ook de gecodificeerde anti-cumulatiemaatregelen worden genoemd.
Zie hierover nader: Krukkert 2018, par. 6.4.7.2. Krukkert wijst er terecht op, dat de Awb-wetgever dit uitdrukkelijk heeft erkend (zie Krukkert 2018, p. 310).
Hof Amsterdam 5 januari 2009 (kenbaar uit HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, V-N 2010/54.7), r.o. 2.5.26. Het betrof hier een IB-ondernemer aan wie op grond van dezelfde feitelijke constellatie ook reeds een boete ter zake van een naheffing omzetbelasting was opgelegd. Zie voorts Hof Den Haag 24 januari 2014, V-N 2014/19.5.
Gaat het om een directeur-enig aandeelhouder, dan is zelfs voorstelbaar dat een omzetcorrectie doorwerkt naar én de omzetbelasting én de vennootschapsbelasting én de inkomstenbelasting (in de vorm van een uitdeling van winst).
HR 10 maart 1993, BNB 1993/198, HR 13 augustus 2004, V-N 2004/40.7, BNB 2005/42, HR 18 februari 2005, BNB 2005/160. Vgl. ook HR 22 januari 2010, BNB 2010/163 en Hof ’s-Gravenhage 12 juni 2012, V-N 2012/47.6. Zie voorts Feteris 2002, p. 440.
Zie voor een voorbeeld de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10.
HR 10 maart 1993, BNB 1993/198. Dit arrest werd expliciet bevestigd in HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42 (zie de beoordeling van het middel in het incidentele beroep aan het slot). Krukkert plaatst vraagtekens bij de onderbouwing van de matiging in dit soort gevallen, zie Krukkert 2018, p. 313.
Zie bijvoorbeeld HR 23 december 2005, V-N 2006/4.4, BNB 2006/103 en HR 13 augustus 2004, V-N 2004/40.7, BNB 2005/42. Zie echter ook (voor vergrijpboetes): HR 22 juni 2007, NTFR 2007/1129. De boeten die samenhingen met verschillende heffingen waren niet opgelegd wegens een plichtsverzaking ten aanzien van (de indiening van) het aangiftebiljet, maar de cumulatie vloeide voort uit de omstandigheid dat de bedragen van de aanslagen (en dus de boetegrondslagen) cumuleerden. Dat laatste is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aldus de Hoge Raad. Zie voorts Hof Arnhem 22 juni 2007, NTFR 2007/1194 (het feit dat aanslagen over meerdere jaren zijn terug te voeren op één achterliggende oorzaak, leidt niet tot strijd met het evenredigheidsbeginsel).
Zie bijvoorbeeld de casus uit HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 en Rb Gelderland 22 maart 2023, V-N 2023/31.2.5 (appel loopt).
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 2 oktober 2019, V-N 2020/9.25.10, r.o. 2.7.
Zie HR 22 januari 2010, BNB 2010/163, waarin de maximaal op te leggen boetes werden beperkt tot één per kalenderjaar, alsmede HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.5, waarin de op één fout terug te voeren verzuimen ertoe leidden dat de boetes werden teruggebracht tot één per zwaar motorrijtuig. Anders (inzake 37 betaalverzuimboetes in verband met maandelijkse aangiften kansspelbelasting): Hof Arnhem-Leeuwarden 26 juli 2016, V-N 2016/53.1.4, r.o. 4.5 (zulks in afwijking van Rb Gelderland 17 maart 2015, V-N 2015/21.21, die had gematigd tot € 20.000).
Zie Rb Zeeland-West-Brabant 4 juni 2014, V-N 2014/40.26.23 en Rb Noord-Nederland 15 maart 2017, V-N 2017/37.26.12, r.o. 8.1-8.2.
Zie par. 24 lid 3 BBBB. Zie voor een voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/50.25.8.
Zie paragraaf 5.2.2.3.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, V-N 2021/10.21.28, m.n. r.o. 4.14 en HR 7 mei 2021, V-N 2021/21.19, r.o. 2.1.2 (waarin de inspecteur had gematigd wegens samenloop met art. 67f AWR). Soms is deze samenloop vanwege het nemo tenetur-beginsel overigens niet mogelijk. Te denken valt aan gevallen waarin de belastingplichtige op zichzelf wel spontaan informatie heeft verstrekt, maar daarmee niet tijdig en/of niet geheel juist en volledig heeft voldaan aan de suppletieverplichting van art. 15 UBOB. Het opleggen van een boete ex art. 10a AWR is dan in beginsel mogelijk. De bewoordingen van het arrest HR 24 september 2021, V-N 2021/40.16, BNB 2022/29 laten ruimte voor de conclusie dat ook zulke (in het licht van art. 10a AWR gebrekkige) informatie niet mag worden gebruikt om (bijvoorbeeld) een boete ex art. 67f AWR op te leggen. Ook zulke informatie kan (uiteindelijk) immers wel degelijk zijn verstrekt ‘ter nakoming van’ of ‘op grond van’ de suppletieverplichting (zie r.o. 4.3 en 4.4.2). Zie over dit arrest nader paragraaf 11.2.4.6.
Zie voor een voorbeeld waarin deze cumulatie aanvankelijk aan de orde was (maar in de loop van de beroepsprocedure kwam te vervallen): Rb Noord-Nederland 12 juli 2018, V-N 2018/55.17.
Zie de casus uit Rb Den Haag 22 augustus 2017, V-N 2017/55.6 (zie r.o. 3). Zowel inspecteur als rechtbank hielden rekening met deze dubbele cumulatie (zie r.o. 7).
Zie bijvoorbeeld Hof ‘s-Hertogenbosch 29 september 2017, V-N 2017/62.22.15, r.o. 4.9 en 4.11.
Ook hier gaat het niet om vervolging en beboeting wegens exact hetzelfde feit, aangezien het una via-beginsel dat verhindert, zie daarover nader paragraaf 9.4.8.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 91.
Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 7.4.2.
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 7 april 2022, V-N 2022/25.22.15, r.o. 4.17 (zelfde persoon, ander feit), Rb Zeeland-West-Brabant 8 december 2021, V-N 2022/25.15, r.o. 2.14 (VOF en vennoot) en de (niet integraal gepubliceerde) Hofuitspraak die leidde tot HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42. Zie in dit verband onder meer ook EHRM 15 november 2016 (A. & B.), nrs. 24130/1 en 29758/11, BNB 2017/14, HvJ EU 14 september 2023 (Vinal), nr. C-820/21, V-N 2023/47.14, HvJ EU 20 maart 2018 (Ricucci), nr. C-537/16, V-N 2018/20.8, HvJ EU 20 maart 2018 (Menci), nr. C-524/15, V-N 2018/20.7 (waarover meer in paragraaf 9.4.6). Zie voor de omgekeerde situatie HR 15 maart 2022 (strafkamer), V-N 2022/16.14: in r.o. 4.2.3 geeft de strafkamer van de Hoge Raad aan dat het in de rede kan liggen om de hier bedoelde samenloop te betrekken bij de straftoemeting.
Zie bijvoorbeeld het convenant tussen de Belastingdienst en de Kansspelautoriteit van 1 september 2022, Stcrt. 2022, 23490, waarover nader in V-N 2022/39.16.
Aldus ook: Krukkert 2018, p. 289. Dergelijke meldingen kunnen nadelige gevolgen hebben buiten de fiscale sfeer, zoals het niet (meer) kunnen uitoefenen van een commissariaat of het intrekken van een vergunning.
Art. 67r AWR (zie ook de Regeling openbaarmaking vergrijpboeten). Aldus ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HvJ EU 14 september 2023 (Vinal), nr. C-820/21, V-N 2023/47.14.
De Staatssecretaris van Financiën rept in de Toelichting op de Regeling openbaarmaking vergrijpboeten herhaaldelijk over de ‘afhankelijkheidsrelatie’ (samenhang) tussen de boetebeschikking en de beschikking tot openbaarmaking ervan. Bovendien moet de hoogte van de boete volgens art. 3, tweede lid, onderdeel a van de Regeling openbaarmaking vergrijpboeten meewegen bij de belangenafweging over de openbaarmaking. Andersom zou dat naar mijn mening ook moeten; de omstandigheid dat (het voornemen bestaat dat) de boete openbaar gemaakt wordt, kan aldus strafverminderend werken. Het BBBB zwijgt hier evenwel over.
Evenwel zonder dat zij zelf (als zodanig) een criminal charge opleveren, zie ook paragraaf 16.2.
Art. 32ba (regeling vervroegde uittreding) en art. 32bb (excessieve vertrekvergoedingen).
HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, waaromtrent nader in paragraaf 14.4.4.3.3 hiervoor en paragraaf 16.5.4.
Ook volgens Koopman zou dit kunnen worden opgelost door matiging, zie Koopman 1996, par. 6.6.4. Anders: Rb Zeeland-West-Brabant 21 december 2018, V-N 2019/27.5, r.o. 4.11.
Op grond van het ne bis in idem beginsel kan de boeteling niet opnieuw worden beboet voor hetzelfde feit.1 Wanneer er sprake is van meerdere boetes, die niet wegens exact dezelfde feitelijke gedraging zijn opgelegd, staat het ne bis in idem beginsel daar niet aan in de weg.2 Meervoudige boeteoplegging (doorgaans als cumulatie of samenloop aangeduid) kan in die gevallen echter wel in strijd komen met het evenredigheidsbeginsel.3
Cumulatie van boetes speelt vooral wanneer er samenhang bestaat tussen fouten in de aangiften voor verschillende heffingen. Hetzelfde feitencomplex heeft dan gevolgen voor verschillende heffingen tegelijk. Denk bijvoorbeeld aan het ten onrechte niet volledig verantwoorden van omzet: de betreffende fout zal zowel doorwerken naar de omzetbelasting als naar de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting. Wanneer voor beide heffingen ook een boete wordt opgelegd, zou de boeteling effectief tweemaal in zijn vermogen worden getroffen. Dat kan in strijd komen met de evenredigheid.4
Hetzelfde geldt in gevallen waarin er boetes worden opgelegd aan zowel de BV (of VOF) als aan de directeur-enig aandeelhouder (of vennoot) in privé. Die aandeelhouder (of vennoot) wordt dan immers evenzeer ‘effectief tweemaal in zijn vermogen getroffen’.5 Verder komt cumulatie van boetes voor in situaties waarin de belastingplichtige de gegevens voor meer dan één heffing moet verstrekken op hetzelfde aangiftebiljet, zodat door het niet of te laat indienen van dat biljet meer dan één verzuim kan ontstaan. De rode draad is in al deze gevallen dat het feit dat er met betrekking tot een andere belastingsoort reeds een boete is opgelegd, een strafverminderende omstandigheid kan opleveren. De rechter kan daarmee rekening houden bij zijn oordeel over de vraag of de tweede boete passend en geboden is.6 Bij het oordeel over de boete die is opgelegd aan de aandeelhouder in privé kan de rechter bijvoorbeeld rekening houden met de reeds opgelegde boete aan zijn BV (of andersom7).8 Soms blijft op grond van het evenredigheidsbeginsel dan één boete (de hoogste) overeind.9
In het verlengde hiervan kan ook worden gedacht aan het geval waarin zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggever worden beboet.10 Ook in bredere zin kan de omstandigheid dat aan dezelfde belastingplichtige (in totaal of over een bepaalde periode) meerdere boetes zijn opgelegd, meewegen bij het oordeel over de strafmaat.11
Binnen dezelfde belastingsoort komt cumulatie voor bij volgtijdige verplichtingen, zoals het periodiek doen van aangifte. Bevat elk van die aangiftes gedurende een bepaalde periode steeds dezelfde fout (omdat deze eenvoudigweg nog niet ontdekt was), dan kan het evenredigheidsbeginsel verhinderen dat ter zake van elke afzonderlijke aangifte ook steeds weer een boete wordt opgelegd.12 Hetzelfde geldt wanneer meerdere soortgelijke verzuimen in een korte periode worden begaan.13 In dit kader kan verder worden gewezen op de beleidsmatig verankerde regel dat de betaalverzuimboete van art. 67c AWR niet per afzonderlijk tijdvak, maar per (boek)jaar wordt opgelegd. Daardoor wordt het strafmaximum effectief ook beperkt tot ten hoogste eenmaal per (boek)jaar.14
Samenloop kan ook aan de orde zijn wanneer aan dezelfde belastingplichtige zowel een reguliere boete (ex art. 67a en verder AWR) als een boete ex art. 10a AWR (het schenden van een aangewezen spontane informatieverplichting)15 wordt opgelegd.16 Het BBBB bevat voor dergelijke gevallen een afzonderlijke anticumulatieregeling.17 Denkbaar is zelfs dat er een dubbele cumulatie plaatsvindt, eerst op het niveau van de BV (bijvoorbeeld samenloop tussen de boetes van art. 67f AWR en art. 10a AWR18) en daarna nog eens op het niveau van de directeur-enig aandeelhouder (als die bijvoorbeeld ook in privé, als feitelijk leidinggever, op grond van art. 10a AWR wordt beboet).19
Ten slotte kan nog worden gedacht aan de samenloop van de verzuimboete van art. 67ca AWR (wegens het niet voldoen aan een bepaalde administratieve verplichting) met een vergrijpboete (wegens het veroorzaken van een onjuiste materiële belastingheffing).20
Uit dezelfde feitelijke constellatie kunnen, behalve meerdere fiscale bestuurlijke boetes, ook andere combinaties van sancties en maatregelen voortspruiten. Zo is de cumulatie van een fiscale bestuurlijke boete enerzijds met strafrechtelijke vervolging anderzijds goed denkbaar,21 net als de cumulatie van een fiscale bestuurlijke boete met een sanctie die is opgelegd door een ander bestuursorgaan,22 of de samenloop van een fiscale bestuurlijke boete met een arbeidsrechtelijke sanctie zoals strafontslag.23 Als dezelfde persoon op die manier dubbel wordt getroffen, kan in de sfeer van de fiscale bestuurlijke boete rekening worden gehouden met bijvoorbeeld strafrechtelijke gevolgen die reeds zijn ondergaan.24 Ook het doorgeven van opgelegde fiscale vergrijpboetes aan (financiële) toezichthouders zoals De Nederlandsche Bank, de Autoriteit Financiële Markten en de Kansspelautoriteit25 kan matigend werken.26 In dit verband kan uiteraard ook worden gedacht aan de in 2020 ingevoerde regeling die het mogelijk maakt om vergrijpboetes die zijn opgelegd aan beroepsmatige rechtsbijstandsverleners openbaar te maken.27 Bij de bepaling van de hoogte van de vergrijpboete aan de rechtsbijstandsverlener kan de beslissing tot openbaarmaking worden meegewogen.28
Het kan ook om fiscaalrechtelijke maatregelen gaan, die weliswaar in de sfeer van de heffing zijn geregeld, maar in wezen als sanctie uitwerken en ook (althans ten dele) afschrikking beogen.29 Te denken valt aan de omkering van de bewijslast, de toepassing van het anoniementarief in de loonheffingen30 en de strafheffingen uit de loonbelasting.31 Zoals hiervoor is besproken, heeft de Hoge Raad bepaald dat de toepassing van de omkering van de bewijslast een grond voor matiging kan opleveren, vanwege onzekerheden in de boetegrondslag.32 Naar mijn mening zou ook het evenredigheidsbeginsel tot matiging kunnen nopen, nu de boeteling bij toepassing van de omkering (maar ook bij het anoniementarief en de strafheffingen) in feite tweemaal getroffen wordt.33