Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.3.1
8.3.1 Inbreuk op de oneindigheid van het eigendomsrecht
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396126:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Struycken 2007, p. 234.
Zie voor dat axioma bijv. Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008, nr. 20 en nr. 20a (eveneens, maar ogenschijnlijk minder stellig Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 20 en nr. 20a) en uitgebreid rechtsvergelijkend Zwalve 2006.
Kortmann 1992, p. 202-203, Struycken 2007, p. 567 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 20b. Vgl. ook M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 802.
Vgl. Struycken 2007, p. 232.
Wel kan worden gezegd dat het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde door vervulling van de voorwaarde in zekere zin ‘implodeert’, nu het eindigt c.q. vervalt door vervulling van de voorwaarde. Daarmee wordt echter geen inbreuk gemaakt op de oneindigheid van het eigendomsrecht, nu het complementaire eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde op hetzelfde moment uitgroeit tot een onvoorwaardelijk eigendomsrecht. Aangezien dat eigendomsrecht een voortzetting is van het onvoorwaardelijk eigendomsrecht, is de oneindigheid van het eigendomsrecht gewaarborgd. Zie A-G Rank-Berenschot in punt 2.27 van haar conclusie voor HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/ Reuser).
Van den Bergh 1987, p. 331.
Vgl. Schoordijk 1986, p. 117 die opmerkt dat tijdelijke eigendom zou leiden tot een nieuw zakelijk recht.
Vgl. Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 14: ‘Dass der Eigentümer als Inhaber des Vollrechts es aber auch in der Hand hat, sein Eigentumsrecht nicht nur inhaltlich und der Ausübung nach in privatautonomer Vereinbarung zu beschränken, sondern auch die Dauer der Einräumung des Rechts auf einen anderen zu bestimmen, erscheint nicht abwegig.’
T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185. Zie voor Oostenrijk Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 15: ‘gleich einem Fruchtgenussberechtigten darf er die Substanz der Sache nicht beeinträchtigen, ohne in das dingliche Anwartschaftsrecht bzw das zukünftige Eigentum des Zweiterwerbers einzugreifen.’
Vgl. H. Hofmeister, ‘Wiederkehr des familiengebundenen Liegenschaftseigentums? Erörterungen zur Verbücherung von “Besitznachfolgerechten” und zur Theorie des “zeitlichen Eigentums”’, in: W.H. Rechberger & R. Welser (red.), Festschrift für Winfried Kralik zum 65. Geburtstag, Wien: Manzsche 1986, p. 395-396, Struycken 2007, p. 486 en Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 15.
Zo ook Kortmann 1992, p. 203, Rank-Berenschot 1998, p. 15-155 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 128. Vgl. ook Struycken 2007, p. 560 en Reehuis 2010, nr. 110. Anders: Zwalve 2006, p. 269-270.
Nota II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1204. Zie ook de Toelichting- Meijers bij art. 4:136 BW (T.M., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 801) en M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 802.
De parallel dringt zich op met art. 3:84 lid 3 BW, dat waakt tegen een omzeiling van de regels die gelden voor pandrecht, als gevolg waarvan de bescherming die deze regels bieden, illusoir zou kunnen worden gemaakt. Zie V.V. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 727. Vgl. Zwalve 2006, p. 308-310.
Rank-Berenschot 1998, p. 155-156. Anders: Struycken 2007, p. 232-234 en p. 564. Voor Oostenrijk acht Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 16-17 vooral problematisch dat de overdracht onder tijdsbepaling op gespannen voet staat met het publiciteitsbeginsel en – waar het aankomt op een overdracht onder eindtermijn – het leveringsbeginsel, nu het eigendomsrecht van rechtswege terugvalt naar de vervreemder, zonder dat daarvoor levering is vereist. Zie voor vergelijkbare bezwaren voor de overdracht onder ontbin- dende voorwaarde Flume 1992, p. 728. Neemt men daarentegen aan dat de vervreemder onder ontbindende voorwaarde de verkrijger bij vervulling van de voorwaarde niet opvolgt onder bijzondere titel, is dat niet het geval (zo bijv. terecht Von Jhering 1871, p. 549 en Zwalve 2006, p. 203 en p. 91-92). Overigens merkt Leupold in Rn. 16 en Rn. 49 op deze bezwaren niet gelden voor de splitsing van het eigendomsrecht bij een eigendomsvoorbehoud, omdat de koper feitelijke macht uitoefent over de zaak en het eigendomsrecht gesplitst wordt door een leveringshandeling, zodat het leveringsbeginsel wordt geëerbiedigd.
Zie bijv. T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 185 waar naar voren komt dat volgens Meijers de overdracht onder opschortende of ontbindende tijdsbepaling inderdaad zou leiden tot tijdelijke eigendom. Zie voor de mogelijkheid van tijdelijke eigendom onder het oude recht o.m. Diephuis 1886, p. 23-24, Wiarda 1937, p. 115-125, Asser/Scholten 1945, p. 164-165, Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 173 en Asser/Beekhuis e.a. 3-II 1990, p. 13. Daartegen: M.L. van Goudoever, ‘De duur van het eigendomsrecht’, WPNR 1903 (1741-1742), p. 225-227 en p. 233-235 en Suijling 1940, p. 268-269.
Vgl. Struycken 2007, p. 234 en Mollema 2007, p. 149.
Vgl. Forkel 1962, p. 74-75.
Vgl. Verstappen 2015, p. 271-272.
De splitsing van het eigendomsrecht in een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde wordt wel in verband gebracht met de oneindigheid van het eigendomsrecht.1 Een zodanige splitsing zou zich niet verdragen met het axioma dat eigendom een eeuwigdurend recht is.2 Uit het oneindige karakter van het eigendomsrecht zou voortvloeien dat het niet mogelijk is door middel van een overdracht te bewerkstelligen dat het (voortbestaan van het) eigendomsrecht afhankelijk wordt gemaakt van het verstrijken van een termijn. Deze stelling lijkt te worden bevestigd door artikel 3:85 BW, dat de overdracht voor een bepaalde tijd onmogelijk maakt. Anderen wijzen erop dat de oneindigheid van het eigendomsrecht niet rechtstreeks in het geding is bij een overdracht onder voorwaarde, nu het eigendomsrecht slechts mogelijk in tijd beperkt is; vervulling van de voorwaarde is immers onzeker.3
Op het eerste gezicht lijkt het beroep op het karakter van het eigendomsrecht als eeuwigdurend recht tamelijk vergezocht. De overdracht onder voorwaarde of tijdsbepaling bewerkstelligt immers niet dat het eigendomsrecht na vervulling van de voorwaarde of tijdsbepaling tot een einde komt, maar leidt er slechts toe dat het van rechtssubject wisselt.4 Dat het mogelijk is een eigendomsrecht over te dragen aan een ander, staat buiten kijf (art. 3:84 BW), waardoor niet goed valt in te zien waarom de oneindigheid van het eigendomsrecht zich zou verzetten tegen een constructie waarbij de rechtsgevolgen van een eigendomsoverdracht (gedeeltelijk) op een ander moment zullen intreden dan het moment waarop de overdracht tot stand wordt gebracht. De voorwaardelijke beschikking bewerkstelligt immers niet dat het eigendomsrecht implodeert en de zaak een res nullius wordt.5
Met het beroep op de onbeperktheid in tijd van het eigendomsrecht wordt dan ook niet bedoeld dat de oneindigheid van het eigendomsrecht zich zou verzetten tegen overdracht. De achtergrond van het beroep op dit axioma lijkt dan ook veeleer te zijn gelegen in de ogenschijnlijke onverenigbaarheid van de overdracht onder tijdsbepaling (en eventueel de overdracht onder voorwaarde) met het eigendomsbegrip, dat namelijk inhoudt ‘dat de eigenaar uiteindelijk de enige is die het lot van de zaak bepaalt [en] dat hij in beginsel alle bevoegdheden heeft die met betrekking tot de zaak denkbaar zijn.’6 De gedachte is kennelijk dat wanneer vaststaat dat het eigendomsrecht na het verstrijken van een bepaalde termijn overgaat op een ander, bezwaarlijk nog zou kunnen worden volgehouden dat de eigenaar tot die tijd het meest omvattende recht heeft en met de zaak kan doen en laten wat hij wil, nu de tijdsbepaling hem zou beperken in zijn eigendomsbevoegdheden.7 Ook zo begrepen is het beroep op de oneindigheid van het eigendomsrecht weinig overtuigend, nu het immers de eigenaar zelf is geweest die het lot van de zaak heeft bepaald door haar over te dragen op een ander. Het valt niet goed in te zien waarom het de eigenaar niet vrij zou staan zijn bevoegdheden aldus – door een uitgestelde overdracht – aan banden te leggen.8
Bij tijdelijke eigendom speelt wel een ander aspect een rol, dat aanleiding was voor Meijers’ bezwaren tegen tijdelijke eigendom en het aanmerken van een tijdelijke overdracht als de vestiging van een vruchtgebruik. Omdat de eigenaar zijn recht heeft overgedragen onder tijdsbepaling, moet hij rekening houden met de opvolgend eigenaar: hij zal de uiteindelijke eigendomsverkrijging door de rechtsverkrijger op het moment dat de tijd is verstreken moeten garanderen.9 Men zou vervolgens kunnen menen dat het feit dat de tijdelijke eigenaar rekening zou moeten houden met het recht van degene die na hem komt, op gespannen voet staat met de hiervoor gegeven karakterisering van het eigendomsrecht.10 Een eigenaar mag normaliter immers doen en laten wat hem goeddunkt, zonder dat hij daarbij in beginsel rekening hoeft te houden met de belangen van anderen. De vermeende onverenigbaarheid van tijdelijke eigendom met het eigendomsbegrip lijkt uiteindelijk echter niet de reden te zijn geweest voor het opnemen van artikel 3:85 BW.11 Bezwaarlijk achtte de wetgever namelijk vooral dat de mogelijkheid van in tijd beperkte eigendom zou kunnen leiden tot een ontduiking van de bepalingen over vruchtgebruik, die juist beogen te waarborgen dat de vruchtgebruiker rekening houdt met degene die na hem komt.12 Artikel 3:85 BW vormt zo bezien een slot op de deur, omdat voorkomen wordt dat door middel van een overdracht onder tijdsbepaling afbreuk zou worden gedaan aan de bescheiden bescherming die de vruchtgebruikregeling biedt.13 Aan het Nederlandse recht ligt derhalve niet het axioma van de oneindigheid van het eigendomsrecht ten grondslag.14 Artikel 3:85 BW streeft meer pragmatische doelstellingen na. Bovendien zou aan een bepaling als artikel 3:85 BW – afgezien van de conversieregel – geen behoefte bestaan, wanneer tijdelijke eigendom reeds uit de aard onverenigbaar zou zijn met het karakter van het eigendomsrecht. Om die reden lijkt veeleer te kunnen worden aangenomen dat de wetgever tijdelijke eigendom bij gebreke van artikel 3:85 BW wel degelijk mogelijk zou achten.15
Daarbij dient bedacht te worden dat elk rechtsstelsel dat de overdracht onder voorwaarde met goederenrechtelijke werking aanvaardt, het mogelijk maakt dat de eigenaar gedurende een bepaalde periode beperkt is in zijn eigenaarsbevoegdheden. Of men de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde waarborgt door middel van de terugwerkende kracht, een wettelijke beschermingsbepaling of een splitsing van het eigendomsrecht, is daarbij onverschillig, omdat in alle drie de gevallen de facto sprake is van een beperking van de eigenaarsbevoegdheden van de eigenaar onder ontbindende voorwaarde. Weliswaar kan men hem door middel van een fictie gedurende de periode van onzekerheid beschouwen als onvoorwaardelijk eigenaar, maar wanneer men tegelijkertijd aanvaardt dat vervulling van de voorwaarde met terugwerkende kracht bewerkstelligt dat door hem gedurende de periode van onzekerheid getroffen beschikkingen zijn verricht door een beschikkingsonbevoegde, is materieel sprake van een beperking van de eigenaarsbevoegdheden. Wanneer een rechtsstelsel de oneindigheid van het eigendomsrecht strikt zou willen opvolgen, dient het de goederenrechtelijke werking te ontzeggen aan het intreden van de voorwaarde, omdat alleen dan is gewaarborgd dat een eigenaar in generlei wijze door de voorwaardelijke overdracht wordt beperkt in zijn eigenaarsbevoegdheden.16
Erg aanbevelingswaardig acht ik een zodanig stelsel overigens niet, omdat niet goed valt in te zien waarom het bezwaarlijk is dat de eigenaar gedurende de periode van onzekerheid beperkt is in zijn eigenaarsbevoegdheden, waar deze beperking berust op zijn eigen keuze en derden beschermd worden wanneer zij niet op de hoogte zijn van de beperking van het eigendomsrecht. Hierna zal bovendien nog blijken dat artikel 3:84 lid 4 BW, door reeds voor vervulling van de voorwaarde een zekere werking te geven aan de overdracht, er juist toe strekt te waarborgen dat op afdoende wijze rekening wordt gehouden met de belangen van de opvolgende eigenaar, door diens belang als (mogelijk) toekomstig eigenaar reeds terstond te erkennen en te beschermen.17 In zoverre voorkomt artikel 3:84 lid 4 BW tot op zekere hoogte de in het kader van artikel 3:85 BW wel geopperde bezwaren dat de tijdelijk eigenaar rekening moet houden met de belangen van degene die na hem komt.18
Daarbij dient wel bedacht te worden dat met de splitsing van het eigendomsrecht gedurende de periode van onzekerheid vooral afdoende rekening wordt gehouden met de belangen van degene die door vervulling van de voorwaarde eigenaar wordt, indien de macht over de zaak ook door diegene wordt uitgeoefend. Indien de macht over de zaak berust bij de eigenaar onder ontbindende voorwaarde, geldt dat in mindere mate.19 Omdat de koper bij een eigendomsvoorbehoud in de regel de macht uitoefent over de zaak, is het ook niet nodig de rechtsverhouding tussen de voorwaardelijk eigenaars bij een eigendomsvoorbehoud nader wettelijk vorm te geven, zoals voor de rechtsverhouding bij een voorwaardelijke making is gedaan door overeenkomstige toepassing van de vruchtgebruikregels (art. 4:138 BW).