Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.3:7.2.3 Lagere rechtspraak: de Irak-oorlog en staatsbezoeken
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.3
7.2.3 Lagere rechtspraak: de Irak-oorlog en staatsbezoeken
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233792:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag (vzr.) 31 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6540.
Zie r.o. 4.4.
Zie r.o. 4.6.
Rb. Amsterdam (vzr.) 4 april 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT5152.
Zie r.o. 3.1.
Zie r.o. 3.2.
Zie r.o. 3.4 en 3.5.
Zie r.o. 3.6 en 3.7.
Zie r.o. 3.8.
Rb. Den Haag (vzr.) 6 oktober 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0384.
Zie r.o. 3.2.
Zie r.o. 4.3 en 4.4.
Zie r.o. 4.10 en 4.11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de lagere Nederlandse rechter valt regelmatig op de hiervoor bedoelde standaardoverweging van de Hoge Raad terug. Een goed voorbeeld hiervan vormt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank in Den Haag over de politieke steun van de regering aan de oorlog in Irak.1 Deze oorlog was nationaal en internationaal zeer omstreden. Diverse organisaties vroegen van de Haagse voorzieningenrechter een bevel aan de Staat om de oorlog niet langer te steunen. Daarbij richtten zij zich niet alleen op de verleende politieke steun, maar ook op het mogelijk in de toekomst verlenen van militaire steun. De organisaties legden hieraan ten grondslag dat de oorlog in strijd was met het geweldverbod van artikel 4 lid 2 VN-Handvest en artikel 90 Gw.
De Haagse voorzieningenrechter ging hier niet in mee. Daarbij stelde hij voorop dat de vorderingen prematuur waren, voor zover zij waren gericht te-gen het in de toekomst mogelijk verlenen van militaire steun, nu niet was gebleken dat de regering een dergelijk verdergaand ingrijpen overwoog. Zonder de relevante arresten van de Hoge Raad als zodanig te benoemen, viel de voorzieningenrechter ook hier terug op de daarin gebruikte standaardoverweging:
‘Het verlenen van politieke steun is, in de hier gegeven context, op te vatten als het innemen en uitdragen – al dan niet langs diplomatieke weg – van een politiek standpunt, in dit geval op de gebieden van het buitenlands beleid en de defensie. Dit behoort bij uitstek tot het domein van de politiek en de politieke besluitvorming, waarbij het zwaartepunt ligt bij het samenspel tussen regering en volksvertegenwoordiging. De burgerlijke rechter moet, zeker in kort geding, een grote mate van terughoudendheid aan de dag leggen bij de beoordeling van vorderingen zoals in deze zaak, die ertoe strekken dat aan (organen van) de Staat de mogelijkheid wordt onthouden een bepaald politiek standpunt inzake buitenlands beleid en defensie in te nemen en uit te dragen, dan wel wordt opgedragen een standpunt uit te dragen dat (het hunne of) het zijne niet is. Het is niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afweging te maken. Aan een en ander doet niet af dat het verlenen van politieke steun in deze kwestie, ook als het niet gepaard gaat met feitelijke (militaire) handelingen, van belang kan zijn voor het draagvlak van militaire acties van derden [...] in de internationale verhoudingen.’2
De voorzieningenrechter overwoog vervolgens dat er voor rechterlijk ingrijpen onder meer was vereist dat de door de regering verleende politieke steun betrekking had op handelingen van andere partijen – in dit geval de door de Verenigde Staten gestarte oorlog in Irak – die ‘onmiskenbaar onrechtmatig’ zijn. Daarvan was in dit geval niet gebleken. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter in lijn met de hiervoor besproken rechtspraak dat het geweldverbod van artikel 4 lid 2 VN-Handvest zich richt tot de lidstaten. Burgers kunnen daarop geen beroep doen. Ten slotte achtte de voorzieningenrechter, indachtig de vrijheid die in dit verband aan de andere staatsmachten toekomt, de beslissing van de regering om de militaire inval in Irak politiek te steunen niet in strijd met artikel 90 Gw.3
Tot eenzelfde oordeel kwam de Haagse voorzieningenrechter korte tijd later in een zaak over het bezoek van President Bush aan Nederland.4 Diverse maatschappelijke organisaties en burgers waren fel tegen dat bezoek gekant. Hun meest verstrekkende vordering hield in dat de voorzieningenrechter de Staat zou bevelen om President Bush direct na aankomst in Nederland in hechtenis te nemen en te houden totdat de Nederlandse autoriteiten over zijn strafvervolging hadden beslist. Subsidiair verzochten zij de voorzieningenrechter de Staat te verbieden om President Bush tot Nederland toe te laten of om hem in Nederland immuniteit van strafvervolging toe te kennen. Aan deze vorderingen legden eisers ten grondslag dat het Amerikaanse Congres enkele jaren eerder een wet had aangenomen die aan de President de bevoegdheid toekent om alle middelen te gebruiken om Amerikanen die op bevel of verzoek van het Internationaal Strafhof worden vastgehouden te bevrijden. Volgens eisers bood deze wet daarmee een grondslag voor een Amerikaanse aanval op Nederland en was de dreiging van een dergelijke aanval onder meer in strijd met het internationale geweldverbod. Eisers betoogden dat de regering tegen deze achtergrond onrechtmatig handelde door President Bush te ontvangen.
Bij zijn beoordeling stelde de voorzieningenrechter voorop dat de vorderingen waren gebaseerd op gesteld onrechtmatig handelen van de regering. De bevoegdheid van de rechter was daarmee gegeven.5 Ook hadden eisers een spoedeisend belang, nu het bezoek van President Bush op korte termijn zou plaatsvinden.6 Vervolgens viel de voorzieningenrechter terug op de bekende standaardoverweging van de Hoge Raad:
‘[G]egeven [is] dat toewijzing van een of meer van de vorderingen van eisers verregaande gevolgen heeft voor de verhoudingen tussen Nederland en de Verenigde Staten, en daarmee ook voor het Nederlandse beleid op het terrein van de buitenlandse betrekkingen. Dit terrein behoort bij uitstek tot het domein van de politiek en de politieke besluitvorming, waarbij het zwaartepunt ligt bij het samenspel tussen regering en volksvertegenwoordiging. De burgerlijke rechter, zeker (ook) in kort geding, moet daarbij een grote mate van terughoudendheid aan de dag leggen. Het is immers niet aan de (burgerlijke) rechter om de hiervoor vereiste politieke afwegingen te maken. Dit een en ander neemt uiteraard niet weg dat, naar eisers op zichzelf terecht betogen, in een rechtsstaat de onafhankelijke rechter zelfstandig moet beoordelen of andere staatsorganen rechtmatig handelen.’7
De voorzieningenrechter stelde vast dat President Bush op grond van zowel het nationale als het internationale recht immuniteit van strafvervolging genoot. Van een doorbreking van deze immuniteit was geen sprake. Volgens de voorzieningenrechter dienden de vorderingen, voor zover zij betrekking hadden op de strafvervolging van President Bush, reeds om die reden te worden afgewezen.8 Voor het overige stuitten zij af op de standaardoverweging van de Hoge Raad en de daarin bedoelde terughoudendheid die de rechter in dit verband past.9
Voor een vergelijkbare benadering koos de Haagse voorzieningenrechter ten slotte in een procedure over het bezoek van de president van Indonesië aan Nederland in 2010.10 Dit bezoek was onder Molukkers zeer omstreden als gevolg van hun jarenlange strijd voor onafhankelijkheid en de hardhandige wijze waarop de Indonesische overheid zich daartegen verzette. Volgens de Molukkers was niet alleen dit optreden van de Indonesische overheid onrechtmatig, maar moest ook de houding van de Nederlandse regering als zodanig worden aangemerkt, nu zij weigerde de Indonesische regering daarop aan te spreken. Van de Haagse voorzieningenrechter vorderden de Molukkers onder meer een bevel aan de Staat om de Indonesische president na aankomst in Nederland in hechtenis te nemen en te vervolgen wegens mensenrechtenschendingen en om opheffing van diens immuniteit. Ook vroegen zij aandacht voor een door hen geschreven brief aan premier Balkenende, met daarin het verzoek om de Indonesische president op te roepen om met de Molukkers een dialoog aan te gaan over het zelfbeschikkingsrecht, het recht op vrije meningsuiting te erkennen, en om vrijlating van gevangengenomen strijders. Tot slot verzetten de Molukkers zich tegen de erkenning van de onafhankelijksverklaring van Indonesië in 1945. Volgens hen heeft Indonesië eerst in 1949 haar onafhankelijkheid verworven.11
Net als bij het geplande bezoek van President Bush aan Nederland wees de Haagse voorzieningenrechter de vorderingen af. Daartoe stelde hij voorop dat de Indonesische president volledige immuniteit toekwam.12 Vervolgens stelde hij vast dat het belang van eisers vooral was gelegen in het inwilligen van hun verzoeken in hun brief aan premier Balkenende. Volgens de voorzieningenrechter beoogden eisers met hun verzoeken te interveniëren in de wijze waarop de regering de internationale betrekkingen met Indonesië invult. Onder verwijzing naar de standaardoverweging van de Hoge Raad oordeelde de voorzieningenrechter dat de politieke belangen van de regering hierbij zwaarder wogen.13 Voor zover eisers waren opgekomen tegen de mogelijke erkenning van de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring in 1945, ontbrak het volgens de voorzieningenrechter aan een voldoende belang, nu niet was gebleken dat de regering daadwerkelijk voornemens was om dit te doen.