Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.6:7.2.6 Nogmaals Urgenda
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.6
7.2.6 Nogmaals Urgenda
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233793:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor dit onderzoek is interessant dat de hiervoor besproken rechtspraak ook aan de orde is gekomen in de reacties op het Urgenda-vonnis van de Haagse rechtbank. Zoals in de inleiding van dit onderzoek is beschreven, hebben sommige auteurs betoogd dat de rechtbank zich in dit geval van een inhoudelijke beoordeling had moeten onthouden. Bovend’Eert en Bergkamp hebben hun betoog daarbij toegespitst op de bevoegdheid van de rechter: naar hun mening had de rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren. In hoofdstuk 6 van dit onderzoek heb ik vastgesteld dat dit moeilijk valt te rijmen met de door de Hoge Raad uitdrukkelijk aanvaarde objectum litis-leer.1 Op grond daarvan is de Nederlandse rechter vrijwel altijd bevoegd om van een geschil kennis te nemen. Gras heeft daarentegen gesuggereerd dat de rechtbank van een beoordeling had moeten afzien door de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van voldoende belang.2 Daarbij heeft hij nadrukkelijk een parallel getrokken met de zojuist besproken rechtspraak en standaardoverweging van de Hoge Raad.3
Ik heb daar twijfels bij. Hoewel de standaardoverweging van de Hoge Raad, zoals ik hiervoor heb betoogd, inderdaad ruimte biedt voor de rechter om een inhoudelijk oordeel over de boeg van de ontvankelijkheid achterwege te laten, is daarmee niet gezegd dat deze overweging ook in Urgenda relevant was. Hiervoor is gebleken dat de Hoge Raad en lagere rechters de standaardoverweging hebben toegepast in geschillen over de eventuele inzet van kernwapens, de deelname aan luchtaanvallen in NAVO-verband, het steunen van de militaire inval van de Verenigde Staten in Afghanistan en Irak, staatsbezoeken van buitenlandse leiders, en het al dan niet laten terugkeren van IS-kinderen naar Nederland. Of de op het gebied van klimaatverandering te nemen beslissingen naar hun aard hiermee gelijk te stellen zijn, is mijns inziens zeer de vraag. Beslissingen over klimaatverandering raken weliswaar mede, maar niet uitsluitend of bij uitstek aan het buitenlands beleid en defensie.4
Daar komt bij dat de strekking van het betoog van eisers in de hiervoor besproken zaken over het buitenlands beleid verschilde van de strekking van het betoog van eisers in Urgenda. In eerstbedoelde zaken ging het om in de toekomst door andere staatsmachten al dan niet te nemen beslissingen, en daarmee om mogelijk toekomstig onrechtmatig handelen. Bij Urgenda lag dit wezenlijk anders: in die zaak ging het niet om mogelijk in de toekomst te nemen beslissingen, maar om het ten onrechte uitblijven van beslissingen om de negatieve gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan.5