Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.2
7.2.2 Introductie en toepassing van standaardoverweging
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233791:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217, m.nt. Koopmans.
Zie r.o. 3.3, onderdelen A en B, met een verwijzing naar het advies van het Internationaal Gerechtshof.
Zie r.o. 3.2.2 voor een weergave van het oordeel van het hof. Deze redenering doet op zichzelf denken aan de Amerikaanse doctrine van ripeness. Zie daarover paragraaf 5.4.4.
Fleuren 2004a, p. 156-158; Fleuren 2005, p. 126-132, met verdere verwijzingen.
Zie r.o. 3.3, onderdeel C.
Zie r.o. 3.7.1.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5164, NJ 2003/35. Zie over achtergrond en betekenis van de inzet van de Nederlandse krijgsmacht in Kosovo ook De Lange 2008, p. 6-7.
Zie r.o. 3.3, tweede alinea.
Fleuren 2004a, p. 158.
HR 6 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8071, NJ 2004/329.
Zie r.o. 3.4.
HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1148.
Al dan niet geïnspireerd door het door Koopmans geschetste gevaar, zou de Hoge Raad in latere rechtspraak alsnog aanknopingspunten bieden voor een benadering die sterk aan een political question-doctrine doet denken. Hij deed dat in een arrest uit 2001.1 Ook dit arrest heeft betrekking op het gebruik van kernwapens en is gewezen in een door maatschappelijke organisaties aanhangig gemaakte procedure over het eventueel verlenen van medewerking aan de inzet van dergelijke wapens in NAVO-verband. Deze organisaties waren fel tegen het gebruik van kernwapens gekant en meenden dat het gebruik van kernwapens zonder meer in strijd is met het internationale recht en daarom moest worden verboden.
Anders dan de rechtbank kwam het gerechtshof aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil niet toe. Daartoe overwoog het dat voor de ontvankelijk van de vorderingen een reële en geconcretiseerde dreiging was vereist dat kernwapens daadwerkelijk zouden worden ingezet en dat de vorderingen voldoende concreet moeten zijn geformuleerd. Dit gold temeer nu het Internationaal Gerechtshof in een in 1996 uitgebracht advies had overwogen dat het gebruik van kernwapens niet onder alle omstandigheden onrechtmatig kan worden geacht.2 Volgens het hof was van een reële en concrete dreiging van het gebruik van kernwapens niet gebleken en waren de vorderingen onvoldoende concreet geformuleerd. Het hof verklaarde eisers daarom niet-ontvankelijk.3
De Hoge Raad sloot zich bij dit oordeel aan. Daarbij zou hij een standaardoverweging introduceren die, zoals Fleuren heeft opgemerkt, op zichzelf een grondslag biedt voor een Nederlandse political question-doctrine.4 De Hoge Raad stelde voorop dat in dit geval vragen aan de orde waren over het beleid van de Staat op het gebied van de buitenlandse politiek en dat de vormgeving van dat beleid in sterke mate afhankelijk is van politieke afwegingen. De rechter zal bij geschillen die daaraan raken daarom een grote mate van terughoudendheid in acht moeten nemen:
‘In verband met de vraag of en wanneer het gebruik van kernwapens, indien dit in strijd zou zijn met het oorlogsrecht, ongeoorloofd is, verdient nog aantekening dat de in het onderhavige geding ingestelde vorderingen betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Dit betekent dat de burgerlijke rechter een grote mate van terughoudendheid aan de dag zal moeten leggen bij de beoordeling van vorderingen […] die ertoe strekken handelingen ter uitvoering van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlands beleid en defensie, die in de toekomst zouden kunnen worden verricht, reeds thans als onrechtmatig en derhalve als verboden aan te merken. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken. Bovendien dient de burgerlijke rechter aan de daartoe geroepen organen van de Staat op voorhand voldoende speelruimte te laten voor het maken van deze politieke afwegingen aan de hand van, thans niet te voorziene, concrete omstandigheden van het geval, en deze ruimte zo min mogelijk op voorhand te beperken door het opleggen van een verbod waarbij deze omstandigheden niet in aanmerking kunnen worden genomen. Dit geldt niet alleen met betrekking tot de vraag of dergelijke vorderingen al dan niet voor toewijzing vatbaar zijn, maar ook [...] met betrekking tot de vraag van de ontvankelijkheid.’5
Opvallend is dat de in deze ‘standaardoverweging’ bedoelde terughoudendheid niet alleen bij de inhoudelijke beoordeling, maar ook bij de beoordeling van de ontvankelijkheid in acht moet worden genomen. De niet-ontvankelijkverklaring door het hof gaf volgens de Hoge Raad tegen deze achtergrond niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.6
In latere arresten heeft de Hoge Raad dezelfde standaardoverweging herhaald. Hij deed dat onder meer in een arrest uit 2002 over de deelname van Nederland aan de in NAVO-verband uitgevoerde luchtaanvallen tijdens de Kosovo-oorlog in Joegoslavië.7 Diverse militairen van het Joegoslavische leger meenden dat deze luchtaanvallen inbreuk maakten op het in artikel 2 lid 4 VN-Handvest neergelegde geweldverbod en door het IVBPR en EVRM gewaarborgde grondrechten. Voor de Nederlandse rechter vorderden zij in kort geding een gebod aan de Staat om zich van verdere deelname aan de militaire operaties te onthouden.
Ook in deze zaak spitste het geschil zich toe op de ontvankelijkheid. Tegen de tijd dat het gerechtshof zich daarover boog, was op politiek niveau overeenstemming bereikt over het stationeren van een internationale troepenmacht in Kosovo. Ook waren de bombardementen inmiddels beëindigd. Volgens het hof bestond er onder deze omstandigheden niet langer een reële dreiging dat de regering opnieuw tot bombardementen zou besluiten. Het hof oordeelde dat het daarom ontbrak aan een voldoende en spoedeisend belang.
Omdat de hiervoor bedoelde ontwikkelingen zich echter eerst tijdens het hoger beroep hadden voorgedaan en omdat eisers de proceskostenveroordeling in eerste aanleg hadden bestreden, ging het hof toch in op het door eisers aan hun vorderingen ten grondslag gelegde betoog. Van enige schending van het internationale recht was volgens het hof niet gebleken. Daartoe overwoog het dat eisers niet onder de rechtsmacht van Nederland vielen. Zij konden daarom geen beroep doen op de in het IVBPR en EVRM neergelegde grondrechten. Evenmin konden eisers het in artikel 2 lid 4 VN-Handvest neergelegde geweldverbod inroepen, nu dat verbod zich richt tot de lidstaten.
De Hoge Raad verwierp het hiertegen ingestelde cassatieberoep. Daarbij stelde hij voorop dat het hof de ingestelde vorderingen wegens het ontbreken van het vereiste belang had afgewezen, maar met het oog op de proceskostenveroordeling toch inhoudelijk op het betoog van eisers was ingegaan. Vervolgens herhaalde hij de kern van zijn hiervoor bedoelde standaardoverweging:
‘Bij de beoordeling van deze middelen heeft voorts als uitgangspunt te gelden dat de in het onderhavige geding ingestelde vorderingen betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politieke en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Dit betekent dat de burgerlijke rechter, zeker indien het gaat om een kort geding, een grote mate van terughoudendheid aan de dag zal moeten leggen bij de beoordeling van vorderingen, als in het onderhavige geding ingesteld, die ertoe strekken handelingen ter uitvoering van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlands beleid en defensie als onrechtmatig en derhalve als verboden aan te merken. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken.’8
Hoewel deze overweging, zoals Fleuren heeft opgemerkt, op zichzelf geen dragend element van de motivering vormde en daarom gemist had kunnen worden, achtte de Hoge Raad het kennelijk toch van belang om haar te herhalen.9 Terughoudendheid ligt volgens de Hoge Raad nog meer in de rede bij een kort geding.
De Hoge Raad heeft de standaardoverweging ook herhaald in een arrest uit 2004 over het militaire optreden van de Verenigde Staten in Afghanistan in reactie op de terroristische aanslagen op 11 september 2001.10 Diverse organisaties meenden dat dit optreden, zolang de VN-Veiligheidsraad daarmee niet expliciet had ingestemd, in strijd was met het in artikel 2 lid 4 VN-Handvest neergelegde geweldverbod en artikel 90 Gw. Deze laatste bepaling draagt de regering op de internationale rechtsorde te bevorderen. Voor de rechter vorderden eisers een verbod aan de Staat om het optreden van de Verenigde Staten te steunen.
In navolging van de rechtbank en het gerechtshof ging de Hoge Raad hier niet in mee. Daartoe overwoog hij dat het geweldverbod van artikel 2 lid 4 VN-Handvest zich richt tot de lidstaten. Burgers kunnen daarop geen beroep doen. De in artikel 90 Gw neergelegde verplichting voor de regering om de internationale rechtsorde te bevorderen leidde niet tot een ander oordeel, temeer nu deze bepaling niet voorschrijft op welke wijze de regering dat moet doen. De Hoge Raad herhaalde vervolgens zijn standaardoverweging:
‘In dit verband merkt de Hoge Raad op dat de onderhavige vorderingen [...] betrekking hebben op vragen betreffende het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Het is, ook waar het het geweldverbod betreft, niet aan de burgerlijke rechter om deze politieke afwegingen te maken en op verlangen van een burger de Staat (de regering) bepaalde handelingen ter uitvoering van politieke besluitvorming op het gebied van buitenlands beleid of defensie te verbieden of hem te gelasten op dit gebied een bepaalde gedragslijn te volgen.’11
De Hoge Raad heeft de hiervoor bedoelde standaardoverweging onlangs, in vrijwel dezelfde bewoordingen, opnieuw herhaald in zijn later te bespreken arrest over het al dan niet terughalen van vrouwen en kinderen die zich in het strijdgebied van IS in Syrië en Irak bevinden.12