Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/7.2.1
7.2.1 Het vertrekpunt: het Kruisraketten-arrest (1989)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233698:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1679, NJ 1991/248, m.nt. Kooijmans.
Zie punt 2 van de noot van Kooijmans voor een beschrijving van het oordeel van de rechtbank; Koopmans 1999, p. 138.
Zie punt 3 van de noot van Kooijmans; Koopmans 1999, p. 138-139.
Zie r.o. 3.4.
Zie r.o. 3.6.
Dit verdrag verbood de productie van bepaalde nucleaire en conventionele langeafstandsraketten. Op initiatief van President Trump hebben de Verenigde Staten dit verdrag onlangs opgezegd.
Zie punt 3 van zijn noot bij HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3693, NJ 2002/217, waarover hierna.
Koopmans 1996, p. 7; Wiarda/Koopmans 1999, p. 139. Anders: Fleuren 2004a, p. 156.
Het Kruisraketten-arrest van de Hoge Raad uit 1989 kan hierbij als vertrekpunt worden genomen.1 Daarin staat de voorgenomen plaatsing van met kernwapens uitgeruste kruisraketten op Nederlandse bodem centraal. Plaatsing zou geschieden op verzoek van de Verenigde Staten. Het voornemen van de Nederlandse regering om hieraan gevolg te geven en tot plaatsing over te gaan, was politiek en maatschappelijk gezien echter zeer omstreden en leidde tot grote protesten in het land. Toch werd het verdrag dat in de plaatsing voorzag door een meerderheid van het parlement goedgekeurd. Diverse maatschappelijke organisaties en burgers startten daarop een rechterlijke procedure. Daarin voerden zij aan dat de plaatsing van met kernwapens uitgeruste kruisraketten op Nederlands grondgebied in strijd was met andere verdragen en daarom onrechtmatig was en moest worden verboden.
De rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad gingen daar niet in mee en wezen de vorderingen af. Opvallend is dat de rechtbank en het hof dat deden op een manier die sterk aan een political question-doctrine doet denken. De rechtbank overwoog dat een inhoudelijke beoordeling van de verenigbaarheid van het plaatsingsverdrag met andere verdragen door de rechter niet is toegestaan. Deze beoordeling kwam volgens de rechtbank uitsluitend toe aan de regering en het parlement. Met dit argument verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen.2
Het gerechtshof maakte met de onbevoegdverklaring terecht korte metten: omdat de ingestelde vorderingen waren gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad, was de bevoegdheid van de rechter gegeven. Inhoudelijk onderschreef het hof wel het oordeel van de rechtbank. Ook het hof meende dat een toetsing van een verdrag aan andere verdragen door de rechter niet is toegestaan. Dit betekende volgens het hof echter niet dat een verdrag in het geheel niet aan verdragen of ander relevant nationaal en internationaal recht wordt getoetst. Een dergelijke toetsing geschiedt in eerste instantie door de regering in het kader van de vraag of zij een verdrag al dan niet moet sluiten, en vervolgens door het parlement in het kader van de goedkeuring van een verdrag. De uitkomst van deze toetsing is volgens het hof bindend voor de rechter. Nu een meerderheid van het parlement het verdrag dat in de plaatsing van de kruisraketten voorzag had goedgekeurd, had de rechter volgens het hof ervan uit te gaan dat de voorgenomen plaatsing verenigbaar was met ander internationaal recht.3
De Hoge Raad koos echter voor een andere benadering. Anders dan de rechtbank en het gerechtshof zag hij geen principieel beletsel om zich over deze zaak inhoudelijk uit te spreken. Daarbij nam hij nadrukkelijk afstand van het oordeel van het hof en de rechtbank dat het voor de rechter niet mogelijk is om na te gaan of een verdrag verenigbaar is met andere verdragen of ander relevant internationaal recht:
‘Noch de door het hof bedoelde bepalingen van de Grondwet, noch enige andere regel van (nationaal) Nederlands recht staan eraan in de weg dat de Nederlandse rechter onderzoekt of een door het parlement al dan niet uitdrukkelijk goedgekeurd verdrag strijdig is met andere verdragen of andere volkenrechtelijke normen. Met name kan, bij gebreke van een duidelijke wettelijke bepaling dienaangaande, niet worden aanvaard dat het enkele feit dat voor een bepaalde gedraging van de Staat de verdragsvorm is gekozen dan wel dat de Staat zich tot die gedraging bij verdrag heeft verplicht, de rechter zou beletten te beoordelen of de Staat door die gedraging inbreuk maakt op een volkenrechtelijke norm waaraan burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen, en aldus jegens hen onrechtmatig handelt.’4
De Hoge Raad ging vervolgens in op de vraag of de plaatsing van met kernwapens uitgeruste kruisraketten op Nederlandse bodem in strijd was met internationaal recht. Hij beantwoordde deze vraag ontkennend: het bezit of het gebruik van kernwapens kan volgens de Hoge Raad niet onder alle omstandigheden in strijd met het internationale recht worden geacht.5
Hoewel de plaatsing van de met kernwapens uitgeruste kruisraketten uiteindelijk toch geen doorgang vond als gevolg van de inwerkingtreding van het INF-verdrag tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie,6 was dit oordeel van de Hoge Raad van groot belang voor de rechtspraktijk. Zoals Koopmans heeft omschreven, ligt daaraan de gedachte ten grondslag dat de rechter zelfstandig heeft na te gaan of de andere staatsmachten bij de vormgeving van het buitenlands beleid hogere normen van internationaal recht eerbiedigen.7 Dit komt de rechtsbescherming van burgers ten goede. Tegelijkertijd meende Koopmans dat hierin ook een gevaar is gelegen dat de rechter uiteindelijk tot een geheel andere afweging komt dan de regering en het parlement. Bij de plaatsing van de kruisraketten had een ander oordeel van de Hoge Raad volgens Koopmans zelfs tot een constitutionele crisis kunnen leiden, nu het politieke besluitvormingsproces al veel stappen had doorlopen en de regering en een meerderheid van het parlement de plaatsing van de raketten in het landsbelang achtten.8