Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.7.3
4.7.3 §31 BGB
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713160:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§31 BGB regelt de Haftung des Vereins für Organe: “Der Verein ist für den Schaden verantwortlich, den der Vorstand, ein Mitglied des Vorstands oder ein anderer verfassungsmäßig berufener Vertreter durch eine in Ausführung der ihm zustehenden Verrichtungen begangene, zum Schadensersatz verpflichtende Handlung einem Dritten zufügt.”
In eerste instantie had de Duitse wetgever alleen een aansprakelijkheid voor het handelen en nalaten van organen voor ogen: Leuschner, in: Münchener Kommentar §31 BGB 2021, nr. 12-13.
BGH 15 januari 1985, NJW-RR 1986, 281; BGH 5 maart 1998, NJW 1998, 1854. Vgl. Schirmer 2015, p. 5: “So ist kein Geheimnis, dass der Vorschrift heute eine rechtsformübergreifende Geltung zugesprochen wird. Darüber hinaus soll §31 BGB nicht nur Organ-, sondern Repräsentantenhaftung sein.” Zie ook: Schöpfin, BeckOK BGB §31 BGB 2022, nr. 7 e.v.; Leuschner, in: Münchener Kommentar §31 BGB 2021, nr. 13 e.v.; Schwennicke, in: Staudinger §31 BGB 2019, nr. 22-23, p. 268-269; Markesinis, Bell & Janssen 2019, p. 126-127; Van Dam 2013, p. 504-505.
§21 BGB, §22 BGB en §171 VAG.
Leuschner, in: Münchener Kommentar BGB, §31 BGB 2021, nr. 3; Schöpflin, in: BeckOK BGB §31 BGB 2022, nr. 3. Bijvoorbeeld toepassing op de AG: BGH 9 mei 2005, NJW 2005, 2450 en voor de GmbH: BGH 13 januari 1987, NJW 1987, 1193. §31 BGB wordt overigens ook analoog toegepast op personenvennootschappen: Leuschner, in: Münchener Kommentar BGB §31 BGB 2021, nr. 4, met verwijzingen.
Vgl.: Leuschner, in: Münchener Kommentar §31 BGB 2021, nr. 21 e.v.: “Im Zusammenhang mit der deliktischen Haftung wegen der Verletzung von Verkehrssicherungspflichten wird die Frage erörtert, ob die Pflicht zum Handeln für §31 nur eine solche des Zurechnungsadressaten zu sein braucht oder ob sie den Repräsentanten treffen muss, dessen deliktische Verantwortlichkeit §31 auf den Zurechnungsadressaten ausdehnt.”
Zie ook Deutsch & Ahrens 2014, nr. 544: “Das Gesetz lässt offen, ob es sich um eine adjektizische oder privative Haftung handelt, ob also das Organ persönlich für den Schaden haften muß oder nicht.” Vgl. Schirmer 2015, p. 1.
Schirmer 2015.
Schwennicke, in: Staudinger §31 BGB 2019, nr. 8, p. 265.
Von Bar 1992, p. 283 e.v.
Vgl. Hoekzema 2000, p. 155 e.v., waarin Von Bars opvatting wordt besproken.
Op grond van §840 BGB. Brüggemeier 2004, p. 152-153; zie ook: Brüggemeier, Archiv für die civilistische Praxis 1991, p. 64 e.v.
Altmeppen, ZIP 1995, p. 888, 891.
Haas 1997, p. 213.
Schirmer 2015, p. 14. De meningen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag wat het resultaat is van deze ‘haftungserweiternde Funktion’. Zo wordt genoemd dat §31 BGB een kanalisering van de aansprakelijkheid naar de ondernemer bewerkstelligt, waarbij het orgaan slechts in uitzonderingssituaties aansprakelijk is. Daarnaast wordt ook gesproken over een Mithaftung van zowel de rechtspersoon als het orgaan. Ik laat deze kwestie verder rusten.
§31 BGB bepaalt dat een Verein (vereniging) aansprakelijk is, indien het bestuur, een bestuurslid of ‘verfassungsmässig berufene Vertreter’ schade heeft veroorzaakt.1 Onder ‘verfassungsmässig berufenen Vertretern’ wordt doorgaans een orgaan (bestuur of bestuurslid) of een statutair aangewezen vertegenwoordiger verstaan.2 In de loop van de tijd heeft de rechter het begrip langzaam opgerekt: ook functionarissen die een bijzondere positie innemen binnen de organisatie (bijvoorbeeld omdat zij belangrijke managementtaken uitvoeren en derhalve op eenzelfde wijze opereren als organen) vallen onder deze definitie. Het BGH heeft geoordeeld dat moet worden gekeken of de functionaris belast is met de autonome uitvoering van de essentiële en belangrijke taken van de rechtspersoon.3 Hoewel §31 BGB op grond van de tekst slechts van toepassing is op de vereniging,4 wordt algemeen aangenomen dat §31 BGB analoog kan worden toegepast op andere rechtspersonen.5
Het is de vraag of is vereist dat het orgaan, of de hooggeplaatste functionaris, een onrechtmatige handeling heeft gepleegd. 6 De tekst van §31 BGB laat dit open.7 Ook de wetgever heeft hier geen uitsluitsel over gegeven; die heeft de zaak overgelaten aan de rechtswetenschap en de praktijk.8 Het BGH heeft in een veelvuldig bekritiseerd arrest geoordeeld dat de Verkehrssicherungspflicht van een Verein (of een andere rechtspersoon) ook steeds een Verkehrssicherungspflicht van het orgaan of andere hooggeplaatste functionaris inhoudt.9 Het orgaan – of de hooggeplaatste functionaris – kan zelf aansprakelijk worden gehouden voor een gedraging in strijd met, bijvoorbeeld, §823 BGB. De fysieke gedraging van het orgaan komt aldus niet te ‘vervallen’ door toepassing van §31 BGB. Hiermee is niet de vraag beantwoord of de rechtspersoon zelf een gedragsnorm moet hebben overschreden. Volgens Schwennicke wordt de aansprakelijkheid gebaseerd op de onrechtmatige handeling (of het onrechtmatig nalaten) van een orgaan. Deze handeling wordt vervolgens toegerekend aan de Verein.10 §31 BGB is aldus een zuivere toerekeningsregel: “Die Vorschrift ist keine haftungsbegründende, sondern eine haftungszuweisende Zurechnungsnorm.”11 Deze gedachte wordt breed gedragen in de literatuur. Zo behelst §31 BGB volgens Von Bar een aansprakelijkheid op grond van de wet (‘gesetzlichen Schuldbeitritts”) en is het evident dat het Tatbestand van dit artikel steeds alleen kan zijn vervuld indien het handelende orgaan in eigen persoon onrechtmatig heeft gehandeld.12 Met andere woorden, hij typeert §31 BGB als een (kwalitatieve) aansprakelijkheid voor fouten van anderen.13 Ook Brüggemeier meent dat §31 BGB geen Tatbestand voor de rechtspersoon impliceert. Slechts vereist is een Eigendelikt van het orgaan (of de functionaris), dat vervolgens wordt neergelegd bij de rechtspersoon, met een ‘gesamtschuldnerischen Haftung’ tot gevolg.14 Altmeppen schrijft dat §31 BGB de aansprakelijkheid van het orgaan of de Vertreter vooropstelt.15 Haus is eenzelfde mening toegedaan en meent dat §31 BGB is ingericht op “das personale Unrecht einer natürlichen Person, nicht einer juristischen Person”.16 Volgens Schirmer is het uitgangspunt dat voor toepassing van §31 BGB het orgaan (of de vertegenwoordiger) een ‘Eigendelikt’ moet hebben begaan, met als gevolg dat de rechtspersoon (ook) aansprakelijk is. Dit betekent niet dat de rechtspersoon zelf een ‘originären Delikt’ heeft gepleegd, maar dat de rechtspersoon een ‘Einstandspflicht’ heeft voor het schadeveroorzakend handelen van het orgaan. Dit is volgens de auteur ‘‘die klassische, haftungserweiternde Funktion’’ van §31 BGB.17