Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/7.2.1
7.2.1 Equity
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686200:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De theorie is – voortbouwend op de theorie van de relative deprivation en op de social exchange theory - ontwikkeld door John Stacey Adams. Zie nader Adams 1965.
Voor onderzoek waarin op deze verdelingsnorm nader wordt ingegaan, verwijs ik naar Adams 1965, Deutsch 1975, Adams & Freedman 1976, Markovsky 1988, Pritchard, Dunnette & Jorgenson 1972 en Walster et al. 1973.
Vgl. Sabbagh 2001, p. 249.
Zie nader over de equity theorie binnen een arbeidsverhouding: Miller 1999, p. 156 e.v.
In de literatuur wordt bij deze formule veelvuldig verwezen naar Aristoteles die distributieve rechtvaardigheid baseerde op proportionaliteit. Vgl. Aristoteles 2015, p. 169: “Dus zoals de eerste term staat tot de tweede, zo staat de derde term tot de vierde, en alternando: zoals de eerste staat tot de derde, zo staat de tweede tot de vierde. Vandaar zal ook de som van de eerste en de derde term in dezelfde verhouding staan tot de som van de tweede en vierde term. Dit is nu precies de combinatie die door de verdeling wordt gerealiseerd en indien de termen op deze wijze worden samengesteld, is de combinatie rechtvaardig.”
Zie nader over de equity-theorie: Adams 1965, Walster, Walster & Berscheid 1978 en Miller 1999.
Zie voor een onderbouwing van de equity-theorie vanuit de neurologie: Cappelen e.a. 2014.
Sabbagh 2001, p. 252 en 253, over die ontwikkeling “during the 1970s and 1980s”: “distributive justice is conceived as a multidimensional and particularistic phenomenon: there are several justice principles and people apply these principles separately or in combination when they distribute different classes of resources (Törnblom and Foa, 1983) in different social contexts (Deutsch 1975; Lerner, 1975; Leventhal, 1976; Sampson, 1975). Within this approach, three basic principles are commonly distinguished – equity, equality, and need – along with their respective more specific rules, according to which people value the fairness of resource distribution.”
Sondak, Neale and Pinkley 1999, p. 492. Relationship, contribution and resource constraints zijn volgens deze onderzoekers de drie bepalende kenmerken die bepalen welk type verdeling geschikt is.
Sondak, Neale and Pinkley 1999, p. 493.
Conlon e.a. 2004, p. 331.
Vgl. Conlon e.a. 2004, p. 344, Miller 1999, p. 27 en Sondak, Neale & Pinkley 1999, p. 489.
Vgl. Sondak, Neale & Pinkley 1999, p. 490. Deutsch 1975 gaat uit van de benadering dat het doel dat wordt nagestreefd door degene die is belast met de verdeling de keuze voor een verdelingsnorm beïnvloedt. Als economische productiviteit moet worden bevorderd, is equity het meest geschikt. Indien het versterken van de onderlinge sociale verhoudingen het doel is, is equality meer gepast.
De equity-theorie1 tracht de ervaren (on)billijkheid van de verdeling te verklaren aan de hand van een persoonlijk vergelijkingsproces: welk deel heb ik ontvangen en hoe verhoudt dit zich tot de bijdrage die ik heb geleverd?2 Vervolgens wordt de eigen input-outputverhouding vergeleken met die van relevante andere personen. Indien iemand een ongelijkheid (“inequity”) percipieert, is dit van invloed op de (ervaren) rechtvaardigheid van de verdeling. Doorgaans is er een derde partij (in het kader van een arbeidsverhouding is dat bijvoorbeeld de werkgever), die zorgdraagt voor de verdeling van de beschikbare middelen.3
De input kan allerlei vormen aannemen. Bij een arbeidsovereenkomst kan hierbij bijvoorbeeld gedacht worden aan inzet en talent. Bij output kan bijvoorbeeld gedacht worden aan salaris, erkenning en verantwoordelijkheid.4
De theorie wordt wel weergegeven met de volgende formule:
5. Hierbij is Oa de output van persoon A en Ia de input van A. Ob is dan de output van relevante anderen en Ib de input van relevante anderen. De ervaren distributieve rechtvaardigheid zou het hoogst zijn indien de twee in de formule vervatte ratio’s gelijk aan elkaar zijn.6 Mensen, zo volgt hieruit, kunnen verschillen in uitkomst accepteren (en kunnen in die zin een ongelijke behandeling aanvaarden), mits die verschillen maar gebaseerd zijn op verschillen in de bijdragen die geleverd zijn.7
Een verdelingsregel gebaseerd op deze theorie moet dus rekening houden met het feit dat mensen een balans willen aanbrengen tussen iemands bijdrage en zijn beloning in vergelijking met de bijdrage en de beloning van relevante anderen. In het kader van een faillissement kan hierbij gedacht worden aan een verdelingsregel, waarbij de verhouding tussen enerzijds de vordering van een schuldeiser en anderzijds het bedrag dat wordt uitgekeerd, wordt gelijkgesteld aan de vorderingen van vergelijkbare overige schuldeisers en het bedrag dat zij ontvangen.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen (vroegere) theorieën die één (absolute) verdelingsnorm centraal stellen die in alle situaties kan worden toegepast (unidimensionality) en (latere) theorieën die meerdere verdelingsnormen centraal stellen die gelden, afhankelijk van de context waarin ze worden toegepast (multidimensionality). Vanaf de jaren zeventig is er meer aandacht gekomen voor de gedachte dat equity slechts één van de mogelijke verdelingsprincipes is, naast met name equality en need. Bovendien is de focus meer komen te liggen op het contextuele karakter van de verdelingsprincipes.8 In overwegende mate wordt thans in onderzoek, dat zich richt op distributieve rechtvaardigheid, uitgegaan van een contextuele benadering. Met betrekking tot een verdeling op basis van equity wijs ik in dit kader op het volgende.
Indien tussen mensen geen nauwe persoonlijke band bestaat en er geen sprake is van een lange termijnrelatie, wordt equity genoemd als favoriete verdelingsnorm.9 Dit speelt nog sterker indien er sprake is van een situatie van schaarste (resource constraints).10
In het kader van neutrale, competitieve of resultaatgerichte samenwerkingen heeft een verdeling op basis van equity de voorkeur.11 De bevinding dat equity in het kader van economische samenwerkingen wordt genoemd als voorkeursnorm, sluit hier bij aan.12 Een nuancering is wel op zijn plaats. Indien er sprake is van een langdurige economische samenwerking, waarbij de betrokkenen een harmonieuze relatie hoog in het vaandel hebben staan, zal equality eerder als passende verdelingsnorm worden gezien.13